Sommige mensen
zijn zo ontoegankelijk
als een brandkast
die moet je ook eerst kraken
of het juiste cijferslot kennen
om er in te geraken.
Micheline Baetens – 20.08.2018
Interview Pascal Chabot, filosoof en schrijver van ‘Global burn-out’
‘Burn-out is een beschavingsziekte’, zegt Pascal Chabot, de Franstalige Belgische filosoof die een succesboek over het onderwerp schreef.
Mag het al zwart op wit benoemd worden? De vakantie is bijna gedaan. Voilà. Iemand moet het zeggen. De files warmen op, de werkweek komt op toerental en de out of offices worden uitgeschakeld. Maar als uw batterijen opgeladen zijn, hoeft u niets te vrezen.
De balans van de zomer is echter onrustwekkend. Veel zon, weliswaar, maar de twee hittegolven deden iedereen aan den lijve ondervinden dat het klimaat ontregeld raakt. Ook de Earth Overshoot Day, de dag waarop de natuurlijke jaarvoorraad van onze planeet op is, viel deze zomer alweer een dag vroeger dan vorig jaar, op 1 augustus. Kortom: we hebben de voorbije tijd dan wel volop genoten, maar we zijn niet goed bezig.
De Franstalige Belgische filosoof Pascal Chabot (44) legde vijf jaar geleden de vinger op de ‘we zijn niet goed bezig’-wonde in zijn boek Global burn-out. Het reisde de wereld rond en half september dient zich eindelijk de Nederlandse vertaling aan bij Amsterdam University Press.
De aarde is op, de mens is op, maar op z’n minst hebben we een warme zomervakantie gehad.
‘Ik betwijfel of we die temperaturen als een vooruitgang moeten zien.’
Wat is vooruitgang voor u?
‘Een tweesnijdend zwaard waarvan we ons onvoldoende realiseren welke prijs we betalen voor de positieve kant. Op materieel vlak zijn we een van de meest verwende samenlevingen, maar Earth Overshoot Day is een tussentijdse rekening. We staan in het rood.’
Earth Overshoot Day is zowat de burn-out van de aarde. Wat was eerst: de uitputting van de planeet of die van de mens?
‘Je kunt ze niet los van elkaar zien. Burn-out is voor mij een beschavingsziekte en dan speelt zowel mens als context een rol. Dat is ook waarom ik als filosoof naar het fenomeen wilde kijken: binnen de medische wereld en die van de psychologie hebben we het enkel over het persoonlijke aandeel. Heeft u misschien een moeilijk jaar achter de rug? Een scheiding? Bent u vatbaar voor depressies? Als beschuldiging kan dat tellen. Terwijl burn-out in de eerste plaats te maken heeft met hoe we ons organiseren en met hoe we werken. Het is een beschavingsziekte.’
Door er een beschavingsprobleem van te maken, lijkt de oplossing wel erg onbereikbaar. Want als het aan alles en iedereen ligt, wat kunnen u en ik nog doen?
‘Wat we doen, mag niet alleen raken aan technologische of nuttige vooruitgang, maar ook aan menselijke vooruitgang’
‘Het probleem begrijpen is een cruciaal begin, net als jezelf begrijpen. Precies daarom geloof ik in de filosofie: de juiste woorden vinden geeft je de nodige inzichten en kennis om je te bevrijden van bepaalde problemen. Want als je begrijpt dat je eigen uitputting de spiegel is van de uitputting van de samenleving, kun je aanvaarden wat je niet kunt veranderen en gerichter zoeken naar dat wat je wel kunt veranderen. Als je de problemen helder ziet, net als je eigen noden, kun je de risico’s minimaliseren om uit evenwicht te raken.’
Dat ruikt naar de stoïcijnen. Opvallend afwezig in uw boek, gek genoeg. Waarom?
‘Ik heb ze opgespaard voor een ander boek, Exister, résister.’
Critici zeggen dat het kunnen benoemen net deel is van het probleem. Want plots heeft iedereen burn-out.
‘Ik ben heel democratisch als het over woorden gaat: mensen hebben het recht en de vrijheid om te benoemen wat ze beleven. Als een groep mensen de term burn-out gebruikt om aan te geven dat het te veel is en dat ze zichzelf niet meer herkennen in wat ze doen, dan moet dat kunnen, zelfs als die categorie niet strikt overeenkomt met de definitie van burn-out. Want het zegt iets over die persoon en over waar hij mee worstelt.’
‘In een bredere context was de term burn-out noodzakelijk om het onderscheid te maken met depressie, iets wat uitgesproken individueel is en rechtstreeks gelinkt aan persoonlijk lijden. Burn-out daarentegen is vooral gelinkt aan werk en werkomstandigheden. Dat is een belangrijk onderscheid in de zoektocht naar oplossingen.’
Columbus
Burn-out is geen klacht van luie mensen. Pascal Chabot hamert hard op die nagel. In zijn boek beschrijft hij het zo: ‘Het leek een faire overeenkomst. Het individu accepteerde meer technologie, op voorwaarde dat hij zijn gewoonten en gedrag aanpaste, en kreeg in ruil daarvoor vermindering van arbeidslast, betere bescherming en vooral de vrijheid om zijn verlangens na te jagen.’ Maar de technologie bleek minder autonoom dan gedacht en in werkelijkheid dwingt ze ons om tien uur per dag voor een scherm te zitten.
De slachtoffers van burn-out zijn niet toevallig de grootste aanhangers van deze levensstijl. Want die botst met de bewegingsvrijheid van ambitie. Burn-out is dan ‘de vermoeidheid die voortkomt uit wilsinspanning en stress, uit de ambitie om jezelf te overtreffen, keihard te werken en jezelf te verwezenlijken’.
Burn-out lijkt ook een probleem van ‘maat houden’. Waarom slagen we daar zo moeilijk in, zelfs als we het kunnen benoemen?
‘Het is de paradox van ons bestaan. De fundamenten van onze samenleving zijn gelegd door extremisten. Columbus was een krachttoer. Michelangelo heeft vier jaar liggend op een stelling doorgebracht om de Sixtijnse Kapel te schilderen. Honoré de Balzac schreef wel achttien uur per dag. Paul Valéry zei het al: “Overal waar de Europese geest domineert, zien we maximale ambitie, maximaal werk, verlangen en creatie. De som van al die maxima, dat is Europa.” Wij zijn de erfgenamen van die maximalisatie. Want als de medicijnen niet snel genoeg werken, als iemand niet snel genoeg antwoordt op een bericht, dan zijn we gefrustreerd en vervloeken we de traagheid.’
Waarin zit precies de paradox, als iedereen de vrucht is van het maximum?
‘In wie we zijn. Mensen zijn fundamenteel wezens die op zoek gaan naar evenwicht. Kijk maar naar je lichaam: als het warm is, zweten we meer en drinken we meer. Als we te weinig calcium hebben, nemen we er meer op. Psychologisch werkt dat net zo omdat we voelen hoeveel geluk er in evenwicht zit. Het is geen toeval dat yoga en meditatie vandaag zoveel bijval kennen. Maar als we door de context van werk en maatschappij te ver verwijderd raken van onszelf, herkennen we die signalen niet meer.’
Waarin schuilt volgens u de valkuil van die verwijdering?
‘In het ons aanpassen. We passen ons aan het systeem aan, zodat we zelf ook in staat zijn om het systeem te beïnvloeden en inspraak te hebben. Maar de aanpassing kan nooit het doel op zich zijn: als de aanpassing niet onze waarden, visie of een hoger doel dient, dan passen we ons aan om ons aan te passen. En dat is waar de uitputting en de verveling beginnen. Want we zijn niet enkel wat we denken, we zijn ook wat we doen. En wat we doen, mag niet alleen raken aan technologische of nuttige vooruitgang, maar ook aan menselijke vooruitgang. Dan heb ik het over de vooruitgang in relaties met mensen, patiënten, leerlingen …’
Met die aandacht voor menselijke vooruitgang kun je niet vroeg genoeg beginnen. Is dat hoe we kinderen weerbaarder kunnen maken tegen burn-out?
