Ze zitten overal in de tuin en nu weet ik ook hoe ze heten. En net als de lieveheersbeestjes zijn het weldoeners voor je tuin!
Hallo, ik ben een vuurwants.
Ik ben niet giftig ondanks mijn rode kleur.
Niet voor mensen en ook niet voor dieren.
Maar je moet me toch niet opeten, ik smaak niet.
Ik eet ook geen bladeren of andere planten.
Ik verlaat je tuin zoals die is.
Ik voed me met dode bloemen of dode insecten.
Dus ik ben nuttig.
Daarom vind je me vaak in hoeken, waar al het stof en de bloemen door de wind worden weggedragen.
Ik hou niet van andere kevers en heb een lichtzure geur.
Dat ruik je als ik 2cm hardloop.
Dat is de reden waarom katten en honden me niet opeten.
Dus als je van barbecues zonder muggen houdt, zorgt het ervoor dat ik bij je in de buurt leef.
Waar ik ben, zijn geen muggen.
Ik moet toegegeven, ik breng altijd veel vrienden en familie mee, waardoor we altijd in grote groepen verschijnen.
Maar als dat je ons niet stoort, doen we niets.
Ik heb soms ook de kleur “geel” of zonder puntjes helemaal rood.
Wil je me toch weg houden van je huisje?
Berg dan vervolgens een stapel hout op in de buurt.
Er zijn daar duizend hoekjes en spinnenwebben, ik voel me daar goed.
Ik ben er tot tenminste tot eind juni.
Ik heb vandaag het werk van Agnès Varda ontdekt, en ik wil er meer van zien en weten. Dus heb ik ook de DVD over haar leven en werk besteld. Een fascinerende vrouw!
Hieronder een artikel uit de krant De Morgen van 30 maart 2019. Agnès Varda overleed op 29 maart 2019
Teder, rebels en altijd origineel: Agnès Varda, de grootmoeder van de Nouvelle Vague, overleden
Agnès Varda, een van Frankrijks origineelste filmmakers, is in de nacht van donderdag op vrijdag op 90-jarige leeftijd overleden. Ze werkte tot aan haar dood, kreeg in 2018 een ere-Oscar en werd in datzelfde jaar bij die gelegenheid genomineerd voor haar laatste film, de documentaire Visages villages.
De grootmoeder van de Nouvelle Vague, zo werd ze vaak genoemd. Het was een koosnaam die Agnès Varda tot aan haar dood met plezier en trots bleef voeren. “Ik was pas 30 toen ik hem kreeg”, zei ze zelf. “Ik zag er niet slecht uit destijds, dus ik had geen reden om me beledigd te voelen.”
Die familiaire eretitel had dan ook niets met haar leeftijd of uiterlijk te maken. Varda rekende in 1954 als eerste af met de risicoloze kost die toen nog het gezicht van de gevestigde Franse cinema bepaalde. Het expressionistisch gefotografeerde La Pointe Courte was het begin van een revolutie: de film, die een uitgebeend liefdesverhaal combineert met documentaire beelden van een vissersdorpje aan de Zuid-Franse kust, baande de weg voor beeldenstormers als François Truffaut, Claude Chabrol en Jean-Luc Godard. Terwijl de eer van de eerste Nouvelle Vague-film meestal gaat naar Truffaut (Les quatre cents coups, 1959) of Godard (À bout de souffle, 1960), was Varda hun met La Pointe Courte feitelijk dik vijf jaar vóór. Vandaar die door Varda beminde grootmoeders-titel.
La Pointe Courte zou het rebelse vertrekpunt betekenen voor een van Frankrijks oorspronkelijkste en gezaghebbendste cineasten, die in haar werk steeds naar een prikkelende mengvorm tussen fictie en documentaire zocht en voornamelijk haar instinct als leidraad hanteerde. “Je neemt de juiste beslissing, komt op de juiste plek, vindt het juiste beeld via je eigen gevoelens”, zei ze in 2009 in een interview met filmwebsite IndieWire.
Versteende hoofdrollen
Varda gebruikte graag de term cinécriture om haar werk te definiëren. “Ik overweeg en voel de beweging, de perspectieven, de ritmes en de montage zoals een schrijver de betekenis van zijn zinnen kiest, het type woorden, het aantal bijwoorden, paragrafen, terzijdes, de hoofdstukken die het verhaal verder helpen of juist in zijn stroom onderbreken, enzovoort. Bij schrijven spreekt men van stijl. Bij film is de stijl cinécriture.” Aldus Varda, in Bernard Bastides biografie Varda par Agnès (1994).
Varda werd in 1928 in Brussel geboren, als dochter van een Griekse vader en een Belgische moeder. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verhuisde het gezin naar Parijs, waar Agnès als twintiger haar brood verdiende met de fotografie; kinderen, huwelijken, de kerstman die cadeautjes uitdeelde in het warenhuis, zolang het geld opbracht, fotografeerde ze alles. In 1951 werd ze de officiële fotograaf van het Théâtre National Populaire, en via de vaak beroemde acteurs die ze aldaar portretteerde kwam ze voor het eerst direct in aanraking met de Franse filmindustrie. Toen ze zich voor film begon te interesseren, durfde ze aanvankelijk niet serieus aan een loopbaan als cineast te denken. Het script van La Pointe Courte lag al een tijd te verstoffen in een la voordat ze er, op aandringen van vrienden, mee aan de slag ging.
