En dat is allemaal angst…

Wanneer angsten je hele leven overnemen. ‘Ik raakte totaal verlamd door het gepieker’

HUMO –  1 oktober 2018

Welke zekerheden heeft een mens nog in deze complexe, opgejaagde tijden? Een job is niet meer voor het leven, een relatie evenmin. We zitten met z’n allen te vrezen dat we ons pensioen niet halen – als dat tegen die tijd tenminste nog bestaat – terwijl elke scheet wordt beoordeeld op sociale media. Aan bang zijn zou je een dagtaak kunnen hebben. Bij sommige mensen neemt de angst zo’n proporties aan dat hij hun hele leven overneemt. ‘Ik heb me voorgenomen om naar de Ardennen te rijden. Daarvoor moet ik over het viaduct van Vilvoorde. Dat is het summum van mijn angsten.’

Leen Dendievel heeft zich geout. Niet als transgender – die rol vervult ze al jaren in ‘Thuis’ – maar als één van de vele mensen die aan den lijve hebben ondervonden hoe een paniekaanval voelt. Alleen kon ze er niet meteen die term op plakken, schrijft ze in haar nieuwe boek ‘Asem’.Leen Dendievel «Ik werd wakker en had het vreselijk benauwd. Alsof ik in een kist lag waar ik niet uit kon. Ik voelde me gevangen in mijn eigen lijf. Intussen ging mijn hart tekeer, baadde ik in het zweet en had ik het gevoel dat ik zou flauwvallen. De paniek maakte alles nog erger. Bovendien kreeg ik pijn in mijn linkerarm, waardoor ik dacht: ‘Fuck, ik krijg een hartaanval.’ Dat zit in de familie.

Een paniekaanval is voor iedereen anders. In mijn boek laat ik iemand aan het woord die altijd angstaanvallen kreeg in drukke ruimtes, omdat hij schrik had dat hij zou overgeven. De symptomen zijn universeel, maar de triggers zijn heel individueel. Mij overkwam het nooit op het werk of als ik druk bezig was, maar altijd op momenten dat ik ontspannen in de zetel of in bed lag. Dan had mijn lichaam opeens tijd om van alles te uiten. Op den duur kreeg ik angst voor de angst: als ik een vrij moment had, durfde ik me bijna niet meer te ontspannen, uit schrik dat het me weer zou overkomen. Dan zat ik in de zetel in een stressbal te knijpen of een boekje te lezen, gewoon om niet alleen maar te liggen.»

HUMO Na de zoveelste paniekaanval belandde je tijdens een vakantie op een spoeddienst in Spanje. Daar kreeg je voor het eerst de diagnose ‘anxiety’ te horen.

Dendievel «Dat was een geruststelling. Met die term kon ik iets: wat ik voelde, kwam dus door de paniek. Maar tegelijk was er ook ongeloof: ik, angstig? Zo had ik mezelf nooit gezien. Ik ben een durfal, spreek iedereen aan. Ik ben actrice geworden. Hoeveel risico’s kan een mens nemen?

Ik ben gaan uitzoeken waar die angstaanvallen vandaan komen. Bij mij kun je ze wellicht terugbrengen tot mijn perfectionisme, gecombineerd met mijn hooggevoeligheid. Dat ik een perfectionistische controlefreak ben, wist ik al lang. Maar ik heb ook ontdekt dat de kleinste prikkel extra hard binnenkomt bij mij.»

HUMO Je zult altijd wel een perfectionist blijven, maar van paniekaanvallen heb je geen last meer.

Dendievel «Ik plan mijn agenda beter. Na een stressvolle week moet ik ruimte maken om te ontspannen, weet ik nu. Ik doe geen dingen meer die me méér energie kosten dan ze me opleveren. Ik hoef niet meer naar elk feestje, of naar elke voorstelling van collega’s. Ik denk nu iets meer aan mezelf en trek grenzen. Het gebeurt nog steeds dat ik het plots benauwd krijg en de paniek voel opkomen, maar nu weet ik waar die vandaan komt en dat hij ook weer weggaat. Met een goeie ademhalingsoefening is het na twee minuten weer voorbij. Ik heb ook geleerd de problemen aan te pakken wanneer ze zich voordoen. Als ik ooit écht een hartaanval krijg, dan pak ik die dan wel aan. Niet nu.

Voor mij hangen paniekaanvallen samen met hoe we tegenwoordig leven. We hebben geen tijd meer om dingen te verwerken, we moeten altijd maar door. Ons lichaam trekt dat een tijdlang, tot het op is. We moeten ons op Instagram en Facebook allemaal van onze beste, sterkste kant tonen. Daar past angst niet in. Mensen durven amper te zeggen dat ze angstaanvallen hebben, want niemand begrijpt wat het is. Ik kreeg net nog een bericht van een vrouw die al jarenlang paniekaanvallen heeft. Buiten haar man weet niemand ervan, zelfs haar familie niet. Daarom wilde ik ermee naar buiten komen, want het kan echt iederéén overkomen.»

Volgens psychiater Kurt Audenaert (UZ Gent) krijgen spoedartsen vaak mensen met een paniekaanval over de vloer. Niet zelden zijn ze erg jong.

Kurt AUDENAERT «Bij een paniekaanval overspoelt de angst je als een golf. Pijn in de hartstreek, een draaierig gevoel en hyperventilatie zijn mogelijke symptomen. De fysieke klachten zijn zo ernstig dat de patiënt denkt dat hij doodgaat: ‘Doe iets, dokter!’ Dan halen we de cardioloog erbij, maar diens onderzoek levert geen resultaat op. Het ergste wat die cardioloog dan kan zeggen, is: ‘Er is niks mis met u.’ In het beste geval zegt hij: ‘Ik vind niks, maar misschien moet u er eens over praten met een psycholoog of een psychiater.’ En dan is het afwachten of die persoon dat ook doet. Soms gaan er jaren voorbij eer de diagnose van angststoornis wordt gesteld.

Sociale angststoornissen komen het vaakst voor: 8 procent van de mensen heeft er ooit last van. Voor de andere twee – de gegeneraliseerde angststoornis en de paniekstoornis – ligt dat aantal rond de 3 procent. Mensen met een sociale angststoornis kunnen heel vlot in de omgang zijn, soms zelfs met een prominente job. Aan niets merk je dat ze sociaal geremd zijn, maar onder dat laagje schuilt de constante angst om beoordeeld te worden. Het is een grote groep, die vaak wordt onderschat.»

HUMO Zouden al die mensen behandeld moeten worden?

AUDENAERT «Eigenlijk wel. De lichtere vormen gaan wellicht vanzelf voorbij, maar bij de rest kan die angststoornis een grote impact hebben op werk, studies of relaties. Ooit zag ik hier een arbeider die ruzie had met zijn vrouw. Op het werk hadden ze hem een baan als ploegbaas aangeboden, met een hoger loon en meer regelmatige uren. Hij had geweigerd, tot groot ongenoegen van zijn vrouw. Zij dacht dat hij die regelmatige uren niet wilde, omdat hij niet bij haar wilde zijn. Maar tijdens onze gesprekken bleek dat hij geweigerd had omdat hij als ploegbaas wekelijks zijn collega’s zou moeten toespreken. Dat bezorgde hem zoveel angst dat hij liever laag op de ladder bleef staan. Ik zie vaak mensen die kansen laten liggen in hun carrière, uit schrik om beoordeeld te worden. Ook studenten: ze dienen nog liever een blanco examen in dan het risico te lopen op slechte punten. Dat is zo jammer.»

Barbara Depreeuw is klinisch psychologe en gedragstherapeute bij The Human Link. Zij denkt niet dat meer mensen angst hebben.

Barbara Depreeuw «Angst is van alle tijden, al zijn er wel tendensen. Door de sociale media lopen we voortdurend het risico dat onze misstappen worden gefilmd, op het internet gegooid en door de hele wereld beoordeeld. Zo maakt de vrijheid van technische ontwikkelingen ons minder vrij.»

Xanax in de rugzak

Levi* kreeg zijn eerste paniekaanval op zijn 18de, tijdens zijn eerste jaar aan de universiteit. Midden in de les moest hij opeens, koste wat het kost, naar buiten. Waarom? Dat kon hij niet verklaren.

Levi «Ik ben in de cafetaria een warme chocolademelk gaan drinken. Daarna voelde ik me beter. Ik stond er niet meer bij stil, tot het me opnieuw overkwam: toen ik met een vriend in de auto zat, dacht ik dat ik ging stikken.

Een jaar geleden – ik ben intussen eind de 30 – ben ik uitgevallen op het werk. Ik sliep al een tijd niet meer en raakte al maandenlang niet meer door mijn werk. Het lukte me gewoon niet meer om te schrijven, ook al probeerde ik nog zo hard. Tijdens de lunchpauzes sloot ik me op in mijn bureau, zogezegd om ontspanningsoefeningen te doen. Op zulke momenten begon mijn lichaam oncontroleerbaar te schudden, alsof ik een epilepsieaanval kreeg.»

HUMO Was er een directe aanleiding? Stress op het werk?

Levi «Niet eens. Een paar weken later was ik thuis met ziekteverlof, en werden de aanvallen nog erger. Dan viel mijn lichaam plots uit. Soms gebeurde het terwijl ik zat te eten: dan viel mijn vork in mijn bord en staarde ik voor me uit. Alsof iemand een schakelaar in mijn hoofd had uitgezet. Dat kon tot drie keer per dag gebeuren. Het overviel me zelfs op café: ik voelde mezelf wegzakken en mijn ogen konden niet meer onderscheiden waar de vloer eindigde en de bar begon. Ik had ook last van hallucinaties: ik rook dingen die er niet waren, zoals ammoniak of vis. Heel vreemd. Later heeft de psychiater me uitgelegd dat het prikkelverwerkingssysteem in mijn hersenen zo uitgeput was dat het voor elektrische ontladingen zorgde.

Mijn huisarts dacht eerst aan epilepsie. Hij verwees me door naar een psychiater, die meteen zag wat er scheelde: ‘Jij hebt geen epilepsie, maar zeer uitgesproken symptomen van een ernstige angststoornis.’ Ik kon dat moeilijk aanvaarden. Ik had zelfs liever epilepsie gehad: daar heb ik tenminste zelf geen schuld aan.»

HUMO Aan angst wel?

Levi «Zo dacht ik er toen over, ja. Angst was mijn eigen falen: het was mijn schuld dat ik me er niet overheen kon zetten. Ik was bijna ontgoocheld toen de psychiater het zei.»

HUMO Was je al die jaren angstaanvallen blijven hebben?

Levi «Ja. Soms ging ik door een erge periode, waarna het weer wat beter ging. Mijn huisarts had me een heel licht antidepressivum voorgeschreven. Verschillende angsten kwamen en gingen ook. Mijn angst voor liften heb ik pas op mijn 22ste gekregen. Tijdens een drukke periode in mijn studies had ik een paniekaanval gekregen in een lift en sindsdien durfde ik er niet meer in. Ik durfde ook niet als passagier in een auto te zitten die over de snelweg reed – zelf rijden op de snelweg was helemaal uitgesloten. Soms had ik ook last in het vliegtuig of op de trein. Ik ben wel altijd het vliegtuig blijven nemen, want ik reis veel te graag. Maar dat lukte alleen als ik voordien Xanax nam. Als ik door die koker naar het vliegtuig stapte, voelde ik me als een terdoodveroordeelde die naar de elektrische stoel werd geleid.

Volgens mijn psychiater is sociale angst wellicht de motor van al mijn angsten. Mijn angst raakt aan mijn bestaansrecht: mag ik er wel zijn? Mag ik wel zijn wie ik ben? Heel lang heb ik er met bijna niemand over gepraat – typisch voor een sociale angststoornis. Ik was bang voor de reacties. Ik voelde enorme schaamte. Zelfs mijn familie wist niet meer dan het strikt noodzakelijke. Toen ik voor lange tijd uitviel op het werk, kreeg ik het niet over mijn lippen dat die ‘epilepsieaanvallen’ een psychologische oorzaak hadden. Ik verstijfde als ik er iets over wilde zeggen. Hulp vragen durfde ik al helemaal niet. Ik bleef met mijn angsten zitten en bedacht uitwegen of vermommingen. Op den duur wist ik heel goed wat ik moest doen om angst te vermijden. Als ik een erge periode had, ging ik het huis niet uit zonder mijn rugzakje. Daarin zat een flesje water, druivensuiker voor mijn lage bloedsuikerspiegel, een doosje Xanax – voor het geval dát – en een kruiswoordraadsel om mijn gedachten te verzetten. Het was mijn reddingspakket, ook al hielp het niet echt: ik bleef angstig, alleen verplaatste mijn angst zich naar die rugzak. Als ik die niet bij had, was ik helemáál het noorden kwijt.

Ik zag mijn leven verglijden naar een verhaal van controle en dwang, zonder dat ik het zelf goed besefte. Dat duurde tot mijn hersenen compleet uitgeput waren.»

Controle afgeven

Depreeuw «Mensen hebben vaak jarenlang ernstige angstklachten zonder dat ze eraan ten onder gaan. Doorgaans moet angst al enorme proporties aannemen voor ze er iets aan doen. Mensen minimaliseren alles liever en mijden wat hen angstig maakt, terwijl ze leren leven met de beperkingen. Zolang ze de prijs die ze betalen voor hun angsten niet te hoog vinden, gaan ze door. Maar het probleem met vermijden is dat het de angst alleen maar doet toenemen. Tot mensen op een punt komen waarop vermijden niet meer gaat, en dan komen ze in therapie.»

Audenaert «Mensen met een gegeneraliseerde angststoornis wéten dat ze overbezorgd zijn en te veel piekeren. ‘Zo ben ik nu eenmaal,’ zeggen ze dan. Maar de schade die ze aanrichten in hun gezin is vaak groot. Een studente die met haar moeder op consultatie kwam, klaagde dat haar moeder haar te pas en te onpas belde. Ging ze uit naar Oostende en hoorde haar moeder over een ongeval in Brussel, dan belde ze toch even, want misschien was dochterlief toch naar Brussel gereden. Dat kan één keer gebeuren, maar ze deed het elke keer opnieuw.»

Depreeuw «We horen nu voortdurend over burn-outs, maar vaak ligt faalangst aan de basis. Hard werken kan een manier zijn om je faalangst te compenseren, om te voldoen aan de verwachtingen van de baas of de collega’s. Dat harde werken kan een vorm zijn van vermijding: het houdt dan het probleem, de angst, in stand. Pas door de angst aan te pakken los je de oorzaak van de burn-out echt op.»

Nikki Dierckx weet precies waar en wanneer haar angsten de kop opstaken.

Nikki Dierckx «Het begon toen ik nog op school zat. We maakten met de klas een vliegreis naar Turkije, waar we op de hoogste verdieping van een groot hotel logeerden. In de kelder was een discotheek. Om zo snel mogelijk naar het feestje te kunnen, zijn we met te veel meisjes in de lift gestapt. Zodra die in beweging kwam, leek het alsof we een vrije val maakten. Voor we de grond zouden raken, schoot de noodstop in werking. De verlichting viel uit en al het glas kwam naar beneden. De deur kregen we niet meer open.

Sindsdien ben ik nooit meer in een lift gestapt. Zelfs toen ik moest bevallen en mijn water was gebroken, kregen ze me er in het ziekenhuis met geen stokken in: ‘Ik neem de trap wel.’ Maar mijn angst breidde zich uit, en ik ging alle techniek in vraag stellen. Als een lift kon neerstorten, dan kon ook het karretje van de achtbaan loskomen. Naar een pretpark gaan werd de hel. Ook bruggen werden een heikel punt. Ik moet elke dag over de E314, met die heel lange brug over de Vaartkom. Ik begon me af te vragen hoe lang die brug er al stond. Houdt die het wel als er een lange file op staat, met volgeladen vrachtwagens? In mijn hoofd moest dat ooit fout gaan. Om de file op de brug te vermijden, reed ik over de in- en uitvoegstrook. Dat mag niet, maar alles om niet te hoeven stilstaan.

Jarenlang ben ik de confrontatie met mijn angsten niet aangegaan. Ik nam het vliegtuig niet meer, ging niet naar pretparken, en als ik door een tunnel moest rijden, draaide ik het raampje open, omdat ik schrik had dat ik geen lucht meer zou krijgen.»

HUMO Je had bijna een dagtaak aan het vermijden van je angsten.

Dierckx «Ik vond dat het nog wel meeviel. Altijd de trap nemen vond ik zelfs gezond. Ook die vliegangst was geen groot probleem: ik ga liever met de caravan op reis. En ik vond het niet erg om een concert te missen in het Sportpaleis, ze zonden dat later wel uit op tv. Ik kon redenen genoeg verzinnen om mijn angsten uit de weg te gaan.»

HUMO Het Sportpaleis durfde je ook niet in?

Dierckx «Niet sinds ik er een paniekaanval had gekregen. Ik had mezelf zo zitten opjagen dat ik tijdens het concert misselijk werd en mezelf voelde wegdraaien. Ik was ervan overtuigd dat de tribunes zouden instorten als te veel mensen tegelijk zouden gaan springen. Een tribune die zweeft in de lucht? Die kon niet blijven hangen. Een vliegtuig van ettelijke tonnen dat in de lucht blijft hangen? Onmogelijk. En wat als de aannemer van een hoog gebouw had gesjoemeld met het beton? Ik verloor mezelf in technische bedenkingen, waarmee ik mezelf nog banger maakte. Heel vermoeiend, rampscenario’s bedenken. Hoorde ik op het nieuws over een ongeval in een pretpark, dan dacht ik: ‘Zie je wel dat het kan gebeuren!’ Uiteraard: alles kan.»

HUMO Zelfs een aanslag.

Dierckx «Door de aanslagen in Brussel begon ik niet extra dingen te mijden, maar onbewust speelde het wel in mijn hoofd. Wat meer indruk maakte, was die piloot die zijn vliegtuig met opzet tegen een bergwand deed crashen. Dat kon dus óók gebeuren.»

HUMO Maar je bent wel met de auto blijven rijden? Dat vergt ook techniek.

Dierckx «Ja, maar in de auto heb ik zelf de controle. Ken je Roger nog, van dat doe-het-zelfprogramma op Dobbit TV? Die zei altijd: ‘Wat je zelf doet, doe je meestal beter.’ Zo zag ik het ook: ik vertrouwde alleen wat ik zelf deed. Maar in het leven moet je nu eenmaal een stukje controle afgeven, dat gaat niet anders.»

HUMO Wanneer heb je beslist om je angsten toch aan te pakken?

Dierckx «Het kantelmoment was toen ik een zakenreis moest maken. Ik had mijn baas verteld dat ik niet durfde te vliegen. Elke andere baas zou een collega gestuurd hebben, maar de mijne niet: hij betaalde me een cursus van Brussels Airlines om mijn vliegangst te overwinnen. Ik stond er sceptisch tegenover – ‘Hoe kan een cursus van amper twee dagen me van mijn angst afhelpen?’ – maar nu ben ik mijn baas ongelofelijk dankbaar. Een piloot heeft me haarfijn uitgelegd hoe een vliegtuig in de lucht kan blijven. Ik vond het op slag niet meer erg om de controle af te geven, omdat ik er een gezicht op kon plakken: ik vertrouwde die man.

Marieke Impens en Barbara Depreeuw van The Human Link legden me uit hoe angst inwerkt op je lichaam. Mijn klik is gekomen toen Barbara zei: ‘Het is niet omdat het in je hoofd zit, dat het werkelijkheid wordt.’ Toen pas besefte ik hoe mijn brein me altijd manipuleerde om bang te zijn. Ik heb gevloekt: ‘Verdomme, dat wil ik niet meer!’ Op de testvlucht naar Toulouse op dag twee van de cursus zat ik aan het raampje en genoot ik zelfs van het uitzicht.»

HUMO Wat als je baas je die cursus niet had aangeboden?

Dierckx «Dan was er niets gebeurd, want zelf zou ik het nooit gedaan hebben. Maar de cursus die ik van mijn baas kreeg, heeft mijn leven veranderd. Ik ben nog altijd bang, maar ik dwing mezelf om de lift te nemen. Ik ben zelfs al op een kabelbaan tussen twee bergtoppen gestapt. Ik stond te huilen en te bibberen op mijn benen, maar ik ben naar die cabine gelópen, zo vastberaden was ik. Achteraf voelde het als een overwinning.
»Sinds ik tegen mijn angst ben beginnen te vechten, weet ik niet meer van ophouden. Ik wil die angsten blijven opzoeken. Ik heb mezelf een tatoeage cadeau gedaan. (Toont een ‘no fear’-tattoo op haar onderarm) Als ik de angst voel opborrelen, raak ik even mijn arm aan. Over drie weken gaan we naar Bobbejaanland. Ik durf eigenlijk niet, maar mijn dochter houdt van snelle achtbanen en ik wil haar dat geluk niet ontnemen. Ik ben me nu al mentaal aan het opladen om in alle attracties te stappen. Ik wil dat mijn kinderen onbezorgd kind kunnen zijn.»

