Voedingsmythes

Actieve bifidus toch niet zo actief: “We moeten dringend voedingsmythes beter counteren”
De Morgen – 10-09-18 – Barbara Debusschere

Probiotica of ‘goede bacteriën’ zoals in speciale drankjes, supplementen of yoghurt hebben geen effect en zijn soms zelfs schadelijk, zo blijkt. “We moeten dringend voedingsmythes beter counteren”, zeggen Vlaamse experts.

Probiotica in drankjes, supplementen of yoghurt zouden je organisme een boost geven en je interne ecosysteem herstellen na een antibioticakuur, en miljoenen mensen vertrouwen daarop.

Maar uit twee onderzoeken in vakblad Cell blijkt nu dat probiotica bij heel wat mensen gewoon weer uit het lichaam verdwijnen via de stoelgang en nul effect hebben. Ook blijkt dat probiotica potentieel schadelijk zijn wanneer je ze neemt na een antibioticakuur. De probiotica verhinderden sterk het herstel. Andere onderzoeken hebben al een verband aangetoond tussen een langdurig verstoord microbioom (geheel van microben) en zwaarlijvigheid, allergieën en ontstekingen.

Probiotica zijn een van de vele voedingshypes die op zeer weinig zijn gebaseerd, klinkt het. “De wetenschap zoekt al sinds de jaren 30 naar wat de positieve effecten zijn en we weten het nog altijd niet”, zegt voedingsdeskundige Patrick Mullie (VUB). “Het is dus vooral een commercieel concept.”Invloedrijke voedingsmythes

– Glutenvrij is beter voor je energiepeil, gewicht, gezondheid
– Ban suiker en eet meer vetten
– Doe regelmatig een vasten- of sappenkuur

Glutenvrij, suikervrij, ontzuren, detoxen, lactosevrij

Maar dat zoveel mensen daar blijven intrappen kan dus schadelijk zijn. Net daarom werken Mullie en andere experts aan een plan om vals voedingsnieuws te bestrijden. “Er verschijnen wekelijks 200 tot 250 nieuwe studies over voeding die door communicatiediensten en snelle media verspreid worden”, zegt professor endocrinologie Christophe Matthys (KU Leuven).

Daarnaast zijn er ook talloze kook- en dieetboeken, programma’s en uiteenlopende websites van overheden, voedingsgoeroes, zelfverklaarde experts en de industrie die ‘voedingswaarheden’ de wereld in sturen. Glutenvrij, suikervrij, ontzuren, detoxen, lactosevrij, alleen eten tussen bepaalde uren: er bestaat een mythe en een bijbehorend dieet over waar miljoenen thuis mee aan de slag gaan. Dat is niet altijd per se ‘gevaarlijk’ maar kan tot extremen, verwarring en obsessies leiden.

“Wij merken regelmatig dat cliënten met eet- en gewichtsproblemen met allerlei informatie komen om bepaalde voedingskeuzes mee te verantwoorden. Het is belangrijk dat die correct is ”, zegt An Vandeputte van Eetexpert.be, het kenniscentrum voor eet- en gewichtsproblemen.

Naar Nederlands voorbeeld

In de lente kwam de Koninklijke Academie voor Geneeskunde al tot die conclusie en ondertussen werkt de ploeg van Gezondheid en Wetenschap eraan. Gezondheid en Wetenschap is een onafhankelijke website van wetenschappers die in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap is ontwikkeld door het Centrum voor Evidence-Based Medicine (Cebam). Je leest er artikels die nagaan of een voedingsclaim in de media of een nieuw boek echt klopt. Ongeveer driekwart van ons verwerft kennis over gezondheid via de media en steeds vaker komt er informatie van zelfverklaarde experts die in feite weinig kaas hebben gegeten van de voedingswetenschap.

Tegen eind dit jaar wil Gezondheid en Wetenschap met extra expertise tegen fake gezondheidsnieuws komen. “We voeren nu gesprekken met belangrijke experts”, zegt hoofdredacteur Marleen Finoulst. “Hoe het er dan exact zal uitzien is nog niet helder, maar we mikken op iets zoals het Voedingscentrum in Nederland.”

Dat is daar dé referentiebron. Is er een nieuw dieet dat aanraadt nooit tussen 12 en 17 uur te eten? Dan kunnen media en burgers er snel en helder zien of dat klopt. Om kort op de bal te spelen, is het centrum ook erg aanwezig op sociale media. Gezondheid en Wetenschap brengt wel al stukjes gebaseerd op nieuwsberichten zoals ‘Krijg je echt diabetes van aardappelen?’, maar er moet iets extra’s gebeuren.

De beste wetenschap voor u geïnterpreteerd

Matthys: “Er is vooral nood aan eenduidige informatie die niet alleen meer discussies beslecht, feiten checkt en fouten rechtzet maar die ook, zoals het Voedingscentrum, positieve en praktische informatie geeft en de wetenschap voor de leek interpreteert.”
Wie op de site van het Voedingscentrum bijvoorbeeld leeftijd en geslacht invult, krijgt meteen tientallen weekmenu’s verdeeld in thema’s zoals ‘oosters’ of ‘vegetarisch’ inclusief heldere informatie over porties. Je weet dat die zijn gebaseerd op de beste wetenschap, zonder dat je op eigen houtje je weg moet zoeken tussen de massa aan nieuwtjes over de vele nieuwe voedingsstudies. Binnenkort dus misschien ook bij ons.

 

Elk brein is anders

Hoeveel brein heb je eigenlijk echt nodig?
10-09-18 – Margreet Vermeulen – Bron: de Volkskrant

Artsen staan soms versteld als ze zien met hoe weinig hersenweefsel bepaalde mensen toe kunnen. Het roept de vraag op: hoeveel brein heb je echt nodig?
Een 44-jarige man komt bij de dokter. Hij heeft de laatste tijd weinig kracht in zijn linkerbeen. Op een MRI-scan zien de artsen een vrijwel lege hersenpan. Preciezer gezegd: in plaats van hersenen zien de artsen een schedel die voor 90 procent is gevuld met hersenvocht. Wat van de hersenen resteert, wordt door het vocht tegen het schedeldak geplet. De medici staan voor een raadsel: hoe kan iemand met zo weinig brein normaal functioneren? De 44-jarige Fransman heeft weliswaar geen hoog IQ (75), maar hij leidt een normaal leven als ambtenaar en ­vader van twee kinderen.

Dat een groot brein niet per definitie een slim brein is, daar is de wetenschap het wel over eens. Maar zo nu en dan staan artsen versteld als ze zien met hoe weinig hersenweefsel sommige mensen toe kunnen. In juli haalden de lotgevallen van een 13-jarig jongetje het wetenschappelijk tijdschrift Cell Press. De puber kan gewoon horen en (vrijwel) gewoon zien, terwijl hij de hersengebieden die dat regelen moet missen sinds een operatie. Op zijn zesde werd eenderde deel van zijn rechterhersenhelft weggehaald vanwege epilepsie. Niet alleen zijn zicht en gehoor hebben er (weinig) onder geleden, ook zijn intelligentie is normaal gebleven.

De voorbeelden beperken zich niet tot kinderen, bij wie het brein flexibeler is dan bij volwassenen. In maart van dit jaar keken artsen op de eerste hulp in Noord -Ierland raar op toen ze op een CT-scan een luchtbel zagen ter grootte van een tennisbal in de hersenen van een 84-jarige man. De man had weinig klachten, behalve dat hij zo nu en dan het evenwicht verloor.MRI-hersenscan van patiënt met vocht-of luchtbellen. © Case courtesy of Radswiki, Radiopaedia.org, rID: 11788

Al rond 1980 vroeg de Britse kinderarts John Lorber zich enigzins schertsend af: ‘Is ons brein wel echt nodig’? Lorber maakte scans van de hersenen van zeshonderd volwassenen die als kind al dan niet succesvol waren behandeld voor een waterhoofd. Bij een waterhoofd stokt de afvoer van hersenvocht, terwijl de aanvoer gewoon doorgaat. Om te voorkomen dat de hersenen daardoor in de verdrukking komen, wordt het vocht operatief afgevoerd met een drain, soms zelfs met een pompje of ventiel. Lorber concentreerde zich op de zestig extreme gevallen waarin het hersenvocht niet goed was afgevoerd of bij wie de drain verstopt was geraakt in de loop der jaren, met als gevolg dat de schedel voor 95 procent gevuld raakte met water.

De helft van deze mensen was, zoals je zou verwachten, zwaar gehandicapt. Maar wat Lorber versteld deed staan was dat de andere dertig mensen een normaal of zelfs bovengemiddeld IQ hadden en een gewoon leven leidden. Bij één geval (een wiskundestudent) was het hersenweefsel tussen de binnenkant van de schedel en de hersenkamers niet 4,5 cm dik is (zoals normaal is) maar slechts 1 millimeter.

