Een elastiekje

Een elastiekje

Zij had een elastiekje rond haar hart,
En dat elastiekje
Hield alle gebroken stukjes samen.
Maar dat elastiekje
Is gesprongen nu!
En nu is haar hartje
Weer blij
Want nu is haar hartje
Weer vrij!

Micheline Baetens – 6 november 2014

Dit gedicht van mezelf heb ik vanavond toevallig teruggevonden op de website van Femma. Hoe en door wie het daar terecht gekomen is weet ik niet. Niet door mij in elk geval. Wel een toffe ontdekking!

https://nl.wikipedia.org/wiki/Femma

https://www.femma.be/frontend/files/userfiles/files/Zingeving/Zingevende_gedichten_geheel.pdf

Woorden in een veranderende wereld

Als straks het meest politiek beladen museum van België heropent, zal over elk woord nagedacht zijn. Bambi Ceuppens, wetenschappelijk commissaris van het AfricaMuseum, zou het pas gek vinden als dat niet zo was. ‘Maar ik ben de taalpolitie niet. Als u kwetsende woorden wilt gebruiken, zal ik u dat niet verbieden.’ ‘Wie mensen kaaskop of neger blijft noemen, heeft een probleem’
De Standaard – Wouter Woussen – 08.09.2018

‘Als je voor het AfricaMuseum werkt, moet je een olifantenvel hebben’, zegt Bambi Ceuppens. De wetenschappelijk commissaris humane en sociale wetenschappen van het AfricaMuseum in Tervuren is niet helemaal verbaasd dat er de voorbije week commotie ontstond over enkele taalrichtlijnen die ze had opgesteld voor haar collega-wetenschappers en museologen. Wat haar wel verwondert, is dat mensen zich opwinden over een tekst die ze nooit gezien hebben. ‘De hele discussie gaat nu over een paar geïsoleerde voorbeelden van woorden die wij niet gebruiken: hut, jungle, tamtam. De foute indruk ontstaat dat we een lijstje hebben gemaakt met verboden woorden en politiek correcte alternatieven.’

Ze toont de tekst, een document van 25 pagina’s. Een groot deel is erg technisch en gaat onder meer over het verschil tussen Congo en Kongo, of tussen kolonisering en kolonialisme. De vraag of de dood van miljoenen Congolezen onder het bewind van de Belgische koning Leopold II een genocide genoemd kan worden, beslaat meerdere pagina’s. ‘U ziet: dit is een genuanceerd verhaal, niet zwart-wit, geen lijstje do’s-en-don’ts.’

‘Bij het AfricaMuseum werken antropologen, historici, archeologen, kunsthistorici, musicologen, taalkundigen, biologen, cartografen, geologen. Als het museum op 8 december volledig vernieuwd heropent, willen wij dat de zaalteksten zowel accuraat als leesbaar zijn. Ik zeg niet welke woorden een archeoloog of een taalkundige moet gebruiken. Ik ben juist bij mijn collega’s gaan vragen welke woorden we kunnen gebruiken als het om hun vakgebied gaat. Ik wijs hen er ook op dat sommige woorden gecontesteerd of historisch beladen zijn. Als een bioloog het woord “hybride” gebruikt, zal ik uitleggen dat dat woord een beladen geschiedenis heeft. Als hij tot de conclusie komt dat het in een bepaalde context toch bruikbaar is, is dat prima. Woorden die ronduit kwetsend zijn, gebruiken we niet.’

Wat is er mis de woorden hut, jungle en tamtam?

‘Als je een algemene term zoekt voor zeer uiteenlopende Afrikaanse woningtypes, zeg je niet “hut” maar “huis”, dat universeel is en zonder connotatie. Als je specifiek wilt zijn, benoem je de bouwstijl. Het woord “jungle” gebruiken biologen niet, omdat er meer accurate woorden bestaan om landschapstypes te beschrijven. Musicologen noemen een spleettrommel dan weer geen tamtam, simpelweg omdat beide woorden iets anders betekenen.’

Waarom is die tekst niet publiek?

‘Onze directie heeft dat beslist en als ambtenaar schik ik mij daarnaar. Het Nederlandse Museum voor Wereldculturen heeft eerder dit jaar wel een woordenlijst gepubliceerd. Persoonlijk zou ik het interessant vinden om daarover met de andere Belgische musea samen te zitten. Ook elders circuleren woorden die op zijn minst een achterhaalde wetenschappelijke oorsprong hebben. Maar ik ben de taalpolitie niet. Het is niet omdat het AfricaMuseum op zijn woorden let, dat wij u voortaan zullen verbieden om bepaalde woorden te gebruiken.’

Misschien weten sommige mensen niet meer welke woorden ze nog kunnen gebruiken.
‘Ik begrijp dat het soms moeilijk te volgen is, maar er is ook onwil. Sommige mensen willen kunnen zeggen wat ze willen. Als iemand daardoor beledigd is, vinden ze dat niet hun probleem. Ik ben het daar niet mee eens. Ik denk dat je een probleem hebt als je een ander graag “smous”, “kaaskop” of “neger” wilt blijven noemen. Tegelijk kan ik mij niet voorstellen dat er bij de opening van het museum mensen angstvallig naar woorden zullen zoeken en teleurgesteld weglopen als blijkt dat we ze niet gebruiken. Ik hoop dat ze de inhoud van onze teksten belangrijker zullen vinden dan de woordkeuze.’

U had uw richtlijnen niet geschreven als u de woordkeuze onbelangrijk vond.

‘Uiteraard. Woorden worden gebruikt om verhalen te vertellen die wel degelijk een impact hebben op de wereld, bijvoorbeeld omdat ze mensen kwetsen, of omdat ze discriminatie legitimeren.’

Begrijpt u dat mensen die voor hun eigen huidskleur altijd het woord ‘blank’ hebben gebruikt, steigeren wanneer ze plots ‘wit’ worden genoemd?

