De boeken van Harari

“Je hebt mensen die Harari gelezen hebben en mensen die hem niet gelezen hebben. Je hoort beter bij de eersten”
De Morgen – 17-08-18 – Marnix Verplancke

Eind augustus komt zijn nieuwe al uit, maar hebt u Sapiens en Homo Deus al gelezen? Of verhuisde u onlangs naar een andere planeet? De boeken van Yuval Noah Harari (42) over verleden en toekomst van de mens rollen al maanden over de tongen. “Je hebt mensen die Harari gelezen hebben en mensen die hem niet gelezen hebben. Je hoort beter bij de eersten.”

Barack Obama, Mark Zuckerberg en Bill Gates kunnen er maar niet over zwijgen, over hoe goed ze Sapiens en Homo Deus wel vinden. Twaalf miljoen keer gingen deze kleppers al over de toonbank, waarvan een kwart miljoen keer in het Nederlands. In iedere boekenkast prijkt stilaan wel een exemplaar. Hebben we hier te maken met een literair mirakel of is de Israëlische historicus Yuval Noah Harari (42) de zoveelste hype? We houden ons oordeel nog even in beraad.

Feit is dat Sapiens en Homo Deus niet tot de usual suspects onder de best­sellers behoren. Dit zijn geen romans, maar wel non-­fictie­werken over verleden en toekomst van de mens. In het eerste boek gaat Harari na waarom de mens in goed 70.000 jaar tijd van een dier onder de dieren uitgegroeid is tot het dominante wezen dat zelfs een geologische periode naar zich genoemd kreeg, het antropoceen.

Essentieel is volgens Harari de cognitieve revolutie die de mens onderging. Deze droeg verbeelding in zich, vertelde verhalen die hem met andere mensen verbonden en deden samenwerken, en liet hem daardoor met rasse schreden dwars door de biologische evolutie stappen. De mens heeft goden, naties, geld en mensenrechten bedacht, hij heeft wetenschappelijke ontdekkingen gedaan die zijn macht steeds groter maakten en hij is flink op weg om zo zijn eigen graf te delven.

Want daar gaat Harari’s Homo Deus over, over de toekomst, waarin informatie het overneemt van de mens. We willen steeds beter en grootser worden, vertrouwen daarbij meer en meer op nanotechnologie en artificiële intelligentie, en beseffen niet dat we daardoor onszelf verliezen. Er zal een tweedeling ontstaan binnen de mensheid, met een kleine godgelijke elite en een massa overbodig voetvolk. “De mens zoals we die vandaag kennen, zal verdwijnen en in de plaats komt een godmens”, vat filosoof Jean Paul Van Bendegem Harari’s toekomstvisie samen. “Hij wil via de wetenschap de mens overwinnen en tot god maken. Ik kan me voorstellen dat deze heils­boodschap velen aanspreekt.”

Hoogstaand een kopje kleiner

Sapiens en Homo Deus zijn gegroeid uit Harari’s colleges aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Daar kreeg hij de opdracht de cursus ‘Geschiedenis van de mensheid’ te doceren, waar hij met enige tegenzin aan begon. In feite konden alleen de vragen van zijn studenten hem boeien. Daar ging hij dan ook uitgebreid op in, waardoor hij uitstapjes maakte naar de biologie, psychologie, economie, kunstgeschiedenis, computerwetenschappen en ga zo maar door.

Al die strengen zitten in zijn boeken verweven, waardoor ze een complex beeld geven van de realiteit. Volgens Arend Hosman, Harari’s Nederlandse uitgever, ligt daar dan ook de reden voor zijn succes. “Onlangs had ik het er nog over met een boekverkoopster”, vertelt hij, “De wereld waarin wij leven is zo complex geworden, zei ze, en mensen willen die wereld beter begrijpen. Harari stelt de juiste vragen en hij durft een positie te kiezen. Dat maakt hem misschien wel de uitgelezen gids voor onze tijd.”
Maar is hij ook een goede gids? Om dat te weten te komen, gaan we te rade bij wetenschapscommunicator Lieven Scheire. “Harari heeft een fantastische helikopterblik”, steekt hij enthousiast van wal. “Geschiedenis is niet mijn corebusiness, maar ik heb enorm veel opgestoken van dit boek. Harari weet je steeds weer te verrassen.

