Poetry

Poetry

Marianne Moore, 1887 – 1972

I too, dislike it: there are things that are important beyond
all this fiddle.
Reading it, however, with a perfect contempt for it, one
discovers that there is in
it after all, a place for the genuine.
Hands that can grasp, eyes
that can dilate, hair that can rise
if it must, these things are important not because a

high-sounding interpretation can be put upon them but because
they are
useful; when they become so derivative as to become
unintelligible, the
same thing may be said for all of us—that we
do not admire what
we cannot understand. The bat,
holding on upside down or in quest of something to

eat, elephants pushing, a wild horse taking a roll, a tireless
wolf under
a tree, the immovable critic twinkling his skin like a horse
that feels a flea, the base-
ball fan, the statistician—case after case
could be cited did
one wish it; nor is it valid
to discriminate against “business documents and

school-books”; all these phenomena are important. One must
make a distinction
however: when dragged into prominence by half poets,
the result is not poetry,
nor till the autocrats among us can be
“literalists of
the imagination”—above
insolence and triviality and can present

for inspection, imaginary gardens with real toads in them,
shall we have
it. In the meantime, if you demand on the one hand, in defiance of their opinion—
the raw material of poetry in
all its rawness, and
that which is on the other hand,
genuine, then you are interested in poetry.

Marianne Moore groeide op in Missouri en Pennsylvania. Haar vader, een ingenieur, werd opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, waarna ze op een meisjesinternaat werd geplaatst. In 1905 ging ze biologie studeren aan het Bryn Mawr College, waar ze onder andere Ezra Pound leerde kennen. Vervolgens ging ze naar New York. Moores eerste gedichten verschenen in 1915 in Engeland, in The Egoist, het tijdschrift van de imaginisten, met haar vriend Pound als grote bezieler. In 1921 verscheen buiten haar medeweten een selectie uit dit werk onder de titel Poems.

Moores werk is moeilijk onder een enkele noemer te vangen. Haar gedichten worden wel ‘syllabisch’ genoemd, duidend op het belang dat ze hecht aan klanken, met een subtiel gevoel voor satire, maar over het algemeen zijn ze heel gevarieerd van aard en van een grote scherpzinnigheid. Haar vroege gedichten zijn vaak karakterschetsen waarin ze zich keert tegen hypocrisie en conventies. In die vroege periode schreef ze ook veel essays en kritieken, waarin ze fel van leer trok tegen alles wat ze als slordig, ‘onaf’ en gemaakt beschouwde in de poëzie. In haar latere werk zoekt Moore steeds vaker haar inspiratie in de natuur, schrijft ze in een meer elegische stijl, en toont ze zich toleranter. Moore had zeer eigen opvattingen over de vorm van haar gedichten. Zo beschouwde ze niet de regel maar de strofe als basiseenheid van het gedicht, zonder een plan vooraf. Bij het schrijven, zo beweerde ze, voegden de woorden zich als ‘chromosomen’ samen tot een vorm die haar als geschikt voorkwam als eerste strofe. Alle volgende strofen baseerde zij dan op die eerste strofe. Haar versregels zijn van zeer ongelijke lengte maar kennen wel een duidelijke regelmaat. Rijm wordt op onorthodoxe wijze gebruikt. Ook toont ze zich bijzonder vindingrijk in het bedenken van metaforen.
Moore wordt wel beschouwd als de belangrijkste Amerikaanse dichteres van het modernisme uit de eerste helft van de twintigste eeuw. In 1952 ontving ze de Pulitzerprijs. Ze overleed in 1972, op 84-jarige leeftijd in New York.

Kus een droevige mond

Prachtige tekst. Moesten we morgen allemaal mee beginnen, een droevige mond kussen voor de dag begint. En vermits het morgen zondag is, hebben we ook de tijd om al de rest te doen wat ons aangeraden wordt.

Toch nog eventjes een gedicht aan toevoegen voor wie het nodig heeft.

Als het licht (voor de radelozen)

Als het licht
Vandaag niet komt
Zal het misschien
Morgen komen
In de holte
Van je hand
En het zal je
De weg tonen
Die nodig is
Om te verstaan

Micheline Baetens – 24.12.2017

 

 

Een elastiekje

Een elastiekje

Zij had een elastiekje rond haar hart,
En dat elastiekje
Hield alle gebroken stukjes samen.
Maar dat elastiekje
Is gesprongen nu!
En nu is haar hartje
Weer blij
Want nu is haar hartje
Weer vrij!