La Pointe Courte, met opmerkelijk versteende hoofdrollen voor Silvia Monfort en Philippe Noiret, werd goed ontvangen maar slecht bezocht. Vooralsnog zag Varda zichzelf niet nog meer films maken; denkend dat het bij haar debuut zou blijven keerde ze terug naar haar fotografiewerk, totdat het Franse toeristenbureau haar vroeg enkele korte promotiefilms te draaien. Een van deze films, Ô saisons, Ô chateaux (1957) werd geselecteerd voor het filmfestival van Cannes, en nadien kreeg Varda de smaak van het filmmaken definitief te pakken.
Zeven jaar na La Pointe Courte realiseerde ze haar tweede lange speelfilm met Cléo de 5 à 7 (1961), een teder, kwetsbaar drama in fijnzinnig zwart-wit, over de twee uur waarin twintiger Cléo (Corinne Marchand) op een wellicht zeer ernstige uitslag van een doktersonderzoek wacht. In die twee uur, die door de film vrijwel van minuut tot minuut worden gevolgd, dwaalt Cléo door de straten van Parijs, ontmoet ze allerlei mensen en probeert ze haar sluimerende wanhoop te bedwingen met zinnen als “zo lang ik mooi ben, leef ik nog”.
Een van de mooiste scènes uit de film is die aan het einde, waarin ze een haar onbekende soldaat ontmoet en de twee een lang, intiem en gelijkwaardig gesprek voeren. Varda, in 1975: “Dit was groots: een man-vrouwrelatie waarbij het niet enkel om de erotiek gaat, en die geen gevecht om dominantie is, geen sociaal spel of een seksistische komedie!”
Als enige vrouw in de Nouvelle Vague-kliek wilde Varda geen “valse man” zijn en films maken die steeds vanuit haar eigen belevingswereld vertrokken. Films ook, waarin de vrouwelijke personages méér aan hun hoofd hadden dan romantiek en liefdesperikelen. “Anders dan met mannen zie je nou nooit eens een film waarin een vrouw zich tot haar werk verhoudt”, zei Varda in 1975. “Als een vrouwelijk personage al een beroep heeft, dan is het als decorateur, of als secretaresse, of in het postkantoor. Haar baan is nooit het hoofdthema van een film.”
Gedurende haar hele carrière merkte Varda hoe lastig het was om geld te vinden voor films die hun vrouwelijke personages serieus behandelden. Cléo kon ze alleen maken “doordat ik een mooi meisje in de hoofdrol had”. Voor het grote publiek was film nu eenmaal vooral entertainment, realiseerde Varda zich. De toeschouwer wil in de bioscoop kunnen dromen, de harde realiteit even kunnen negeren. Dat bepaalde de strategie waarmee ze als feminist te werk ging. “We moeten het vrouwbeeld zeker veranderen. Maar we moeten ook ervoor waken dat we het zo saai aanpakken dat niemand meer wil luisteren.”
Varda, die met de musical L’une chante, l’autre pas (1977) als een van de eerste Franse filmers vraagtekens durfde te zetten bij de vanzelfsprekendheid van het moederschap, trof in de door mannen geregeerde filmindustrie ook haar grote liefde: Jacques Demy (1931-1990), befaamd regisseur van bitterzoete musicals als Les parapluies de Cherbourg (1963) en Les demoiselles de Rochefort (1967). Terwijl er genoeg verwantschap te vinden valt tussen het werk van Demy en dat van Varda – zie alleen al hoe bonte kleuren aan liefdestragiek wordt gekoppeld in Demy’s Les parapluies en Varda’s Le bonheur (1964) – hielden ze hun werk strikt gescheiden. Het ene oeuvre liep pas over in het andere toen Demy stervende was aan aids en Varda met Jacquot de Nantes (1991) een prachtig eerbetoon bracht aan haar geliefde en zijn films.
Steeds weer liet Varda zich inspireren door haar huiselijke situatie, gezinsleden of bevriende acteurs. Na de geboorte van haar zoon Mathieu Demy in 1972 kwam ze enkele jaren nauwelijks aan filmmaken toe, tot ze met Daguerréotypes (1974) een inventieve, Oscar-genomineerde documentaire maakte over haar wijk en buurtgenoten.
Mathieu, die later zelf een bekend regisseur en acteur zou worden, speelde zowel in Documenteur – een van de vier films die Varda in Amerika maakte toen Demy zijn gooi naar Hollywood deed – als in het tedere vrouw-valt-voor-puber-drama Kung Fu Master (1988). Die laatste film koppelde Mathieu aan de 26 jaar oudere Jane Birkin, terwijl ook Birkins eigen dochter Charlotte Gainsbourg en ouders van de partij zijn. Door zo dicht bij huis te blijven voelt Varda’s oeuvre vaak als een warm nest, en waan je je als toeschouwer bijna zelf een gezinslid.Altijd wisselde Varda documentaires af met fictie, en steeds weer zocht ze daarbij naar nieuwe mengvormen van de twee disciplines – “om de boot kalmpjes te laten wiegen, van de ene kant naar de andere”, zoals ze het in 2015 uitdrukte in een interview op Slant Magazine. Zo ook in haar beroemdste en misschien wel beste speelfilm, het in Venetië met een Gouden Leeuw bekroonde Sans toit ni loi (1985), over de laatste dagen van de dakloze, zichzelf moedwillig marginaliserende twintiger Mona. Het fantastische, weerbarstige en hartverscheurend ingetogen optreden van Sandrine Bonnaire – haar doorbraakrol – is ingebed in een onopgesmukte, heldere stijl die de film vaak op een uit het leven gegrepen relaas doet lijken.