“Zo schrijft hij bijvoorbeeld dat middeleeuwse ridders een christelijke moraal hadden, maar tezelfdertijd andere mensen zonder enig probleem de kop konden inslaan. Vanuit een hedendaags perspectief is dat raar, maar voor die ridders toen niet. Hetzelfde geldt voor ons vandaag. Wij zijn sinds een eeuw of drie humanisten en ook wij zien soms de contradicties niet in dit systeem. We kunnen zeggen dat we voor vrijheid en gelijkheid zijn, maar om gelijkheid te bevorderen moet je vaak net wat vrijheid afgeven.”
Ook Harari’s inzichten over ideologie zijn voor Scheire belangrijk. “Hij toont dat onze ideeën niet de enige waarheid zijn, maar altijd tijd- en cultuurgebonden”, zegt hij. “Humanisme, mensenrechten en politieke correctheid zijn vandaag sterk gewortelde ideologieën die ik zelf ook aanhang. Mensen die vandaag moreel over de schreef gaan, kunnen maatschappelijk kaltgestellt worden. Die moraal heeft bijna de macht die religie vroeger had. Als atheïst kon je het in de middeleeuwen wel vergeten. Als je vandaag aantoonbaar racistisch of seksistisch bent, loop je ook dat risico. Persoonlijk vind ik dat we er zo moreel op vooruitgegaan zijn, maar het is geweldig boeiend om dat als een nieuwe ideologie te beschouwen in plaats van als de eindelijk ontdekte ultieme waarheid.”

Gefronste wenkbrauwen

Laten we deze uitdagende stelling eens voorleggen aan een aantal politici, dachten we, want ook bij hen is Harari waanzinnig populair. Alexander De Croo (Open Vld), Jan Jambon (N-VA), Hilde Crevits (CD&V), Kris Peeters (CD&V) en Hugo Coveliers (op rust) namen dit jaar een of beide boeken mee op vakantie en Open Vld-voorzitter Gwendolyn Rutten, die Sapiens drie jaar geleden al las, is inmiddels al aan haar tweede exemplaar toe omdat het eerste door het vele bladeren en Post-its plakken uit elkaar begon te vallen. “Harari stelt inderdaad dat mensenrechten nooit verworven zijn, maar op elk moment opnieuw in vraag gesteld kunnen worden”, zegt ze.

“Het is daarom belangrijk om verhalen te vertellen, opnieuw uit te vinden en te delen, anders zijn we ze sneller kwijt dan we beseffen. Ik vind bijvoorbeeld niet dat het verhaal van de individuele zelfbeschikking moet vervangen worden door een ander verhaal. Integendeel. Ik vind individuele zelfbeschikking ook in deze 21ste eeuw het juiste uitgangspunt, de basis en de pijler van de liberale democratie die toch nog steeds de best mogelijke samenlevingsvorm is.”

Ruttens partijgenoot Alexander De Croo gaat nog een stapje verder in zijn kritiek op Harari. “Soms gaat hij toch wel heel erg kort door de bocht”, zegt hij. “Hij geeft heel veel voorbeelden waarbij ‘Si non è vero, è ben trovato’ zijn devies lijkt te zijn: als het niet waar is, is het wel goed gevonden.” De Croo geeft meteen enkele voorbeelden waarbij ook hij mikt op Harari’s cultuurrelativisme wat mensenrechten betreft: “Hij probeert zich wat in te dekken door te bekennen dat dit een heikel punt is, maar hij houdt wel vol dat mensenrechten niet universeel zijn. Vrouwelijke genitale mutilatie? Moet kunnen, want dat is cultuur. Wie beweert zoiets? De grootste fascisten ter wereld, met wie ik me toch liever niet zou associëren.

“En zo zitten er nog wel een paar redeneringen in waarvan ik als liberaal niets moet weten, dat we als mensen achtervolgd worden door ons DNA bijvoorbeeld. Een groot deel van ons gedrag voert hij terug op ons verleden als jager-verzamelaar. Dat houdt geen steek. Het is een idee dat te pas en te onpas gebruikt wordt om te verklaren waarom wij vrouwen in een bepaald rolpatroon duwen, verslaafd zijn aan suiker, enzovoort. Wanneer hij het liberaal humanisme als een religie beschrijft, frons ik ook even de wenkbrauwen. Net zoals wanneer hij beweert dat dit humanisme in strijd is met wetenschappelijke ontwikkelingen. Bij mijn weten staat het liberaal humanisme juist heel erg open voor wetenschappelijke nieuwsgierigheid.

