De weekendnachtegaal…

De weekendnachtegaal zingt een toontje lager

Hans Van Dyck wijst erop dat omgevingslawaai schadelijk is voor dieren. Het kost hen veel moeite om met elkaar te communiceren.

De Standaard – 27.08.2019

Hans Van Dyck
Wie? Hoogleraar gedragsecologie (UCLouvain).
Wat? Om diverse beestige redenen moeten we vaker stilstaan bij lawaai in onze omgeving.

Hij passeert vaak tot onder het venster van mijn kantoor op de universiteit. Ik hoor hem al vanop ruime afstand naderen. Keer op keer vervloek ik hem. De bovenkamer tussen mijn oren biedt geen ruimte voor gewenning. Ik heb het over de bladblazer van de groendienst. Vorige week stond De Standaard stil bij lawaai in de reeks ‘Het land is luid’. Het fenomeen overstijgt de anekdote van een irritante bladblazer.

Onze gevoeligheden variëren, maar het maakt de impact van lawaai niet minder universeel. Effecten kunnen ook onbewust inwerken. Menselijke bedrijvigheid veroorzaakt veel geluid. Auto’s, vrachtwagens, vliegtuigen, schepen, tractoren, airco’s, bouwwerven, industriële installaties en seismische metingen dragen bij tot groeiende volumes achtergrondgeluid te land, ter zee en in de lucht. De Wereldgezondheidsorganisatie erkent geluidsoverlast al langer als een belangrijke kwestie.

Het is ook een biodiversiteitsprobleem. Het aantal studies met hilarische resultaten over de impact van lawaai groeit gestaag. In Berlijn zingen nachtegalen in de week luider dan in het weekend. Wij schreeuwen ook harder op een feest met luide dj-set. Voor vogels in de stad of langs drukke wegen lijkt het alle dagen ‘feest’. Het kost hen meer energie, waardoor ze minder efficiënt communiceren. Als er in het weekend minder luidruchtig verkeer is, draaien ze de volumeknop zachter. Koolmezen zingen in de stad niet luider dan in het bos, maar wel hoger. Het gemotoriseerde lawaai kent een lage geluidsfrequentie. Door hoger te zingen wordt hun zang minder gemaskeerd door het achtergrondgeluid. Een veldsprinkhaan tsjirpt langs een drukke weg met een hogere frequentie dan in een rustig grasland. Bij te veel lawaai stellen roodborsten hun gezang uit tot ’s nachts. En nabij vlieghavens houden zangvogels rekening met de vluchtschema’s. Toch blijkt de flexibiliteit niet altijd te werken. Dan loopt de communicatie bij vogels, vissen, kikkers en zelfs insecten mank.

Onzichtbare stoorzender

Nabij vlieghavens houden zangvogels rekening met de vluchtschema’s
Wat later, harder of hoger tsjilpen, jodelen of kirren? Het klinkt als een olijke bijdrage voor de fait divers in de krant. Maar we moeten de manier waarop onze menselijke bedrijvigheid chronisch en vaak onbedoeld de fysische eigenschappen van de omgeving verandert, ernstig nemen. Net als u en ik gebruiken andere levensvormen hun zintuigelijke en cognitieve vermogens om zich aan hun omgeving aan te passen.
Bij vogels die langs drukke, lawaaierige wegen broeden, wordt een aanhoudende verhoging van de stresshormonen gemeten. Dat weegt op hun immuunsysteem. Er treden ook veranderingen op in het gedrag. Meer lawaai leidt tot meer rondspeuren en minder eten. Voedsel zoeken in een decibelrijke omgeving gebeurt bovendien minder efficiënt. Het voortplantingssucces ligt vaak beduidend lager. Vleermuizen vermijden zones rond lawaaibronnen. Dat lijkt een oplossing, maar verschuift het probleem. Als lawaairijke zones niet meer meetellen, krimpt hun leefgebied aanzienlijk.

Geluidsvervuiling gaat gepaard met andere invloeden van menselijke signatuur. Een drukke weg leidt niet alleen tot decibels, maar ook tot uitlaatgassen. Hoe weten we of de bijdrage van lawaai wel betekenisvol is? Dat vraagt een experimentele aanpak.

Amerikaanse onderzoekers simuleerden de invloed van verkeerslawaai zonder de andere invloeden van een drukke weg. Met luidsprekers baanden ze een lawaairijke lijn door een natuurgebied. De fantoomweg liet er geen twijfel over bestaan. Bij lawaai zakte het aantal vogels met een derde. Vogels die niet de biezen pakten, hadden een beduidend slechtere lichaamsconditie. Lawaai blijkt een onzichtbare stoorzender.

Dovemansoren

Het vakblad Science becijferde de geluidsbelasting in Amerikaanse natuur­reservaten. In 63 procent van die bolwerken voor biodiversiteit bleek het gemiddelde geluidsniveau verdubbeld door naburige menselijke bedrijvigheid. Voor 21 procent betrof het een vertienvoudiging of meer. De combinatie van een erg dicht wegennet, slechte ruimtelijke ordening en gemiddeld kleine natuurgebieden staat ook in Vlaanderen garant voor een chronisch lawaaibad voor mens en fauna. Het natuurbehoud heeft geen tekort aan prioriteiten, maar momenteel wordt lawaai zelden genoemd als een heikel punt.

Er zijn enkele gunstige perspectieven. Elektrische auto’s zijn veel stiller dan auto’s met een ontploffingsmotor. Maar het gaat voorlopig om een kleine minderheid en de lawaaierige lucht- en scheepvaart blijven mondiaal sterk groeien. De decibels volgen.

Hoeveel decibels kunnen we schrappen door betere geluidsisolatie rond motoren en andere geluidsbronnen? Het is een gebied waar ingenieurs en technici de levenskwaliteit voor mens en natuur sterk kunnen verbeteren. Nabij natuurgebieden is het zinvol om na te gaan of andere flankerende maatregelen versneld mogelijk zijn. Bij lagere snelheden grommen knalpotten minder. Minder lawaai komt bovendien onze natuurbeleving in reservaten, bosgebieden en parken ten goede.

Psychische problemen mogen geen taboe zijn

Psycholoog Filip Raes na het interview met Bart Schols: ‘Psychische problemen mogen geen taboe zijn’

De Morgen – Joël De Ceulaer – 25.08.2019

Zaterdag vertelde Bart Schols, presentator van De afspraak, in onze weekendbijlage ‘Zeno’ over zijn depressie en hoe hij hulp zocht om daaruit te geraken. Zelden waren de reacties op een interview zo talrijk en zo positief.

“Beeld u in dat kanker nog altijd een enorm taboe zou zijn”, zegt Filip Raes, hoogleraar psychologie aan de KU Leuven. “En dat twee op de drie kankerpatiënten geen hulp zouden zoeken, omdat ze er niet over durven praten, niet weten dat er een behandeling bestaat, of omdat de behandeling te veel kost. Dat zouden we onaanvaardbaar vinden. Welnu, zo is de situatie nog altijd voor mensen met psychische problemen. Daarom vond ik dat interview met Bart Schols ook erg mooi en belangrijk.”

Er werd massaal op gereageerd, dit weekend: het gesprek met Schols waarin de Canvas-presentator vertelt over zijn laatste depressie en hoe hij daaruit is geraakt met de hulp van medicatie en psychotherapie. Voor wie met vergelijkbare problemen kampt, voegde hij eraan toe: “Als je zit waar ik gezeten heb, zoek dan hulp.”

“Lieven Scheire heeft ook eens zo’n getuigenis afgelegd”, herinnert Raes zich. “Hij heeft lang geworsteld met een angststoornis en heeft zich ook door een psychotherapeut laten helpen. Zulke getuigenissen van bekende personen kunnen voor anderen de drempel naar psychotherapie verlagen. Te veel mensen weten nog altijd niet dat je behandeld kunt worden als je een depressie of een angststoornis hebt.”

Hoe komt dat?

Filip Raes: “Lichamelijke en geestelijke gezondheid worden niet op een gelijkwaardige manier bekeken. Wie zijn been breekt, gaat naar het ziekenhuis. Wie met psychische problemen te maken krijgt, loopt vaak verloren. De overheid geeft ook het verkeerde signaal: de behandeling van uw lijf wordt goed en vlot terugbetaald, de behandeling van uw geest nog altijd niet. Er is een begin gemaakt met terugbetaling van psychotherapie, maar voor veel mensen ligt ook de financiële drempel nog veel te hoog.”

Zowel Lieven Scheire als Bart Schols verwijst naar de zogeheten cognitieve gedragstherapie, die hen geholpen heeft. Dat is uw specialisatie. Wat doet zo’n therapie precies?

“Soms zijn het niet de dingen die gebeuren die ons in de problemen brengen, maar wat we daarbij denken. Een cognitieve gedragstherapeut probeert die overtuigingen op een nieuwsgierige manier te onderzoeken, en de patiënt dan te helpen bij het verkennen en uittesten van andere denkpatronen. Je helpt mensen om af te komen van hun negatieve gedachten. Bij een depressie kunnen ook andere vormen van therapie helpen. Maar bij een angststoornis is cognitieve gedragstherapie duidelijk de beste optie.”

Hoe kom je van zulke angsten af?

“Het probleem bij een angststoornis is het vermijdingsgedrag, wat heel normaal is: wie bang is voor iets, gaat dat uit de weg. Maar te veel vermijdingsgedrag maakt de angst alleen maar groter. Een therapeut kan de patiënt leren dat het toch kan meevallen, door hem aan het voorwerp van zijn angst bloot te stellen. Soms is dat relatief eenvoudig.”

Zijn elke patiënt en elke stoornis niet uniek?

“Dat is een vaak gehoorde opmerking. Mensen zijn uniek, maar heus niet zo uniek dat we elke keer het warm water moeten uitvinden. Soms is een eenvoudige behandeling echt wel beschikbaar. Vergelijk het opnieuw met kanker: het is niet omdat sommige kankers zeer complex en moeilijk te behandelen zijn, dat een paar specifieke vormen van kanker niet relatief eenvoudig te behandelen kunnen zijn.”

Politicoloog Cas Mudde, ervaringsdeskundige inzake depressie, reageerde ook op het interview met Schols. Volgens Mudde moet je aanvaarden dat zo’n depressie een ‘permanente conditie’ is, een ‘deel van jezelf’. Klopt dat?

“Dat vind ik te sterk uitgedrukt. Dan lijkt het alsof het echt iets is dat in je aard, in je karakter zit. Terwijl je een depressie beter kunt bekijken als een ziekte. Je kunt er een grotere gevoeligheid voor hebben, maar je kunt de ziekte wel degelijk aanpakken. Het is niet wie je bent, dus ik zou nooit zeggen dat het ‘een deel van jezelf’ is.”

Er was vorige week ook veel te doen over een interview met psychiater Damiaan Denys in Knack. Dat volgens hem Van Gogh zijn meesterwerken nooit geschilderd zou hebben als hij niet zoveel had geleden, vonden collega Katrin Swartenbroux en gastcolumniste Tinneke Beeckman een onverstandige uitspraak.

“Er zijn aanwijzingen dat zaken zoals depressie meer aanwezig zijn bij creatieve mensen dan bij minder creatieve mensen. Maar zo’n verband is nog geen oorzakelijk verband, laat staan dat we zouden weten wat dan de oorzaak zou zijn van wat. Uw collega Katrin Swartenbroux schreef dat zulke uitspraken mensen weghouden bij hulpverlening, en ze heeft gelijk: een recente review uit de Verenigde Staten toont dat aan.”

Omdat mensen denken dat ze niet meer zo creatief zullen zijn als ze iets aan hun psychische problemen doen?

“Precies. Dat is de romantisering van psychisch leed, en dat mogen we niet doen.”

Van Gogh zou misschien een veel machtiger oeuvre hebben geschilderd als hij goed in zijn vel had gezeten.

“Wie weet. Dat is evengoed mogelijk. Denys zegt trouwens wel meer rare dingen. Dat therapeuten zich moeten bezighouden met het extreme lijden, bijvoorbeeld, en dat de andere mensen maar moeten leren omgaan met stress.”