De neurowetenschap nam de kinderarts niet erg serieus. En de opwinding die hij had veroorzaakt, ebde weg toen hij in 1996 overleed. Op YouTube is een documentaire te zien waarin Lorber wordt neergezet als een dappere buitenstaander die het vergeefs opneemt tegen de gevestigde neurowetenschap.

MRI-hersenscan van patiënt met vocht-of luchtbellen. © Case courtesy of Dr Paul Simkin, Radiopaedia.org, rID: 30453

Inmiddels is er, naar aanleiding van gevalsbeschrijvingen als hierboven in serieuze wetenschappelijke vakbladen, erkenning voor het feit dat mensen met een afwijkend brein toch, op alle fronten zelfs, normaal kunnen functioneren. En dat John Lorber dat als eerste aantoonde. ‘De relatief goede ontwikkeling van sommige kinderen met afwijkingen in het brein is in mysteriën gehuld’, schreven Duitse wetenschappers in 2007 in het Journal of Child Neurology onder de titel: ‘Hoeveel brein hebben we echt nodig?’

Zeldzaam

In de 25 jaar dat de hoogleraar acute neurologie Ivo Roos van het Amsterdams Universitair Medisch Centrum in de neurologie werkt, heeft hij het twee keer gezien. Een patiënt die ­ondanks een onttakeld brein goed functioneerde. “Het is heel zeldzaam hoor. In één geval ging het om een meisje van 11 met een groot herseninfarct. Een flinke taartpunt van haar hersenen stierf af omdat dat deel geen bloed meer kreeg. Ze raakte halfzijdig verlamd, kreeg problemen met taal en haar totale functioneren was ernstig aangedaan. Driekwart jaar later ging ze weer op de fiets naar school. Voor mij was dat bijzonder, ik ben geen kinderneuroloog en zulk opmerkelijk herstel zie ik bij volwassenen vrijwel nooit. Bij iemand van 25 jaar is het al niet meer mogelijk of ­uiterst onwaarschijnlijk dat hersenen zich zo aanpassen en functies die ver­loren zijn gegaan onderbrengen bij ­andere hersengebieden – een geweldig fenomeen om dat te zien.”

MRI-hersenscan van patiënt met vocht-of luchtbellen. © Case courtesy of Radswiki, Radiopaedia.org, rID: 11788

Ook herinnert hij zich een secretaresse in het ziekenhuis die, tot haar ­eigen verrassing, een zeer fors waterhoofd bleek te hebben. Nooit ergens last van gehad, op wat hoofdpijnklachten na. Maar dat heeft toch iedereen, redeneerde zij. Ze kwam pas naar de poli neurologie omdat een van de artsen voor wie ze werkte vond dat er een CT-scan gemaakt moest worden vanwege die hoofdpijn. En toen kwam het waterhoofd – hydrocephalus – aan het licht. Ze kreeg een drain en functioneert weer als vanouds.

Zonder hoofdpijn.

“Als het brein beschadigd raakt, kan het zich reorganiseren”, zegt de Nijmeegse neuropsycholoog Luciano ­Fasotti. “We zien op hersenscans vaak dat het hersenweefsel in de buurt van het beschadigde gebied erg actief wordt en taken overneemt. Het brein is adaptief. Dus iemand die na een beroerte slecht spreekt, kan na pakweg een jaar soms weer heel aardig uit de voeten.”

Internet

Roos vergelijkt de hersenen met een soort internet. “Aan de buitenste schil, net onder de schedel, staan de computers opgesteld, zeg maar de denkstations. Als je bedenkt dat je iets wilt optillen, begint daar de hersenactiviteit. Om het voorwerp ook echt op te tillen, moet het denkstation verbinding maken met hersengebieden die dieper in het brein ­liggen en waar onder andere de motoriek wordt geregeld. Laten we die verbindingen even zien als telefoondraden die in een soort steunweefsel hangen. Die telefoondraden en het steunweefsel, ook wel de witte stof, zijn minder essen­tieel. Als alleen die beschadigd raken, en niet de denkstations, kan het allemaal meevallen en zal bijvoorbeeld vooral wat traagheid in denken optreden.”

Bovendien is er in veel gevallen niet direct sprake van minder hersenweefsel, als het brein door een vocht- of luchtbel tegen de hersenpan wordt gedrukt, maar is het hersenweefsel slechts ingedikt. Ook in ingedikte vorm kunnen neuronen blijkbaar hun werk goed doen.

Hersenomvang en intelligentie

Hoe grillig de relatie is tussen intelligentie en de omvang van de hersenen blijkt uit een studie van de Canadese hersenonderzoekster Sandra Witelson uit 2006. Witelson bepaalde het IQ van honderd terminale kankerpatiënten. Na hun dood bracht ze nauwgezet de omvang van hun hersenen in kaart. Wat bleek? Hoe groter het brein, hoe groter de verbale intelligentie bij vrouwen en rechtshandige mannen. Bij linkshandige mannen is dat verband er niet. In de studie is ook een schatting gemaakt voor welk deel de verbale intelligentie bij vrouwen en rechtshandige mannen is toe te schrijven aan de hersenomvang. Dat bleek 36 procent. De resterende 64 procent schrijven ze aan de omgeving toe: denk aan onder meer opleiding en kwaliteit van voeding.

Ook het ruimtelijk inzicht is bij vrouwen beter naarmate hun hersenen volumineuzer zijn. Bij mannen niet. Het mannenbrein is gemiddeld 10 procent groter dan een vrouwenbrein van dezelfde leeftijd. Maar dat grootteverschil leidt niet tot betere intelligentiescores, zegt Witelson. Zij vond dat rechtshandige mannen een groter hersenvolume nodig hadden dan rechtshandige vrouwen om dezelfde score voor verbale intelligentie te behalen.

Aan de hersenen kun je overigens niet zien of ze van een man of een vrouw zijn. Iedereen heeft volstrekt unieke hersenen. Zelfs eeneiige tweelingen komen ter wereld met een verschillend brein.

“Als zo’n vochtbel heel langzaam groeit en als dat op jonge leeftijd gebeurt – in de periode dat het brein zich nog ontwikkelt, maar de schedelnaden al wel dicht zitten – dan plooien de hersenen zich naar de bestaande, krappe ­situatie”, aldus Roos.
Blijft het probleem dat een grote bel water midden in het brein verhindert dat de denkstations rechtstreeks verbinding kunnen maken met andere hersengebieden. De witte stof daar, die voor de communicatie tussen de hersengebieden zorgt, is weg. Roos: “Dat klopt. De signalen moeten om dat water heen, een langere weg afleggen. Op die manier blijven de hersenfuncties ­intact, maar let op: als je hersenen zulke om­wegen moeten maken, kun je best aardig functioneren, maar nooit uitblinken. Alles kost meer inspanning en vooral meer tijd.”

Gedrag

Overigens past niet alleen het brein zich aan, de patiënt past ook zijn gedrag aan, is de ervaring van Fasotti. “Aan sommige patiënten met een beroerte, hersentumor of traumatisch hersenletsel zie ik aan de buitenkant weinig. Ze hebben geleerd te compenseren. Pas als je ze scherp observeert bij het uitoefenen van gerichte taken zie je dat ze toch echt trager zijn dan normaal.”

Dat een 84-jarige man hooguit wat onvast ter been is door een luchtbel in het brein, maar zich verder kiplekker voelt, verklaart de Amsterdamse neuroloog Roos als volgt: “Die luchtbel zit in dit geval achter het voorhoofd. Als het daar minder goed functioneert, heeft dat weerslag op je karakter, remmingen en impulsiviteit. Dat merk je niet zo snel als patiënt. De directe omgeving vaak wel en dan gaan de partners klagen.”

De luchtbel was ontstaan, zagen de artsen op een MRI-scan, door een goedaardige tumor die het bot tussen de neus en de hersenen had aangetast. Door het gat dat zo ontstond, stroomde geleidelijk aan steeds meer lucht de hersenen binnen. “Als het om een jonge man was gegaan, had hij allang bij de dokter gezeten. Met hoofdpijn. Want zo’n bel drukt op de hersenen en als dat lang duurt komt er druk op de hersenvliezen te staan, wat pijnlijk is. Maar bij iemand van 84 is de hersenpan veel leger. Onze hersenen krimpen. Naarmate we ouder worden zit er meer hersenvocht en minder hersenweefsel. Bij een man van 84 vervangt zo’n luchtbel een deel van het hersenvocht en vult het de ruimte op die ­natuurlijk afgestorven hersencellen achterlaten.”