‘Doorheen de koloniale geschiedenis hebben witte mensen zich het recht toegekend om anderen te benoemen met woorden als “eskimo”, “hottentot” en “bosjesman”. Dat zien we nu als een onrecht. Sommige mensen willen dat historische onrecht ook omkeren. Je kunt erover discussiëren of dat de beste reactie is. Idealiter beschrijf je mensen met de term die ze zelf verkiezen. Een uitzondering zou ik maken wanneer mensen zichzelf een naam willen geven die superioriteit uitdrukt.’

Drukt het woord ‘blank’ superioriteit uit?

‘In het Duits, Frans of Engels is er geen onderscheid tussen “blank” of “wit”. “Blank” is een verouderd woord dat rein en schoon betekent. Het wordt nu vrijwel alleen gebruikt voor huidskleur, met een positieve connotatie. Het heeft dus minstens een zweem van superioriteit. Woorden als “zwart” of “wit” zijn dan neutraler. Voor alle duidelijkheid: “wit” wordt slechts drie keer gebruikt in alle zaalteksten op een oppervlakte van 11.000 cm². We zullen zien wat de consensus wordt. Als er meer mensen aan de discussie deelnemen, kan dat ongemak creëren bij wie vroeger alleen aan het woord was. Wie het problematisch vindt dat iemand tegen zijn zin “wit” wordt genoemd, heeft hopelijk evenveel begrip voor mensen die Zwarte Piet een kwetsende karikatuur vinden, of vrouwen die niet meer nagefloten willen worden op straat.’

Is er geen risico dat we telkens nieuwe eufemismen bedenken, maar de negatieve connotatie mee verschuift?

‘Zwarte mensen in de Verenigde Staten noemden zich “negroes” tot dat woord werd vervangen door “black Americans”. Tegenwoordig verkiezen ze “African Americans” en binnen twintig jaar zullen ze misschien weer een nieuwe term verkiezen. Zolang er structurele vooroordelen bestaan, zal die naam een negatieve weerklank krijgen, maar in afwachting van een structurele oplossing hebben we woorden nodig om te communiceren. Dat we daarbij rekening houden met hun gevoeligheden, is een kwestie van elementaire beleefdheid.’

Is zo’n devaluatie van eufemismen niet verwarrend?

‘Taal evolueert. “Wijf” was vroeger een neutraal Nederlands woord. Dat is het nu niet meer. Niemand staat op de bres als “immer” vervangen wordt door “altijd”. Als woorden in een politieke context gecontesteerd worden, leidt dat wel tot discussie.’

Is uw tekst over het taalgebruik van het museum dan een politieke tekst?

‘Dat is onvermijdelijk. Wetenschap onttrekt zich niet aan politieke motieven. Niet in dit museum, niet aan universiteiten. We kunnen wel neutraliteit nastreven. Bovendien zijn er weinig musea met een voorgeschiedenis die zo politiek beladen zijn als dit. Het is ooit opgericht als een propaganda-instrument, maar we willen dat niet opnieuw worden. Dit gaat niet om politieke correctheid of om orwelliaanse newspeak. We lopen niet mee met de waan van de dag. Wetenschappers werkten hier vroeger in een koloniale context, nu in een postkoloniale. Bewust of onbewust beïnvloedt dat wetenschappelijke praktijken. We leven in een wereld in verandering, wetenschap verandert en ons taalgebruik zal dat weerspiegelen.’

Bent u progressief?

‘Ik heb er geen probleem mee om mezelf progressief te noemen, maar de permanente tentoonstelling van dit museum is niet mijn tentoonstelling. Ze is een institutioneel project, waar tientallen experts aan meewerken en waarover de directie het laatste woord heeft. Denkt u dat die mensen allemaal dezelfde politieke opvattingen hebben? Deelnemen aan de permanente tentoonstelling betekent dat je overlegt en compromissen sluit. Als dit mijn eigen tentoonstelling was, zou ze er heel anders uitzien, al is het maar omdat ik niet van opgezette dieren houd.’

Toen op Pukkelpop gezongen werd over afgehakte handen in Congo, wees dat volgens sommigen op een gebrek aan kennis over het kolonialisme. Deelt u die mening?

‘Integendeel. Het wees op de verheerlijking ervan. Waar wel een gebrek aan kennis speelde, was bij in het opiniestuk in Veto van de student Maxime Goris, die vond dat de kolonisering van Congo vooral een positief verhaal was. Hij bestendigde de foute opvatting dat er voor de kolonisering in Congo niets was. De nieuwe permanente tentoonstelling zal tonen dat dat niet klopt en dat Congo toen al een rijke politieke, religieuze, culturele en economische geschiedenis had.’

Is het een goed idee om de zangers van dat lied naar het AfricaMuseum te sturen?

‘Dat is een rol die het museum in de toekomst waarschijnlijk wel vaker zal vervullen.’

Een oud-koloniaal vertelde onlangs in het weekblad Knack dat het museum in handen is gevallen van gefrustreerde Congolezen en radicale activisten. Wat denkt u als u dat leest?

‘We hebben tot nu toe erg weinig gecommuniceerd over de permanente tentoonstelling. Dan loop je het risico dat er samenzweringstheorieën ontstaan. Oud-kolonialen zijn op de koop toe gefrustreerd omdat ze, in tegenstelling tot mensen uit de Afrikaanse diaspora, niet betrokken zijn bij de renovatie van het museum. Ze voelen zich geïsoleerd omdat ze niet langer het maatschappelijke debat domineren. Ik krijg e-mails waar dat duidelijk uit blijkt. Ze zagen het museum als een bondgenoot, wat het ook lang is geweest. Leopold II was voor hen een visionair en dat beeld willen ze niet meer bijstellen. Ik hoop dat ze komen kijken naar de tentoonstelling en dan pas hun oordeel vellen.’

In gedachten

Ik denk dat dit het meest wijze is wat ik ooit geschreven heb.