‘Er zijn veel benaderingen als het over opvoeding gaat, maar waar ik ronduit tegen ben, is het idee dat we kinderen onderling meer moeten laten concurreren. Een wedstrijd als opvoeding is geen voorbereiding op de toekomst. Integendeel, competitie draagt niet bij tot zelfrealisatie of in relatie tot anderen, het is net de kiem van burn-out. Menselijke vooruitgang bereik je door te leren samenwerken en zowel je eigen inbreng als die van de ander te blijven zien in het geheel. Dat zijn we uit het oog verloren, want evaluaties zijn individueel, de angst om je job te verliezen is persoonlijk … De waarheid van werken is dat we het nooit alleen doen.’
Pascal Chabot
● Studeerde filosofie aan de Sorbonne in Parijs, aan de ULB in Brussel en aan de universiteit van Luik.
● Doctoreerde op het werk van de Franse filosoof Gilbert Simondon.
● Publiceerde in 2013 het boek Global burn-out, dat in diverse talen is vertaald en nu ook in het Nederlands verschijnt.
● Geeft les aan de Brusselse hogeschool IHECS.
● Is ook actief in de wereld van de hedendaagse dans, als artistiek raadgever van choreografe Michèle Noiret.
Sarah Vankersschaever – De Standaard – 20.08.2018
Für mich soll’s rote Rosen regnen
Hildegard Knef
Mit sechzehn sagte ich still, ich will,
will groß sein, will siegen, will froh sein, nie lügen,
mit sechzehn sagte ich still, ich will,
will alles, oder nichts.
Für mich, soll’s rote Rosen regnen,
mir sollten sämtliche Wunder begegnen.
Die Welt sollte sich umgestalten,
und ihre Sorgen für sich behalten.
Und später, sagte ich noch, ich möchte,
verstehen, viel sehen, erfahre, bewahren,
und später, sagte ich noch, ich möcht’,
nicht allein sein, und doch frei sein.
Für mich soll’s rote Rosen regnen,
mir sollten sämtliche Wunder begegnen.
Das Glück sollte sich sanft verhalten,
es sollte mein Schicksal, mit Liebe verwalten.
Und heute sage ich still, ich sollte,
mich fügen, begnügen, ich kann mich nicht fügen,
kann mich nicht begnügen, will immer noch siegen,
will alles, oder nichts.
Für mich, soll’s rote Rosen regnen,
mir sollten ganz neue Wunder begegnen.
Mich fern, von altem Neu entfalten,
von dem was erwartet, das meiste halten.
Ich will…, Ich will…!
Voor eeuwig zestien!
Slapen, slapen, en nog eens slapen. Ik lijk Doornroosje wel!
In de zomer, je winterslaap doen, daar lijkt het op. Heeft iemand iets in mijn eten gedaan, of hangt er iets in de lucht?
Misschien heb ik wel zo’n lege plek nodig om tot rust te komen, en die winter, en de kat, maar die heb ik al… En vragen, die heb ik ook nog genoeg…
Een lege plek om te blijven
Geef mij maar de brede, trage rivieren,
de bewegingen die je niet ziet maar vermoedt,
de drinkende wilgen, de zinloze dijken,
een doodstille stad aan de oever.
Geef mij maar de winter, het armoedige
landschap, de akker zonder het teken van
leven, de kracht van de krakende heide.
Geef mij maar de kat als hij kijkt voor
hij springt, om te vechten, te vluchten,
te paren, te jagen, als hij kijkt.
Geef mij maar een paard in galop, maar
op zijn zij in het gras. Geef mij
maar een vraag en geen antwoord.
De watervallen van viagra
Arthur Eaton
De opkomst en populariteit van viagra, de remedie tegen impotentie, toont aan dat we sociale problemen zijn gaan beschouwen als medische aandoeningen. Met farmaceutische oplossingen. ‘Viagra is een ideaal kapitalistisch product: het schept zijn eigen vraag.’
Las Vegas, 1983. De American Urology Association organiseert een bijeenkomst in de balzaal van een groot hotel. De dresscode is casual chic. Een vooraanstaande Britse arts, Giles Brindley, verschijnt op het podium in een oude joggingbroek. Het onderwerp van zijn lezing: slappe piemels.
Al sinds de oudheid is men op zoek naar een remedie voor impotentie. Volgens Aristoteles groeide er een afrodisiacum op het voorhoofd van veulens. De Romeinen kauwden op preistengels.
De centrale vraag van Brindleys verhaal is: moet de genezing van impotentie worden gezocht in de psychologie of in de fysiologie? In een diavoorstelling laat de man een aantal foto’s zien van piemels waarin verschillende stoffen zijn geïnjecteerd. Brindley wil bewijzen dat een erectie kan worden opgewekt zonder enige vorm van seksuele stimulatie. Hij gelooft stellig dat de toekomst ligt in de biochemie. Aan het einde van zijn betoog trekt de man, tot verbijstering van zijn collega’s, zijn joggingbroek uit. Hij heeft een indrukwekkende erectie. ‘Echt heel groot’, vertelt een aanwezige later aan het tijdschrift Forbes.
Brindleys bewijsstuk was het resultaat van een injectie met fenoxybenzamine, een geneesmiddel tegen hoge bloeddruk. Het middel was toegediend in zijn hotelkamer voorafgaand aan de bijeenkomst. Met zijn broek op de enkels waggelde de oude Engelsman van het podium. Toeschouwers op de voorste rij verzocht hij vriendelijk zijn penis te inspecteren op verborgen implantaten. Die waren er niet. Het punt was gemaakt: de remedie voor impotentie moest worden gezocht in de chemie. Vanaf dat moment hadden wetenschappers in de Verenigde Staten een nieuwe missie. Zij gingen op zoek naar een bruikbaar medicijn tegen impotentie.
Vijf jaar later was het raak. Twee wetenschappers in dienst van het farmaceutische bedrijf Pfizer – Peter Dunn en Albert Wood – ontdekten dat een middel tegen de hartaandoening angina pectoris een opmerkelijke bijwerking had: erecties. Een toevallige vondst. Althans, zo luidde het officiële verhaal van Pfizer. Later verklaarde een medewerker dat vanaf het begin van het onderzoek wel degelijk bekend was dat het middel mogelijk zou kunnen werken tegen erectiestoornissen. Hoe dan ook, het medicijn – sildenafil, beter bekend onder de merknaam viagra – werd in 1998 goedgekeurd voor verkoop door de Amerikaanse Food and Drug Administration.
Viagra werd onthaald als een wondermiddel. Kranten voorspelden een nieuwe seksuele revolutie. Op 28 maart 1998 kopte The New York Times: ‘U.S. Approves Sale of Impotence Pill; Huge Market Seen’. De vraag naar het middel was inderdaad huge. In de eerste maand werden meer dan een half miljoen recepten uitgeschreven. Viagra werd het snelst verkopende medicijn ooit. Ook de aandelen van Pfizer schoten prompt omhoog met 150 procent.
Het middel is niet meer weg te denken uit de populaire cultuur. Beroemdheden als James Caan, Charlie Sheen en Hugh Hefner werden de beschermheiligen van de pil. Twee decennia na de lancering is ze nog altijd razend populair. Velen zien viagra inmiddels als een acceptabele oplossing voor mannen die geen stijve (meer) kunnen krijgen én hun verveelde bedpartners. Maar er is een schaduwzijde. Pfizer voert al jaren een agressieve campagne voor het middel, waarbij de nadruk steeds meer komt te liggen op jonge gebruikers. Hoe heeft viagra onze seksualiteit veranderd?
De onzekere man
De campagne van Pfizer was van meet af aan gewiekst. Dat begon al met de naam: die werd gekozen om de associaties met ‘viriliteit’, ‘vigeur’ en de watervallen van ‘Niagara’. Stoere taal voor een gênant probleem. Ook wisten de marketeers van Pfizer donders goed dat het onderwerp seks in Amerika gevoelig ligt. Ze voorzagen heftige kritiek vanuit conservatieve hoek. Daarom legde het bedrijf in eerste instantie de nadruk op viagra als reddingsmiddel voor gestrande huwelijken.