Hij lijkt een beetje op psychiater Dirk De Wachter, die ook zegt dat we moeten leren een beetje ongelukkig te zijn.

“En ik ga dat niet tegenspreken. Maar een aantal mensen moet daarbij geholpen worden, bij de aanvaarding dat tegenslagen en ongeluk bij het leven horen. Nog te veel mensen zitten met serieuze problemen en worden niet geholpen. Daar zou ik wat meer de aandacht op vestigen.”

Hoe maak je het onderscheid? Wanneer ben je als het ware gewoon een beetje ‘aanvaardbaar ongelukkig’ en wanneer moet je toch echt hulp zoeken?

“Als je niet meer goed kunt functioneren, moet je hulp zoeken. Als je niet meer voor de kinderen kunt zorgen, of als je job of je relatie eronder lijden. Iedereen heeft weleens te maken met stress en tegenslag, maar sommigen komen daardoor echt in de problemen. Dat lijkt mij toch nog altijd de belangrijkste boodschap: dat psychische problemen geen taboe mogen zijn. Je kunt geholpen worden.”

Wat kunnen we doen als een vriend in de problemen zit?

“Niet te snel gewoon ‘Kop op!’ zeggen. Gewoon eens luisteren is een begin. We moeten niet alleen leren praten over zulke problemen, we moeten er ook naar leren luisteren.”

Filip Raes
Geboren in 1977
Hoogleraar psychologie (KU Leuven)
Cognitieve gedragstherapeut

1813

Parket Limburg slaat alarm na live zelfdoding op Facebook
‘Stel gerichte vragen, grijp in, bel desnoods de politie’

De Standaard – Pieter Huybrechts – 24.08.2019

Het Limburgse gerecht reageert erg bezorgd na een zelfdoding in Genk, live te volgen via Facebook. Ook specialisten pleiten voor assertiever optreden.

In Vlaanderen stappen jaarlijks meer dan duizend mensen uit het leven. Dat zijn er gemiddeld drie per dag. ‘Het cijfer daalt lichtjes, maar eigenlijk is het woord “stagnatie” beter op zijn plaats’, zegt Kirsten Pauwels van het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie. ‘We zijn blij dat het cijfer niet stijgt, maar elke zelf­doding is er een te veel.’

De roep om meer preventie klinkt luider dan ooit na een voorval, donderdagavond, in Waterschei (Genk). Een man van 36 streamde zijn wanhoopsdaad live op sociale media. De man, een ­vader, was verwikkeld in een vechtscheiding, zijn zelfdoding was minutenlang live te volgen. Tal van vrienden waren getuige. Volgens het gerecht werd het filmpje snel offline gehaald om copycatgedrag te vermijden. Meer dan honderd mensen repten zich naar de woning van de man, maar hulp kon niet meer baten.

Niet langer taboe

Zowel Bruno Coppin, pers­magistraat van het parket Limburg, als experte Kirsten Pauwels spreekt van een bijzonder trau­matiserende ervaring voor alle ­betrokkenen. Ongezien in ons land ook. Enkele jaren geleden dook, toevallig ook in Limburg, een schokkend filmpje op van twee jongeren die besloten hadden om hun dodenrit tegen een boom live uit te zenden. Beiden overleefden de crash. Meer nog: de bestuurder staat binnenkort terecht wegens poging tot moord op zijn vriend. Ook gisteren, ook in Limburg: de urenlange zoektocht van de politie in Kuringen naar een vrouw die signalen had uit­gestuurd dat ze uit het leven wilde stappen. Over haar lot raakte vrijdag niets meer bekend.

 ‘‘Er bestaat
professionele hulp,
er kan tijdig ingegrepen worden. Iedereen moet
dat weten’
Kirsten Pauwels
Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie

Je zwarte gedachten delen op sociale media lijkt niet langer ­taboe. Wie eraan denkt uit het ­leven te stappen, kan dat kwijt op Facebook of Instagram en doet dat ook steeds vaker. Tot die verontrustende vaststelling komen experts suïcidepreventie.

‘Vroeger bestond de mogelijkheid niet, of toch minder, om die donkere gevoelens publiekelijk te uiten’, zegt Kirsten Pauwels. ­‘Kanalen als Facebook zijn relatief laagdrempelig, wat ze gevaarlijk maakt. Maar als je het positief ­bekijkt, bieden ze ook heel wat mogelijkheden voor preventie.’

‘Grijp altijd in’

‘We moeten ons de vraag durven te stellen of we als maatschappij genoeg doen om zulke drama’s te voorkomen’, zegt parketmagistraat Bruno Coppin. ‘Als gerecht streven we toch nog altijd naar een veilige, rechtvaardige en zorgzame samenleving. We willen ­benadrukken dat mensen met donkere gedachten altijd naar de Zelfmoordlijn 1813 kunnen bellen. ’, zegt Coppin. ‘Er bestaat professionele hulp, er kan tijdig ingegrepen worden. ­Iedereen moet dat weten.’

Suïcidepreventie-expert Pauwels beaamt dat. Ze pleit voor meer assertiviteit in zulke delicate gevallen. ‘Wees alert op sociale media. Wie depressieve wolken opmerkt: grijp in, spreek die persoon aan, stel directe vragen, desnoods via een privébericht. Reik concrete opties aan, hoe moeilijk ook. En komt er geen geruststellend antwoord, aarzel niet, sla alarm en bel de hulpdiensten. Facebook is voor ons een medium om heel hard in de gaten te houden. Maar het kan vaak ook een eerste opstap richting gerichte hulp zijn.’

Wie met vragen zit rond zelfdoding, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 en op de website www.zelfmoord1813.be.

BOEK: Leven in je leven

Inhoud

Voortbouwend op de principes van de cognitieve therapie zijn de psychologen Jeffrey Young en Janet Klosko erin geslaagd om een uiterst bruikbare gids te schrijven voor een breed publiek. Het boek leert mensen hun negatieve gedachtepatronen, door de auteurs ‘valkuilen’ genoemd, te herkennen. Helder en aansprekend beschrijven Young en Klosko elf van de meest voorkomende valkuilen, waaronder problematische relaties, een irrationeel gebrek aan zelfvertrouwen, faalangst, eenzaamheid. Problemen waar veel mensen mee kampen. Tegelijkertijd bieden zij uitgebreide diagnostische tests en vragenlijsten om elke valkuil te herkennen, en stapsgewijze suggesties om ze in de toekomst te omzeilen. In Amerika hebben al duizenden mensen geprofiteerd van deze directe methode. Het boek Leven in je leven laat niet alleen zien hoe mensen kunnen ontsnappen aan de vicieuze cirkel van negatieve gedachten, het werkt ook inspirerend voor eenieder die over zijn leven wil nadenken.
Een must have op het gebied van cognitieve gedragstherapie.

‘Young en Klosko hebben baanbrekend werk verricht door technieken te ontwikkelen die je kunnen helpen je leven, werk en relatie te veranderen zoals jij dat wilt. Het boek weerspiegelt de enorme betrokkenheid, de deskundigheid en het klinische inzicht van de auteurs.’
– Uit het voorwoord van Aaron Beck

Recensie

Als mensen steeds met dezelfde persoonlijke problemen te maken krijgen in hun leven, is er sprake van een chronisch patroon. Vanuit de cognitieve therapie bezien gaat het daarbij om ‘schema’s’ die in dit boek valkuilen worden genoemd. Elf van deze valkuilen worden door de auteurs behandeld door middel van inzichten en technieken uit verschillende psychotherapeutische disciplines. Na liefst vier voorwoorden opent het boek met een overzicht van de elf valkuilen (onder andere verlatingsangst, extreme aanpassing en emotionele verwaarlozing). Er zijn drie inleidende hoofdstukken over het ontstaan, de stijlen en de veranderbaarheid van valkuilen. Dan volgen elf hoofdstukken over even zovele valkuilen. Per hoofdstuk wordt beschreven hoe je uit een valkuil kunt komen en wat de obstakels kunnen zijn. Het boek sluit af met een korte beschouwing over hoe lastig het kan zijn voor mensen om te veranderen en hoe je een en ander kunt aanpakken. Een frisse, niet-dogmatische kijk op therapie.

Bart Schols – De morgen – 23.08.2018

“Schematherapie komt voort uit de cognitieve gedragstherapie en is ontwikkeld door de Amerikaanse psycholoog Jeffrey E. Young. Ze legt de link tussen je gedrags- en relationele patronen vandaag, en wat er tussen je tweede en veertiende levensjaar met je gebeurd is: welke belangrijke gebeurtenissen hebben toen plaatsgevonden, hoe hebben je ouders zich toen tegenover jou verhouden, hoe hebben ze voldaan aan je basisbehoeften? Het gaat met andere woorden om diepgewortelde patronen die in je lijf zitten waardoor je altijd in dezelfde valkuilen trapt.”

https://www.demorgen.be/tv-cultuur/bart-schols-verdween-even-uit-de-afspraak-als-je-zit-waar-ik-gezeten-heb-zoek-dan-hulp~ba6c4afbb/?utm_source=demorgen&utm_medium=email&utm_campaign=newsletter&utm_content=ochtend&utm_userid=&ctm_ctid=a57e40ae9feefc6f3d4cf29b9a49158e

“Als ik vroeger over mijn jeugd sprak, ging het meestal over mijn moeder (die zelfmoord pleegde toen Schols dertien jaar was), maar het gaat veel verder dan dat. Ik ben opgegroeid in een gezin waar de grootste onvoorspelbaarheid heerste. Zou er die dag gedronken worden? Zouden er klappen worden uitgedeeld? En aan wie deze keer? (zwijgt even) Waar zou ik dus geleerd hebben dat ik van betekenis ben voor iemand anders? Want dat is net wat ik altijd gedaan heb: betekenis gezocht. In mijn werk, in het sporten, in relaties.”

https://media.standaardboekhandel.be/-/media/mdm/dante/product/5a812d75677e62.49960719.pdf

Leven in je leven 4e druk is een boek van J. Young uitgegeven bij Pearson Benelux B.V.. ISBN 9789026515699

Geluid is een stille doder

De kerk van Nieuwerkerken, bij Aalst. Na een klacht van een buurtbewoner luiden de klokken niet meer voor acht uur ’s ochtends.

Waarom zure buren kanaries in de koolmijn zijn

De Standaard – Sarah Vankersschaever – 20.08.2019

In Nieuwerkerken luiden de kerkklokken niet langer om zes uur ’s ochtends. Geluidsoverlast, vond een buurtbewoner. Gevoelig of overgevoelig? ‘Als geluid een groepsprobleem wordt, is dat een teken dat de samenleving te luid wordt.’

‘Ik ken de man niet, maar hij zou net voorbij de kerk wonen. Hoe dan ook, ’t is belachelijk.’ Sofie Wynant (36), uitbaatster van het dorpscafé ‘Bij Sofie’, heeft weinig begrip voor de nieuwkomer in Nieuwerkerken die de klokken deed zwijgen. De kerk gaf tot drie maanden geleden vanaf zes uur ’s ochtends het uur aan. ‘Zo wist de zoon van mijn nicht wanneer hij moest opstaan’, zegt Denise D’Hondt (83), die in een appartement recht tegenover de kerk woont. ‘Ik heb nergens last van. Schrijf dat maar op. De kerk is mijn klok: zo hoor ik wanneer ik ’s middags mijn kleinkind van school moet halen. Of wanneer er iemand gestorven is.’

Voortaan luidt de klok dus pas vanaf acht uur ’s ochtends en in het weekend vanaf negen uur. Francine Van Styvendael (80) woont al haar hele leven in het centrum en vindt het erg dat ene mensch een hele gemeenschap de wet kan dicteren. ‘Als je geen kerkklok kunt verdragen, wat verdraag je dan wél nog?’