HUMO Hebben je kinderen ook angsten? Een mama of papa met een angststoornis geeft een kind 2,5 keer meer kans om er ook één te krijgen.

Dierckx «Mijn dochter is altijd heel bang geweest om alleen te zijn. Toen ze klein was, zag ik het door de vingers. Nu wil ik haar graag helpen met therapie, want dat heeft bij mij ook wonderlijk gewerkt. Ik weet hoe graag ik het gevecht met mijn angsten wil winnen.»

HUMO Kun je dat gevecht ooit helemaal winnen?

Dierckx «Ik zal er altijd tegen moeten vechten, en sommige dingen blijven een brug te ver. In de winter gaan we graag op vakantie naar de bergen. Ik weet nog niet of ik daar ook de kabelbaan zal durven te nemen. De gedachte dat door de vrieskou ooit wel een bout zal kapotgaan, krijg ik nog niet uit mijn hoofd. Maar ooit zal ik die gedachte wel kunnen bannen. Ik ga nu elke dag in de file staan op de brug. Ik voel de angst nog wel, maar ik bijt door.»

piekercursus

KURT Audenaert «Het goede nieuws is: angst kun je heel vaak overwinnen. Een paniekstoornis is voor een psychiater bijna een cadeau: de winst die zo’n patiënt kan boeken, is enorm. Soms gaat het al beter als ik even uitleg wat paniek doet met je lichaam.»

HUMO Schrijft u vaak medicatie voor?

Audenaert «Bij exposure-therapie, waarbij iemand zich blootstelt aan zijn angsten om die geleidelijk te overwinnen, is kortstondige medicatie nuttig. Door de patiënt even te behandelen met antidepressiva – die werken heel goed tegen angststoornissen – wordt hij vatbaarder voor de therapie. Maar met pillen los je het probleem niet op. Stopt de patiënt met de medicatie, dan komt de angst harder terug.

Sommige mensen grijpen naar angstremmers – de fameuze benzodiazepines, zoals Xanax – of naar alcohol. Die bieden instant verlichting, antidepressiva werken trager. Ik ken een jonge kok die door iedereen als een vlotte gast wordt beschouwd. Niemand zou vermoeden dat hij een sociale angststoornis heeft. Op het einde van de service durft hij zijn gasten in het restaurant niet te begroeten. Omdat in de keuken blijven hem ook niet gelukkig maakt, drinkt hij dan maar een paar glazen wijn. Dat haalt net genoeg de scherpe rand van zijn angst om toch naar die gasten te stappen. Maar als je elke avond drie glazen wijn drinkt, raak je verslaafd. Benzodiazepines zijn net zo verslavend. De prijs die je dan betaalt om even van je angsten verlost te zijn, is hoog.»

Depreeuw «Ik ben niet happig op enkel kalmeerpillen, die houden de angst in stand. Van exposure-therapie weten we dat die werkt. Door je over te geven aan de angst en hem te aanvaarden, leert je lichaam dat het ook kan functioneren mét angst: ‘Ik ben bang, maar dat is oké, ik loop geen onnoemelijk gevaar.’ Als je dat volhoudt, dooft de angst na een tijd uit.»

Vóór Levi uitviel op het werk, moest hij vaak reizen en presentaties geven voor volle zalen.

Levi «Niemand had ooit in de gaten dat ik angstig was. Integendeel, iedereen vond me altijd vlot en rustig. Ik forceerde mezelf en camoufleerde mijn angsten. Nu kan ik dat niet meer, zelfs al zou ik het willen. Ik heb er de energie niet meer voor. En maar goed ook, want die camouflage was mijn ergste vijand.

Toen ik bij de psychiater terechtkwam, stelde hij voor om een korte periode angstremmers te nemen. Ik heb resoluut geweigerd, omdat ik een tijdlang verslaafd ben geweest aan Xanax. Ik wilde geen medicatie meer.»

HUMO Hoe weet je dat je verslaafd bent aan Xanax?

Levi «Simpel: je gaat op een zonnige herfstdag een boswandeling maken met vrienden. Zo’n wandeling hoort fijn en stressloos te zijn, maar ’s ochtends heb je toch al een paar druppels Xanax genomen om kalm te worden. Als je tijdens de wandeling de angst weer voelt opkomen, en achter een boom snel nog wat extra druppels gaat nemen, weet je: ik ben verslaafd. Ik was ervan overtuigd dat ik niet meer kon functioneren zonder angstremmers.

Het was heel zwaar om die verslaving af te bouwen. Ik heb veel meer gehad aan de therapie die ik het voorbije jaar heb gekregen. Ook een piekercursus heeft me deugd gedaan. Mijn gepieker had enorme proporties aangenomen. Al van ’s ochtends piekerde ik me vast over de meest banale keuzes: ‘Zal ik nu eerst muesli maken of koffie zetten?’ Op den duur liep ik rondjes in mijn keuken en deed ik niks meer, totaal verlamd door het gepieker.

Die piekercursus was een eyeopener. Toen pas besefte ik dat ik over álles pieker: over mijn gezondheid, over geld… Ik was me daar niet eens bewust van. Ik heb geleerd om afstand te nemen van dat gepieker, en dat het oké is om wat zottigheid toe te laten in je leven, om af en toe eens te lachen met jezelf: ‘Kijk mij hier nu eens prutsen.’»

HUMO Het is niet bij die piekercursus gebleven?

Levi «Ik ben ook met cognitieve therapie begonnen. Samen met mijn therapeut stelde ik mezelf bloot aan mijn angsten. We zijn begonnen met mijn rijangst op de snelweg. Dan vertrok ik naar de E40 om te oefenen, van de oprit tot de eerstvolgende afrit. Daar zat ik dan in mijn eentje in mijn auto, te schudden van de stress. Telkens stelde ik mezelf nieuwe doelen: één afrit, twee afritten, dan drie. Soms lukte het niet. Eén keer wilde ik naar Oostende rijden, maar na 20 minuten voelde ik mijn armen en benen niet meer – als mijn angst het overneemt, voel ik me verlamd. Dan is het een kwestie van niet in die mislukking te blijven hangen: ‘Volgende keer beter.’

Ik heb me nu voorgenomen om in mijn eentje naar de Ardennen te rijden. Daarvoor moet ik over het viaduct van Vilvoorde. Dat is het summum van mijn angsten, maar ik ga het doen. En dan neem ik mijn tentje mee en ga ik een nachtje kamperen in de Ardennen.»

HUMO In een tent in het bos slapen durf je wel?

Levi «Daar heb ik geen probleem mee. Ik hou van avontuurlijk reizen. Ik ben net drie weken in mijn eentje door Zweden gaan fietsen, zonder iets te plannen. Ik ben van de ene situatie in de andere gerold, en heb veel toffe ontmoetingen gehad. Moeilijk te zeggen waarom het ene me wel lukt en het andere niet. Angst is een raar beestje. Ik ben bang om op snelwegen te rijden, maar de ring rond Gent doet me bijvoorbeeld niets. Geen idee waarom.

Sinds ik mijn angsten ben gaan aanpakken, zeg ik ja op alles wat mijn pad kruist, vooral als mijn lichaam en brein dan uit volle kracht ‘Nee!’ schreeuwen. Als zoiets me dan lukt, voel ik me geweldig. Dus nu zeg ik zelfs ja als Humo me wil interviewen (lacht). Als ik nadenk over hoe mijn verhaal straks op papier staat en dat mensen het zullen lezen, slaat de schrik me om het hart. Maar ik móét het doen. Ik wil foert zeggen tegen al mijn angsten.

De volgende angst die ik wil aanpakken, is die voor liften. Ik kan me nog niet voorstellen dat het me ooit zal lukken, maar ik ben van plan om door te bijten. Ook al zit de vermijding nog altijd klaar. Toen mijn therapeut over de lift begon, was mijn eerste gedachte: ‘Oké, we doen het, maar dan neem ik wel een survivalkit mee.’ Ik had het helemaal uitgedokterd: ik zou een rugzak meenemen, met daarin een gasvuurtje, mijn koffiezetapparaat, drie liter water, een hoop eten, een iPad vol films én een powerbank. Daarmee zou ik elk rampscenario overleven. Zo werkt een angstig brein: het zoekt methodes om de angst toch maar niet te moeten toelaten. Toen ik mijn therapeut mijn plan uit de doeken deed, moesten we er allebei om lachen. Ik dacht natuurlijk ook: ‘Dit klinkt belachelijk.’ Maar toch…

Straks geef ik een groot verjaardagsfeest. Ook dat zal een overwinning zijn, omdat ik mijn controledwang zal moeten loslaten. Normaal zou ik mezelf nu gek aan het maken zijn met de voorbereidingen, maar ik heb aan al mijn vrienden laten weten dat ik geen cadeaus hoef. In plaats daarvan mogen ze me helpen met het feest: de ene maakt een voorgerecht, de ander verzorgt het aperitief. Ik sta mezelf nu toe om hulp te vragen. Dat is belangrijk. Ik streef niet meer naar perfectie.»

HUMO Heb je spijt dat je je angsten niet vroeger hebt aangepakt?

Levi «Nee, want die gedachte helpt me geen stap vooruit. Dat heb ik opgestoken in de piekercursus (grijnst).

Ik heb net aan een paar collega’s verteld dat angst aan de basis ligt van mijn uitval op het werk. Ze reageerden heel begripvol. Dat heb ik ook geleerd: in werkelijkheid reageert niemand zo erg als in mijn hoofd. Het valt altijd beter mee dan het worstcasescenario dat ik had bedacht.»

* Levi is een pseudoniem.

Leen Dendievel, ‘Asem’, uitgeverij Horizon

 

 

 

Investeer in meer tijd, leuke ervaringen en in anderen

‘Maakt geld gelukkig?’

HUMO – 2 oktober 2018

Geld maakt niet gelukkig, luidt het spreekwoord. Maar is dat ook zo? In zijn boek ‘Maakt geld gelukkig?’ heeft psycholoog Ap Dijksterhuis een paar verrassende antwoorden klaar: ‘Als je basisbehoeften – eten, kleren en een dak boven je hoofd – vervuld zijn, moet je je geld uitgeven aan drie dingen: aan tijd, aan ervaringen en aan het geluk van anderen.’

‘Koop een huis dichter bij je werk in plaats van een dure auto waarmee je in de file staat. Zo heb je meer tijd om dingen te doen die je wél leuk vindt’

Ap Dijksterhuis (49) heeft iets met geluk. In 2015 heeft hij de bestseller ‘Op naar geluk’ geschreven, en nu reist hij in Azië rond om te onderzoeken welke invloed vrijheid op geluk heeft. Maar bij zijn lezingen komt uit het publiek telkens één vraag terug: ‘Maakt geld gelukkig?’ ‘Daarom besloot ik dat te onderzoeken, en er kwam een ongemakkelijke waarheid aan het licht.’

HUMO Volgens u zijn we psychologisch geprogrammeerd om naar geld te verlangen. Maar onze psyche misleidt ons soms.

AP DIJKSTERHUIS «Klopt. We kunnen ons perfect voorstellen wat een miljardair met zijn geld doet. We zien hem in een jacuzzi op zijn jacht in Saint-Tropez champagne drinken tussen bikini-babes. Maar waar we niet aan denken, is dat hij in een vechtscheiding zit, zich zorgen maakt om zijn zoon die aan de drugs zit, en last heeft van zijn prostaat.

Weet je, geld heeft op zich geen waarde. Dat krijgt het pas als je er iets mee kunt kopen. En dat doen we graag: shoppen is de favoriete hobby van steeds meer pubers, en koopziekte of oniomanie is inmiddels een medisch erkende verslaving. De drang naar meer geld wordt ook steeds groter: dan kun je je favoriete wagen of je lievelingsjurk kopen. Maar de vraag blijft of dat jou gelukkig maakt.»

HUMO Als ik mijn vrouw zie nadat ze een nieuw paar schoenen heeft gekocht, twijfel ik daar niet aan.

Dijksterhuis «Dat is een grote misvatting. Toen je vrouw die schoenen in de winkel zag, ging er een stemmetje in haar hoofd praten: ‘Ho, ze zijn zo mooi. Ze passen bij je, je moet ze kopen!’ Dat je bij de aankoop gelukkig bent, komt omdat dat zeurende stemmetje eindelijk zwijgt. Maar het weekend erop begint de ellende opnieuw: ‘Je had ook die jurk moeten kopen, die staat zo mooi bij de schoenen!’ Spullen kopen maakt je alleen op korte termijn gelukkig, het heeft geen enkel effect op lange termijn. Dat komt omdat je onderbewustzijn alleen kortetermijneffecten registreert. Dat je geluk op lange termijn niet verandert door die schoenen, daar trekt je onderbewustzijn zich niets van aan. Je zult dus dezelfde fout blijven maken.

Het vervelende is dat er steeds meer nodig is om een intens geluksgevoel te krijgen. De VW Golf waar je vroeger van droomde, moet dan een Audi of een BMW worden. Iedereen herinnert zich nog in geuren en kleuren zijn eerste bezoek aan een sterrenrestaurant, maar als je elke week bij Sergio Herman gaat eten, zul je veel minder snel in extase raken.»

HUMO U beweert in uw boek nochtans dat we gelukkiger kunnen worden van meer geld.

Dijksterhuis «De kunst bestaat erin om dat extra geld aan niet-materialistische doelen te besteden. Als je basisbehoeften – eten, kleren en een dak boven je hoofd – vervuld zijn, moet je je geld uitgeven aan drie dingen: aan tijd, aan ervaringen en aan het geluk van anderen.»

HUMO Tijd kopen maakt gelukkiger?

Dijksterhuis «Ja. Dat bleek uit een onderzoek waarin naar het geluksgevoel van mensen werd gepeild. Elke dag moesten ze op gezette tijden via een app aangeven hoe gelukkig ze waren. Daaruit bleek dat ze het minst gelukkig zijn in het woon-werkverkeer. In plaats van je geld in een dikke Mercedes te steken waarmee je drie uur in de file staat, koop je beter een huis dichter bij je werk. Zo heb je meer tijd om dingen te doen die je wél leuk vindt. Ik raad ook iedereen aan zich een afwasmachine aan te schaffen. Je wint een uur per dag en het bespaart je gezeur over wie de vaat moet doen. Minder discussies en meer ontspanning betekent extra geluk.»

HUMO U adviseert de lezer ook om liever geld uit te geven aan een reis naar Tibet dan aan een dure Porsche.

Dijksterhuis «Geluk is van korte duur bij materiële zaken, maar van ervaringen kun je jaren later nóg genieten. Ik hoef maar naar een foto van de Mount Everest te kijken en alle mooie herinneringen van een trip naar de Himalaya borrelen opnieuw in me op. De napret is zelfs groter dan de ervaring, want de ellende tijdens die reis – ik was hoogteziek en had een voedselvergiftiging – zijn al lang van mijn harde schijf gewist. Je onthoudt alleen de prettige dingen.»

HUMO Misschien zijn er wel mensen die rijden met een Porsche meer een ervaring dan een materiële behoefte vinden?

Dijksterhuis «Klopt, en dat verandert je geluksgevoel. Men heeft ooit de geluksbeleving van twee groepen vrouwen in een wellnesscentrum onderzocht. Wie het als een uitje met vriendinnen beschouwde, was na afloop gelukkiger dan de deelnemers die het als een investering in hun uiterlijk zagen. Dat laatste is immers een materieel doel.

Hetzelfde gebeurt met mensen die reizen om hun imago of hun status op te krikken. Als je alleen maar naar Vietnam gaat om elk uur een foto op Facebook of Instagram te kunnen plaatsen, word je minder gelukkig dan wanneer je voor het avontuur gaat.»

HUMO Is het wetenschappelijk bewezen dat meer geld gelukkiger maakt?

Dijksterhuis «Een Brits onderzoek heeft aangetoond dat lottowinnaars echt gelukkiger worden, maar niet meteen na de winst, wel één tot twee jaar later. In het begin laten veel lottowinnaars zich nog vangen aan impulsaankopen zoals een Ferrari of een speedboot. Ze zijn zoveel geld niet gewend en iedereen moeit zich met hun rijkdom, dat zorgt voor onrust. Maar na een tijdje zijn ze in staat om rustig na te denken hoe dat geld extra geluk kan creëren: ze kunnen minder gaan werken en meer met de kinderen spelen, bijvoorbeeld. Ze beseffen ook pas later dat geld je een prettige zekerheid verschaft: je hoeft je geen zorgen te maken over een lekkende wasmachine, je koopt gewoon een nieuwe.»

Bron van ellende

HUMO ‘Geld moet je niet achternalopen, maar tegemoet gaan,’ zei de schatrijke Griekse reder Aristoteles Onassis.

Dijksterhuis «Inderdaad. Er is een groot verschil tussen geld krijgen en geld willen. Het is vooral het streven naar geld dat je onrustig en ongelukkig maakt. Het onvervulde verlangen is de bron van veel ellende, zoals de boeddhisten zeggen. Streven naar meer geld staat gelijk aan hebzucht, en dat is volgens de Griekse filosoof Diogenes de moeder van alle zonden. Een onderzoek van de universiteit van Tilburg lijkt hem gelijk te geven: hebzuchtige mensen zijn minder hartelijk, minder empathisch en gemener. Ze blijken ook minder eigenwaarde te hebben en ongelukkiger te zijn.»

HUMO Is daar een verklaring voor?

Dijksterhuis «Volgens een Amerikaanse studie heeft het te maken met de levensdoelen die mensen vooropstellen. Doelen die samenhangen met meer geluk, zijn persoonlijke groei, liefde, bijdragen aan de gemeenschap en een goede conditie. Doelen die geassocieerd worden met minder geluk, zijn rijkdom, roem, een goed imago en fysieke aantrekkelijkheid. Die laatste noemt men materialistische doelen.

In Groot-Brittannië hebben ze het geluk in twintig beroepsgroepen onderzocht. Bovenaan op de lijst stonden de bloemisten en de loodgieters – zij worden niet steenrijk, maar ze staan wel ten dienste van anderen. En ze hebben het voordeel dat ze de appreciatie van hun klanten meteen kunnen ervaren. Mensen zijn bijna in extase als je hartje winter een defecte verwarmingsketel komt repareren. Beroepscategorieën waar status en egocentrisme belangrijk zijn, zoals bankiers en managers, scoren laag op de geluksladder.»

HUMO U waarschuwt voor de gevolgen van materialisme, zoals eenzaamheid.

Dijksterhuis «Ja. Wie materialistische doelen nastreeft, raakt geïsoleerd. Een weekendje Ardennen is iets wat je meestal met anderen doet, maar het uitbreiden van je collectie modeltreintjes niet. Door die nieuwe game of die zeldzame postzegel te kopen voelen eenzame mensen zich kortstondig beter en vergeten ze even dat ze weinig of geen sociale contacten hebben. Maar het is een vicieuze cirkel: materialisme leidt tot eenzaamheid, wat zorgt voor meer materialisme, waardoor je nóg eenzamer wordt.»

HUMO Opslag maakt ons blij, maar van een salarisverlaging worden we dubbel zo ongelukkig, schrijft u.

Dijksterhuis «Ja, 500 euro netto erbij is leuk, maar 500 euro eraf ervaar je als twee keer zo erg. Aan een salarisverhoging wen je ook sneller, en het negatieve effect van een loonsverlaging duurt langer. Maar mensen vinden het vooral belangrijk om een hoger salaris te hebben dan een ander. Interessant is de proef waarbij mensen werd gevraagd of ze liever leven in een wereld waarin zij 50.000 euro per jaar verdienen en de anderen allemaal 25.000 euro, of een wereld waarin ze 100.000 euro verdienen, en alle anderen 200.000 euro opstrijken. De meerderheid koos voor het lagere salaris van 50.000 euro, zelfs al hadden ze in het andere geval dubbel zoveel koopkracht. Iedereen wil meer verdienen dan zijn buurman. Daarom raden experts ook af om salarissen bekend te maken op de werkvloer: dat veroorzaakt alleen maar onrust en ontevredenheid. Als je het meest verdient in het hele bedrijf, op één collega na, dan zul je nog jaloers naar die ene kijken.»

HUMO Is er een salarisplafond waarboven het geluk niet meer toeneemt?

Dijksterhuis «Een paar 100.000 euro per jaar volstaat, schat men, maar daar bestaan geen officiële cijfers over. Ik denk niet dat Mark Zuckerberg van Facebook ongelukkiger is dan Bill Gates, omdat hij máár 70 miljard dollar heeft en de grote baas van Microsoft 90 miljard dollar.»