Dit is een levenshouding, een filosofie, en de enige die men in het leven kan aannemen, want je hebt geen andere keuze.
Wat je er mee doet, met dat wat je gekregen hebt,  dat is een andere zaak, en waarschijnlijk voor iedereen anders.
Maar je hebt te aanvaarden wat je krijgt en al je verwachtingen en verlangens die doen er gewoon niet toe. Dat komt later. Eerst heb je de aanvaarding van zowel goed als kwaad, en daarna pas de komt de verwerking en uitwerking.
En na de verwerking en de uitwerking? Dat zien we dan wel weer!

En nog maar eens Harari!

Yuval Noah Harari: “De toekomst heeft de mens niet nodig”

De succesvolle Israëlische auteur over de uitdagingen van deze tijd en hoe ze te tackelen

05-09-18, 09.06u – Peter Giesen – Bron: Volkskrant

Zijn boeken over de geschiedenis en de toekomst, Sapiens en Homo Deus, maakten van Yuval Noah Harari (42) een literaire superster. In 21 lessen voor de 21ste eeuw buigt hij zich over enkele prangende kwesties. “Voor het eerst in de geschiedenis is het mogelijk om mensen te hacken.”

Op zijn 21ste besefte Yuval Noah Harari dat hij homo is, nadat hij zijn gevoelens jarenlang had onderdrukt. In de toekomst zullen tieners veel gemakkelijker kunnen ontdekken wie ze zijn. De smartphone zal hun oogbewegingen volgen, misschien hun bloeddruk en hersenactiviteit registreren terwijl een algoritme ze plaatjes van aantrekkelijke mannen en vrouwen voorschotelt. Even later rolt er een score uit op de Kinsey-schaal van hetero- naar homoseksualiteit. ‘Het zou mij een hoop frustratie bespaard hebben’, schrijft Harari in zijn nieuwe boek, 21 lessen voor de 21ste eeuw.
Dit soort voorspellingen hebben van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari een razend populaire auteur gemaakt. Nog maar kort geleden was hij een onbekende hoogleraar middeleeuwse geschiedenis die geleerde werken schreef over militaire acties in het riddertijdperk.

Zijn leven veranderde in 2014 toen de Engelse vertaling verscheen van Sapiens, het boek waarin hij in nog geen vijfhonderd bladzijden door de geschiedenis van de mensheid snelt, van het stenen tijdperk tot kunstmatige intelligentie. In de bijna even succesvolle opvolger Homo Deus, ‘een kleine geschiedenis van de toekomst’, schaft de homo sapiens zichzelf weer langzaam af. De menselijke geest wordt overvleugeld door de kunstmatige intelligentie van de supercomputer, het gebrekkige menselijk lichaam verbeterd door biotechnologische ingrepen. Misschien zal de mens in de toekomst zelfs de dood verslaan.

21 lessen voor de 21ste eeuw mist de samenhang en het dwingende karakter van zijn voorgangers, vooral omdat het een verzameling losse, deels eerder gepubliceerde verhalen is. Niettemin lanceert Harari wederom tal van prikkelende ideeën, met grote retorische kracht opgeschreven. De thema’s van Homo Deus keren terug, maar de nadruk ligt meer op het heden, met hoofdstukken over nationalisme, religie en immigratie.

“De grote vragen van de geschiedenis hebben me altijd geïnteresseerd”, zegt Harari, in een penthouse in een warm en druk Tel Aviv. “Sapiens is voortgekomen uit een collegereeks over de geschiedenis van de wereld. Ik zag dat er een groot verlangen is naar een grootschalig verhaal over wie we zijn en waar we vandaan komen. We leven in een globale wereld en we hebben een globaal verhaal nodig, maar in het onderwijs gaat het altijd maar over ónze geschiedenis, ónze natie. In de 21ste eeuw is dat niet meer genoeg.”

Harari is een kleine, tengere man met een ascetische uitstraling. Elke dag begint hij met twee uur mediteren. Wie afstand neemt van de maalstroom van dagelijkse gebeurtenissen, zal de wereld des te scherper zien, gelooft hij. Harari is vriendelijk, maar intens, sprekend in de gedecideerde volzinnen die de ware professor verraden. Critici vinden zijn werk speculatief, maar het is niet moeilijk te begrijpen waarom hij zo populair is. In een tijdperk van onzekerheid en snelle technologische veranderingen is er grote behoefte aan een ziener die niet terugdeinst voor een antwoord op de vraag hoe de wereld er in 2050 of 2100 uitziet.

In 21 lessen voor de 21ste eeuw staat niets meer of minder op het spel dan het liberaal humanisme dat de meeste mensen zo dierbaar is. “Door technologische ontwikkelingen wordt de kernidee van het liberale wereldbeeld ontmaskerd als een fictie. Liberalisme is gebaseerd op een sterk geloof in de vrije wil en het individualisme. Dat werkte prima in de 20ste eeuw. Maar nu verandert de technologische realiteit”, zegt hij.

In de toekomst zullen algoritmen ons beter kennen dan wij onszelf kennen, betoogt hij. Als we naar een film kijken, zullen camera’s onze emoties detecteren aan de hand van oogbewegingen en de bewegingen van de gezichtsspieren. Biometrische sensoren kunnen onze hartslag, bloeddruk en hersenactiviteit meten. Daardoor weet het algoritme precies om welke scènes je moest lachen en waar je aandacht verslapte. Het algoritme ziet dat een verkrachtingsscène een nauwelijks merkbaar vleugje seksuele opwinding veroorzaakt of dat je dom zit te lachen omdat je niet wilt toegeven dat je een grap niet snapt.

Het algoritme maakt korte metten met snobisme en sociale wenselijkheid. Omdat het jouw gegevens combineert met de data van miljoenen films en andere kijkers zal het veel beter een nieuwe film voor je kunnen uitzoeken dan je zelf ooit zou kunnen doen, zegt Harari.

Films zijn een betrekkelijk onschuldig voorbeeld, maar het algoritme kan ook voor sinistere doeleinden worden ingezet. Het schandaal rond Cambridge Analytica, waarbij potentiële Trump-aanhangers via Facebook werden bespeeld, is slechts een flauwe voorafschaduwing van de manipulatie die ons nog te wachten staat, zegt Harari: “Voor het eerst in de geschiedenis is het mogelijk om mensen te hacken.”