De voorbije jaren werden meermaals klachten ingediend tegen kinderdagverblijven, scholen, zwembaden en speelpleinen. Tjeerd Andringa, universitair hoofddocent Auditory Cognition aan de Rijksuniversiteit Groningen, ziet het zo: ‘Los van waar die klachten precies over gaan, hebben ze als rode draad dat de mensen in kwestie geluidsoverlast ervaren. En die klachten nemen toe. Dat wil iets zeggen – aan ons om uit te zoeken wat.’

‘Mensen die vanuit hun living bomen zien, ervaren hun buurt als stiller dan mensen die bij eenzelfde geluids­niveau op beton of huizen kijken’
Dick Botteldooren
Professor omgevingsgeluid Universiteit Gent

Andringa doet dat met behulp van zijn app MoSART, waarmee mensen een geluidsdagboek kunnen bijhouden. ‘De meeste enquêtes over geluidsoverlast worden na de feiten afgenomen, maar we willen weten wat mensen tíjdens de overlast ervaren.’
Die informatie is belangrijk omdat ze Andringa en zijn team helpt te begrijpen waarom een kerkklok door de ene als storend wordt ervaren en door de andere als neutraal of zelfs geruststellend. ‘Overlast zit vooral tussen je oren’, zegt hij. ‘Zelfs als we denken geen aandacht te schenken aan omgevingsgeluid, luistert een deel van onze hersenen actief. Je kunt alleen maar iets negeren als je er geen aandacht aan besteedt. En je weet pas dat je er geen aandacht aan moet besteden omdat in de hersenstam is beslist dat je er niet naar hoeft te luisteren, bijvoorbeeld omdat het in de categorie ongevaarlijk of onbelangrijk valt.’

Precies daar kan het mislopen. Door een negatieve ervaring of door een medische oorzaak kan onze hersenstam het luiden van een klok markeren als een geluid waar je naar moet luisteren. Dat is het moment waarop een geluid zoals een herhaalde tik op je schouder wordt en je uit je concentratie haalt. Het wordt storend en je koppelt het aan een negatieve emotie.

Vicieuze cirkel

‘Overlast zit vooral tussen de oren. Zelfs als we denken geen aandacht te schenken, luistert een deel van ons brein actief’
Tjeerd Andringa
Universitair hoofddocent Auditory Cognition aan de Rijksuniversiteit Groningen

De tijd om gehoorproblemen louter als een medisch probleem te behandelen is daarmee voorbij’, zegt Nicolas Verhaert, oorchirurg in het UZ Leuven en professor aan de KU Leuven. ‘Tot zo’n vier jaar geleden lag de nadruk op medisch advies, maar we merkten dat patiënten daar niet altijd vrede mee namen. Na hun behandeling zochten ze verder naar een oplossing voor hun gehoorprobleem. Ze deden dat soms weinig kritisch en besteedden daar veel geld aan. We beseften dat we in psychologische begeleiding moesten voorzien. Daarom hebben we sinds een paar jaar onder anderen een klinisch psycholoog in ons team.’

Geen overbodige luxe, zegt Verhaert. ‘Alleen al de wanhopige zoektocht naar hulp is problematisch omdat mensen hun gehoorproblemen als een catastrofe zien. Ze worden bang dat ze geen goed leven meer zullen hebben. Precies die angst kan gehoorproblemen zoals tinnitus (oorsuizen, red.) versterken. Een psycholoog helpt de vicieuze cirkel te doorbreken.’

Gehoorproblemen zijn dus vaak een complexe combinatie van medische en psychologische oorzaken. Vooral de psychologie staat op dit domein nog in haar kinderschoenen. Zo bestaat er nog geen oplossing voor het proces dat Tjeerd Andringa zonet beschreef: het is nog niet mogelijk om een geluid te ‘ontstoren’ in de hersenstam. ‘Net zoals bij tinnitus moet je de negatieve emoties bij overlast proberen te doorbreken, anders versterken emotie en geluid elkaar’, zegt Andringa. ‘We geloven dat er een therapie voor ontwikkeld kan worden, want het proces heeft veel weg van hoe trauma’s ontstaan en doorwerken. Maar er is nog veel onderzoek nodig. Ook naar hoe je zoiets praktisch organiseert, want veel mensen zullen het als onrechtvaardig ervaren dat zij therapie moeten volgen, terwijl iemand of iets anders geluidsoverlast veroorzaakt.’

Perceptie

Het zit niet allemaal tussen de oren. ‘Algemeen is geluid de voorbije decennia constanter en langduriger geworden’, vertelt Dick Botteldooren, professor omgevingsgeluid aan UGent. ‘Auto’s, treinen en vliegtuigen bijvoorbeeld, zijn elk apart stiller, maar het zijn er wel meer dan vroeger. Mensen verplaatsen zich bovendien vroeger op de dag en later ’s avonds om file te vermijden.’

‘Als een zone verkeersvrij wordt, zullen individuele geluiden zoals stemmen op een café­terras meer opvallen. In decibels zal het dan stiller zijn, maar niet noodzakelijk in de perceptie van de buurtbewoners.’

Daarmee is een groot woord gevallen: perceptie. Botteldooren wees eerder in deze krant op het effect van imago op onze beleving (DS 29 januari). Onderzoek toonde aan dat mensen zich meer storen aan het lawaai van vliegtuigen dan van treinen, zelfs bij eenzelfde geluidsniveau. Het verschil: de perceptie van milieuvriendelijkheid. Diezelfde logica kan een deel van de verklaring zijn van het resultaat van het vijfde Leefom­gevingsonderzoek: de auto kwam daar als grote verliezer uit de bus, zowel op het vlak van geluids- als geurhinder. De wagen heeft dan ook een milieuonvriendelijker imago gekregen de jongste jaren.

Algemene perceptie, context en individuele psychologie: samen bepalen ze wanneer geluid lawaai wordt. Personen die geluidsoverlast melden in een vingerknip wegzetten als ‘zure buren’ of ‘onverdraagzame klagers’, is daarom te gemakkelijk. Samen zijn die mensen kanaries in de koolmijn, vindt Andringa. ‘Als geluid een groepsprobleem wordt, is dat een teken dat de samenleving te luid wordt. Of op z’n minst niet langer stil genoeg. Dat is een pervers effect van onze geluidsnormen: door alles in normen vast te leggen, geef je als overheid het signaal dat tot een bepaald niveau alles kan. Dus de “lage kwaliteit” juich je toe. Maar de “hoge kwaliteit”, de stilte, krijgt niet diezelfde wettelijke slagkracht. Met als gevolg dat die afneemt.’

En dat is zonde volgens Andringa, want hij gelooft dat als elk huis een stille kant zou hebben, we er allemaal wel mee zouden kunnen leven dat het huis ook een ‘herriekant’ heeft.

Al is dat in de praktijk niet zo eenvoudig, blijkt uit het verhaal van B. J.* (67) uit Oudenburg. Zij woont tussen twee horecazaken. In de ene zaak is het rustig, maar in het andere café wordt vaak tot in de vroege uren gezongen, geroepen en gedanst. ‘Het lawaai is allesoverheersend, het heeft zelfs geen zin om de radio aan te zetten’, zegt B. ‘Mensen vragen me waarom ik niet verhuis Maar dit huis is al generaties in de familie en ik woon hier met mijn chronisch zieke zus. We hebben de middelen niet om in het centrum iets nieuws te zoeken.’

Dempend groendak

Ze wil bovendien helemaal niet klagen. Want ze drinkt zelf ook graag een glas op een terras en ze weet dat als je in het centrum woont, je wel wat moet kunnen verdagen. ‘Maar die muziek … We liggen ’s nachts wakker tot het ­café opgeruimd en dicht is. Het vreet aan je dat iemand zo veel macht heeft over hoe je je thuis voelt en of je kunt slapen. Ik voel me vaak radeloos.’

De oplossing voor geluidsoverlast loert niet om de hoek. Omdat er volgens Botteldooren onvoldoende preventief over wordt nagedacht. ‘Akoestiek is nog altijd geen verplicht vak binnen stedenbouw’, zegt Botteldooren. ‘We hebben jaarlijks twee inschrijvingen, wat aantoont dat studenten er niet in geïnteresseerd zijn. Zonde, want zodra je iets moet doen om de ervaring van mensen met geluid te beïnvloeden, wordt het technisch: je moet weten hoe je moet meten, hoe je een wegdek stiller maakt, hoe je een dempend groendak aanlegt. Maar evengoed moet je weten dat geluid ook psychologie is, want mensen die vanuit hun living struiken of bomen zien, ervaren hun buurt als stiller dan mensen die bij eenzelfde geluids­niveau op beton of huizen kijken.’ Voor Botteldooren is het duidelijk: het wordt tijd dat geluid gezien wordt als een integraal deel van stadsontwikkeling.

Volgens Andringa hoeven we niet te wachten tot het beleid wakker wordt. Een deel van de oplossing ligt in menselijk gedrag. ‘Wederzijds begrip en bereidheid om te zoeken naar een oplossing. Het is niet altijd haalbaar, uiteraard. Maar ik denk aan een dame die moeite had met de luide scooters van een pizzarestaurant in haar buurt. Het restaurant is overgeschakeld op elektrische scooters en het probleem was opgelost. Of ik denk aan de buren van een kroeg die ’s nachts luide feesten organiseerde. De kroeg werd verplicht om te sluiten om middernacht en aanvankelijk hebben ze inderdaad minder feesten verkocht. Maar nadien werden mensen dat gewoon en begonnen ze gewoon vroeger. De overgang was een paar maanden moeilijk, maar uiteindelijk werkte de oplossing voor iedereen. Het gaat erom hoe je een samenleving vorm geeft. En dat moet in de eerste plaats op mensenmaat zijn.’

B.J. wenst anoniem te getuigen. Naam en contactgegevens zijn bekend bij de redactie.

Becky Wijnen en haar man in hun tuin in de Borgerhoutse Weerstandlaan (foto onder). Al ‘honderdduizend keer’ overwogen ze om te verhuizen. Iets verderop (foto boven) werden in de jaren 80 geluidsschermen geplaatst tegen het lawaai van de snelweg, maar die volstaan niet meer. 

Lawaai kan ook een stílle doder zijn

De Standaard – Jef Poppelmonde – 21.08.2019

Ook wie het niet (meer) hoort, wordt langzaam maar zeker ziek van luid omgevingslawaai. ‘Het is een zwaar onderschat probleem.’

Voor wie oordoppen draagt, is de Weerstandlaan in Borgerhout een idyllisch plaatje. Een rustige woonwijk, met keurige voortuintjes, een straat waar kinderen nog spelen en waar de groene boomkruinen vol fluitende vogels zitten. Jammer alleen dat die laatste niet boven het gedonder uitkomen van vracht- en andere wagens over de E313, de snelweg die deze woonwijk dag en nacht in de ban houdt.

Patrick Vermeren (60) en Brun Moonen (58) wonen al 35 jaar in deze straat. ‘Wij zijn zo aan het lawaai gewend dat we het bijna niet meer horen’, zeggen ze met verheven stem, bijna roepend, om boven het geraas uit te komen. We staan in hun achtertuin en onze decibelmeter wijst een gemiddeld niveau van 67 decibel aan. En dat op een rustige maandagnamiddag buiten de spits. Door de boomkruinen zie je de geluidsbron over de snelweg schuiven.

Met open ramen slapen durven Patrick en Brun niet, ‘want al om vier uur ’s ochtends beginnen de file en het getoeter’. Maar ze zitten tijdens de zomer wel hele dagen buiten in de tuin. ‘Dat laten we er niet voor. Dat lawaai went, echt waar’, antwoorden ze op onze verbaasde blik. ‘Het is pas als bezoekers er ons op wijzen, of als we in een rustige buurt met vakantie zijn, dat we er nog eens stil bij staan.’

