Psychiater Dirk De Wachter over het Imposter Syndrome

‘Soms denk ik: laat me met rust, alsjeblieft. Ik weet het ook allemaal niet’

De Standaard – 17.08.2018

Voelt psychiater Dirk De Wachter zich weleens een oplichter? Dat hij zijn succes niet verdient? ‘Onlangs zei ik in Nederland dat het belangrijk is voor een maatschappij dat ouders goed voor hun kinderen zorgen. Dat werd overal verspreid als een ongelooflijk intellectueel inzicht. Moet je daar dan zo lang voor gestudeerd hebben, vroeg mijn vrouw zich af.’

De grote meerderheid van ons – tot 70 procent zelfs – wordt af en toe overvallen door het gevoel een oplichter te zijn. Het succes dat we hebben, verdienen we eigenlijk niet. Blijken van succes zijn louter geluk. Meer nog: vroeg of laat gaan we door de mand vallen en zal iedereen ons zien zoals we eigenlijk zijn: bedriegers. De Standaard spreekt met tien Vlaamse toppers over het imposter syndrome (oplichterssyndroom), de twijfel en de kritiek. Vandaag: psychiater Dirk De Wachter.

‘Ik vind zelf dat ik regelmatig over het paard getild word. Er worden mij gedachten toegedicht die ik niet heb, en goeroe-achtige eigenschappen toebedeeld die ik niet wil opnemen. Ik heb ook geen antwoord op alle maatschappelijke vragen. Bij mij speelt imposter syndrome dus ook een rol, maar ik vind eigenlijk dat veel succesvolle mensen het best wat meer impostergevoelens zouden mogen hebben. Dat is vaak een blijk van gezonde zelfkritiek. Er bestaat wel een gevaar dat we zouden vervallen van een pretentieuze positie in een slachtofferrol: “Ik kan niks, ik ben niets.” Dat is al even hooghartig, een soort omgekeerd narcisme. Er moet altijd nuance zijn.’

Ervaart u uw succes in de academische wereld anders dan in de media?
‘Dat zijn totaal andere werelden. Aan de universiteit en in het ziekenhuis ben ik maar een kleine garnaal, in de media word ik opgevoerd als een opiniemaker. Ik moet daar bescheiden over spreken, want dat is veel gebakken lucht. Ik stel hier en daar een vraag, en af en toe zijn die vragen relevant. Maar ze hebben grote impact, dat moet ik ook niet ontkennen.’
‘Het zou vals bescheiden zijn om te zeggen dat wat ik doe totaal onbelangrijk en volkomen belachelijk is, maar veel van wat ik zeg is ook maar heel gewoon. Onlangs zei ik in Nederland dat het belangrijk is voor een maatschappij dat ouders goed voor hun kinderen zorgen. Dat werd overal verspreid als een ongelooflijk intellectueel inzicht. Moet je daar dan zo lang voor gestudeerd hebben, vroeg mijn vrouw zich af. Maar goed, blijkbaar moest iemand dat eens zeggen. Mijn gedachtegoed raakt blijkbaar een gevoelige snaar.’
‘Tegelijk verwachten mensen van mij ook de oplossing. “Je zegt dat er iets mis is met de wereld, nu moet je ook zeggen wat we daaraan kunnen doen.” Ik moet altijd herhalen dat ik een psychiater ben, en een psychiater brengt geen oplossingen aan. Ik maak een kader waarin mensen zelf over oplossingen kunnen nadenken. Het doel is om in dialoog nieuwe inzichten te creëren, zowel met mijn patiënten als in de maatschappij.’

Als iedereen zijn kwetsbaarheden en twijfels zou toegeven, zouden we allemaal een stuk beter in ons vel zitten.
‘Dat is ook wat ik overal verkondig. Niet in een emocultuur – in tranen, op tv, voor een miljoen kijkers. Maar ik pleit ervoor om het aan mensen die je vertrouwt toe te geven als je het even niet meer weet, als het lastig gaat, als je het moeilijk hebt. Om de schijn van gelukzaligheid niet hoog te blijven houden, tegen beter weten in. Om geen feestfoto’s te delen op Facebook terwijl je in je bed ligt te huilen. Dan kun je uiteindelijk alleen nog maar eerlijk zijn tegen je psychiater, tegen betaling dan nog. Over kwetsbaarheid spreken werkt verbindend.’

