In de tuin
zitten vinken,
sijsjes,
merels,
mussen,
koolmeesjes,
pimpelmeesjes,
kuifmeesjes,
bosduiven,
groenlingen,
eksters,
en één roodborstje
met een rood borstje.
Micheline Baetens – 06.03.2019
Van Goghmuseum haalt David Hockney in huis
Puur natuur
De Standaard – Geert Van der Speeten – 03.03.2019
De natuur verveelt nooit, vindt David Hockney. Met zijn monumentale taferelen van de ontluikende lente infiltreert hij in het Van Goghmuseum. Tussen beide kunstenaars gaapt een kloof van een eeuw, maar wat hen verbindt, is het zichtbare plezier in de natuurbeleving.
In de vaste collectie van het Van Goghmuseum in Amsterdam doken eerder al werken op van moderne en hedendaagse kunstenaars. Willem De Kooning, Francis Bacon, Peter Doig, Frank Auerbach, Zeng Fanzhi, Pieter Laurens Mol: ze verwijzen in hun werk naar Van Goghs oeuvre vol licht, kleur en zinnelijkheid. Voor nieuwe generaties blijft hij een referentiepunt en inspiratiebron.
Deze keer gaat het museum een stap verder, door voor het eerst een grote presentatie aan een levende kunstenaar te wijden. David Hockney (81) is te gast met liefst zestig werken. Ze komen niet uit zijn beroemde zwembadperiode uit de jaren 70, die hem eind vorig jaar met een veilingrecord bombardeerde tot duurste levende kunstenaar. Wat we zien, zijn vooral monumentale Yorkshire-landschappen die Hockney vanaf 2002 realiseerde bij zijn tijdelijke terugkeer naar Groot-Brittannië. Ze worden getoetst aan negen sleutelwerken van Vincent van Gogh.
De eerste zaal is al behoorlijk overdonderend. Met The arrival of spring in Woldgate, uit de collectie van het Centre Pompidou, stap je een sprookjesbos binnen. Het wandvullend werk bestaat uit 32 panelen. Tussen kloeke boomstammen, keurig in lijn, slingert een bospad in vuilroze en groene toetsen. In het omringende kreupelhout en groentapijt barst intussen de euforische weelde van de lente los.
David Hockney, ‘Woldgate woods’, 2006. Richard Schmidt
In de buurt van Hockneys uitbundige panorama hangen twee kleine schilderijen van Van Gogh: Kreupelhout uit zijn impressionistische periode, en Tuin van de inrichting Saint Paul (Het vallen van de bladeren). Links zijn er zeker: in de repetitieve verticale lijnen, in de ruimtelijkheid die opgeroepen wordt, in de scherpe beeldafsnijding en de vlakke weergave van de natuur die Van Gogh van Japanse prenten geleerd had. Maar de schilderijen van Van Gogh ogen ook veel somberder en bedachtzamer. In Hockneys landschappen sluipt een aangename, haast losbandige naïviteit binnen. Zoals in May blossom on the Roman road, waar het felle zonlicht grillige slagschaduwen aftekent op de weg. De meidoornen staan er in volle hoogzomer bij als surrealistische fabeldieren in een fel kleurenpalet. Na Van Gogh is ook Matisse intussen de revue gepasseerd.
Vincent van Gogh verlangde ‘naar een land waar het altijd herfst zou wezen’, zoals hij in een van zijn brieven noteerde. Maar evengoed was hij dol op amandelbloesems of een veld met bloeiende irissen. In Arles ontdekte hij de kleurenpracht en de treffende eenvoud van elk seizoen.
Ook David Hockney trok naar buiten om een nieuw vocabulaire te vinden. Daarvoor moest hij Los Angeles achter zich laten en terugkeren naar zijn geboortestreek. Hij nestelde zich rond 2000 in Bridlington en wijdde zich aan landschapsschilderkunst in de grote Britse traditie van Constable tot Turner. Een genre waar, zo legt hij uit in een introductiefilmpje in de tentoonstelling, op dat moment flink op neergekeken werd.
David Hockney, ‘Kilham to Langtoft II’, 2005. Richard Schmidt
Naar de traditie van de miniatuurschilders roept Hockney de maanden en de seizoenen op. Hij toont niet de noeste bedrijvigheid op het land – in zijn werken valt geen menselijke aanwezigheid te bespeuren. Wel zoomt hij in op de ontbolsterende lente of de heftigheid van de zomer, die symfonieën van vruchtbaar groen tevoorschijn tovert.
In de pittoreske Yorkshire Wolds, met hun holle wegen en glooiende velden, ontdekte Hockney een paradijselijke, telkens weer veranderende setting. Vaak ging hij buiten schilderen. Het scherpte de observatie aan, de intense vorm van kijken die hij verleerd was door vaak met fotografie in de weer te zijn.
In het harde licht van Californië was Hockney ook vergeten hoe indrukwekkend de klassieke cyclus van de seizoenen kon zijn. Licht, ruimte, perspectief: hij zag hoe ze voortdurend in beweging waren. Hockney begon eerst met aquarellen op papier – de tentoonstelling stalt de serie van de midzomer uit. Het zijn lyrische werkjes. Landschappen die men doorgaans voor onspectaculair houdt, vult Hockney met trefzekere, gulle kleuren in. Wat verderop hangt een schilderij dat de zinderende zomerhitte oproept tussen de hooibalen op het veld. Het wordt gelinkt aan De oogst, een panorama in Arles waarbij Van Gogh je het landschap binnentrekt en met zijn vlakke techniek toch een grote diepte suggereert.