Varda was naar eigen zeggen altijd geïnteresseerd in mensen zoals Mona, die er niets aan kunnen doen dat ze anders zijn, of een outsider zijn geworden doordat de maatschappij hen heeft afgedankt. ‘We dragen allemaal een Mona met ons mee. Ieder van ons heeft een vrouw in zich die alleen over de weg loopt. In alle vrouwen sluimert een onverwoorde opstand,’ zei ze in 2009 in een interview met Believer Magazine.
Bloempotkapsel
In 2000 kwam ze ook zelf voor de camera, compleet met het bloempotkapsel dat ze al sinds haar 19de als handelskenmerk droeg. Varda was de persoonlijke, met vingercamera bewapende gids van haar laatste meesterwerk Les glaneurs et la glaneuse, een even sprankelend als tot nadenken stemmend essay over de verspilzucht van de consumptiemaatschappij, en de sprokkelaars die aan de rand van die maatschappij proberen te overleven. Ze ontmoet boeren en de mensen die in het restafval van de markt naar bruikbare groente speuren, kruidenverzamelaars en schelpenrapers, en ook zelf is ze een sprokkelaar in de film – maar dan van beelden. Waaronder extreme, ontroerende close-ups van haar eigen, door het leven getekende, handen.
Toen iemand haar erop wees dat ze precies zulke close-ups ook had getoond in Jacquot de Nantes , zij het dat het toen om de handen van doodzieke echtgenoot Jacques Demy ging, was dat een link die ze zelf nog niet had opgemerkt. “Ik moest ervan huilen, omdat hij me het gevoel gaf dat ik me op de een of andere manier bij Jacques voegde. En ik dacht: gelukkig maar dat ik zo intuïtief werk, want als ik het zelf zo had bedacht, zou ik het toch minder prettig hebben gevonden.”
In 2015 kreeg Varda op het filmfestival van Cannes een Gouden Palm voor haar gehele oeuvre. Tegen die tijd had ze het filmen min of meer naast zich neergelegd; sinds haar speelse zelfportret Les plages d’Agnès (2008) concentreerde ze zich voornamelijk op het inrichten van tentoonstellingen en installaties. “Van een oude cineast ben ik veranderd in een jonge kunstenaar”, zo verwoordde ze het graag. “Na de fotografie en de film is dit mijn derde leven.” Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. In 2017 maakte ze nog de veelgeprezen en vrolijke documentaire-reportage Visages villages, waarin ze met de jonge fotograaf JR door het land trok en zich, zoals ze altijd had gedaan, interesseerde in en verbaasde over een uiteenlopende verzameling mensen die ze onderweg ontmoette. Een mooiere zwanenzang was nauwelijks denkbaar.Varda in vijf films
La Pointe Courte (1955)
In haar debuut vertelt Varda twee verhalen door elkaar die behalve de locatie niets met elkaar gemeen hebben. Ze filmt de vissers in de stad waar ze als kind opgroeide, Sète, aan de Middellandse Zee. Parallel daaraan dralen twee geliefden en binnenkort ex-geliefden of toch niet, om elkaar heen op dezelfde plek: hij afkomstig uit het stadje, zij een Parisienne. Varda ziet er geen been in de geliefden langdurig van achteren te filmen als zij hun gedragen dialogen ten beste geven. Lange camerabewegingen langs knopende vissers en wapperend wasgoed vervolmaken het experiment pur sang dat La Pointe Courte is.
Cleo de 5 à 7 (1962)
De bekendste film van Varda is een schoolvoorbeeld van nouvelle vague-cinema. In bijna real time (de film duurt anderhalf uur) volgen we het doen en laten van zangeres en dramaqueen Cleo, die op een willekeurige dinsdag tussen 17 en 19 uur denkt dat ze dodelijk ziek is, haar haar kamt, een hoed koopt, een café bezoekt, haar vriendin ophaalt en bij het ziekenhuis waar ze uitslag hoopt te krijgen van haar onderzoek een soldaat ontmoet. Varda volgt haar in documentaire stijl en legt een aanstekelijke verliefdheid op Parijs aan de dag. Vier extreem lange sequenties bestaan uit auto-, taxi- en busritten door de stad.
Le bonheur (1965)
Varda’s mooiste speelfilm is een bitterzoete ode aan de liefde en verliefdheid. De poëtisch aangelegde timmerman François kan zijn geluk niet op. Hij is intens gelukkig getrouwd met Thérèse, de moeder van zijn twee jonge kinderen. Hij wordt zo mogelijk nóg gelukkiger wanneer hij op een dag op het postkantoor lokettist Émilie in de ogen kijkt en op slag verliefd wordt. Zoals hij later tegen haar zal zeggen: ‘Thérèse is als een sterke plant en jij bent als een wild dier. En ik hou van de natuur.’ Om het ook aan zijn vrouw te vertellen, kost hem meer moeite. Toch komt dat moment onvermijdelijk, met groot en onverwacht gevolg. Varda geeft zonder te oordelen en met alle filmische middelen die ze tot haar beschikking heeft de kijker evenzovele sleutels in handen voor diens interpretatie. Pastorale, ironie, zedenschets, feministisch pamflet? Le bonheur is het allemaal.