Zijn die algoritmen echt zo geweldig? Als ik op Spotify naar Bob Dylan luister, worden me meteen twintig middelmatige folkzangers aangeraden.

Yuval Noah Harari: “We staan nog maar aan het begin, we zien slechts het topje van de ijsberg. De algoritmen van Netflix zijn misschien niet zo geweldig, maar hoelang kijk je naar Netflix? De leercurve van sommige algoritmen is spectaculair. Neem Google Maps. Een paar jaar geleden gebruikte niemand het. Nu heb je hier in Tel Aviv veel mensen die zonder Google Maps absoluut de weg niet meer weten.

“Een ander goed voorbeeld is de schaakcomputer AlphaZero. Door kunstmatige intelligentie was hij binnen vier uur zo goed dat hij alle menselijke schakers versloeg. Dat soort dingen zullen steeds vaker gebeuren. Dus zeg niet: Netflix is niet zo goed, dus het zal wel meevallen. Nee, we staan nog maar aan het begin! Bovendien hoeven algoritmen niet perfect te zijn. Ze moeten alleen beter zijn dan jij zelf.”

Laten mensen zich een keuze opdringen door een algoritme? We willen toch zelf een persoonlijkheid zijn met een eigen wil, een eigen smaak?

“Hoe vaak heb je niet gekeken naar een film die je achteraf slecht vond? Hoeveel mensen betreuren niet hun studiekeuze? Of de keuze van hun partner? Je trouwt met iemand en na vijf jaar zeg je: het was een verschrikkelijke fout.

“Het voordeel van algoritmen is dat we betere keuzes kunnen maken. Reclame is niet meer nodig. Het algoritme zal je precies het strand in Thailand aanraden waarnaar je op zoek bent. Er zitten grote voordelen aan. Maar de vraag is: wie is de meester van het algoritme? Het gevaar bestaat dat ik de controle over mijn leven verlies, dat ik meer en meer word beheerst en gemanipuleerd door bedrijven of regeringen.”

Uiteindelijk maak je toch zelf een keuze?

“Als jij denkt dat je een totaal vrij individu bent, en dat jouw keuzes voortkomen uit je vrije wil, dan ben je de gemakkelijkste persoon om te controleren en te manipuleren. Ideeën over vrije wil en individualisme kunnen verhinderen dat we ons realiseren wat er gebeurt en de uitdaging aangaan.”

Hoe kunnen we deze ontwikkeling tegengaan?

“Het is een nieuw probleem. We hebben er nauwelijks ervaring mee. Je kunt dit probleem niet oplossen zonder politiek debat. Het politieke debat gaat nu over immigratie of de macht van Europa. Maar of de EU vijf miljoen immigranten accepteert of een muur bouwt waardoor er nul immigranten inkomen, zal een veel kleinere impact hebben op het leven van de Europeanen dan wat we met kunstmatige intelligentie doen.”

Kunstmatige intelligentie is niet alleen een gevaar voor de vrijheid, maar ook voor de gelijkheid. Ze dreigt mensen massaal overbodig te maken. De 20ste eeuw was de eeuw van de massa’s, waarin gewone mensen onmisbaar waren als arbeider en soldaat. In de toekomst zullen steeds meer werknemers worden vervangen door robots. Zelfs als kanonnenvoer wordt de gewone man overbodig. De soldaat wordt verdrongen door drones en andere automatische wapens, stelt Harari.

In de 20ste eeuw probeerden de massa’s hun cruciale bijdrage aan de economie te vertalen in politieke macht, in de 21ste eeuw zijn ze bang hun economisch nut te verliezen en klampen ze zich vast aan hun laatste restje politieke macht. Harari: “Een heleboel kiezers voor de brexit of van Donald Trump hebben, misschien terecht, het gevoel: de toekomst heeft ons niet nodig.”

Het verhaal dat computers mensen vervangen wordt al vijftig jaar verteld. Toch bestaat in veel landen bijna volledige werkgelegenheid.

“Veel mensen worden niet eens meer meegeteld in de werkloosheidsstatistieken omdat ze geen moeite meer doen een baan te vinden. Dat is de ultieme overbodigheid. Het klopt dat de werkgelegenheidssituatie op dit moment relatief gunstig is. Maar kunstmatige intelligentie nadert nu haar kritieke fase. Er is een enorme vooruitgang geboekt, maar die was vooral theoretisch. Er vonden experimenten plaats met de schaakcomputer AlphaZero of met de zelfrijdende auto.

“Nu komen we in een fase, misschien over vijf of tien jaar, waarin al die nieuwe uitvindingen van het laboratorium naar de supermarkt, de fabriek en de weg gaan. Dan zullen de economische schokken komen. Veel banen zullen verdwijnen, andere zullen terugkeren. Omscholing is een groot probleem. Een 50-jarige vrachtwagenchauffeur die zijn baan verliest omdat zijn truck nu zelf rijdt, kun je niet zomaar omscholen naar een beroep waar wel vraag naar is, zoals yogaleraar, ouderenverzorger of softwareprogrammeur.

“Het ergste is dat het geen eenmalige schok is, waarna een nieuw evenwicht wordt gevonden. Er zullen steeds opnieuw schokken plaatsvinden. Banen die compleet veilig waren voor automatisering, zoals journalist of historicus, worden misschien ook overgenomen door computers. Als je in de toekomst 100 jaar oud wordt en op je 80ste met pensioen gaat, zul je misschien vijf keer van professionele persoonlijkheid moeten veranderen.”

Is homo sapiens daarop gebouwd?

“Dat is de grote vraag. Op je 25ste is het niet moeilijk om van baan te veranderen, maar om op je 55ste helemaal opnieuw te beginnen is heel lastig. In een bestcasescenario trekt de overheid genoeg geld uit voor omscholing, ondersteuning en therapie. In een worstcasescenario zijn er gewoon niet genoeg banen en ontstaat een grote nutteloze klasse.