Vincent van Gogh, ‘De oogst’, 1888. van gogh museum, Amsterdam
Elders zien we Hockney de natuur ook in close-up benaderen, met potlood, inkt of houtskool. Als een briljant tekenaar zoomt hij liefdevol in op planten en grassprietjes.
iPadtekeningen
David Hockney gebruikte al vroeg in zijn carrière foto’s en nieuwe beeldtechnieken als hulp- en studiemateriaal. Zijn gretigheid naar nieuwe media en stijlen vertaalde zich in de Yorkshireperiode in experimenten met een tablet. Zijn iPadtekeningen zijn op groot formaat afgedrukt. In een videofilmpje kan je ook volgen met welke frisse vaardigheid ze tot stand komen en welke prachtige effecten Hockney bereikt met zijn speeltje, de app Brushes.
Titanische ambitie
De tentoonstelling mondt uit in perspectivische oefeningen. Het traditionele perspectief, zoals we dat sinds de renaissance kennen, vindt David Hockney verstikkend. Het creëert geen ruimte, het roept een vals realisme op dat niet te rijmen valt met onze kijkervaring. Liever verkiest hij het ‘opengeklapt perspectief’, het kijken in veelvoud.
David Hockney, ‘May blossom on the roman road’, 2009. Richard Schmidt
Het orgelpunt is het recente In the studio, december 2017, een ‘photographic drawing’ die vertrekt van 3D-foto’s. We stappen recht het atelier binnen. Met aan de wanden en op schildersezels: recent werk in afwijkende formaten. Op een krukje op de voorgrond ligt het opengeslagen XL-boek dat Taschen aan de kunstenaar wijdde. Centraal staat een clownesk mannetje met uilenbril en streepjesvest. Het is David Hockney zelf, te midden van de vrolijke anarchie die hij met verf en penseel heeft aangericht.
De confrontatie Hockney-Van Gogh katapulteert de landschapsschilderkunst de 21ste eeuw in. De schaal is bij Hockney ambitieus en megalomaan, zijn ambitie om de natuur op volle kracht op te roepen titanisch. Maar Hockney komt er op zijn oude dag prachtig mee weg, met dank aan zijn optimisme en niet-aflatende werkvreugde.
Zijn grondhouding voor dit hoofdstuk in zijn oeuvre is uiteindelijk vergelijkbaar met die van Vincent van Gogh: naar buiten trekken, de natuur in. En zichzelf daarbij heruitvinden.
‘Hockney-Van Gogh: the joy of nature’. Tot 26/5 in het Van Goghmuseum in Amsterdam.

Is poetsen het nieuwe mediteren?
Boeddhistische Japanse monnik weet hoe u uw zorgen wegveegt
De Morgen – Katia Vlerick – 03.03.2019
Er waait een frisse wind uit het land van de rijzende zon. Met dank aan opruimgoeroe Marie Kondo staan opruimen en poetsen tegenwoordig gelijk aan ‘helemaal zen zijn’ en niet langer aan neurotisch huisvrouwgedrag. Nu voegt de Japanse monnik Shoukei Matsumoto daar het boek Veeg je zorgen weg aan toe.
In verschillende huishoudens in Vlaanderen weerklinkt tegenwoordig the sparkle of joy, dat door de Japanse opruimgodin Marie Kondo beschreven gevoel dat je zou moeten ervaren bij het weloverwogen weggooien van je surplus aan spullen. Of preciezer: het gevoel dat je zou moeten vervullen bij het aanschouwen van die dierbare spullen die je wél wilt bewaren. Nooit eerder was het dilemma weggooien of bijhouden zo simpel, allemaal dankzij Kondo’s adviezen ofte collectieve brainwashing op Netflix: concentreer je op wat je gelukkig maakt, en gooi de rest gewoon weg. Hadden we dat jaren eerder maar al geweten!
En dus trekt het nieuw samengestelde gezin een heel weekend uit om die nieuw samengestelde warboel van kleren en speelgoed eerst te ontrafelen, vervolgens te halveren en ten slotte met de bakfiets af te voeren richting Kringwinkel. De pas gescheiden vrouw zet haar gehalveerde inboedel op orde volgens de wetten van Kondo, kwestie van nooit meer opgeschrikt te worden door spullen van haar ex in laden en kasten. Modeverslaafden vouwen hun kleren op als worstjes volgens de KonMari-methode en sorteren ze mooi op kleur in ladenkasten.
En wat te doen met al die lelijke cadeaus die je niet durft weg te gooien? Toch doen, want de beleefdheid zit hem in het ontvangen van de gift, niet in het bewaren ervan. Of wat aanvangen met de spullen van een overledene? Ook daar eindelijk houvast dankzij Kondo: hou gewoon bij wat je gelukkig maakt. Hallelujah, de heer zij geprezen, nooit eerder leek het leven zo simpel.
Marie Kondo geeft zelf aan in haar bestsellende boek Spark Joy: je kan niet beginnen met schoonmaken als je niet eerst hebt opgeruimd. En dus móét de volgende lifestyletrend wel schoonmaken zijn. En jawel, uit het Verre Oosten komt ons thans ook Shoukei Matsumoto aangewaaid. Deze boeddhistische monnik is met zijn boek Veeg je zorgen weg al sinds 2011 een bestseller in thuisland Japan, waar reinheid en verlichting hand in hand gaan. In navolging van Kondo wordt hij nu ook in het Nederlands vertaald.