Jacquot de Nantes (1991)
Varda en collega-filmmaker Jacques Demy waren 33 jaar samen en dat moeten gelukkige jaren geweest zijn. Anders zou Varda nooit Jacquot de Nantes hebben kunnen maken. Een liefdevoller afscheid is in de filmgeschiedenis niet gemaakt. Soms voorzien van haar eigen commentaar, soms van dat van Demy zelf, verbeeldt Varda de jeugd van haar in 1990 overleden echtgenoot. Afwisselend in zwart-wit en kleur, vaak doorsneden met fragmenten uit het werk van de eigenzinnige cineast.
Les plages d’Agnès (2008)
Bijna tien jaar voor ze met Villages visages een zeer persoonlijke film maakte, filmde Varda al een wonderschoon egodocument. In Les plages d’Agnès vertelt ze haar leven, bezoekt ze de plekken uit haar jeugd, maakt ze vergeefs een afspraak met Jean-Luc Godard (‘de schoft’), citeert ze uit eigen werk, eert ze de vele goede vrienden die haar al ontvallen zijn (en verbergt ze haar breekbaarheid niet) en betoont ze haar liefde aan de zee (‘overal vergaat de tijd, behalve aan het strand, daar staat ze stil en blijft alles altijd hetzelfde’). De documentaire heeft alles van een afscheidswerk, maar dat is het dus niet geworden.
Ik heb dit artikel op Facebook gevonden over de vogeltjes in onze tuinen. Het is van Dirk Draulans, en ik heb het ter harte genomen, want het is een leerrijk artikel.
Het eten moet dus aangepast worden in de tuin, want wat voor de ene vogel goed is, is dat voor de andere dan weer niet. Ook hier in mijn tuin doen de pimpelmezen het goed en ze hebben momenteel jongen. We gaan er dus goed voor zorgen!
Dirk Draulans
De ene tuinvogel is de andere niet, Geachte Lezers, Beste Vrienden. De pimpelmezen in onze tuinen doen het goed, de koolmezen helaas niet. Roodborsten, vinken en zwartkoppen zitten in de lift; merels, mussen en zanglijsters krijgen klappen. Soorten als groenling en winterkoninkje blijven stabiel. Gisteren zat ik wat te suffen in een zetel in de tuin van mijn moeder, en minder dan een halve meter van mijn voeten kwam een winterkoninkje ongegeneerd een bad nemen in de drinkbak. Dat was een enig gevoel, samen met een drukdoend diertje genieten van de zon.
De trends plukte ik uit de laatste vogelnieuwsbrief van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). Ze kaderen in het project ‘Algemene Broedvogels Vlaanderen’ dat zeventig broedvogelsoorten opvolgt sinds 2007. Het is niet altijd duidelijk waarom sommige soorten het goed doen en andere niet. De merels worden getroffen door een virus – dat weten we. De huismussen zijn het slachtoffer van een reeks veranderingen in hun leefomgeving, inbegrepen het beter isoleren van woonsten zodat ze minder goed onder daken kunnen broeden dan vroeger. Bij mij thuis koloniseren ze nu de ligusterhaag.
Maar waarom de koolmees het slecht doet en de pimpelmees niet is een raadsel. Je zou denken dat beide soorten vergelijkbaar reageren op prikkels uit hun leefomgeving. Hoewel, het zijn verschillende soorten, dus ze zullen wel verschillende overlevingstechnieken hebben, anders zouden ze beter fusioneren tot één tuinmees. Overigens doen onze bosmezen, de kuifmees en de zwarte mees, het slecht tot zelfs zeer slecht. Het mezenverhaal is een verhaal met veel aspecten.
Vorig broedseizoen daagde het besef dat mezen in onze tuinen te lijden kunnen krijgen van overmatig pesticidegebruik in de strijd tegen de buxusmot. Die speelt mensen parten, omdat de rupsen van de mot hun buxusstruiken volledig kaal kunnen vreten. De mot reisde als verstekeling mee met uit China geïmporteerde gekweekte buxussen en is zich als een wervelwind door Vlaanderen (en de rest van Europa) aan het verspreiden. Er is geen houden meer aan, ondanks het sproeien.
De natuurvereniging Vogelbescherming Vlaanderen maakt zich zo ongerust over een eventuele nefaste invloed van dat spuiten tegen de buxusmotrups op vogels, dat ze een onderzoek op poten heeft gezet: het project SOS Mezen. Als mezen systematisch met pesticiden bewerkte rupsen aan hun jongen zouden voederen, is het niet ondenkbaar dat de beestjes sterven.
Als u dode meesjes in een nestkast hebt, vraagt de vereniging dat u ze verzamelt en in uw diepvries bewaart. Ze zal ze komen ophalen voor onderzoek, zodat ze kan pogen na te gaan wat er mis is gelopen. De eerste meesjes worden momenteel geboren, dus het is tijd om alert te zijn. U kunt alle informatie over deze nuttige actie vinden op http://vogelbescherming.be/…/…/campagnes-en-acties/sos-mezen.
