Perfectionisme

‘Perfect is goed, maar goed is beter’

Niets is zo normaal als je best te willen doen. Maar wat als het een obsessie wordt die je leven overheerst? Wanneer wordt perfectie te perfect? Welkom in de wereld van trop is te veel.

De Standaard – Yasmina El Messaoudi – 08.03.2019

Mijn vroegere huisgenoot en ik hebben vaak ruzie gehad over uitstelgedrag. Dat lijkt niets met het streven naar perfectie te maken te hebben, en toch zijn de twee nauw met elkaar verbonden. Uitstelgedrag kan een symptoom zijn van perfectionisme. Dat zegt Linda Kleingeld, loopbaancoach en perfectionismecoach. ‘Niet alles wat uitgesteld wordt, komt door perfectionisme. Wel zien we dat het te maken heeft met té hoge kwaliteitseisen, controledrang, “wat zullen anderen denken” en faalangst. Je wil graag iets doen, iets dat je leuk lijkt, een project starten. Maar diep vanbinnen denk je dat je het niet kan, dat je het niet waard bent en het toch zal mislukken. Daarom vind je het moeilijk om eraan te beginnen. En alles wat je niet start, kan niet mislukken.’ En dus bleven mijn huisgenoot en ik maanden zoeken naar de perfecte plek om te wonen, bleven klusjes eindeloos liggen en werd er maar niet beslist over de nieuwe tv, gordijnen of automatische kattenbakvulling. Dat lijken maar kleine ergernissen, maar op termijn kunnen ze grote gevolgen hebben.

‘Perfectionisme remt, verkrampt en blokkeert’, zegt Kleingeld. Het leidt tot voortdurende stress. Dat put mensen uit en maakt ongelukkig. Het leidt vaak tot burn-out en zelfs depressiviteit; je voelt je op alle gebied mislukt, omdat je je constant bewust bent van alles wat niet perfect loopt. Perfectionisme kan zo je eigen geluk en ­mogelijkheden in de weg staan. Wat ­mensen vanuit een ontspannen situatie zouden kunnen, lukt niet door de druk die ze ­zichzelf vaak onbewust opleggen.’

Marokkaanse tegeltjes

Daar kan ook Philip Lecompte (29), werkzoekende uit Rixensart, over meespreken: ‘In mijn vlucht voor de angst om te ­falen gebruik ik al mijn talenten om telkens weer iets nieuws te beginnen, zonder het vorige af te werken. Erg frustrerend om het zoveelste project half afgewerkt te zien. Op den duur zie je alleen nog maar een to-dolijst. Wat je nog meer ontmoedigt. Het is een vicieuze cirkel.’

Een andere vorm van uitstelgedrag door perfectionisme is het uitvoeren van onbenullige taakjes. Tijdens de examens moest ik altijd wel eens plots mijn kleerkast uitmesten, boeken op kleur sorteren of vrienden bellen die ik in tijden niet meer had gehoord. Alles om maar niet te moeten blokken, in mijn geval.

Roland Michel (39) woont in het Brusselse en is IT’er. ‘Ik wil al jaren mijn tuin ommuren met Marokkaanse tegeltjes. Maar de klus schrikt me zo af dat ik het elke keer uitstel. In plaats van er echt werk te maken, hou ik me bezig met kleine klusjes. Bladeren bij elkaar rapen, takjes knippen, de moestuin nog eens water geven, zodat ik toch maar niet hoef te denken aan dat grote project. Dat moet zo perfect zijn dat ik er liever niet aan begin. Ik heb een tijdje wel geprobeerd. Maar dan zat ik maanden op websites kleuren en tinten te vergelijken. Al die keuzes verlammen me, en dus laat ik het voor wat het is.’

Dat gevoel kent ook Nathalie Bradt (40) uit Boom, moeder van twee kindjes en logopediste. ‘Onlangs vond ik een doos terug met halfgeschreven kaartjes. Die had ik ­allemaal met veel zorg uitgekozen, maar omdat ze niet perfect geschreven waren, heb ik ze nooit afgegeven. Zonde, want zo geef je mensen het gevoel dat je niet met ze bezig bent, terwijl dat net wél het geval was. Vanwaar dat perfectionisme komt? Geen idee. Maar misschien dateert het van toen ik nog heel klein was. Op de basisschool was er een zuster, Pia, die een dik boek had waar alle kindjes die mooi konden schrijven hun opstel in mochten noteren. Omdat ik een mooi handschrift had, kreeg ik dat schrift vaak mee naar huis. Maar ’s avonds ging ik helemaal in crisis. Mijn moeder moest me dan in bed stoppen omdat ik flipte. De dag erna haalde ze me dan vroeg uit bed om verder te schrijven. Wat een beloning moest zijn, was voor mij een nachtmerrie. Ik kon die druk gewoon niet aan.’