“En dan zijn er nog de vaak ongefundeerde veronderstellingen die hij maakt. De jager-verzamelaar was wellicht stukken gelukkiger dan wij, schrijft hij. Ik kan dat moeilijk geloven. Voor Ontwikkelingssamenwerking kom ik vaak in streken waar men niet zo ver van die jager-verzamelaar af staat. Als je ziet in welke miserie die mensen leven, kan ik me niet voorstellen dat zij zoveel gelukkiger zijn dan wij. Als zo veel kinderen sterven nog voor ze de leeftijd van vijf jaar hebben bereikt en als je constant blootgesteld wordt aan geweld, kun je toch niet gelukkig zijn?”

Statussymbool

Historica Heleen Debruyne wil deze kritiek toch wat relativeren. “Zulke veralgemeningen mag je verwachten wanneer je als historicus 70.000 jaar wil overspannen in een boek”, zegt ze, “maar misschien heeft hij zijn succes ook wel te danken aan die brede scope. Wie waagt zich daar vandaag nog aan? De tijd van Spengler (Duits cultuurhistoricus Oswald Spengler, met als voornaamste werk ‘De ondergang van het Avondland’, red.) ligt al een eind achter ons, terwijl mensen wel op zoek zijn naar zo’n langetermijnperspectief.”

Maar er zit meer achter het succes van Harari’s monsterverkoop, vermoedt ze. Sapiens en Homo Deus gelezen hebben, is stilaan een statussymbool geworden. Je kunt je er mee onderscheiden en je tot de bewuste mensen rekenen die nadenken over waar het naartoe moet met de planeet. “Vandaar dat het boek ook zo ostentatief gelezen wordt”, voegt ze nog toe, “op de trein bijvoorbeeld, of aan de rand van het zwembad, waar je zeker gezien wordt.”

Ook Kris Peeters, op vakantie in Griekenland toen we hem belden, merkt dat op. “Je hebt tegenwoordig mensen die Harari gelezen hebben en mensen die hem niet gelezen hebben en je hoort maar beter bij de eersten”, zegt hij wat meewarig. “Veel mensen voelen zich daardoor verplicht die boeken te lezen. Dat gebeurt om de zoveel tijd, en ik vind dat een beetje overdreven. Vijf jaar geleden zag je hetzelfde met Piketty’s Kapitaal in de 21ste eeuw waar sommigen zich door worstelden om erbij te horen.”
Peeters kreeg Sapiens en Homo Deus van zijn kabinetsmedewerkers, als verjaardagscadeau. Best wel lezenswaardig en interessant vindt hij ze, “maar het is nu ook weer niet zo dat die boeken je hele leven door elkaar schudden. Met Sapiens ga je de begroting niet in evenwicht krijgen, of een arbeidsdeal afsluiten. Alhoewel. (grinnikt) Harari beschrijft hoe we onszelf de das omgedaan hebben door van jagen en verzamelen over te schakelen op landbouw. Opeens moesten we dag en nacht werken waar we voordien zeeën van tijd hadden, om het maar wat karikaturaal te stellen.”
“Mooi”, besluit hij een beetje meesmuilend als hij hoort hoeveel van zijn collega’s Harari deze zomer hebben gelezen, “Misschien kunnen we die boeken bij een volgend begrotingsoverleg op Hertoginnedal met zijn allen eens bespreken.”

‘De lege mens Verhofstadt’

“Harari zet mij wel degelijk aan het denken over mijn beleidsdomein,” spreekt Hilde Crevits haar partijgenoot een beetje tegen. Wat onderwijs betreft legt hij de nadruk op kritisch denken, communicatie, samenwerking en creativiteit. Hij wil dat scholen geen vakidioten voortbrengen, maar teruggrijpen naar het klassieke ideaal van bildung. “Ik denk dat hij daar gelijk heeft”, reageert Crevits, “zeker als we ons eigen voortbestaan willen veiligstellen. De AI die we creëren zou ons weleens kunnen uitroeien. Daar moeten we dus kritisch bij stilstaan.