Deze week kreeg ik echter ook een intrigerend bericht van lezer August Puystjens, die zich presenteerde als ‘een van de oudste abonnees van Knack’. Zo heb je automatisch een voetje voor bij de oudste redacteur van Knack. Hij signaleerde niet alleen dat hij geen mezen meer in zijn tuin in Oostende heeft, voor het eerst in 34 jaar. Hij signaleerde ook dat een familielid in zijn buurt vorig jaar dode jonge koolmezen in een nestkast had gevonden. De man had ze opengesneden en ontdekte dat de magen van de diertjes ‘vol zaten met onverteerde brokjes van pindanoten’.
Lezer August luidt bijgevolg de alarmklok, en mogelijk terecht. Steeds meer mensen laten in de lente en de zomer vetbollen en netjes met noten voor hun tuinvogeltjes hangen, ongetwijfeld met de beste bedoelingen. Helaas hebben jonge mezen rupsen en andere insecten nodig. Als hun ouders in de fout zouden gaan door het zich gemakkelijk te willen maken en in de plaats van naar rupsen te speuren gewoon pindanootjes uit een netje gaan halen, zouden ze hun eigen broedsucces kunnen hypothekeren.
Ongetwijfeld zal Vogelbescherming Vlaanderen rekening houden met deze optie, net als met eventuele verschillen tussen kool- en pimpelmezen, zodat we mogelijk gaan leren waarom de ene soort het in onze tuinen goed doet en de andere niet. Ik ben nu al benieuwd naar de resultaten. Misschien gaan we er uit leren dat het niet goed is voor sommige vogels om ze in het broedseizoen te blijven bijvoederen. Het is het overwegen waard.
Het verbaast me telkens weer, dat mensen wel weten wat goed voor hen is, maar daar toch niet willen aan toegeven.
Jijzelf
Iemand moet erin
blijven geloven,
en wie beter
kan dat
dan jijzelf?
Micheline Baetens – 21.04.2018Spijtig, want verandering ligt in onze eigen handen. Het volstaat niet om het te willen, we moeten er ook serieus of minder serieus werk van willen maken. Soms wordt ons het mes op de keel gezet, en dan kan het niet anders, maar je wacht best niet zo lang.
Blijf dus niet bij de pakken zitten, want het leven duurt maar even, en onze tijd is te kostbaar om te verliezen aan een gang van zaken waar we niet achter staan, of nog erger, waar ongelukkig en ziek van worden.
Dit is mijn paasboodschap! Verrijs uit de put waarin je in zit, voor het einde definitief is. Je zal hier en daar een obstakel moeten van kant schuiven, en het zal niet altijd zonder tegenwerking gaan, maar het loont de moeite, zeker weten!
Wees gerust, en er zal van jou gehouden worden wanneer je uiteindelijk je eigen keuzes zal maken, ook al denk je nu, dat dit niet zo zal zijn. Van tevreden en gelukkige mensen wordt immers iedereen beter!
Doe mij goed
Doe mij goed
jij
doe mij goed
mij
alsjeblieft goed
zo af en toe
jij aan mij
zo goed.
Ruim een vierde van het aanbod tomaten en sla bestaat vandaag uit speciale rassen. ‘Niemand wil nog massa, iedereen wil smaak’, zegt de tomatenteler met twintig soorten in kas.
De Standaard – 20.04.2019 – Sarah VankersschaeverWe kunnen hem niet bellen, want hij is dood. De Amerikaanse futuroloog en trendwatcher Alvin Toffler publiceerde in 1970 het boek Future shock en introduceerde daarin de term overchoice. Of in het Nederlands: keuzestress. Het is het gevoel dat u overvalt als u in de supermarkt oog in oog staat met vijftien soorten tomaten, tien soorten aardappelen en vijf soorten appels. En – drama – op uw winkelbriefje staat gewoon ‘tomaat, aardappel, appel’.
Hopelijk bent u stressbestendig, want elk jaar komt er in de supermarkt tussen de 5 en 10 procent verse voeding bij, staat in het voortgangsrapport 2018 van het Vlaams Ketenplatform Voedselverlies. In de praktijk betekent het weliswaar dat er links en rechts een aantal producten plaats moet ruimen voor nieuwkomers. Al hoeven de slachtoffers niet altijd op de versafdeling zelf te vallen: Carrefour, bijvoorbeeld, offerde de voorbije jaren in een aantal filialen een stuk van de non-foodafdeling op.
Van zuur tot zoet
‘Vooral ons bio-aanbod groeide van ongeveer 1.000 naar 4.500 producten’, zegt Baptiste van Outryve, woordvoerder van Carrefour, ‘en we blijven uitbreiden. Ook producten zonder pesticiden, zonder biolabel, zijn in trek.’ Bij Colruyt en Delhaize tekenen ze eenzelfde tendens op. ‘We bevragen regelmatig onze klanten en ze geven ons aan dat gezondheid een belangrijke focus is’, zegt Yana Morren, woordvoerder bij Colruyt. ‘In de supermarkt willen klanten daarom een vers, kwalitatief, uitgebreid en authentiek aanbod.’