Een vroege advertentie toont een ouder stelletje in het midden van een romantische tango, met als onderschrift: ‘Laat de dans beginnen’. Met die boodschap probeerde de farmaceutische gigant kerken en de religieuze middenklasse voor het middel te winnen. Het schimmige imago van de seksindustrie moest koste wat het kost verre worden gehouden. Impotentie was een medische aandoening, benadrukte Pfizer, viagra een respectabele oplossing. Ondertussen verschenen reclames voor het middel op televisie tijdens de grootste sportwedstrijden van het land.
In 1998 huurde het bedrijf Bob Dole in voor een commercial. Dole was een gerespecteerd politicus – de Republikein die de verkiezingen had verloren van Bill Clinton. In het filmpje, terug te zien op Youtube, sprak de man openhartig over zijn erectieprobleem (‘Moed. Iets wat talloze Amerikanen delen…’). De reputatie van Dole als een brave huisvader kwam het beeld van het middel ten goede.
Maar de reclame had een dubbele bodem. De affaire van Clinton met zijn secretaresse Monica Lewinsky was kort daarvoor uitgebreid in het nieuws geweest. Het contrast kon nauwelijks scherper: een liegende (maar viriele) president verscheen op televisie naast een openhartige (maar impotente) verliezer. De onderliggende boodschap: wie wil je liever zijn? Een sterk staaltje mixed messaging van Pfizer. De strategie werkte. Conservatieve kritiek op het middel bleef uit. De enige kritiek die volgde, was semantisch. In reclames van Pfizer werd gesproken over de man en zijn ‘partner’, in tegenstelling tot zijn ‘vrouw’. Vroom Amerika was – terecht – bezorgd dat het bedrijf zich daarmee tussen de regels door richtte op homoseksuelen en overspelige heteroseksuele mannen.
Viagra sprak onmiddellijk tot de verbeelding. Ongemak over het nieuwe fenomeen werd bezworen door de verspreiding van flauwe grappen via kettingmails (‘Viagra is net Disneyland voor volwassenen. Je staat een half uur te wachten op een ritje van twee minuten’ en: ‘Wat gebeurde er met de man die zich verslikte in viagra? Hij kreeg een stijve nek.’). Populaire televisieseries als Law & Order, Ally McBeal en Sex and the City wijdden hele afleveringen aan het middel. ‘Ik heb het niet nodig,’ zegt de minnaar van het personage Samantha uit de laatstgenoemde serie, ‘ik gebruik het voor mijn plezier – met zo’n pil op maak ik een raketreis door jouw sterrenstelsel.’ Ongetwijfeld Pfizers product placement, bedoeld om het middel voor vrouwen acceptabel te maken.
Maar de promotie van de pil was voornamelijk gericht op onzekere mannen. De opkomst van het middel was onderdeel van een grootschalige herdefiniëring van sociale problemen als medische aandoeningen. Kaalheid, depressie en lichaamsgewicht werden in de jaren negentig van de vorige eeuw in de Verenigde Staten opnieuw geframed als medische problemen, met farmaceutische oplossingen. Zo kon het dat de seksuele prestaties van miljoenen mannen plotseling het onderwerp werden van analyse, diagnose en behandeling. Hoe treurig het gesteld was met het zelfbeeld van veel Amerikaanse mannen wordt duidelijk in een artikel dat kort na de lancering van viagra verscheen in Playboy: ‘De penis is terug! Na dertig jaar clitoroïde tirannie, miljoenen uren cunnilingus en door batterijen opgewekte orgasmes, biedt viagra eindelijk een terugkeer naar fallocentrische seks en aanbidding van de grote god LUL!’
Niet praten, slikken
Al sinds de oudheid is men op zoek naar een remedie voor impotentie. In de zevende eeuw voor Christus leerden jongens in Mesopotamië versjes op te zeggen tegen de verlammende toverspreuken van boze heksen. Volgens Aristoteles groeide er een afrodisiacum op het voorhoofd van veulens. De Romeinen kauwden – waarschijnlijk tevergeefs – op preistengels. Homerus en Shakespeare noemen in hun werk allebei doornappel (een zeer giftige plant uit de nachtschadefamilie) als mogelijke remedie. Spoelen we door naar de twintigste eeuw: tot diep in de jaren zeventig is de overtuiging dat impotentie meestal een psychologische oorzaak heeft. Naast de normale slijtage van het lichaam door ouderdom worden in die tijd faalangst en schaamte gezien als de grootste boosdoeners. Het advies: ga in therapie.
Tegenwoordig is de consensus dat zo’n 10 tot 30 procent van de gevallen psychologisch van aard is en 70 tot 90 procent fysiologisch. Naar schatting hebben in Nederland bijna een miljoen mannen last van erectieproblemen. Het zou niet alleen gaan om heren op leeftijd: bijna een kwart van de mannen onder de veertig geeft aan weleens moeite te hebben met het krijgen van een stijve. Bij oudere mannen ligt dat percentage rond de 50. Voor die mannen biedt sildenafil een oplossing. Maar de beoordeling van de cijfers is lastig, want veel studies worden direct of indirect gesponsord door de farmaceutische industrie. Impotentie is nog altijd big business. Viagra levert Pfizer jaarlijks meer dan een miljard dollar op. De industrie heeft baat bij het beeld dat impotentie een puur fysiologische aangelegenheid is. Haar devies: niet praten maar slikken.
Maar liefst zeventig 70 procent van de gebruikers koopt het middel illegaal. In 2013 verviel in Nederland het patent op sildenafil, dus er zijn inmiddels generieke versies op de markt. Die zijn goedkoper, maar ook daarvoor is een doktersrecept nodig. Dat lijkt voor veel mannen nog steeds een hoge drempel. In de illegale pillen zitten vaak restanten van amfetaminen en antidepressiva. Om het illegale gebruik tegen te gaan, pleit het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik inmiddels voor vrije verkoop. In Groot-Brittannië werd vorig jaar besloten dat viagra zonder doktersrecept verkrijgbaar zou worden. Inmiddels kan iedere man boven de achttien gemakkelijk aan het medicijn komen, voor ongeveer 6 euro per pil.
‘Als je bedenkt dat vóór de lancering van viagra alleen injecties en implantaten beschikbaar waren, is het wereldwijde succes alleszins begrijpelijk’, vertelt Peter Leusink, huisarts en seksuoloog, aan de telefoon. Viagra is efficiënt en pijnloos. De werking is eenvoudig. Het middel ontspant de bloedvaten in de penis, zodat bij seksuele prikkeling gemakkelijker een erectie kan ontstaan. De werking treedt op na ongeveer 25 minuten en houdt ongeveer vijf uur aan. Na het orgasme verdwijnt de erectie ook weer. Vervelende bijwerkingen zijn er nauwelijks. Hoofdpijn en een verstopte neus worden het meest genoemd. Alleen voor mannen met hartklachten die bepaalde medicijnen slikken, is het middel gevaarlijk.
Zelfs buiten de slaapkamer oogst het middel lof. Franse sportartsen publiceerden onlangs onderzoek waaruit bleek dat de sportprestaties van viagra-gebruikers beter zouden zijn dan die van niet-gebruikers. Door de betere doorbloeding van de longfunctie zou de zuurstofopname groter zijn. Ook zou het middel mogelijk schade aan nierfilters repareren. In 2002 werd ontdekt dat sildenafil kinderen met pulmonale hypertensie (kramp in de bloedvaten van de longen) kon helpen. Een paar jaar later bracht Pfizer sildenafil op de markt onder een andere naam, speciaal voor die patiëntjes. ‘Het draagt allemaal bij aan het beeld van viagra als wondermiddel’, zegt Leusink, ‘Een kuurtje voor van alles en nog wat.’