Vermogenstaks

HUMO Heeft rijkdom dezelfde impact op geluk als armoede op ongeluk?
Dijksterhuis «Het verband tussen armoede en ongelukkig zijn is veel sterker. Armoede leidt tot onzekerheid en zorgt voor stress. Sommige mensen weten niet eens of ze die dag voldoende eten of drinken zullen hebben. Door hun financiële zorgen hebben armen minder energie over voor andere belangrijke zaken. Ze vergeten daardoor bijvoorbeeld hun medicijnen in te nemen of hun groenten te wassen. Inkomensongelijkheid veroorzaakt ook een gezondheidskloof.»

HUMO Dus mensen die in rijke landen wonen, zijn gelukkiger dan mensen in arme landen?

Dijksterhuis «In het arme Rwanda zijn de inwoners over het algemeen minder gelukkig dan in het rijke Noorwegen. Maar vaak bepalen andere zaken het geluksgevoel. Is er een goed uitgebouwde gezondheidszorg? Kan mijn kind naar school? Voel ik me veilig? Doet justitie haar werk naar behoren? Het bewijs: in Costa Rica zijn de mensen even gelukkig als in België, ook al ligt het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking er véél lager. Het geluk van een natie is een raar beestje. Ik was onlangs in Turkmenistan en dacht dat de mensen er zwaar onder de dictatuur zouden lijden, maar ze trekken zich daar gewoon geen bal van aan.»

HUMO Zowel de VS als West-Europa kenden de voorbije decennia een flinke economische groei. De Europeanen zijn daar gelukkiger van geworden, maar de Amerikanen niet. Hoe komt dat?

Dijksterhuis «Omdat maar weinig Amerikanen van de economische groei hebben geprofiteerd. Als je wilt dat mensen gelukkiger worden, moet je hun dat geld wel geven. In de VS is een klein aantal steenrijke mensen de afgelopen halve eeuw nóg rijker geworden. Het vermogen van de familie Walton, de eigenaars van de grootwarenhuisketen Walmart, wordt geschat op 175 miljard dollar. Dat is evenveel als wat de armste 41,5 procent van de Amerikanen samen bezitten, en dan hebben we het over vijftig miljoen gezinnen. En het zal er niet beter op worden, want president Trump heeft een nieuwe belastingwet uitgevaardigd waardoor de grote bedrijven nog minder belastingen hoeven te betalen. Landen als Nederland, Denemarken en Noorwegen, waar de rijkste 1 procent van de mensen 6 tot 8 procent van het nationale inkomen verdient, zijn gelukkiger dan landen als de Verenigde Staten en Colombia, waar de rijkste 1 procent ongeveer 20 procent van het nationale inkomen op zak steekt. Hoe kleiner de ongelijkheid, hoe groter het geluk.»

HUMO De herverdeling van het geld in de wereld is wel uw stokpaardje, niet?

Dijksterhuis «De rijkste tachtig mensen hebben samen evenveel geld als de armste helft van de wereldbevolking. De drie rijkste mensen ter wereld – Jeff Bezos van Amazon, superbelegger Warren Buffett en Bill Gates – hebben samen een vermogen van 286 miljard dollar. Dat is evenveel als wat Pakistan, een land met 212 miljoen inwoners, jaarlijks produceert. Ik vind dat onthutsend. En het probleem is dat de ongelijkheid steeds groter wordt. Oxfam heeft becijferd dat de hele wereld in 2017 ongeveer 90 biljoen dollar rijker is geworden. Jammer genoeg ging 82 procent van dat bedrag linea recta naar de rijkste 1 procent van de wereld. Wat kreeg de armste 1 procent, denk je? Helemaal niets. Als je wilt dat er een einde komt aan de economische migratie uit Afrika, waar Europa mee te maken heeft, moet er een mentaliteitswijziging komen. De oplossing ligt voor de hand: de rijkdom herverdelen. Dan blijven die migranten in hun land.»

HUMO Bill Gates zal wel opperen dat hij de economie in zoveel landen doet draaien.

Dijksterhuis «Sommige superrijken, zoals Bill Gates, schenken enorm veel weg en ontduiken geen belastingen, in tegenstelling tot stervoetballers als Lionel Messi en Cristiano Ronaldo. Veel rijken gruwen van het idee dat ze een deel van hun rijkdom aan de maatschappij zouden kunnen afstaan. Dat ze die bakken geld niet kunnen opmaken en dat andere mensen dat geld beter kunnen gebruiken, komt niet in hen op. Het wordt dringend tijd voor een vermogensbelasting.»

HUMO Maar hoe zullen de armen daar beter van worden?

Dijksterhuis «In Aziatische landen zoals Bangladesh heeft men positieve ervaringen met het verlenen van microkredieten. Door geld aan lokale handelaars te lenen tegen een minimale rente, leer je hun een beter leven op te bouwen en verantwoord met geld om te gaan. Dat heeft vooral succes bij vrouwen, want mannen zien dat krediet soms als een zakcentje om te drinken.»

HUMO Uw conclusie: we worden pas echt gelukkig als we onze rijkdom delen.

Dijksterhuis «Inderdaad. Het is wel verrassend dat dat losstaat van het inkomen. Ook arme mensen zijn gelukkiger als ze het weinige dat ze bezitten, delen met anderen. Het geluk dat je ervaart als je bezit weggeeft, blijkt aangeboren. De befaamde psychologe Elizabeth Dunn heeft dat in een onderzoek met peuters aangetoond. De kinderen kregen twee soorten snoepjes: de blauwe mochten ze opeten, de rode niet. Op een bepaald moment werd hun gevraagd om de snoepjes weg te geven aan een speelgoedaap. Wat bleek: de peuters lachten méér toen ze de blauwe snoepjes, die ze zelf mochten opeten, aan de aap weggaven.»BOEK: Ap Dijksterhuis, ‘Maakt geld gelukkig?’, Prometheus

 

Praten helpt!!!

 ‘Het enige wat helpt is erover praten, maar we slikken liever pillen’

HUMO – 1 oktober 2018 –

Wereldwijd sterven jaarlijks 800.000 mensen door zelfdoding: één om de 40 seconden. Waarom? In een poging het taboe te doorbreken en een uitweg te zoeken, praat Humo met mensen die ooit hebben overwogen een einde te maken aan hun leven. Deze week: muzikant Guy Swinnen en ex-topsporter Geert Blanchart. ‘Ik heb meer dan eens met een medaille rond mijn nek op bed zitten huilen.’

Geert Blanchart: ‘Knagende zielenpijn’Met zijn talrijke overwinningen – meervoudig Europees kampioen, vicewereldkampioen, twee deelnames aan de Olympische Winterspelen – zette Geert Blanchart (51) België op de kaart in de shorttrack. Maar de druk waaronder hij als topsporter gebukt ging, gecombineerd met zware jeugdtrauma’s, leidde tot heel wat zelfmoordpogingen.

“Door de job van mijn vader heb ik de eerste zeven jaar van mijn leven in Zuid-Afrika doorgebracht. Dat was nog ten tijde van de apartheid. Als kind liep ik eens met mijn vader over straat en zag ik iemand met brandende banden rond zijn nek schreeuwend de straat oversteken: zoiets vergeet je nooit. Voor onze veiligheid zijn we naar België gevlucht. Plots kwam ik in een grijs land zonder bergen of dieren terecht. Hier was niks, behalve een boel zure mensen. Ik sprak de taal ook niet: ik moest nog Nederlands leren. Een moeilijke aanpassing.

Als tiener werd ik misbruikt. Ik zit nog steeds in een zelfhulpgroep. (Boos) Ik ben dat ooit bij de politie gaan melden, maar daar kreeg ik te horen: ‘Dat is al dertig jaar geleden, zegt u? Dan is het verjaard.’ Waarop ik: ‘Zulke dingen verjaren niet. Ik denk er nog elke dag aan.’ Mijn pedofiel loopt nog altijd vrij rond. Als je acht jaar lang elk weekend wordt verkracht, ga je er trouwens ook aan twijfelen of je nu hetero, homo of bi bent.

Ik kampte dus al met mentale problemen toen ik op mijn 15de voor het eerst Europees kampioen shorttrack werd. Zodra je op hoog niveau aan sport doet, komt daar nog eens een ongelofelijke druk bovenop. Je kunt enkel een topper worden als je tot het uiterste gaat.»

HUMO Met als gevolg dat je zowel je mentale als fysieke grenzen overschrijdt?

BLANCHART «Het probleem manifesteert zich pas daarna. Neem nu de Olympische Winterspelen, dat is een soort Disneyland voor topsporters: je wordt begeleid tijdens de aanloop ernaartoe, maar daarna val je in een zwart gat. In andere landen waren er psychologen die je ook ná de wedstrijd bijstonden, maar in België niet. Ik werd als een rebel gezien omdat ik opkwam voor de sport en voor mezelf, terwijl sommigen daar volgens mij puur voor het profijt zaten: Jacques Rogge en BOIC-voorzitter Adrien Vanden Eede bijvoorbeeld. Dat zorgde voor heel wat frustratie.

Je mag ook de eenzaamheid niet onderschatten. Je staat dan wel op een podium terwijl de Brabançonne weerklinkt, maar even daarna zit je toch weer alleen op je hotelkamer. Ik heb meer dan eens met een medaille rond mijn nek op bed zitten huilen.
»En dan zijn er nog die demotiverende blessures. Eind jaren 80 heb ik in iets meer dan een jaar tweemaal een open beenbreuk opgelopen. M’n voet lag bij wijze van spreken naast m’n knie, waardoor de dokters eerst aan een beenamputatie dachten. Dat ik puur op wilskracht toch wist te herstellen in een jaar tijd, was volgens hen een medisch wonder.

In 1992 werd ik 6de op de Olympische Winterspelen in Albertville, maar twee jaar later eindigde ik pas 31ste op de Spelen in Lillehammer. Plots had ik afgedaan bij het publiek. Dat is eigen aan de mens, die supportert alleen voor winnaars. Welke Vlaming was geen fan van Sven Nys? Maar dat komt hard aan. Ik zakte weg in een post-olympische depressie.

Al die dingen hebben er samen voor gezorgd dat ik van m’n 19de tot m’n 31ste met zwarte gedachten worstelde. Ik heb in die periode veertien zelfmoordpogingen ondernomen.»

HUMO Veertien?

BLANCHART «Aanvankelijk waren het noodkreten. Je slikt één doos pillen in plaats van twee, want je weet: als ik er twee neem, ben ik écht dood.

De eerste keer woonde ik nog thuis. M’n familie merkte dat er iets niet pluis was: als je zoveel pillen slikt, word je troebel in je hoofd en kun je niet goed meer praten. Toen ze de pillen zagen liggen, hebben ze meteen de hulpdiensten gebeld. Op de spoedafdeling kreeg ik onmiddellijk een maagspoeling.»

HUMO Gaf je familie gehoor aan die noodkreten?

BLANCHART «Ze reageerden vol ongeloof. ‘Zoiets kan niet gebeuren met ónze zoon.’ Mensen die aan zelfverminking doen of een eetstoornis hebben, maken hun problemen zichtbaar. Maar aan mij was niets te zien. Ik praatte er met niemand over. Het kwam als een schok voor hen. Anderen vinden je dan weer een aandachtstrekker.

De meeste pogingen volgden elkaar snel op. Ik heb me ook eens verhangen, om me na 20 seconden weer op te trekken. Geen idee waar ik die kracht nog vandaan heb gehaald. Voor m’n allerlaatste poging had ik pillen opgespaard en de beste fles whiskey gekocht: ‘Nu lukt het zeker.’ Dieter Troubleyn heeft mij toen gevonden en naar het ziekenhuis gebracht. Ik heb anderhalve dag in coma gelegen. Plots word je wakker in een ziekenhuisbed: ‘Shit, het is niet gelukt.’ De dokter van de spoedafdeling zei kwaad: ‘Meneer Blanchart, nu is het welletjes geweest!’ Terecht, misschien.»

HUMO Misschien?

BLANCHART «Als je op het punt staat zelfmoord te plegen, denk je: ‘Ík beslis, ík wil eruit.’ Wat iemand anders denkt, kan je op dat moment niet schelen.

Ontgoochelingen waren mijn drijfveer. Mijn gevoeligheid zorgt ervoor dat ik nog steeds niet graag leef. We zijn op de wereld gezet om geluk te ervaren. Maar als je elke dag miserie ziet – je hoeft alleen maar je tv aan te zetten – vraag je je af wat het nut van het leven is. Ik beschouw het leven als één lange zelfmoordpoging. Mensen snappen dat niet als ze mij zien: ‘Jij bent toch een mens van het goede leven?’ Ik maak levendige en kleurrijke schilderijen, ik lach en reis veel. Maar toch geniet ik niet van het leven.

Na m’n sportcarrière ben ik veel over het boeddhisme beginnen te lezen, op zoek naar de zin van het leven en de dood. Volgens het boeddhisme zijn de geboorte en de dood natuurlijke levensfases. Als westerlingen koppelen wij veel positieve emoties aan de geboorte, maar de dood bekijken we heel negatief. We associëren ze met pijn, verdriet en verlies. Terwijl je toch niet bang moet zijn voor een natuurlijk proces?

Over zelfdoding heb ik ook al veel gelezen. Ik ben ervan overtuigd dat het gewoon in mij zit, in mijn genen.»

HUMO Naast een mogelijke genetische aanleg heb je als kind helaas verschrikkelijke dingen meegemaakt.

BLANCHART «Veel mensen gaan gebukt onder emotionele pijn. Neem nu alcoholici of drugsverslaafden: dat is een vertraagde vorm van zelfmoord. Je leven en je gezin gaan eraan kapot.

Ik combineer al jaren medicatie en therapie — zowel bij een psycholoog als bij een psychiater. Maar een depressie heb je nooit volledig in de hand. Je kunt ze stabiliseren, maar ze kan plots de kop opsteken, zelfs mét medicatie. Dan kruip ik in een hoekje en begin ik te huilen als een kind. Door die knagende zielenpijn. Op school krijg je niet aangeleerd hoe je daarmee moet omgaan, en psychotherapie is hier nog altijd een taboe. We slikken liever pillen, terwijl erover praten het enige is wat helpt. En dat moet je zélf doen. Hoe langer je daarmee wacht, hoe erger het wordt. Maar ik zou meteen een hand afstaan, mocht daarmee mijn zielenpijn verdwijnen.

De extreme hoogtes en laagtes die je als topsporter ervaart, doen er wellicht ook geen goed aan. Topsport is een vorm van manie. Kijk naar Wito De Meulder: hij haalde een diploma biologie aan de KU Leuven, studeerde af als klassiek pianist aan het Lemmensinstituut én sprak tien talen. Een gewone triatlon volstond niet voor hem: hij deed aan ultratriatlons, over dubbele afstanden, en brak wereldrecords. Alles wat hij deed, deed hij vol overgave. En plots ging het fout. Vijf weken voor zijn 35ste verjaardag heeft hij zelfmoord gepleegd. Van de ene dag op de andere zaten we in de kerk, om hem te begraven.

Ik heb door mijn sportcarrière een paar keer de wereld kunnen rondreizen: Sydney, Seoul, Peking, Moskou, New York. Je zit op een rollercoaster en pas als je uitstapt, besef je: dit is gewoon een circus.»

HUMO Kon je bij je vrienden terecht?

BLANCHART «Weinigen kunnen of willen erover spreken. Nu, eigenlijk kán je omgeving je ook niet helpen. Scheen de zon, dan trok ik de gordijnen gewoon dicht.
»Een relatie kan helpen om de zucht naar zelfdoding in te tomen. En ik heb ook veel steun gehad aan lotgenoten. Wie een zelfmoordpoging onderneemt, wordt in het crisisinterventiecentrum opgenomen. Daarna gaan ze dieper in op je problemen, in therapieën en praatgroepen. Je hoort er nogal wat: ‘Ik ben 33, terminaal en heb nog twee maanden te leven.’ Of verhalen van mensen die hun kinderen hebben verloren in een brand. Dan ben je beschaamd en denk je: wat kom ík hier eigenlijk doen?»

HUMO Kom je dan met frisse moed weer buiten?

BLANCHART «Je voelt je gesterkt. Je krijgt nieuwe ideeën en energie: ‘Dit en dat wil ik nog doen.’ Maar die ommekeer lukt enkel door een combinatie van medicatie en heel veel praten.

Ik ben al heel wat vrienden verloren aan zelfdoding. Yasmine (artiestennaam van wijlen Hilde Rens, red.) kende ik goed. (Begint te zingen) ‘Vraag me niet waarom…’ Ze had me destijds gevraagd of ik één van haar achtergronddansers wilde worden. ‘Voor u doe ik dat, schat!’ Ik heb tien keer op het podium van ‘Tien om te zien’ gestaan. Ik zei: ‘Hilde, nu moet ik stoppen, want ik moet volgend jaar naar de Spelen.’ (lacht) Hilde had alles: geld, succes, goeie nummers. Maar toen zij en Marianne Dupon (haar toenmalige partner, red.) een kind kregen, vond ze het moeilijk dat de liefde voor dat kind primeerde. Zij wilde óók nog liefde krijgen. Achteraf heb ik gehoord dat ze haar eerste poging al had ondernomen op haar 13de, maar ze heeft daar nooit met een woord over gerept.

(Zucht) Na een zelfmoord hoor je vaak: ‘Ik snap het niet!’ Maar je kúnt het ook niet snappen. Ik ken een moeder met drie kinderen die een mislukte poging achter de rug heeft. Ze zei: ‘Het was sterker dan mijn moedergevoel.’ Waarom kunnen mensen dat niet aanvaarden?

Een rouwproces na een zelfmoord is zwaar, omdat je geen afscheid hebt kunnen nemen. Maar wie een kind heeft verloren aan zelfdoding, helpt zichzelf echt niet door de rest van zijn leven de vraag te blijven stellen wat hij fout heeft gedaan.»

HUMO Voor we je tot slot een knuffel geven, Geert: denk je dat je ooit nog een poging zal ondernemen?

BLANCHART «Ik heb geen behoefte meer aan de dood. Als ik morgen zou komen te gaan, dan kan men zeggen: ‘Geert heeft een rijkgevuld leven gehad.’ Na m’n sportcarrière heb ik bij Studio Brussel gewerkt, heb ik een theateropleiding gevolgd in Amsterdam en ben ik naar de kunstacademie gegaan. Momenteel kom ik aan de bak als kunstenaar en als securityguard op festivals en concerten. Ik heb de wereld rondgereisd, heb alles kunnen doen wat ik wil. Ik heb die zelfmoordpogingen een plaats kunnen geven, maar ik wil wel nog altijd zelf bepalen wanneer het genoeg is geweest: ik wil geen 90 worden en in een karretje rondrijden. Het is dus goed mogelijk dat ik op mijn 75ste zeg: ‘Dank u vriendelijk en kus allemaal mijn kloten, ik geef een vat of drie!’ Wie weet is de euthanasiepil tegen dan in vrije omloop?

Ik hoop dat artikels als dit het begrip voor zelfdoding zullen vergroten, en dat ze het leed van lotgenoten zullen weten te verzachten. En alsjeblief: laat oud zeer niet onderhuids sluimeren, maar praat erover met een professional.»

Guy Swinnen ‘Huilen op een stoel’
Na de split van The Scabs in 1996 zonk frontman Guy Swinnen (58) weg in een zes jaar durende depressie die gepaard ging met suïcidale gedachten. Hij weet hoe belangrijk het is om openlijk over psychische problemen te praten en hoefde dus niet lang na te denken toen hij acht jaar geleden het peterschap van Te Gek!? kreeg aangeboden.

GUY SWINNEN «Hoewel we zelf hadden beslist om The Scabs te ontbinden – we stonden niet meer als groep op het podium, maar als vier individuen – voelde het toch alsof de grond onder m’n voeten wegzakte. We hadden ook niet verwacht dat de split zo’n impact zou hebben. Het werd een item in ‘Het journaal’ en ‘Het nieuws’, en plots hingen er huilende volwassen mannen aan de lijn.

Ik viel in een zwart gat. Als je gaat optreden, ben je elke week onderweg met een tiental kameraden. Je gaat lekker eten, krijgt applaus voor je nummers en daarna ga je samen nog wat pinten pakken. Plots zat ik ’s zaterdags alleen voor de tv. Ik heb toen meteen een soloalbum (‘Hazy’, red.) gemaakt, maar dat werd lauw onthaald. Daardoor begon ik aan mezelf te twijfelen. ‘Kan ik geen goeie songs meer schrijven? Wat is er aan de hand? Ik doe toch krek hetzelfde als vroeger?’