Gooien met de koptelefoon

Perfectionisme uit zich ook in het tegenovergestelde: alles zelf willen doen. Jeroen Guns (35) is een jonge vader van twee uit Meise. Hij is presentator van de ochtendshow op Radio 2 Vlaams-Brabant en Brussel. Een programma met veel taken en strakke deadlines. Toch vindt hij het moeilijk om werk uit handen te geven. ‘Het is niet dat ik andere mensen niet vertrouw, maar als ik een montage moet maken of snel wat klankjes moet selecteren, doe ik het liever zelf. Dan weet ik zeker dat het 100 procent zal zijn zoals in mijn hoofd. Dat kan ik moeilijk loslaten. Hetzelfde met ­fouten maken tijdens het programma. Vaak gaat het om kleine technische dingen, een verkeerde jingle die wordt gestart bijvoorbeeld. Vaak zit ik er dan nog een hele dag over te piekeren, terwijl de luisteraar het misschien zelfs niet heeft gemerkt.’

Zijn sidekick Jana Smeets (30) uit Leuven beaamt dat. ‘Soms kan hij een halfuur lastig zijn omdat er iets fout is gelopen. Het is goed dat hij het beste wil voor het programma, maar soms gaat het echt om ­kleine schoonheidsfoutjes.’ Guns: ‘Ik heb inderdaad al wel eens met mijn koptelefoon gegooid.’ (lachen allebei) Smeets: ‘Maar ik snap het wel. Als ik nog maar twee minuten tijd heb om snel een radiobericht te maken, sla ik helemaal tilt. Ik schrijf fouten en heb soms een black-out. Omdat ik het zo goed en perfect wil doen, blokkeert mijn hoofd.’

‘Als collega is het belangrijk dat niet ­persoonlijk te nemen’, zegt Kleingeld. ‘Perfectionisten vinden het moeilijk om te delegeren. Ze hebben angst om controle te verliezen of dat het zal mislukken. Alles wat je zelf doet, doe je beter, is de onderliggende overtuiging. Voor zowel de perfectionist als collega’s is het belangrijk om die symptomen te herkennen.’

Bijsturing kan

Ook heel lang werken kan een uiting van perfectionisme zijn. Daar weet Smeets alles over. ‘Op onze avonddienst moeten we het ochtendprogramma en het nieuws van de dag erna voorbereiden. Je werkt dan helemaal alleen, maar er rekenen wel een heleboel mensen op je. Omdat ik in het begin zo onzeker en perfectionistisch was, zat ik vaak tot half twaalf te werken terwijl de shift om half tien al eindigt. Dan schreef ik een nieuwsbericht, schrapte het en begon opnieuw omdat ik twijfelde of het wel goed genoeg was. Of ik knipte niet één klankje maar vier, zodat mijn collega’s konden kiezen. Ik durfde maar niet te vertrouwen op mijn eigen kunnen en gaf hen dus meerdere opties.’

Ook Bradt herkent die traagheid. ‘Mijn partner krijgt het soms op zijn zenuwen van me. Hij vindt het vervelend dat ik zo traag ben en maar geen beslissingen kan nemen, maar het is sterker dan mezelf. Als logopediste moet ik heel wat verslagen maken. De hel voor mij, zelfs na al die jaren. Alles wat ik op papier zet, moet perfect zijn. Daar ben ik nog altijd uren mee bezig. Ik blijf er onzeker over en lees alles honderd keer na. Of ik vraag mijn vriend om alles nog eens te controleren. Het zou na zoveel jaren beter moeten gaan, maar helaas.’

Maar wat kun je eraan doen? Kleingeld: ‘Perfect is goed, maar goed is beter. Je mag perfectie nastreven, maar vraag jezelf of het vanuit een moeten of willen is. En belangrijk, het definieert niet wie je bent. Het is een gedrag dat kan worden bijgestuurd.’ Goed is dus goed.

Vrouwendag 2019

Het is vandaag weer eens Internationale Vrouwendag. Het thema dit jaar: Heldinnen. We “vieren” die dag trouwens al sinds 1911. Dat zegt genoeg zeker?!

Ja heren, het spijt me. En toch zijn het uiteindelijk jullie die met de bloemen gaan lopen, want men heeft het nog altijd over ‘vrouwen die hun man kunnen staan’ of over “vrouwen met ballen”.