Micheline Baetens – 6 november 2014

Dit gedicht van mezelf heb ik vanavond toevallig teruggevonden op de website van Femma. Hoe en door wie het daar terecht gekomen is weet ik niet. Niet door mij in elk geval. Wel een toffe ontdekking!

https://nl.wikipedia.org/wiki/Femma

https://www.femma.be/frontend/files/userfiles/files/Zingeving/Zingevende_gedichten_geheel.pdf

Notre roman – Onze roman

Voor het huwelijk van Audrey en David ben ik dit liedje van Adamo aan het vertalen. Ik ga het niet zingen, maar wil het wel graag voordragen, zowel in het Frans als in het Nederlands.

Nog een week en het is zover! Het wordt een hele mooie dag daar ben ik nu al zeker van, zonder schaduw, zonder obstakels, zonder stress.

Ze hebben alles zelf georganiseerd en in elkaar gestoken op een heel creatieve en originele manier. Het zal niet gewoontjes zijn en ook niet klassiek, daar ben ik nu al van overtuigd.

Vermits de mama van Audrey een woordje wil zeggen tijdens het feest is aan mij en aan de papa ook gevraagd om een duit in het zakje te doen.

Ik doe dat dus op mijn manier, want voor een speech ben ik niet in de wieg gelegd. Ik maak er dus een roman van, en vermits de familie van Audrey grotendeels Franstalig is, doe ik dat met de originele tekst van het liedje, en met de door mij vertaalde tekst in het Nederlands.

Voordracht, heb ik een jaar gedaan in de Muziekschool en ik heb 10 jaar Gedichtendag medegeorganiseerd in het rusthuis, dus dat zal mij wel lukken. En tegen de zenuwen zal er wel drank genoeg zijn zeker…

Het aftellen kan beginnen!

Datingsite

Als jong meisje werd ons aangeraden om een wat oudere man te kiezen, omdat jongens nu eenmaal later rijp zouden zijn dan meisjes.

Maar wat ik mij vandaag afvraag, is waarom die mannen van mijn leeftijd tegenwoordig zoveel ouder lijken, zowel van uiterlijk als van mentaliteit.

Ik heb mij deze week weer eens voor een paar maanden (de wintermaanden) ingeschreven op een datingsite “Parship”, maar heb er nu al spijt van. Ofwel zijn ze jonger en gehuwd, en willen ze alleen maar seks, ofwel zijn ze van mijn leeftijd, oersaai en zonder enige intellectuele bagage.Misschien zitten interessante mannen niet op een datingsite, ofwel is het een uitgestorven soort, letterlijk en figuurlijk: opgeleefd en dus ook niet langer levendig!

“Leeftijd is maar een getal”, wordt beweerd, en dat is eigenlijk toch wel heel erg zo.

Geef mij maar een jeugdig iemand, zoals mijn zoon bijvoorbeeld, die op zijn tweeënveertigste veel wijzer is dan vele van die uitgebluste zeventigers. Of nog erger, dan die zestigers die enkel een relatie zoeken omdat ze thuis geen seksuele bevrediging vinden.Zouden die er trouwens al eens bij stilgestaan hebben hoe dat komt, en of dat misschien niet aan hen ligt en het soort seks dat ze willen, in plaats van onterecht te denken dat hun partner frigide is, of niet langer van hen houdt?

En dan zij er de echt gortige en respectloze, die zich profileren als weduwnaar, omdat ze zich ook zo schijnen te voelen, want ze hebben een zwaar gehandicapte vrouw, die alle genot in de weg staat.

In elke geval, de inschrijving was dit keer aan halve prijs, en ik zal in elk geval stof tot schrijven hebben deze winter!

Vrije tijd

Heeft u nog een échte hobby?
Wanneer vrijetijdsbesteding een opdracht wordt

De Morgen – 08-09-18 – Katrin Swartenbroux

De vrijetijdsbesteding die geheel vrijblijvend en puur voor het plezier uitgevoerd wordt lijkt vandaag even noodzakelijk al ze zeldzaam is. Hobby. Het woord dat u zoekt is hobby. Ja, wij waren het ook even uit het oog verloren.