Blijft de vraag hoeveel hersenweefsel we minimaal nodig hebben. Volgens Roos is daar geen antwoord op te geven. “De omvang en het gewicht van de hersenen zegt weinig over de kwaliteit van het brein of het aantal verbindingen in de hersenen. En dat laatste is veel ­belangrijker als het gaat om ­intelligentie.”

Daar is Fasotti het mee eens. “We hebben een tijd gedacht dat mensen met een zwaarder brein beter bestand waren tegen letsel, zoals alzheimer. Tegenwoordig denken we dat mensen met ‘cognitieve reserve’ beter bestand zijn tegen zulke neurologische ziekten.” Die ­reserve bouw je op door een stimulerende levensstijl. Denk aan fysiek actief zijn, levenslang leren en op allerlei ­manieren sociaal actief zijn. “De reserve die je daarmee opbouwt, biedt een ­zekere bescherming tegen neurologische ziekten, ongeacht de resterende hoeveelheid gezond hersenweefsel.”

Daarmee is de vraag hoeveel hersenweefsel we minimaal nodig hebben, nog steeds niet beantwoord. “Daar heeft de ­wetenschap nog geen antwoord op. Maar de ontwikkelingen gaan snel. Een paar jaar geleden konden we de witte stof in het brein nog niet in beeld brengen en nu maken we er prachtige plaatjes van”, aldus Fasotti. “Het antwoord komt hoe dan ook dichterbij.”

Werelddag rond zelfmoordpreventie

België heeft hoogste zelfmoordcijfer in West-Europa en oorzaak lijkt in onze Vlaamse aard te liggen
Het Laatste Nieuws – 10 september 2018
Bron: Radio 1
https://radio1.be/ik-stond-op-het-punt-om-al-mijn-medicatie-een-keer-te-nemenBelgië heeft het hoogste zelfmoordcijfer van West-Europa en volgens professor Gwendolyn Portzky van de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek aan de universiteit van Gent zou de oorzaak te vinden zijn in onze Vlaamse aard. Dat heeft ze vanmorgen gezegd in Bij Debecker op Radio 1. “We lossen onze problemen niet op en we werken ons kapot”, klonk het. Aanleiding voor het interview was de Werelddag rond zelfmoordpreventie van vandaag. Volgens een kaartje met zelfmoordcijfers dat journalist Koen Fillet onlangs deelde, maakt ons land geen goede beurt als het op zelfdoding aankomt. We hebben het hoogste aantal zelfdodingen van heel West-Europa en staan globaal gezien op de 25ste plaats. Elke dag proberen 28 landgenoten uit het leven te stappen en bij 3 van hen is die poging ook succesvol.

Vrouwen zijn meest vertegenwoordigd in de groep die probeert om zelfmoord te plegen, mannen in de groep waar de zelfmoordpoging ook lukt. Volgens de meest recente cijfers van de Vlaamse overheid stierven in 2015 1.051 Vlamingen door zelfdoding. 72 procent waren mannen.

Professor Portzky doet onder meer onderzoek naar de oorzaak van de slechte cijfers in België en na een vergelijking met Nederland – waar ze maar half zo hoog zijn – kwam ze tot een opmerkelijke conclusie: ons Vlaams-zijn speelt ons parten.

Zo blijken Vlaamse jongeren in tegenstelling tot Nederlandse niet zo probleemoplossend te denken. “Ze gaan liever uit feesten dan te zoeken naar oplossingen”, aldus Portzky. “Een andere factor is ook de schaamte en de taboesfeer die in ons land nog rond het probleem hangt. De Vlaming schaamt zich om hulp te zoeken vanuit een – verkeerd – idee dat het een teken van zwakte is. Nederlanders zijn veel meer geneigd om de confrontatie aan te gaan en het uit te praten. In het geval van de jongeren zullen Nederlanders ook veel sneller hulp zoeken bij ouders en hulpverleners. Als Vlaamse jongeren tóch over hun problemen praten, wenden ze zich eerder tot vrienden.”

En Portzky heeft nog een opmerkelijke hypothese. “Als ik met Nederlandse collega’s spreek, typeren zij ons vaak als hardwerkende Vlamingen, die willen presteren en allemaal een groot huis en een mooie wagen willen hebben. In Nederland bestaat die drive veel minder. Dat speelt ook mee.”

Risicopatiënten

Of er oplossingen zijn om iets aan de hoge cijfers te doen? Volgens Portzky wordt er al veel gedaan: er worden vormingen gegeven rond zelfmoordpreventie en er wordt onder meer via huisartsen en specialisten op zoek gegaan naar risicopatiënten. Er wordt ook flink geïnvesteerd in de begeleiding van mensen die al aangaven dat ze zelfmoordgedachten hadden of al een poging tot zelfdoding ondernamen. Maar ze geeft tegelijk aan dat er nog veel werk op de plank ligt.

Wie vragen heeft over zelfdoding kan terecht bij de Zelfmoordlijn, op het telefoonnummer 1813 of online via www.zelfmoord1813.be

https://metluidestem.wordpress.com/

https://www.demorgen.be/binnenland/waarom-stappen-vooral-mensen-van-middelbare-leeftijd-uit-het-leven-b4bf3feb/?utm_campaign=newsletter&utm_medium=email&utm_userid=&utm_source=demorgen

 

Zwanger?

‘Wil je zwanger worden? Leef dan gezond’

De Standaard – 09.09.2018 – Veerle Beel

Als zwanger worden niet vanzelf gaat, denken veel koppels dat alleen ivf nog kan helpen. Klopt niet, zegt kinderwensconsulente Greetje Van den Eede. ‘We zijn veel vruchtbaarder dan we denken.’ Professor Petra De Sutter (UGent), fertiliteitsexperte, gaat akkoord: ‘Levensstijl en gezonde voeding spelen een grote rol.’

Met een week verschil publiceren ze allebei een boek over zwanger worden. Ze hebben elkaar niet eerder ontmoet. Greetje Van den Eede (57) heeft een praktijk als complementair gezondheidsbegeleidster, waarin ze vrouwen ontvangt die door de medische wereld ‘onverklaarbaar onvruchtbaar’ zijn benoemd. Ze werkte vijf jaar aan het boek Vruchtbaarder dan je denkt, dat ze in eigen beheer heeft uitgegeven. Ze noemt het ‘een gids voor iedereen die zwanger wil worden’.

Petra De Sutter (55) is in binnen- en buitenland gereputeerd als fertiliteitsexperte en is hoofd van de afdeling Reproductieve Geneeskunde aan het UZ Gent. Ze is ook senator voor Groen. Haar boek Zwanger worden verschijnt volgende week bij Lannoo. Eerder sprak ze zich al uit voor meer geduld bij een onvervulde kinderwens: ‘Natuurlijk zwanger worden kan zeker een jaar duren.’

Langer zelfs, weet Van den Eede uit eigen ervaring: ‘Wij hebben anderhalf jaar op ons eerste kind moeten wachten. Ik was 23, dus dat was uitzonderlijk. Ik heb ook elke maand die ontgoocheling gevoeld, maar wij namen onze tijd. Vandaag hebben mensen niet zoveel geduld meer.’

De Sutter haalt er de cijfers bij: ‘85 procent van de jonge vrouwen is na een jaar proberen zwanger. Na nog eens een jaar proberen is de helft van de anderen ook zwanger. Als we in dat tweede jaar ivf aanbieden, en al die onderzoeken doen en technieken inzetten, zouden we dus eigenlijk beter moeten doen dan 50 procent. Daar slagen we niet in.’

Wat is het slaagcijfer voor ivf wel?

De Sutter: ‘Ik kan u de cijfers geven voor onze universiteit. Als we een goed embryo hebben, zal dat bij 53 procent van de vrouwen onder de 35 jaar tot innesteling leiden. Een deel ervan zal uitmonden in een miskraam. Zo komen we uit op 40 procent geboortes.’

Van den Eede: ‘Een misleidend cijfer, want dat is niet gerekend vanaf de aanmelding voor ivf.’

De Sutter: ‘Klopt. Er zijn koppels bij wie we ondanks een fertiliteitsbehandeling niet tot een embryo zullen komen. Of tot een minder kwaliteitsvol embryo, met minder kans op innesteling.’

Van den Eede: ‘Naar mijn aanvoelen wordt dit te weinig verteld. Het ivf-verhaal wordt te veel gepresenteerd als fantastisch. Daardoor schat men de kansen op succes hoger in dan ze zijn.’

De Sutter: ‘Ik kan dat alleen maar bevestigen. Vanmorgen nog zat er een vrouw van 43 jaar bij mij die veel hoop koesterde. Ze kwam uit Nederland, waar ze uitbehandeld is. Ik krijg al jaren veel Nederlandse stellen over de vloer, omdat ze daar geen millimeter afwijken van hun strenge protocol. Na maximale stimulatie heeft deze vrouw telkens maar een of hooguit twee eicellen. Ik heb haar dus gezegd dat ik haar kans op succes op amper 2 à 3 procent schat.’

