Het weer
gaat in herfstmodus
de zon is moe
van al die drukte
en lawaai
des mensen.
Ze rust uit
voor een tijdje
en zet zichzelf
op een laag pitje
zoals ieder van ons
weleens moet doen.
Micheline Baetens – 10.08.2019
Appels en mispels. Over de eersten kent iedereen het verhaal van Adam en Eva, maar mispels zijn veel minder bekend en je vindt de bomen bijna nergens meer. Mijn man was er verlekkerd op , maar ik heb ze nog nooit gegeten. Dit jaar zal het misschien lukken, want mijn boompje draagt voor het eerst vruchten.
Mispels: adembenemend lekker, hebben een laxerende werking en helpen bij menstruatiepijnen!
Mispels zijn oude, Europese vruchten die de laatste jaren een beetje in de vergetelheid geraakt zijn. Vroeger was de mispel algemeen bekend en werd hij in heel veel tuinen aangeplant om bovenstaande reden.
Het waren de Romeinen die ze uit klein Azië naar Europa brachten. Mispels groeien aan kleine, struikachtige bomen. Linnaeus gaf aan de mispel de Latijnse naam Mespilus germanica, omdat hij dacht dat die in Duitsland van nature groeiden. Nu zie je ze nog nauwelijks omdat ze nog maar zelden aangeplant worden. Helaas want in het voorjaar bloeit deze stuik of boompje rijk en is dan beladen met grote witte bloemen die bovendien nog aantrekkelijk geuren. De vruchten zijn in de herfst als ze overrijp zijn bijzonder lekker!
De mispel bevrucht zichzelf, dus zijn twee exemplaren voor de bestuiving en vruchtzetting niet nodig.
Het bijzondere van de mispel blijkt uit het gezegde ‘zo rot als een mispel’. De vruchten moeten inderdaad lang aan de struik blijven hangen; dit komt uiteindelijk de smaak ten goede. Omstreeks oktober kan je gaan oogsten. Heb geduld; laat er eerst een paar lichte nachtvorsten overheen gaan, voordat u oogst. De vorst zorgt ervoor dat het vruchtvlees zacht wordt. Dan nog is het raadzaam de vruchten een tijdje op een koele donkere plaats te bewaren. Het vruchtvlees wordt dan bruin, zacht en zoet. Ze lijken dan wel rot te worden, maar zijn dit beslist niet! De mispel kan nu zo uit de hand gegeten worden, door hem open te breken en het vruchtvlees eruit te zuigen. Een mispel is sappig met een zoetzure smaak. Er kan heerlijke jam of gelei van worden gemaakt.
Bron: Tuinadvies
Het appelboompje (Malus domestica) dat ik verleden herfst geplant heb, begeeft bijna onder het gewicht van de appels. Misschien lukt het binnenkort dan ook om daar eens in te bijten, of lekkere appelmoes van te maken.
Ouders hebben horloges, kinderen hebben de tijd
De Standaard – Peter De Lobel – 08.08.2019
Vroeg of laat knaagt het bij elke ouder. Het is druk, we moeten zoveel, en soms lijkt er nauwelijks echt vrije tijd. Hoe maken we dan nog genoeg ruimte voor de kinderen? ‘Goed naar hen luisteren helpt.’
Hey Peter, jij hebt toch kinderen, hè? En heb jij niet een hele tijd vier vijfde … Ja toch, hè? Perfect. Zeg, wat ik je wou vragen … Zo onschuldig en op kousenvoeten worden opdrachten bij de krant soms aangebracht. In dit geval voor een artikel over hoeveel tijd je als ouder wilt/moet/kunt doorbrengen met je kinderen.
Van die kinderen heb ik er inderdaad twee rondlopen. En dat van die vier vijfde klopt ook. Vaderschapsverlof, ouderschapsverlof, gemotiveerd tijdskrediet, op, op, alles is op. Al toen onze meisjes nog in de conceptfase zaten, vond ik het bijna een evidentie om tijdelijk minder te gaan werken. Gelukkig doe ik dat op een plek waar leidinggevenden er ook zo over denken.
Mijn eerste blik ouderschapsverlof trok ik meer dan tien jaar geleden open toen ze nog erg klein waren. Terugkijkend vond ik dat de gemakkelijkste leeftijd om met hen thuis te zijn. Alles is nog leuk, er wordt nog niet met deuren geslagen, jij bent een held en met een protzoen op hun buik gieren ze het uit. Fantastisch! En zijn ze ziek of hangerig, in wiens armen liggen ze dan beter dan in de jouwe?