Toch is dat in grote mate taboe.
‘Wat mensen tegen mij vertellen, in de duisternis van mijn praktijk, dat wil ik aan de wereld vertellen. Als mensen mij zeggen dat ze zo eenzaam zijn, dat ze niemand hebben, dan wil ik aan de wereld duidelijk maken dat dat veel voorkomt. Iedereen is beschaamd daarover te spreken. Ik wil, als advocaat van die mensen, spreken over wat ik in mijn praktijk hoor, en zeggen dat dat van belang is.’
‘Ik word zelf ook overrompeld. Soms denk ik: laat me met rust, alsjeblieft. Ik weet het ook allemaal niet. Wat vragen ze mij toch allemaal? Ik heb het soms ook moeilijk met kritiek, omdat ik er snel van uitga dat kritiek terecht is. Ik vertrek als psychiater dan ook steeds van het standpunt van de ander. Als ik een giftige mail krijg, dan schrik ik een beetje. Maar ik vraag me ook af waar die reactie vandaan komt, wat die mens heeft meegemaakt.’

U zegt dat de invloed van geluk niet te onderschatten is.
‘De maakbaarheid van succes is een illusie. Ik pleit voor gewonigheid. Je mag fier zijn op de dingen die je gerealiseerd hebt met hard werken, talent, creativiteit en studie. Wees maar fier, want je succes is zeker te danken aan dingen die je zelf gedaan hebt. Maar weet ook dat er veel geluk en toeval bij komt kijken. It was half my fault, and half the atmosphere. Dat is zo bij mislukking, maar ook bij succes.’
‘Als je veel gerealiseerd hebt, zorg er dan voor dat je met beide voetjes op de grond blijft. Soms ontmoet ik in mijn praktijk heel succesvolle mensen die heel kwetsbaar zijn. Succes heeft vaak een heel hoge prijs. Ik zie mensen die heel eenzaam zijn en bijvoorbeeld hun gezinsleven compleet ontmanteld hebben. Die staan dan zogezegd succesvol in de schijnwerpers, maar ze zijn helemaal verlaten. Dat is een karikatuur, maar ze bestaat wel.’

Is kwetsbaarheid tonen moeilijker voor vrouwen of voor mannen?
‘Imposter syndrome werd ontwikkeld als theorie over vrouwen, die zich vaker zouden wegcijferen, terwijl mannen zich zomaar overal staan te profileren. Dat is later ontkracht en de theorie werd sterk verbreed. Het is ook heel subjectief en dus moeilijk te onderzoeken.’
‘Je zou kunnen zeggen dat vrouwen vanuit een cultuurhistorische achtergrond, en misschien ook wel biologisch, makkelijker toegang hebben tot kwetsbaarheid. Maar we zien ook dat vrouwen in topfuncties net afgerekend worden als ze die kwetsbaarheid tonen. Een vrouw die huilt op een vergadering: dat is fin de carrière. Een man die huilt op een vergadering wordt meteen opgehemeld. We hebben hem nodig! Oh zo kwetsbaar!’
‘Tegelijk zie ik hoe sommige mannen, vanuit de klassieke machogedachte, niet in staat lijken te zijn om enige kwetsbaarheid te tonen. Het is heel dubbel.’

U zei dat succesvolle mensen best wat meer imposter syndrome mogen hebben.
‘Ik pleit voor meer imposter syndrome. Uiteraard bedoel ik niet dat mensen zich slecht moeten voelen en moeten denken dat ze niets kunnen. Maar ik pleit voor twijfel. Je moet jezelf af en toe een spiegel voorhouden en zeggen: komaan jong, je bent toch ook maar een klein ventje. Doe maar gewoon.’