Gaat u er dan toch mee door?

De Sutter: ‘Veel van mijn werk bestaat erin vrouwen en koppels aan te moedigen om los te laten. Ik wijs hen erop dat het niet zinvol is om 5.000 euro te betalen voor een kans van amper 2 of 3 procent. Ivf is echt niet dé oplossing voor oudere vrouwen, want met oudere eicellen heeft de techniek veel minder succes. Een deel van mijn patiënten komt hier om dat uit mijn mond te horen. Ik ben het eindstation. Ze willen alles geprobeerd hebben.’

Van den Eede: ‘Terwijl ook vrouwen die door artsen uitbehandeld worden verklaard, nog een kans hebben om spontaan zwanger te geraken. Wij hebben in onze praktijk een vrouw van 40 behandeld. Een fertiliteitsarts van het UZ Brussel had haar eerlijk verteld dat haar kans op een natuurlijke zwangerschap op haar leeftijd groter was dan met ivf. En inderdaad, ze is nu 43 en moeder van een peuter van anderhalf.’

De Sutter: ‘Dat lukt niet altijd. Soms is men onvruchtbaar vanwege een medisch probleem. Maar het klopt dat heel wat vrouwen onverklaarbaar onvruchtbaar zijn. Vandaar dat sommige spontaan zwanger raken tussen twee ivf-pogingen in. Onvruchtbaar is een slechte term. De kans op een kind is haast nooit nul.’

Denkt u dat het klopt, dat alternatieve behandelingen de vruchtbaarheid kunnen verhogen?

De Sutter: ‘Dat hangt ervan af wat Greetje bedoelt. Ik heb haar boek nog niet gelezen. Maar ik heb in mijn praktijk al rare dingen gezien waar ik geen verklaring voor heb. Ik denk nu aan vrouwen die bij een eerste consult maar een beperkte voorraad eicellen bleken te hebben, en enkele maanden later een heel ander beeld lieten optekenen – en omgekeerd. Levensstijl heeft een niet te onderschatten invloed.’

Van den Eede: ‘Wij hebben recentelijk een vrouw geholpen die geen cyclus meer had vanwege een medisch probleem. We geven voedingsadvies, werken aan de hormonale balans. We sturen haar naar een dokter voor een bloedanalyse, om na te gaan of er voedingstekorten zijn. Ik doe voetreflexologie en ga ondertussen met de vrouw in gesprek. Ik voelde dat er van alles vast zat en heb haar ook naar een acupuncturiste gestuurd. Drie maanden later had ze opnieuw een cyclus.’

De Sutter: ‘Ik zeg u eerlijk: ik begrijp dat niet.’

Van den Eede: ‘Haar gynaecologe begrijpt het ook niet. Ze heeft ons gebeld en gevraagd of we eens willen gaan uitleggen wat we precies gedaan hebben. Ik vind dat fantastisch.’

De Sutter: ‘Kijk, er zijn allerlei complementaire behandelingen mogelijk – ik gebruik liever het woord complementair dan alternatief – maar als wetenschapper aan het UZ Gent ga ik die niet actief promoten. Ik kan dat niet doen. Voor mij moet alles zoveel mogelijk evidence-based zijn, en dat is met complementaire geneeskunde vaak een probleem.’

‘Ik ga mijn patiënten ook niet adviseren om allerlei supplementen te slikken. Dat moet alleen als er aanwijsbare tekorten zijn, bijvoorbeeld een tekort aan vitamine B12 of vitamine D, waarvan we weten dat het de vruchtbaarheid kan beïnvloeden. In alle andere gevallen is het alsof je met een paraplu rondloopt terwijl de zon schijnt: je wordt er niet droger van dan zonder paraplu. Evenwichtig en gezond eten is het belangrijkste.’

Ziedaar een overeenkomst: u bent het eens over het belang van gezonde voeding.

Van den Eede: ‘Van biologische groenten en fruit! Zwangere vrouwen en vrouwen die zwanger willen worden, moeten absoluut pesticiden vermijden.’

De Sutter: ‘Helemaal mee eens! Ik ben daar al 20 jaar mee bezig. Het is ook de reden waarom ik in de politiek ben gegaan. Rachel Carson schreef in de jaren zestig in haar boek Silent spring al dat we onze planeet aan het vergiftigen waren. Toen was dat nog vrij onbekend terrein. Nu zijn er in de fertiliteitswetenschap al 1.200 studies die het effect van bisfenol A, een plasticverharder, op de vruchtbaarheid aantonen. Mijd dus plastic en kant-en-klare voeding die in folie verpakt is.’

‘Ik zeg ook aan mijn patiënten: begin met biogroenten en -fruit te kopen. Op een gewone tomaat uit de supermarkt zitten 12 soorten pesticiden! Maar die is wel goedkoper. We leven in een omgekeerde wereld. Ik vind dat de overheid biovoeding net goedkoper zou moeten maken.’

Van den Eede: ‘En niet smeren met cosmetica en crèmes waarin hormoonverstoorders zitten! Ook niet met zonnecrèmes.’

De Sutter: ‘Het is een paradox, want we moeten in de zon, om voldoende vitamine D te hebben, en we moeten we ons tegen de zon beschermen. Er zijn ook producenten die hun best doen om betere producten op de markt te brengen.’

Zouden vrouwen met een kinderwens eerst op preconceptie-consult moeten, om dit allemaal te leren?

De Sutter: ‘Wij hebben nog zo’n consult gehad aan het UZ Gent, maar dat werkte niet goed. Er moet meer sensibilisering zijn aan de basis, voor iedereen. Daarom heb ik dit boek geschreven: ik merkte aan mijn patiëntes dat er te weinig aandacht gaat naar gewoon zwanger worden.’

‘Ik zal u een sterk voorbeeld geven: een vrouw van 38 wilde ivf. Toen ik vroeg wat ze al had geprobeerd, zei ze dat ze nog aan de pil zat. Zowel zijzelf als haar man reisden voor hun werk zo vaak naar het buitenland dat het toch nooit zou lukken om op het juiste moment seks te hebben. Bovendien zouden ze over een halfjaar naar de VS emigreren, en ze wilde nog snel twee – terugbetaalde – cycli voor ze vertrok. Ivf is in de ogen van sommigen een commodity geworden. Als je geen kinderen wil, neem je de pil, en als je er wel wil, ga je voor ivf. Ze willen geen jaar wachten. Ze willen het nu.’

Van den Eede: ‘Daarom betreur ik dat men nu aanraadt om na een jaar al een fertiliteitscentrum op te zoeken. Vroeger luidde het advies pas na twee jaar. De “deadline” van een jaar brengt meer stress teweeg, en ook dat heeft een negatieve impact.’

De Sutter: ‘Ik pleit ervoor om eindelijk eens criteria vast te leggen voor wie aan ivf mag beginnen. Onder welke voorwaarden: je zou toch op zijn minst eerst onderzocht moeten zijn, en toegegeven, als er niets gevonden wordt, kunnen jonge stellen beter nog even geduld oefenen en hun levensstijl aanpassen.’

Van den Eede: ‘De mannen niet vergeten! Levensstijl en voeding hebben ook invloed op hun vruchtbaarheid.’

De Sutter: ‘En geen smartphone in de broekzak stoppen. Dat zeg ik elk jaar aan mijn studenten, maar ze luisteren niet.’

Vrije tijd

Heeft u nog een échte hobby?
Wanneer vrijetijdsbesteding een opdracht wordt

De Morgen – 08-09-18 – Katrin Swartenbroux

De vrijetijdsbesteding die geheel vrijblijvend en puur voor het plezier uitgevoerd wordt lijkt vandaag even noodzakelijk al ze zeldzaam is. Hobby. Het woord dat u zoekt is hobby. Ja, wij waren het ook even uit het oog verloren.

New Year, New Me. Het kan me niet schelen wat de kalendermaffia ons probeert wijs te maken; na meer dan de helft van mijn leven op de schoolbanken te hebben doorgebracht, begint een nieuw jaar en de daarmee gepaard gaande goede voornemens voor mij nog steeds op 1 september. Zo komt het dat ik op een dode dinsdagavond met een glas rode wijn en een pulserende existentiële crisis mijn halve vriendenkring sms met de vraag of ik meer een tarotkaartenpersoon dan wel een reformerpilatestype ben.