‘Er zijn’
Alle kinderen zijn natuurlijk anders, het volstaat om er twee te hebben om dat vast te stellen. Daarom bel ik Johan Meire van het Onderzoekscentrum Kind & Samenleving. Hij schreef het boek Over vrijbuiters en ankertijd, over hoe kinderen en jongeren zelf kijken naar tijd en naar de tijd die ze met je doorbrengen. Hij sprak daarover met eindeloos veel meer kinderen dan ik er in huis heb en vindt die eerste periode de belangrijkste om ‘er’ gewoon te zijn. ‘Als kinderen echt klein zijn of in de lagere school zitten, is bereikbaarheid heel belangrijk. Er moet iemand anders in huis zijn, die ze erbij kunnen roepen als dat nodig is. “Er zijn” kan op verschillende manieren en net die diversiteit vinden ze prettig. Je hoeft dus niet de hele tijd met je kinderen te spelen. Thuiswerken kan ook. Maar als het keihard werken wordt, waarbij je niet gestoord mag worden, daar houden ze dan weer niet van.’
Mooi meegenomen is dat ze dan nog te klein zijn om een vinger in de pap te hebben bij hoe de dag ingedeeld wordt. Als jij beslist dat je samen een leuke wandeling gaat maken in het bos, dan gebeurt dat gewoon. Idem als jij beslist dat het tijd is voor een puzzel, lego, een boek, boodschappen of een doordeweeks museumbezoek om hen wat cultuur in te lepelen. Moet je vijf jaar later niet meer proberen.
‘Je deelt de tijd nu eenmaal in omdat er een hoop dingen moeten gebeuren. Wat zij willen, wordt dan ondergeschikt’, zegt Bruno Vanobbergen, directeur van het Vlaams Agentschap Opgroeien. Ook de momenten waarop je thuis bent en niet op het werk, worden vaak nog altijd gedomineerd door dat werk, zegt hij. Het klinkt verdomd herkenbaar. ‘En op zondag slepen we ze dan mee naar familie, het bos … Ook dát vullen we weer in voor hen!’ Mmmh. Klinkt een pak minder rooskleurig dan die ‘mooi meegenomen’ van zonet. Vanobbergen sust. ‘Ik maak die fouten ook, maar goed naar hen luisteren helpt.’
Dan hebben we het nog niet gehad over die vier andere dagen in de week. En voor wie niet voor minder werken wil of kan kiezen zelfs vijf. Minstens! Dagen waarop de tijd je van ’s morgens al door de vingers lijkt te glippen. Vanobbergen schreef er vorig jaar een treffende blog over. Zijn bottomline: kinderen vragen tijd, daar is weinig romantisch aan.
‘Maar toch is het voor kinderen heel moeilijk om gehoord te worden als het gaat over tijd. Hen een stem geven in maatschappelijke debatten, is een evenwicht dat moeilijk te vinden is. Ik heb het als kinderrechtencommissaris tien jaar lang ervaren. “Waarom zouden we naar hen luisteren, zij zijn nog veel te klein”.’
Taxi Lobel
Luister ik te weinig? Het is toch wat Vanobbergen zegt, er moeten nu eenmaal een hoop dingen gebeuren in een dag. Maar ze vragen inderdaad tijd. Altijd. Ook als jij ziek, moe, bweuh of gehaast bent. Oh! Gehaast! Dat ruiken ze. Dan treuzelen ze met hun eten, huilen ze omdat je ze hebt wakker gemaakt, willen ze stokken en steentjes oprapen langs de kant van de weg terwijl jij gewoon wil voort-maken, willen ze die broek niet aan maar een rok. Of neen, díe rok. Of andersom. Of allebei. Enzovoort, en zo eindeloos voort. Lang geleden, maar het lijkt alsof het gisteren was.
Blij dat ik het destijds opgeschreven heb, want het was duidelijk niet allemaal qualitytime die ik met hen doorbracht. Helpt dat trouwens? Meire lijkt geen grote fan. ‘Qualitytime komt meestal voort uit een schuldgevoel. Dat je op zo’n moment speciale dingen gaat doen, vinden kinderen uiteraard wel leuk, maar voor hen bestaat dat soort vrijgemaakte tijd eigenlijk niet.’