New Year, New Me. Het kan me niet schelen wat de kalendermaffia ons probeert wijs te maken; na meer dan de helft van mijn leven op de schoolbanken te hebben doorgebracht, begint een nieuw jaar en de daarmee gepaard gaande goede voornemens voor mij nog steeds op 1 september. Zo komt het dat ik op een dode dinsdagavond met een glas rode wijn en een pulserende existentiële crisis mijn halve vriendenkring sms met de vraag of ik meer een tarotkaartenpersoon dan wel een reformerpilatestype ben.

Kungu-les

Ik ben op zoek naar een hobby. Dringend. Het is wellicht de meest dwingende taak op mijn to-dolijst, aangeduid met ster én uitroepteken, een codering die overblijft van de periode waarin ik dacht dat “een bullet journal mijn nieuwe ding zou worden”. Helaas. Ik staar nog steeds in de leegte – niet zozeer in mijn agenda, maar veeleer in mijn persoonlijkheid. Om het eat-sleep-work-vloek op de afwas-repeat-ritme te doorbreken heb ik nochtans al veel geprobeerd. Ik ben ooit iedere week naar een luguber deel van Antwerpen gefietst om er kungfu-les te krijgen van een angstaanjagend kranige tachtiger die enkel Chinees sprak, gewoon omdat ik het wel interessant vond om het te laten vallen tijdens gesprekken. “Nee, op donderdagen kan ik niet, zweefvliegtuigles, weet je wel.”

Ik wil dolgraag de persoon zijn die na een macro­biotisch etentje (“passie­projectje van me”) haar gasten een zelfgedraaide bowl mee naar huis kan geven, maar de keramieklessen in alle grote provinciesteden zijn permanent volgeboekt. Blijkbaar zitten veel mensen met hetzelfde idee.

Innerlijke rust

“Een hobby is haast een statussymbool geworden”, weet professor ontwikkelingspsychologie Maarten Vansteenkiste. “Wie anno 2018 naast zijn drukke job en eventueel een gezin nog tijd weet vrij te maken voor een hobby heeft het gemaakt. Maar dan streef je natuurlijk aan de kerndoelstelling van de hobby voorbij.” Volgens de professor is een hobby voornamelijk een activiteit waar we plezier en energie uit halen en waarin we innerlijke rust kunnen vinden.

Het klinkt haast frivool, iets doen enkel omdat je het leuk vindt, niet omdat je er op een of andere manier persoonlijk gewin uit kan halen. Het is een stelling die Brigid Schulte, Amerikaans directeur van het Better Life Lab, onderschrijft in haar boek Overwhelmed: Work, Love, and Play When No One Has the Time. “We leven in een prestatiegerichte maatschappij die ons leert dat ons hoofddoel produceren is”, aldus Schulte in The New York Times. “Waarom zouden we de gitaar vastnemen wanneer we geen ambitie hebben om er ooit mee op een podium te staan? Waarom iets maken als we niet van plan zijn het te verkopen? Men lijkt overtuigd van het idee dat je tijd enkel waardevol kan spenderen wanneer het je iets oplevert: een persoonlijk record, aanzien op sociale media, een gespijsde bankrekening.”

“Is dat een trend? Ik dacht dat dat individueel was!”, reageert Sander. “Telkens als ik begin aan iets compleet los en vrijblijvends, loopt dat binnen de kortste keren uit de hand en wordt het prestatiegericht zodat ik mijn hobby kwijt ben.”

De dertiger haalt het voorbeeld aan van hoe hij – ironisch genoeg – tijdens zijn herstelperiode van een burn-out op een beginnersset voor linodrukken gestoten is. Toen hij zijn meest geslaagde creaties online deelde, vroegen steeds meer mensen of ze er eentje konden bestellen, en kreeg hij plots ook opdrachten binnen. “Het was tof dat anderen er enthousiast over waren, maar het werd een zoveelste verplichting. Ik ging mezelf ook strenger beoordelen en werd kwaad wanneer er niet genoeg inspiratie kwam. Van een hobby was er toen niet echt sprake meer.”