 

Eén regel

Wie verliefd is verkeert in een psychotische toestand en kan geen onderscheid meer maken tussen waan en werkelijkheid. Je gaat helemaal op in jouw realiteit. Voor jou is wat je denkt en voelt levensecht, terwijl je omgeving dat helemaal anders ervaart.
Die omgeving vindt ook dat je vreemd begint te doen. Je gedrag verandert, je motivatie verandert, je hebt last van stemmingswisselingen, en bij wijlen ben je hyperactief, om even daarna de neiging te vertonen stil in een hoekje te willen wegkruipen.
Zo beschreven lijkt verliefdheid wel een ziekte, of op zijn minst een stoornis die je verhindert normaal te functioneren.
Natuurlijk is verliefdheid geen psychotische toestand! Maar het lijkt er wel heel sterk op, en daarom ook dat wie het nooit heeft meegemaakt niet kan begrijpen dat je op dergelijke wijze gaat reageren als je het goed te pakken hebt, en tot over je oren verliefd bent.
Ze zeggen dat het over gaat, meestal na een korte tijd. De hardnekkigste verliefdheid stopt na twee jaar, naar het schijnt…
Als verliefdheid een ziekte is, dan is liefde de genezende kracht, en voor liefde geldt maar één regel, en dit is meteen ook de enige regel waarin ik geloof:


Je zoenen zijn zoeter

Je zoenen zijn zoeter dan
zoeter dan honing en ik vind je
mooier en liever, liever
en aardiger nog dan de koning.
We gaan samen liggen
een eind hier vandaan
we maken van takken
van takken en blaadjes
een vloer en een dak,
dat was onze woning,
of ik was het tuintje
en jij was de tent
daar gingen wij wonen
en blijven en horen
o rep je mijn liefje
ik heb je zo graag
nu of nooit samen slapen
want we zijn er
alleen maar vandaag.

Judith Herzberg

 

 

 

 

Zelfzorg

Je groeit op
met de gedachte
dat je pas iemand bent
als je iets doet
voor anderen.

Later
kom je erachter
dat dit enkel
de perfecte manipulatie is
om je te laten doen
wat die anderen
van je verlangen.

Nu weet je
dat om het even wat
pas goed is
als je het in de eerste plaats
voor jezelf doet.

Micheline Baetens – 17.08.2018

Vrolijke verzen

Vrolijke verzen

Humo’s huisdichter Johan Sebastiaan Stuer ligt nu ook in de betere boekhandel met ‘100 vet vrolijke verzen’: ‘Suïcidaler ben ik er niet van geworden. Rijker vooralsnog ook niet’

Door zijn uitgeverij wordt Johan Sebastiaan Stuer omschreven als ‘een chronisch depressieve levensgenieter’. Maar fijnproever Otto-Jan Ham is een fan: ‘Het moet van Herman Van Rompuys haiku’s geleden zijn dat ik nog zo hard heb moeten lachen om poëzie.’

HUMO Proficiat met uw bundel! Hoe voelt dat?
Johan Sebastiaan Stuer «Om heel eerlijk te zijn voel ik me exact hetzelfde als altijd: existentieel wanhopig, lusteloos, drankzuchtig en een beetje moe. Maar het is natuurlijk wel prettig dat er nu een boekje in de winkels ligt met mijn naam op de cover. Suïcidaler ben ik er niet van geworden. Rijker vooralsnog ook niet.»

HUMO Hoe bent u op het idee gekomen om vet vrolijke verzen te schrijven?
Stuer «Ach, ik doe dat al meer dan twintig jaar, vraag me niet waarom. Uit verveling, denk ik. De jongste jaren gooide ik die versjes op Twitter en op Instagram. Ik vond het allang prima als ik er één of twee likes voor kreeg. Toen de doorluchtige heren Jonas Geirnaert en Guy Mortier me vroegen om huisdichter van Humo te worden, viel ik compleet uit de lucht.»

HUMO Was Humo’s huisdichter worden geen droom die uitkwam?
Stuer «Toch wel. Ik ben al zolang als ik me kan herinneren abonnee. Willen jullie veel groetjes doen aan Dwarskijker? En aan Cornelius Bracke, als die nog leeft?»