Kungu-les

Ik ben op zoek naar een hobby. Dringend. Het is wellicht de meest dwingende taak op mijn to-dolijst, aangeduid met ster én uitroepteken, een codering die overblijft van de periode waarin ik dacht dat “een bullet journal mijn nieuwe ding zou worden”. Helaas. Ik staar nog steeds in de leegte – niet zozeer in mijn agenda, maar veeleer in mijn persoonlijkheid. Om het eat-sleep-work-vloek op de afwas-repeat-ritme te doorbreken heb ik nochtans al veel geprobeerd. Ik ben ooit iedere week naar een luguber deel van Antwerpen gefietst om er kungfu-les te krijgen van een angstaanjagend kranige tachtiger die enkel Chinees sprak, gewoon omdat ik het wel interessant vond om het te laten vallen tijdens gesprekken. “Nee, op donderdagen kan ik niet, zweefvliegtuigles, weet je wel.”

Ik wil dolgraag de persoon zijn die na een macro­biotisch etentje (“passie­projectje van me”) haar gasten een zelfgedraaide bowl mee naar huis kan geven, maar de keramieklessen in alle grote provinciesteden zijn permanent volgeboekt. Blijkbaar zitten veel mensen met hetzelfde idee.

Innerlijke rust

“Een hobby is haast een statussymbool geworden”, weet professor ontwikkelingspsychologie Maarten Vansteenkiste. “Wie anno 2018 naast zijn drukke job en eventueel een gezin nog tijd weet vrij te maken voor een hobby heeft het gemaakt. Maar dan streef je natuurlijk aan de kerndoelstelling van de hobby voorbij.” Volgens de professor is een hobby voornamelijk een activiteit waar we plezier en energie uit halen en waarin we innerlijke rust kunnen vinden.

Het klinkt haast frivool, iets doen enkel omdat je het leuk vindt, niet omdat je er op een of andere manier persoonlijk gewin uit kan halen. Het is een stelling die Brigid Schulte, Amerikaans directeur van het Better Life Lab, onderschrijft in haar boek Overwhelmed: Work, Love, and Play When No One Has the Time. “We leven in een prestatiegerichte maatschappij die ons leert dat ons hoofddoel produceren is”, aldus Schulte in The New York Times. “Waarom zouden we de gitaar vastnemen wanneer we geen ambitie hebben om er ooit mee op een podium te staan? Waarom iets maken als we niet van plan zijn het te verkopen? Men lijkt overtuigd van het idee dat je tijd enkel waardevol kan spenderen wanneer het je iets oplevert: een persoonlijk record, aanzien op sociale media, een gespijsde bankrekening.”

“Is dat een trend? Ik dacht dat dat individueel was!”, reageert Sander. “Telkens als ik begin aan iets compleet los en vrijblijvends, loopt dat binnen de kortste keren uit de hand en wordt het prestatiegericht zodat ik mijn hobby kwijt ben.”

De dertiger haalt het voorbeeld aan van hoe hij – ironisch genoeg – tijdens zijn herstelperiode van een burn-out op een beginnersset voor linodrukken gestoten is. Toen hij zijn meest geslaagde creaties online deelde, vroegen steeds meer mensen of ze er eentje konden bestellen, en kreeg hij plots ook opdrachten binnen. “Het was tof dat anderen er enthousiast over waren, maar het werd een zoveelste verplichting. Ik ging mezelf ook strenger beoordelen en werd kwaad wanneer er niet genoeg inspiratie kwam. Van een hobby was er toen niet echt sprake meer.”

Side hustle

Gespijsd door de misleidende dooddoener ‘maak van je passie je beroep en je werkt geen dag in je leven’ lijkt het een droom om dag in dag uit met je hobby bezig te zijn. Dat is het vaak ook, maar het komt soms met een prijs die niet altijd geëvenaard wordt door het bedrag dat maandelijks op je rekening gestort wordt. Het is om die reden dat S. (33) de journalistiek vaarwel zei. “Mijn pen was altijd mijn uitlaatklep: ik schreef kortverhalen, hield een dagboek bij en deed voor mijn plezier mee aan poëziewedstrijden. Toen ik mocht beginnen bij een tijdschrift, en schrijver als beroep werd, was dat aanvankelijk fantastisch, maar ik merkte al snel dat ik er geen plezier meer uit haalde. Dat ik enkel nog bezig was met mijn job, en dat zelfs de kleine schrijfopdrachtjes die ik voor mezelf deed me aan werken deden denken. Daar kon ik niet mee leven”, motiveert ze haar carrièreswitch.

Yasmina (26) ziet voorlopig geen graten in haar zogenaamde side hustle. “Ik werk fulltime in de communicatie, maar kan mijn creatieve ei kwijt in het maken van juwelen. Ik verkoop die via een Facebook-groep, maar het voelt niet als een job. Nog niet. Ik vind het gewoon leuk dat ik een extra spaarcentje overhoud aan een hobby, en dat mensen mijn creaties mooi vinden.”

“Op zich is het geen probleem om van je hobby je beroep te maken, zolang je die activiteit dan ook niet meer ziet als hobby, en je je ontspanning elders haalt”, weet loopbaancoach Els Deboutte, die met haar bedrijf Make Me Fly! onder meer mensen met een burn-out weer richting een gezonde work-life-balans gidst.

Dodentocht

Maar hoe ontspannend ervaren we onze ontspanning nog? Wanneer ik door mijn socialemediakanalen scrol breekt het zweet me uit, alsof ik, en niet Elise, net 24 kilometer gelopen heb in een betere tijd dan vorige week. Al moet ik niet veel zeggen. De zeldzame keren dat ik mijn Nikes uit sportieve motieven aanbind, worden ook gedeeld in mijn Instagram Stories. Heb je immers wel écht gesport wanneer je followers geen boemerang van je hevig rondmaaiende voeten hebben gezien? Illustrator Eva Mouton uitte op Twitter al haar ongenoegen. “Je kan geen yoga meer doen zonder op een bepaald moment voor je yogadiploma te gaan, lopen kan niet meer zonder te trainen voor een fakking marathon. Wandelen? Nee, ik doe de dodentocht en moet daarna vijf maanden naar de kinesist om mijn geblesseerde heup weer in de kom te krijgen.”

Zelfs activiteiten die doorgaans niet competitief van aard zijn worden plots prestatiegericht. We smijten onze zeefdrukresultaten op Etsy en moestuinoogst op Facebook. We delen welke boeken we hebben gelezen, hoeveel boeken we al hebben gelezen en hoeveel boeken we plannen voor het einde van het jaar te lezen alsof het wedstrijdgehalte en niet de woordenschat primeert. “Herkenbaar”, beaamt Stavros (26). “Ik lees heel graag, maar ik slaag er niet in het circuit uit te zetten dat er ergens ook een opdracht van maakt. ‘Nog X bladzijden’, ‘Als dit uit is kan ik eindelijk dat boek lezen’, ‘Oh ik heb de laatste Murakami nog niet gelezen’, enzovoort. Vermoeiend”, zucht hij.
Ook Jeroen (31) geeft toe dat er altijd wel een dwingend aspect is. “Ik verzamel bijvoorbeeld platen en retrogames als hobby, maar ook daar geldt: gotta catch ’em all!”

Uitlaatklep

Telt zwemmen nog als hobby als je het aantal baantjes bijhoudt? Is een stickerboek of muntencollectie geen goede uitlaatklep als je ernaar streeft je verzameling compleet te krijgen? Kan een hobby ontspannend én prestatiegericht zijn? “Uiteraard”, zegt professor Vansteenkiste. “Plezier is een intrinsieke motivator, maar er spelen nog heel wat andere factoren mee. Jezelf een doel stellen kan ervoor zorgen dat je je hobby langer volhoudt, wat op zich een positieve invloed is. Je moet je gewoon altijd afvragen waarom je iets doet: train je voor de Ten Miles omdat het je een toffe race lijkt en omdat je lopen plezierig vindt, of train je omdat je wil kunnen zeggen dat je de Ten Miles gelopen hebt?”, aldus Vansteenkiste.

Ook Deboutte hamert op het plezier. “Je kan perfect een hobby uitoefenen die heel competitief en prestatiegericht is, zoals sporten, maar je houding is belangrijk. Wanneer je jezelf naar elke training moet slepen is het redelijk waarschijnlijk dat je het niet meer leuk vindt en dat je er dus ook geen ontspanning uit haalt.”

“Een hobby moet je energie geven, geen energie kosten”, voegt Vansteenkiste daar nog aan toe.

“Ik vind het eigenlijk frappant dat je me belt met de mededeling dat je een hobby móét hebben”, lacht Deboutte. “Moet dat? Wie zegt dat? Wanneer een hobby een verplichting wordt, dan doet die meer kwaad dan goed. Als jij rust en voldoening haalt uit een hele avond in je zetel liggen met de kat op je buik, doe dat dan in godesnaam. We moeten al zoveel.”