“Maar tezelfdertijd moeten we ook mensen opleiden die technisch in staat zijn de innovatie uit te denken en in de praktijk te brengen natuurlijk. Maar ik zie in Harari toch vooral een provocateur die je wakker wil schudden. Ik heb ooit les gekregen van Jaap Kruithof. Ik kwam uit een katholieke school en opeens kreeg ik de opdracht alles in vraag te stellen en alle conventies van een andere kant te bekijken. Er ging toen een heel nieuwe wereld voor me open en hetzelfde gevoel had ik bij het lezen van Harari.”
Ook Hugo Coveliers, ooit Volksunie en Open Vld, benadrukt dat. “Harari noemt het nationalisme een ideologie uit het verleden”, zegt hij, “en hij heeft het volste recht om het zo te zien, maar tegelijk kun je uit zijn ideeën ook afleiden dat de mens vooral moet samenwerken met de mensen uit zijn naaste omgeving. En dan kom je natuurlijk uit bij het idee van federalisme, waarbij mensen zich in verschillende kringen bewegen. De eerste is het gezin en de volgende het volk.”

“Ik denk dat hier geen tegenspraak is met wat Harari beweert. Alleen vrees ik dat zijn universele mens uiteindelijk ook een lege, van iedere identiteit ontdane mens wordt, een beetje zoals Guy Verhofstadt zich de Europese burger voorstelt, wat niet hoeft te verbazen natuurlijk aangezien Verhofstadt zelf ook een volstrekt lege mens is.”
Moeten we Harari nu lezen of niet? Na alle kritiek zou je gaan twijfelen, toch vindt iedereen die we spraken Sapiens en Homo Deus, ondanks al hun zwaktes, rijke, boeiende en grappige boeken. Misschien laten we dus beter het laatste woord aan een filosoof, Jean Paul Van Bendegem, die zegt dat je bij het lezen van Harari steeds in het achterhoofd moet houden dat je hier één scenario van vele mogelijke scenario’s te lezen krijgt: “In feite zou er een sticker op dit boek moeten kleven”, zegt hij, ‘“Pas op, dit is niet de ultieme waarheid!’”

Op 30 augustus verschijnt 21 lessen voor de 21ste eeuw, het nieuwe boek van Yuval Harari.

 

Rode rozen

Für mich soll’s rote Rosen regnen

Hildegard Knef

Mit sechzehn sagte ich still, ich will,
will groß sein, will siegen, will froh sein, nie lügen,
mit sechzehn sagte ich still, ich will,
will alles, oder nichts.
Für mich, soll’s rote Rosen regnen,
mir sollten sämtliche Wunder begegnen.
Die Welt sollte sich umgestalten,
und ihre Sorgen für sich behalten.
Und später, sagte ich noch, ich möchte,
verstehen, viel sehen, erfahre, bewahren,
und später, sagte ich noch, ich möcht’,
nicht allein sein, und doch frei sein.
Für mich soll’s rote Rosen regnen,
mir sollten sämtliche Wunder begegnen.
Das Glück sollte sich sanft verhalten,
es sollte mein Schicksal, mit Liebe verwalten.
Und heute sage ich still, ich sollte,
mich fügen, begnügen, ich kann mich nicht fügen,
kann mich nicht begnügen, will immer noch siegen,
will alles, oder nichts.
Für mich, soll’s rote Rosen regnen,
mir sollten ganz neue Wunder begegnen.
Mich fern, von altem Neu entfalten,
von dem was erwartet, das meiste halten.
Ich will…, Ich will…!
Voor eeuwig zestien!

Een lege plek om te blijven

Slapen, slapen, en nog eens slapen. Ik lijk Doornroosje wel!
In de zomer, je winterslaap doen, daar lijkt het op. Heeft iemand iets in mijn eten gedaan, of hangt er iets in de lucht?
Misschien heb ik wel zo’n lege plek nodig om tot rust te komen, en die winter, en de kat, maar die heb ik al… En vragen, die heb ik ook nog genoeg…

Een lege plek om te blijven

Geef mij maar de brede, trage rivieren,
de bewegingen die je niet ziet maar vermoedt,
de drinkende wilgen, de zinloze dijken,
een doodstille stad aan de oever.