HUMO Corneel verkeert nog steeds in het land der levenden, maar heeft sinds zijn 90ste verjaardag wel wat last van zijn prostaat. Hoe begint u aan een vers? Zit u veel op rijmwoordenboek.net?
Stuer «Die website is mij volslagen onbekend. Alle rijmpjes komen rechtstreeks uit de schatkamers van mijn eigen geest. Meestal vertrek ik vanuit één zinnetje, de zogenaamde punchline. Maar het kan ook gewoon een woord zijn. Of een letter. Of een leesteken. Of een witregel. Het komt zoals het komt.»

HUMO En wat als het niet komt? Is het moeilijk om inspiratie te blijven vinden?
Stuer «Nee, hoor. Poëzie ligt op straat, zeg ik altijd. Mijn bundel is het resultaat van selecteren, selecteren en nog eens selecteren. Alleen het allerbeste is goed genoeg voor mijn lezers, wie die debielen verder ook mogen zijn. Maar het boek had net zo goed ‘Vijfhonderd vet vrolijke verzen’ kunnen heten. Alliteratorisch ware dat ook beter geweest. Maar er wordt al genoeg papier verspild, dat hoef ik jullie niet te vertellen.»

HUMO Komt er een vervolg?
Stuer «Wie zal het zeggen? Misschien wil ik eerst mijn cartoonistische vaardigheden perfectioneren. Ik kan totaal niet tekenen, maar ik heb toch al één zelfgemaakte cartoon gepubliceerd. In Humo, jawel. Die cartoon ging over een chassidische hond. Dus dat was lachen.»

HUMO Om even terug te komen op de lezers, voor wie schrijft u uw verzen?
Stuer «Geen idee. Ik heb niet echt een doelgroep voor ogen, als je dat bedoelt. Geld is geld, dus iedereen mag mijn boek kopen. Wat kan het mij schelen welke kleur of geloofsovertuiging iemand heeft? Het zijn toch allemaal rotzakken.»

HUMO Van welke dichter bent u zelf fan?
Stuer «Ik lees eigenlijk nooit poëzie. Dichters zijn zeer vervelende mensen. Telkens als er weer eens een Grote Dichter twintig, vijftig of honderd jaar dood is, wou ik dat hij nog twintig, vijftig of honderd jaar lánger dood was geweest. Dichters kunnen niet dood genoeg zijn, echt waar.»

HUMO Vindt u zichzelf dan ook vervelend? Of ziet u zichzelf niet als poëet?
Stuer «Ik zie mezelf in de eerste plaats als freelance onnozelaar. Zo staat het op mijn visitekaartje.»

HUMO En ziet u uw eigen werk als poëzie?
Stuer «Natuurlijk zie ik mijn werk als échte poëzie. Alleen al om de puristen en de Radio 1-luisteraars op de zenuwen te werken.»

HUMO Wat zijn uw toekomstplannen als freelance onnozelaar?
Stuer «Toekomstplannen heb ik in het geheel niet, want ik geloof niet in de toekomst. Ik leef van dag tot dag. Wat moet ik anders?»

HUMO Ondanks uw ‘onnozeliteiten’ zit er ook wel maatschappijkritiek in uw verzen. Is dat het doel: op een luchtige manier toch zaken aankaarten?
Stuer «Ooit wil ik in een meerstrofig gedicht de voedingsindustrie met de grond gelijkmaken. Ik erger me kapot aan de voedingsindustrie. Maar voor de rest heb ik weinig tot geen maatschappijkritische drijfveren. Als het maar rijmt, weet je wel.»

HUMO Vanwaar die onmin met de voedingsindustrie?
Stuer «Ik ben veganist. Dat betekent dat ik tegen dode dieren ben. Iedereen die het niet met mij eens is, heeft overschot van ongelijk. Ik ben daar heel onuitstaanbaar in.»

HUMO Is de titel van de bundel ironisch? Bijlange niet alle verzen zijn écht vrolijk.
Stuer «Het was eigenlijk mijn bedoeling om de bundel een relativerende ondertitel mee te geven: ‘Gemaakt in een bedrijf waar ook verdriet wordt verwerkt’. Maar voor de cover was hij te lang en we zijn domweg vergeten hem op de titelpagina te zetten.»