Waarom mogen vrouwen nu eens niet gewoon hun vrouw staan en daarvoor aandacht krijgen? Ik ken trouwens heel weinig mannen, die hun vrouw kunnen staan, dus misschien organiseren we volgend jaar beter een Internationale Mannendag.

Ik ben geen heldin, maar ik was en ben een loyale, liefhebbende echtgenote en moeder. Ik kan goed koken, ben huiselijk en zorgzaam, ben heel creatief, redelijk intelligent, gezond bezig, assertief, eerlijk, met gevoel voor humor, een open geest, … en geëmancipeerd van bij de geboorte, want dat zit bij eigenzinnige wezens als vanzelfsprekend in de genen.

Nog iets anders nodig om gewaardeerd te kunnen worden als vrouw?! O ja, en ik word binnenkort ook grootmoeder, en als het een meisje is, hoop ik dat ik een goed voorbeeld ben voor haar.

“In zekere zin herhaalt zich het mysterie van de menswording in iedere vrouw: elk kind dat geboren wordt, is een god die mens wordt.” Simone de Beauvoir

Vrouwendag

Mannen,
wij hoeven
jullie bloemen niet,
wat wij nodig hebben
is jullie solidariteit,
rechtvaardigheid,
en loyaliteit.

Micheline Baetens – 08.03.2019

Dus sta op

Sommigen lopen krom
van eenzaamheid,
met de kramp in hun gelaat,
en rond hun hart,
omdat het leven
hen aan de kant heeft geduwd
en op de knieën gekregen.

Maar op je knieën
smeek je, kruip je,
word je vertrappeld
en verguisd.

Dus sta op,
recht je rug,
ontspan je vuist
en de kramp in je gelaat.
Zorg dat men naar je kijkt
en nog eens, en nog eens,
en nog eens…

Micheline Baetens – 21 oktober 2014

Het ligt eerder aan onszelf als wij ons in een land als België nog laten discrimineren en uitbuiten. Jammer genoeg zijn er nog veel vrouwen, meisjes, dus veel jonger dan ik, die dat niet beseffen, en er voor zorgen dat mannen een verkeerd beeld blijven houden, van wat het betekent om een vrouw te zijn. Emancipatie, dat zit trouwens in je genen of niet, denk ik, in je natuur, je karakter, zowel bij vrouwen als bij mannen, en het heeft bovendien ook heel veel te maken met gezond verstand en levenservaring. Toen ik in 1976 besloot om voltijds huismoeder te worden na de geboorte van mijn zoon, heb ik ervaren dat emancipatie niets te maken heeft met wat je doet, maar alles met wat je denkt. Feminisme is eerder vrouwonvriendelijk en voor wie graag vasthoudt aan een slachtofferrol. Doe vooral waar je zin in hebt, en waar je je goed bij voelt, ondanks alle beperkingen en tegenwind!

 

Taal

Talenkennis werkt als hefboom voor al je andere vaardigheden

‘Wie vele talen spreekt heeft de wereld in zijn binnenzak, maar talenkennis is niet louter functioneel’, schrijft Luc Nijs. Hij reageert op enkele leden van het Vermeylenfonds die de alarmklok luidden over de achteruitgang van de kennis van vreemde talen in Vlaanderen.

Knack – 06.03.2019 – Luc Nijs

Het gaat niet zo bijster goed met de kennis van het Nederlands in Vlaanderen. Hetzelfde kan gezegd worden van de kennis van de andere talen, te beginnen met de andere twee landstalen. Het stond een beetje in de sterren geschreven. De media leerde onze jongere generaties dat het prima is dat er regionale effecten doorklinken in je taalgebruik. Sociale media en wat vrijere omgangsvormen deden de rest. Vrije expressie, ook in de taal. Méér dan twee decennia mocht ik reeds zaken doen in allerlei landen en culturen over de hele wereld. Dat leverde toch wat andere inzichten op. Samengevat komen die neer op het feit dat mijn talenkennis belangrijker is geweest voor het welslagen van heel wat dingen in mijn (beroeps)leven dan mijn diploma’s.

Laten we beginnen met het demystificeren van het Engels, dat te vaak wordt gezien als een loper voor een (internationale) loopbaan. Engels is een functionele taal. Het werkt perfect voor interactie en uitwisseling van info en kennis. Het is de taal die macht in de wereld vertegenwoordigt. Gedegen kennis van die taal heeft dus zijn voordelen. Ik zeg wel ‘gedegen’ kennis en niet het lamlendige niveau van het school-Engels of erger nog TV-Engels.