Bij ‘authentiek’ denken we bijvoorbeeld aan de sla met aardkluit. Al wil Van Outryve (Carrefour) dat consumentenverlangen niet overroepen. ‘Authentiek is in trek, tot er een wormpje op de verse krop sla zit … Dat blijft absoluut taboe, zelfs al is het onschuldig en kun je het er gewoon afwassen.’
Bij de teler Stoffels Tomaten in Rijkevorsel zie je weinig wormen, wel veel bijen en insecten. De vliegende gewasbeschermers waken over een gezonde balans in de serres. Met als handig voordeel: de tomaten die hier geplukt worden, hoef je niet te wassen voor je ze opeet. ‘Onze tomaten gaan rechtstreeks naar de winkel’, vertelt Paul Stoffels. ‘Dat is belangrijk als je focust op smaak.’ Samen met zijn echtgenote Petra Veldman kozen ze de voorbije jaren namelijk voluit voor smaaktomaten. ‘We wilden geen massaproductie meer’, zegt Veldman, ‘omdat die te weinig marktgericht is. De tomatenmarkt is bijzonder volatiel: je kan jezelf overgeven aan de schommelingen of inspelen op de noden ervan.’
Die nood heet variatie. Teelde Stoffels Tomaten vijftien jaar geleden amper drie rassen, dan zijn dat er vandaag ruim twintig. In de serres hangen alle kleuren en vormen, van zoet tot zurig. ‘Om een nieuw ras te lanceren, heb je toch al snel vijf jaar nodig’, zegt Veldman. ‘Je moet de rassen zoeken, testen wat de plant precies nodig heeft en daarna de winkels en de mensen overtuigen dat die nieuwe smaak ook lekker is. In het begin koopt iedereen de tomaat omdat ze nieuw is, waarna je een terugval ziet en pas daarna is ze vertrokken om een breed publiek te bereiken.’
‘We merken dat mensen vooral neigen naar de zoetere tomaten’, vertelt Stoffels, ‘maar het nadeel is dat die sneller hun smaak verliezen en na een week zelfs een rotte toets krijgen. Het is dus geen gemakkelijke zoektocht naar een tomaat die in de smaak valt en toch lang genoeg lekker blijft.’
Romeinse sla
De tijd van ‘groenten om de groenten’ is voorbij: ze zijn geen bijzaak meer. ‘Mensen willen dat hun groenten bijdragen tot de smaakbeleving van het gerecht’, zegt Roel Dekelver (Delhaize). ‘Denk aan rucola, maar ook waterkers, postelein, paksoi, Romeinse sla en little gem.’
Die aandacht voor smaak, variatie en kleur op het bord heeft helaas een keerzijde: telers die zich traditioneel richten op kropsla, krijgen het moeilijker door de dalende vraag. De teelt van kropsla in volle grond is bovendien veel arbeidsintensiever dan die van alternatieve slasoorten, die vaak ook sneller geoogst kunnen worden. De teelt neemt bijgevolg al jaren af (zie grafiek).
‘Producenten spelen op de veranderende voorkeur in en de ontwikkeling naar alternatieve slasoorten neemt inderdaad toe’, ziet ook Katrien De Backer van de veilingassociatie Lava, waartoe onder meer BelOrta, REO en Hoogstraten behoren. ‘Via proeftuinen, die nauw in contact staan met telers en producentenorganisaties, worden nieuwe variëteiten en rassen geselecteerd. Smaak speelt daarbij een belangrijke rol.’
Bij tomaten is evengoed een zachte verschuiving merkbaar (zie grafiek), vooral ingegeven door het succes van speciale tomatensoorten: de aanvoer van losse en trostomaten vlakt lichtjes af, terwijl de aanvoer van specialiteiten zoals kerstomaten en pruimtomaten jaar na jaar stijgt. Wat die gekleurde lijnen ons trouwens nog vertellen: dat we blijkbaar toch best goed weten wat we willen.
Interview Chef-kok Seppe Nobels (Graanmarkt 13)
‘Het lekkerste aan tomaat? De pitten’
Vergeet het wereldnieuws, dit gaat over u en uw tomaat. En de keuzestress die daarbij komt kijken als u verdrinkt in het ruime rode aanbod. Seppe Nobels, de man achter het Antwerpse restaurant Graanmarkt 13 die in 2015 uitgeroepen werd tot Chef van het Beste Groenterestaurant van Vlaanderen, gooit een reddingsboei.
Hoe kiest u er de juiste tomaat uit?
Seppe Nobels: ‘Het begint met de juiste verwachtingen. Van tomaten verwacht ik geen perfectie, zoals ik dat ook niet verlang van mensen. Ze mogen dus een gekke vorm hebben en er mogen schrammen of deuken in zitten. Dat stoort me niet, omdat de vorm niets zegt over de smaak. De geur en de textuur wel, daarom ruik en voel ik aan alle groenten die ik koop.’
‘Een tomaat mag niet voelen als een harde waterbol waarvan het vel op springen staat. De kleur mag ook niet te flets zijn, want dat doet vermoeden dat de tomaat weinig smaak bevat. Ik kies zelf het liefst voor trostomaten en die mogen ook wat meer kosten: een halve euro per kilo is geen eerlijke prijs. Dan liever wat meer betalen zodat de teler loon naar werk krijgt, de smaak beter en de productie ecologischer is. Wil ik een uitgesproken tomatensmaak, dan kies ik voor kerstomaten of tapastomaten, want hoe kleiner, hoe pittiger.’