“In een land als België zal dat misschien nog meevallen. Maar wat gebeurt er in landen als Indonesië, Bangladesh of Honduras? Die zijn pas de laatste paar jaar op de trein van de vooruitgang gesprongen door laaggeschoolde fabrieksarbeid. Als die fabrieken worden geautomatiseerd, hebben zij niet de middelen om werkloos geworden textielarbeiders om te scholen.”

Het kan nog erger worden voor de homo sapiens, als we Harari mogen geloven. In de toekomst kan niet alleen sociaal-economische, maar ook biologische ongelijkheid ontstaan. Door de ontwikkeling van de biotechnologie zullen de rijken eindelijk iets nuttigers met hun geld kunnen doen dan de aanschaf van diamanten, Maserati’s of een zoveelste huis op een tropisch eiland waar ze maar een paar dagen per jaar komen.

Door dure genetische ingrepen, niet weggelegd voor gewone stervelingen, zullen ze zichzelf en hun kinderen slimmer en creatiever kunnen maken. Aristocraten hebben zich altijd al ingebeeld dat ze beter zijn dan andere mensen, maar in de toekomst zijn ze misschien echt beter, als een biologische superklasse. Het gevaar bestaat dat slechts een handjevol mensen homo deus wordt, aldus Harari. Hij acht het zelfs denkbaar dat de dood verslagen wordt. Sommigen zullen asterfelijk worden. Niet onsterfelijk, want ook de biologische supermens kan worden overreden door een vrachtwagen of opgeblazen door een terrorist.

Hoe serieus moet ik uw visie op de toekomst nemen? Enerzijds schetst u heel zelfverzekerd een beeld van de toekomst. Anderzijds maakt u in uw boeken voortdurend een voorbehoud of u schrijft dat de toekomst onvoorspelbaar is.

“Alles waarover we nu praten is geen voorspelling, in de zin van: zo ziet de wereld er in 2050 uit. Het is een mogelijkheid, gezien de technologische ontwikkelingen die zich aandienen. Zal het echt gebeuren of niet? Dat hangt af van de keuzes die we maken, nu en in de komende twintig jaar. Ik zie mijn rol niet als een voorspeller, maar als iemand die de mogelijkheden in kaart brengt. Ik zeg: kijk, dit kan er gebeuren, dit zijn de belangrijkste kwesties.

“Ons belangrijkste probleem is niet het tegenhouden van immigranten, maar het tegengaan van digitale dictaturen. Wat er uiteindelijk gebeurt, weet ik ook niet. Als ik zou denken dat mijn toekomstbeeld onvermijdelijk is, zou ik net zo goed mijn mond kunnen houden. Dan zou het gewoon gebeuren.”

Wat kunnen we nú doen om te verhinderen dat we in een verre toekomst worden geregeerd door een biologische superklasse?

“Je kunt zulke ontwikkelingen alleen op mondiaal niveau aanpakken. Stel dat je zegt: we zijn hiertegen, we doen geen genetische experimenten op mensen en we verbieden elk onderzoek naar supermensen, dan moet je ervoor zorgen dat de Zuid-Koreanen en de Chinezen het met je eens zijn.”

Juist internationale samenwerking is op dit moment problematisch. Het nationalisme lijkt de enige ideologie die in het offensief is en werkelijk mensen mobiliseert.

“Toch is het nationalisme veel zwakker dan de meeste mensen denken. Een goede manier om de kracht van een ideologie te bepalen is lijken tellen. Hoeveel mensen willen doden en sterven voor een ideaal? In de 20ste eeuw waren miljoenen Europeanen bereid te sterven, vooral om nationalistische redenen. Tegenwoordig zijn er maar heel weinig mensen bereid hun leven te geven, dat valt me als historicus op aan de nieuwe golf van nationalisme. Bovendien hebben de nationalisten geen enkel antwoord op de grote problemen van onze tijd, die allemaal mondiaal zijn. De dreiging van een kernoorlog en klimaatverandering, de technologische disruptie door kunstmatige intelligentie en biotechnologie. Nationalisme is vooral gevaarlijk omdat het de oplossing van zulke mondiale problemen in de weg staat.

“Maar als mensen niet meer weten hoe ze vooruit moeten, vallen ze ten prooi aan nostalgische fantasieën. De nationalisten en populisten zeggen dat ze controle terugbrengen, maar dat is een illusie.”

Ik zie nergens een overtuigend kosmopolitisch antwoord op het nieuwe nationalisme.

“Je ziet het wel in China, met zijn nieuwe zijderoute en zijn doctrine van Harmonie zonder Uniformiteit. Of dat goed of slecht is, is een andere vraag, maar niet iedereen geeft internationale samenwerking op.

“Het Westen trekt zich terug van internationalisme, maar de situatie is niet hopeloos. Het liberalisme heeft ergere crises gekend. Als je denkt dat de wereld er nu slecht voor staat, moet je terugdenken aan 1938. Het liberalisme slaagde erin zich te herstellen. Of dat nu weer zal gebeuren, weet ik niet. Maar de enige manier om de uitdagingen van deze eeuw succesvol aan te gaan, is mondiale samenwerking. Populisme en nationalisme helpen niet.”

Literatuur helpt!

Literatuur helpt je de dagen door wanneer je weer eens goed levensmoe bent, zoals ik afgelopen weekend
De Morgen – Ellen Deckwitz – 05.09.2018

Dichteres Ellen Deckwitz (1982) doet elke week haar ding met poëzie en proza.
Een van de betere aspecten van literatuur is dat ze je nieuwe kanten van de wereld kan onthullen. Door de poëzie van Hans Lodeizen ontdekte ik bijvoorbeeld dat er zoiets bestond als vriendschapsverdriet en kon ik verder na een breuk met een van mijn beste vrienden. Dankzij het werk van Michael Cunningham besefte ik dat sterfelijkheid misschien geen keuze is, maar leven wel. Iedere roman of bundel wijst stukjes werkelijkheid aan die je eerder waren ontgaan.