Als unsui-monnik begint Matsumoto iedere dag met schoonmaken, eindigt hij iedere dag met opruimen, en hij raadt ons westerlingen aan hetzelfde te doen. In Japan is schoonmaken niet gewoon schoonmaken, het staat voor ‘het cultiveren van de geest’. Kinderen leren er al vroeg de klas schoonmaken. Poetsen wordt in Japan niet ervaren als een last, maar als een dagelijks ritueel dat de geest even zuiver maakt als de gelapte ramen en geschrobde vloeren.
Volgens Matsumoto is schoonmaken zelfs een manier om te communiceren met de natuur – op voorwaarde dat je de ramen openzet, ook in de koude winter. Helemaal zen word je van Matsumoto’s even minimalistische als zinnelijke beschrijvingen van het ouderwetse, niet-elektrische poetsgereedschap van de boeddhistische monnik: bezem, stoffer en blik, een klamme lap stof om de vloer mee te boenen. Laat ook nooit meer het bad leeglopen, maar gebruik het kostbare water om je huis schoon te maken.
Een schone geest en een schoon hart beginnen bij hagelwitte badkamertegeltjes. Schimmel in je huis is schimmel op je ziel, laat Matsumoto ook weten. Eens het als schoonmaakboek verpakte zenbijbeltje Veeg je zorgen weg uitgelezen is, neem je vanzelf de lotushouding aan. De bijhorende mantra? Wég met die poetsvrouw, laat maar komen die gratis mindfulness-sessies waarvoor je zelfs niet eens de deur uit moet, maar gewoon met emmer en dweil aan de slag moet tot je jezelf helemaal ‘in het nu’ aan het poetsen bent. Want wie wil er nu een beschimmelde ziel?
Schoon en meedogenloos
Had je tien jaar geleden verkondigd dat opruimen en schoonmaken de nieuwe wellness- én interieurtrend in één zouden worden, men had je voor gek verklaard. Oké, er waren de schoonmaakboeken van VTM-poetsvrouwen Sien en Maria van het programma Schoon en meedogenloos. Die verkochten ‘beter dan Aspe’ volgens een snel gegoogelde krantenkop uit die dagen.
Met hier een scheut eau de javel en daar een geut soda nam het duo poetsvrouwen vieze Vlaamse huishoudens onder handen. Maar om nu te zeggen dat ze in de interieurboekjes konden, nee, de Vlaming hield behalve van de praktische tips – roest te lijf gaan met cola, ramen met krantenpapier en azijn – vooral van de folklore van Sien en Maria. Daar zorgden de dames met brio voor als ze weer eens een van het frietvet dichtklevende keuken van een kotstudent te lijf gingen met spons en ammoniak én het Antwerpse accent van Maria.
Nog even verder terug, een jaar of dertig-veertig. In iedere zichzelf respecterende Vlaamse verkaveling huisde toen wel een vrouw van wie er werd gezegd dat ze ‘kuisziek’ was. Die de voegen van de beige tegels in haar met grote Chinese vazen versierde inkomhal van haar villa schrobde met een tandenborstel. Die de voorste plaats in het huis, een living met gecireerde eikenhouten kasten vol porseleinen postuurtjes, als kroonstuk van de woning onderhield. Ook al zat niemand er ooit in. Kon ook niet, of de boel werd vuil.
Je ging er niet binnen via de voordeur, maar langs de garage en vandaar naar de bijkeuken, en wel door eerst je schoenen te zetten bij de rest van het gezinsschoeisel op de dweil voor de deur. Binnen regeerde de geur van bruine zeep en bijenwas. De vrouw des huizes zelf bewoog zich door haar perfect onderhouden, maar verder doodse paleis in een plunje die paste bij de slaaf die ze ervan was: een gebloemde schort en plastic muiltjes.
Gouden kooi
Rond opruimen en poetsen hing toen allesbehalve een trendy, modern, laat staan kosmopolitisch sfeertje. Wél de muffe geur van handboeken als Libelle’s grote hulp in huis, de soeplucht van de huishoudschool of anders wel de algehele beklemming van domestieke treurnis. Saskia De Coster beschrijft die treffend in haar roman Wij en ik, wanneer ze een vrouwelijk hoofdpersonage neurotisch het tapijt laat kammen, gevangen in haar gouden kooi van een villa in een nieuwe wijk ergens in de jaren tachtig.
Het grote verschil met toen is dat die gouden kooi niet meer bestaat, omdat de vrouw uit werken gaat. In plaats van hele dagen in doodse stilte stofjes zitten te vangen, komt ze ’s avonds thuis in iets wat meer op een gouden warboel lijkt. Met dank aan de ketens die alles zo goedkoop maakten, waardoor onze huizen uitpuilen van de spullen. Tel daar nog de burn-outs, files en algehele digitale overprikkeling bij, waardoor eens tijd voor jezelf kunnen nemen in een mooi georganiseerd en net interieur de nieuwe luxe is geworden.
Wég beklemmende horrorscenario’s van weleer, enter de Japanse huishoudgidsen die in de eerste plaats zelfhulpboeken zijn en ons beloven dat we – mits enkele praktische inspanningen én een doorgedreven discipline – uiteindelijk veel rustiger en gelukkiger zullen worden in onze eigenste zentempel. Ziedaar: poetsen als het nieuwe mediteren.