Bio or not to bio?
‘In de praktijk is de scheiding niet zo duidelijk. Sommige telers hebben geen biolabel, omdat ze niet aan de daarvoor vereiste regelgeving voldoen, maar ze werken wel volgens biologische principes en zonder pesticiden. Daarom zoek ik zelf mijn telers uit: gepassioneerde vakmensen die lokaal telen op een gezonde bodem. Dat kan volle grond zijn, maar ook substraat met natuurlijke elementen.’
Wat met de ‘speciallekes’ zoals coeur de boeuf? Zijn ze meer dan een mooie vorm?
‘Absoluut. Een coeur de boeuf heeft grote kamers, waarin de zaden zitten. Daardoor is het een zeer vlezige tomaat. Ik maak er graag carpaccio van door de tomaat met een snijmachine of een broodmes in flinterdunne plakjes te snijden. Dan afwerken met lekkere olie en verse kruiden.’
Wat doet u met de pitten?
‘Opeten. Ik vind ze het lekkerste van allemaal. Het is een krachtig ingrediënt dat veel te vaak in de vuilnisbak belandt. Ik meng verschillende soorten tomatenpitten met een lekkere olie en met verse kruiden. Die kun je dan over een smeuïge, licht gezouten yoghurt dresseren, geserveerd met krokant zuurdesembrood om het op te dippen.’
En wat doet u met het vel?
‘Dat haal ik eraf, maar niet door te emonderen, dus door de tomaten in te snijden en onder te dompelen in gezouten, kokend water. Want dan smaakt je water naar tomaat en je tomaat naar water: je verliest veel kwaliteit. Liever prik ik ze op een vleesvork en brand ik de pel af met een keukenbrander of boven de vlam van het gasvuur. Het vel poft en dat verwijder ik met een keukenmesje, zonder de tomaat te spoelen. Door het branden geef je de groente een licht rokerige toets. Ik doe dat bijvoorbeeld ook met paprika.’
Wat mag je nooit doen met een tomaat?
‘Ik leg ze nooit in de koelkast, want dat doet de smaak en textuur geen deugd. Tomaten bewaar je het best in een donkere kamer, dat mag koel zijn of op kamertemperatuur. De dag dat ik ze opeet of verwerk, leg ik ze nog even buiten als het warm genoeg is of binnen voor het raam als het daarvoor nog net iets te koud is. In het licht en in de zon rijpen ze zo verder af.’
Soms koop ik een plant om de naam alleen al, zoals vandaag, de elfenbloem. Zo een naam doet je toch dromen! Dat is pure poëzie. En op de foto’s zal je zien dat de plant haar naam niet gestolen heeft.
Je hebt ze in verschillende kleuren, maar ik heb deze gevonden. Vier stuks heb ik er besteld. Het moeten immers niet altijd tuinkabouters zijn, die de tuin bemannen, nu ook eens wat vrouwelijk schoon en elfjes!
De plant bloeit in mei, dus het is nog afwachten of er dit jaar ook nu bloemen zullen op komen. Maar ook het blad is heel mooi, dus kunnen we daar al van genieten.
Rare dromen dat een mens soms heeft, en ik ken er iets van.
Vannacht heb ik o.a. gedroomd dat ik een klein meisje van vijf jaar een aantal keren van boven op een gracht naar beneden gegooid heb, en dat omdat ze geen rekening hield met mij. Ze had dan ook nog eens in haar broek gekakt omdat ze haar goesting niet kreeg.
En ik heb ook mijn ganse familie teruggezien in een restaurant in Maleizen. Zelfs mijn grootmoeder was erbij!
Geef daar maar eens allemaal een betekenis aan. Zelf noem ik dergelijke dromen mijn nachtelijke psychoses, en neen, ik neem geen drugs.
Die eerste droom kan ik nog enigszins plaatsen. Ik denk dat ik dat kleine meisje zelf ben, en het feit dat ze zich bevuild had, komt omdat ik vroeger niet goed voor mezelf gezorgd heb. Een uitleg als een andere, natuurlijk…
En mijn familie terugzien komt waarschijnlijk, omdat ik daar nog inderdaad veel mee bezig ben, en zeker met mijn grootmoeder.
We blijven maar al te vaak al te lang in het verkeerde leven zitten, en ’s nachts moeten we die fout waarschijnlijk verder verwerken en krijgen we nare dromen, die ons overdag maar weer eens doen nadenken, en ons met de neus op de feiten drukken.
Nu heb ik wel altijd gedroomd, ook als kind, en vaak geschreeuwd in mijn dromen, zo hard dat ik er zelf wakker van werd. Mijn moeder was het op den duur gewoon en waarschuwde mijn man toen we gingen trouwen dat hij zich ’s nachts niet moest verschieten van mijn getier. Tijdens de wittebrooddagen was het al prijs!
Huilen doe ik ook in mijn slaap, en dan maakt Iris, één van mijn katten, mij wakker. Een mens moet op één of andere manier de frustraties van overdag kwijt, en bij mij lukt dat dus blijkbaar ’s nachts heel goed.