Genoteerd.

Niets doen

Niets doen
Gewoon door het raam kijken
Hoe af en toe een mus
Van de ene tak
Op de andere springt
En beseffen
Hoe zalig stilte kan zijn.

Micheline Baetens – 08.09.2018

De brug

Een brug moet mensen verbinden en niet tot wanhoop drijven.

Zelfdoding is te voorkomen. Daar blijf ik in geloven, en ik zal het als een falen blijven aanvoelen, zolang het nog gebeurt.

Deze man heeft gelijk, er is altijd hoop, zolang er maar iemand luistert naar jouw wanhoop, en je vertelt dat er andere oplossingen zijn.

Prachtig discours. Laat ons bruggen bouwen naar elkaar toe. Bedankt Kevin Briggs!

 

Mythes over voedsel en beweging

Hoe mythes over voedsel en beweging counteren?
Expertisecentrum tegen fake voedingsnieuws

Niets hardnekkiger dan fabeltjes over voedsel en beweging. In tijden van fake news en een lawine aan informatie willen de experts vastberaden de strijd met mythevorming aangaan.

De Standaard – Simon Grymonprez – 07.09.2018

Hoe kunnen we mythes over voeding en beweging de wereld uit helpen? Over die vraag, gesteld door het kenniscentrum Eetexpert, bogen honderd diëtisten en artsen zich gisteren. Een vraag die steeds pregnanter wordt, want vooral jonge mensen zijn fervente gebruikers van ‘dokter Google’. Dat bleek eerder uit een bevraging van de Christelijke Mutualiteiten. Vooral hoogopgeleide jonge mensen blijken kwetsbaar voor het amalgaam aan digitale gezondheidstips, terwijl net het internet de broeihaard is van voedings- en bewegingsmythes.

Het is niet alleen de lawine aan tegenstrijdige ‘tips’ die de burger verwart, maar ook de onkritische zwart-wit-berichtgeving over gezondheid in de media, oordelen de diëtisten. Om journalisten te helpen pleit Tim Smits, hoofddocent marketingcommunicatie aan de KU Leuven, voor een eenduidig expertisecentrum dat als aanspreekpunt kan dienen voor de media in gezondheidskwesties. Volgens Smits werken experts aan zo’n aanspreekpunt, maar moeten verscheidene beleidsdomeinen nog mee het bad ingetrokken worden. Volgens Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) voorzien enkele door de overheid gesubsidieerde organisaties voor de meeste gezondheidskwesties al in een netwerk aan experts bestemd voor journalisten.
De meerwaarde van een eenduidig centrum is volgens Smits dat het expertisecentrum bij een gezondheidsnieuwtje telkens zou kunnen terugvallen op een basisverhaal van vuistregels, waar ‘voldoende consensus over bestaat’. Zo’n centrum zou de mythevorming over voedsel en bewegen moeten tegengaan.

Dat mensen vatbaar zijn voor mythes rond voeding, is niet alleen de schuld van de media, zegt Smits. ‘Belangrijk is te beseffen dat iedereen zich ervaringsdeskundige voelt: iedereen eet meerdere keren per dag en gezondheidsadvies gaat soms in tegen onze intuïtie.’ Dat bepaald voedsel, zoals spek, bij veelvuldig gebruik meer gezondheidsrisico’s oplevert, wordt dan gecounterd met: ‘Ja maar, mijn grootvader at elke dag spek met eieren!’ Smits: ‘Een standaard­antwoord zou dan moeten zijn: mensen leefden toen ook veel minder lang!’

Niet alleen gewone burgers vallen ten prooi aan mythes, ook professionals gaan er soms in mee of zijn door een gebrek aan bijscholing niet op de hoogte van ontkrachte theorieën. Een van de mythbusters is professor Dominique Hansen van de UHasselt. Hij geeft lezingen over bewegings­mythes voor bijvoorbeeld diëtisten. Of hij soms op weerstand stuit? ‘Nee, wel verbazing,’ zegt hij. Maar, zo vat Hansen samen, ‘als je met solide argumenten komt, accepteren ze je boodschap wel’.

ACHT hardnekkige mythes

1

‘Iedere vorm van inspanning leidt tot gewichtsverlies’
‘Uiteraard is dat niet zo’, zegt professor Dominique Hansen (UHasselt). ‘De huidige Europese richtlijnen zijn heel generiek, maar er is eigenlijk een veel groter volume aan inspanningen nodig om tot gewichtsverlies te komen. Je moet dus veel meer sporten om te vermageren dan de huidige richtlijnen doen geloven.’

2

‘Sporten heeft nauwelijks effect op mijn gewicht, dus kies ik alleen voor diëten’
Het andere uiterste van mythe 1. ‘Het klopt dat, door inspanningen toe te voegen aan een dieet, je niet spectaculair veel afvalt’, zegt Hansen. ‘Maar sporten heeft iets tot gevolg dat eigenlijk nog belangrijk is dan gewichtsverlies: een betere gezondheid. De impact daarvan op bloeddruk, cholesterol of de kans op suikerziekte is enorm. Dus ook op de levensverwachting of de opnames in het ziekenhuis.’

3

‘Er is een ideale inspanningsgraad waarbij ik vet verbrand en dat is een lage intensiteit’
‘Het is niet omdat je oefent binnen je vetbrandingszone dat je meer gewicht verliest’, vertelt Hansen. ‘Het tegendeel is eigenlijk waar. Een lage intensiteit is níét beter om af te vallen. Googel maar eens: heel vaak zullen websites aanraden om te trainen met een lage hartslag. Je mag dit gewoon negeren.’

4

‘Door krachttraining val ik veel sneller af’
‘Ja,’ zegt Hansen, ‘krachttraining is nodig. Maar niet om af te vallen. Krachttraining zal ertoe leiden dat je spiermassa toeneemt, wat je bijvoorbeeld beter beschermt tegen suikerziekte. Maar een grotere vetmassa zul je er niet door verliezen.’
Hansen geeft aan dat de reden onbekend is. ‘Krachttraining genereert wel een groter calorieverbruik, maar toch vallen we niet meer af. Het is een enigma.’

5

‘Je valt ’s ochtends sneller af door te sporten met een lege maag’
Dit idee komt volgens Hansen overgewaaid van atleten, die sporten op een nuchtere maag. ‘Maar ze doen dat niet om af te vallen, wel om prestaties te bevorderen. Maar voor de bestrijding van obesitas maakt het niet uit. Er is niets mis mee, maar je valt er niet sneller door af.’

6

‘Door al die gefotoshopte, dunne modellen krijgen onze jongeren eetstoornissen’
Klopt niet, zegt Nele De Schryver, psychiater aan het UZ Gent en gespecialiseerd in eetstoornissen. ‘Het is genuanceerder. We weten dat die slanke modellen een negatieve invloed hebben op het zelfbeeld van mensen die sowieso minder zelfvertrouwen hebben, perfectionistisch of angstig zijn. Dat kán bijdragen tot een eetstoornis, maar er zijn veel meer relevante factoren, zoals genetische eigenschappen, ervaringen in het leven of temperament.’

7

‘Om van je eetstoornis af te raken, is een portie wilskracht alles wat je nodig hebt’
‘Ondergewicht laat je meer nadenken en meer obsessief bezig zijn met eten. Als je dan bijkomt, is het niet zo dat het probleem rond je zelfvertrouwen of perfectionisme plots is opgelost’, zegt De Schryver. ‘Wilskracht is belangrijk om tegen een eetstoornis te vechten, maar het is geen garantie op succes, of je nu bent bijgekomen of niet.’

8

‘Een eetstoornis wordt heel vaak veroorzaakt door conflicten binnen het gezin’
‘Nee,’ zegt De Schryver, ‘we zien dat gezinsconflicten heel vaak níét aan de oorsprong liggen van de eetstoornis. Die zet de gezins­relaties wel op scherp, met meer conflicten als gevolg. Maar de stoornis volgt niet uit het conflict.’

Zelfverwonding

Moeten we ons zorgen maken over zelfverwonding bij meisjes?

Bron – EOS  Wetenschap

Vorige week werden alarmerende cijfers gepubliceerd uit de zevende editie van het Britse ‘Good Childhood’ rapport. 22 procent van de 14-jarige meisjes bleek zelfverwondend gedrag te vertonen. Hoe zit het bij ons?