Sinds de lancering van viagra wordt er regelmatig onderzoek gedaan naar andere medische toepassingen van het middel. Momenteel zijn er wereldwijd zo’n zestig studies gaande of in voorbereiding. Vorige maand staakte het Universitair Medisch Centrum in Amsterdam een onderzoek nadat elf baby’s waren overleden aan een longaandoening. Sildenafil werd in dat onderzoek bij zwangere vrouwen ingezet om de doorbloeding van de placenta te bevorderen en zo de groei van baby’s met een ernstige groeiachterstand te stimuleren. De baby’s stierven na de geboorte. Een woordvoerder van het UMC vertelde aan de Volkskrant dat het er sterk op lijkt dat het toedienen van sildenafil het overlijdensrisico van die kinderen heeft vergroot. In de studie werd een generieke versie van sildenafil gebruikt die niet werd gefabriceerd door Pfizer.
Lifestyle
De Amerikaanse sociologe Meika Loe, schrijfster van het boek The Rise of Viagra: How the Little Blue Pill Changed Sex in America (2004), waarschuwt dat door de opkomst van viagra en internetporno een nieuwe norm voor mannen is ontstaan. Volgens Loe berust die norm op de veronderstelling dat mannen altijd zin zouden hebben in seks en op ieder moment een erectie zouden moeten kunnen krijgen. Viagra heeft een heel normaal fenomeen – geen zin in seks – in feite gepathologiseerd. In het tijdperk van de sekspillen is voor zulke slapheid geen ruimte meer, betoogt Loe. Er ligt een ‘mcdonaldisering’ van mannelijke seksualiteit op de loer.
Die prestatiedruk is venijnig. Loe gelooft dat die weleens zou kunnen bijdragen aan het ontstaan van erectieproblemen zelf. Psychologen weten allang dat faalangst een belangrijke component is van erectieproblemen. Maar ook voor zulke softe overwegingen is in het viagra-discours geen plaats. Recent onderzoek ondersteunt het vermoeden van Loe: steeds meer jonge mannen geloven dat zij een erectiestoornis hebben. ‘Jonge jongens beginnen tegenwoordig vaak aan viagra als ze uitgaan – na een paar biertjes kunnen ze hem niet meer omhoog krijgen – maar als ze een serieuze relatie hebben, zie je vaak dat ze afhankelijk zijn geworden van die pillen’, zegt Peter Leusink. Viagra is een ideaal kapitalistisch product: het schept zijn eigen vraag.
Daarnaast bestaat het gevaar dat mannen die viagra slikken in ontkenning zijn over de onderliggende redenen voor hun impotentie. ‘Ik heb een vaste klant die zijn vriendin niet zo aantrekkelijk vindt’, vertelde een verkoper van illegale pillen vorig jaar aan de NOS. Maar ook andere oorzaken zoals depressie en een negatief zelfbeeld komen regelmatig voor.
De film The Matrix, die een jaar na de lancering van viagra verscheen, speelde met het idee van ontkenning door van de blauwe pil in de beroemdste scène van de film – waarin de hoofdpersoon moet kiezen voor de waarheid in de vorm van een rode pil, of een illusie in de vorm van een blauwe – de pil van ontkenning te maken. Viagra is een quick fix. Alleen al het feit dat het merendeel van de gebruikers in Nederland niet langs de huisarts durft om een recept te halen, wijst erop dat er een grotere psychologische component meespeelt dan de farmaceutische industrie de gebruikers wil doen geloven. Viagra is een succesvolle remedie voor impotentie, maar daarmee is weinig gezegd over de oorzaken.
Dat weten ze bij Pfizer ook. Hun reclamecampagnes zijn steeds openlijker gericht op jongeren. De pil wordt inmiddels aangeprezen als een lifestyle-middel. In de Londense metro waren onlangs grote billboards te zien met daarop de tekst: ‘Firm up your plans for Valentine’s Day.’ In Rusland heeft Pfizer de verpakking van het middel zó herontworpen dat het lijkt op een pakje kauwgom. Handig bij het uitgaan. Het ziet ernaar uit dat het bedrijf de onzekerheden van jonge mannen probeert te exploiteren – en inspeelt op het groeiende recreatieve gebruik.
Met afstandsbediening
Seks na de blauwe pil zal nooit meer hetzelfde zijn. Viagra heeft inmiddels twee concurrenten – cialis en levitra – maar die hebben vooralsnog geen deuk geslagen in de winst van Pfizer. Daarnaast is een scala van medicijnen ontwikkeld voor vrijwel ieder denkbaar seksueel probleem. Er zijn pillen voor mannen die geen zin hebben; pillen voor mannen die te vroeg klaarkomen; sinds kort zijn er pillen te koop die ‘viagra voor vrouwen’ worden genoemd.
De roze pil – verkocht onder de merknaam addyi – is ontworpen om lust bij vrouwen op te wekken. Het middel werd oorspronkelijk ontwikkeld als antidepressivum en is, mede daarom, zeer controversieel. Het medicijn werd liefst tweemaal afgekeurd om de lange lijst bijwerkingen, en omdat niet voldoende kon worden aangetoond dat het gebruik ook daadwerkelijk leidde tot meer zin in seks. In 2015 kwam de dopamine verhogende pil toch door de keuring. Vrouwen voor wie het middel niet de gewenste werking heeft, melden wel dat zij zich minder rot voelen over het feit dat ze geen zin hebben om te vrijen. ‘Die pil is er eigenlijk alleen maar gekomen omdat er druk kwam van vrouwen die ook een pil wilden’, zegt Leusink. ‘In het verleden is veel nadruk geweest op mannelijke seksuele problemen, te weinig op die van vrouwen.’
De blik van mannen is intussen voorbij de biochemie gericht op de robotica. De bionische penis is in opkomst. Er bestaat al een hydraulische oplossing: een geïmplanteerde buis die hard wordt door zich te vullen met water als je knijpt in een pomp bij de balzak. Voor 70.000 dollar heb je hem in huis. Misschien nog spectaculairder is de op afstand bestuurbare penis. Wetenschappers aan de Universiteit van Wisconsin hebben een implantaat gefabriceerd van nitinol, een metaallegering van nikkel en titanium. Het implantaat is hittegevoelig en kan met een afstandsbediening worden verhit. Zo kan de man of zijn partner de piemel besturen.
Giles Brindley was ervan overtuigd dat impotentie een mechanisch probleem is; sindsdien zijn de oplossingen dat ook steeds meer, en de seks mogelijk ook. Critici vrezen dat viagra een bepaalde vorm van seks – waarbij penetratie centraal staat – dominant heeft gemaakt. ‘Viagra heeft stelletjes de kans ontnomen om creatief na te denken over andere vormen van seks, waarbij de man niet per definitie de agenda bepaalt’, zegt Leusink. Brindleys aanpak heeft ongetwijfeld zijn vruchten afgeworpen: inmiddels moeten de eerste viagra-baby’s volwassen zijn. Maar zolang er niet openlijk wordt gesproken over de harde en zachte kanten van seksualiteit houdt de blauwe pil een mannelijke illusie kunstmatig in stand.
© De Groene Amsterdammer
Bron: De Standaard – 18.08.2018
‘Mensen zijn vergif’ ‘Sommige mensen’
Delphine Lecompte en Dominique Van Malder
Hij heeft een zwak voor de onaffe mens, zonder er romantisch over te willen doen. Zij wéét wat het is. ‘Zonder harnas lukt het niet.’ ‘Soms zitten de pinnekes aan de binnenkant.’ Een pas de deux met televisie- en theatermaker Dominique Van Malder en dichteres Delphine Lecompte.Filip Rogiers en Ann-Sofie Dekeyser, foto’s Fred Debrock
Veertig is ze, maar in het najaar liggen haar Verzamelde gedichten in de boekhandel. Tien jaar en zeven bundels (elk goed voor zo’n 100 gedichten) na haar debuut. ‘Een dag niet schrijven lukt me niet. Ik voel me ellendig bij ontspanning. Ik heb geen hobby’s. Ik speel geen fagot.’
Schrijven is ademen. Delphine Lecompte (40) heeft die gedichten nodig ‘om een beetje zelfwaarde te voelen’. Ze kan zichzelf genezen, zegt ze, met een gedicht. Tijdelijk. Dominique Van Malder (42) heelt met acteren. En muziek. In het gevierde tv-programma Radio Gaga lieten hij en Joris Hessels in hun plooicaravan vogels van allerlei pluimage plaatjes aanvragen voor andere vogels met geknakte vleugels.