HUMO En vanwaar de keuze voor een fictieve 19de-eeuwer als afbeelding bij de verzen?
Stuer «Dat was een idee van mijn ontdekker en vaste voorwoordschrijver Jonas Geirnaert. Hij heeft die afbeelding op het internet gevonden. De ernst op die 19de-eeuwer zijn smoel contrasteert mooi met de soms ietwat banale onderwerpen die ik in mijn verzen behandel. Op het eerste gezicht verwacht je van die man geen poëzie over Beyoncé. Of over rodekool.»

HUMO Wat zijn uw favoriete verzen uit het boek?
Stuer «Moeilijk te zeggen. Het gedicht ‘Samenleving’ vat mijn wereldbeeld vrij goed samen:

Eeuwig branden in de hel
Is stukken minder wreed
Dan meedoen aan ’t gezelschapsspel
Dat Samenleving heet

Of anders misschien ‘Tinder’, een liefdesgedicht:

Ze houdt van ‘Thuis’ en jazzballet
Ik ga wel met mezelf naar bed

Je merkt: voor elk wat wils.»

Johan Sebastiaan Stuer, ‘100 vet vrolijke verzen’, Borgerhoff & Lamberigts

Bron: HUMO

Misschien moet ik mijn knipooggedichten toch ook maar eens laten uitgeven…

Woorden

Niet mensen, maar woorden zijn mijn beste vrienden. De woorden van anderen, mijn woorden, neergeschreven in boeken, gedichten, teksten, interviews, opinies, studies… Niet om naar te luisteren, maar om te lezen. Zelfs bij een lied zal ik eerder naar de tekst luisteren dan naar de muziek. Woorden zijn eten en drinken voor mij. Ze zijn mijn verweer en ze zijn mijn troost.
Wat je leest beklijft. Schrijven is een daad van bevestiging, en daardoor blijft wat je leest veel beter in je hoofd hangen.
Woorden kunnen ook niet vluchten als ze neergeschreven worden, terwijl een gesproken tekst zo vervlogen is. Bovendien zijn de meeste mensen slechte luisteraars.
Vandaar ook dat ik geen amateur ben van voorgelezen gedichten. Een dichtbundel moet op je bureau liggen of op je nachtkast. Zelfs op de keukentafel, alsof het een kookboek zou zijn.
Lezen doe je ook in stilte, één van de weinige dingen die we eigenlijk nog in stilte doen.

Dit

Van alles wat ik schreef
zijn dit het minste woorden.
En tel ze na, het zijn er
nog te veel: zelf houd ik van
mijn mond vol tanden,
het aaien van dit blad, de
woordenschat van mijn
twee handen, het stokken
van mijn adem als ik zeg
dat ik je hier niet kan
vertellen wie of wat ik
voor je ben, omdat papier
me in de weg zit, en ik
het juiste woord niet ken.

Bart Moeyaert

Vooral niet teveel woorden gebruiken, of onnodige woorden, de juiste woorden vooral, het is een hele kunst. Bij schrijven kan je gelukkig altijd wel schrappen, “woorden terug nemen”, en dat is een voordeel op dingen die gezegd worden, want gezegd is gezegd.

Met woorden kan je ook spelen, zoals in dit gedicht, ook van Bart Moeyaert.

Er wordt tegenwoordig ook veel te vlug geschreven, en vooral dingen waar niet lang genoeg kan worden over nagedacht. We hebben email, we hebben skype, we kunnen chatten, sms-en… het is allemaal veel vluchtiger.
Misschien moeten we daarom terug meer brieven schrijven naar elkaar, en dan vooral brieven waar we van moeten willen dat ze de eeuwigheid halen. Brieven waarin elk woord het juiste is, gemeend en oprecht. Brieven met een boodschap, een belofte die gehouden wordt, brieven die onze ware gevoelens weergeven en onze oprechte gedachten. Ook een brief schrijven moet dus een daad van bevestiging zijn, en het bewaren en herlezen waard.
Misschien zoek ik mij wel terug een correspondentievriendje…