Side hustle

Gespijsd door de misleidende dooddoener ‘maak van je passie je beroep en je werkt geen dag in je leven’ lijkt het een droom om dag in dag uit met je hobby bezig te zijn. Dat is het vaak ook, maar het komt soms met een prijs die niet altijd geëvenaard wordt door het bedrag dat maandelijks op je rekening gestort wordt. Het is om die reden dat S. (33) de journalistiek vaarwel zei. “Mijn pen was altijd mijn uitlaatklep: ik schreef kortverhalen, hield een dagboek bij en deed voor mijn plezier mee aan poëziewedstrijden. Toen ik mocht beginnen bij een tijdschrift, en schrijver als beroep werd, was dat aanvankelijk fantastisch, maar ik merkte al snel dat ik er geen plezier meer uit haalde. Dat ik enkel nog bezig was met mijn job, en dat zelfs de kleine schrijfopdrachtjes die ik voor mezelf deed me aan werken deden denken. Daar kon ik niet mee leven”, motiveert ze haar carrièreswitch.

Yasmina (26) ziet voorlopig geen graten in haar zogenaamde side hustle. “Ik werk fulltime in de communicatie, maar kan mijn creatieve ei kwijt in het maken van juwelen. Ik verkoop die via een Facebook-groep, maar het voelt niet als een job. Nog niet. Ik vind het gewoon leuk dat ik een extra spaarcentje overhoud aan een hobby, en dat mensen mijn creaties mooi vinden.”

“Op zich is het geen probleem om van je hobby je beroep te maken, zolang je die activiteit dan ook niet meer ziet als hobby, en je je ontspanning elders haalt”, weet loopbaancoach Els Deboutte, die met haar bedrijf Make Me Fly! onder meer mensen met een burn-out weer richting een gezonde work-life-balans gidst.

Dodentocht

Maar hoe ontspannend ervaren we onze ontspanning nog? Wanneer ik door mijn socialemediakanalen scrol breekt het zweet me uit, alsof ik, en niet Elise, net 24 kilometer gelopen heb in een betere tijd dan vorige week. Al moet ik niet veel zeggen. De zeldzame keren dat ik mijn Nikes uit sportieve motieven aanbind, worden ook gedeeld in mijn Instagram Stories. Heb je immers wel écht gesport wanneer je followers geen boemerang van je hevig rondmaaiende voeten hebben gezien? Illustrator Eva Mouton uitte op Twitter al haar ongenoegen. “Je kan geen yoga meer doen zonder op een bepaald moment voor je yogadiploma te gaan, lopen kan niet meer zonder te trainen voor een fakking marathon. Wandelen? Nee, ik doe de dodentocht en moet daarna vijf maanden naar de kinesist om mijn geblesseerde heup weer in de kom te krijgen.”

Zelfs activiteiten die doorgaans niet competitief van aard zijn worden plots prestatiegericht. We smijten onze zeefdrukresultaten op Etsy en moestuinoogst op Facebook. We delen welke boeken we hebben gelezen, hoeveel boeken we al hebben gelezen en hoeveel boeken we plannen voor het einde van het jaar te lezen alsof het wedstrijdgehalte en niet de woordenschat primeert. “Herkenbaar”, beaamt Stavros (26). “Ik lees heel graag, maar ik slaag er niet in het circuit uit te zetten dat er ergens ook een opdracht van maakt. ‘Nog X bladzijden’, ‘Als dit uit is kan ik eindelijk dat boek lezen’, ‘Oh ik heb de laatste Murakami nog niet gelezen’, enzovoort. Vermoeiend”, zucht hij.
Ook Jeroen (31) geeft toe dat er altijd wel een dwingend aspect is. “Ik verzamel bijvoorbeeld platen en retrogames als hobby, maar ook daar geldt: gotta catch ’em all!”

Uitlaatklep

Telt zwemmen nog als hobby als je het aantal baantjes bijhoudt? Is een stickerboek of muntencollectie geen goede uitlaatklep als je ernaar streeft je verzameling compleet te krijgen? Kan een hobby ontspannend én prestatiegericht zijn? “Uiteraard”, zegt professor Vansteenkiste. “Plezier is een intrinsieke motivator, maar er spelen nog heel wat andere factoren mee. Jezelf een doel stellen kan ervoor zorgen dat je je hobby langer volhoudt, wat op zich een positieve invloed is. Je moet je gewoon altijd afvragen waarom je iets doet: train je voor de Ten Miles omdat het je een toffe race lijkt en omdat je lopen plezierig vindt, of train je omdat je wil kunnen zeggen dat je de Ten Miles gelopen hebt?”, aldus Vansteenkiste.