Ze komen allemaal langs, in de loop van de avond, nacht, ochtend: de demonen, de saters, de katers. En toch is de hemel boven Hellebosch wellicht nooit zo vaak opgeschrikt door gelach. Humor als pantser. Ze zijn er beiden meester in, ze kennen er ook de grenzen van.
Dik en dun
Bij Lecompte zit het in elk gedicht: in kolder gedrenkte ondraaglijkheid. Bij Van Malder zit het in het theater dat hij al twee decennia maakt (met onder meer Studio Orka en Abattoir Fermé), en dezer dagen met de fictiereeks Albatros die hij, samen met Wannes Destoop, schrijft voor Canvas. Het verhaal van elf dikkerds die op dieetkamp gaan naar de Ardennen.
Van Malder: ‘Het begint met grappen en grollen, met mag-het-iets-meer-zijn, maar we komen alle elf onszelf tegen. Vaak ligt er een specifieke gebeurtenis aan de basis van overgewicht. Bij de een omdat hij te weten is gekomen dat hij geadopteerd is, bij de ander omdat hij misbruikt is. Ik las een heftig boek van Roxane Gay: ze werd op haar veertiende verkracht en besliste nadien om zichzelf lelijk te maken door te verdikken. Ze bouwde een pantser rond wat haar is aangedaan.’
Lecompte: ‘Ik begrijp dat heel goed.’
Van Malder: ‘Het is niet altijd zo dramatisch natuurlijk, zeker niet in mijn geval. Bij mij is voedsel een vorm van troost. Ik ben een zeer gulzige mens, op allerlei vlakken. Ik laat me soms te hard gaan. Vroeger rookte ik 2,5 pakjes Bastos per dag. Ik zoog alles eruit wat erin zat. Blijkbaar moet er iets gestild worden in mij.’
Delphine kon altijd al door een ringetje. Nog steeds jaagt een korrel rijst haar angst aan. ‘Bang om te stikken. Ik eet ook altijd alleen. Stiekem. Samen eten vind ik bijna te intiem.’
Bernard, haar hond, gromt onder tafel. ‘Zohra, mijn neurotische naakthond, heb ik thuis gelaten. Ik wilde Dominique niet nodeloos irriteren. Bernard en Zohra dwingen mij om op te staan, hen uit te laten.’
Biedt verder, benevens haar schrijven, nog grond onder haar voeten: haar 85-jarige minnaar, Omer Minnebo. Ex-militair, ex-kroegbaas, kruisboogschutter. ‘We zijn al veertien jaar een koppel.’
Ze komt niet graag onder de mensen. ‘Ik verwacht te veel. Dat ze mij beter gaan maken. Redding. Ik weet dat ik dat niet kan verlangen, en toch. Het ontgoochelt altijd.’ Zenuwlachje, gêne, immer guilt ridden. Om de ontgoocheling voor te zijn, organiseert ze die soms zelf.
‘Ken je dat? Dat je je woede richt op mensen die het echt niet verdienen, mensen die je graag zien? De eerste jaren dat ik met Omer samen was, heb ik echt geprobeerd om hem weg te duwen. Dat is niet gelukt. Gelukkig.’
Groot, levensreddend, was het moment waarop ze ontdekte dat ze gelezen werd, dat mensen haar gedichten waarderen, begrijpen zelfs.
Lecompte: ‘Soms sturen mensen handgeschreven brieven naar mijn uitgeverij. Ik ben er altijd heel blij mee, maar heb nog nooit teruggeschreven. Want ik zal altijd minder interessant zijn dan mijn gedichten. Op het podium ben ik de betere, meer baldadige versie van mezelf.’
Mensen raken is ook bij Dominique een fond de commerce. Radio Gaga slaagde er beter in dan hij vooraf had kunnen denken.
Van Malder: ‘Blijkbaar hebben mensen nood aan troost, erkenning, flitsen schoonheid. Het doet deugd om te zien hoeveel warmte en liefde er nog is. Maar aan de andere kant, toen we uitzonden vanuit het asielcentrum in Wingene, waren de reacties op het forum van HLN.be zo hard en bot. Of je ziet in de jeugdinstelling van Mol tieners die voor zichzelf geen toekomst zien. Veertien jaar en al einde verhaal? Hoe kun je daar vrolijk van worden?’
‘We kwamen ook op plekken waar men meer bezig was met het dossier van de patiënt dan met de patiënt zelf. Veel van die instellingen worden geleid door een manager. Die komt bij wijze van spreken van Belgacom en doet met mensen wat hij altijd al gedaan heeft met telefonie: de winkel doen draaien, de cijfers halen. Ik heb zoveel fantastische therapeuten, psychologen en andere begeleiders jaren zien vechten tegen dat systeem en eronderdoor zien gaan.’
Lecompte: ‘Ik heb nog in een rusthuis gewerkt. Ik deed het heel graag, maar kreeg onder mijn voeten omdat ik te lang in de kamer bleef waar ik de mensen moest wassen. Die mensen wilden praten, ze moesten een verhaal kwijt. Dat mocht niet. Je moest werken met een chronometer.’
Van Malder: ‘Met onze toneelprojecten in de psychiatrie gebeurde het al eens dat een therapeut zei: je hebt meer uit die gast gehaald dan ik in vier jaar. Dat is fijn, maar ook schrijnend: Joris en ik zijn geen therapeuten. Wij komen theater maken. Wat het wel aantoont, is hoe levensreddend kunst en theater kunnen zijn.’
Zonder dat het creatherapie hoeft te zijn? Er wordt in het reguliere theater neergekeken op sociaal-artistiek werk.
Van Malder: ‘Wat wij in Guislain maken, ís geen therapie, maar het kan wel therapeutisch werken. Niet alleen voor de patiënten en de begeleiders, ook voor mij. Het heeft veel te maken met troost. Of je dat nu regulier of sociaal-artistiek theater noemt, het gaat in se over hetzelfde: een goed verhaal vertellen met een fijne groep mensen. Kunst is voor elke kunstenaar een vorm van therapie. Ik ken veel acteurs die, mochten ze niet spelen, ook ergens binnen zouden zitten.’
‘In de theaterwereld heeft men het altijd over de noodzaak die er moet zijn. Wel, bij psychiatrische patiënten voel je pas echt de noodzaak om eens iemand anders te mogen zijn dan zichzelf.’
Was de poëzie voor jou redzamer dan de psychiatrie?
Lecompte: ‘Ik kwam verwoest de psychiatrie binnen en ging er nog verwoester buiten. Ik heb er wel genoten van het contact met de anderen. Iedereen zit daar samen: weeskinderen, ex-hoeren, bipolaire vissers…’
Bipolaire vissers?
Lecompte: ‘Ja, uit Knokke. Ik verzin dit niet. Ik heb mij daar toen te veel genesteld. Het was wij, geblutste mensen, tegen de verpleging. We stalen onze dossiers en lachten ons kapot met wat we daarin lazen. Hoe ver ze ernaast zaten. Er was een dierenasiel vlakbij. Ik ging ’s middags wandelen met de honden, ik denk dat ik daar meer aan heb gehad dan aan wat ze mij in de psychiatrie aanreikten – pillen vooral. Al heb ik er wel badminton leren spelen.’
Van Malder: ‘Ik ben ook vatbaar voor… Laat me zeggen dat ik om de twee weken naar een therapeut ga. Ik heb jarenlang, sinds mijn puberteit, erge nachtmerries gehad, paranoïde dromen. Drie à vier keer per week. Ik slaapwandelde niet, ik slaaprende, een keer bijna van het balkon af. Ik heb pas later beseft dat dat gestopt is toen ik toneelschool ging doen. Kan kunst niet genezen, ze kan op z’n minst bezweren, en ik wil daar niet ironisch of minimalistisch over doen. Laat er in het dagelijkse leven alsjeblief vooral wat meer poëzie zijn, in alle betekenissen van het woord. We zijn toch zo braaf met z’n allen, meer begaan met de deadline van onze belastingbrief dan met wat we zijn of voelen. Ik houd van een Herman Brood die zijn treinticket betaalde met een schets. En zijn belastingen met drie schilderdoeken.’