Als een wekker

‘Ieder jaar zijn er op festivals mensen die klaplongen krijgen. Dat zijn vooral lange, smalle mannen, op wier organen de impact van de vibraties het grootst is’
Bart Vinck
Professor UGent, wereldautoriteit in audiologie

Stil, dat is het hier nooit. Bij de laatste metingen, gedurende twee weken in 2012, werd hier in de Tuinwijk een gemiddeld geluidsniveau van 68 decibel vastgesteld – overdag en ’s nachts gecombineerd. Pieken waren er tot wel 80 decibel, een niveau dat vergelijkbaar is met een rinkelende telefoon, een wekker of een deurbel, maar dan zonder dat iemand hem opneemt, afklopt of de deur openmaakt.

Daarmee zijn de bewoners van de Tuinwijk niet alleen. In de Antwerpse agglomeratie zijn, volgens de meest recente metingen van de stad uit 2016, ruim 142.000 inwoners blootgesteld aan gemiddelde geluidsniveaus van meer dan 55 decibel. Ruim 45.000 mensen moeten zelfs meer dan 70 decibel verduren. Dat lawaai is bijna uitsluitend van het wegverkeer afkomstig, en in heel beperkte mate van het spoor. In Gent en Brussel is de situatie niet beter, tonen geluidsrapporten die door de steden zelf werden opgesteld (zie grafiek).

Maar ook buiten de grote agglomeraties, in de Vlaamse lint­bebouwing en langs snel- en gewestwegen, zijn vergelijkbare geluidsniveaus verre van uitzonderlijk. Honderdduizenden Vlamingen zijn aan schadelijk lawaai onderhevig.

Hartinfarct

Want schadelijk is het. Geluid is volgens de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie ‘te’ luid vanaf een gemiddelde van 53 decibel per 24 uur. Daar ligt de ‘gezonde’ grens.

Vanaf dat niveau van blootstelling ervaart het menselijke lichaam dat geluid als een oncomfortabele situatie, waartegen het zich moet verdedigen. Een vluchtreflex zet zich in gang: de bloeddruk stijgt, het lichaam gaat meer adrenaline oppompen, de hartslag neemt toe. Er komen stresshormonen vrij. Wie zich vaak in zo’n luide omgeving bevindt – laat staan wie erin woont en slaapt – ziet het risico op hart- en vaatziekten stijgen. En zo ook de kans op een hartinfarct.

Bij die honderdduizenden Vlamingen en Brusselaars die gemiddeld aan meer dan 53 decibel per dag zijn blootgesteld, zijn er velen zoals Patrick en Brun uit de Weerstandlaan – die zeggen dat zij daar ‘tegen kunnen’. Lawaai went, het leven gaat door. Maar waar beleving van geluid iets subjectiefs is, is de impact ervan op het lichaam dat niet.

Ook wie het al niet meer merkt, zal langzaam maar zeker ziek worden door (te) luid verkeerslawaai. ‘Ons lichaam is een sensor die alles oppikt, ook al zien of horen we dat niet’, zegt Bart Vinck, professor aan de Universiteit van Gent, wereldautoriteit in de audiologie en tot voor kort hoofdarts in het UZ van Gent. Daar behandelde hij vooral patiënten met tinnitus, of oorsuizingen. Maar die kunnen pas optreden bij blootstelling aan meer dan 75 decibel. Ze maken ook slechts een kleine fractie uit van de medische impact van geluid.

Varkenslongen scheuren

‘De meest schadelijke gevolgen worden zelfs veroorzaakt door tonen die we niet horen’, zegt Vinck. Hij doelt op geluiden met een frequentie van minder dan 20 hertz, die ook door verkeer uitgestoten worden. Ze zijn met het menselijke gehoor niet waarneembaar, maar bevatten de zwaarste trillingen. En het zijn die trillingen, die iedereen kent die weleens voor een zware luidspreker staat, die ziek maken. Ze hebben directe impact op het hart, de bloedvaten en zelfs de longen.

‘Ieder jaar zijn er op festivals mensen die klaplongen krijgen. Dat zijn vooral lange, smalle mannen, op wier organen de impact van de vibraties het grootst is. Geluid kan de longen van een varken doormidden scheuren’, illustreert Vinck de kracht van (onhoorbaar) geluid.

Of we het lawaai nu waar­nemen of niet, de verborgen effecten ervan zijn even groot. Gevolg: ’s nachts zijn ze even groot als overdag. ‘En dan komen daar nog de gevolgen bij van verstoorde nachtrust, zoals vermoeidheid, stress, afname van de weerstand tegen ziekte, of – op langere termijn – diabetes.’ Dat is waarom de normen die de WHO maar ook Vlaanderen voor geluid opleggen, ’s nachts strenger zijn dan overdag. Maar nog voldoen ze volgens Vinck niet.

De ‘extra-auditieve’ effecten van geluid zijn een zwaar onderschat probleem, zegt hij. ‘De criteria die we gebruiken om geluid te meten, die waar onze wetgeving op is afgestemd, worden altijd in decibels uitgedrukt. Die maatstaf zegt veel, maar niet alles. Hij houdt geen rekening met de frequentie van geluid, met de hoeveelheid trillingen erin aanwezig. Soms zie je mensen ziek worden van geluid. Als ze klagen, komen er metingen, en die tonen dan dat de decibelnorm niet overschreden is, waarna er niets verandert.’

‘Daar moet dringend iets aan gedaan worden. Het is goed dat er overal oordoppen uitgedeeld worden en dat er wordt ingezet op isolatie van huizen, maar die houden de trillingen niet of onvoldoende tegen. Ze voorkomen gehoorschade, maar ze doen niets af aan alle andere gevaarlijke effecten van geluid. Daartegen helpt het lawaai verminderen bij de bron – meestal dus bij het verkeer.’

Slapen met oordoppen

Becky Wijnen (49) uit de Weerstandlaan is ervan overtuigd dat zij en haar familie ‘rustiger’ zouden zijn, als ze zonder snelweg in hun achtertuin zouden wonen. ‘Elke dag opnieuw sta ik daarbij stil’, vertelt ze. Al ‘honderdduizend keer’ overwoog ze om te verhuizen, zucht ze op de stoep voor haar woning. ‘Wij wonen hier graag. Kinderen kunnen op de straat spelen. Maar dat lawaai is een enorme bron van stress.’ In tegenstelling tot hun buren ‘kunnen wij niet in de achtertuin zitten’.

Maar zo vervelend ze dat geluid overdag vindt, zo weinig trekt Wijnen er zich ’s nachts dan weer van aan. ‘Wij slapen altijd met onze ramen open, ik word er niet wakker van’, zegt ze. ‘Niet veel buren kunnen dat. Wij in het begin ook niet, maar het went.’ Al geldt dat niet voor het hele gezin: ‘Eén van mijn dochters slaapt altijd met oordoppen in.’

Ze maakt zich weleens zorgen, zegt Wijnen. Zeker sinds een van haar buren, verderop in de straat, verhuisde nadat hij door een hartaanval getroffen was. ‘Zijn dokter zei dat hij onmiddellijk moest ophouden met roken en stress moest vermijden. Maar die man had nog nooit gerookt en had ook geen stress. Toen hij vertelde waar hij woonde en over de snelweg in zijn tuin, zei die dokter: “Als u graag ouder wil worden, zou ik snel verhuizen.” En dat deed hij.’

Voor Ceelke Van Nuffelen (links), Nora Larosse (midden) en Mustafa Körükçü (rechts) is ‘normaal’ mét muziek in de oren.

‘Met muziek in mijn oren, zit ik in mijn eigen wereld’

De Standaard – Maxie Eckert – 22.08.2019

De tieners en twintigers zijn opgegroeid met mp3’s en iPods. Kunnen ze niet meer zonder? Mag het nooit meer stil zijn? Drie jongeren vertellen waarom ze zo gehecht zijn aan hun koptelefoon of oortjes.

Annick Gilles, professor audiologie (UZA/UAntwerpen)
‘Het oor kan recupereren, maar de schade bouwt wel op’

Als ze door het bos aan het joggen is, ze even stopt en haar koptelefoon afzet, denkt Nora Larosse wel eens: ‘wow, wat je hier allemaal kan horen.’ De wind, de bomen, de bladeren. ‘En ik mis het allemaal.’

De 22-jarige studente is een van die vele jongeren die je op straat ziet met hun koptelefoon of hun oortjes. In de tram, op de fiets, wachtend aan het kruispunt. Veel tieners en twintigers van vandaag kunnen zich niet meer herinneren hoe het ooit geweest is zonder mp3-spelers en iPods.

Met muziek op gaat het allemaal sneller vooruit, vertelt Nora, zoals bij het sporten. Het is een van de redenen dat ze vaak haar koptelefoon draagt. Ook al mist ze dan soms iets dat ze niet had verwacht, maar dat wel mooi is. Zoals de geluiden in het bos of een grappig gesprek dat andere reizigers op de trein voeren.

‘Soms wil ik met de koptelefoon ook het signaal geven dat ik rust wil. Dat klinkt misschien asociaal. Maar we sluiten ons toch allemaal af van onze omgeving? Iedereen zit toch de hele tijd naar zijn smartphone te kijken?’
Nora Larosse
Studente

Net als Nora heeft Mustafa Körükçü (24), die als schoonmaker in een jongerencentrum in Antwerpen werkt, altijd muziek in de oren als hij onderweg is. ‘Per dag kom ik gemiddeld wel aan 3,5 uur met oortjes. Met de muziek zit ik in mijn eigen wereld, ik kan in gedachten verdwalen en heb geen last van toeterende auto’s, mensen die luid praten of ander stadslawaai. De muziek moet daarvoor natuurlijk wel voldoende luid staan.’
Ook voor Ceelke Van Nuffelen (25) is muziek via de koptelefoon een manier om te ontsnappen. Naar haar job bij het jongeren­persagentschap StampMedia in Antwerpen-Noord neemt ze de fiets – altijd met muziek. ‘De weg naar het werk is routine, maar als ik mijn koptelefoon opzet en naar Beyoncé luister, begin ik te dromen. Hoe het zou zijn om met haar op het podium te staan, bijvoorbeeld. Of ik denk er bij een nummer aan hoe het later op mijn trouwfeest gespeeld zou worden.’ (lacht) ‘Je duikt weg in een andere wereld.’

Zoals een hoed afzetten

Bij haar ouders thuis kan Ceelke de vogels horen fluiten. Daar heeft ze minder behoefte om altijd muziek op te zetten. Ook Mustafa heeft regelmatig zo’n moment dat het voor hem loont om zijn oortjes weg te steken: als hij de waterbus over de Schelde neemt. ‘Het geluid van de motor, het water en de meeuwen, daar kan ik echt van genieten. Het geeft rust. Maar in de stad gaan de oortjes weer in en de muziek weer aan.’

‘Normaal’, dat is voor alle drie mét muziek in de oren. Ja, ze sluiten zich bewust af van de omgeving en van andere mensen als ze onderweg zijn, zeggen ze. ‘Als ik in de trein iets laat vallen, moeten mensen me echt aantikken om me erop te wijzen’, vertelt Nora.
‘Als je geen koptelefoon op hebt, knopen anderen gemakkelijker een gesprek met je aan. Maar soms is het gewoon fijn om in je eigen wereld te zitten en wil ik met de koptelefoon ook het signaal geven dat ik rust wil. Dat klinkt misschien asociaal. Maar we sluiten ons toch allemaal af van onze omgeving? Iedereen zit toch de hele tijd naar zijn smartphone te kijken?’

Je hoofdtelefoon af- en de muziek uitzetten als toch iemand tegen je begint te praten, vinden ze alle drie normaal. Mustafa noemt het een nieuwe vorm van hoffelijkheid. ‘Zoals mannen vroeger hun hoed afzetten voor anderen.’

Beyoncé op 82 decibel

Hun muziek staat eigenlijk altijd luid, zeggen de drie twintigers. ‘Ik probeer er wel op te letten dat ik het volume niet altijd op het maximum zet. Om mijn oren te beschermen’, aldus Nora.