Ook Deboutte hamert op het plezier. “Je kan perfect een hobby uitoefenen die heel competitief en prestatiegericht is, zoals sporten, maar je houding is belangrijk. Wanneer je jezelf naar elke training moet slepen is het redelijk waarschijnlijk dat je het niet meer leuk vindt en dat je er dus ook geen ontspanning uit haalt.”

“Een hobby moet je energie geven, geen energie kosten”, voegt Vansteenkiste daar nog aan toe.

“Ik vind het eigenlijk frappant dat je me belt met de mededeling dat je een hobby móét hebben”, lacht Deboutte. “Moet dat? Wie zegt dat? Wanneer een hobby een verplichting wordt, dan doet die meer kwaad dan goed. Als jij rust en voldoening haalt uit een hele avond in je zetel liggen met de kat op je buik, doe dat dan in godesnaam. We moeten al zoveel.”

Genoteerd.

Niets doen

Niets doen
Gewoon door het raam kijken
Hoe af en toe een mus
Van de ene tak
Op de andere springt
En beseffen
Hoe zalig stilte kan zijn.

Micheline Baetens – 08.09.2018

Woorden in een veranderende wereld

Als straks het meest politiek beladen museum van België heropent, zal over elk woord nagedacht zijn. Bambi Ceuppens, wetenschappelijk commissaris van het AfricaMuseum, zou het pas gek vinden als dat niet zo was. ‘Maar ik ben de taalpolitie niet. Als u kwetsende woorden wilt gebruiken, zal ik u dat niet verbieden.’ ‘Wie mensen kaaskop of neger blijft noemen, heeft een probleem’
De Standaard – Wouter Woussen – 08.09.2018

‘Als je voor het AfricaMuseum werkt, moet je een olifantenvel hebben’, zegt Bambi Ceuppens. De wetenschappelijk commissaris humane en sociale wetenschappen van het AfricaMuseum in Tervuren is niet helemaal verbaasd dat er de voorbije week commotie ontstond over enkele taalrichtlijnen die ze had opgesteld voor haar collega-wetenschappers en museologen. Wat haar wel verwondert, is dat mensen zich opwinden over een tekst die ze nooit gezien hebben. ‘De hele discussie gaat nu over een paar geïsoleerde voorbeelden van woorden die wij niet gebruiken: hut, jungle, tamtam. De foute indruk ontstaat dat we een lijstje hebben gemaakt met verboden woorden en politiek correcte alternatieven.’

Ze toont de tekst, een document van 25 pagina’s. Een groot deel is erg technisch en gaat onder meer over het verschil tussen Congo en Kongo, of tussen kolonisering en kolonialisme. De vraag of de dood van miljoenen Congolezen onder het bewind van de Belgische koning Leopold II een genocide genoemd kan worden, beslaat meerdere pagina’s. ‘U ziet: dit is een genuanceerd verhaal, niet zwart-wit, geen lijstje do’s-en-don’ts.’

‘Bij het AfricaMuseum werken antropologen, historici, archeologen, kunsthistorici, musicologen, taalkundigen, biologen, cartografen, geologen. Als het museum op 8 december volledig vernieuwd heropent, willen wij dat de zaalteksten zowel accuraat als leesbaar zijn. Ik zeg niet welke woorden een archeoloog of een taalkundige moet gebruiken. Ik ben juist bij mijn collega’s gaan vragen welke woorden we kunnen gebruiken als het om hun vakgebied gaat. Ik wijs hen er ook op dat sommige woorden gecontesteerd of historisch beladen zijn. Als een bioloog het woord “hybride” gebruikt, zal ik uitleggen dat dat woord een beladen geschiedenis heeft. Als hij tot de conclusie komt dat het in een bepaalde context toch bruikbaar is, is dat prima. Woorden die ronduit kwetsend zijn, gebruiken we niet.’

Wat is er mis de woorden hut, jungle en tamtam?