A.u.b. geen romantiek
Wat je krijgt, als je het leven ad fundum leeft: échte kunst. ‘Pijn is echte pijn, plezier is echt plezant’, schreef De Standaard over Chasse Patate van Studio Orka. De gedichten van Delphine Lecompte brengen een mens, volgens haar collega Carmien Michels, ‘op de rand van het ongemakkelijke, het beschamende, het perverse en het absurde’.
Het publiek krijgt er de vrucht van, de kunstenaar het applaus. Maar ermee leven doet de kunstenaar alleen.
Van Malder: ‘Het kan geen pretje geweest zijn om Brood te zijn. Of Charles Bukowski. Die heb ik met heel mijn hoofd en lijf gespeeld (in BUKO van Abattoir Fermé, red.). Ik weet wel waarom ik over zo iemand een voorstelling wil maken. Ik ken de roes zelf ook goed.’
Lecompte: ‘Noem mij gerust de Vlaamse Bukowski. (lacht) Het kan te fel worden, zo hard als alles altijd binnenkomt. Dat tracht je dan al eens uit te schakelen. Alcohol en Xanax dempen de prikkels. Ik mag mezelf daar niet te veel mee verwennen.’
En als het dempen niet lukt?
Lecompte: ‘Dan blijf ik wakker en zwerf ik weer rond op straat. Kom ik ongetwijfeld weer interessante mensen tegen, maar ook minder goede mensen. Zoals vroeger. Ik was zo rusteloos, dag en nacht. Ik heb vele kilometers afgelegd, in verhoogde staat van gevoeligheid. De kunst bestaat erin om te verdoven zonder alles uit te vlakken. Ik verplicht mezelf soms om wat onrust toe te laten. Ik kan genieten van slaapgebrek omdat ik me dan lichtjes paranoïde ga voelen, wat mijn gedichten ten goede komt. Maar dat gevaarlijke leven van vroeger? Nee, ik ben blij dat het achter de rug is. Dat er nu toch een heel klein beetje stabiliteit en veiligheid is. Het is te droevig geweest. De marginaliteit is niet iets om romantisch over te doen.’
Van Malder: ‘Absoluut waar. Ik heb in mijn familie ook zaken gezien die ik als kind niet had moeten zien. Wat alcohol met mensen doet. Ik kom uit een arbeidersgezin, mijn vader stamt uit een gezin van elf kinderen, mijn moeder van vijf. Er zat van alles tussen, van topchirurgen tot wrakken van mensen. Een tak van de familie is echt De helaasheid der dingen. Prettig was dat niet, maar het heeft me wel gevormd. Het verklaart waarom ik een voorliefde heb voor wat ik in mijn theaterwerk blijkbaar moest opzoeken: de onaffe mens, de marge.’
‘We hadden het niet breed thuis. We zijn met ons gezin maar één keer op reis gegaan, naar Benidorm, ik was twee jaar. Mijn ouders werkten in de Philips-fabriek in Dendermonde. Ze verloren hun job toen ze 50 en 45 waren. Mijn moeder heeft nog even in rusthuizen gewerkt, mijn vader deed klusjes. Ik heb hen zo hard zien werken voor geen geld, dat ik dacht: ik wil vooral mijn goesting doen. Mijn broer reageerde heel anders op die afkomst. Hij nam zich voor om véél geld te verdienen. Dat is goed gelukt, hij zit in de wereld van de accountancy.’
Dankt niet elke kunstenaar de ongelukkige jeugd?
Van Malder: ‘O, maar ik heb best wel een warme jeugd gehad. Er was alleen die geremdheid, de nederigheid van the common people. Ik ging Latijn-Grieks doen, mijn vader zag dat niet zitten: “Allez jongen, dat is voor dokterskinderen.” Theater? “Ben je gek?” Altijd maar “Dat is niets voor u.” “Te hoog gegrepen.” Nu ik zelf vader ben, besef ik dat het vooral draait om je kind steunen in wat het doet. Dat hadden mijn ouders toch een tikkeltje meer mogen doen.’
‘Gek, maar ik heb theater nodig gehad om dichter bij hen te komen. Voor mijn eindwerk aan de toneelschool heb ik mijn ouders geïnterviewd. Dat was helend. En met Studio Orka heb ik een stuk gespeeld waarin ik mij spiegelde aan mijn vader. Hij is nooit komen kijken. Jammer. Hij had er veel in herkend, misschien had het hem zelfs kunnen helpen.’
Werd toneel een manier om met je vader te communiceren?
Van Malder: ‘Zoveel mensen zijn op zoek naar bevestiging van hun vader. Je wacht op dat schouderklopje: dan toch nog, goed gedaan. Je hoopt te kunnen zeggen wat je in het dagelijkse leven niet kon.’
Lecompte: ‘Ik probeer altijd in mijn gedichten te communiceren met mijn vader, maar hij is er bang van. Hij leest ze niet. Vindt ze pijnlijk, hij wil niet dieper gaan. Met mijn moeder heb ik wel het idee dat ik dankzij die poëzie toch een en ander heb kunnen bespreken.’
Nochtans heb je haar in je poëzie genadeloos afgeschilderd.
Lecompte: ‘Ik ben lang boos op haar geweest. Je wil natuurlijk een koesterende moeder en dat is ze niet echt geweest. Ze had het te druk met mannen verslinden. Maar aan de andere kant, ze was een persoonlijkheid: kleurrijk, vurig, intelligent. Ik heb mijn ouders eigenlijk pas leren kennen toen ik negen was. Ik ben opgevoed door mijn grootouders. Ze hadden veel Russen in hun bibliotheek staan. En Reve en Céline. Álles lag daar. Een groot geschenk. Mijn grootvader zat altijd aan het hoofd van de tafel te lezen. En ik schreef een roman. Zeven jaar was ik, ik heb er twee jaar aan gewerkt. Boxer en de diamanten steen. Er kwam een rode muts in voor die sprak. En een eekhoorn, een boxerhond en ik.’
Jezus met tetjes
Als kind was je een ‘outlaw’, zei je eens.
Lecompte: ‘Ik was een buitenbeentje, maar had wel vrienden. Ik had een makkelijk mikpunt kunnen zijn, want ik was een beetje raar. Maar ik durfde een grote mond op te zetten, te schoppen tegen de meesters.’
Van Malder: ‘Ik was altijd nogal expressief. En grappig. Reden waarom ik er ook altijd werd uitgepikt voor toneeltjes. Zoals die keer dat ze een Jezus zochten. Maar ja, ik was toen al dik. Ik hing aan een kruis, de leraar raakte mij aan en zei voor heel de klas: “Kijk! Een Jezus met tetjes.” Dat was mijn eerste publieke optreden. Toen dacht ik: wacht maar, van deze Jezus met tetjes zul je nog horen. Humor en taal waren mijn redding. Maar je zult maar eens een kleine zijn die zich niet kan verdedigen. Vreselijk.’
Lecompte: ‘Omer is een heel mooie mens. Hij zou alles weggeven. Hij praat met iedereen. Hij houdt ook echt van mensen. Ik zeg soms tegen hem: “Pas toch wat op, Omer. Mensen zijn vergif.”’
Van Malder: (schrikt) ‘Sommige mensen zijn vergif.’
Lecompte: ‘Natuurlijk. Het is eigenlijk pas de laatste jaren dat ik leer te genieten van vriendschappen. Vroeger was ik daar nogal trouweloos in, nu koester ik ze meer. Maar toch: ik ben soms bang van mensen. Te weerloos, wellicht?’
Heeft het ermee te maken dat je vertrouwen diep geschonden is?