Maar daar houdt het zo ongeveer op. Ik kan met mijn hand op het hart bekennen dat ik in mijn loopbaan niet één ‘deal’ heb binnengehaald omwille van mijn kennis van het Engels. Zakendoen is namelijk ‘altijd’ persoonlijk, en respect voor de tegenpartij toont zich door (al is het maar summiere) kennis van zijn taal en cultuur. Mensen nemen beslissingen via hun emotionele kanaal om dat nadien rationeel af te dekken met argumenten.

Dat emotionele kanaal loopt volgens mij ‘altijd’ via je moedertaal. Zelfs als je contracten, voorbereidingen etc. in het Engels geschreven zijn of plaatsvinden. En dus zal je, desnoods gedwongen, je moeten inlaten met de lokale taal en cultuur. We kunnen dus alleen maar bewenen dat in ons land het niveau van het Frans achteruitgaat maar ook dat Duits nog nauwelijks aandacht krijgt. Probeer in Duitsland maar eens iets in het Engels te regelen. Ze zullen je met véél tegenzin antwoorden maar ‘echt’ zakendoen zit er niet in.

Talenkennis verschaft je intellectuele wendbaarheid. Taal is cultureel verankerd en continu moeten wisselen van taal vraagt en kweekt mentale beweeglijkheid en inlevingsvermogen. Daarom dat Latijn en Grieks nog altijd een prima basis zijn voor een kritische levenshouding. Het vertraagde leerproces, de verschillende kenlagen en de diverse aanvliegroutes tot dezelfde tekst kweken mentale flexibiliteit. Die vaardigheid lijkt nadien ook een goede basis voor een succesvolle STEM-loopbaan. Meer nog, wie zich de moeite getroost om excellent te leren (publiek) spreken en schrijven heeft de wereld in zijn zak.

Degene die die vaardigheid beheerst zal aandacht krijgen, mensen overtuigen, opportuniteiten toegeworpen krijgen, en toegang krijgen tot kapitaal en beslissingscentra om zijn ambities, ideeën en projecten te realiseren. Maar dat vraagt doorgedreven inspanning en catharsis om je geschreven en gesproken taal continu uit te zuiveren. Schrijf dagelijks voor jezelf, dwing jezelf gedachten op papier te zetten, dwing jezelf specifiek(er) te zijn in wat je wil zeggen, welke woorden die dimensie het best dragen en overbrengen en oefen uren voor de spiegel, iedere dag opnieuw. Er is geen STEM-topper die het maximale uit zijn kennis haalt zonder omhelzing door uitmuntende taalvaardigheid, zowel geschreven als gesproken. Het werkt als een hefboom, het vergroot het onderliggende potentieel.

En dat begint dus met je moedertaal. Er mag geen millimeter twijfel over bestaan welke dat is en hoe die is opgebouwd. Het is de minachting voor onze eigen taal die er voor zorgt dat we onze kennis van de andere talen zwaar overschatten. En dus ben ik blij dat onze zoon thuiskomt met extra minpunten voor spellingsfouten in zijn godsdienstoets of maatschappijleer, hij leert dat fouten in zijn wiskundetoets vaak ‘leesfouten’ zijn, en dat hij met plezier wekelijks naar de woordacademie in het DKO gaat. Die laatste is te vaak en ten onrechte ondergesneeuwd naast zijn grotere dominante muziekbroer.

Taal is de manier waarop de mens vorm geeft aan de wereld en de wereld benoemt. Het bepaalt daarmee dus zijn plaats in die wereld. Hij vormt de natuur om tot cultuur. Taal kennen is dus jezelf begrijpen, je wereld vergroten maar ook je beperkingen aanvaarden. Ik blijf daarom ook gefascineerd door de taalfilosoof Ludwig Wittgenstein en zijn ‘Tractatus Logico-Philosophicus’, waarin hij héél duidelijk maakt dat ‘de beperkingen van je taal bepalen de beperkingen van je wereld’.

Luc Nijs is CEO en bestuursvoorzitter van investeringsmaatschappij The Talitha Group en doceert o.a. ‘Internationale kapitaalmarkten’ aan de Universiteit Leiden.

Mijn doodskist

Dat is nog eens een goed idee, je doodskist zelf maken!

Een grote kartonnen doos beschilderen en beplakken met oude foto’s, tekeningen van de kinderen en kleinkinderen, vullen met mooie herinneringen, een zelfgemaakt kussentje en een sprei, en zo de oven in!

Gisteren gezien op tv in een documentaire over Schotland. De dame had een voorkeur voor de boeddhistische filosofie en was  heel creatief op vele gebieden. Ik weet niet of het mag in België, maar ik vind het in elk geval een fantastisch idee!

Zij woont aan de Noordzee en wou dus uitgestrooid worden in zee, en ik kies voor de IJsebroeken, een natuurgebied in Overijse, waar ik de fijnste natuur- en jeugdherinneringen aan heb.