Ook Ceelke probeert daarop te letten. Tijdens ons gesprek meten we hoeveel decibel uit haar koptelefoon komt. Als ze haar iPod op z’n luidst zet, haalt Beyoncé tussen 78 tot 82 decibel, vergelijkbaar met de geluidsintensiteit van een drukke verkeersweg of een voorbijrazende trein. Behoorlijk luid, beseft de jonge vrouw. ‘Maar alleen als ik luid naar muziek luister, pik ik er iets van op. Ook al heb ik al zo vaak naar hetzelfde nummer geluisterd. Ik hoor telkens weer iets nieuws, bijvoorbeeld in de baslijn. Of ik merk een harmonie op. Het is ook gewoon fijn om muziek luid te beluisteren. Je voelt de bassen en de trillingen. Dat doet iets met je.’

Dat luide muziek zo’n aantrekkingskracht heeft op mensen, legde muziekpsycholoog Mark Reybrouck (KU Leuven) eerder deze zomer uit (DS 16 juli). Vanaf 96 decibel – een geluidsniveau dat al schadelijk is voor je gehoor – worden de oren en het evenwichtszintuig zodanig geprikkeld dat luide muziek dezelfde sensatie geeft als in een schommelstoel zitten of gewiegd worden. ‘Dat vinden mensen aangenaam’, aldus de Leuvense onderzoeker.

Tinnitus

Ceelke maakt zich wel zorgen dat haar oren blijvend schade zouden kunnen oplopen door luide muziek. ‘Want muziek is belangrijk voor me. Ik zing in een ensemble – we spelen nummers van David Bowie en Marvin Gaye – het zou vreselijk zijn als ik minder goed zou kunnen horen of een tinnitus zou hebben.’

Net als Nora kent Ceelke een aantal mensen dat door luide muziek een tinnitus heeft opgelopen. Ceelke heeft ook al eens zelf oorsuizingen gehad na een concert. ‘Bij optredens is de muziek soms niet goed afgesteld of de optredende bands zijn niet ideaal voor de zalen waar ze optreden. Ik herinner me een concert van Queens of the Stone Age waar de muziek zo luid stond dat je zelfs de details ervan niet meer kon horen. Het was een muur van geluid die op ons afkwam. Ik had wel oordoppen bij, maar ik heb die niet gedragen. Dat doe ik eigenlijk nooit.’

Na dat concert heeft Ceelke haar oren een paar dagen rust gegund om het niet erger te maken.

Nora vertelt dat ze altijd oordoppen bij heeft als ze op een festival is. Ze draagt die ook ‘wanneer het echt te luid wordt’.

De muziek op Werchter haalde deze zomer volgens de decibelmeter op de gsm van Nora tot 98,6 decibel. ‘Dat was aan de main stage. Ik had eigenlijk niet het gevoel dat de muziek echt luid was. Hoewel, ik moest roepen tegen mijn vrienden. Maar het voelde niet te luid. Misschien omdat het concert buiten was?’

Muziek in het verkeer

Los van hun oren: hebben de jongeren geen schrik dat hen iets overkomt als ze hun koptelefoon dragen, bijvoorbeeld doordat ze een auto niet zouden horen?

Mustafa zegt dat hij om die reden nooit op de fiets naar muziek luistert. Ceelke en Nora doen dat wel. Ceelke zet op de fiets de muziek niet op de luidste stand om niet te veel te missen van wat er om haar heen gebeurt, al komt er ook dan nog wel 64 tot 69 decibel uit haar hoofdtelefoon. ‘Ik hoor de auto’s er wel doorheen. Maar toegegeven, af en toe luister ik op de fiets té geconcentreerd naar muziek. Dan let ik minder goed op.’
Nora zegt dat ze wel weet dat het veiliger is om helemaal niet naar muziek te luisteren bij het fietsen. ‘Maar ik denk dat ik eerst iets serieus moet meemaken voor ik het echt besef.’

Annick Gilles, professor audiologie (UZA/UAntwerpen)
‘Het oor kan recupereren, maar de schade bouwt wel op’

Is het schadelijk om de hele dag een koptelefoon te dragen en naar muziek te luisteren?

‘Nee, in principe is dat geen probleem voor je oren. Het wordt wel een risico als je naar luide muziek luistert. Daarmee bedoel ik: in het hoogste kwart van de volumecapaciteit van je smartphone of mp3-speler. Per dag mag je maximaal een halfuur tot een uur naar zo’n luide muziek luisteren. Helaas doet een groot deel van de jongeren dat langer.’

Hoeveel jongeren hebben gehoorschade, uitgelokt door luide muziek?

‘Uit ons onderzoek bij 5.000 Vlaamse jongeren blijkt dat ongeveer 15 tot 20 procent van de jongeren gehoorschade heeft, en de belangrijkste oorzaak is luide muziek op concerten, via de koptelefoon of een combinatie ervan. De meeste klachten gaan over tinnitus of oorsuizen. De jongeren horen dan geluiden zoals geruis, een constante piep, gebonk of gekrekel.’

‘Er bestaat geen middel tegen tinnitus, want de haarcellen in het binnenoor zijn permanent beschadigd. De therapie richt zich er veeleer op dat je ermee leert leven. De psychologische gevolgen zijn niet min: wie tinnitus heeft, kan zich vaak moeilijk concentreren door het oorsuizen, krijgt slaapproblemen en is geïrriteerd door het geluid.’

‘Als je na een concert of feestje gepiep hoort, is dat een alarmsignaal. De haarcellen in het binnenoor kunnen dan wel recupereren en het oorsuizen stopt. Maar er blijft wel een schade achter en die bouwt op naarmate je vaker bent blootgesteld aan lawaai.’

Is de regelgeving rond het volume op concerten en festivals streng genoeg?

‘De wetgeving is een evenwicht tussen de bescherming en de beleving van bezoekers. Op een festivalweide produceren duizenden mensen zelf al veel lawaai en de muziek moet voldoende power hebben om erbovenuit te komen. De wetgeving is er om extremen tegen te gaan. Organisatoren zijn verplicht om gehoorbescherming aan te bieden. Er ligt dus ook een bepaalde verantwoordelijkheid bij de concertgangers om deze dan ook te dragen.’

Sommige mensen dragen niet graag oordoppen.

‘De universele oordoppen zitten niet bij iedereen goed en je hebt een risico op lekkage als ze niet goed zitten. De oordoppen die je op maat kan laten maken, sluiten wel heel goed af. En ze dempen het geluid zonder de muziek te vervormen. Maar oordoppen op maat laten maken, is niet goedkoop. Een paar kost tussen 100 en 150 euro.’

Helpt het om jongeren ervoor te waarschuwen dat luide muziek schadelijk is?

‘Ja. Uit ons onderzoek blijkt dat de jongeren die in aanraking zijn gekomen met campagnes rond gehoorschade, veel vaker de intentie hebben om hun oren te beschermen. Het effectief gebruik van gehoorbescherming stijgt wel maar van 3 à 5 procent naar 15 procent bij degenen die de campagne kennen. Dat zou nog meer mogen zijn.’

Ook in Grimminge, in het stiltegebied Dender-Marke, valt niet te ontkomen aan geluid, van de natuur en landbouw bijvoorbeeld.

Een soort van stilte

De Standaard – Sarah Vankersschaever – 23.08.2018

Het zijn harde tijden voor stiltezoekers. Wie zich stoort aan geluid of lijdt onder lawaai, moet goed zoeken om een rustige plek te vinden. Toch is stilte meer dan de afwezigheid van geluid.

‘Stilte is een toestand dat er weinig of geen geluid wordt gehoord of gemaakt en dat er weinig of niet gesproken wordt.’ Zo eenvoudig als het in Van Dale staat, zo moeilijk is het daarbuiten. Want de offerte voor een geluidsdichte eenpersoonsbunker met een heel stille koffiezet viel toch wat tegen.

Stilte is meer dan de afwezigheid van geluid. Het is in de eerste plaats een toestand die ruimte laat om na te denken, voor reflectie zonder afleiding. Dat is geen luxe maar noodzaak, vindt filosoof Johan Braeckman (UGent). ‘Stilte heeft veel betekenissen. Ze kan laf zijn, zoals wanneer niemand luidkeels protesteert wanneer het nodig is. Ze kan bedreigend zijn, zoals een zwijgzaam horrorpersonage in een roman van Stephen King. Maar op haar best is ze van levensbelang. Ze geeft betekenis aan wat waardevol is, zoals interpunctie een reeks woorden zinvol maakt.’

We hebben momenten van stilte nodig. Alleen beleeft iedereen die anders. Dus zoeken we niet allemaal naar hetzelfde als we zeggen dat we zoeken naar stilte.

Temperatuur

‘Stilte dreigt stilaan een luxeproduct te worden en daar moeten we van af. Stilte is van niemand en van iedereen’
Dirk Sturtewagen
Burgerbeweging ‘Waerbeke’

Vlaanderen telt tien stilte­gebieden. Als nonchalante kruimels liggen ze over het land verspreid, akoestisch waardevolle bubbels te midden van het woelen en ruisen van alledag. Toch haast de website van het Departement Omgeving zich om te zeggen dat het in een stiltegebied niet muisstil is. Het zijn gebieden met een ‘aangenaam geheel van geluiden. In een landelijke omgeving overheersen natuurlijke geluiden, afkomstig van zowel fauna als flora. Ook geluiden afkomstig van bewoners, bezoekers, landbouw en natuur- of bosbeheer maken deel uit van het geluidsklimaat in een landelijk stiltegebied.’ En evengoed: ‘In een stedelijke omgeving zal een mengeling van menselijke en natuurlijke geluiden de aantrekkelijkheid bepalen.’

Stilte is een klimaat, een sfeer. Een toestand dus. Dat we die toestand allemaal anders waarderen, kun je nog het best vergelijken met temperatuur: zoals 21 graden Celsius aangenaam is voor de een en te warm voor de ander, zal een plek voor de een stil genoeg zijn en voor de ander te luid.

Dick Botteldooren (professor omgevingsgeluid aan UGent) en zijn team onderzochten welke betekenis mensen aan rust geven. In acht Antwerpse stadsparken bevroegen ze in totaal 660 bezoekers. ‘Voor de overgrote meerderheid van mensen heeft rust een sociaal kantje’, zegt Botteldooren. ‘Geluiden van andere mensen storen met andere woorden niet. Maar voor 18 procent van de bevraagden vereist een rustige omgeving absolute stilte. De overige 8 procent associeert rust met het horen van natuurlijke geluiden. Die laatste groep was in onze studie kleiner dan wat je in de literatuur vindt.’

Associeer je rust met natuurlijke geluiden, dan zal een haagschaar je sneller storen, omdat het een geluid is dat je niet verwacht

Tot welke groep je behoort en wat je dus als rustig ervaart, heeft bovendien invloed op welke geluiden je hoort en onthoudt. Associeer je rust bijvoorbeeld met natuurlijke geluiden, dan zal een occasionele haagschaar je sneller storen, omdat het een geluid is dat je niet verwacht. En we weten allemaal: hoe meer je verwacht, hoe minder je doorgaans krijgt waarop je hoopt.

Doodstil

In het dorpje Grimminge, pal in het stiltegebied Dender-Marke in de regio rond Aalst, zeurt een haagschaar. Verderop blaft een hond en iemand herstelt een dak en heeft daar duidelijk een hamer voor nodig. Het paar Marc Tresignie (64) en Danny Mertens (65) wandelt er onverstoord overheen. Zelf wonen ze verderop in Galmaarden en al van kinds af aan zijn ze ondergedompeld in een wereld zonder ruis. ‘Vroeger voelde de stilte normaal omdat iedereen een huisje met een tuintje had en dus rust vond’, herinnert Danny Mertens zich. ‘Maar omdat onze samenleving zich veel bewuster is geworden van de waarde van stilte, zijn we die zelf ook als minder evident gaan zien. Onze kleinkinderen wijzen ons er vaak op dat we op een plek wonen die we moeten koesteren.’

‘Het is stil, maar eigenlijk ben ik altijd aan het luisteren’, zegt Marc Tresignie. Om zijn hals hangt een verrekijker: als vogelaar wil hij elke snavel gezien en gehoord hebben. ‘Ooit was ik in een bos in Frankrijk mijn boterhammen aan het opeten toen het écht stil werd. Er waren zelfs geen zingende vogels. Ik ben snel doorgewandeld. Sindsdien weet ik dat absolute stilte bedreigend kan voelen en ben ik blij dat ik af en toe een tractor hoor.’