Ik ging te rade bij mijn vrouw, maar toen is er bij haar een oud zeer bovengekomen. Ik had haar tien jaar daarvoor bedrogen, wat ik destijds had toegegeven (en waar het nummer ‘Hard Times’ over gaat, red.). Maar we hadden het nooit uitgepraat, omdat zij er zo weinig mogelijk over wilde weten. Toen is die etterbuil opengebarsten: ‘Jij hebt indertijd dit en dat gedaan, nu moet je niet bij mij komen met je problemen!’ We zijn in relatietherapie gegaan, maar na verloop van tijd zag mijn vrouw het niet meer zitten. Wat ik ook snap: samenleven met iemand die depressief is, valt niet te onderschatten. We zijn uit elkaar gegaan, en ik ben alleen gaan wonen in het Prinsenbos in Assent. Een prachtige locatie, maar ik deed het vooral om zo weinig mogelijk mensen in de buurt te hebben.»

HUMO Was er niemand bij wie je terechtkon?

SWINNEN «Mijn vroegere manager, Lou Berghmans, is me trouw gebleven: hij waakte over mijn soloproject. Maar voor een buitenstaander is het heel moeilijk om te begrijpen wat je doormaakt. Ik had geen energie meer. Optreden was een grote opgave. Telkens als ik met hangende schouders naar huis vertrok, was Lou de wanhoop nabij: ‘Ik steek hier zoveel energie in!’ Hij had de beste bedoelingen, maar zo zit het helaas niet in elkaar.

De eerste keer dat je tegen je omgeving zegt: ‘Ik voel me niet goed,’ luisteren ze naar je. Maar na verloop van tijd lopen mensen in een boog om je heen: ‘Daar is hij weer met z’n gezaag.’ Als je diep zit, praat je enkel over negatieve dingen. Dan ben je geen aangename mens, hè. Dat is het gevaarlijke: zo zak je weg in een isolement dat steeds dieper wordt. En dán steken suïcidale gedachten de kop op: ik moet hier weg, niemand heeft mij nog graag. Het was een periode van totale leegte. Ik zat helemaal alleen met mijn gedachten in mijn huisje in de bossen. Ik dronk veel en liep de godganse dag stoned rond. Ik begon plannen te smeden: ‘Hoe ga ik het aanpakken zodat mijn vrouw, mijn kinderen en de buitenwereld niet weten dat het zelfmoord is?’ Om mijn kinderen te sparen. En om de verzekering in de zak te zetten, zodat mijn vrouw toch nog geld zou krijgen (lacht).

Had ik geen kinderen gehad, dan was ik ermee doorgegaan. Ik heb er dagen over lopen tobben. Tot ik besefte: shit, die gasten zijn nog zo klein! Die kinderen zijn er door mij, en nu zou ik plots zeggen: ‘Foert, trek jullie plan’? Dat vond ik laf.»

HUMO Afgezien van je kinderen was er niemand om je op andere gedachten te brengen?

SWINNEN «Er was toen een soort Florence Nightingale in mijn leven (lacht). Ik had een vriendin die tot een gat in de nacht samen met mij joints rookte en naar films keek. Ze was niet alleen mijn partner in crime in dat escapisme, maar ook een gesprekspartner. Het was een heel intense, passionele relatie. Zij begreep mijn eenzaamheid en ik kon mezelf zijn. Dat heeft me enorm geholpen.

Een depressie verandert je. Op den duur herkende ik mezelf niet meer. Voordien was ik joviaal en open, maar tijdens mijn depressie begon ik me zorgen te maken over wat anderen over mij dachten – terwijl ik me daar vroeger níéts van aantrok. En ik vond de moed niet om ook maar íéts te doen. Op de schoolvoorstellingen die ik geef voor Te Gek!? vergelijk ik dat altijd met letterlijk in een diepe put zitten. Er staat een ladder klaar die je helemaal tot boven wilt beklimmen, maar het kost je enorm veel moeite om je voet op de onderste sport te zetten. Neem nu iets simpels als het gras afrijden. Als gezonde mens denk je achteraf tevreden: ‘Voilà, het is toch maar weer gebeurd.’ Tijdens mijn depressie zat ik gewoon naar het gras te kijken: ‘Wat voor zin heeft het? Binnen veertien dagen kan ik herbeginnen.’ Alles lijkt nutteloos. Ik heb toen in Humo een interview gelezen met iemand die vertelde dat hij het zelfs de moeite niet vond om de veters van zijn schoenen te knopen. Ik begreep dat: een verlammend gevoel.

Ik heb vaak komedie gespeeld. Ik zette de kinderen af aan school, maar zodra ik thuiskwam, ging ik op een stoel zitten en begon ik te huilen. Ik heb het pas vijf jaar later aan mijn zonen verteld. Dat heeft hun een aantal dingen duidelijk gemaakt: ‘Ah, dáárom bleef je vroeger altijd zo lang wakker!’

Na een tijd realiseer je je dat er iets moet gebeuren. Eigenlijk is een depressie een heel lange zelfmoordpoging. Je begint je roekeloos te gedragen. Ik ben indertijd weleens dronken in de auto gestapt, om toen ik thuiskwam te denken: shit, hoe ben ik hier geraakt? Iedereen heeft zijn eigen manier om met een depressie om te gaan: de ene vlucht in drank of drugs, de andere eet zich ziek, maar het zijn allemaal manieren om de pijn te verdoven. Je hebt geen respect meer voor jezelf. Dat moet je zien te counteren.»

HUMO Hoe heb jij dat gedaan?

SWINNEN «Hoewel het me veel energie kostte om onder de mensen te komen, voelde ik dat m’n batterijen weer opgeladen waren als ik tegen alle verwachtingen in een leuke avond had beleefd. Daaraan voel je dat een depressie niet alleen je geest, maar ook je lichaam beïnvloedt: ze haalt je hele hormonenhuishouding overhoop. In het begin nam ik antidepressiva en ging ik naar een therapeut, maar die medicatie werkte storend voor mij als muzikant. Ze neemt niet alleen de laagtes, maar ook de hoogtes weg. Ik werd er heel onverschillig van. Toen ik me begon af te vragen of het nog wel de moeite was om muziek te blijven maken, ben ik gestopt met die medicatie. Het is sowieso een misverstand dat antidepressiva geneesmiddelen zijn. Ze zijn een hulpmiddel, maar je moet nog altijd zélf uit je depressie zien te raken. Als je je demonen niet aanpakt, dan mag je nog twintig jaar antidepressiva nemen, je depressie zal er niet door verdwijnen. Dat lukt enkel door erover te praten. Wie daarentegen de hele nacht doorfeest, duwt zijn problemen voor zich uit. Ik heb vier jaar lang met een therapeut gepraat over mijn overspel, over mijn drank- en druggebruik, en over The Scabs. Elke keer werd er een beetje in de wonde gepeuterd. Daar kwamen soms heftige emoties bij los, maar achteraf voelde ik me opgelucht: ‘Fieuw, ’t is eruit. Ik heb weer iets uit mijn rugzak kunnen gooien.’

Ik moest mezelf ook terugvinden. Als jonge gast was ik heel sociaal en erg anti-drugs. Toen ik op een bepaald moment elke dag zat te blowen in dat bos, besefte ik: dit ben ík niet. Ik heb toen alle kleine en grote verslavingen uit m’n leven gebannen en heb geprobeerd regelmaat in m’n dag te steken. Zo ben ik er langzaamaan uitgeraakt. En het fantastische was: eenmaal ik voelde dat het beter begon te gaan, kon ik me al niet meer inbeelden dat ik ooit zó diep had gezeten.»

HUMO Ken je mensen die er nooit uitgeraakt zijn?

SWINNEN (knikt) «Ik heb al vaak zulke begrafenissen bijgewoond. Eén van de zwaarste was die van een jong meisje, ik kende haar als een vrolijke vrouw. Typisch: ze deed zich anders voor dan ze zich voelde, eigenlijk zat ze al maandenlang niet goed in haar vel. Verschrikkelijk. Ze was nog maar eind de 20. De kerk zat vol, iedereen was aan het huilen. Had ze dat kunnen zien, dan zou ze het volgens mij niet over haar hart gekregen hebben om de stap te zetten. Dan had ze geweten: die mensen zien mij graag. Al de rest is van geen belang.»

HUMO Zelf heb je met het Scabs-nummer ‘Nothing on My Radio’ het leven van een fan gered.

SWINNEN (knikt) «Die gast is mij komen zeggen: ‘Ik heb er honderd keer na elkaar naar geluisterd. Daarna heb ik beslist geen zelfmoord te plegen.’ Het is een nummer over iemand die ’s nachts aan zelfdoding zit te denken: ‘Life, death, what is best / If this is life I’m not impressed.’ Uit de lyrics blijkt niet of hij er uiteindelijk ook mee doorgaat, ik heb ze bewust dubbelzinnig gehouden. Het is geschreven naar aanleiding van de depressie van onze drummer. Ik was toen zelf nog niet depressief (lacht).

Nu begrijp ik die fan, trouwens. Tijdens mijn depressie heb ik de prachtige demoversie van Bob Dylans ‘Born in Time’ op repeat gezet. Tekstueel gezien heeft dat nummer niets met zelfmoord te maken, maar de sfeer is zwaar en traag. Voor mij werkte dat therapeutisch.»

HUMO Waarom zijn veel muzikanten getormenteerde zielen zijn die hun toevlucht nemen tot zelfdoding?

SWINNEN «Omdat we met gevoelens werken. Vóór The Scabs werkte ik in een drukkerij, maar toen ik muziek begon te maken, kwam mijn gevoelige kant meer naar boven.

Door mijn depressie heb ik geleerd niet alles zo persoonlijk te nemen. Na The Scabs heb ik op m’n eentje akoestische sets in cafés gespeeld – een ontnuchtering als je grote zalen gewend bent. Als er dan ook nog eens iemand beschonken roept: ‘Allee, Guy’ke, speel ‘Matchbox Car’, komaan!’ dan is het moeilijk om vrolijk te blijven. Ondertussen weet ik dat dat niets met de kwaliteit van je muziek te maken heeft: mensen gaan nu eenmaal op café om zich te amuseren. De ijdele streber uit The Scabs zit dus niet meer in mij. Ik maak nog graag muziek en vind het fijn dat sommigen er iets aan hebben, maar ik koester niet langer de illusie dat ik er de wereld mee ga redden.»

HUMO Het gaat dus goed met je?

SWINNEN «Momenteel ga ik door een zware periode. Mijn ma is begin dit jaar overleden. Ze was vorig jaar beginnen te dementeren na een hartaanval. Die aftakeling… dat was verschrikkelijk om te zien. Naar het einde toe besefte ze amper dat ze nog leefde. Niet lang daarna is m’n hond gestorven, die m’n trouwe compagnon was tijdens m’n depressie. En onlangs heeft een goeie vriend me verteld dat hij slecht nieuws heeft gekregen van de dokter (zucht). Ik moet ervoor zorgen dat ik m’n gedachten kan verzetten. Heb ik een vrije dag, dan plan ik een saunabezoek in. En met het hondje van m’n vader maak ik lange boswandelingen. Dat is voor mij het equivalent van vijf koppen koffie.

Een depressie valt te vergelijken met een verfrommeld blad papier dat je weer glad probeert te strijken: de vouwen zullen er altijd in blijven zitten. Het gaat nooit helemáál weg. Maar ondertussen herken ik de signalen en weet ik wat de oplossingen zijn. Ik ben er zeker van dat ik nooit meer zelfmoordplannen zal smeden. Dat is gepasseerd, en ik wil het niet nog eens meemaken (lacht).»

”HUMO Heb jij een idee waarom het zelfmoordcijfer in België — drie per dag — zo hoog ligt?

SWINNEN «Misschien heeft het te maken met de stugheid van de Vlaming: ‘Zaag niet!’ Daardoor plooien mensen zich sneller op zichzelf terug: ‘Ik moet mijn eigen problemen oplossen.’ En daarnaast moet je niet alleen je depressie, maar ook het stigma dat errond hangt overwinnen. Na een voorstelling van Te Gek!? komen mensen mij met enige schroom aanspreken: (op fluistertoon) ‘Ik heb ook een depressie gehad.’ Daaruit blijkt hoe moeilijk het is om dat taboe te doorbreken.

Tegelijk hebben we al een lange weg afgelegd. Onze documentaire over jongdementerenden met wie we naar Frankrijk zijn getrokken, werd uitgezonden op Eén, hoewel het zware kost was. En steeds meer bekende mensen durven ervoor uit te komen dat ze een depressie of een burn-out hebben gehad. Dat was vijf jaar geleden wel anders. Toen ik gevraagd werd voor Te Gek!? zei m’n management: ‘Zou je dat wel doen? Straks draag je voor altijd het stempel van ‘die met zijn depressie’!’ So what? Het is belachelijk én gevaarlijk om er níét over te praten. Lou Reed heeft een muziekcarrière ooit omschreven als ‘growing up in public with your pants down’. (lacht) Als ik mijn privacy moet opgeven om dat taboe te doorbreken: graag.

Dit jaar staat de Werelddag voor Geestelijke Gezondheid (10 oktober, red.) in het teken van jongeren. Wel, onze schoolvoorstellingen richten zich op de laatstejaars van het secundair onderwijs. Na zo’n voorstelling ben ik eens op aanraden van een meisje met haar vriendin gaan praten, en uit wat zij me vertelde, kon ik direct afleiden: ze is iets van plan en ’t zal niet lang meer duren. Ik heb dat meteen aan de directie en het lerarenkorps gemeld. Die zeiden: ‘We weten dat ze problemen heeft, maar we zullen nog eens met haar praten.’ Een maand later heeft ze effectief een poging ondernomen. Ik ben met haar beginnen te mailen, en kreeg haar trieste verhaal te horen: ze was al verschillende keren opgenomen. Ondertussen is ze aan de beterhand, en dat doet me plezier. Ze is onlangs naar een optreden komen kijken, maar durfde geen dag te komen zeggen (lachje) .

Maar je ziet ook dingen ten goede veranderen in het onderwijs. In het Prizma Campus College in Izegem is er een lokaal waar leerlingen naartoe kunnen met om het even welk probleem – ouders, drugs, depressie, noem maar op. Daardoor wordt er ingespeeld op een duidelijke nood: verhalen over anorexia en zelfverminking zijn helaas schering en inslag op scholen. Wat voor zorgeloze jeugd heb ik gehad in vergelijking met de jeugd van tegenwoordig! Ze moeten er goed uitzien, want ze worden constant bekeken. Ze krijgen een overvloed aan informatie te verwerken en moeten presteren in een wereld die geen zekerheid biedt. Begin er maar eens aan!»

HUMO Ter afsluiting nog goede raad, Guy?

SWINNEN «Práát over je problemen, maar weet dat je omgeving enkel een luisterend oor kan bieden. Ga dus ook naar de huisdokter: die kan je doorverwijzen naar een psycholoog of psychiater. En ken je iemand die het moeilijk heeft, oordeel dan niet en geef zeker geen ‘makkelijke’ goeie raad. Wie in een depressie zit, weet dat boutades als: ‘Kop op, alles komt goed!’ uit de mond komen van iemand die zich er snel van af wil maken. Laat liever merken dat je hem of haar graag ziet. Je hebt er geen idee van hoe belangrijk dat is.»

 

 

 

Scheiden doet lijden

Scheiden is en blijft lijden

De Standaard – 02.10.2018 – Kaat Schaubroeck

Nee, scheiden is niet zoiets als fietsen. Het is niet omdat we het vaker doen, dat we het in de benen krijgen. Een scheiding is voor veel koppels nog altijd een bron van conflicten, en het zou helpen als we een paar dooddoeners konden schrappen.

Misschien eet Gwyneth Paltrow roze wolken bij het ontbijt en brengt ze de kinderen vervolgens op een kudde eenhoorns naar school. Of misschien zit ze elke ochtend ritmisch met haar hiel te tikken tegen een gammele keukenstoel terwijl ze snorren en hoorns ­tekent op de foto’s van haar ex-man, Chris Martin. We kennen haar privéleven alleen van Instagram, maar wat ze op Instagram deelt, is dit: een gezin in perfecte harmonie, en een scheiding die met roze hartjes is omkranst. Ze noemt haar ex ‘broer’, deelt publiekelijk lieve verjaardagwensen, en postte vorig najaar een foto van een brunch met Martin en haar vriend Brad Falchuk – met wie ze dit weekend overigens is getrouwd.

Als zo’n foto viraal gaat, zegt dat iets over een droom die we blijkbaar koesteren: dat we als maatschappij intussen geleerd hebben om pijnloos te scheiden, dat we na een breuk helemaal niet razend zijn, en ook niet kapot van verdriet. Dat uit elkaar gaan zoiets is als fietsen: als je maar genoeg oefent, krijg je het wel in de benen. Alleen, de cijfers vertellen iets anders. Nog altijd loopt ongeveer 15 tot 20 procent van de koppels die uit elkaar gaan vast in een conflict dat jaren blijft duren, een vechtscheiding dus. Daarnaast zijn er al de anderen, die nu ook niet bepaald een pistolet gaan eten met hun ex en hun nieuwe lief.

Ik vroeg me af: wat zit er tussen de gedroomde brunch van Gwyneth Paltrow en de werkelijkheid van veel koppels? Daar kwam een boek van, Gelukkig gescheiden, waarin ik uitzocht hoe conflicten in een scheiding ontstaan en hoe je daarmee kunt omgaan. Als ik daaruit één conclusie mag trekken: scheiden zal waarschijnlijk nooit wennen, en het idee dat het harmonieus, rationeel en zonder een woord te hoog of te laag moet verlopen, is net zo goed een keurslijf als dat oude taboe dat scheiden niet mag. Sterker: net onze ijver om ons van oude ­taboes te bevrijden, heeft ons vastgezet in een reeks nieuwe clichés, die nauwelijks nog ruimte laten voor colère en pijn. Dit zijn bijvoorbeeld een paar zinnen die ik het liefst nooit meer wil horen.

1. ‘Je komt er sterker uit’

In de mooie documentaire Verlaten laat Hetty Nietsch mannen en vrouwen vertellen hoe het voor hen voelde toen ze te horen kregen dat hun partner bij hen weg wilde. Opvallend is hoe vaak woorden vallen als: verdoofd, in shock, verbijsterd. ‘Mijn hart werd verbrijzeld’, zei een vrouw. ‘De zon was gedoofd’, zei iemand. En ook: ‘Het is rouwen om iemand die er nog is.’ Hoe zou je daar eigenlijk sterker uit moeten komen?

Een scheiding raast door je veilige nest en gooit het leven dat je kende overhoop. Je wordt overmand door pijn, twijfel, woede, schuldgevoelens en duizend angsten. Er is dat immense verdriet dat je bij momenten kan vloeren. Voor veel mensen voelt het ook alsof ze verdwijnen, ze voelen zich klein en onzeker omdat ze niet meer door hun geliefde worden gezien. Renate Rubinstein beschreef dat mooi in Niets te verliezen en toch bang: ‘Ik was weggesmolten. Hooguit vijf centimeter was ik nog maar.’ Daar kom je vroeg of laat doorheen, maar therapeuten gaan ervan uit dat het rouwproces na een scheiding gemiddeld twee à drie jaar duurt. Zo kun je meteen ook een ander cliché van tafel vegen: dat koppels tegenwoordig voor een bagatel uiteen zouden gaan.

Seksuologe Rika Ponnet noemt het in Gelukkig gescheiden een trauma dat littekens nalaat. ‘We horen zo vaak dat mensen lichtzinnig scheiden. Dat geloof ik niet. En bijna niemand wil dit een tweede keer meemaken.’

2. ‘Je moet het loslaten’

Een variant op de mythe dat je sterker wordt van alles waar je niet aan doodgaat. Voor dat ‘loslaten’ bestaan zelfs technologische snufjes, zoals Mend, een app die je helpt afkicken van je ex, met dagelijkse ­audiotrainingen en tips. Er zijn ex-kaarsjes die je kunt branden en ex-hoofdkussens met een compartiment voor zakdoekjes. In Amerika coachen break-upexperts je door je verdriet, en zoeken ze mee naar een nieuwe woning.

Alleen is er natuurlijk nergens een gom waarmee je iemand kunt wissen. Hoogleraar sociale psychologie Roos Vonk heeft het in Liefde, lust en andere ellende over het wittebereneffect. Toen deelnemers in een onderzoek gevraagd werd niet aan witte beren te denken, slaagden ze daar ook in – om na het onderzoek vast te stellen dat ze er des te meer aan dachten.