Geef mij maar de winter, het armoedige
landschap, de akker zonder het teken van
leven, de kracht van de krakende heide.

Geef mij maar de kat als hij kijkt voor
hij springt, om te vechten, te vluchten,
te paren, te jagen, als hij kijkt.

Geef mij maar een paard in galop, maar
op zijn zij in het gras. Geef mij

maar een vraag en geen antwoord.

Rutger Kopland

‘Mensen zijn vergif’ ‘Sommige mensen’

‘Mensen zijn vergif’ ‘Sommige mensen’

Delphine Lecompte en Dominique Van Malder

Hij heeft een zwak voor de onaffe mens, zonder er romantisch over te willen doen. Zij wéét wat het is. ‘Zonder harnas lukt het niet.’ ‘Soms zitten de pinnekes aan de binnenkant.’ Een pas de deux met televisie- en theatermaker Dominique Van Malder en dichteres Delphine Lecompte.Filip Rogiers en Ann-Sofie Dekeyser, foto’s Fred Debrock
Veertig is ze, maar in het najaar liggen haar Verzamelde gedichten in de boekhandel. Tien jaar en zeven bundels (elk goed voor zo’n 100 gedichten) na haar debuut. ‘Een dag niet schrijven lukt me niet. Ik voel me ellendig bij ontspanning. Ik heb geen hobby’s. Ik speel geen fagot.’

Schrijven is ademen. Delphine Lecompte (40) heeft die gedichten nodig ‘om een beetje zelfwaarde te voelen’. Ze kan zichzelf genezen, zegt ze, met een gedicht. Tijdelijk. Dominique Van Malder (42) heelt met acteren. En muziek. In het gevierde tv-programma Radio Gaga lieten hij en Joris Hessels in hun plooicaravan vogels van allerlei pluimage plaatjes aanvragen voor andere vogels met geknakte vleugels.
Ze komen allemaal langs, in de loop van de avond, nacht, ochtend: de demonen, de saters, de katers. En toch is de hemel boven Hellebosch wellicht nooit zo vaak opgeschrikt door gelach. Humor als pantser. Ze zijn er beiden meester in, ze kennen er ook de grenzen van.

Dik en dun

Bij Lecompte zit het in elk gedicht: in kolder gedrenkte ondraaglijkheid. Bij Van Malder zit het in het theater dat hij al twee decennia maakt (met onder meer Studio Orka en Abattoir Fermé), en dezer dagen met de fictiereeks Albatros die hij, samen met Wannes Destoop, schrijft voor Canvas. Het verhaal van elf dikkerds die op dieetkamp gaan naar de Ardennen.

Van Malder: ‘Het begint met grappen en grollen, met mag-het-iets-meer-zijn, maar we komen alle elf onszelf tegen. Vaak ligt er een specifieke gebeurtenis aan de basis van overgewicht. Bij de een omdat hij te weten is gekomen dat hij geadopteerd is, bij de ander omdat hij misbruikt is. Ik las een heftig boek van Roxane Gay: ze werd op haar veertiende verkracht en besliste nadien om zichzelf lelijk te maken door te verdikken. Ze bouwde een pantser rond wat haar is aangedaan.’

Lecompte: ‘Ik begrijp dat heel goed.’

Van Malder: ‘Het is niet altijd zo dramatisch natuurlijk, zeker niet in mijn geval. Bij mij is voedsel een vorm van troost. Ik ben een zeer gulzige mens, op allerlei vlakken. Ik laat me soms te hard gaan. Vroeger rookte ik 2,5 pakjes Bastos per dag. Ik zoog alles eruit wat erin zat. Blijkbaar moet er iets gestild worden in mij.’

Delphine kon altijd al door een ringetje. Nog steeds jaagt een korrel rijst haar angst aan. ‘Bang om te stikken. Ik eet ook altijd alleen. Stiekem. Samen eten vind ik bijna te intiem.’

Bernard, haar hond, gromt onder tafel. ‘Zohra, mijn neurotische naakthond, heb ik thuis gelaten. Ik wilde Dominique niet nodeloos irriteren. Bernard en Zohra dwingen mij om op te staan, hen uit te laten.’

Biedt verder, benevens haar schrijven, nog grond onder haar voeten: haar 85-jarige minnaar, Omer Minnebo. Ex-militair, ex-kroegbaas, kruisboogschutter. ‘We zijn al veertien jaar een koppel.’