Dreigend stil wordt het voorlopig niet in Vlaanderen. We wonen in een van de meest drukke zones van Europa. ‘We kleuren rood op de akoestische kaart’, zegt Dirk Sturtewagen. ‘Geen wonder dus dat de roep om stilte hier luid klinkt.’ Zelf ligt hij aan de basis van de sociaal-culturele burger­beweging ‘Waerbeke’, die ijvert voor stilte, rust en ruimte in Vlaanderen en Brussel.

‘Het is belangrijk dat er voldoende stiltegebieden zijn, anders worden die paar plekken misschien overspoeld door stiltezoekers’, zegt Sturtewagen. ‘Waardoor zo’n gebied natuurlijk zijn doel voorbij zou schieten.’

Maar ook: stilte is niet louter een kwestie van akoestiek. ‘We werken zowel rond buitenruimte als rond innerlijke ruimte’, zegt Dirk Sturtewagen. ‘Iemand die op zoek gaat naar stilte, is op zoek naar een bron van welbevinden. Door in te zetten op een cultuur van verstilling, willen we maken dat mensen die balans van rust en stilte met zich kunnen meenemen, waar ze zich ook bevinden.’

Want stilte mag geen luxe­product van de elite worden. ‘Dat dreigt het stilaan wel te worden, maar daar moeten we van af. Stilte is van niemand en van iedereen.’

Buren

Over het pad langs de Dender wandelt een grote hond met een dertiger aan de leiband. Omdat het dorp klein is en sommige mensen kleinzerig, wil hij zijn naam niet in de krant. Want dat een groep inwoners de rij honderd­jarige knotwilgen verderop wil vellen omdat hun wortels een stuk fietspad hobbelig maken, daar kan zijn verstand niet bij. Grimminge is dan wel stil en rustig, maar daarom niet per se vredig.

‘Sinds ik hier jaren geleden ben komen wonen, ben ik veel rustiger geworden en ervaar ik minder stress’, vertelt hij. ‘Ik ben opgegroeid naast een drukke ringweg en heb nadien vijftien jaar in het centrum van Gent gewoond. Maar ik had ’t gehad. Ik wilde rust en die vind ik hier. Als ik nu een namiddag in de stad doorbreng, moet ik er na een paar uur weg. Te druk, te veel lawaai.’

Natuurlijk ergert hij zich ook wel eens aan zijn buurman die de muziek te luid zet, maar die verdraagt dan weer zijn hond. ‘Soms ligt de rusteloosheid gewoon aan mezelf. Andere stoorzenders heb je niet in de hand. Zoals de vliegtuigen naar Zaventem die hier soms om het halfuur overvliegen. Die trekken er zich niets van aan dat dit een stiltegebied is. Integendeel, hoe minder inwoners, hoe minder kans op klagers.’
Of hij in dit stiltegebied oud wil worden? ‘We denken erover na om te verhuizen’, geeft hij toe. ‘Het raakt hier almaar meer verkaveld. De zoektocht naar stilte zal waarschijnlijk nooit helemaal stoppen.’

U vindt de stiltegebieden op
www.stiltegebieden.be
www.waerbeke.be

reactie

‘Stilte is een bewuste keuze’

Als radiopresentatrice bij Studio Brussel leeft Linde Merckpoel van geluid. Vorig jaar ging ze tijdens De Warmste Week de uitdaging aan om een week lang te zwijgen.
‘Ik apprecieer de stilte hoe langer hoe meer’, zegt Merckpoel. ‘Als kind en als tiener vond ik die momenten raar en zelfs ongemakkelijk, maar gaandeweg groeit het verlangen ernaar. Misschien gaat dat wel samen met volwassen worden. En met de nood om je drukke job en de luide samenleving te compenseren. Als kind ben je je daar niet zo bewust van, dan ben je zelf druk.’

‘Mijn ouders wonen in Zuid-Frankrijk en als ze nog eens in Vlaanderen zijn, zegt mijn moeder vaak hoe luid ze het hier vindt. Ze moet daar echt opnieuw aan wennen. Ik begrijp dat, want omgekeerd moet ik bij hen in Zuid-Frankrijk wennen aan de stilte. Het doet me denken aan de Inuit die verschillende types wit kunnen onderscheiden: ongetwijfeld bestaat zoiets ook voor stilte. Je hebt er gradaties in.’

‘Ik vind stilte en rust een bewuste keuze. Impulsen komen ongevraagd op je af en wil je die tegenhouden, dan moet je zelf een scherm optrekken. Ik ga bijvoorbeeld vaak dj’en en op weg naar huis, ’s nachts, verdraag ik geen muziek meer. Zelfs Klara is dan de prikkel te veel. Dus rij ik in stilte en voel ik hoe zoiets fysiek deugd kan doen. Het is een zintuiglijk genieten van stilte.’

Linde Merckpoel, radiopresentatrice

Stilte

Stil
Stiller
Stilst.

Micheline Baetens, 23.06.2012

Schoondochters en schoonmoeders

Schoondochters. Ze klagen heel wat tegen hun partner, hun eigen moeder, bij vriendinnen en in forums over hun schoonmoeder. Maar is dat wel het probleem? Is het niet wat kortzichtig te denken dat schoonmoeders per se gemeen zijn? Want ook schoondochters blijken niet altijd gemakkelijk te zijn.

De Britse psycholoog Terri Apter van het Newnham College onderzoekt al twintig jaar de strijd tussen schoondochters en schoonmoeders. Uit haar onderzoek blijkt dat bijna twee derde van de schoondochters de moeder van hun man niet erg graag mag. Ze beschuldigen hen van ’onredelijk jaloers gedrag’ en ’overdreven moederliefde’.

’Het probleem is dat beide vrouwen proberen dezelfde positie binnen de familie te veroveren; die van de belangrijkste vrouw voor de zoon/de partner. Hierdoor voelen ze zich bedreigd door elkaar. Vaak zijn er conflicten omdat de één denkt dat ze wordt ondermijnd en bekritiseerd door de ander.,’ legt onderzoekster Apter uit aan de Engelse krant Daily Mail. ’Schoondochters zorgen meestal voor het eten, het schoonmaken en de kinderen. Dit maakt ze vatbaar voor kritiek van de oudere vrouw die het allemaal al eerder gedaan heeft.’

De onderzoekster opende zelfs een website waar schoonmoeders en schoondochters hun hilarische verhalen over deze traditionele strijd kunnen noteren:

http://www.motherinlawstories.com/

Je schoondochter voelt zich dus bedreigd; ze heeft de indruk dat jij, als schoonmoeder, alles wat zij doet al deed en ervaring hebt. Maar van die ervaring wil ze niet leren…

Blijf steeds positief over haar. Ga nooit bij je zoon klagen over wat je schoondochter in jouw ogen anders hoort te doen. Dat levert jouw respect op en je zoon zal het ook niet toestaan dat zijn partner slecht over jou spreekt. Op die manier blijft de relatie in elk geval ongeschonden.

Probeer je niet te bemoeien met het leven van je zoon. De inrichting van zijn huis, zijn kleding. Het is belangrijk de keuzes van de kinderen te aanvaarden, ook als je schoondochter een andere cultuur of manier van leven heeft dan jij zelf. Dat geldt ook voor de kleinkinderen, zolang ze niet bij jou thuis zijn. Thuis bepaal jij de regels; dat moet duidelijk zijn!

Houd voldoende afstand. Elke dag – of in sommige families elke week – weegt te zwaar voor de familiale relatie. Zorg ervoor dat je een leven hebt naast dat van je kinderen, zodat je niet voortdurend op elkaars schoot zit.

Bron: www.fiftytoo.be

https://www.trouw.nl/opinie/schoonmoeder-blijft-een-vreemde~b3b770c6/

Zijn we er genoeg voor de kinderen?

Ouders hebben horloges, kinderen hebben de tijd

De Standaard – Peter De Lobel – 08.08.2019

Vroeg of laat knaagt het bij elke ouder. Het is druk, we moeten zoveel, en soms lijkt er nauwelijks echt vrije tijd. Hoe maken we dan nog genoeg ruimte voor de kinderen? ‘Goed naar hen luisteren helpt.’

Hey Peter, jij hebt toch kinderen, hè? En heb jij niet een hele tijd vier vijfde … Ja toch, hè? Perfect. Zeg, wat ik je wou vragen … Zo onschuldig en op kousenvoeten worden opdrachten bij de krant soms aangebracht. In dit geval voor een artikel over hoeveel tijd je als ouder wilt/moet/kunt doorbrengen met je kinderen.

Van die kinderen heb ik er inderdaad twee rondlopen. En dat van die vier vijfde klopt ook. Vaderschapsverlof, ouderschapsverlof, gemotiveerd tijdskrediet, op, op, alles is op. Al toen onze meisjes nog in de conceptfase zaten, vond ik het bijna een evidentie om tijdelijk minder te gaan werken. Gelukkig doe ik dat op een plek waar leidinggevenden er ook zo over denken.

Mijn eerste blik ouderschapsverlof trok ik meer dan tien jaar geleden open toen ze nog erg klein waren. Terugkijkend vond ik dat de gemakkelijkste leeftijd om met hen thuis te zijn. Alles is nog leuk, er wordt nog niet met deuren geslagen, jij bent een held en met een protzoen op hun buik gieren ze het uit. Fantastisch! En zijn ze ziek of hangerig, in wiens armen liggen ze dan beter dan in de jouwe?

‘Er zijn’

Alle kinderen zijn natuurlijk anders, het volstaat om er twee te hebben om dat vast te stellen. Daarom bel ik Johan Meire van het Onderzoekscentrum Kind & Samenleving. Hij schreef het boek Over vrijbuiters en ankertijd, over hoe kinderen en jongeren zelf kijken naar tijd en naar de tijd die ze met je doorbrengen. Hij sprak daarover met eindeloos veel meer kinderen dan ik er in huis heb en vindt die eerste periode de belangrijkste om ‘er’ gewoon te zijn. ‘Als kinderen echt klein zijn of in de lagere school zitten, is bereikbaarheid heel belangrijk. Er moet iemand anders in huis zijn, die ze erbij kunnen roepen als dat nodig is. “Er zijn” kan op verschillende manieren en net die diversiteit vinden ze prettig. Je hoeft dus niet de hele tijd met je kinderen te spelen. Thuiswerken kan ook. Maar als het keihard werken wordt, waarbij je niet gestoord mag worden, daar houden ze dan weer niet van.’

Mooi meegenomen is dat ze dan nog te klein zijn om een vinger in de pap te hebben bij hoe de dag ingedeeld wordt. Als jij beslist dat je samen een leuke wandeling gaat maken in het bos, dan gebeurt dat gewoon. Idem als jij beslist dat het tijd is voor een puzzel, lego, een boek, boodschappen of een doordeweeks museumbezoek om hen wat cultuur in te lepelen. Moet je vijf jaar later niet meer proberen.

‘Je deelt de tijd nu eenmaal in omdat er een hoop dingen moeten gebeuren. Wat zij willen, wordt dan ondergeschikt’, zegt Bruno ­Vanobbergen, directeur van het Vlaams Agentschap Opgroeien. Ook de momenten waarop je thuis bent en niet op het werk, worden vaak nog altijd gedomineerd door dat werk, zegt hij. Het klinkt verdomd herkenbaar. ‘En op zondag slepen we ze dan mee naar familie, het bos … Ook dát vullen we weer in voor hen!’ Mmmh. Klinkt een pak minder rooskleurig dan die ‘mooi meegenomen’ van zonet. ­Vanobbergen sust. ‘Ik maak die fouten ook, maar goed naar hen luisteren helpt.’