In een gedicht van Tomas Tranströmer knipt iemand bijvoorbeeld een lamp uit, waarbij de lampenkap even glinstert ‘voordat hij oplost/ als een tablet in een glas duisternis’. En dankzij verzen als ‘Fanfare-corps’ van Vasalis leerde ik dat het mogelijk is om jezelf tegelijkertijd bedroefd én goed te voelen. Soms wijst een tekst je op iets wat er altijd al was, maar wat je nog niet zag.

Het helpt je de dagen door wanneer je weer eens goed levensmoe bent, zoals ik afgelopen weekend. Het kwam niet eens door de laatste Grunberg: ik had deze zomer te hard gewerkt, iedereen in mijn omgeving leed aan een dip en daarnaast was het Nederlands voetbal nog steeds een kansloze bende. Bovendien had ik het gevoel dat er niets meer was om naar uit te kijken. Depri slikte ik nog een extra strip Xanax en pakte de nieuwe dichtbundel van Stefan Hertmans erbij.

Toegegeven, Hertmans is natuurlijk niet de vrolijkste auteur ter wereld, maar zijn poëzie bezit door de enorme muzikaliteit een opgewektheid die dat ruimschoots compenseert, zelfs al heeft de dichter het over ‘oude goden’ die de wereld net hebben ‘verknald’ of dat het ‘snuitje van de liefde’ gewoon blind is. Een droef bestaan beschreven in een ritme vol levenslust, waardoor dit ondermaanse tranendal nog steeds schrijnt maar opeens ook reuze meevalt.

Zij spraken over plooien in het spreken,
lichtende kieren in de ademgang,
ze stonden in het waaien van de wereld,
deinend en luisterend
of niet in hen een zang begon,
iets wat hun wankelen kon tegengaan.

Maar schommelend in twijfel wisten zij
het zeker: niet onder hen trilde het
waar zij met oren aan de grond
genageld waren, maar op een ander
continent dat bromde, diep in hen.
Woorden die ze niet gesproken hadden
namen het over van hun aanzet tot de dans.

Buiten aan ramen wordt geschreeuwd
en wij, voorzichtig schuifelend,
elk op zijn eigen wereldbol,
wij spreken niet maar staren
met open monden naar de branding
van die uitgestoken handen,
ontelbaar, licht zwevend in de schemer.

Uit: Stefan Hertmans, Onder een koperen hemel, De Bezige Bij, 2018, 128 p., 22,99 euro.

Al lezende stuitte ik bovendien precies op wat ik nodig had: bovenstaand vers, waarin wordt verhaald hoe er onder de wereld die we kennen, nóg een wereld rust. Eentje die om ontdekking smeekt. Hertmans spreekt over ‘plooien in het spreken’, wat ik een machtig idee vind: dat zich in onze gesprekken iets schuilhoudt. Een zang, om het met de dichter te zeggen, die het wankelen kan tegengaan. Dat om ons heen een extra wereld is, ontelbare ‘uitgestoken handen… licht zwevend in de schemer’.

De beste teksten zijn een soort krabben. Zijwaarts komen ze je hoofd binnen, hun weke binnenste beschermend, en haast zonder het door te hebben begint er iets te veranderen: de mogelijkheid van andere waarheden, waardoor het bestaan opeens stukken draaglijker lijkt en ook nog eens spannender. Hertmans deed het met dit vers. Ik wilde als een Indiana Jones meteen weer gaan schatgraven in de woorden om me heen. Ontdekken wat er sluimert onder alles waar ik zo op uitgekeken ben. Om dat andere continent in mij te ontdekken dat, zoals Hertmans het zo treffend verwoordt, in ons bromt, dat eist om eindelijk in tl-licht te worden betreden.

Inclusieve taal

Als we ‘hut’ afschaffen, waarom het daarbij laten?
De Morgen – Maarten Boudry – 05.09.2018
Maarten Boudry is filosoof aan de UGent.

In december opent het AfricaMuseum opnieuw de deuren. De antropologe Bambi Ceuppens, wetenschappelijk commissaris bij het museum, stelde een document op met taalaanbevelingen om de zaalteksten te herschrijven. Er zijn nog steeds talloze woorden, aldus Ceuppens, die onze koloniale en enge westerse visie op Afrika verraden. “Jungle” heeft bijvoorbeeld de associatie van een primitieve wildernis. Het document stelt “tropisch regenwoud” voor als alternatief. Een “tamtam” wordt een “spleettrommel”. Voor “slaaf” oppert Ceuppens het alternatief “mens die verhandeld wordt als koopwaar”. En ook het woord “hut” wordt beter vermeden: “We moeten af van het beeld dat iedereen in een hut woont in Afrika. Daarom stel ik in mijn richtlijnen voor om huis te gebruiken. Een algemene term is altijd beter.”

Dit is een gunstige evolutie. Aan “hut” kleeft inderdaad de connotatie van een soort primitieve en eenvoudige woning, alsof die minder comfortabel of minder duurzaam zou zijn dan onze westerse baksteenwoningen.

‘Een algemene term is altijd beter’

Laten we consequent zijn. Als het een horizontale afscherming biedt tegen weer en wind, en als mensen er de nacht in doorbrengen, dan is het een “huis”. Dat heeft als grote voordeel dat we niet langer discrimineren tussen mensen die in verschillende soorten woningen leven. Een traditionele Inuit woont dan in een “huis” (van ijs). De Khoisan wonen in “huizen” (draagbaar, van takken en rietmatten). En Queen Elizabeth woont ook in een “huis” (van steen, in Westminster).

Een mogelijk nadeel, waarover het museum zich nog even moet beraden, is dat de nieuwe termen misschien minder informatieve waarde hebben dan de oude koloniale alternatieven. Maar wat is er belangrijk voor een museum: onze geesten dekoloniseren, of ze volproppen met nutteloze kennis?

Zoals Ceuppens terecht stelt: “Een algemene term is altijd beter.” In het kader van het streven naar een inclusievere taal – en dus een inclusievere samenleving –zou ik durven voorstellen om huizen, tafels, broodroosters en museums vanaf nu allemaal “voorwerp” te noemen. De term “object” kan ook, maar die vind ik persoonlijk nogal objectificerend.