Ze komt niet graag onder de mensen. ‘Ik verwacht te veel. Dat ze mij beter gaan maken. Redding. Ik weet dat ik dat niet kan verlangen, en toch. Het ontgoochelt altijd.’ Zenuwlachje, gêne, immer guilt ridden. Om de ontgoocheling voor te zijn, organiseert ze die soms zelf.

‘Ken je dat? Dat je je woede richt op mensen die het echt niet verdienen, mensen die je graag zien? De eerste jaren dat ik met Omer samen was, heb ik echt geprobeerd om hem weg te duwen. Dat is niet gelukt. Gelukkig.’

Groot, levensreddend, was het moment waarop ze ontdekte dat ze gelezen werd, dat mensen haar gedichten waarderen, begrijpen zelfs.

Lecompte: ‘Soms sturen mensen handgeschreven brieven naar mijn uitgeverij. Ik ben er altijd heel blij mee, maar heb nog nooit teruggeschreven. Want ik zal altijd minder interessant zijn dan mijn gedichten. Op het podium ben ik de betere, meer baldadige versie van mezelf.’

Mensen raken is ook bij Dominique een fond de commerce. Radio Gaga slaagde er beter in dan hij vooraf had kunnen denken.

Van Malder: ‘Blijkbaar hebben mensen nood aan troost, erkenning, flitsen schoonheid. Het doet deugd om te zien hoeveel warmte en liefde er nog is. Maar aan de andere kant, toen we uitzonden vanuit het asielcentrum in Wingene, waren de reacties op het forum van HLN.be zo hard en bot. Of je ziet in de jeugdinstelling van Mol tieners die voor zichzelf geen toekomst zien. Veertien jaar en al einde verhaal? Hoe kun je daar vrolijk van worden?’

‘We kwamen ook op plekken waar men meer bezig was met het dossier van de patiënt dan met de patiënt zelf. Veel van die instellingen worden geleid door een manager. Die komt bij wijze van spreken van Belgacom en doet met mensen wat hij altijd al gedaan heeft met telefonie: de winkel doen draaien, de cijfers halen. Ik heb zoveel fantastische therapeuten, psychologen en andere begeleiders jaren zien vechten tegen dat systeem en eronderdoor zien gaan.’

Lecompte: ‘Ik heb nog in een rusthuis gewerkt. Ik deed het heel graag, maar kreeg onder mijn voeten omdat ik te lang in de kamer bleef waar ik de mensen moest wassen. Die mensen wilden praten, ze moesten een verhaal kwijt. Dat mocht niet. Je moest werken met een chronometer.’

Van Malder: ‘Met onze toneelprojecten in de psychiatrie gebeurde het al eens dat een therapeut zei: je hebt meer uit die gast gehaald dan ik in vier jaar. Dat is fijn, maar ook schrijnend: Joris en ik zijn geen therapeuten. Wij komen theater maken. Wat het wel aantoont, is hoe levensreddend kunst en theater kunnen zijn.’

Zonder dat het creatherapie hoeft te zijn? Er wordt in het reguliere theater neergekeken op sociaal-artistiek werk.
Van Malder: ‘Wat wij in Guislain maken, ís geen therapie, maar het kan wel therapeutisch werken. Niet alleen voor de patiënten en de begeleiders, ook voor mij. Het heeft veel te maken met troost. Of je dat nu regulier of sociaal-artistiek theater noemt, het gaat in se over hetzelfde: een goed verhaal vertellen met een fijne groep mensen. Kunst is voor elke kunstenaar een vorm van therapie. Ik ken veel acteurs die, mochten ze niet spelen, ook ergens binnen zouden zitten.’

‘In de theaterwereld heeft men het altijd over de noodzaak die er moet zijn. Wel, bij psychiatrische patiënten voel je pas echt de noodzaak om eens iemand anders te mogen zijn dan zichzelf.’