Loslaten is eigenlijk ook nooit de bedoeling, vindt Ponnet. Een relatie die zo belangrijk is geweest, veeg je niet zomaar weg. ‘Als je iemand verliest, voelt het alsof je die totaal kwijt bent’, zegt ze. ‘Maar naarmate de tijd vordert, merk je dat de band die er was, die gehechtheid, nog in je zit. Ik zie het bij mensen die al langere tijd gescheiden zijn. Er blijft iets hangen van dat verdriet, maar ze zijn in staat te zien dat er ook goeie ­momenten waren – ook al heeft de scheiding verschrikkelijk veel pijn gedaan. Dat kan een troostende gedachte zijn.’

3. ‘Ik heb gewoon mijn hart gevolgd’

‘Moeder Teresa trouwt niet met Hitler’ is een boutade van rechter Kenneth Black, van het LA Superior Court Family Law Department, en ze vat mooi samen hoe het in een scheiding niet gaat om de goeden tegen de slechten. Dankzij de schuldloze echtscheiding hoeft er juridisch gelukkig ook geen schuldige meer aangewezen te worden. Tegelijk hebben we soms de neiging om nu in zo’n brede boog om dat begrip ‘schuld’ heen te lopen, dat we in het andere uiterste vervallen: niemand kon er iets aan doen en de scheiding is het gevolg van een of andere natuurwet. We zeggen dan dingen als: ‘ik heb gewoon mijn hart gevolgd’ en ‘de kinderen zijn beter af als mama en papa ook gelukkig zijn’. Of nog erger: ‘Het is toch normaal dat ik bij je wegga, kijk hoe je erbij loopt.’

‘Niemand hoeft zich schuldig te voelen over een scheiding,’ zegt Ponnet, ‘maar we verliezen zo snel de nuance. Mensen die diep gekwetst zijn, hebben er echt behoefte aan dat hun pijn wordt gezien: dat hun ex dus ook erkent hoe zij hieronder lijden. Ik pleit vooral voor moedig gedrag. Durf te kijken naar hoe je relatie is geëvolueerd en wat jouw aandeel was. Minimaliseer het niet als je ontrouw bent geweest. En geef kinderen op zijn minst de ruimte om te zeggen dat ze het helemaal niet leuk vinden om week na week hun koffers te moeten pakken.’

4. ‘Maak nooit ruzie waar de kinderen bij zijn’

Ouders die uit elkaar gaan, missen vooral één grote luxe: afstand. Omdat ze ouders zijn, moeten ze elkaar blijven zien, waardoor sluimerende woede en verdriet voortdurend worden gevoed. Tegelijk moeten ze zich net in die periode als ouder heruitvinden. Ze moeten zich reorganiseren als gezin, afscheid nemen van hun ex als partner, terwijl ze die toch als ouder van hun kind moeten blijven zien. Dat ze te midden van al dat tumult weleens ruzie maken, ook in het bijzijn van de kinderen, is bijna onvermijdelijk. Voor kinderen is het weliswaar ontwrichtend als hun ouders als straatvechters tekeergaan, maar we moeten van een goede ruzie ook geen nieuw taboe willen maken. Ook ouders die nog samen zijn, liggen soms in de clinch en vragen niet noodzakelijk een babysit om dat op verplaatsing te kunnen doen.

‘We verwachten zoveel van gescheiden ouders’, zegt pedagoge Claire Wiewauters in Gelukkig gescheiden. ‘Dat ze er helemaal zijn voor de kinderen en dat ze zonder conflicten omgaan met hun ex-partners. Maar scheiden is conflict. Voor kinderen is dat lastig, maar niet onoverkomelijk, zolang ze maar niet in dat conflict worden meegesleurd en niet het gevoel hebben dat ze moeten kiezen tussen hun ouders.’

5. ‘Het belangrijkste is dat je altijd blijft praten’

In een ideale wereld overleggen ex-partners bij een glas wijn, terwijl de kinderen verderop door het gras buitelen. In het gewone leven is dat soort perfecte harmonie vaak ver te zoeken, en het is een hardnekkig misverstand dat het áltijd beter is voor de kinderen als ouders veel contact hebben met elkaar. Als het conflict blijft escaleren, kan het beter zijn om de gesprekken (tijdelijk) stop te zetten, omdat die alleen maar leiden tot meer geruzie. Je focust als ouders dan elk apart op jullie band met de kinderen en beperkt de gesprekken met elkaar tot een absoluut minimum: er staat als het ware een muur tussen jullie.

Wiewauters: ‘We moeten erkennen dat het goed genoeg is als ouders na een scheiding niet elke week overleggen, zolang kinderen maar de kans krijgen om een goede band te hebben met elk van hen apart. Kinderen kunnen daarin prima gedijen, ook op langere termijn. De kernvraag is: hoe laat je de kinderen toe om met die andere ouder een goede relatie te hebben? Zoiets is veel moeilijker dan we denken.’

Dat is het wellicht: zoals er een goed genoeg ouderschap bestaat, zo moet er ook een scheiding mogelijk zijn die gewoon goed genoeg is. Zonder feestslingers, zonder glutenvrije toast met kersencompote (of wat Paltrow die dag ook had bij haar brunch) en met ruimte voor de pijn en de razernij. Omdat scheidingen moeten kunnen, moeten we het verdriet nog niet afschaffen.

Oud genoeg om dood te gaan

“We zijn massaal misleid door ‘experts’ die roepen hoe we gezond kunnen blijven”
De Morgen – 27-09-18 – Marco Visscher – Bron: De Volkskrant

Vergeet wat artsen en goeroes u vertellen: we hebben nauwelijks invloed op hoe we oud worden. Laat los, die fixatie op uw gezondheid, adviseert Barbara Ehrenreich.

Als journalist schreef Barbara Ehrenreich artikelen, boeken en commentaren over de bedrieglijke mythe van de Amerikaanse droom. Ze deed aangrijpend verslag van de maanden waarin ze werkte als serveerster, schoonmaakster en kamermeisje om te laten zien dat je onmogelijk kunt rondkomen van een minimumloon. Voor een ander boek toonde ze hoe moeilijk het is om hogerop te klimmen en een kantoorbaan in de diensteneconomie te vinden.

Haar boodschap na ruim veertig jaar activistische journalistiek: wanneer je arm bent, of laaggeschoold, ziek, of vrouw, of alles tegelijk, dan sta je er in de Verenigde Staten alleen voor. Haar toon is altijd scherp, bij vlagen sarcastisch. Voor haar oeuvre ontvangt de 77-jarige Ehrenreich dit najaar de prestigieuze Erasmusprijs uit handen van de Nederlandse koning Willem-Alexander.

Eerder dit jaar verscheen haar laatste boek, Oud genoeg om te sterven. Het is een nuchtere kijk op ouderdom. Ehrenreich betoogt dat artsen, diëtisten en farmaceuten ouderen in de luren leggen. Zij verkopen hen de illusie dat we aftakeling kunnen uitstellen of zelfs voorkomen.

Wie laten zich volgens u in de luren leggen?

Ehrenreich: “Heel veel ouderen om me heen. Sinds ik een jaar of 50 werd, zag ik dat ze steeds meer energie en tijd steken in manieren om gezonder en langer te leven. Ze gingen op yoga. Ze gingen denkspelletjes als sudoku doen. Ze holden van het ene medische onderzoek naar de volgende controle. Ze hielden voortdurend hun bloeddruk en hartslag in de gaten. Ze hadden het over goede en slechte cholesterolwaarden; dan was vet niet goed, dan koolhydraten, dan gluten. Sommigen van hen zijn er erg fanatiek in. Een vriendin gaf me eens een uitbrander toen ik tijdens de lunch boter op mijn boterham smeerde. Hallo zeg, daar is boter voor bedoeld!”

Doet u dan niets om uw gezondheid op peil te houden?

“Ik zal het maar toegeven: ik ga naar de sportschool. Dat is trouwens niet bepaald een groot succes, want ik heb er aardig wat rugklachten aan overgehouden. Voor sommigen is de sportschool een obsessie. Zij zijn bevangen door het idee dat ze controle hebben over hun lichaam. Het is hun manier om niet geconfronteerd te worden met hun sterfelijkheid.”

Kijkt u daar op neer?

“Hmm, nu moet ik oppassen. Nogal wat van mijn vrienden zouden zich aangesproken voelen… Ach nee, weet u, we zijn gewoon allemaal misleid door de zogenaamde experts die voortdurend van alles roepen over hoe we gezond en vitaal zouden kunnen blijven. Het is een ideaal waarmee we om de oren worden geslagen, in elk geval in Amerika. Het is moeilijk om daaraan weerstand te bieden.”

Maar waarom zouden we weerstand bieden? Het is toch prachtig als we gezond oud kunnen worden?

“We houden onszelf voor de gek. We hebben veel minder controle over onze gezondheid dan we denken. In werkelijkheid hebben we geen idee wat sommige van de meest cruciale, microscopisch kleine cellen in ons lichaam allemaal uitspoken en aanrichten. Celbiologen – en ik ben opgeleid als eentje – weten niet eens of een immuuncel een bacterie zal aanvallen of je lichaam. Dan kun je naar de sportschool gaan, puzzels maken en sla eten zoveel je wilt, maar daar zul je niets aan veranderen. Het lichaam is nu eenmaal niet een perfect, harmonieus, soepel systeem. Het is eerder een slagveld, gekenmerkt door volstrekte chaos en oneerlijke uitkomsten.”

Waarom wilt u dat benadrukken?

“Als we dit simpele feit negeren, gaan we niet alleen overdreven geloof hechten aan onze eigen invloed op onze gezondheid, maar ook gaan we onszelf de schuld geven als er iets verkeerd gaat.”

Maar we maken toch alledaagse keuzes die hun weerslag hebben op onze gezondheid?

“Als ik een stevige drinker en roker was, ja, dan zou ik daarvoor waarschijnlijk een keer moeten betalen met gezondheidsklachten. Maar er is zo ongelooflijk veel waarvoor we níet verantwoordelijk zijn. Het is absurd om te denken dat je nog heel lang in geweldige gezondheid blijft leven als je maar goed eet en voldoende lichamelijke beweging krijgt. Het is een manier om het slachtoffer de schuld te geven. Alsof jij er iets aan kunt doen dat je ziek bent.

“Ik zag dat sentiment duidelijk toen ik hoorde dat ik borstkanker had. Allerlei mensen om me heen, inclusief artsen en verplegers, kwamen me vertellen dat het beter met me zou gaan als ik positief zou denken. Met andere woorden: als het níet beter gaat, had ik maar positiever moeten denken. Wat beledigend, om zo te redeneren. Overigens: ik dacht absoluut niet positief – en kijk, twintig jaar later ben ik er nog.”

Laat u zich dan niet geregeld onderzoeken om kwaaltjes vroeg op te sporen?

“Ik heb al die preventieve zorg opgegeven. Dokters stellen van alles voor: testen, screenings, behandelingen, zelfs als je amper ergens last van hebt. De officiële instanties raden een jaarlijkse algehele check-up inmiddels af, maar de huisarts beveelt hem nog geregeld aan. Patiënten denken al snel dat het dan wel verstandig voor hen zal zijn, ook al is er geen enkel bewijs dat mensen die zo’n jaarlijks onderzoek laten verrichten langer leven dan mensen die dat niet doen.”

Het zal mensen een gerust gevoel geven als hun gezondheid in de gaten wordt gehouden.

“Ja, dat zal wel. Maar al die knappe koppen kunnen tegenwoordig altijd wel iets vinden dat er vreemd of verdacht uitziet. Voor je het weet, willen ze nóg een test, nóg een scan, nóg een onderzoek. Sommige daarvan zijn regelrecht schadelijk voor je, zoals een biopsie, een vorm van chirurgie met kans op complicaties en bijwerkingen. Daar moeten we niet al te lichtzinnig over doen. Ik heb tegen mijn huisarts gezegd: als mij iets dwarszit, dan zeg ik het wel, maar ga niet lopen zoeken naar problemen.”

Ze noemt zichzelf een politiek activist en amateursocioloog. Barbara Ehrenreich besteedt in haar boek daarom vele pagina’s aan de politieke relevantie van de groeiende zorg om onze gezondheid. Die interesse werd volgens haar voor het eerst zichtbaar in de fitnessrage die opkwam in de jaren 70. Waarom toen?

Omdat onze samenleving ineens zo anders was geworden. We waren onze baan en ons huwelijk niet meer zeker. De wereld bood volop onzekerheid, dus trokken we ons steeds meer terug. Radicale, linkse activisten die ooit de revolutie predikten en vooropliepen bij vredesmanifestaties kozen ervoor om naar binnen te keren en aan zichzelf te werken: in de sportschool, maar ook met esoterische praktijken zoals meditatie en yoga.

Wat zegt het over een samenleving als we onze aandacht verschuiven van maatschappelijke groei naar persoonlijke groei?

“Het zegt ons dat het niet zo makkelijk is om de wereld te veranderen. Ik herken dat wel. Mijn land wordt geleid door een volslagen idioot, dus ik voel me nogal moedeloos om iets te veranderen. Maar besluit ik vandaag om het gewicht voor mijn beenspieroefeningen een paar kilo te verhogen, dan zie ik binnen enkele weken resultaat. In de samenleving kan ik het verschil niet maken, maar in de sportschool wel.”

We gingen werken aan onszelf, want in de grote boze wereld zagen we geen verbetering?

“Inderdaad. Het is verleidelijk om op deze manier voldoening te halen, maar het is kwalijk als we onze maatschappelijke en politieke idealen opgeven om dan maar onszelf te veranderen. Laten we niet denken dat je niet meer hoeft te demonstreren tegen racisme of seksisme als je je biceps traint of honderd squats doet.”

U schrijft dat de fitnessrage voor vrouwen juist een politiek statement was.

“Ja, generaties lang moesten wij vrouwen slank zijn. Vreselijk! Het was een verademing toen de sportscholen ook voor ons toegankelijk werden. De mogelijkheid om controle over ons eigen lichaam te krijgen, was een serieuze feministische doelstelling: we hoeven niet slank te zijn, we kunnen sterk zijn! Het was een bevrijding. Maar als we eerlijk zijn, zien we ook hier de keerzijde.

“De fitnessrage legde de basis voor de gezondheidsrage die maar voortwoekert. Voor iedereen is de sociale druk toegenomen om aan je gezondheid te werken. Dus als je overgewicht hebt, word je niet aangenomen voor die baan als leidinggevende, want tja, als je niet eens enige beheersing over je eigen lichaam hebt, hoe kun je dan overtuigend andere mensen vertellen wat ze moeten doen? Onze gezondheid is een maatstaf geworden om over anderen te oordelen.”

Als we sterven, houdt dat oordeel over onze levensstijl niet op, meent Ehrenreich. Je ziet het in de necrologieën die worden geschreven over beroemde mensen die zijn heengegaan. Dan staat er bij de dood van zanger David Bowie dat hij overleed aan leverkanker, waarop lezers zich afvragen: had hij die ziekte misschien kunnen voorkomen als hij niet zoveel had gerookt en gedronken?

Zelf vindt Ehrenreich dat ze op een leeftijd is gekomen dat het overlijden niet meer als een volkomen verrassing zal komen. Zoals ze het zelf droogjes stelt: ‘Als ik vanavond dood neerval, komt er vast geen politieonderzoek.’

Wanneer zijn we volgens u oud genoeg om dood te gaan?

“Ach, ik wil niet suggereren dat iedereen dezelfde houdbaarheidsdatum heeft. Volgens mij komt er voor iedereen een moment dat we voor onszelf moeten vaststellen dat het zo mooi genoeg is geweest.”

Is het niet heel natuurlijk dat we zo lang mogelijk willen blijven leven?

“Ik denk dat het natuurlijk is om te doen wat je belangrijk vindt. Dat is niet hetzelfde als de wens om zo lang mogelijk te leven.”

U moet vast niets hebben van de groep mensen, vooral in Silicon Valley, die hopen 130 jaar of ouder te worden.

“Haha, tja, een volledig nieuw niveau van narcisme! In interviews zeggen ze dat ze zich ‘ergeren’ aan de dood. Dat is de taal die ze gebruiken. Ze zien de dood als een ‘hinderlijk obstakel’, een technisch probleem dat moet worden gefixt. Nou, ik wens ze veel succes, maar ik zie met lede ogen aan dat er grote sommen geld beschikbaar zijn voor een zoektocht naar de onsterfelijkheid van de superrijken, terwijl de moedersterfte in de VS toeneemt – met name onder arme, zwarte vrouwen voor wie geen prenatale en postnatale zorg beschikbaar is. Hoe wrang is dat?!”

Wat wilt u zeggen tegen die miljardairs?

“Stel je niet zo aan. Je bent niet het centrum van het universum. Als je doodgaat – en dat gaat een keer gebeuren – zal de wereld gewoon doorgaan zonder jou. En dat is maar goed ook… Ach, wat zit ik nou te bazelen? Naar mij luisteren ze toch niet.”

Het is een boodschap die ook voor anderen relevant is.

“Zeker. Natuurlijk laten we mensen achter die ons dierbaar zijn. Voor hen is het tragisch en verdrietig als we sterven, maar we moeten ook leren om het leven los te laten. Misschien vinden we troost in de gedachte dat we een wereld achterlaten vol schoonheid, waar anderen van zullen blijven genieten. En misschien is de dood wel bevrijdend. Hoef je tenminste niet meer te luisteren naar kennissen die vinden dat je geen boter op je brood mag smeren.”

Barbara Ehrenreich (77) is een Amerikaanse journalist, commentator en politiek activist. Opgeleid in de scheikunde en cellulaire immunologie, werkte ze als onderzoeker en adviseur rondom vrouwelijke gezondheid. Ze roerde zich als socialist en feminist, en won prijzen voor essays en reportages over uiteenlopende kwesties, van dumping van gevaarlijke producten in arme landen tot de ‘cultus’ van positief denken rond borstkanker, waaraan zij zelf leed (Bright-sided, 2009).

Ehrenreich verwierf faam met Nickel and dimed, over haar werk als onderbetaalde serveerster en schoonmaakster. In vertaling verschenen Gouden bergen, De achterkant van de Amerikaanse droom, en onlangs Oud genoeg om te sterven, uitgegeven bij Atlas Contact.

Omschrijving
Oud genoeg om dood te gaan van Barbara Ehrenreich, winnaar van de Erasmusprijs 2018, is een vlijmscherp pleidooi voor een goed leven. Ieder mens ontdekt een keer dat het leven eindig is. Sommigen beseffen het als kind al, anderen pas wanneer de eerste grijze haren zich aandienen. Vaak proberen we dat besef zo snel mogelijk weer te verdringen, of we gaan ons ertegen verzetten met zalfjes, pilletjes of preventief medisch onderzoek. En dat is een misverstand, betoogt Ehrenreich in dit heerlijk nuchtere, geestige en tegelijkertijd diepgravende boek. De mens heeft namelijk nauwelijks invloed op het verouderingsproces, in elk geval veel minder dan de gezondheidsindustrie ons wil doen geloven. Het enige wat we kunnen kopen is de illusie dat we de boel onder controle hebben. En daar koop je uiteindelijk natuurlijk niet veel voor. Wat ons te doen staat is zowel eenvoudig als lastig: we moeten onze sterfelijkheid accepteren en onzekerheid aanvaarden. ‘Wat Ehrenreich beschrijft zou iedereen moeten interesseren.’ – NRC Handelsblad

Hoe zelfdoding te voorkomen?

Dossier zelfdoding en hoe het te voorkomen (1): Jens Dendoncker, Nasrien Cnops en Frank Van Massenhove getuigen

HUMO – 25.09.2018

U hebt weleens met gitzwarte gedachten geworsteld? U bent niet alleen. Volgens het Vlaams Expertisecentrum voor Suïcidepreventie heeft zo’n 13 procent van de Vlamingen ooit al aan zelfmoord gedacht, wat dagelijks tot 28 pogingen en drie effectieve zelfdodingen leidt. Bedroevende krantenartikels – over de vier zelfdodingen die midden augustus vier dagen na elkaar op dezelfde spoorlijn plaatsvonden, of over de jongere die in een instelling twee weken moest wachten om naar de Zelfmoordlijn te mogen bellen – maken die cijfers minder abstract. In aanloop naar de Werelddag voor Geestelijke Gezondheid op 10 oktober, praat Humo drie weken lang met mensen die de dood in de ogen keken.

Jens Dendoncker: ‘Het leek een zieke grap’

Jens Dendoncker (28), winnaar van Humo’s Comedy Cup 2016 en binnenkort weer op VTM te zien in ‘Hoe zal ik het zeggen?’, ondernam zes jaar geleden een zelfmoordpoging. De waanbeelden die met zijn epilepsieaanvallen gepaard gingen, werden te zwaar om te dragen.