‘Als je een algemene term zoekt voor zeer uiteenlopende Afrikaanse woningtypes, zeg je niet “hut” maar “huis”, dat universeel is en zonder connotatie. Als je specifiek wilt zijn, benoem je de bouwstijl. Het woord “jungle” gebruiken biologen niet, omdat er meer accurate woorden bestaan om landschapstypes te beschrijven. Musicologen noemen een spleettrommel dan weer geen tamtam, simpelweg omdat beide woorden iets anders betekenen.’

Waarom is die tekst niet publiek?

‘Onze directie heeft dat beslist en als ambtenaar schik ik mij daarnaar. Het Nederlandse Museum voor Wereldculturen heeft eerder dit jaar wel een woordenlijst gepubliceerd. Persoonlijk zou ik het interessant vinden om daarover met de andere Belgische musea samen te zitten. Ook elders circuleren woorden die op zijn minst een achterhaalde wetenschappelijke oorsprong hebben. Maar ik ben de taalpolitie niet. Het is niet omdat het AfricaMuseum op zijn woorden let, dat wij u voortaan zullen verbieden om bepaalde woorden te gebruiken.’

Misschien weten sommige mensen niet meer welke woorden ze nog kunnen gebruiken.
‘Ik begrijp dat het soms moeilijk te volgen is, maar er is ook onwil. Sommige mensen willen kunnen zeggen wat ze willen. Als iemand daardoor beledigd is, vinden ze dat niet hun probleem. Ik ben het daar niet mee eens. Ik denk dat je een probleem hebt als je een ander graag “smous”, “kaaskop” of “neger” wilt blijven noemen. Tegelijk kan ik mij niet voorstellen dat er bij de opening van het museum mensen angstvallig naar woorden zullen zoeken en teleurgesteld weglopen als blijkt dat we ze niet gebruiken. Ik hoop dat ze de inhoud van onze teksten belangrijker zullen vinden dan de woordkeuze.’

U had uw richtlijnen niet geschreven als u de woordkeuze onbelangrijk vond.

‘Uiteraard. Woorden worden gebruikt om verhalen te vertellen die wel degelijk een impact hebben op de wereld, bijvoorbeeld omdat ze mensen kwetsen, of omdat ze discriminatie legitimeren.’

Begrijpt u dat mensen die voor hun eigen huidskleur altijd het woord ‘blank’ hebben gebruikt, steigeren wanneer ze plots ‘wit’ worden genoemd?

‘Doorheen de koloniale geschiedenis hebben witte mensen zich het recht toegekend om anderen te benoemen met woorden als “eskimo”, “hottentot” en “bosjesman”. Dat zien we nu als een onrecht. Sommige mensen willen dat historische onrecht ook omkeren. Je kunt erover discussiëren of dat de beste reactie is. Idealiter beschrijf je mensen met de term die ze zelf verkiezen. Een uitzondering zou ik maken wanneer mensen zichzelf een naam willen geven die superioriteit uitdrukt.’

Drukt het woord ‘blank’ superioriteit uit?

‘In het Duits, Frans of Engels is er geen onderscheid tussen “blank” of “wit”. “Blank” is een verouderd woord dat rein en schoon betekent. Het wordt nu vrijwel alleen gebruikt voor huidskleur, met een positieve connotatie. Het heeft dus minstens een zweem van superioriteit. Woorden als “zwart” of “wit” zijn dan neutraler. Voor alle duidelijkheid: “wit” wordt slechts drie keer gebruikt in alle zaalteksten op een oppervlakte van 11.000 cm². We zullen zien wat de consensus wordt. Als er meer mensen aan de discussie deelnemen, kan dat ongemak creëren bij wie vroeger alleen aan het woord was. Wie het problematisch vindt dat iemand tegen zijn zin “wit” wordt genoemd, heeft hopelijk evenveel begrip voor mensen die Zwarte Piet een kwetsende karikatuur vinden, of vrouwen die niet meer nagefloten willen worden op straat.’

Is er geen risico dat we telkens nieuwe eufemismen bedenken, maar de negatieve connotatie mee verschuift?

‘Zwarte mensen in de Verenigde Staten noemden zich “negroes” tot dat woord werd vervangen door “black Americans”. Tegenwoordig verkiezen ze “African Americans” en binnen twintig jaar zullen ze misschien weer een nieuwe term verkiezen. Zolang er structurele vooroordelen bestaan, zal die naam een negatieve weerklank krijgen, maar in afwachting van een structurele oplossing hebben we woorden nodig om te communiceren. Dat we daarbij rekening houden met hun gevoeligheden, is een kwestie van elementaire beleefdheid.’