Lecompte: ‘Erg diep. (lange stilte) Ik ben moeten genezen van de psychiatrie. Er was een nachtverpleger die ik in vertrouwen nam, álles vertelde ik hem, alles wat ik aan geen mens kwijt kon. Hij luisterde. Zoveel aandacht vleit, je wordt eindelijk gehoord. Tot je merkt dat er iets niet klopt: mijn ellende wond hem op. En je voelt je vies, want natuurlijk had ik hem opgezocht. Het seksueel misbruik werd niet erkend. Als ik erover vertelde aan de verantwoordelijken van de instelling, was hun reflex: hoe gaan we dat toedekken. Ze dachten niet aan mij of aan de andere slachtoffers die die zieke man nog gemaakt heeft. Daar ben ik lang bitter over geweest.’
Jullie hebben beiden een zesde zintuig voor de gekwetste mens. Maar leidt het bij Dominique tot mededogen, bij Delphine eerder tot somberte.
Lecompte: ‘Ik neem het mezelf wel kwalijk dat ik alleen met lelijkheid, donkerte en perversies bezig ben. En dat ik altijd zo wroet in het ziekelijke. Dat maakt mij misschien wel tot een buitenbeentje in de poëzie. Er zijn veel dichters vandaag, veel jonge dichters, mooie en ook guitige meisjes. Die trend mag trouwens eens stoppen. Je zal maar een chagrijnige vijftiger zijn die een bundel wil uitbrengen. (lacht) Ik zou soms graag wat frivoler zijn. Het is niet dat ik lijden per definitie interessant vind of dat ik trots ben op dat morbide, neerslachtige in mij en in mijn gedichten. Maar ik ben wel blij en dankbaar dat mijn soort poëzie dan toch ook blijkbaar aanvaard wordt.’
Van Malder: ‘Ook dat zwartgallige kan troostend zijn voor een lezer toch? Het is mij overigens niet vreemd. Ik sta vaak op als misantroop en ga slapen als filantroop.’
Wat zorgt in de loop van de dag voor het kantelpunt?
Van Malder: ‘Een ontmoeting. Of gewoon, mijn job, dat ik spelenderwijs in het leven mag staan.’
Lecompte: ‘Dat heb ik ondanks alles ook. Ik kan erg genieten. Ik loop vaak rond met mijn honden en het is verbijsterend hoe snel mensen bij mij hun hart uitstorten. Als ze nog maar een beetje voelen dat je bereid bent om te luisteren, lopen ze leeg. Ik hoor alles: hun kankers, hun verslavingen, hun kinderen die in de gevangenis zitten. En wat je behalve de wanhoop dan vooral voelt, is die hunker om het eindelijk eens te kunnen vertellen.’
Van Malder: ‘Muziek is het snelste middel om mij getroost te krijgen. In combinatie met alcohol. Onlangs nog, ik was gehaktballetjes aan het draaien, ik was moe en in een melancholieke bui. Ineens passeert ‘De verzoening’ van Frank Boeijen. Heb me lief, heb me lief, heb dit lichaam lief. Bemin mij, bevrijd mij van het duister in mijn hoofd, mijn straat loopt hier dood. Baf, dijkbreuk!’
Lecompte: ‘Het kan zo zalig zijn om je er nu en dan eens in te wentelen.’
Van Malder: ‘Samen zwelgen af en toe, moet kunnen. Elkaar eens goed vastpakken, ook.’
Mag het nog? Je hoort het weleens in de aftermath van #metoo, dat ook in de theaterwereld huishield.
Van Malder: ‘Auwch. Zoals in elke sector: waar macht is, is er misbruik. Als je in de toneelschool van slechte wil bent, kun je erg in de fout gaan. Je werkt met jonge mensen en theater is intensief, fysiek en mentaal. Vreselijk om dat te misbruiken. Maar er is ook een andere kant aan het verhaal: vergelding. Iemand die iemand beschuldigt met wie hij of zij twee jaar een relatie had. Ik wil het niet minimaliseren, maar de nuance was de afgelopen tijd weleens zoek. Op den duur voel je je schuldig bij een mop die je al dertig jaar maakt. Een flauwe mop, daar niet van.’
Lecompte: ‘Ik heb niet zo’n probleem met mensen die eens knijpen in een bil van een secretaresse. Sorry, ik blijf dat onschuldig vinden. Er zúllen wel vreselijke dingen gebeurd zijn en ik wil zeker niet zeggen dat al die slachtoffers overgevoelige vrouwen zijn, maar…’
Van Malder: ‘Eigenlijk is het heel simpel. Als je iets doet waarmee je de ander pijn doet, letterlijk of figuurlijk, heb je een probleem. Zoals zangeres Petra het ooit mooi heeft verwoord: Jij bent zo mooi, zo mooi. Kijken mag, maar aankomen niet.’
Lecompte: ‘Petra zingt zelf toch: Jij daar, ik wil je! Dus zij mag wél de mannen eruit kiezen? Ik heb het er moeilijk mee. Moet ik Woody Allen nu fout vinden? Ik blijf fan. Mag ik Lucebert nog goed vinden, nu we weten dat hij fout was in de oorlog? Nog zoiets.’
Te kakken zetten
Bernard wordt onrustig. ‘Omer!’, roept Delphine berispend. Een verspreking. ‘Oew, dit verraadt veel’, zegt Van Malder. Ze lachen. Pijn is echte pijn, plezier echt plezant. Op die slappe koord dansen we de nacht in.
Lecompte: ‘Bij Omer voel ik me veilig. Het moet niet altijd zo diep gaan bij hem. Hij is trots op mij, maar houdt niet van mijn gedichten. “Zo raar,” zegt hij, “en dat rijmt niet”. (lacht) “En die obsceniteit altijd!”’
Van Malder: ‘Blijkbaar herkent hij toch iets in jou wat hij nodig heeft?’
Lecompte: ‘Ik heb een zekere zachtheid in mij, die hebben we gemeen. En onze humor. Omer kan heel gemakkelijk zichzelf zijn bij mij en ik bij hem. Er is een soort luchtigheid tussen ons waar ik me aan laaf. Het harnast.’
Van Malder: ‘Zoals humor. De donkerste mensen zijn vaak ook de grappigste. Het is een manier om met de heftigheid om te gaan, ook wel om je erachter weg te steken. Met jezelf lachen om het er vooral niet over te moeten hebben. Een harnas, maar er zitten ook pinnekes aan de binnenkant natuurlijk.’
Hannah Gadsby kondigde in haar laatste show aan dat ze stopt met comedy. Ze is lesbisch, volslank en ze heeft daar zelf vaak mee gelachen. Nu heeft ze er genoeg van. ‘Weet je wat zelfspot betekent als het van iemand komt die zich toch al in de marges van de samenleving bevindt? Zelfvernedering.’
Van Malder: ‘Ik heb daar met Griet Op de Beeck een mooi gesprek over gehad. Zij zei: “Je moet echt eens stoppen met jezelf zo te kakken te zetten.” Ik doe het al minder. Want inderdaad, als je zélf gaat lachen met je dikke buik, staat er voor de ander ook geen maat meer op.’
Lecompte: (na een lange stilte) ‘Ik denk dat ik mezelf toch redelijk goed bewaak als ik op een podium sta. Ik heb niet de indruk dat ik mezelf te veel prijsgeef of verneder in een gedicht. Als ik het in een goede vorm kan gieten, kan en mag ik alles gebruiken uit mijn verleden. Ik waak er wel over dat ik niet sentimenteel word, niet wanhopig ga klinken. Gedichten mogen zeker geen – of toch niet alléén – verwerking zijn van wat ik heb meegemaakt. Soms waak ik er te veel over. Ik durf heel moeilijk teder zijn in mijn gedichten. Ik zal mezelf snel corrigeren als ik iets vriendelijks schrijf over Omer.’ (lacht)
Als iets te mooi, te lief wordt, sla je het kapot?
Lecompte: ‘Ik heb nog altijd dat zelfdestructieve, ja. Daan heeft mij gevraagd om een liedjestekst te schrijven. Dat vond ik zo’n eer, wow. Maar dan is er dat stemmetje in mij dat zegt: ik ga mezelf saboteren, ik ga opzettelijk een slechte tekst schrijven.’
En? Is het slecht?
Lecompte: ‘Ja! (lacht) En Omer heeft me nochtans zo goed geholpen. Met het ritme vooral. Een-twee-drie-vier, een-twee-drie-vier.’