JENS DENDONCKER «Mijn huidige epilepsieaanvallen zijn veel milder dan vroeger. Er is een periode geweest dat realiteit en fictie door elkaar liepen vlak voor en na een aanval. Soms gebeurde dat ook los van een aanval: de eerste keer was ik nog een tiener. Ik was aan het fietsen en zag plots een enorme vlammenzee, vol mensen die met doodskisten aan het zeulen waren. Telkens wanneer het voorviel, zag ik heel morbide dingen die mijn onderbewustzijn had opgeslagen. Pas later heb ik beseft dat het taferelen uit schilderijen waren: ik heb veel figuren van Velázquez gezien, met van die typische donkere mantels. Ik volgde kunstonderwijs, wellicht kwam het daarvandaan. Ik wist op zo’n moment wel: dit kan niet, maar toch leek het levensecht.»

HUMO Heb je daar toen met iemand over gepraat?

DENDONCKER «Ik heb doorheen de jaren verschillende therapeuten bezocht. Ondertussen weet ik dat waanbeelden bij een absolute minderheid van de epilepsiepatiënten voorkomt.

Ik weet nu dat ik niet alleen mag gaan wandelen, fietsen of zwemmen, omdat het een risico inhoudt: wat als ik een aanval krijg en er is niemand in de buurt om me te helpen? Maar in het begin was dat zwaar om te dragen. Je moet er goed over waken dat je niet in een zelfopgelegd isolement terechtkomt.

Rond mijn 22ste ging ik door een slechte periode. Ik had, deels door mijn ziekte, mijn studies gestaakt en ik was single. Ik had het gevoel dat ik rockbottom had bereikt, en mijn ziekte begon weer op te spelen. Ik was kwaad: ‘Kus allemaal mijn kloten, ik hoef dit niet te pikken!’ Toen heb ik een zelfmoordpoging ondernomen, en ik schaam me over de manier waarop.»

HUMO Hoezo?

DENDONCKER «We gingen op weekend met een bende Chiroleiders. ’s Avonds heb ik mij doelbewust kapot gedronken. Een teken aan de wand, want door mijn epilepsie mag ik niet veel drinken: je zult mij nooit tipsy aantreffen, en drugs zijn al helemaal uit den boze. Enfin, ze hebben mij daarna in mijn tent gelegd, waar ik de boel heb ondergekotst. Een paar uur later, rond vijf uur ’s morgens, ben ik naar de bovenverdieping van ons huurhuisje gegaan. Ik heb mijn broeksriem rond mijn hals geknoopt en heb me over de trapleuning geworpen. Ik ging ervan uit dat iedereen aan het slapen was, maar blijkbaar waren er toch nog een paar mensen wakker. Ze hadden iets gehoord, zijn naar boven gespurt en hebben mij weer over de leuning getrokken. Het moet een kwestie van seconden zijn geweest, want ik was al buiten westen. Ik ben pas bijgekomen toen ik op de overloop lag, met twee huilende vrienden naast mij.»

HUMO Wat ging er door je hoofd net voor je de poging ondernam?

DENDONCKER «Geruststelling. Ik ging er op dat moment van uit dat ik er niet alleen mezelf, maar ook een hoop andere mensen een plezier mee zou doen op lange termijn – mijn ouders, mijn zus, mijn vrienden. Al wist ik dat er ook pijn mee gemoeid zou zijn.
»Een maand daarvoor had ik nog geen suïcidale neigingen, en twee maanden later kon ik me al niet meer inbeelden dat ik zoiets had gedaan. Het is snel gegaan. Het was een soort van zelfvervreemding, een depressie waarbij je zo out of touch bent met jezelf, dat je lijkt te kijken naar jezelf. Alles lijkt zich af te spelen in een soort van waas. Je hebt het gevoel dat je nergens nog vat op hebt. Alsof je lijf en je geest twee verschillende entiteiten zijn die niets meer met elkaar te maken willen hebben.»

HUMO Had je net dat weekend gekozen omdat je stiekem hoopte dat iemand je zou redden?

DENDONCKER «Ik heb me die vraag al vaak gesteld, en heb ze pas een hele poos later kunnen beantwoorden. Ik denk dat het voor mij op dat moment gelijk was. Ik dacht: als ik dood ben, ben ik ervan af; en als ze me nog op tijd vinden, dan zal er iets drastisch moeten veranderen in mijn leven.

De uren erna herinner ik me nog haarscherp, omdat het allemaal zo absurd was. Het leek de hoofdleider het best dat ik aan iedereen zou vertellen wat er was gebeurd. Een paar uur later zat ik dus aan een man of twintig – waaronder mijn jongere zus en mijn beste maten – het verhaal te doen. Ik dacht het luchtig te houden: ‘Je merkt misschien dat mijn broek wat aan het afzakken is. Dat komt omdat ik mijn riem heb gebruikt om mij deze ochtend te proberen te verhangen. De riem is zoek, dus als je ’m gezien hebt…’ Ik bleef maar brabbelen, sommigen vroegen zich af of het geen zieke grap was. Daarna ben ik samen met de hoofdleider in de auto gestapt en hebben we keihard met The Black Keys meegezongen. Na de middag heb ik het verteld aan m’n ouders, die natuurlijk in shock waren. ’s Avonds ben ik naar de ambulante dienst gegaan – ik weet niet meer juist hoe het heet, maar 80 procent van de mensen die daar binnenkomen, heeft een overdosis genomen of kampt met een acuut drank- of drugsprobleem. Van daaruit ben ik doorverwezen naar de psychiatrie in het UZ Gent.»

HUMO Had je een afscheidsbrief geschreven?

DENDONCKER «Nee, maar ik heb al sinds mijn 14de een soort van testament, en enkele vrienden wisten waar dat zat. Op mijn kamer stond een wierookdoosje met een valse bodem, vol brieven voor m’n vrienden: wie wat zou krijgen na mijn dood.»

HUMO Ging je omgeving anders met je om na je poging?

DENDONCKER «Nee, maar ik heb in de nasleep van mijn poging wel van waanzinnig veel mensen gehoord dat ze óók al suïcidale gedachten hadden gehad of zelfs al pogingen hadden ondernomen. Daar ben ik enorm van geschrokken. Dat toont aan hoeveel mensen je maar écht kent.»

HUMO Draagt het bij tot een zelfmoordpoging, dat niet veel mensen je écht kennen?

DENDONCKER «Niet echt. Ik heb altijd zeer liefhebbende ouders gehad. Ik kom uit een stabiel gezin en had daarnaast nog meer dan genoeg mensen die er voor mij waren. Maar ik koppel altijd veel van m’n geluk aan een relatie vast. Doordat er geen grote liefde in mijn leven was, had ik het gevoel geen baken te hebben, geen houvast. Als er lange tijd niets opweegt tegen je grote verdriet, dan denk je vroeg of laat: wat is het nut van dit leven nog?»

HUMO Had iets of iemand je poging kunnen voorkomen? Had je gewild dat één van je vrienden had gezegd: ‘Hoe komt het dat je plots zoveel drinkt, Jens?’

DENDONCKER (denkt na) «Het enige wat mij op dat moment had kunnen redden, was een allesverslindende verliefdheid. Ik ben een romanticus.
Melancholisch ben ik ook. Alles wat mij ontroert, is meestal zwaarmoedig. Ik las als tiener al Schopenhauer en boeken als ‘Die Leiden des jungen Werthers’ (Goethes klassieker die destijds een golf van zelfdodingen teweegbracht, omdat lezers zich spiegelden aan het hoofdpersonage Werther, die zelfmoord pleegt omdat zijn grote liefde Lotte met een ander trouwt, red.). Misschien was ik daar toen nog te jong voor. Met muziek heb ik dat ook: ik ben een enorme fan van het ter ziele gegane StuBru-programma ‘Duyster’. Ik heb een traantje weggepinkt toen het werd afgevoerd. Ik heb een openbare Spotify-playlist aangemaakt vol met zulke muziek. Daar put ik troost uit.»

HUMO Maar het is je verblijf in de psychiatrie dat je erbovenop heeft geholpen?

DENDONCKER (knikt) «De eerste dagen gebeurde er niets. Ze laten je bekomen. Ik vond dat raar. Ik ben meermaals gaan vragen: ‘Wat nu?’ (lacht) Later volgt therapie en een soort cursus: proberen te begrijpen wat er is gebeurd, wat een depressie precies is. Ik ben er uiteindelijk anderhalve maand gebleven. Ik kan je verzekeren: dat waren lange dagen. Op zulke plekken kunnen ze niet goed om met zwarte humor, en laat dat nu net mijn uitlaatklep zijn (lacht). Maar goed, een halfjaar later had mijn leven al enkele drastische positieve wendingen genomen.»

HUMO Vanuit de gedachte: ‘Ik krijg een tweede kans?’

DENDONCKER «Misschien wel. Het kan niet nóg meer rockbottom dan jezelf van kant proberen te maken, het kan alleen maar beter worden. Ik heb toen voluit voor de wereld van de comedy gekozen. Voor mij is comedy nog steeds een vorm van therapie.»

HUMO Kun je lachen met grappen over zelfdoding?

DENDONCKER «Zeker. Ik vind sowieso dat je over alles jokes moet kunnen maken. Je kunt een grap wel wansmakelijk vinden, maar je kunt niemand een grap ontzeggen – anders kun je op den duur nérgens nog moppen over maken. Aanstoot néém je, maar geef je niet.

In mijn voorstelling (‘Bang van Dendoncker’, waarmee hij vanaf eind september weer Vlaanderen doorkruist, red.) zitten geen grappen over zelfdoding, maar wel over depressie en epilepsie. Mensen komen me na de voorstelling zeggen dat ze daar veel aan hebben. Daardoor ben ik zelfs ambassadeur geworden van de Epilepsie Liga. Er is nog veel te weinig geweten over wat epilepsie exact is, wat voor miserie het kan veroorzaken en wat de impact is op een gezin.»

HUMO Vier jaar geleden pleegde Robin Williams zelfmoord. Hoe komt het dat komieken vaak niet de vrolijkste mensen zijn?

DENDONCKER «Ze hebben vaak een aanleg voor zwaarmoedigheid. 90 procent van onze job bestaat uit alleen zitten nadenken over het leven. Dan zie je automatisch de lelijkheid en dwaasheid van alles, waardoor er al eens negatieve gedachten durven te passeren.»

HUMO Je maakt er geen geheim van een angstig persoon te zijn, ook bang te zijn voor de dood. En toch ondernam je een zelfmoordpoging.

DENDONCKER «Ik ben niet bang voor de dood, maar wel voor het doodgaan op zich. Dat ik het er toch voor over had, geeft aan hoe diep ik toen zat.

Nu voelt de dood als een tikkende klok. Ik heb continu het gevoel dat ik tijd tekort kom. Ik ben misschien nog maar 28, maar ik weeg meer dan 100 kilo en neem heel veel pillen. Anti-epileptica en medicatie die de nevenwerkingen van die anti-epileptica moet onderdrukken. Daarnaast neem ik ook pillen voor mijn hart en voor mijn bloeddruk. Ik heb ook een tijd antidepressiva genomen, maar wat dat betreft ben ik nu al een tijdje clean (lacht).

Omdat mijn levensverwachting niet bijzonder hoog is, zou ik me graag voor mijn 50ste nog toeleggen op een aantal andere disciplines. Ik schrijf veel, en zou graag nog de literatuur verkennen. Ik hoop dat er een soort gemoedsrust over me neerdaalt als ik ouder ben: ‘Dit heb ik toch allemaal al gedaan.’»

HUMO Kun je je inbeelden ooit nog op het punt te staan zelfmoord te plegen?

DENDONCKER «Moeilijk. Maar tegelijk weet ik dat je heel snel van jezelf kunt vervreemden en dat er heel snel een moment kan komen waarop het licht uitgaat.

Onlangs is mijn relatie na vijf jaar gestrand. Het is dus momenteel niet mijn beste periode, maar ik kan er mee om omdat er zoveel andere dingen zijn waarmee ik me kan bezighouden. Ik zit in een luxepositie: er zijn maar weinig epilepsiepatiënten die kunnen gaan werken. Ze houden rekening met mij: voor mijn job wordt er bijvoorbeeld vaak vervoer geregeld. Wie ben ik dan om te zagen?

Dat gezegd zijnde, het fundamentele probleem is het taboe dat nog steeds rond depressie en zelfmoordpogingen hangt. Als je zoiets moet vertellen aan een werkgever, kan die daar z’n conclusies uit trekken en je ontslaan. Sommigen kijken ook neer op mensen die parttime werken, omdat ze door hun depressie geen fulltime aankunnen. Een depressie wordt nog te vaak gezien als gemakkelijk betaald verlof. Dat taboe zou eindelijk eens mogen sneuvelen.»

Nasrien Cnops: ‘14 kilo vermagerd’

Toen Nasrien Cnops (29) na haar studies Journalistiek en Audiovisuele Communicatie meteen aan de slag kon bij radiozender MNM als sidekick in ‘De Grote Peter Van de Veire Ochtendshow’, leek het leven haar toe te lachen. Tot ze twee jaar later op staande voet werd ontslagen. De depressie en suïcidale gedachten die ze daaraan overhield, beschrijft ze in haar boek ‘Ik tegen de rest’.

NASRIEN CNOPS «Ik zal het nooit vergeten: op 11 september 2014 kreeg ik te horen: ‘We hebben besloten de samenwerking stop te zetten.’ Ik moest onmiddellijk vertrekken: badge afgeven, laptop binnenbrengen. Mijn account werd nog dezelfde dag verwijderd. Met één muisklik was ik vergeten. We zijn nu vier jaar verder en ik kan nog steeds niet naar MNM luisteren. Het was mijn droomjob. Ik heb er een minderwaardigheidscomplex aan overgehouden.

Zes maanden later werd ik ook nog eens gedumpt door mijn toenmalige vriend. Ik voelde mij een loser: ‘Ik kan geen lief of job houden.’ Toen heb ik mij drie maanden opgesloten. Mijn moeder kwam elke dag eten aan huis brengen, maar ik liet niemand binnen. Ze riep vaak: ‘Zég toch iets! Laat gewoon horen dat je er bent!’ Maar ik antwoordde nooit en liet het eten onaangeroerd op de drempel staan. Het enige wat ik op een hele dag at, waren twee party snacks die ik in de oven bakte – het enige wat ik nog in huis had. Ik ben toen 14 kilo vermagerd, puur van de miserie. Ik heb toen vaak gedacht: waarom ben ik hier eigenlijk nog? Tijdens het autorijden flitste meermaals door mijn hoofd: wat als ik mijn stuur nu plots naar rechts draai?»

HUMO Hoe voelde je je bij het hebben van die zelfmoordgedachten?

CNOPS «Waardeloos. Ik dacht: een halfjaar geleden was ik nog elke ochtend op de nationale radio te horen en werd ik geadoreerd, nu zit ik hier helemaal alleen thuis. En ik vroeg me af waarom ik zo hard mijn best deed voor iedereen. Bij MNM klopte ik soms dagen van 18 uur, ook in het weekend, en viel ik in voor zieke collega’s. Ik had geen sociaal leven meer. En dan word je op zo’n manier afgeserveerd.

Maar mezelf te pletter rijden leek me toch niet zo’n goed idee. Wat als het mislukt en je verlamd bent voor de rest van je leven? Het moest zo snel en pijnloos mogelijk gebeuren: een overdosis pillen, of van een brug in ijskoud water springen.»

HUMO Heb je ooit op een brug gestaan, twijfelend of je zou springen of niet?

CNOPS «Ik had een dj toegezegd om mee te spelen in zijn videoclip. Die opnames gingen door in Thailand. ’s Nachts ben ik op het hotelbalkon gaan staan en ben ik met mijn oudste zus beginnen te sms’en – hoewel ik eigenlijk geen nauwe band met haar heb. ‘Het gaat niet. Ik denk dat ik domme dingen ga doen.’ Zij heeft tot zes uur ’s ochtends via sms op mij zitten inpraten: ‘Komaan, waar ben je mee bezig? Denk eens na!’ Ik heb in totaal zes uur op dat balkon gestaan. (Stilletjes) Dit is de eerste keer dat ik daar met iemand over praat. Het staat ook niet in mijn boek. Ik denk dat ik het wat verdrongen heb.»

HUMO Hoe sta je de dag erna op?
CNOPS «Doodmoe. Maar ja, the show must go on: die videoclip moest opgenomen worden.»

HUMO Je hebt nog meegewerkt aan die clip?

CNOPS «Ik kan geen neen zeggen. (Neemt haar smartphone en toont de videoclip van ‘Forget’, een nummer van Gascar ft Sakso) Kijk, ik ben geen seconde aan het lachen. Oorspronkelijk was het een vrolijk nummer, maar ze hebben de tekst nog veranderd: uiteindelijk werd het een nummer over in de steek gelaten worden.

De enige die me er toen van had kunnen weerhouden op dat balkon te gaan staan, was mijn ex. Hij heeft me lang aan het lijntje gehouden. Was hij gewoon eerlijk geweest – ‘Het komt níét meer goed’ – dan zou ik de drang niet gevoeld hebben om te blíjven proberen: ‘Wat moet ik doen om je terug te krijgen? Wat is er mis met mij?’ Ik heb een paar keer jankend aan de telefoon gehangen, maar zijn antwoord was: ‘Laat me met rust.’ Ik heb hem daarna nooit meer gezien of gehoord. Nu kan ik dat plaatsen, maar toen vond ik dat verschrikkelijk.»

HUMO Kon je bij je vrienden terecht?

CNOPS «In het begin werd ik wel getroost door mijn goede vrienden, maar je merkt dat ze op den duur denken: ‘Stel je niet zo aan: het is máár een liefdesbreuk en máár een job.’ Terwijl het voor mij leek alsof ik mijn leven kwijt was. Uiteindelijk hebben ze afgehaakt. Wat ik hun niet kwalijk neem: ik heb ook een zwaar depressieve vriendin gehad met wie ik een jaar lang niet gepraat heb. Je moet het helaas zelf meemaken om te snappen hoe zwaar een depressie precies is en om te weten dat je echt wel mensen nodig hebt om je eruit te trekken.

Uiteindelijk hebben m’n ouders me na drie ellendige maanden naar de huisdokter gestuurd, die me antidepressiva voorschreef: ‘Ik zie geen andere optie dan die gevoelens te onderdrukken, zodat je weer kunt functioneren.’ Met ‘functioneren’ bedoelde hij: je wassen, naar de winkel gaan, het vuilnis buitenzetten, rekeningen betalen. Dingen waarvoor ik geen energie meer had. Ik bracht de helft van de dag huilend door.»

HUMO En, had het resultaat?

CNOPS «Ik heb een haat-liefdeverhouding met antidepressiva. Ik kwam wel weer buiten, maar schoot in het andere uiterste door. Ik dronk veel en sliep vaak ergens anders – bij een vriendin of bij een kerel die ik eerder op de avond was tegengekomen. Het ligt niet in mijn aard om zomaar met vreemden mee naar huis te gaan, maar het was mijn manier om affectie en zelfbevestiging te zoeken.

Ik zat onder een serieuze pillencocktail: een driedubbele dosis antidepressiva, Xanax, pillen om je te doen in- en doorslapen. Ik moest de juiste dosis elke keer bij mijn moeder gaan ophalen. De dokter durfde me niet alle pillen in één keer toe te vertrouwen. Toen ik besloot om met enkele vrienden drie weken naar Peru te trekken, is mijn moeder met één van hen gaan samenzitten om een schema op te stellen: ‘Die pillen op die dag.’ Toen mijn moeder vlakaf zei dat ze bang was dat ik mezelf iets zou aandoen, riep ik: ‘Er bestaan nog andere manieren om me van kant te maken!’ Opzettelijk, om haar te kwetsen. Als ik daar nu aan terugdenk, schaam ik me rot. Wat voor een slechte dochter ben ik geweest.

Maar Peru had niet het verhoopte effect. Antidepressiva vlakken je gevoelens af. We hadden drie dagen gestapt om een canyon te bezichtigen, en ik weet nog dat ik daar stond en dacht: tja, dat is gewoon een berg, hè. Maar als ik nu de foto’s ervan bekijk, denk ik: prachtig!

Mijn psychologe is een deel van mijn redding geweest. Mijn moeder heeft me de eerste keer de auto moeten induwen, maar na de eerste sessie viel er een last van mijn schouders. Ik denk dat ik de bevestiging nodig had: ‘Er is niets mis met jou.’ In het begin ging ik drie keer per week, en dat bood de houvast die ik nodig had. Na een afspraak voelde ik mij een uurtje beter. Voor het eerst in máánden voelde ik me toch al drie uur per week oké. Maar ik bleef worstelen met zelfmoordgedachten en vertrouwde mezelf niet. Uiteindelijk ben ik toen via een crisisopname in de psychiatrische afdeling van het UZ Leuven beland.»

HUMO Dat was voor jou een wake-upcall, schrijf je in je boek.