Toen ik een paar jaar later voor gemotiveerd tijdskrediet ging, waren onze meisjes al wat ouder, midden en eind lagere school. Zelfstandiger ook. Veel van wat ik net aanhaalde, ging toen al een pak vlotter. Maar ze kregen wel drukkere agenda’s. Zwemmen, dansen, atletiek, muziekschool, huiswerk, boekenjury. Wat heb ik hier nu aan? Dat vraag je je dan weleens af terwijl je met taxi Lobel van a naar b, c, terug naar a, d, b en e rijdt. ‘Kinderen zijn omnivoren op die leeftijd. Ze willen alles proberen en ze vinden bijna alles leuk’, zegt Meire. ‘Ook wanneer ze zes, zeven keer een activiteit na school hebben, ervaren zij dat niet als drukdrukdruk. Wij wel, maar dat is omdat wij met hen van de ene plek naar de andere hollen.’
Maar wat is dan de beste periode om veel tijd met je kinderen door te brengen? Als ze nog klein zijn? Tussenin? Of later, als tiener en puber? Hebben ze dan niet liever het rijk voor zich alleen, zonder ouders in huis? ‘Als ouder sta je dan plots wat aan de kant, dat klopt’, zegt Meire. ‘Het is geen eenvoudige periode. Ze mogen nog niet alles wat ze zouden willen. Maar toch verwachten ze tegelijk nog de veiligheid die je hen biedt. Hun beoordelingsvermogen staat zacht gezegd nog niet helemaal op punt. Het is dus aan de ouders om grenzen te stellen. Ze zullen daarover zagen en klagen maar het in zekere zin ook appreciëren.’
Mooi. Ik onthoud: luisteren en niet panikeren. Ik bel naar huis. Vanobbergens advies volgen en eens horen hoe zij het zelf allemaal ervaren. ‘Huh? Boeie, papa. Ben jij bijna thuis?’
Peter De Lobel
Nog twee maanden en dan wordt onze “troonopvolger” geboren. Zijn kamertje is al in orde en heeft ook al zijn eerste cadeautjes gekregen.
Momenteel weegt hij twee kilo, moet zich nog wat draaien in de buik van de mama, om de juiste uitgang te vinden, en moeder en kind zijn kerngezond. Ze worden heel goed opgevolgd en begeleid in het UZ Gasthuisberg in Leuven. En de papa ook!
Vandaag brengt David mijn eerste hulpstuk om grootmoeder te kunnen spelen en om die kleine Adonis veilig op te vangen indien nodig.
Bij “gebrek” aan mensen om mij heen, concentreer ik mij dan maar op de dieren in de tuin, en zo heb ik gisteren een libel kunnen spotten, het insect dat het meest tot mijn verbeelding spreekt omdat het zo feeëriek is.
Je ziet ze zelden omdat ze eerder het water opzoeken dan het groen en de bloemen. Vandaar dat men ze ook waterjuffers noemt, wat een heel toepasselijke benaming is, zoals je hieronder zal lezen.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Libellen
Ik heb een foto kunnen nemen en wie goed kijkt ziet ze zitten boven de vlierbessen.
Wat ik dit jaar nog niet gezien heb zijn lieveheersbeestjes. Nog niet één, en dat vind ik wel heel ongewoon en onrustwekkend. Hoe zou dat komen?
Mieren zijn er veel en vlinders ook en natuurlijk spinnen in alle vormen en maten, zowel buiten als binnen. Hommels zitten er ook tussen de bloemen, maar bijen en wespen die blijven blijkbaar ook weg dit jaar.
Komt dat allemaal door die klimaatverandering en hittegolven, of zijn er anderen redenen? De mens misschien, want die is tenslotte voor de meeste wantoestanden in de natuur verantwoordelijk.
Computer leert je stoppen met piekeren
Je gepieker een halt toeroepen alvorens het ontaardt in een depressie. Onderzoekers aan de UGent ontwikkelden daarvoor een computerprogramma dat onze hersenen leert om niet te blijven roeren in de negatieve gedachten.
De Standaard – Jens Vancaeneghem – 07.08.2019
Iedereen piekert af en toe. Geen reden dus om ons dáár zorgen over te maken. Een relatie die op de klippen loopt. Een ontslag. Logisch dat we daar stil bij staan, en ja, in de put zitten. Dat zijn normale gedachten die ons helpen om bepaalde gebeurtenissen te verwerken. ‘Piekeren kan zelfs positief zijn en ons helpen om een oplossing te bedenken voor een probleem of om te vermijden dat we bepaald gedrag in de toekomst opnieuw stellen’, zegt Jasmien Vervaeke, doctoraatsstudente aan de faculteit Psychologie van de UGent.