Poetsen met het gezin
De vraag is natuurlijk: waar halen we in godsnaam de tijd om al dat opruim- en poetswerk uit te voeren in onze moderne levens? Net nu de strijkcentrale de oplossing bood voor misschien wel de meest tijdrovende van alle huishoudelijke taken, de strijk. Waardoor we toch net meer levenskwaliteit terugkregen? En nu zouden we weer collectief aan het strijken moeten om meer zen te worden? Dat kan alleen na een drastische reductie van onze spullen, die we vervolgens met de allerbeste Japanse zorg behandelen. Daar valt iets voor te zeggen. Volgens Matsumoto komt het er ook op aan het hele gezin te betrekken bij het schoonmaken, ook de kinderen, net zoals monniken ook samenwerken bij het schoonmaken van de tempel. Euh, dat scheelt dan ook weer aan zwemlessen en danskampen?
Misschien wel het grootste struikelblok: rommel in huis duidt op leven, een leven dat je deelt met anderen. In de vaatwasmachine gepropte colaglazen herinneren aan kinderen in de buurt, pootafdrukken zijn het bewijs van een speelse hond in huis. En zo doen de Japanners toch ook wel vrezen voor de allerergste nachtmerrie: een georganiseerd schoon huis, waar niemand de boel overhoop kan halen omdat iedereen allang is weggelopen. De gouden kooi revisited.
Boek: Veeg je zorgen weg, Shoukei Matsumoto, Bruna Uitgevers, 160 p., 10 euro
Inderdaad, nu ik er over nadenk bij het ontdekken van dit gedicht, kunnen we misschien beter verwaarloost worden door deze wereld, dan alles te moeten ondergaan wat zogenaamd zo goed voor ons is…
Een tuin
Ik wou dat ik een tuin was
en dat niemand ooit gras in mij maaide,
onkruid in mij wiedde,
heggen in mij knipte,
struiken in mij snoeide,
bloemen in mij plukte,
planten in mij stekte,
bomen in mij entte,
paden in mij harkte,
huizen in mij verdelgde,
en dat niemand mij ooit omspitte, ophoogde,
inzaaide, afdekte, uitgroef, omheinde, verkavelde, betegelde, draineerde, door een door iedereen
aanbevolen en door ‘Home and Garden’ de hemel
ingeprezen tuinarchitect opnieuw liet aanleggen,
voor het publiek openstelde of verkocht.
Ik wou dat iemand mij verwaarloosde.
Door alles wat ik gedurende mijn leven meegemaakt heb, heb ik ondanks de relatief goede verwerking ervan, toch nog vaak last van triggers.
Een trigger is een mechanisme, dat een proces in gang zet en een bepaalde, voornamelijk negatieve handeling en gemoedstoestand uitlokt. Meestal heb ik nu al wel vlug door, wat de trigger opgewekt heeft. Van zodra dat doordringt, en ik zogezegd de vinger op de wonde kan leggen, stoppen ook de negatieve handelingen en de negatieve gevoelens, en ben ik weer baas over hart en hoofd.
Iedereen heeft last van triggers, waardoor mensen soms onredelijk of overdreven gedrag vertonen, en moeilijk te begrijpen zijn. Misschien begrijpen ze zich zelf niet eens op dat moment, en moeten we dan eerder luisteren naar wat niet gezegd wordt, dan naar hetgeen uitgeschreeuwd en aangeklaagd wordt.
Een goede Nederlandse vertaling voor het Engelse woordje trigger bestaat er niet, maar ik zie het zo’n beetje als “iets” dat de trekker van een revolver overhaalt en een schot lost dat zo wie zo kwetst en in sommige gevallen zelfs dodelijk kan zijn. Dodelijk voor je gezond verstand, dodelijk voor je bewustzijn, dodelijk voor de redelijkheid en realiteit van de dingen. En je wordt teruggekatipuleerd in de tijd, en soms héél ver terug in de tijd! Toen je nog kind was bijvoorbeeld…
Raar mechanisme hoor, triggers! Vraag je daarom maar regelmatig af, en telkens je je niet echt goed in je vel voelt of vervelend doet, wat je nu weer parten speelt, want die “harde schijf” aan herinneringen en ervaringen dragen we voor de rest van ons leven mee, en onze computer crasht maar pas, wanneer we voorgoed de ogen sluiten.
Agent Kevin Briggs redde honderden mensen van zelfdoding
De hoeder van de Golden Gate Bridge
De Standaard – Ine Roox – 02.03.2019
Het grootste deel van zijn 23-jarige carrière als agent spendeerde Kevin Briggs (56) op de Golden Gate Bridge in San Francisco, waar hij ongeveer tweehonderd mensen overtuigde niet te springen. ‘Ik houd achteraf geen contact. Ik wil hen niet herinneren aan allicht de zwartste dag uit hun bestaan.’
De Golden Gate Bridge is een toeristische trekpleister in San Francisco. Helaas zijn er, sinds de brug in 1937 werd geopend, ook al meer dan 1.600 mensen van afgesprongen. Vorig jaar sprongen 31 mensen en moest de politie 187 keer interveniëren.
‘De brug wordt geromantiseerd. Wie ervanaf zou springen, zou in een andere dimensie terechtkomen, en het water onder de brug zou de ziel reinigen en al je zorgen en verdriet in één keer wegwassen’, vertelde Kevin Briggs enkele jaren geleden, toen hij op een Ted-conferentie over zelfdoding sprak. ‘In werkelijkheid is het lichaam vier tot vijf seconden in vrije val, tot het met een snelheid van 120 kilometer per uur tegen het water neerstort. Die kracht verbrijzelt botten, waarmee vitale organen worden geperforeerd. De meesten zijn op slag dood.’