CNOPS «Tijdens de groepsgesprekken hoorde ik de schrijnende verhalen van de anderen. Drugs- en alcoholverslaafden die in de steek waren gelaten en geen rotte frank meer hadden. Ik dacht: ‘Wat doe ik hier? Ik heb een liefhebbende familie en een dak boven mijn hoofd.’ Mijn vrienden zijn mij elke dag komen bezoeken en hadden breiwerk en kleurboeken voor volwassenen mee. Bezigheidstherapie (lacht). Na vier dagen mocht ik in overleg met de artsen naar huis.

(Beschaamd) Ik stond die bewuste week toevallig op de cover van P-Magazine, die dan ook nog eens op alle kamers van die afdeling lag. Toen dacht ik ook: ‘Waar ben ik mee bezig?’

Weer thuis heb ik een lijstje gemaakt van de dingen die me gelukkig maken. Mijn honden en katten bijvoorbeeld, de enige levende wezens bij wie ik me op mijn gemak bleef voelen tijdens mijn depressie. Mijn dierenarts had via mijn nicht gehoord dat ik iets met dieren wilde doen, en belde me op: ‘Kun je morgen beginnen?’ Ik heb toen de moed gevonden om een cursus dierenartsassistent te volgen en af te maken. Daar ben ik nog steeds heel blij om: zodra ik de praktijk binnenwandel, ben ik gelukkig. Dieren geven je onvoorwaardelijke liefde.»

HUMO Wist de dierenarts dat je depressief was?

CNOPS «Nee, ik ben een meester in het opzetten van maskers, uit schaamte en onzekerheid. Ze heeft nooit iets over die periode geweten, tot mijn boek uitkwam. De dag dat het verscheen, was ik enorm bang: heel mijn façade was weg. Maar nu hoef ik tenminste niet meer te doen alsof.

De dood van m’n oma heeft me ook wakkergeschud. Ik dacht: mijn moeder heeft nu geen ouders meer, ik heb er wél nog. Had ik een slechte band met mijn moeder gehad, dan zat ik hier nu waarschijnlijk niet. Want ik wist: als ik zelfmoord pleeg, maak ik haar leven kapot. Ik wou nog voor háár leven.

De dag nadat m’n oma was gestorven, heb ik Dries, mijn huidig lief, leren kennen. Ik heb hem meteen alles verteld, wellicht ook om hem op afstand te houden: ‘Die zal toch weglopen.’ Maar kijk, we zijn nog altijd samen. Hij heeft er mee voor gezorgd dat ik me wilde herpakken.»

HUMO Hoe kijk je nu, vier jaar later, op die periode terug?

CNOPS «Ik vind het jammer dat ik twee jaar van mijn leven heb verspild aan zwaarmoedige gevoelens, maar ik heb eruit geleerd dat het leven niet over rozen gaat. Ik geniet nu veel meer van de kleine dingen. En ik zal niemand meer zomaar mijn vertrouwen schenken.

Als je als 25-jarige in een depressie sukkelt, blijf je daar volgens mijn psychologe de rest van je leven vatbaar voor. Ik moet waakzaam blijven. Als ik mij nu wat minder voel, haal ik mijn schildergerief boven of ga ik wandelen met mijn honden. Dat helpt.

Ik heb na m’n depressie veel verhalen gehoord over mensen die zelfmoord hebben gepleegd. De papa van een vriend, iemands broer, een vriend van mijn lief… Vroeger snapte ik niet waarom je zoiets zou doen, nu wel. Je hoofd is zó wazig. Wie met suïcidale gedachten kampt, wil ik daarom op het hart drukken: laat je helpen. Praat erover met iemand, bel naar de Zelfmoordlijn, blijf er niet mee zitten. Hoe vaak ik niet heb gedacht: ik zal nooit meer gelukkig zijn en nooit meer iemand vinden, alles is kut! Je moet heel veel geduld hebben, maar weet dat er ook nog heel veel is om voor te leven. Ik heb onlangs mijn diploma van personal trainer behaald, en voel me gesterkt door de positieve reacties op mijn boek. Moeders die me bedanken omdat hun dochter door mijn boek naar een psycholoog wil gaan: daar word ik gelukkig van.»Frank Van Massenhove: ‘Vier dagen in psychose’

Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid Frank Van Massenhove (64) omschrijft zichzelf als een ‘onwaarschijnlijk opgewekte mens’. Dat een romance hem ooit zelfmoordgedachten heeft bezorgd, kan hij zich nu niet meer inbeelden.

FRANK VAN MASSENHOVE «Op mijn 39ste ben ik een affaire begonnen met een 28-jarige vrouw, die vier jaar heeft geduurd. Mijn toenmalige vrouw wist er niets van af. Mijn minnares dacht dat ik mijn vrouw zou verlaten, maar ik kon geen knopen doorhakken. Ik bleef bij mijn vrouw, omdat ik niet door had dat ons huwelijk eigenlijk gewoon óp was. En dat zo’n mooie, jonge vrouw van me hield, streelde mijn ego ook wel. Maar nadat ik voor de keuze werd gesteld, is de bom gebarsten: er volgde een dubbele breuk.

Ik zat er erg mee in dat ik tegen alles en iedereen had gelogen. Het leek mij een tijdlang het beste voor iederéén dat ik er niet meer zou zijn. Uit schaamte en schuldgevoel wilde ik gewoon verdwijnen.

Ik heb toen vier maanden amper geslapen, waardoor ik in een psychose terechtkwam en waanbeelden kreeg. Ik heb daar toen met een psychiater over gesproken, maar die heeft me niet echt geholpen: ‘Ik zal u wel iets voorschrijven.’ Ik kreeg niet uitgelegd wat er met mij aan de hand was.»

HUMO Wat zag je tijdens die wanen?

VAN MASSENHOVE «Ik zag tussen alles verbanden en begon daarover te schrijven. Van de vier vrienden die me toen de klok rond hebben bijgestaan, heb ik gehoord dat het onwaarschijnlijk kafkaëske verhalen waren. Ik heb die schrijfsels na m’n psychose jammer genoeg verbrand.»

HUMO Waarom verbrand?

VAN MASSENHOVE «Om er een streep onder te trekken. En ik mocht er ook niet aan dénken dat iemand die schrijfsels zou vinden bij het oud papier en ze zou lezen (lacht).

Die psychose heeft ongeveer vier dagen geduurd. Ik heb ze in een totale waas beleefd, maar ik weet wel nog dat zelfmoord op dat moment de enige uitweg leek: ‘Ik heb geen toekomst meer, al mijn vrienden gaan me laten vallen.’ Terwijl ik letterlijk omringd was door vier vrienden! Daaraan kun je zien hoe ver heen ik was: ik zág dat niet. Ik was toen nog kabinetschef bij de Gentse burgemeester Frank Beke en dacht ook: ‘Gans Gent zal dat weten!’

Toch durf ik niet met zekerheid te zeggen dat die vier vrienden mijn leven hebben gered. Ik denk dat ik het niet zou durven om zelfmoord te plegen. Ik ben al bang van een spuitje (lacht). Ik heb er die vier dagen wel aan gedacht – eigenlijk was de beslissing al genomen – maar ik was niet bezig met hoe ik dat concreet zou uitvoeren.

Tijdens die psychose moesten ze me bijna vastbinden: ik sliep niet en was hyper. Ik had energie zat. Toen ik daarna in een zware depressie belandde, gebeurde het tegenovergestelde. Ik sliep drie maanden lang veertien uur per dag. Het ergste was wakker worden: ‘Ik ben hier nog.’ Na drie maanden ben ik toen weer beginnen te werken, al was ik nog steeds depressief. Maar ik kon dat goed verstoppen. In gezelschap kon ik even idioot doen als voorheen, maar zodra ik alleen in de zetel zat, kwam ik er niet meer uit. Gelukkig had ik ondertussen een goede therapeute gevonden: ‘Het heeft tijd nodig. We gaan wel zien wanneer het voorbijgaat.’ Op 8 augustus 1998 ben ik mijn huidige vrouw Anneke tegengekomen, en met haar verdween alle zwaarte uit mijn leven. Ik herinner me die datum nog goed, omdat ik mezelf na onze ontmoeting plots weer hoorde zingen. Ik ben een muziekfreak, maar dat jaar van mijn depressie heb ik me amper met muziek beziggehouden.»

HUMO De liefde heeft je zowel genekt als gered?
VAN MASSENHOVE «Volgens mij hangen liefdesperikelen nauw samen met depressies. Anneke zei: ‘Het verleden interesseert mij niet. Ik zie wie jij nú bent.’ Ik besefte ook dat alles waarvoor ik had gevreesd, niet was gebeurd. De wereld had me de rug niet toegekeerd, ik had nog altijd evenveel vrienden als voorheen en ze vertrouwden mij nog. Maar ik kan het helaas nooit meer goedmaken tegenover die twee vrouwen.

»Hoewel ik op veel empathie kon rekenen, waren er ook een paar mensen die zich er vrolijk over maakten. Als je kabinetschef bent van een burgemeester, is jaloezie nooit veraf. Tijdens mijn depressie kreeg ik eens een pesttelefoontje: ‘Ah, ben jij Jef Vermassen niet? Dan ben je de gek die een depressie heeft!’

We moeten het stigma dat aan een depressie kleeft tegengaan. Schaamte is nergens voor nodig. Iedereen kan in een depressie sukkelen, maar dat betekent niet dat je niets meer waard bent of dat je niet meer te vertrouwen bent als werknemer. Ik heb zelf onwaarschijnlijk veel gehad aan Frank Beke. Na die cruciale week kwam hij bij mij: ‘Zorg dat je eruit raakt. Het maakt niet uit of het nu zes maanden of een jaar duurt, kom erna gewoon terug.’ Een fantastische mens.

Depressie is een ziekte. Het kan een ziekte zijn die je je hele leven met je meedraagt, maar het kan ook een griepje zijn, zoals in mijn geval. In mijn organisatie ben ik de beste depressiedetector, omdat ik er zelf ben doorgegaan. Ik maak persoonlijk tijd voor mensen die het moeilijk hebben en doe veel moeite om ze weer op de werkvloer te krijgen, want het is belangrijk dat je na een depressie stilletjes aan weer je leven begint op te pikken. Ik ben er trots op dat ik onze organisatie op dat vlak heel wat menselijker heb gemaakt. Onze werknemers hoeven bijvoorbeeld niet van nine to five te werken, omdat ik weet hoe belangrijk het is om tijd te maken voor je vrienden en geliefden. Als je kunt thuiswerken, spaar je toch al gauw een paar uur per dag uit, die je kunt invullen zoals je wilt.»

HUMO Ken je mensen die zelfmoord gepleegd hebben?

VAN MASSENHOVE (knikt) «Een oud-studiegenoot heeft op zijn 30ste zelfmoord gepleegd omdat hij aan de ziekte van Huntington (een ongeneeslijk neurologische aandoening, red.) leed. En ik heb ook een prachtige, kunstzinnige man gekend die uit het leven is gestapt omdat hij een bipolaire stoornis had.

Het is verschrikkelijk om te zien wat een zelfmoord in je omgeving kan teweegbrengen, maar daar heb ik eigenlijk niet bij stilgestaan toen ik zelf met suïcidale gedachten kampte – daarvoor was ik te veel met mezelf bezig. Toen ik vijf jaar geleden gezondheidsproblemen had en er oorspronkelijk verkeerdelijk aan kanker gedacht werd, was ik ook totaal niet voorbereid op de dood. Dat vind ik raar, want ik heb tenslotte toch kortstondig zelfdoding overwogen.

Intussen staat het heel ver van me af. Als ik er nu met jou over praat, lijkt het alsof ik het over iemand anders heb. Tegelijk ben ik ervan overtuigd dat mijn depressie een beter mens van me heeft gemaakt. Ik kan mezelf beter relativeren en ben empathischer geworden. Ik wens het niemand toe, maar door vier dagen in een psychose te zitten, kan ik me inbeelden in wat voor hel mensen met een langdurige psychose moeten leven. We mogen niet zo veroordelend zijn: sommige mensen zijn psychisch kwetsbaarder dan andere, of kunnen door hun job of lief te verliezen plots aan de grond komen te zitten. In plaats van psychologische problemen weg te duwen, moeten we er net open over praten. Ik geniet nu alleszins nóg meer van het leven dan vroeger.»Wie vragen heeft rond zelfdoding, kan terecht op de Zelfmoordlijn via het gratis nummer 1813 of op www.zelfmoord1813.be

 

We zijn verleerd naar ons lichaam te luisteren

We zijn verleerd naar ons lichaam te luisteren

Brainwash – Paul Verhaeghe

Goed in je vel zitten vind ik een prachtige omschrijving voor een gezonde combinatie tussen lichaam en geest – eigenlijk tussen voelen en denken. Dat heb je voor een flink stuk te danken aan de interactie met je ouders, maar de uitbouw van je identiteit en de daarin besloten afstemming op je lichaam gebeurt natuurlijk ook buiten het gezin. Toch zien we dat het lichaam in onze moderne maatschappij steeds vaker te veel onder druk wordt gezet, met grote gevolgen voor je welzijn.

Heel vroeg in de ontwikkeling komen er andere figuren naar wie je als kind opkijkt, en van wie je beelden en woorden overneemt. Dat hoeven zelfs geen figuren van vlees en bloed te zijn: je neemt beelden en woorden over die de ruimere buitenwereld je aanreikt of opdringt. Daar is ook de digitale wereld bijgekomen, die je voortdurend aan een beeldenbombardement blootstelt. Overal zijn er beeldschermen en zelfs als je niet bewust kijkt (misschien vooral als je niet bewust kijkt), neem je de voorgehouden idealen over.

Zo ga je van identificatie binnen het gezin naar identificatie met het cultureel dominante vertoog. Het proces van beïnvloeding blijft hetzelfde, met dezelfde vragen zoals bij de eerste identiteitsontwikkelingen. Sluiten de voorgehouden spiegelingen min of meer aan bij wat ik zelf voel? Gaat het over verwachtingen die aansluiten bij mijn mogelijkheden? In welke mate laten de beelden keuzes toe? Als het antwoord op die vragen negatief is, dan spreken we over vervreemding. Dan nemen we ideeën en beelden over die ons ziek maken. Het gevolg is dat we niet langer afgestemd zijn op wat er binnen in ons en in ons lichaam aan het werk is.

Als begrip is vervreemding, samen met indoctrinatie, bekend vanuit een kritiek op totalitaire politieke systemen, van Nazi-Duitsland tot de DDR. We beseffen te weinig hoe een economische ideologie onze identiteit op een sluipende manier overgenomen heeft, ogenschijnlijk onafhankelijk van een ideologie. De meest doortrapte list bij deze onzichtbare vervreemding is de uitnodiging van de reclame- en mediawereld om onze ‘individualiteit’ belangrijk te maken. In de praktijk betekent dit dat we met zijn allen dezelfde, grotendeels overbodige spullen kopen, dezelfde rommel eten, aan dezelfde vormen van ontspanning doen, collectief steeds harder werken, gevolgd door hetzelfde soort vakantie die we vervolgens op hetzelfde soort Facebookpagina etaleren. En allemaal denken we uniek te zijn. Wij zijn, naar een mooie uitdrukking van de Britse psychoanalyticus Adam Philipps, onbewust gehoorzaam:

‘Als we onbewust gehoorzaam zijn, vinden we onszelf niet gehoorzaam, maar realistisch, normaal of rationeel. We leven alsof we weten hoe het leven echt is.’
Als we ons niet goed voelen bij het leven dat we leiden – voor zover we dat gevoel al toelaten – schrijven we dat toe aan een persoonlijk falen. We moeten nog méér ons best doen, nog harder werken, nog bétere keuzes maken. Tegenwoordig moet alles steeds sneller, ook onze manier van denken, consumeren, werken, ontspannen zoals blijkt uit eigentijdse uitdrukkingen: quality time, short ski, fast food, speed dating, powernaps. Slaap dient om onze batterijen op te laden, niet om uit te rusten. Work hard, play hard.

De oorzaak van vervreemding en versnelling ligt in het alomtegenwoordig concurrentieprincipe gebaseerd op het gevoel constant geëvalueerd te worden. Nosedive, een aflevering van de Britse tv-reeks Black Mirror, toont een wereld die absurd lijkt, maar eigenlijk best dichtbij is. Via onze smartphone beoordelen we elkaar met één klik (van een tot vijf sterren). Je cijfer is voor iedereen zichtbaar en bepaalt je leven; van het soort auto dat je kan huren tot de kwaliteit van de medische zorg die je ontvangt. Alles hangt af van het aantal sterren toegekend door anderen. Lacie is een 4.2 maar wil een 4.5 worden, want dat is de toegangsvoorwaarde voor haar droomappartement. Ze huurt een dure coach in, zoekt de ‘juiste’ vriendinnen op en mijdt de marginale, wil het perfecte kapsel, oefent het verwachte taalgebruik. Ze rent van hot naar her. Het resultaat is een totale ondergang – ze eindigt met score nul.

Fictie? Wie Uber-taxi’s gebruikt, kan de chauffeur een digitale beoordeling geven en krijgt er zelf ook een. De resultaten daarvan zijn publiek zichtbaar en hebben effecten: een passagier met een 4,8 rating heeft ‘recht’ op Uber VIP, met betere auto’s en chauffeurs met een hogere rating. Bij een hyperslechte rating raak je niet van de straat.
Met concurrentie is op zich niks verkeerd en competitie kan best leuk zijn. Het wordt een probleem als heel het leven in het teken van competitie komt te staan. Het idee dat concurrentie alleen maar ons professioneel leven betreft en we thuis lekker kunnen relaxen, klopt niet langer. Ik ben een product dat ik zelf aan de man moet brengen, in voortdurende competitie met andere producten in een omgeving die één grote markt geworden is. Omwille van die concurrentie moet ik mezelf aanprijzen en oppimpen, want enkel zichtbaar succes telt mee, met als typische illustratie het aantal ‘likes’ en ‘vrienden’ op je Facebook en Instagram, het aantal volgers op je Twitter en het aantal contacten op LinkedIn, het aantal dates op Tinder.

De verplichting om steeds meer te voldoen aan het verwachte ideaal maakt dat we steeds harder ons best doen. Tot het helemaal mislukt. Burn-out en depressie zijn de algemene noemers voor een instorting die volgt op een vaak langdurige periode van inspanning, naast alle andere medisch-psychologische gevolgen van stress.

Als het de verkeerde richting uitgaat, laat mijn lijf van zich horen. ‘Mijn lichaam heeft niet dezelfde ideeën als ik’ – de uitdrukking komt van de Franse cultuurfilosoof Roland Barthes. Als ik mij identificeer met – beter: als ik mij vervreemd aan – beelden en idealen die ingaan tegen mijn lichaam, dan is mijn buik de eerste lichaamsregio die protest aantekent, lang voordat ik bewust besef wat er aan de hand is. Onze (onder)buik is de plaats waar affecten voelbaar worden, zoals blijkt uit de wijsheid van onze taal. ‘Het ligt zwaar op mijn maag’; ‘ik doe het in mijn broek van angst’; ‘er ligt iets op mijn lever’. Wanneer ik daar geen gehoor aan geef en ondanks de protesten verder ga op de ingeslagen weg, worden de signalen dwingender en verschuift protest naar ongemak en pijn en vervolgens naar ziekte.

Mijn lijf tekent protest aan. Geef ik daar gehoor aan? Bij gebrek aan een goede afstemming op mijn lichaam doe ik dat niet. Het kan nog erger: vanuit het concurrentieprincipe kan ik een stap verdergaan en de pijn als deel van het ‘offer’ beschouwen dat ik moet brengen om een ideale vrouw of man te worden, als een te betalen prijs voor succes. Een dergelijke interpretatie van pijn illustreert hoe vervreemding erin slaagt ons een voordehandliggende betekenis van signalen te doen negeren of zelfs om te keren. Pijn lezen als een aanmoediging om nog harder door te gaan op de ingeslagen weg – veel gekker hoeft het niet te worden.

De grappige vervreemdingseffecten op ons uiterlijk, van gescheurde broeken tot gekke kapsels, zijn klein bier in vergelijking met de dodelijke vervreemdingseffecten op de binnenkant van ons lijf. Onderzoek legt steeds duidelijker het verband tussen langdurige stress en ernstige ziektes. Ondanks onze langere levensduur en betere gezondheid zien we dat mensen op jongere leeftijd ziektes en stoornissen ontwikkelen waarvoor ogenschijnlijk een duidelijke verklaring ontbreekt. We vinden geen oorzaak omdat we nog te vaak exclusief medisch-biologisch redeneren en omdat we alles netjes in hokjes willen opdelen en benoemen, zelfs als we niet begrijpen wat er aan de hand is. Misschien zelfs vooral wanneer we het niet begrijpen; hokjes scheppen een illusie van veiligheid. Naast de stijging van het aantal mensen dat aan onverklaarbare pijn lijdt, zien we een toename van obesitas, diabetes en auto-immuunziektes. Op mentaal vlak zetten depressie en angst de toon, samen met een veralgemeende ADHD-drukte (we stappen, spreken, eten een flink stuk sneller dan een generatie terug) die heel plots kan omslaan in een totaal energieverlies van burn-out of het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS).