Een mens is een spons, die af en toe eens grondig moet uitgeknepen worden, zodat de moeilijke emoties kunnen wegvloeien, denk ik. En vermits de ene persoon al wat meer spons is dan de andere…
Een spons is trouwens een natuurlijk product, dus zo abnormaal zijn we dan ook weer niet. En vinden jullie ook niet dat onze hersenpan op een spons lijkt?
Goede Vrijdag vandaag, en het is een goeie, want de zon schijnt volop en we krijgen meer dan twintig graden. Daarom ga ik niet langer wachten op de IJsheiligen om mijn dahlia’s in de grond te steken, want volgens mij zijn die al gepasseerd, en houden zij zich, net als iedereen, niet aan hun afspraak.
Zondag vertrekken Audrey en David voor een paar dagen naar de kust, en ben ik “plantsitter” voor de zaailingen van groenteplantjes van David. Misschien moet ik eens een crèche openen voor tuinders, die in het voorjaar met vakantie gaan…
In elk geval in mijn tuin doet de sla het heel goed, en ik heb ook al boterboontjes gezaaid, ondanks dat dat afgeraden wordt om dat nu al te doen, maar ik heb er vertrouwen in. Straks ga ik ook nog wat veldsla onder glas zetten en ik heb hier ook nog wat bloemenzaad liggen voor tussen de rotsplantjes. Morgen brengen ze nog een drietal hortensia’s en dan zal alles wel vol staan om de zomer kleur te geven.
De rest van het paasweekend ga ik genieten van de rust en de zon, met de voordeur wijd open.
Een actieve en creatieve geest wil van alles, heeft duizend en één goede ideeën maar soms echter teveel voor één mens, en als je dan niet schift, dreig je te crashen en uiteindelijk niets goeds te verrichten. Dit is wat mij regelmatig overkomt.
Het is ook zo dat als je veel alleen zit en niet zoveel mensen hebt om mee te praten, zowel over luchtige dingen als over dingen die dikwijls blijven malen, je weinig relativerende feedback krijgt en dan worden in je hoofd de dingen dikwijls uitvergroot.
Dankzij een goed gesprek ben ik er vandaag achter gekomen wat er de laatste dagen scheef liep in mijn koppeke, en ik voel mij terug stukken beter. Het is lente: bijtjes, bloesems, en ja ook onkruid en slakken, maar dat is het leven, nietwaar.
“Je bent een hevige”, is wat mijn psychiater zei bij de eerste consultatie, en dat was er boenk op. “Een bezige bij”, zei men op school, dus het zal wel de aard van het beestje zijn.
Onlangs stuurde David mij een mooi Frans gezegde door, en dat vat het wel ongeveer allemaal samen: Chassez le naturel, il revient au galop.( Philippe Néricault dit Destouches, 1680-1754.) Of zoals ze in het Nederlands zeggen: Een vos verliest zijn haren, maar niet zijn streken.
‘De eis bemind te worden, is de grootste aller arroganties.’ (Nietzsche)
Wij kunnen makkelijk aanvaarden dat niet iedereen even verstandig is, maar hebben het veel moeilijker met accepteren dat niet iedereen even empathisch is.
Nochtans zijn beiden een aangeboren gegeven en dus niet veel aan te veranderen. Wel bij te sturen en te polijsten, maar empathie, of emotionele intelligentie, krijg je mee van bij de geboorte, zoals praktisch alles waarmee je persoonlijkheid in de loop van je levensjaren vorm krijgt.
Ik denk dat ik in mijn leven maar één persoon echt en onvoorwaardelijk bemind heb, en dat is mijn zoon, al de rest waren gemengde gevoelens. En mensen die mij onvoorwaardelijk bemind hebben? Wellicht mijn grootmoeder.
Van iemand houden zoals hij of zij is, heeft als eerste voorwaarde dat je die persoon door en door zou kennen, en dat is onmogelijk. Ik ben al blij als iemand mijn dagelijkse doen en laten weet te appreciëren, en degene die dat doen, zijn er ook maar mondjesmaat, zowel nu als in het verleden.
Om begrepen en aanvaard te worden moet je naar een psychiater gaan, want die is volledig onpartijdig, en zorgt er in de eerste plaats voor dat jij jezelf aanvaardt en apprecieert zoals je in alle eerlijkheid bent.
Empathische personen die mij begrijpen en aanvaarden, dat zijn er maar een paar, en op zich is dat al een groot cadeau. Het zouden er misschien meer moeten en kunnen zijn, zoals je ouders en je naaste familie, maar bloed is maar bloed en soms is een volslagen vreemde eerder geneigd om te beseffen wat je voelt en denkt dan degene met wie je verwant, gehuwd of bevriend bent.
Nietzsche heeft gelijk, we moeten vooral niet te arrogant zijn. Een beetje genegenheid en begrip doet soms wonderen, zolang we het maar niet vanzelfsprekend en verslavend vinden.
Alles wat aan mijn aard beantwoordt, in de natuur en geschiedenis, spreekt tot mij, prijst mij, stuwt mij voorwaarts, troost mij: de rest hoor ik niet en vergeet ik meteen. Wij zijn voortdurend uitsluitend in ons eigen gezelschap. (Nietzsche)