Waarom zegt die stem in jou: het mag niet goed zijn.
Lecompte: ‘Het heeft iets bevrijdends. Het idee dat je altijd alles kunt weggooien en volledig opnieuw beginnen. Een tijd geleden is mijn huis uitgebrand. Dat was een tabula rasa van moeten. Ik kan het iedereen aanbevelen.’
‘Ik ben al wel de dichter die ik wil zijn, maar nog niet de persoon die ik wil zijn’, zei je eens. Wie wil je dan zijn?
Lecompte: ‘Ik had moeder willen worden. Ik heb daar jaren over gerouwd, ik kon niet naar babyborrels gaan. Tegelijk schrikt het mij af. Ik zou een moeder zijn die zich op haar kind stort, het tegen álles wil beschermen, niet gezond.’
Van Malder: ‘Ik ben acht jaar vader en het verandert je wereld compleet. Je kunt minder tegen de hardheid, je wil liefst een warm dekentje breien, welja. Ik wil Jack behoeden voor het lelijke, maar tegelijk wil ik ook dat hij de mannelijke Pipi Langkous mag zijn. Hij weet in welke wereld we leven, hoor, hij woont in Brussel. Dat de wereld hard is, dat mag worden benoemd. Maar tegelijk wil ik hem zo lang mogelijk in Sinterklaas laten geloven.’
Heb jij lang in Sinterklaas geloofd?
Lecompte: ‘Niet lang genoeg. Een ouder nichtje verklapte het mij toen ik vijf was. Ik heb toen rel geschopt in De Panne. Het was Sinterklaasfeest en het viel mij op dat die vermomde volwassene héél lief was voor de kindjes van dokters en commerçanten. De kindjes van de vierde wereld kregen onder hun voeten. Ik vond dat zo onrechtvaardig en ik heb toen luid geroepen: Sinterklaas bestaat niet!’
Van Malder: ‘Dat meen je niet? De Sinterklaasverklikster van De Panne, jij?’
Lecompte: ‘Toch wel. En je wíl er zo graag in geloven, nochtans.’
Van Malder: ‘Ik zet nog mijn schoen. Het is de eerste leugen waarmee je als kind geconfronteerd wordt. Je weet dat het niet waar is, maar laten we ons alstublieft nog wat amuseren met te doen alsof. Tiens, dat is een beetje de definitie van de liefde.’
Lecompte: ‘Ik hou van Jezus. Mag ik dat zeggen zonder mij te hoeven schamen? Ik hou echt van Jezus. Zoals ik troost vind in religieuze poëzie, John Donne bijvoorbeeld. Ik hou ook erg van de katholieke liturgie, van Caravaggio en de Annunciaties. Ik heb altijd nogal gemakkelijk contact gehad met God.’ (ze schaterlacht, zoals wel vaker als ze iets bloedernstig meent)
Van Malder: ‘Geef je mij zijn nummer eens? Ik hou ook wel van het ritueel. Ik ben een zware abdijfan. Vroeger zag ik erg graag Jezus-films. Zijn speeches, dat was ook theater. Mijn vader was diepgelovig, maar dat was uit pure angst. Onze living was een halve kapel: 30 Jozefbeelden, 30 Maria’s. Dat Afrit 9 daar nooit gepasseerd is.’
Jouw devotie heeft niets met angst te maken?
Lecompte: ‘Nee, wel met het verlangen naar betekenis. Zelfkastijding ook. En wat komt er na de dood? Daar zit ik mee in. Ik heb toch al veel op mijn kerfstok.’
Van Malder: ‘Wat stel jij je voor bij het hiernamaals?’
Lecompte: ‘Nachtmerries. Ik ben bang in het vagevuur te moeten verblijven.’
Van Malder: ‘Je zult er niet alleen zitten.’
Wat wil je opbiechten?
Lecompte: ‘Waar zal ik beginnen? Wat durf ik kwijt? Wat is nog min of meer aanvaardbaar? (ernstig) Diefstal? Dat vind ik niet zo erg. Ik heb nooit van armen gestolen. Ook niet van mijn beste vrienden. Of toch. Als ik een conservenblik erwten en wortelen kan meepikken, zal ik het niet laten. Ik leg thuis een voorraad aan. Ik kan voor de kast staan en naar die blikken staren: wow, wat een luxe! Toen ik 23 was, heb ik deeltijds in de Carrefour gewerkt. Op het einde van de maand had ik niets meer. Ik ben als de dood voor armoede.’
Dominique, wat knaagt aan jouw geweten?
Van Malder: ‘Ik heb de moeder van mijn zoon verlaten. Plots. Niemand had zoiets van mij verwacht, ikzelf zeker niet. Ik ben iemand die zich ten dienste stelt van anderen, en toen koos ik voor het eerst voor mezelf. Ik was, bij wijze van spreken, 30 jaar vegetariër en bestelde ineens een biefstuk. Ik was zwaar verliefd op een ander. Dat is jaren blijven knagen. Dat schuldgevoel. Het heeft er danig ingehakt dat ik de liefde vandaag moeilijker vind dan voorheen. Relaties en ik, het is wat. Ik geloof heel hard in de liefde, maar de droom van het samen ouder worden, heb ik stillekes aan naar de vuilnisbak verwezen, vrees ik.’
‘Een wederkerend refrein in mijn relaties: ge zijt verliefd op uw werk. Ik hoor dat al 20 jaar. En ik ben het beu dat te horen, ook al hebben ze een punt. Ik zou niet de mens zijn die ik was als ik mij niet zo totaal investeerde in dat werk dat ik geen werk wil noemen.’
In je werk ben je erg empathisch. Ooit te horen gekregen dat je met God en klein pierke begaan was, maar niet met je directe naasten?
Van Malder: ‘Herkenbaar, ja.’
De stiltes worden langer, de lach wranger. Tot er alleen nog maar muziek weerklinkt in Hellebosch. ‘And you can have it all, my empire of dust. I will let you down, I will make you hurt.’
Van Malder: ‘Johnny Cash. Groot kunstenaar en dat kwam ook niet uit het niets. Je zult als klein jongetje maar een vader hebben gehad die bij de dood van je broer zegt: “Het is de verkeerde die gestorven is”.’
Lecompte: ‘Ik was 14 en al mijn leeftijdsgenoten waren zot op ‘Smells Like Teen Spirit’. Ik wilde alleen maar Manic Street Preachers horen. All we want from you are the kicks you’ve given us.’
Van Malder: (met zijn Radio Gaga-stem) ‘En aan wie wil je dit plaatje opdragen, Delphine?’
Lecompte: ‘Aan mijn mama, natuurlijk.’
Motten vliegen zich te pletter in de lantaarn, de laatste lichtbron, op de sterren na. De nacht breekt aan. De nacht breekt, tout court.
Maar het wordt altijd weer licht.
Bron: De Standaard
Apen apen onze seks op apegapen na
Ik weet dat je in de zoo rondhangt
Terwijl ik op de trein mijn angst verbijt
Tegenover mij zit een onheilspellende man
Vijf minuten geleden zei hij ongevraagd:
‘Ik ben een onheilspellende man!’
Hij leest een Spaanse krant en eet een croissant.
Naast mij zit een psychiater
Een minuut geleden beweerde hij:
‘Ik ben gisteren aan de dood ontsnapt!’ ‘
Welke dood?’ vroeg ik
‘Er is er maar 1’, antwoordde hij snibbig
Daarna negeerde hij me ostentatief
Hij at noch las.
Je bent nu aan de apen beland
Meld je me via de mobiele telefoon
Ze masturberen hun spiegelbeelden
Zoals verdachten die geïdentificeerd moeten worden
Jij ziet hen
En zij doen waar ze goed in zijn.
Ik ben nergens goed in
In reizen nog het minst
Eindelijk aangekomen in de ondergesneeuwde drugsmetropool
Verlang ik niets meer
Alleszins geen roes
Lasagne is goed.
De journalist eet vlug
Alsof zijn onberekenbare neef hem op de hielen zit
Ik eet traag.
Delphine Lecompte