Briggs was 23 jaar lang agent van de wegpolitie in Californië. Een groot deel daarvan was de Golden Gate Bridge zijn werkterrein. ‘Ik wist op voorhand niet dat zo veel mensen daar probeerden uit het leven te stappen’, zegt Briggs, aan de telefoon vanuit Californië. Maar hij groeide uit tot de hoeder van de brug. Al die jaren sprak hij op honderden mensen in en overtuigde hij de meesten om niet te springen. Sinds zijn pensioen gaat hij geregeld spreken op seminaries en scholen.
Toen u er als agent begon, wist u niet dat zovelen van de brug probeerden te springen. Was u dan wel voorbereid op die taak?
‘Eén man drukte me driemaal de hand, terwijl ik op hem inpraatte. Daarna zei hij kort: “Kevin, I am sorry but I have to go”’
‘Ik dacht dat ik snelheidsboetes zou uitschrijven en diefstallen op de parkeerterreinen rond de brug zou aanpakken. Maar ik hoorde dat er sommige jaren wel zestig lichamen in het water werden teruggevonden. En toen kwamen de eerste meldingen binnen: “Er staat iemand die wil springen op de kabel rond de brug”. Toen ik aan de job begon, was ik 31. Ik was er niet voor opgeleid en wist niet precies wat ik deed. In het begin zei ik waarschijnlijk verkeerde dingen.’
Wat zijn verkeerde dingen?
‘“Alles zal wel in orde komen”, of ook: “Je wilt dit eigenlijk niet doen.” Toen ik enkele jaren op de brug werkte, heb ik een training voor crisisinterventies gevolgd. Dat hielp, maar de FBI-training voor onderhandelingen in extreme crisissituaties was de allerbeste. Die kreeg ik pas later in mijn carrière. Tegenwoordig worden jonge collega’s door ervaren collega’s én door psychologen opgeleid.’
U was dus in grote mate een autodidact. Hoe leerde u mensen te overtuigen het niet te doen?
‘Wanneer ik iemand had gered, wenste ik hem achteraf proficiat met die nieuwe kans. Ik vroeg altijd waardoor hij van gedacht was veranderd. Dan nam ik notities om daaruit te leren voor de volgende keer.’
U zegt vaak ‘hij’. Hebt u vooral mannen gered?
‘Ja. Het gaat doorgaans om blanke mannen, veertigers of vijftigers. Mannen die nog niet oud zijn, maar wel al oud genoeg om de hete adem van jongere concurrenten, bijvoorbeeld op hun werk, in hun nek te voelen. Mannen die zelf nog jong genoeg zijn om volop te moeten presteren, veel verantwoordelijkheden hebben, de druk niet meer aankunnen, en misschien met financiële zorgen of met gezondheidsproblemen kampen.’
Houdt u contact met wie u hebt gered?
‘Liever niet. Omdat ik geen trigger voor die mensen wil zijn. Ik wil geen herinnering oproepen aan wat vast de allerzwartste dag uit hun leven was. Kevin Berthia is een uitzondering. Ik sms hem minstens een paar keer per maand. Op 11 maart 2005 kreeg ik een oproep over hem. Ik reed naar de brug en heb anderhalf uur met hem gepraat. Die dag heeft hij zelf besloten om weer over de balustrade te kruipen en het leven een nieuwe kans te geven. Hij gaat vandaag spreken over die ervaring, en wanneer het lukt, spreken we samen voor een publiek.’
Heeft hij u verteld hoe u hem hebt overtuigd?
‘Ja, ik vroeg het hem, en hij zei: “Door gewoon naar me te luisteren. Jij liet mij spreken.” Hij zei ook dat ik een kalme stem had die hem had gerustgesteld. Vandaag gaat het weer goed met hem.’
U hebt ook mensen verloren.
‘Dat klopt. Eén man drukte me driemaal de hand, terwijl ik op hem inpraatte. Daarna zei hij kort: “Kevin, I am sorry but I have to go.” En dan was er Jason Garber, een intelligente jongeman van 32. Hij bleef maar praten over de doos van Pandora, waarin al het kwade van de wereld zat, maar ook één goede zaak: hoop. Plots vroeg hij mij en mijn collega: “Wat als je de doos van Pandora zou openen, en de hoop dan toch ontbreekt?” Toen sprong hij voor onze ogen de diepte in.’
Dat moet hartverscheurend zijn geweest. Kon u zelf met dat gevoel bij iemand terecht?
‘Het was een enorme dreun. Wat het nog zwaarder maakte, was dat ik diezelfde avond nog met Jasons ouders sprak. De dag nadien stond de rabbijn van Jasons familie voor mijn deur. Gestuurd door Jasons ouders, die bezorgd om me waren. Ik heb zelf hulpverleners opgezocht om ermee om te gaan. Je moet je kwetsbaar durven op te stellen, ook als politieagent, om die ervaringen te bespreken en verwerken.’
Stond u vaak alleen op de brug of werkte u samen met collega’s?
‘Ooit hebben we maar liefst acht uur lang op iemand ingepraat, in de regen en de kou – toen hebben een collega en ik elkaar afgelost. Maar meestal deed ik het helemaal alleen. Dan laat je je ego helemaal varen en zoek je écht naar een connectie met de persoon die daar staat. Dat kan wel even duren. Je probeert erachter te komen wat er in het leven van die mens speelt en waarom hij op dat dramatische punt is aanbeland. Je tracht vertrouwen op te bouwen en je zoekt een aanknopingspunt. Je doet er alles aan om die persoon te overtuigen dat alles niet een-twee-drie opnieuw in orde zal komen, maar dat het wel mogelijk is. Dat er hulp voor hem is.’