Dan hebben we het nog niet gehad over die vier andere dagen in de week. En voor wie niet voor minder werken wil of kan kiezen zelfs vijf. Minstens! Dagen waarop de tijd je van ’s morgens al door de vingers lijkt te glippen. Vanobbergen schreef er vorig jaar een treffende blog over. Zijn bottomline: kinderen vragen tijd, daar is weinig romantisch aan.

‘Maar toch is het voor kinderen heel moeilijk om gehoord te worden als het gaat over tijd. Hen een stem geven in maatschappelijke debatten, is een evenwicht dat moeilijk te vinden is. Ik heb het als kinderrechtencommissaris tien jaar lang ervaren. “Waarom zouden we naar hen luisteren, zij zijn nog veel te klein”.’

Taxi Lobel

Luister ik te weinig? Het is toch wat Vanobbergen zegt, er moeten nu eenmaal een hoop dingen gebeuren in een dag. Maar ze vragen inderdaad tijd. Altijd. Ook als jij ziek, moe, bweuh of gehaast bent. Oh! Gehaast! Dat ruiken ze. Dan treuzelen ze met hun eten, huilen ze omdat je ze hebt wakker gemaakt, willen ze stokken en steentjes oprapen langs de kant van de weg terwijl jij gewoon wil voort-maken, willen ze die broek niet aan maar een rok. Of neen, díe rok. Of andersom. Of allebei. Enzovoort, en zo eindeloos voort. Lang geleden, maar het lijkt alsof het gisteren was.

Blij dat ik het destijds opgeschreven heb, want het was duidelijk niet allemaal qualitytime die ik met hen doorbracht. Helpt dat trouwens? Meire lijkt geen grote fan. ‘Qualitytime komt meestal voort uit een schuldgevoel. Dat je op zo’n moment speciale dingen gaat doen, vinden kinderen uiteraard wel leuk, maar voor hen bestaat dat soort vrijgemaakte tijd eigenlijk niet.’

Toen ik een paar jaar later voor gemotiveerd tijdskrediet ging, waren onze meisjes al wat ouder, midden en eind lagere school. Zelfstandiger ook. Veel van wat ik net aanhaalde, ging toen al een pak vlotter. Maar ze kregen wel drukkere agenda’s. Zwemmen, dansen, atletiek, muziekschool, huiswerk, boekenjury. Wat heb ik hier nu aan? Dat vraag je je dan weleens af terwijl je met taxi Lobel van a naar b, c, terug naar a, d, b en e rijdt. ‘Kinderen zijn omnivoren op die leeftijd. Ze willen alles proberen en ze vinden bijna alles leuk’, zegt Meire. ‘Ook wanneer ze zes, zeven keer een activiteit na school hebben, ervaren zij dat niet als drukdrukdruk. Wij wel, maar dat is omdat wij met hen van de ene plek naar de andere hollen.’

Maar wat is dan de beste periode om veel tijd met je kinderen door te brengen? Als ze nog klein zijn? Tussenin? Of later, als tiener en puber? Hebben ze dan niet liever het rijk voor zich alleen, zonder ouders in huis? ‘Als ouder sta je dan plots wat aan de kant, dat klopt’, zegt Meire. ‘Het is geen eenvoudige periode. Ze mogen nog niet alles wat ze zouden willen. Maar toch verwachten ze tegelijk nog de veiligheid die je hen biedt. Hun beoordelingsvermogen staat zacht gezegd nog niet helemaal op punt. Het is dus aan de ouders om grenzen te stellen. Ze zullen daarover zagen en klagen maar het in zekere zin ook appreciëren.’
Mooi. Ik onthoud: luisteren en niet panikeren. Ik bel naar huis. Vanobbergens advies volgen en eens horen hoe zij het zelf allemaal ervaren. ‘Huh? Boeie, papa. Ben jij bijna thuis?’

Peter De Lobel

Piekeren

Computer leert je stoppen met piekeren

Je gepieker een halt toeroepen alvorens het ontaardt in een depressie. Onderzoekers aan de UGent ontwikkelden daarvoor een computerprogramma dat onze hersenen leert om niet te blijven roeren in de negatieve gedachten.

De Standaard – Jens Vancaeneghem – 07.08.2019

Iedereen piekert af en toe. Geen reden dus om ons dáár zorgen over te maken. Een relatie die op de klippen loopt. Een ontslag. Logisch dat we daar stil bij staan, en ja, in de put zitten. Dat zijn normale gedachten die ons helpen om bepaalde gebeurtenissen te verwerken. ‘Piekeren kan zelfs positief zijn en ons helpen om een oplossing te bedenken voor een probleem of om te vermijden dat we bepaald gedrag in de toekomst opnieuw stellen’, zegt Jasmien Ver­vaeke, doctoraatsstudente aan de faculteit Psychologie van de UGent.

Tot zover het goede nieuws. Want dat gewoel en gedraai in het hoofd kan bij sommige mensen ook buitensporige proporties aannemen en rechtstreeks richting mentale kortsluiting leiden.

‘Bij haast alle mentale stoornissen is er sprake van gepieker’, zegt Ernst Koster (UGent), hoogleraar klinische psycho­logie en promotor van Jasmien Vervaeke. ‘Het type gepieker verschilt wel. Mensen met angstproblemen piekeren meer over een mogelijke dreiging in de toekomst. Een ongeval dat de kinderen zou kunnen overkomen, bijvoorbeeld, wanneer ze met de fiets van school komen. Mensen met een depressie denken meer inwaarts: waarom ben ik niet gelukkig?’

Negatieve spiraal

Om te voorkomen dat mensen vast komen te zitten in een negatieve spiraal, heeft de UGent een computertraining uit­gewerkt die nu op grote schaal zal worden getest. De proefpersonen moeten binnen de veertien dagen tien sessies van een kwartier vervolledigen. Ze krijgen complexe wiskundige oefeningen voorgeschoteld die niemand foutloos kan oplossen, te meer omdat de tijd beperkt is. ‘Dat is frustrerend en het brengt stress met zich mee’, zegt Jasmien. ‘Alleen door hun aandacht bij de taak te houden en niet stil te staan bij hun fouten, kunnen ze die toch tot een goed einde brengen. We leren hen eigenlijk om die negatieve gedachten te negeren en heel hard te focussen op de opdracht.’

Klinkt eenvoudig, maar volgens Jasmien Vervaeke is een stevige ­dosis wilskracht nodig om de oefening tot een goed einde te brengen. Het verhoopte resultaat? Hersenen die nadien structureel veranderd zijn om ook in het dagelijkse leven de negatieve gedachten naast zich neer te leggen. Kleinere steekproeven van Vervaeke en haar collega’s tonen dat op zijn minst een deel van de piekeraars geholpen is. De onderzoekster zoekt nu enkele honderden mensen om te achterhalen wie gebaat is bij de training en wie niet.

Nieuw wapen

In ieder geval zijn de eerste ­resultaten veelbelovend. Een nieuw wapen tegen overmatig gepieker, zo u wil. Nieuw, want de strijd tegen gepieker loopt al langer.

Amerikaans onderzoek toonde enkele decennia geleden al aan dat twee op de vijf mensen dagelijks piekeren. Intussen bieden psychiaters, psycho­logen en mutualiteiten allemaal cursussen aan om ons van het gepieker af te helpen. ‘Het verschil met ons onderzoek is dat die gaan over de inhoud van de gedachten’, zegt Vervaeke. ‘Hoe je negatief gepieker kan herkennen en er iets aan kan doen. Met onze training willen we bepaalde hersenstructuren versterken zodat mensen vanzelf minder gaan piekeren.’

In een ideaal scenario wordt de training in de toekomst voor iedereen beschikbaar op de computer. ‘De psycholoog zou de training dan kunnen voorschrijven aan mensen die er volgens ons onderzoek baat bij hebben’, zegt Vervaeke.

Samen of alleen?

Mijn eigenwijs nest

De Standaard – 05.08.2019 – Eva Berghmans

Geen gezanik over de dop van de tandpasta, alle ruimte om uit te gaan en te reizen: de vrijheid van de single kan verleidelijk zijn, en toch verlangen de meeste mensen ernaar om samen te wonen. Kun je ook het beste van twee werelden hebben?

‘Juist omdat mijn man en ik elkaar zo graag zien, zijn we opnieuw apart gaan wonen.’ Helen B., ontwerpster van vrolijke dingen allerhande, is geen vrouw van de conventionele oplossingen. Na de scheiding van de vader van haar dochter was ze vast van plan om nooit meer te gaan samenwonen. De routine, de verwachtingen, de discussies over de taakverdeling: ze had het ermee gehad. En meer nog: ze was perfect gelukkig in het tweevrouwshuishouden met haar dochter. Toch ging ze na een jaar van daten en grote verliefdheid samenwonen met haar huidige man – die net als zij gescheiden was en een jonge dochter had.

Toen het nieuw samengestelde gezin van het platteland naar centrum-Gent verhuisde, werd het kot letterlijk te klein. ‘Meer en meer kreeg ik het gevoel dat ik in een situatie zat waarin ik niet wilde zitten, zeker toen we weer kleiner gingen wonen om dichter bij mijn winkel te zijn. Ik moet me mentaal kunnen afsluiten om te ontwerpen. En mijn dochter vroeg ook wanneer we nog eens met zijn tweeën iets gingen doen, zoals vroeger – je hebt meer aandacht voor elkaar als je met zijn tweeën bent. Het heeft een paar jaar geduurd voor ik durfde toe te geven dat ik meer ruimte wilde. Veel mensen begrijpen het niet – dat je vrijwillig niet samenwoont met de man van je leven. Maar mensen die me goed genoeg kennen, zien het wel: dat het niet is omdat ik hem niet graag zie, maar omdat ik mezelf verlies als ik die ruimte niet heb. Het is net omdat ik de liefde tussen ons te mooi vind om ze te verkwanselen in dagelijksheid en wrevel, dat we opnieuw apart zijn gaan wonen. En ja, ik mis hem als hij er niet is. Maar ik ben ook telkens blij als ik hem zie.’

Balanceren tussen verbondenheid en afstand

‘Liefde is altijd een beetje lijden’, zegt relatietherapeute Rika Ponnet. ‘Het is een eeuwige zoektocht naar een goede balans tussen het verlangen om samen te zijn en je noden als individu. In elke relatie, of je nu samenwoont of niet, staat er spanning op de verhouding tussen verbondenheid en afstand.’

In haar praktijk komt Ponnet ze geregeld tegen: de mensen die ervan overtuigd zijn dat ze beter af zijn in hun eentje. ‘Dat is heel logisch als mensen een trauma opliepen, zoals door zwaar bedrog of mishandeling. Dan heb je een paar jaar rust nodig om te herstellen. Maar het beeld van de happy single, met al die witte wijn en citytrips, klopt niet met de realiteit. Single zijn is zelden een lifestylekeuze. De mens kan wel alleen zijn, maar we voelen ons het best als we in verbondenheid met een levend wezen samenleven. Dat hoeft niet per se een geliefde te zijn. Het kunnen ook je kinderen zijn, een huisgenoot die je niet zo goed kent, zelfs een hond maakt al een verschil voor je stressniveau. We zijn een sociale soort, we hebben de groep nodig om moeilijkheden mee te delen. Singles rapporteren in onderzoek de laagste levenskwaliteit. Je bent beter af met een middelmatig huwelijk dan zonder, tenzij het héél slecht is. De meeste mensen die op zoek zijn naar een partner, zijn vooral op zoek naar een warm nest, waarin ze tot op hoge leeftijd veilig zullen zijn. De meeste mensen op de datingmarkt zouden die hele fase van daten, verliefdheid en onzekerheid het liefst overslaan.’

Koppelvorming als overlevingsinstinct: is het dat wat mensen ertoe aanzet om met een nieuwe geliefde onder één dak te nestelen, en desnoods elkaars kinderen te omarmen?