Deze taalhervorming is overigens ook welkom op andere domeinen. De gemeente Amsterdam stelde onlangs voor om het woord “homo” te vervangen door “homoseksueel persoon”, omdat dat mensen niet herleidt tot enkel hun seksuele oriëntatie. Nog beter zou zijn “persoon die zich aangetrokken voelt door leden van hetzelfde geslacht”. Het woord “verkrachter” kunnen we dan weer vervangen door “persoon die met een andere persoon zonder diens toestemming seksueel contact heeft”. De besparing op woordenboeken is mooi meegenomen.

George Orwell

Bepaalde witte wetenschappers hebben geopperd – vanuit hun enge eurocentrische perspectief – dat zulke linguïstische hervormingen kunnen leiden tot de zogeheten “eufemisme-tredmolen”. Daarbij gaan nieuwe eufemismen uiteindelijk de negatieve connotaties van de oude woorden overnemen. Mensen kunnen dan bijvoorbeeld gaan denken dat “spleettrommel” een minderwaardige trommel is met een soort fysieke beperking. Maar dat probleem lossen we wel op wanneer het zich voordoet. De werkzekerheid voor linguïsten vaart er wel bij.

Er waren gisteren op Twitter een aantal onverlaten die spleettrommel maakten over deze taalhervormingen van het AfricaMuseum. Een zo’n geprivilegieerde witte man stelde voor om het woord ‘orwelliaans’ te vervangen door de frase ‘het vervangen van woorden door omslachtige begrippen bij nationale instituten vanwege politieke motieven’. Maar welke huidskleur had George Orwell ook alweer? Ik dacht het ook.

David

Een gedicht voor mijn zoon.

David

Beelden werden niet gemaakt, ze moesten ‘worden
bevrijd uit het marmer’, alsof ze er al waren,
altijd al,

(ergens, in een windstille juni, op een wit,
onbewoond eiland in een blauw-groene zee)

en inderdaad, hij vond een prachtige steen,
onder zijn huid een perfecte machine
van hersenen, spieren en hart,

en niets van moeite, niets van een beweging
die er ooit was of nog zou, alleen
houding, onverschillige kracht

van miljarden kristallen, volmaakte
kopie van een jeugd.

Rutger Kopland

 

Morgen (voor mijn zoon)

Morgen,
als de wereld
terug in de plooi is gevallen,
en alle water
terug naar zee is gevloeid,
zal elke ziekte, elk verraad
verbannen zijn,
en dan zul jij je naam
weer voluit kunnen schrijven,
en op rijm.

Micheline Baetens – 7 juli 2013

Dit gedicht schreef ik voor David in een periode dat hij het heel moeilijk had, en zie, nu op 15 september beleeft hij de mooiste dag van zijn leven.
Moeders hebben altijd gelijk!

Onze roman

Un jour ma mie nous écrirons notre roman
Le cœur content, comme un livre d’image
À chaque page il y aura un serment
À chaque instant il y aura ton visage

Et, si pauvre est la prose
Elle aurait ton charme
Car j’y mettrais tes larmes
Sur des pétales de roses

Non pas une ombre morose
Rien que les plus belles choses
Un jour ma mie nous écrirons notre roman
Sans un nuage comme un ciel de vacances

Pour y enchaîner le meilleur de notre temps
Pour mettre en cage le vent de notre chance
Et nous aurons pour emblème sur un flocon de neige
Notre premier je t’aime léger léger comme un arpège

Non pas une ombre morose
Rien que les plus belles choses
Un jour ma mie nous ouvrirons notre roman
Le cœur tremblant à son plus beau passage

Et nous soufflerons sur la poussière des ans
Et nous lirons en riant de notre âge
Alors comme au temps de nos vingt ans
Nous écrirons notre plus belle page

Dit lied is het mooiste dat ik te horen kreeg de afgelopen maanden, en ondanks alles en tegen beter weten in, blijf ik erin geloven!

 

Als liefde nooit overgaat

Hij wist natuurlijk allang wat ik voelde, en antwoordde kalm: ik niet van jou

De Standaard – Corine Koole – 02.09.2018

Corine Koole interviewt over de raadselen van passie en affectie. Vandaag: Eva (62) kwam op haar 12de te weten wat ware liefde is, toen ze die nieuwe klasgenoot in de ogen keek. Een bliksem­inslag die vijftig jaar later nog nazindert. Doet het haar pijn dat haar gevoelens onbeantwoord bleven?

“Vorig jaar las ik naast het ziekbed van mijn ouders de briefwisseling tussen dichter Rainer Maria Rilke en schrijfster Lou Salomé, waarin een van beiden opmerkt dat het object van je liefde niet in de buurt hoeft te zijn om de liefde te kunnen laten bloeien. Ineens besefte ik hoe waar dat is.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Rainer_Maria_Rilke

“Zelf houd ik al vijftig jaar van iemand, zonder dat er ooit iets gebeurd is. Ik zat in de tweede klas van de middelbare school, we hadden ontleden bij meneer De Kok. Ik weet nog precies welke zin hij op het bord had geschreven: ‘In het schepnetje wemelde het van de kikkervisjes’. Juist op dat moment gaf de nieuwe jongen achter mij een lijst door, ik keek hem aan en voelde alle geluk en alle verdriet dat hij in de jaren erop in mij teweeg zou brengen.

“Hij was hetzelfde als alle andere jongens in de klas en tegelijk totaal anders. Onze handen raakten elkaar licht toen ik de lijst aanpakte. Hij droeg een rood geblokte bloes: details die ik me tot op de dag van vandaag scherp herinner. Dat uur, dat moment veranderde ik voorgoed. Ik leerde een heftigheid kennen waarvan ik niet wist dat die bestond. Met lust, dat aan erotiek ­verbonden verlangen dat je later voelt als je volwassen wordt, had het niets te maken. Het enige wat ik wilde, was naar hem kijken. Zijn schouders en handen waren volmaakt, er mankeerde helemaal niets aan hem.