U wist nooit vooraf waarmee u die persoon zou kunnen overtuigen.
‘Ik herinner me een jongeman die met zaken veel geld had verdiend, maar door te speculeren met andermans geld ook veel had verloren. Hij voelde zich totaal vernederd. Uiteindelijk vroeg ik hem hoe hij zich zou voelen als zijn vrouw daar zou staan, en overwoog te springen. Dat gaf hem de klik om het zelf toch niet te doen. Maar ieder geval en elke persoon zijn anders.’
Voor erg veel mensen komt zelfdoding heel dichtbij. Is dat ook voor u zo?
‘Mijn grootvader stapte uit het leven, waardoor ik hem nooit heb leren kennen. Ik heb zelf met een depressie geworsteld, die ten dele te maken had met mijn werk. Maar ik heb dat aangepakt en nu voel ik me oké. Op een mindere dag weet ik: deze dag en dit gevoel gaan ook weer voorbij. Dat geeft me energie om te gaan spreken over zelfdoding en mensen alert te maken voor de signalen, in een poging er iets aan te doen. Wie het van plan was, ervan afziet en er achteraf over kan en wil praten, zegt geregeld dat zelfdoding een verkeerde beslissing zou zijn geweest. Soms kan je het echt voorkomen.’
1. Wees alert voor signalen van mensen uit je omgeving dat ze met zwarte gedachten kampen. Zijn er veranderingen in hun gedrag? Geven ze bezittingen weg? Vluchten ze in alcohol of drugs of slapen ze veel meer dan normaal? Vermijden ze sociaal contact en hebben ze het gevoel dat het nooit nog beter zal worden?
2. Spreek hen erover aan. Volgens Kevin Briggs kan zo’n vraag als volgt luiden: ‘Anderen hebben in gelijkaardige omstandigheden misschien zelfdoding overwogen. Heb jij soms ook zulke gedachten?’ Volgens Briggs’ ervaring kan de rechtstreekse confrontatie met die gedachten het keerpunt zijn dat hun leven redt.
3. Als je hen de vraag hebt gesteld, luister dan ook écht naar het antwoord. Ga niet in discussie, veroordeel niet, en zeg niet aan die persoon dat je weet hoe hij/zij zich voelt, want waarschijnlijk weet je dat niet. ‘Listen to understand’, zegt Briggs. Beloof niet dat alles ineens weer goed komt, maar creëer hoop en probeer aan te geven dat hulp beschikbaar is.
De website van Kevin Briggs:
www.pivotal-points.com
Wie met vragen rond zelfdoding zit, kan bellen naar 1813 of surfen naar zelfmoord1813.be (centrum ter preventie van zelfdoding)
Psycholoog David Clark: “Vroeger leden mensen in stilte”
De Britse psycholoog David Clark over het medische én economische belang van psychotherapie
De Morgen – Joël De Ceulaer – 02.03.2019
Van een angststoornis kun je genezen. Ook een depressie is steeds beter behandelbaar. De Britse psycholoog David Clark, die op vrijdag 8 maart een baanbrekend project komt voorstellen aan de KU Leuven, over de vooruitgang in de geestelijke gezondheidszorg.
“In de geestelijke gezondheidszorg hebben we het punt bereikt waar we ons twintig jaar geleden met kanker bevonden”, vertelt David Clark. “Voor die tijd werd er nauwelijks over gepraat en waren er niet veel behandelingen. Vandaag wel. Dat is ook voor mentale aandoeningen in hoog tempo aan het veranderen. We weten steeds beter wat wel en wat niet werkt.” De Britse psycholoog is hoogleraar aan de universiteit van Oxford en schreef samen met econoom Richard Layard het boek Therapiewinst. Daarin leggen ze uit dat bepaalde vormen van psychotherapie niet alleen een zeer gunstig effect hebben op het welzijn van patiënten, maar evengoed op het welzijn van de overheidsfinanciën.
“Onbehandelde depressies en angststoornissen kosten de overheid veel geld”, vertelt hij via Skype. “De Wereldgezondheidsorganisatie heeft berekend dat het westerse landen 4 procent van hun bruto binnenlands product kost. Dat is enorm. Het probleem is niet alleen dat veel mensen ziek thuis blijven, maar ook dat mensen ziek komen werken en daarom minder productief zijn. Als mensen met zulke mentale problemen goed worden behandeld, betekent dat een enorme besparing voor de overheid. Ook al omdat mentale problemen vaak fysieke problemen verergeren: een diabetespatiënt die een depressie heeft, zal de voorschriften van zijn arts en zijn dieet minder goed opvolgen.”
Op vrijdag 8 maart is Clark te gast op het departement psychologie van de KU Leuven, waar hij zijn IAPT-programma komt toelichten – IAPT staat voor Improved Access to Psychological Therapies, oftewel: verbeterde toegang tot psychologische therapieën. In het kader van dat programma bieden ruim 10.000 Britse psychotherapeuten sinds 2009 een miljoen patiënten per jaar de nodige, adequate hulp. Een wereldstandaard, volgens het wetenschappelijke vakblad Nature. Clark heeft mee voor een revolutie gezorgd en brengt die blijde boodschap nu naar zoveel mogelijk andere landen.