Als ik dan vertrokken ben van deze plek, om voor eeuwig rond te dobberen tussen het hoge riet en de waterlelie’s, zal ik elk jaar de verandering van de seizoenen van heel dichtbij meemaken, de zwanen weten broeden, de zilverreiger begroeten en samen met de padden en de kikkers voor een kwaakconcert zorgen, dat de waterkiekens op de zenuwen gaat werken.

Waterman zijnde, zal ik in mijn element zijn in het water, en zowel zon als maan zullen in mij verschijnen, dag en nacht afwisselen, storm en windstil mij beroeren, en vermits het natuurgebied beschermd is, zal niets of niemand nog mijn rust kunnen verstoren. Welk een prachtig vooruitzicht!

Puur natuur

Van Goghmuseum haalt David Hockney in huis
Puur natuur

De Standaard – Geert Van der Speeten – 03.03.2019

De natuur verveelt nooit, vindt David Hockney. Met zijn monumentale taferelen van de ontluikende lente infiltreert hij in het Van Goghmuseum. Tussen beide kunstenaars gaapt een kloof van een eeuw, maar wat hen verbindt, is het zichtbare plezier in de natuurbeleving. In de vaste collectie van het Van Goghmuseum in Amsterdam doken eerder al werken op van moderne en hedendaagse kunstenaars. Willem De Kooning, Francis ­Bacon, Peter Doig, Frank Auerbach, Zeng Fanzhi, Pieter Laurens Mol: ze verwijzen in hun werk naar Van Goghs oeuvre vol licht, kleur en zinnelijkheid. Voor nieuwe generaties blijft hij een referentiepunt en inspiratiebron.

Deze keer gaat het museum een stap verder, door voor het eerst een grote presentatie aan een ­levende kunstenaar te wijden. ­David Hockney (81) is te gast met liefst zestig werken. Ze komen niet uit zijn beroemde zwembadperiode uit de jaren 70, die hem eind vorig jaar met een veiling­record bombardeerde tot duurste levende kunstenaar. Wat we zien, zijn vooral monumentale York­shire-landschappen die Hockney vanaf 2002 realiseerde bij zijn ­tijdelijke terugkeer naar Groot-Brittannië. Ze worden getoetst aan negen sleutelwerken van ­Vincent van Gogh.

De eerste zaal is al behoorlijk overdonderend. Met The arrival of spring in Woldgate, uit de collectie van het Centre Pompidou, stap je een sprookjesbos binnen. Het wandvullend werk bestaat uit 32 panelen. Tussen kloeke boomstammen, keurig in lijn, slingert een bospad in vuilroze en groene toetsen. In het omringende ­kreupelhout en groentapijt barst intussen de euforische weelde van de lente los.

Vocabulaire

David Hockney, ‘Woldgate woods’, 2006. Richard Schmidt

In de buurt van Hockneys uitbundige panorama hangen twee kleine schilderijen van Van Gogh: Kreupelhout uit zijn impressionistische periode, en Tuin van de inrichting Saint Paul (Het vallen van de bladeren). Links zijn er ­zeker: in de repetitieve verticale lijnen, in de ruimtelijkheid die ­opgeroepen wordt, in de scherpe beeldafsnijding en de vlakke weergave van de natuur die Van Gogh van Japanse prenten geleerd had. Maar de schilderijen van Van Gogh ogen ook veel somberder en bedachtzamer. In Hockneys landschappen sluipt een aangename, haast losbandige naïviteit binnen. Zoals in May blossom on the Roman road, waar het felle zonlicht grillige slagschaduwen aftekent op de weg. De meidoornen staan er in volle hoogzomer bij als surrealistische fabeldieren in een fel kleurenpalet. Na Van Gogh is ook Matisse intussen de revue gepasseerd.
Vincent van Gogh verlangde ‘naar een land waar het altijd herfst zou wezen’, zoals hij in een van zijn brieven noteerde. Maar evengoed was hij dol op amandelbloesems of een veld met bloeiende irissen. In Arles ontdekte hij de kleurenpracht en de treffende eenvoud van elk seizoen.

Ook David Hockney trok naar buiten om een nieuw vocabulaire te vinden. Daarvoor moest hij Los Angeles achter zich laten en ­terugkeren naar zijn geboortestreek. Hij nestelde zich rond 2000 in Bridlington en wijdde zich aan landschapsschilderkunst in de grote Britse traditie van Constable tot Turner. Een genre waar, zo legt hij uit in een introductiefilmpje in de tentoonstelling, op dat moment flink op neergekeken werd.