“Naarmate de jaren verstreken, bleef dat krachtige gevoel. Op een dag, na de zomervakantie, zag ik hoe hij in de weken dat ik hem niet had gezien gegroeid was en hoe mooi hij was geworden. Ik gloeide van trots, alsof zijn schoonheid ook mijn schoonheid was omdat ik zo van hem hield. Achteraf denk ik dat die jaren mij hebben geleerd wat onbaatzuchtig liefhebben is. Als ik nu terugdenk aan de dag dat hij mij meevroeg ‘even door het park’, is dat niet schamper, om het onnozele kind dat ik was, maar blij omdat ik op een of andere manier dat kind nog steeds ben. Het is of de sterke liefde die ik voor deze jongen voelde, nooit is weggegaan en een dun laagje in mijn hart heeft gelegd, de bodem voor een lang en mooi huwelijk later met een andere man.
“Natuurlijk wilde ik mee naar het park. Hoeveel schoolfeesten waren er niet geweest, hoe vaak had ik mijn lippen niet gestift in de hoop dat er die avond misschien iets zou gebeuren, maar hoe mooi ik me ook aankleedde, alle jaren bleef hij ongevoelig voor mijn stille hunkeren. En ineens was daar die kalm uitgesproken vraag. ‘Zullen we door het park?’ Ik rende naar de meisjes-wc voor een schietgebedje, en toen ik even later met hem tussen de bomen liep, was het alsof God de wereld had stilgezet en pas weer een zetje gaf toen we aan de andere kant van het park elk onze weg gingen.

“Ik droeg die dag een zwarte bloes met rode blokjes, maar een jongen die niet verliefd is, laat zich niet verleiden, ook niet met scharlaken en satijn. Ik begreep niet dat er niks gebeurde in het park, ik had zoveel liefde, hoe kon het dat hij niet hetzelfde voelde? Een fractie was al genoeg geweest, dan hadden we onze twee liefdes op een hoop kunnen gooien en was er genoeg voor een heel leven. Maar zo werkte het kennelijk niet.

“Tegen de tijd dat we van school gingen, had ik al een ander vriendje met wie ik later zou trouwen en nog steeds getrouwd ben. Die liefde is van een heel andere soort. Mijn man heb ik nooit van een afstand bewonderd, met hem heb ik al dertig jaar een gelijkwaardig, kameraadschappelijk huwelijk. Van die andere man kan ik me niet voorstellen dat ik met hem naar de Gamma ga, of dat ik zelfs maar een kop koffie met hem zou drinken.

“En toch heb ik hem vlak voor ons eindexamen in 1976 alsnog mijn liefde verklaard. Ik dacht, stel je voor, dat hij niks durft te beginnen omdat hij gewoon te verlegen is. Daarbij, wat gaf het. “Ik hou van jou” zijn maar woorden, woorden zijn maar lucht. En daar in ons park, ongeveer ter hoogte van de sleedoorn, sprak ik ze uit. Hij wist het natuurlijk allang en antwoordde kalm: ik niet van jou. En meteen had ik spijt van mijn openhartigheid. Hoe had ik zo dom kunnen zijn. Natuurlijk zijn woorden niet zomaar woorden, woorden omvatten de hele wereld.

“Rilke had dus gelijk. Een liefde kan blijven bestaan, ook als die niet meer wordt gevoed. Nog altijd speelt die vroege ervaring een levendige rol. Niet alleen als herinnering, maar juist als maar heel langzaam slijtende liefde zelf. Een melancholie die altijd blijft. Jarenlang heb ik niet door zijn oude straat kunnen lopen zonder hartkloppingen. En nog altijd scan ik op tv gewoonte­getrouw het talkshowpubliek, of andere plekken waar veel mensen bijeen zijn om te zien of hij ertussen zit.

“Eén keer, een jaar of zeven jaar na het eindexamen, zag ik hem lopen in het station. Ik schopte mijn blauwe pumps uit en rende hem achterna de trap af. Maar hij was al verdwenen, ik zag nog net zijn rug toen hij in de trein stapte.

“Soms loop ik met mijn echtgenoot door dat park. De sleedoorn is intussen gekapt, maar bij benadering kan ik nog steeds de plek aanwijzen waar die stond. Het doet me wat om daar te staan met hem. Hij is de enige die het snapt.

“Ik heb nooit meer contact gezocht met die andere man, zijn naam en adres googelen vind ik al te impertinent. Ik weet alleen dat hij kunstschilder is geworden en toen we laatst dertig jaar getrouwd waren, verraste mijn man mij met een van zijn schilderijen. Het goedkoopste uit de catalogus, want de scholier was succesvol ­geworden. Zo lief, het mooiste geschenk ooit.”

Eva

Voor mij een heel herkenbaar verhaal. Liefde kan eeuwig duren, over tijd en ruimte heen, en afwezigheid doet er niet toe. Ik heb het tweemaal mogen beleven en beleef het verder.

Vragen

Heb geduld met alles wat onopgelost is in je hart
en probeer je vragen met liefde te bezien,
als kamers die gesloten zijn
of als boeken in een volslagen vreemde taal.
Zoek nog niet naar antwoorden.
Die kunnen je nog niet gegeven worden,
omdat je niet in staat zou zijn ze te leven.
En het gaat erom alles ’te leven’.
Leef nu de vragen.
Misschien zul je dan geleidelijk,
zonder het te merken,
jezelf, ooit op een dag,
in het antwoord terugvinden.

Rainer Maria Rilke

Opnieuw beginnen

Neem je voor om
altijd weer
opnieuw te beginnen –
om een beginner te zijn.

Rainer Maria Rilke

En het gebeurt blijkbaar wel meer dat liefde nooit overgaat. Nog een mooi verhaal. Dit keer wel met een happy end!

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20180901_03696438?_section=36753488&utm_source=nieuwsblad&utm_medium=newsletter&utm_campaign=regio-nb&adh_i=dddb289286a3ccee862a43b152eba115&imai=467d9158-b3d2-4ff5-b595-e74744b40d02&M_BT=142392497566