Waarom krijgt fysieke pijn van oudsher meer aandacht dan mentale pijn?
David Clark: “Dat heeft voor een deel zeker te maken met het stigma dat nog altijd bestaat. Het is moeilijk om toe te geven dat je een mentaal probleem hebt. Daardoor is er historisch gezien altijd minder vraag geweest naar hulp bij mentaal lijden. Vroeger leden mensen in stilte. Een ander deel van de verklaring is wellicht het gevoel dat interventies bij mentaal lijden geen wetenschappelijke basis hebben, zoals dat wel het geval is bij fysieke gezondheidszorg.”
En dat klopt niet meer?
“Nee. Ons programma wil juist aantonen dat er wel degelijk wetenschappelijke evidentie bestaat voor bepaalde vormen van psychotherapie. Daar is al behoorlijk wat onderzoek naar gebeurd, met zogenoemde randomized controlled trials – die ook bij andere vormen van medisch onderzoek de standaard zijn. Daarnaast is ook het stigma aan het afnemen. In heel wat landen zijn bekende mensen bereid om openlijk te vertellen over de mentale gezondheidsproblemen die ze hebben gehad.”
Is dat belangrijk?
“Heel belangrijk. Beroemdheden die getuigen over hun angststoornis of hun depressie, hebben veel impact. Al blijft het belangrijkste het besef dat er behandelingen zijn die wérken. Het heeft geen zin om toe te geven dat je een probleem hebt, als er niets aan kan worden gedaan en je als het ware levenslang hebt gekregen. Zoals ook kanker vroeger een doodvonnis was.”
Dus u verwacht nog veel vooruitgang?
“We kunnen vandaag al aantonen dat veel mensen herstellen. Het publiek ziet dat ook. In het Verenigd Koninkrijk meten we alles objectief en maken we alle resultaten publiek. Die transparantie werkt goed. Mensen zien dat er behandelingen bestaan die werken en zijn daardoor eerder geneigd om zelf een goede behandeling te zoeken.”
Voor de goede orde: u hebt het niet over pillen, maar louter over psychotherapie.
“Beide hebben uiteraard hun plaats. Er bestaat medicatie die zowel bij depressie als bij angststoornissen kan worden gebruikt. En die ook helpt. Maar uit onderzoek blijkt dat psychotherapie betere langetermijneffecten heeft. De reden is eenvoudig: als je stopt met medicatie, houdt de werking op. Terwijl je bij een therapeut nieuwe vaardigheden leert om met emotionele problemen om te gaan. En die vaardigheden blijf je gebruiken. In het VK raden wij psychotherapie aan als eerste keuze bij de behandeling van angst en depressie.”
En wordt die psychotherapie terugbetaald?
“Volledig. Het programma dat wij hebben opgezet, wordt door de overheid gefinancierd. Die investering bedraagt gemiddeld 650 pond (een kleine 750 euro, JDC) per patiënt.”
U hebt het over depressie en angststoornissen. Zijn dat de meest voorkomende mentale problemen?
“Zeker. Als je bij angststoornissen alles telt wat te maken heeft met overdreven piekeren, fobieën, obsessief-compulsief gedrag en posttraumatische stressstoornis – en je rekent daar depressies bij, dan heeft op elk moment een op de zes mensen in het VK daar last van. Aandoeningen zoals schizofrenie en psychose zijn een ander verhaal, die komen voor bij een op de honderd mensen.”
Veel mensen hebben bij de psychotherapeut het beeld van iemand met wie je eens goed kunt praten. Komt het daarop neer: een goed gesprek?
“Nee, het is meer. Er bestaan verschillende vormen van psychotherapie, maar die zijn niet allemaal even effectief voor alle problemen. Het is erg belangrijk dat mensen de therapie volgen die evidence based is. Voor alle angststoornissen is de evidentie nu echt overweldigend dat cognitieve gedragstherapie het best werkt.”
En hoe werkt die therapie?
“Zoals de naam al zegt, focust cognitieve gedragstherapie op twee dingen: je denk- en je gedragspatronen. Veel mentale onrust heeft te maken met de manier waarop je reageert op of omgaat met bepaalde gebeurtenissen. Iedereen maakt erge dingen mee, maar voor de ene persoon leidt dat tot meer onrust dan voor de andere. En dat heeft te maken met hoe je over jezelf en de wereld denkt. Een cognitieve gedragstherapeut kan focussen op de denkpatronen van de patiënt, en onderzoeken hoe die het gedrag beïnvloeden.”
Geef eens een voorbeeld?
“Een klassiek voorbeeld zijn mensen met een sociale angststoornis. Als je denkt dat andere mensen vinden dat je dom bent, vermijd je sociale interactie. Of probeer je altijd om zo slim mogelijk over te komen in gezelschap, zodat je jezelf niet kunt zijn. Bij een therapeut leer je die gedachten onderzoeken, en leer je heel concreet om je gedrag aan te passen. Door bijvoorbeeld eens géén rolletje te spelen in gezelschap, en te kijken hoe mensen daarop reageren.”
Is het denkbaar dat de therapeut meegaat? Mee de lift neemt als je een liftfobie hebt, mee de stad in gaat als je een sociale fobie hebt?
“Jawel, dat gebeurt vaak. Het is niet alleen maar praten. We trekken de echte wereld in om patiënten te leren hun angsten te overwinnen. Dankzij ontwikkelingen met virtuele realiteit, hebben we nieuwe mogelijkheden. Iemand met hoogtevrees kunnen we in een virtueel programma laten wennen aan grote hoogtes, voor hij of zij dat in de realiteit probeert. Dat werkt erg goed. Een angststoornis behandelen wij in zes tot twintig sessies.”