Deze resultaten komen uit een nog lopend onderzoeksprogramma (The Children’s Society The Good Childhood Report), gestart in 2005, waarbij 65.000 kinderen en jongeren tussen tien en zeventien jaar vragenlijsten invulden over hoe ze zich voelen over hun leven en over de dingen die hen (on)gelukkig makend. Er werd hierbij vooral gekeken naar tijdelijke trends in geluksgevoel, geslachtsverschillen, gevoelens over vrienden, familie en uiterlijk. Verder werd de relatie tussen geluksgevoel en mentale gezondheid bestudeerd en het eventuele verband met ‘zelfverwondend gedrag’, een term waarmee zowel fysieke zelfverminking wordt bedoeld (bijv. zichzelf krassen, snijden, …) als ander destructief gedrag (bijv. alcohol- en drugsmisbruik). Er werden ook gegevens van 3 andere lopende studies in rekening genomen.

In het algemeen steeg het geluksgevoel gelinkt aan familie en school, van 1995 tot 2016, bij de Britse kinderen en jongeren. Vanaf 2009 wordt het verschil in geluksgevoel tussen jongens en meisjes steeds groter. Bij meisjes spelen de gevoelens over hun uiterlijk een grotere negatieve rol. Mogelijk hebben sociale media een groter (negatief) effect op meisjes dan op jongens. Meisjes gaven in het algemeen aan minder gelukkig te zijn, hadden meer depressieve klachten en gaven 2 keer meer (22%) zelfverwondend gedrag aan in vergelijking met jongens (9%).

Voor België zijn de cijfers ook vrij hoog: uit een steekproef onder 568 middelbareschoolstudenten bleek 16,5 procent zichzelf ooit (fysiek) te verwonden. Ook hier waren het voor 76 procent meisjes en slechts 27 procent jongens.

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

In onze huidige samenleving lijkt het niet zo eenvoudig om het mentaal evenwicht te bewaren. In de Belgische Gezondheidsenquête (2013) geeft een derde van de bevolking van vijftien jaar en ouder aan psychische problemen te ervaren. Vrouwen, laagopgeleiden en inwoners van grote steden hebben vaker met dit soort problemen te kampen. 40 procent van de jonge vrouwen (15-24 jaar) meldt psychische problemen, terwijl dit percentage voor mannen in deze leeftijdsgroep maar half zo hoog ligt.
Een van de belangrijkste aanbevelingen van de onderzoekers is om zelf naar de mentale gezondheid van kinderen en jongeren te peilen en niet verder te gaan op de mening en observaties van volwassenen.

Jongeren die zich mentaal niet fit voelen, moeten makkelijker kunnen praten over hoe het echt met hen gaat. Wie griep heeft of zijn been breekt, gaat naar zijn huisarts of het ziekenhuis. Maar wie zich mentaal niet fit voelt, weet vaak niet waar hij terecht kan of durft er niet met anderen over praten. Zeker jongeren vormen daarbij een moeilijk bereikbare doelgroep.

De website van Geestelijk Gezond Vlaanderen deelt tips voor jongeren.
Meer specifieke informatie over zelfverwonding is hier te vinden.

Op de website van Te Gek ten slotte staan alle campagnes die psychische problemen bespreekbaar kunnen maken.

Conclusie

Dit rapport bevestigt het belang van aandacht voor onze mentale gezondheid, ook voor kinderen en jongeren. De cijfers liegen niet en zelfverwonding mag niet langer verstopt blijven. We moeten alle middelen aanwenden om het bespreekbaar te maken. De huisarts kan hier een centrale rol in spelen.

Kussen

Elke dag een half uur kussen en andere tips om je relatie beter te maken

Nieuwsblad – 06.09.2018

Verliefdheid verdwijnt al snel, dan komt liefde in de plaats. En liefde is, zoals dat heet, een werkwoord. Blijven investeren in een relatie is de essentie om ze leuker te maken. Dat precies wat vier koppels in het VTM-programma ‘Koppels’ gaan uitproberen met de hulp van klinisch seksuologen Chloé De Bie en Wim Slabbinck. Helpt het echt om elke dag een half uur te kussen? En welke tips hebben ze nog?

Een half uur per dag kussen

De experts zijn het eens: kussen is een snelle manier om je meer verbonden te voelen met je partner. “Lieve kusjes zijn gezellig en doen meer intimiteit ontstaan. Bij tongkussen wordt speeksel uitgewisseld en schep je een heel andere, meer passionele, sfeer”, zegt De Bie. “De lippen zijn immers een erg erogene zone en activeren genotsprikkels. Je krijgt er zin van. Bij elke kus komen endorfines, ook wel gelukshormonen genoemd, vrij. Zoenen maakt je dus echt gelukkig.”

Volgens Slabbinck is kussen een van de bouwstenen van een goede relatie. “Zie het als een soort snoepje. Iedereen doet het weleens en het kan een aanzet zijn om te praten over intimiteit en seksualiteit. Koppels die weinig kussen, kunnen zich afvragen of ze het niet meer doen omdat hun relatie scheef zit. Of is het net andersom en gaat het minder omdat er niet meer wordt gekust?” Hoe dan ook: als je seksleven stroef verloopt, begin dan bij het begin. Concentreer je op het kussen, zonder dat het meteen tot seks moet leiden. Probeer verschillende soorten kussen uit om te zien wat werkt: kus in de nek, kus geblinddoekt,… Met creativiteit komt speelsheid terug.

Steek je telefoon weg, kijk niet op je tablet

“Het klinkt zo eenvoudig, maar het is heel moeilijk . Als je op restaurant zit met je gsm bij de hand, zit die ene vriend(in) die sms’t eigenlijk ook aan tafel. Technologie haalt je weg uit het moment”, zegt De Bie. En als jullie minder aandacht hebben voor elkaar, is er ook minder ruimte voor intimiteit en seks.” Denk je dat het wel meevalt met dat chatten aan tafel? Installeer dan eens een app die je smartphonegebruik meet, meestal is dat even schrikken.

Weet je niet wat gedaan zonder technologie in de buurt? Kijk in elkaars ogen. “Doe het gerust drie tot vijf minuten lang. Het creëert een krachtig moment tussen jullie beiden. Er is even heel duidelijk een quasi onzichtbare verbondenheid die je een sterk gevoel van liefde bezorgt.” Andere tips van de seksuologe: waag je aan het pikante gezelschapsspel ‘Ultiem Verlangen’, dat werd ontwikkeld om elkaar beter te leren kennen – ook al ben je even samen – en opbouwt naar het seksuele.Verrassing!

Sleur geeft stabiliteit en veiligheid, maar maakt ook dat je je partner soms als vanzelfsprekend beschouwt. Daarom is het belangrijk dat je elkaar af en toe probeert te verrassen. “Het is niet nodig om met grote cadeaus en initiatieven af te komen. Ook kleine dingen, al is het maar een post-it of leuk sms’je met een overwacht compliment: het is spontaan bewijsmateriaal waarmee je toont dat je de ander nog steeds graag ziet, met als een gelukkig gevoel als resultaat”, zegt De Bie. Een tip: ga weer daten. Plan elk om beurt iets in, maar verklap niet wat jullie gaan doen. Zo blijft het spannend en geef je de relatie kleine duwtjes in de beste richting.

Ook al is het lastig, praat toch over seks

De seksuologen spreken uit hun ervaring: “Over seksualiteit praten is niet voor elk koppel even makkelijk.” Maar er bestaan hulpmiddelen om het onderwerp een luchtige manier aan te pakken. “Je kan je seksuele voorkeuren ingeven in een app, zoals UnderCovers of Kindu. Die synchroniseert je wensen met die van je partner en geeft een overzicht van wat bespreekbaar is. Ook samen porno of porna bekijken, erotische verhalen lezen kan een conversatie op gang brengen”, zegt De Bie.
Seksleven in het slop? Volgens Slabbinck is het steeds een goed idee om terug te blikken naar het begin van jullie relatie. Hoe was het dan, toen julie nog geen seks hadden? Ga terug naar de basis (denk aan een hand op de schoot in de bioscoop,…) Bouw langzaam op, streel elkaar vaker,… Het is niet nodig dat er per se seks van komt, ook dat kan je afspreken. Het gaat erom om elkaar opnieuw te ontdekken en de essentiële verbinding te hernieuwen.

 

Een wasbordje is nergens goed voor

Een wasbordje is nergens goed voor

De Standaard – Tom Heremans – 06.09.2018

De broers Staf en Matthias Coppens stellen al enkele jaren hun lichaam ‘ter beschikking van de wetenschap’, in het VTM-programma Het lichaam van Coppens. In de eerste aflevering van het zesde seizoen kunt u vanavond zien hoe ze in acht weken tijd een af­getraind lichaam kweken. Met onder meer prominente biceps, triceps en quadriceps, maar de spieren waarover vanavond het meest te doen is, zijn de musculus abdominis. De buikspieren, de sixpack, het wasbordje.