David Hockney, ‘Kilham to Langtoft II’, 2005. Richard Schmidt

Naar de traditie van de miniatuurschilders roept Hockney de maanden en de seizoenen op. Hij toont niet de noeste bedrijvigheid op het land – in zijn werken valt geen menselijke aanwezigheid te bespeuren. Wel zoomt hij in op de ontbolsterende lente of de heftigheid van de zomer, die symfonieën van vruchtbaar groen tevoorschijn tovert.
In de pittoreske Yorkshire Wolds, met hun holle wegen en glooiende velden, ontdekte Hockney een paradijselijke, telkens weer veranderende setting. Vaak ging hij buiten schilderen. Het scherpte de observatie aan, de ­intense vorm van kijken die hij verleerd was door vaak met fotografie in de weer te zijn.

In het harde licht van Californië was Hockney ook vergeten hoe indrukwekkend de klassieke cyclus van de seizoenen kon zijn. Licht, ruimte, perspectief: hij zag hoe ze voortdurend in beweging waren. Hockney begon eerst met aquarellen op papier – de tentoonstelling stalt de serie van de midzomer uit. Het zijn lyrische werkjes. Landschappen die men doorgaans voor onspectaculair houdt, vult Hockney met trefzekere, gulle kleuren in. Wat verderop hangt een schilderij dat de zinderende zomerhitte oproept tussen de hooibalen op het veld. Het wordt gelinkt aan De oogst, een panorama in Arles waarbij Van Gogh je het landschap binnentrekt en met zijn vlakke techniek toch een ­grote diepte suggereert.

Vincent van Gogh, ‘De oogst’, 1888. van gogh museum, Amsterdam

Elders zien we Hockney de ­natuur ook in close-up benaderen, met potlood, inkt of houtskool. Als een briljant tekenaar zoomt hij liefdevol in op planten en grassprietjes.

iPadtekeningen

David Hockney gebruikte al vroeg in zijn carrière foto’s en nieuwe beeldtechnieken als hulp- en studiemateriaal. Zijn gretigheid naar nieuwe media en stijlen vertaalde zich in de Yorkshire­periode in experimenten met een tablet. Zijn iPadtekeningen zijn op groot formaat afgedrukt. In een videofilmpje kan je ook volgen met welke frisse vaardigheid ze tot stand komen en welke prachtige effecten Hockney bereikt met zijn speeltje, de app Brushes.

Titanische ambitie

De tentoonstelling mondt uit in perspectivische oefeningen. Het traditionele perspectief, zoals we dat sinds de renaissance kennen, vindt David Hockney verstikkend. Het creëert geen ruimte, het roept een vals realisme op dat niet te rijmen valt met onze kijkervaring. Liever verkiest hij het ‘opengeklapt perspectief’, het kijken in veelvoud.

David Hockney, ‘May blossom on the roman road’, 2009. Richard Schmidt

Het orgelpunt is het recente In the studio, december 2017, een ‘photographic drawing’ die vertrekt van 3D-foto’s. We stappen recht het atelier binnen. Met aan de wanden en op schildersezels: recent werk in afwijkende for­maten. Op een krukje op de voorgrond ligt het opengeslagen XL-boek dat Taschen aan de kunstenaar wijdde. Centraal staat een clownesk mannetje met uilenbril en streepjesvest. Het is David Hockney zelf, te midden van de vrolijke anarchie die hij met verf en penseel heeft aangericht.

De confrontatie Hockney-Van Gogh katapulteert de landschapsschilderkunst de 21ste eeuw in. De schaal is bij Hockney ambitieus en megalomaan, zijn ambitie om de natuur op volle kracht op te roepen titanisch. Maar Hockney komt er op zijn oude dag prachtig mee weg, met dank aan zijn optimisme en niet-aflatende werkvreugde.

Zijn grondhouding voor dit hoofdstuk in zijn oeuvre is uiteindelijk vergelijkbaar met die van Vincent van Gogh: naar buiten trekken, de natuur in. En zichzelf daarbij heruitvinden.

‘Hockney-Van Gogh: the joy of nature’. Tot 26/5 in het Van Goghmuseum in Amsterdam.

Boek: Veeg je zorgen weg

Is poetsen het nieuwe mediteren?
Boeddhistische Japanse monnik weet hoe u uw zorgen wegveegt

De Morgen – Katia Vlerick – 03.03.2019

Er waait een frisse wind uit het land van de rijzende zon. Met dank aan opruimgoeroe Marie Kondo staan opruimen en poetsen tegenwoordig gelijk aan ‘helemaal zen zijn’ en niet langer aan neurotisch huisvrouwgedrag. Nu voegt de Japanse monnik Shoukei Matsumoto daar het boek Veeg je zorgen weg aan toe.