Wat met depressie?
“Het goede nieuws is dat daarvoor verschillende vormen van therapie bestaan, die allemaal effectief lijken. Er is de cognitieve gedragstherapie. Er is de interpersoonlijke therapie, waarbij men focust op de relatiepatronen in je leven. Er bestaat koppeltherapie voor mensen die depressief zijn in het kader van hun relatie, en die samen met de partner de relatie toch nog willen redden. En er zijn vormen van psychodynamische therapie, die nog wat traditioneler freudiaans zijn, die effect kunnen hebben.”
Hangt veel niet af van de persoonlijkheid van de therapeut, welke specifieke techniek hij of zij ook toepast?
“Sommige mensen in het werkveld geloven dat inderdaad. En als je naar depressie kijkt, en de verschillende vormen van therapie die kunnen werken, zou je geneigd zijn om dat te geloven. Maar bij angststoornissen is dat duidelijk niet het geval, daar is cognitieve gedragstherapie superieur. Los daarvan wil je altijd iemand die warm en empathisch is, en die volledig wil focussen op jouw probleem. Als een therapeut dat niet doet, is er een probleem. Maar daarbovenop is het ook belangrijk wát die therapeut doet.”
Kan een verkeerde vorm van psychotherapie het probleem erger maken?
“Absoluut. Daarom is het zo belangrijk om veel data te verzamelen. De overheid moet in kaart brengen waar patiënten geholpen worden en waar niet. Daarom moet de situatie van de patiënt telkens bij het begin en het einde van de behandeling worden gemeten.”
Daar kunnen psychologen toch over liegen, zoals Freud vroeger deed? Een aantal van de patiënten die hij zogezegd had genezen, was dat helemaal niet.
“Dat is uitgesloten bij ons, wij gebruiken zelfrapportering door de patiënten.”
Hoe zwaar heeft de schaduw van Freud gewogen op de evolutie van de psychotherapie? Hoe destructief zijn sommige van zijn ideeën geweest?
“Dat is een complex verhaal. Dankzij Freud raakten mensen geïnteresseerd in mentale processen. Hij heeft ook het idee gelanceerd dat psychotherapie zou kunnen helpen. Dat is een grote prestatie. Wij zouden vandaag niet op dit punt zitten zonder Freud. Hij was een pionier. Een idee van hem dat niet zo behulpzaam is geweest, was zijn overtuiging dat niets is wat het lijkt. Dat klopt niet. Het mysterie van onze mentale processen is niet zo groot. Mensen weten best wat er met hen aan de hand is.”
We hebben geen jarenlange psychoanalyse nodig om onszelf te leren begrijpen?
“Nee, zulke langdurige therapieën hebben geen focus, werken niet, en zijn heel duur. Alleen kortlopende vormen van psychodynamische therapie, die nog geworteld is in Freud, zijn in sommige gevallen het proberen waard. Nogmaals: wij pleiten voor een mentale gezondheidszorg die evidence based is, net zoals kankerbehandelingen dat moeten zijn. De geschiedenis van de psychologie telt veel voorbeelden van dingen waarvan men dacht dat ze werkten, terwijl onderzoek ondertussen het tegendeel heeft aangetoond.”
Wat is het beste voorbeeld?
“Counseling, waarbij mensen vlak nadat ze een ramp van dichtbij hebben meegemaakt, worden gedebrieft en gecoacht door een psycholoog.”
En dat werkt niet?
“Het lijkt puur gezond verstand dat zoiets goed werkt. Als je kunt praten over wat je net hebt meegemaakt of gezien – een verkeersongeval, een ontploffing, een aanslag – dan zal iedereen dat slim vinden. Vanuit het idee: als je er niet over praat, blijft die emotie toch maar hangen en krijg je er later problemen mee. En vertellen wat je hebt beleefd, is per slot van rekening niet zo erg. Ondertussen hebben honderdduizenden mensen over de hele wereld zo’n psychologische debriefing gekregen. Het is een industrie geworden.”
Maar het is weggegooid geld?
“Wel, wat we ondertussen uit onderzoek weten is dat mensen sneller bij hun positieven komen zonder counseling. Psychologische debriefing vertraagt het verwerkingsproces. Daarom gebeurt het in het Verenigd Koninkrijk in elk geval niet meer.”
Uw coauteur Richard Layard is de econoom die met zijn boek Happiness in 2006 mee de basis legde voor het concept Bruto Nationaal Geluk. Kan psychotherapie behalve ongeluk verminderen ook ons geluk verhogen?
“Dat is op zich geen onderzoeksveld, al focust de beweging van de zogenoemde positieve psychologie daarop. Essentieel zijn natuurlijk gezond eten en voldoende bewegen. Maar ook mindfulness wordt gebruikt door mensen die op zich niet lijden, en die vinden dat het hen een verhoogd gevoel van welzijn bezorgt. Het is een techniek die je niet meteen moet proberen als je in de problemen zit, maar die wel je kwetsbaarheid voor mentale problemen kan reduceren.”
Dankzij mindfulness herval je niet?
“Inderdaad, dat blijkt te helpen. Voor mensen die eerder al depressieve episodes hebben gekend, is de evidentie sterk dat mindfulness het risico op herval ongeveer halveert. Ook dat is iets waar heel veel mensen hun voordeel mee kunnen doen.”