‘Geliefden die niet toegeven aan het verlangen om hun leven te delen, laten zich vaak tegenhouden door hun angst’, zegt Anja Pairoux, plusouderconsulent en erkend bemiddelaar. ‘Mensen die scheiden, voelen zich schuldig, en willen voor hun kinderen alles zo rustig mogelijk houden. Op lange termijn is dat niet zo slim. Als je je eigen verlangens ondergeschikt maakt aan het belang van je kinderen, geef je hen de boodschap dat je niet voor je eigen geluk mag kiezen. Je verliefdheid opzijzetten, is dus niet in het belang van het kind. Het is wel in zijn belang dat ouders hun issues oplossen – met elkaar, en met zichzelf.’

Makkelijk is het niet altijd, het leven als nieuw samengesteld gezin, bevestigt Pairoux. De balans tussen verbondenheid en afstand is vaak nog moeilijker te vinden dan in een relatie tussen twee geliefden zonder al te veel voorgeschiedenis. ‘Je moet vooral niet proberen om het klassieke kerngezin te imiteren, je moet een andere manier van samenleven vinden’, zegt Pairoux. ‘Vaak helpt het als je net minder doet. Als je partner moeilijk grenzen kan stellen aan zijn of haar kinderen, hoef je dat vooral niet in zijn of haar plaats te doen. Als je partner ruzie heeft met zijn ex, moet je daar niet in willen tussenkomen. Niet reageren is vaak productiever. Je hoeft niet mee te stappen in negativiteit. Je moet elkaar meer afstand laten, en over verschillen en ongemakken moet je praten. Dat is lastig, maar eigenlijk is een nieuw samengesteld gezin een cadeautje vol leerkansen.’

Een mozaïek van mensen

‘Als ik op mezelf woon, zit ik in mijn eigen wereld. Daar is alles perfect, maar ik voel dat er patronen in mijn denken sluipen. Mijn denken is uit zichzelf weinig mobiel. Als je op jezelf woont, beperk je je al snel tot je eigen leefwereld.’ Sinta Wibowo, consulente in de artistieke sector, heeft zo haar eigen manier gevonden om haar leermomenten te creëren, zonder dat ze permanent samenwoont met haar vriendin uit Phnom Penh, die ze in Jakarta leerde kennen. Haar huis, in de schaduw van het Atomium, is een open huis. Het is er een komen en gaan van vrienden, kennissen, artiesten op doorreis, via via aangewaaide toeristen, nieuwkomers in Brussel en mensen die tijdelijk een plek zoeken omdat hun leven op zijn kop staat. Sommige passanten blijven een paar dagen, andere een paar maanden. Dat klinkt altruïstisch, maar zo is het niet bedoeld. ‘Ik wil zo goed mogelijk leren hoe ik met anderen moet samenleven. Ik zoek niet per se mensen die hetzelfde levensritme of dezelfde interesses hebben. Mensen mogen best ver van mijn manier van leven af staan. Iedereen heeft zijn eigen rituelen en gewoontes, zijn manieren om met mensen en moeilijkheden om te gaan. Ik zie mensen als wandelende bibliotheken van gedachten, gevoelens en gedragingen. Als ik vast zit in mijn eigen patroon, kan ik ook eens andere manieren van reageren uitproberen. Ik hoef bijvoorbeeldt niet altijd meteen te reageren als iemand iets zegt of doet, ik mag ook afwachten, zwijgen, observeren. Een andere stijl van reageren creëert een andere situatie – niet per se beter of slechter, maar anders dan gewoonlijk. De anderen halen me uit mijn hoofd, dat altijd productief wil zijn. Zo verword ik tot een eclectische mozaïek van stukjes en beetjes van alle mensen, situaties en omgevingen die voorbijkomen, waartussen ik slechts als lijm fungeer.’

helenb.be
duetrelatiebemiddeling.be
www.plusouderconsulenten.be

 

Wanen

Psychiater Jim van Os: iedereen heeft last van psychotische wanen

BRAINWASH – Jim van Os – 02.08.2019
deel tweet link

In Brainwash Zomerradio van Human interviewt presentator Floortje Smit denkers aan de hand van muziek. Hierboven terug te luisteren. Welke nummers zijn vormend geweest voor hun identiteit en denken? Deze lessen kunnen we leren van psychiater Jim van Os.

1. We hebben allemaal last van psychotische wanen

In een psychose verlies je de grip op de werkelijkheid. We hebben allemaal in meer of mindere mate last van psychotische wanen. Als je een enge griezelfilm hebt gezien en je gaat daarna in een bos lopen, ben je zeer vreesachtig. Je ziet achter elke boom een verschijning, omdat je bang bent. De emoties die je in de greep hebben, hebben een belangrijke rol op wat je ziet. Je kunt bijvoorbeeld een collega op de gang tegenkomen, die je straal voorbijloopt, en jij denkt dan dat die persoon een appeltje met je te schillen heeft. Als dat een paar keer voorkomt, kun je daar zo mee bezig zijn dat je je gedrag gaat veranderen en je hem tot de orde roept, waarna blijkt dat hij zijn bril niet bij zich had.

De manier waarop wij signalen uit de wereld opnemen kan bepaald worden door emoties. In een psychose bekijk je de wereld sterker door de bril van je emoties. Dat kan een eigen leven gaan leiden, vooral als je al veel hebt meegemaakt. Het basale gevoel van onveiligheid dat je hebt, kan gaan bepalen hoe je de wereld bekijkt. Je kunt sneller tot de conclusie komen dat mensen het kwaad met je voorhebben. Dat kan ertoe leiden dat je te angstig wordt om het huis te verlaten, of dat je het idee krijgt dat je bedreigd wordt en dat het beter is jezelf te gaan beschermen. Dan heb je hulp nodig, dat is heel eenvoudig.

Schizofrenie is een woord dat gebruikt wordt voor mensen die in de greep zijn van een psychose. Maar als je het gedrag van die mensen bekijkt vanuit het hele spectrum aan menselijke emoties, is het eigenlijk niet zo gek anders dan wat je doet als je een horrorfilm hebt gekeken. De verschillen die er zijn, zijn kwantitatief van aard, niet kwalitatief. We denken te weinig in gradaties als we het hebben over psychose. Een zestienjarige jongen vertelde me laatst dat hij stemmen hoorde, maar bang was om naar de GGZ te gaan, omdat hij dan de diagnose schizofrenie zou krijgen. Het is fijn voor mensen om te weten dat het om menselijke ervaringen gaat. Je kunt dingen horen, je kunt dingen zien, of ongewone gedachten hebben. Als je begint bij het idee dat het onderdeel is van het menselijk repertoire, dan schrikt het niet zo af. Bij een psychose geef je eigenlijk te veel betekenis aan dat wat neutraal is. Je kijkt er met andere ogen naar.

De Franse psychiater Clérambault beschreef het syndroom van psychotische verliefdheid. De-Phazz maakte er het nummer Chez Clérambault over: ‘psychotic rendez-vous, obsession avenue’, zingt de zangeres over de obsessie met de ander die optreedt bij deze waanstoornis. Maar ook ‘gewone’ verliefdheid is een soort psychotische ervaring. Je kunt in je angst om afgewezen te worden tot een wanhopige overtuiging komen dat de ander jou liefheeft, en daar zo van overtuigd raken dat je niet meer van het tegendeel overtuigd kunt worden. Iedereen weet hoe verliefdheid je waarneming van de werkelijkheid verandert: niet alleen hoe je de kleuren waarneemt of geluiden hoort, maar ook de waarneming van de ander. Het is voorstelbaarder dat je daar zo in door kunt schieten dat er een zorgbehoefte onstaat. Zo komt psychose dicht in de buurt van wat we allemaal herkennen.

2. Je genen bepalen niet of je psychisch ziek wordt

Psychiater René Kahn zei: ‘Schizofrenie kan je zien.’ Dat is de droom van elke wetenschapper: die ingewikkelde ziekte, die kan ik hier in het brein zien. Toch is dat niet zo. Als je honderd mensen met de diagnose schizofrenie in een hersenscan legt, zie je gemiddelde, hele kleine verschillen in hersenvolume. Daarvan weten we niet precies of dat door gevoeligheid voor schizofrenie komt, of veroorzaakt wordt door een jeugdtrauma, of anders eten en slapen of uitgesloten worden. Al die zaken hebben effect op het brein. Dus ja, je ziet iets, maar je weet niet of dat aangeboren is, of door de omgeving komt.

Er wordt veel onderzoek gedaan naar de genetische factoren voor psychisch lijden. De mate en manier waarop je reageert op je omgeving is genetisch bepaald. Maar deze bepaaldheid gaat alleen over de gevoeligheid van het individu voor een bepaalde gemoedstoestand. De een reageert bijvoorbeeld heftiger op stress dan een ander. Bij de een gaat die reactie vaker gepaard met angst, bij een ander met somberheid of paranoia. Maar of dat zich ooit tot ziekte ontwikkelt, en of je daar ooit hulp voor nodig hebt, is nog altijd een kwestie van waarschijnlijkheden, niet van zekerheid. Dat maakt het zo ingewikkeld.

Het is dus niet zo dat je genetisch voorbestemd bent voor de diagnose schizofrenie. We hebben allemaal duizenden risicovarianten, die in bepaalde omstandigheden aanleiding kunnen geven tot een psychose. Die varianten zijn ook nuttig, omdat ze je helpen om betekenis te geven aan de wereld om je heen, en daar gevoelens bij te genereren. Dat hebben we allemaal nodig. Om veilig op te groeien moéten we angstig of met een beetje wantrouwen naar de omgeving kunnen reageren, anders ontkom je niet op tijd aan gevaar. Een psychose is in feite niets anders dan een overdrijving van een manier van reageren op de omgeving, die ons in staat stelt om te overleven via betekenisgeving.

3. Mensen kunnen veranderen (en een meta-perspectief helpt daarbij)

De gevoeligheid die we voor invloeden van buitenaf hebben is bij iedereen anders afgestemd, en we ontwikkelen onze eigen manieren om daarmee om te gaan. Je kunt bijvoorbeeld gevoelig zijn voor de psychotrope effecten van bedwelmende middelen, zoals alcohol. Sommige mensen verlangen er niet naar, die kan je een glas voorschotelen zonder dat ze ernaar omkijken, en anderen zijn zeer gevoelig voor het ontwikkelen van zuchtigheid: na het ene glas hebben ze alweer dorst naar het andere.

Zij zijn gevoelig voor het belonende effect van alcohol. Het gevaar is dat je – in stressvolle situaties waarin je jezelf wilt ‘helpen’ – je je beloningssystemen gaat kortsluiten met chemie. Bij de een is dat alcohol, bij de ander cocaïne of heroïne.

De vraag of je dat kan veranderen is cruciaal. Dat is dan ook dé vraag waar de psychiatrie om draait: hoe veranderen mensen? Hoe ze dat doen is best wel raadselachtig. De psychiatrie probeert mensen te initiëren tot verandering. Het is opvallend hoe vaak dat mogelijk wordt gemaakt door een metaperspectief, waarbij je uitzoomt van je eigen situatie en jezelf van een afstandje gaat bekijken. Dan heb je de eerste stap te pakken voor verandering als je verslaafd bent, of tegen probleemdrinken aan zit. Mensen beschrijven turning points die ze hebben meegemaakt in hun proces van verandering. Dat zie je ook vaak bij mensen die leren leven met ernstig psychisch lijden, die zichzelf snijden en in het psychiatrisch ziekenhuis leven. Zij vertellen vaak: ‘Ik kwam iemand tegen, en die zei dit of dat tegen me.’ En zij zeggen dat wat hen door die ander verteld werd over henzelf, hun leven veranderde. Toen ik in mijn studententijd een moeilijk te lessen dorst naar alcohol had, waarschuwden mensen mij dat ik tegen probleemdrinken aan zat. Dat heeft mij toen wel de ogen geopend. Mensen met een verslaving die in therapie zijn geweest vertellen soortgelijke verhalen. Je kunt dan zeggen dat dit een interpretatie achteraf is en het eigenlijk de behandeling was die het verschil maakte, maar we komen er steeds meer achter dat het aannemen van zo’n meta-perspectief heel belangrijk is bij verandering.

Jim van Os
Hoogleraar Psychiatrie