In verschillende huishoudens in Vlaanderen weerklinkt tegenwoordig the sparkle of joy, dat door de Japanse opruimgodin Marie Kondo beschreven gevoel dat je zou moeten ervaren bij het weloverwogen weggooien van je surplus aan spullen. Of preciezer: het gevoel dat je zou moeten vervullen bij het aanschouwen van die dierbare spullen die je wél wilt bewaren. Nooit eerder was het dilemma weggooien of bijhouden zo simpel, allemaal dankzij Kondo’s adviezen ofte collectieve brainwashing op Netflix: concentreer je op wat je gelukkig maakt, en gooi de rest gewoon weg. Hadden we dat jaren eerder maar al geweten!

En dus trekt het nieuw samen­gestelde gezin een heel weekend uit om die nieuw samengestelde warboel van kleren en speelgoed eerst te ontrafelen, vervolgens te halveren en ten slotte met de bakfiets af te voeren richting Kringwinkel. De pas gescheiden vrouw zet haar gehalveerde inboedel op orde volgens de wetten van Kondo, kwestie van nooit meer opgeschrikt te worden door spullen van haar ex in laden en kasten. Modeverslaafden vouwen hun kleren op als worstjes volgens de KonMari-methode en sorteren ze mooi op kleur in ladenkasten.

En wat te doen met al die lelijke cadeaus die je niet durft weg te gooien? Toch doen, want de beleefdheid zit hem in het ontvangen van de gift, niet in het bewaren ervan. Of wat aanvangen met de spullen van een overledene? Ook daar eindelijk houvast dankzij Kondo: hou gewoon bij wat je gelukkig maakt. Hallelujah, de heer zij geprezen, nooit eerder leek het leven zo simpel.

Marie Kondo geeft zelf aan in haar bestsellende boek Spark Joy: je kan niet beginnen met schoonmaken als je niet eerst hebt opgeruimd. En dus móét de volgende lifestyletrend wel schoonmaken zijn. En jawel, uit het Verre Oosten komt ons thans ook Shoukei Matsumoto aangewaaid. Deze boeddhistische monnik is met zijn boek Veeg je zorgen weg al sinds 2011 een bestseller in thuisland Japan, waar reinheid en verlichting hand in hand gaan. In navolging van Kondo wordt hij nu ook in het Nederlands vertaald.

Als unsui-monnik begint Matsumoto iedere dag met schoonmaken, eindigt hij iedere dag met opruimen, en hij raadt ons westerlingen aan hetzelfde te doen. In Japan is schoonmaken niet gewoon schoonmaken, het staat voor ‘het cultiveren van de geest’. Kinderen leren er al vroeg de klas schoonmaken. Poetsen wordt in Japan niet ervaren als een last, maar als een dagelijks ritueel dat de geest even zuiver maakt als de gelapte ramen en geschrobde vloeren.

Volgens Matsumoto is schoonmaken zelfs een manier om te communiceren met de natuur – op voorwaarde dat je de ramen openzet, ook in de koude winter. Helemaal zen word je van Matsumoto’s even minimalistische als zinnelijke beschrijvingen van het ouderwetse, niet-elektrische poets­gereedschap van de boeddhistische monnik: bezem, stoffer en blik, een klamme lap stof om de vloer mee te boenen. Laat ook nooit meer het bad leeglopen, maar gebruik het kostbare water om je huis schoon te maken.

Een schone geest en een schoon hart beginnen bij hagelwitte badkamertegeltjes. Schimmel in je huis is schimmel op je ziel, laat Matsumoto ook weten. Eens het als schoonmaakboek verpakte zenbijbeltje Veeg je zorgen weg uitgelezen is, neem je vanzelf de lotushouding aan. De bijhorende mantra? Wég met die poetsvrouw, laat maar komen die gratis mindfulness-sessies waarvoor je zelfs niet eens de deur uit moet, maar gewoon met emmer en dweil aan de slag moet tot je jezelf helemaal ‘in het nu’ aan het poetsen bent. Want wie wil er nu een beschimmelde ziel?

Schoon en meedogenloos

Had je tien jaar geleden verkondigd dat opruimen en schoonmaken de nieuwe wellness- én interieurtrend in één zouden worden, men had je voor gek verklaard. Oké, er waren de schoonmaakboeken van VTM-poetsvrouwen Sien en Maria van het programma Schoon en meedogenloos. Die verkochten ‘beter dan Aspe’ volgens een snel gegoogelde krantenkop uit die dagen.