Tot zover het goede nieuws. Want dat gewoel en gedraai in het hoofd kan bij sommige mensen ook buitensporige proporties aannemen en rechtstreeks richting mentale kortsluiting leiden.
‘Bij haast alle mentale stoornissen is er sprake van gepieker’, zegt Ernst Koster (UGent), hoogleraar klinische psychologie en promotor van Jasmien Vervaeke. ‘Het type gepieker verschilt wel. Mensen met angstproblemen piekeren meer over een mogelijke dreiging in de toekomst. Een ongeval dat de kinderen zou kunnen overkomen, bijvoorbeeld, wanneer ze met de fiets van school komen. Mensen met een depressie denken meer inwaarts: waarom ben ik niet gelukkig?’
Negatieve spiraal
Om te voorkomen dat mensen vast komen te zitten in een negatieve spiraal, heeft de UGent een computertraining uitgewerkt die nu op grote schaal zal worden getest. De proefpersonen moeten binnen de veertien dagen tien sessies van een kwartier vervolledigen. Ze krijgen complexe wiskundige oefeningen voorgeschoteld die niemand foutloos kan oplossen, te meer omdat de tijd beperkt is. ‘Dat is frustrerend en het brengt stress met zich mee’, zegt Jasmien. ‘Alleen door hun aandacht bij de taak te houden en niet stil te staan bij hun fouten, kunnen ze die toch tot een goed einde brengen. We leren hen eigenlijk om die negatieve gedachten te negeren en heel hard te focussen op de opdracht.’
Klinkt eenvoudig, maar volgens Jasmien Vervaeke is een stevige dosis wilskracht nodig om de oefening tot een goed einde te brengen. Het verhoopte resultaat? Hersenen die nadien structureel veranderd zijn om ook in het dagelijkse leven de negatieve gedachten naast zich neer te leggen. Kleinere steekproeven van Vervaeke en haar collega’s tonen dat op zijn minst een deel van de piekeraars geholpen is. De onderzoekster zoekt nu enkele honderden mensen om te achterhalen wie gebaat is bij de training en wie niet.
Nieuw wapen
In ieder geval zijn de eerste resultaten veelbelovend. Een nieuw wapen tegen overmatig gepieker, zo u wil. Nieuw, want de strijd tegen gepieker loopt al langer.
Amerikaans onderzoek toonde enkele decennia geleden al aan dat twee op de vijf mensen dagelijks piekeren. Intussen bieden psychiaters, psychologen en mutualiteiten allemaal cursussen aan om ons van het gepieker af te helpen. ‘Het verschil met ons onderzoek is dat die gaan over de inhoud van de gedachten’, zegt Vervaeke. ‘Hoe je negatief gepieker kan herkennen en er iets aan kan doen. Met onze training willen we bepaalde hersenstructuren versterken zodat mensen vanzelf minder gaan piekeren.’
In een ideaal scenario wordt de training in de toekomst voor iedereen beschikbaar op de computer. ‘De psycholoog zou de training dan kunnen voorschrijven aan mensen die er volgens ons onderzoek baat bij hebben’, zegt Vervaeke.
Wat is het plezantste wat er de afgelopen dagen gebeurd is en waarvan ik genoten heb?
Wel, dat is dat er drie jonge bonte spechten in de boom voor mijn raam zaten, en dat die zich tegoed deden aan de vlierbessen die stilaan beginnen rijpen. Dat was mijn plezantste belevenis het voorbije weekend.
Ik heb ze niet kunnen fotograferen want ze bleven geen minuut stil zitten. Dat is jong he, maar hun vuurrode staart verraadde elke beweging. En roffelen op de bomen konden ze ook al, de aard van het beestje zat er duidelijk in.
Ik ken twee soorten spechten, deze bonte en dan nog de “gewone” met de meer groenachtige veren, die ook veel minder opvalt tussen het loof.
Ik heb deze zomer veel jong volk, kleine vogeltjes, in de tuin gehad, en daar ben ik blij om, want in de winter was er heel wat minder gefladder, ook al hing er eten in de bomen. Ik ben dus blij dat het toch nog altijd goed gaat met hen, en blijkbaar met de liefde en hun gezinnetjes ook.