Dat wasbord is het – vooruit maar – uithangbord van hun experiment geworden, omdat de buikspieren het moeilijkst ‘bovenliggend’ of zichtbaar te krijgen zijn. Dat komt doordat ze onder een laag buikvet zitten. Iedereen, zelfs u, heeft een wasbordje, alleen kun je het dus niet zien. Je kunt sit-ups doen tot je er hoofdpijn van krijgt, zolang je buikvet hebt, zul je niet met je wasbordje kunnen uitpakken. Voor alle duidelijkheid: ook wie slank is en een platte buik heeft, heeft nog buikvet. Je vetpercentage moet bijna idioot laag zijn voor je sixpack bloot komt te liggen. Je kunt je buikspieren natuurlijk extra trainen, zodat ze er nog meer ‘gebeiteld’ uitzien, maar diëten is dus veel belangrijker dan oefeningen doen. Dat vertelden de broers Coppens vorige week zelf al aan Het Nieuwsblad: ‘Dit was 95 procent voeding en 5 procent training.’

Blaartrekkend saai

De broers lieten in hetzelfde interview ook weten dat ze die twee maanden voortdurend honger hadden. Dat kwam natuurlijk ook door de extreem korte periode waarin ze hun experiment wilden doen ­slagen, maar wie er de vakliteratuur op naslaat, hoort van professionele wasbordjes precies hetzelfde. Je moet alcohol uit je leven bannen, je mag geen zuivel, pasta of rood vlees eten, en ga zo maar door. Is dat gezond? Tot op zekere hoogte wel, maar daarboven niet meer. Gezond eten en afslanken is goed tot je een platte buik hebt, stellen artsen, maar die extra inspanning om dat extra beetje vet kwijt te raken voor je wasbordje, levert je geen extra levens­jaren op. Het lijkt alleen maar alsof je leven veel langer duurt, omdat het zo blaartrekkend saai wordt. ‘Je moet kunnen afstappen van het idee dat eten lekker kan zijn, laat staan een aangenaam tijdverdrijf’, getuigde fitnessinstructeur en model Gino Caccavale vorig jaar in Men’s Health. ‘En je sociale leven wordt onbestaande, want je zit elk vrij moment in de gym.’ Het is, kortom, geen leven, zoals Mathias Coppens toegaf: ‘Ik heb twee maanden slechtgezind rondgelopen, en je seksleven gaat er ook niet op vooruit’

Bovendien kan je lijf een obsessie worden, waarschuwt Caccavale. De broers Coppens beamen alweer: ‘Hoe harder je traint, hoe meer je op lichamelijke onvolkomen­heden gaat letten. Op het eind van die acht weken zagen we meer vet aan ons lijf hangen dan voordien.’

Te kleine T-shirts

Dat brengt ons bij de volgende prangende kwestie. Als je een keer zo’n wasbordje hebt, wat doe je er dan mee? Zolang je kleren aanhebt, ziet niemand het resultaat van je maandenlange inspanningen. Ga je bij elke gelegenheid je T-shirt uittrekken om ermee te pronken? Ga je er elke zaterdag mee in het plaatselijke zwembad paraderen? Of doe je het gewoon voor die ene strand­vakantie per jaar? Of wil je meer volgers op Instagram? Wie wil nu zo iemand zijn?

Begrijp me niet verkeerd, er is niets mis met een gezond, mooi lichaam. Gespierde armen, brede schouders, strakke kont, het heeft wel iets. Zonder al te gay te willen klinken, iemand als Bartel Van Riet ziet er best patent uit. Dat komt misschien doordat zijn lichaamsbouw deels voortvloeit uit zijn beroepsactiviteit: de man was ooit boomsnoeier – zulke jongens verrichten elke dag acrobatisch werk.

Het is pas als je in de fitness je lijf extreem gaat oppompen dat het belachelijk wordt. En dan krijgen mensen een verkeerd beeld van je. Ik toch. Als ik zo’n afgetrainde krachtpatser ontmoet, verdring ik de woorden ‘afgetrainde’ en ‘kracht’ en blijft alleen de patser over. Zeker als hij zijn T-shirt twee maten te klein draagt. En dat doen ze allemaal, u moet er maar eens op letten.

Ik vind extreem afgetrainde lijven bedreigend. Wie altijd een wapen bij zich heeft, zal ooit geneigd zijn het te gebruiken. Dat geldt ook voor mensen die van hun lijf een wapen maken. Ik ervaar spierbundels daarom als, durf ik het zeggen: te mijden.

Herinnert u zich Damiano, de Italiaanse spierbundel uit het recentste seizoen van Blind getrouwd? ‘Mensen denken altijd dat ik een player ben, omdat ik eruitzie zoals ik eruitzie’, zei Damiano bij de eerste kennismaking met het Vlaamse publiek. ‘Maar ik ben helemaal niet zo, het is niet eerlijk.’

Misschien niet, maar wat verwacht je dan, als je er alles aan doet om er als een player uit te zien? Het is misschien een conservatieve reflex, maar wie zijn gezicht vol piercings stopt en de letters ‘HATE’ op de knokkels van beide handen laat tatoeëren, weet ook dat hij de boodschap ‘Ik heb schijt aan alles en iedereen en vooral aan u’ uitstraalt. Wellicht is het hem daarom te doen. Toch?

Onderbroeken van de Hema

Goed. We zijn allemaal ijdel, ik ook. Als mijn BMI weer eens tegen de 25 aanschurkt en mijn buik ruzie zoekt met mijn broekriem, wil ik daar ook iets aan doen. Ik wil me goed voelen in mijn vel, en in mijn kleren. Dat vergt inspanning en zelfdiscipline, maar met mate. Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt te streven naar een buik als een kasseiweg, schouders waar je het verzameld werk van Hugo Claus op kunt uitstallen en bovenarmen die je mouwen doen scheuren. Dat is nochtans het ideaalbeeld dat wordt opgehangen in ontelbare films, in tv-spots van Coca-Cola en in reclame voor onderbroeken. (Terloops gezegd: de broertjes Coppens maken met hun nieuwe lijven reclame voor onderbroeken van de Hema, je moet het zien om het te geloven.)

In dat mannelijke ideaalbeeld schuilt een gevaar, net zoals in het extreem slanke vrouwelijke schoonheidsideaal dat bij jonge meisjes tot eetstoornissen kan leiden. Tegenwoordig slikken jongens van dertien in de fitness steroïden om er sneller opgepompt uit te zien. Op de speelplaatsen van middelbare scholen zie je meer spierbundeltjes dan nerds lopen. Wat zeg ik: zelfs de nerds zijn meestal spierbundeltjes.

Het is dus een recent fenomeen. Twintig jaar geleden liepen alleen Hollywoodsterren, top­sporters en bodybuilders er zo bij. Tegenwoordig zien angstaan­jagend veel gewone mensen eruit als Ryan Gosling in Crazy Stupid love.

Het verschil is: toen Ryan Gosling te horen kreeg dat hij in Crazy stupid love een scène had waarin Emma Stone zijn blote bast ziet en verbouwereerd uitroept ‘Oh my god, you look photoshopped’, had hij nog een half jaar de tijd om er met zijn personal trainer en voedingsconsulente voor te zorgen dat hij er gefotoshopt uitzag toen de opnames begonnen. Daar wordt hij bij elke film dik voor betaald, en na de opnames kan hij zich weer laten gaan. Waarna wij in Story kunnen kijken naar de paparazzi-foto’s van zijn beginnende buikje tijdens zijn strand­vakantie in Malibu.

Een gezellig lijf

En de vrouwen, wat vinden zij ervan? Daar is – het zal u niet verbazen – onderzoek naar gedaan. De meeste vrouwen houden niet van mannen met een sixpack, zo blijkt. Daar hebben ze verschillende redenen voor, de meeste egocentrisch van aard. Een man met een sixpack wil de hele tijd sporten, samen met een vrouw die ook een perfect lichaam heeft, en veel vrouwen hangen het liefst in de sofa met een glas witte wijn naar Netflix te kijken. Zoiets. Maar ook: een man met een overdreven gespierd lichaam verliest al zijn kwetsbaarheid. En hij wekt wantrouwen op: waarom probeert hij daarmee indruk te maken? De meeste vrouwen (kandidates voor Temptation Island uitgezonderd) zullen het niet snel toegeven, maar ze verkiezen eigenlijk een man met een dad bod. Dat is Engels voor ‘een gezellig lijf’, zoals de broers Coppens hun ­lichaam voor het experiment omschreven. Het soort lichaam waaraan ook ik al jaren werk, besef ik nu. Een beginnend buikje (check), zwembandjes boven de heupen (check) en bovenarmen waar je een putje in kunt duwen (check).
Vanavond, dames, eet ik een vol bord lekkere pasta, met een glas rosé erbij. ­Speciaal voor jullie.