Met hier een scheut eau de javel en daar een geut soda nam het duo poetsvrouwen vieze Vlaamse huishoudens onder handen. Maar om nu te zeggen dat ze in de interieurboekjes konden, nee, de Vlaming hield behalve van de praktische tips – roest te lijf gaan met cola, ramen met krantenpapier en azijn – vooral van de folklore van Sien en Maria. Daar zorgden de dames met brio voor als ze weer eens een van het frietvet dichtklevende keuken van een kotstudent te lijf gingen met spons en ammoniak én het Antwerpse accent van Maria.

Nog even verder terug, een jaar of dertig-veertig. In iedere zichzelf respecterende Vlaamse verkaveling huisde toen wel een vrouw van wie er werd gezegd dat ze ‘kuisziek’ was. Die de voegen van de beige tegels in haar met grote Chinese vazen versierde inkomhal van haar villa schrobde met een tandenborstel. Die de voorste plaats in het huis, een living met ge­cireerde eikenhouten kasten vol porseleinen postuurtjes, als kroonstuk van de woning onderhield. Ook al zat niemand er ooit in. Kon ook niet, of de boel werd vuil.

Je ging er niet binnen via de voordeur, maar langs de garage en vandaar naar de bijkeuken, en wel door eerst je schoenen te zetten bij de rest van het gezinsschoeisel op de dweil voor de deur. Binnen regeerde de geur van bruine zeep en bijenwas. De vrouw des huizes zelf bewoog zich door haar perfect onderhouden, maar verder doodse paleis in een plunje die paste bij de slaaf die ze ervan was: een gebloemde schort en plastic muiltjes.

Gouden kooi

Rond opruimen en poetsen hing toen allesbehalve een trendy, modern, laat staan kosmopolitisch sfeertje. Wél de muffe geur van handboeken als Libelle’s grote hulp in huis, de soeplucht van de huishoudschool of anders wel de algehele beklemming van domestieke treurnis. Saskia De Coster beschrijft die treffend in haar roman Wij en ik, wanneer ze een vrouwelijk hoofdpersonage neurotisch het tapijt laat kammen, gevangen in haar gouden kooi van een villa in een nieuwe wijk ergens in de jaren tachtig.

Het grote verschil met toen is dat die gouden kooi niet meer bestaat, omdat de vrouw uit werken gaat. In plaats van hele dagen in doodse stilte stofjes zitten te vangen, komt ze ’s avonds thuis in iets wat meer op een gouden warboel lijkt. Met dank aan de ketens die alles zo goedkoop maakten, waardoor onze huizen uitpuilen van de spullen. Tel daar nog de burn-outs, files en algehele digitale overprikkeling bij, waardoor eens tijd voor jezelf kunnen nemen in een mooi georganiseerd en net interieur de nieuwe luxe is geworden.

Wég beklemmende horrorscenario’s van weleer, enter de Japanse huishoudgidsen die in de eerste plaats zelfhulpboeken zijn en ons beloven dat we – mits enkele praktische inspanningen én een doorgedreven discipline – uiteindelijk veel rustiger en gelukkiger zullen worden in onze eigenste zentempel. Ziedaar: poetsen als het nieuwe mediteren.

Poetsen met het gezin

De vraag is natuurlijk: waar halen we in godsnaam de tijd om al dat opruim- en poetswerk uit te voeren in onze moderne levens? Net nu de strijkcentrale de oplossing bood voor misschien wel de meest tijdrovende van alle huishoudelijke taken, de strijk. Waar­door we toch net meer levens­kwaliteit terugkregen? En nu zouden we weer collectief aan het strijken moeten om meer zen te worden? Dat kan alleen na een drastische reductie van onze spullen, die we vervolgens met de allerbeste Japanse zorg behandelen. Daar valt iets voor te zeggen. Volgens Matsumoto komt het er ook op aan het hele gezin te betrekken bij het schoonmaken, ook de kinderen, net zoals monniken ook samenwerken bij het schoonmaken van de tempel. Euh, dat scheelt dan ook weer aan zwemlessen en danskampen?

Misschien wel het grootste struikelblok: rommel in huis duidt op leven, een leven dat je deelt met anderen. In de vaatwasmachine gepropte cola­glazen herinneren aan kinderen in de buurt, pootafdrukken zijn het bewijs van een speelse hond in huis. En zo doen de Japanners toch ook wel vrezen voor de allerergste nachtmerrie: een georganiseerd schoon huis, waar niemand de boel overhoop kan halen omdat iedereen allang is weggelopen. De gouden kooi revisited.

Boek: Veeg je zorgen weg, Shoukei Matsumoto, Bruna Uitgevers, 160 p., 10 euro