Deze ziektes ontstaan nooit plots, ze hebben een jarenlange voorgeschiedenis waarbij ons lichaam al heel wat signalen gaf dat we verkeerde ‘keuzes’ aan het maken zijn, als individu en als gemeenschap. Veel mensen voelen de signalen niet, ook al omdat ze die met de hulp van pillen, lijntjes coke en alcohol het zwijgen opleggen. Maar het lichaam blijft van zich laten horen, het buikgevoel wordt pijn en pijn wordt ziekte, tot we luisteren of helemaal verdwijnen (meestal in een ziekenhuisbed).

Doen alsof moet!

Deze museumdirecteur rekent af met het idee dat kunst ook maar een hobby is

Brainwash – Ann Demeester

Als klein, zesjarig meisje had ik in de eerste maanden van groep drie grote moeite met leren lezen. In het Belgische basisonderwijs leerden we dat destijd door middel van losse woordjes uit een sigarendoosje. Dat leerproces was een enorme bron van frustratie. Het voelde als een combi van hinkstapsprong en hordelopen, waarbij ik tussen elke horde weer tegen de vlakte sloeg. Toen ik het eenmaal onder knie had, ging ik echter in vliegende volle vaart, als een soort razende Roeland door de lokale bibliotheek. Het is een beetje zoals fietsen zonder zijwieltjes: plotseling vind je je evenwicht, zonder dat je weet hoe dat komt. Ik was niet te stoppen noch te stuiten. Het lezen van fictie werd een tweede manier van zijn. Romans, novelles, verhalen, mythes en legendes – het lezen ervan werd een primaire levensbehoefte. Een manier om de geest aan de gang te houden. Brandstof voor het denken.

Ondanks die passie voor lezen heb ik tot aan het einde van mijn studietijd gedacht dat lezen en fictie – de verbeelding, het inleving en de fantasie die daarbij hoort, aan de kant van de schrijver maar ook van de lezer – een vorm van escapisme is, ontkenning van de werkelijkheid.

Fictie was goed en weldadig, maar tegenovergesteld aan kennis, leren, wetenschap. Op de middelbare school had ik 8 uur wiskunde per week, 3 uur natuurkunde, 2 uur scheikunde en 2 uur beschrijvende meetkunde. Dát was kennis. Fictie was een verleidelijke wereld van betekenisvolle verzinselen die naast de tastbare werkelijkheid bestond.
Dat heb ik gedacht tot ik verliefd werd – zwaar platonisch, maar niet minder intens – op een in alle opzichten zeer knappe Italiaanse milieu-ingenieur die stamde uit een familie van exacte wetenschappers. Michele, want zo heette hij, had een stokpaardje. Tijdens bergwandelingen in Noorwegen waar wij studeerden, had hij het altijd weer over het feit dat wiskunde een parallel betekenissysteem was. Een ingenieuze constructie van het menselijk brein dat geen weergave was van de werkelijkheid, maar een constructie, een rationeel spel. Dat was een eye-opener. Wiskunde als een vorm van fictie.

Hoe dat stokpaardje van Michele eigenlijk een hele levensopvatting was, werd pas jaren later duidelijk. Toen Michele al lang uit het oog en het hart was verdwenen (en met een ander was getrouwd). Ik werkte toen al in de museumwereld en was geïnteresseerd in de band tussen beeldende kunst en esoterie, het occulte, ofwel de verborgen aspecten van de werkelijkheid. Via die omweg kwam ik terecht bij het werk van de 19e-eeuwse Duitse filosoof Hans Vaihinger. Hij werd bewonderd door volgelingen van het controversiële medium en occultist Madame Blavastky, maar was zelf geen zweefteef. Integendeel. Hij was theoloog en filosoof. Kantiaan. Ik raakte in de ban van zijn magnus opus, het vuistdikke Die Filosofie des Als Ob, de filosofie van het alsof, uit 1911. Geschreven toen hij geleidelijk aan blind werd.

Wat is de centrale gedachte in dit boek? Vaihinger beweert in essentie dat ficties – het doen alsof – noodzakelIjk zijn voor het leven. Fictie is niet alleen een instrument in de kunst en literatuur, maar het is essentieel voor het functioneren van het menselijke brein en voor het menselijk welbevinden. Vaihinger heeft het over nuttige ficties die gebruikswaarde hebben, of ons denken verder brengen. Wat nuttige ficties precies zijn, laten deze twee voorbeelden zien:

Een begrip als ‘vrijheid’ bestaat niet. Als mensen zijn wij gebonden, aan wetten en regels, maar ook aan onze lichamelijke beperkingen en de condities van het leven op aarde. Maar we hebben een fictie als vrijheid nodig voor het denken over de menselijke wil, het gerechtelijke systeem, moraal en onze rol in de wereld.

Papieren geld is nog zo’n fictie. An sich heeft het geen waarde. Het is geen goud of zilver, maar gewoon papier. We hebben met elkaar afgesproken dat het wel waarde heeft. Zonder die afspraak, die fictie, zou de huidige economie niet kunnen bestaan.
Vaihinger maakt onderscheid tussen ficties en hypotheses. Het begrip hypothese kennen we uit de wetenschap. We nemen iets aan en proberen dan te bewijzen dat het daadwerkelijk zo is. Bijvoorbeeld: de aarde is rond. Of: de zwaartekracht bepaalt hoe onze lichamen zich door de ruimte bewegen. Die aanname proberen we vervolgens te bewijzen. Als we een hypothese niet kunnen bewijzen of als ze ontkracht wordt, heeft ze geen waarde meer. Hypotheses kun je testen, als ze niet kloppen dan zijn ze onhoudbaar en nutteloos. Dat is niet zo met ficties, ficties blijven hun betekenis behouden ook al kunnen we het waarheidsgehalte ervan niet bewijzen. Ze zijn methodes om vooruit te komen in het denken, stappen te zetten, verder te denken dan dat wat je onmiddellijk ziet of aanneemt.

Nog een voorbeeld, en daarmee komt Michele weer in beeld: het principe van de oneindigheid. Niemand kan bewijzen dat de oneindigheid bestaat en toch hebben we een begrip – de fictie – van de oneindigheid nodig om verder te komen in de wiskunde. Wiskundigen hebben deze fictie nodig om bepaalde vraagstukken op te lossen.Een voorbeeld van een heel andere orde: een fictie die niet voorkomt in de wetenschap maar wel in vele geloofssystemen: het leven na de dood, het hiernamaals. Vaihinger zegt: als we met z’n allen geloven of doen alsof er zoiets is als het hiernamaals, dan ontlenen we daar troost aan, dan geeft dat ons leven perspectief. Het is niet van belang of het werkelijk zo is, feit is dat het ons leven in de positieve zin sturing geeft.

Als je Vaihingers’ theorie over ficties aanneemt, dan ga je ook mee in het centrale vraagstuk van zijn boek over het alsof: is het denken in de eerste plaats wel uit op overeenstemming met de werkelijkheid? Of zoals Ger Groot het zegt: ‘Staan, met andere woorden, onze ideeën wel in een één-op-één relatie met de wereld?’

Het antwoord op die vraag is nee. Volgens Vaihinger is de zoektocht naar dé objectieve waarheid nutteloos en zelfs onmogelijk. De hamvraag is niet: is het waar? Maar: wat is het praktische nut van het doen alsof iets waar is? Werkt het? Word je er slimmer of gelukkiger van? Dan is het goed.

Je zou kunnen zeggen: zo’n opvatting is gevaarlijk de dag van vandaag. In een wereld waarin we misleid worden door alternative facts van Trump and truth isn’t truth van Trumps persoonlijke advocaat Rudi Giuliani, kunnen de ideeën van Vaihinger gevaarlijk klinken. Alsof er geen onderscheid is tussen feiten en verzinsels, tussen waarheid en lariekoek. Het grote verschil is dat Vaihinger het heeft over gemeenschappelijke ficties – afspraken die we met elkaar maken – zie het voorbeeld van geld. Trump en Giuliani hebben hun eigen persoonlijke ficties die ze proberen – uit machtwellust – op te leggen aan anderen. Dat is manipulatie, geen fictie.

Persoonlijk vond ik het altijd frustrerend dat er een groot verschil zit tussen de werkelijkheidsbeleving van alfa’s (geesteswetenschappen) en beta’s (exacte wetenschappen): wetenschap is waardevol en echt, kunst is fantasie en een hobby, volgens sommige mensen en ministers. Vaihinger zet dat op losse schroeven. Fictie – het doen alsof – is niet iets leuks voor in de kunst, maar is onmisbaar: het is de crux van ons denken en voelen als mens.

De grote bevrijding die Vaihinger voor mij bracht is dat ficties dus niks te maken hebben met irrationaliteit, wilde fantasie of woeste verbeelding, maar dat ze efficiënte instrumenten of methodes zijn die ons kennis of geluk brengen. Ficties zijn collectieve aannames of theorieën waarvan we eigenlijk weten dat ze niet honderd procent juist of correct zijn. Die ficties zijn echter niet misleidend. Ze kunnen mooi, suggestief, maar ook nuttig zijn. Waarom nuttig? Omdat ze ons helpen om te gaan met wat anders de onbeheersbare complexiteit van de wereld zou zijn. Zonder ficties worden we overmand door de ingewikkeldheid van de dingen.
Fictie is dus onvermijdelijk in de existentiële zin, het is de essentie van alle religieuze systemen, maar ook het basisprincipe van alle vormen van kennisverwerving in de humane wetenschappen en in de harde wetenschappen. Ficties zijn niet alleen toelaatbaar, maar essentieel. Fictie mág niet (als hobby), het móet. Zonder fictie geen denken, zonder fictie geen geluk.

Een tsunami aan burn-outs

Generatie Z is nog minder weerbaar tegen depressie en burn-out dan millennials
De Morgen – 20.09.2018 – Cathy GalleJongeren die binnenkort op de arbeidsmarkt komen, zullen nog veel vatbaarder zijn voor burn-outs. “Als we niet ingrijpen, komt er een tsunami van burn-outs op ons af.”
Dat millennials (24- tot 38-jarigen) vaak last hebben van burn-out en depressie, is ondertussen bekend. Maar de generatie die na hen komt, Generatie Z (8- tot 23-jarigen), is er zo mogelijk nog erger aan toe. Dat blijkt uit een nieuwe studie van trendbureau Trendwolves, die zopas is voorgesteld.

“Als die groep de arbeidsmarkt opstroomt, dreigen er grote problemen”, stelt Willemijn van Dommelen van vzw ’t Hart voor Iedereen, een organisatie die mensen met psychosociale problemen ondersteunt en die de studie over Generatie Z bestelde.

Van Dommelen: “De aandacht ging tot nu toe vooral naar de millennials, die zichzelf hoge verwachtingen opleggen en zo vatbaar zijn voor stress en burn-out. Maar nu zien we de jongste slachtoffers van overmatige stress over het hoofd. We moeten de focus verschuiven, anders komt er een tsunami aan burn-outs op ons af. En dan kunnen we spreken over de generatie ‘burning boomers’.”

Weinig illusies

De Gen Z’er, zoals ze vaak genoemd worden, groeit op in tijden van economische onzekerheid en dat heeft grote gevolgen, stelt Trendwolves. In tegenstelling tot de millennial, die opgevoed werd met het idee dat hij alles kon krijgen en worden wat hij wil, is de Gen Z’er veel realistischer. Hij beseft dat hij hard zal moeten werken en vooral ook het heft in eigen handen zal moeten nemen. “Dat leidt tot stress en druk”, staat in het rapport te lezen.

Bovendien is de Gen Z’er vertrouwd met snel veranderende technologie. Het is de always-on-generatie, die uren per dag online doorbrengt, vaak op verschillende schermen tegelijk. Ze zijn de meest verbonden generatie ooit, maar echte rusttijd weten ze niet zo gemakkelijk te vinden. Door het overmatige smartphonegebruik slapen ze vaak ook slechter, en ook dat maakt hen vatbaarder voor depressies.Enerzijds leggen de jongeren zichzelf druk en stress op die voor meer psychosociale problemen zorgt. Maar de Gen Z’er past ook niet echt in de arbeidsmarkt zoals die nu georganiseerd is, menen ze bij Trendwolves. “Om met de overvloed aan keuzes te kunnen omgaan, meten Gen Z-jongeren zich een flexibele houding aan. Ze willen zelf kunnen bepalen waar en wanneer ze werken, zodat ze meerdere jobs met meerdere passies kunnen combineren.”

Zelfstandigheid

Het sleutelwoord is ‘absolute vrijheid’, bleek ook uit een bevraging die Trendwolves al in 2016 deed bij Generatie Z. Een op de twee jongeren wil ooit een eigen zaak opstarten of zelfstandig werken. Ze willen niet gebonden zijn aan materiële rijkdom. Stabiliteit, een hoog loon en een prestigieuze titel zijn minder belangrijk. Het gevoel hebben nuttig werk te leveren, des te meer.

“Gen Z-jongeren worstelen ook met de traditionele, verticale hiërarchie”, staat in het recente rapport te lezen. “Vroeger waren experts mensen die een bepaald diploma en jarenlange ervaring hadden. Nu kan iedereen met een verhaal op een blog of YouTube-kanaal dat zijn. Jongeren respecteren je niet langer omdat je ouder bent of hoger op de ladder staat, maar op basis van wat je bereikt hebt. Hiërarchie en autoriteit op grond van leeftijd lijkt hun niet fair.”

Beter dan jongeren te verplichten om zich in de traditionele werkvisie te wringen, waardoor ze bijna vanzelfsprekend ongelukkig zullen worden, moet er nagedacht worden over oplossingen, meent Willemijn van Dommelen.

“Hun verwachtingen en het huidige werkbeeld zijn gewoon niet altijd even verzoenbaar. Er moet dringend meer aandacht komen voor dit probleem, want het komt razendsnel op ons af. Wat nu vooral nodig is, is een diepgaandere studie over het fenomeen. En een allesomvattend actieplan. Jongeren moeten weerbaarder gemaakt worden, maar we moeten ook bedrijven sensibiliseren. Doen we dat niet, dan ziet de toekomst er niet rooskleurig uit.”Het kabinet van federaal minister Maggie De Block (Open Vld) liet weten de studie ernstig te nemen.

En het is nog gezond ook!

Hoe zelfbevrediging Eva Daeleman verzoende met zichzelf
‘Ik heb mezelf nooit als preuts ervaren’

De Standaard – 20.09.2018 – Eva Berghmans

‘Mijn eerste orgasme was een gamechanger’, zegt Eva Daeleman. Ze bereikte dat orgasme al masturberend, op haar 25ste. En dat moment verdient een hoofdstuk in haar boek, ‘Omdat het kan’. ‘Ja, natuurlijk hoort seks thuis in een boek over spiritualiteit.’ 

‘Het was alsof ik me eindelijk ­volledig voelde’, zegt Eva Daeleman over de eerste keer dat ze een orgasme had. Ze was 25 en op aangeven van haar chiropractor masturbeerde ze ­dagelijks, eerst onwennig, tot ze na een paar weken training klaarkwam. ‘Het was een kantelpunt. Ik voelde zo’n kracht, zo’n flow, alle spanning viel weg, mijn lijf en mijn geest kalmeerden. De schaamte viel van me af. Ik had me al stilaan neergelegd bij het idee dat het orgasme waarover je zo vaak hoort, misschien voor mij niet weggelegd was. Ik durfde daar met niemand over te praten – niet omdat ik preuts ben, maar omdat het voelde alsof ik faalde, alsof ik iets niet kon. Dat ik het wel kon, en dan nog op eigen kracht, was een opluchting. Daar gaat mijn boek over, daar draait mijn hele herstelproces na mijn burn-out om: dat je je leven in ­handen moet durven te nemen. En, zo leerde ik in mijn masturbatiesessies, dat betekent dat je ook jezelf vast moet durven te nemen. Als je zelf een muur geschilderd hebt, voel je je toch ook trots?’

Life coach

Daeleman benadrukt dat het om meer gaat dan de chemie van het orgasme op zich – die bedwelmende cocktail van oxytocine en dopamine die je volledig doet ontspannen en die maakt dat je naderhand heerlijk slaapt in de armen van je geliefde. ‘We doen nog veel te veel alsof seks alleen geiligheid is, een rechte lijn richting orgasme. Terwijl het ook een helende energie is. Seks is ook iets spiritueels, in de tao speelt seksualiteit een ­belangrijke rol. Spiritualiteit gaat over energie, en hoe je je leven zo kan inrichten dat je met zo weinig mogelijk wilskracht heel veel energie terug krijgt. Masturbatie heeft me niet alleen geleerd wat klaar­komen is, het heeft me ook ge­holpen om de band met mezelf en mijn lichaam te herstellen. Dat was ook de bedoeling van mijn ­chiropractor: hij wist dat mijn hoofd geen enkele voeling had met mijn lijf. Dat mijn lichaam voor mij niet meer was dan een vehikel om ruimte in de wereld in te nemen.’

Het is ook de reden waarom ­Daeleman nu zelf als life coach met haar cliënten over seks en masturbatie praat. ‘Bij 90 procent van de mensen die tegen een burn-out aan lopen, of verloren lopen in hun leven, is er geen band meer tussen hun lichaam en hun geest, emoties, energie. Ik zorgde niet voor mezelf, nam geen tijd om te voelen wat ik wou. Ik zocht erkenning in de buitenwereld, maar mankeerde elke eigenliefde. Zonder het te ­beseffen, wees ik mezelf fysiek af. Ik hield niet van mijn lichaam. Masturberen heeft me geholpen om mijn lichaam graag te zien, mijn stressniveau verlaagd, me stevig op mijn voeten gezet, me ­gecenterd – zoals yoga dat ook doet. Yoga en masturbatie zijn voor mij twee manieren gebleken om meer lichaamsbewustzijn te creëren. Al wil ik nu ook niet gezegd hebben dat je door seks alleen ineens veel bewuster gaat leven. Ook seks kan een vluchtweg zijn, een manier om een gemis te ­dempen.’

Stoere praat

Vies van seks was Daeleman nooit. Hoe het dan komt dat het zo lang geduurd heeft voor ze de weldaden van de masturbatie ontdekte, is ook haar een raadsel. ‘Ik weet niet waarom ik niet masturbeerde, ik heb mezelf nooit als preuts er­varen. In de scouts werd er stoere praat verkocht, en dat choqueerde me niet. En ik heb altijd genoten van seks, ook voor ik wist wat een orgasme was. Alleen is het intenser nu, en besef ik dat je wel een tijd zonder seks kan, maar dat je er ­zeker niet vrolijker van wordt. Dat het echt een behoefte is die je mag invullen voor jezelf. Niemand – mijn ouders niet, maar de lessen seksuele opvoeding op school ook niet – had me ooit uitgelegd dat seks over zoveel meer kon gaan, dat het een bij uitstek positieve, energieopwekkende ervaring is, laat staan dat je jezelf kan aan­raken. Natuurlijk wist ik dat masturbatie bestond, maar het leek nooit iets wat ik nodig had om in tune te zijn met mijzelf. Bij mij thuis werd eigenlijk nooit over seks gesproken. En ook met vriendinnen ben ik er pas op latere leeftijd over gaan praten. Pas op mijn 24ste bekende ik aan een vijf jaar ­oudere vrouw dat ik nog nooit was klaargekomen. “Ik ook niet”, zei ze. Dat was een pak van mijn hart – echt onnozel dat ik er zo lang ­alleen mee had rondgelopen.’

Ontdek jezelf

Dat ze nu, door dat ene hoofdstuk in haar boek, uitgeroepen wordt tot de moedige taboedoorbreker van de week, wringt een beetje. ‘Toch bizar dat het nieuwswaardig is dat een ex-mediafiguur masturbeert en 25 was voor ze haar eerste orgasme had. Ik wou geen taboe doorbreken, ik wou gewoon open zijn over alles wat ertoe doet. Het toont toch aan dat er nog altijd heel veel ongemak rond het vrouwelijke orgasme is. Tel daarbij dat we ook niet leren om te zeggen wat we willen, of om naar onze emoties te luisteren – een kind dat boos is, krijgt meestal te horen dat het niet boos moet zijn. Wat wil je dan? Ik roep bij deze op om jezelf te ontdekken en op te komen voor wat je wil, in bed en vooral ook daarbuiten.’

BOEK‘Omdat het kan’ van Eva Daeleman verscheen bij uitgeverij Horizon.