Is zo’n devaluatie van eufemismen niet verwarrend?

‘Taal evolueert. “Wijf” was vroeger een neutraal Nederlands woord. Dat is het nu niet meer. Niemand staat op de bres als “immer” vervangen wordt door “altijd”. Als woorden in een politieke context gecontesteerd worden, leidt dat wel tot discussie.’

Is uw tekst over het taalgebruik van het museum dan een politieke tekst?

‘Dat is onvermijdelijk. Wetenschap onttrekt zich niet aan politieke motieven. Niet in dit museum, niet aan universiteiten. We kunnen wel neutraliteit nastreven. Bovendien zijn er weinig musea met een voorgeschiedenis die zo politiek beladen zijn als dit. Het is ooit opgericht als een propaganda-instrument, maar we willen dat niet opnieuw worden. Dit gaat niet om politieke correctheid of om orwelliaanse newspeak. We lopen niet mee met de waan van de dag. Wetenschappers werkten hier vroeger in een koloniale context, nu in een postkoloniale. Bewust of onbewust beïnvloedt dat wetenschappelijke praktijken. We leven in een wereld in verandering, wetenschap verandert en ons taalgebruik zal dat weerspiegelen.’

Bent u progressief?

‘Ik heb er geen probleem mee om mezelf progressief te noemen, maar de permanente tentoonstelling van dit museum is niet mijn tentoonstelling. Ze is een institutioneel project, waar tientallen experts aan meewerken en waarover de directie het laatste woord heeft. Denkt u dat die mensen allemaal dezelfde politieke opvattingen hebben? Deelnemen aan de permanente tentoonstelling betekent dat je overlegt en compromissen sluit. Als dit mijn eigen tentoonstelling was, zou ze er heel anders uitzien, al is het maar omdat ik niet van opgezette dieren houd.’

Toen op Pukkelpop gezongen werd over afgehakte handen in Congo, wees dat volgens sommigen op een gebrek aan kennis over het kolonialisme. Deelt u die mening?

‘Integendeel. Het wees op de verheerlijking ervan. Waar wel een gebrek aan kennis speelde, was bij in het opiniestuk in Veto van de student Maxime Goris, die vond dat de kolonisering van Congo vooral een positief verhaal was. Hij bestendigde de foute opvatting dat er voor de kolonisering in Congo niets was. De nieuwe permanente tentoonstelling zal tonen dat dat niet klopt en dat Congo toen al een rijke politieke, religieuze, culturele en economische geschiedenis had.’

Is het een goed idee om de zangers van dat lied naar het AfricaMuseum te sturen?

‘Dat is een rol die het museum in de toekomst waarschijnlijk wel vaker zal vervullen.’

Een oud-koloniaal vertelde onlangs in het weekblad Knack dat het museum in handen is gevallen van gefrustreerde Congolezen en radicale activisten. Wat denkt u als u dat leest?

‘We hebben tot nu toe erg weinig gecommuniceerd over de permanente tentoonstelling. Dan loop je het risico dat er samenzweringstheorieën ontstaan. Oud-kolonialen zijn op de koop toe gefrustreerd omdat ze, in tegenstelling tot mensen uit de Afrikaanse diaspora, niet betrokken zijn bij de renovatie van het museum. Ze voelen zich geïsoleerd omdat ze niet langer het maatschappelijke debat domineren. Ik krijg e-mails waar dat duidelijk uit blijkt. Ze zagen het museum als een bondgenoot, wat het ook lang is geweest. Leopold II was voor hen een visionair en dat beeld willen ze niet meer bijstellen. Ik hoop dat ze komen kijken naar de tentoonstelling en dan pas hun oordeel vellen.’

De brug

Een brug moet mensen verbinden en niet tot wanhoop drijven.

Zelfdoding is te voorkomen. Daar blijf ik in geloven, en ik zal het als een falen blijven aanvoelen, zolang het nog gebeurt.

Deze man heeft gelijk, er is altijd hoop, zolang er maar iemand luistert naar jouw wanhoop, en je vertelt dat er andere oplossingen zijn.

Prachtig discours. Laat ons bruggen bouwen naar elkaar toe. Bedankt Kevin Briggs!