Was de poëzie voor jou redzamer dan de psychiatrie?
Lecompte: ‘Ik kwam verwoest de psychiatrie binnen en ging er nog verwoester buiten. Ik heb er wel genoten van het contact met de anderen. Iedereen zit daar samen: weeskinderen, ex-hoeren, bipolaire vissers…’

Bipolaire vissers?
Lecompte: ‘Ja, uit Knokke. Ik verzin dit niet. Ik heb mij daar toen te veel genesteld. Het was wij, geblutste mensen, tegen de verpleging. We stalen onze dossiers en lachten ons kapot met wat we daarin lazen. Hoe ver ze ernaast zaten. Er was een dierenasiel vlakbij. Ik ging ’s middags wandelen met de honden, ik denk dat ik daar meer aan heb gehad dan aan wat ze mij in de psychiatrie aanreikten – pillen vooral. Al heb ik er wel badminton leren spelen.’

Van Malder: ‘Ik ben ook vatbaar voor… Laat me zeggen dat ik om de twee weken naar een therapeut ga. Ik heb jarenlang, sinds mijn puberteit, erge nachtmerries gehad, paranoïde dromen. Drie à vier keer per week. Ik slaapwandelde niet, ik slaaprende, een keer bijna van het balkon af. Ik heb pas later beseft dat dat gestopt is toen ik toneelschool ging doen. Kan kunst niet genezen, ze kan op z’n minst bezweren, en ik wil daar niet ironisch of minimalistisch over doen. Laat er in het dagelijkse leven alsjeblief vooral wat meer poëzie zijn, in alle betekenissen van het woord. We zijn toch zo braaf met z’n allen, meer begaan met de deadline van onze belastingbrief dan met wat we zijn of voelen. Ik houd van een Herman Brood die zijn treinticket betaalde met een schets. En zijn belastingen met drie schilderdoeken.’

A.u.b. geen romantiek

Wat je krijgt, als je het leven ad fundum leeft: échte kunst. ‘Pijn is echte pijn, plezier is echt plezant’, schreef De Standaard over Chasse Patate van Studio Orka. De gedichten van Delphine Lecompte brengen een mens, volgens haar collega Carmien Michels, ‘op de rand van het ongemakkelijke, het beschamende, het perverse en het absurde’.
Het publiek krijgt er de vrucht van, de kunstenaar het applaus. Maar ermee leven doet de kunstenaar alleen.

Van Malder: ‘Het kan geen pretje geweest zijn om Brood te zijn. Of Charles Bukowski. Die heb ik met heel mijn hoofd en lijf gespeeld (in BUKO van Abattoir Fermé, red.). Ik weet wel waarom ik over zo iemand een voorstelling wil maken. Ik ken de roes zelf ook goed.’

Lecompte: ‘Noem mij gerust de Vlaamse Bukowski. (lacht) Het kan te fel worden, zo hard als alles altijd binnenkomt. Dat tracht je dan al eens uit te schakelen. Alcohol en Xanax dempen de prikkels. Ik mag mezelf daar niet te veel mee verwennen.’

En als het dempen niet lukt?
Lecompte: ‘Dan blijf ik wakker en zwerf ik weer rond op straat. Kom ik ongetwijfeld weer interessante mensen tegen, maar ook minder goede mensen. Zoals vroeger. Ik was zo rusteloos, dag en nacht. Ik heb vele kilometers afgelegd, in verhoogde staat van gevoeligheid. De kunst bestaat erin om te verdoven zonder alles uit te vlakken. Ik verplicht mezelf soms om wat onrust toe te laten. Ik kan genieten van slaapgebrek omdat ik me dan lichtjes paranoïde ga voelen, wat mijn gedichten ten goede komt. Maar dat gevaarlijke leven van vroeger? Nee, ik ben blij dat het achter de rug is. Dat er nu toch een heel klein beetje stabiliteit en veiligheid is. Het is te droevig geweest. De marginaliteit is niet iets om romantisch over te doen.’

Van Malder: ‘Absoluut waar. Ik heb in mijn familie ook zaken gezien die ik als kind niet had moeten zien. Wat alcohol met mensen doet. Ik kom uit een arbeidersgezin, mijn vader stamt uit een gezin van elf kinderen, mijn moeder van vijf. Er zat van alles tussen, van topchirurgen tot wrakken van mensen. Een tak van de familie is echt De helaasheid der dingen. Prettig was dat niet, maar het heeft me wel gevormd. Het verklaart waarom ik een voorliefde heb voor wat ik in mijn theaterwerk blijkbaar moest opzoeken: de onaffe mens, de marge.’

‘We hadden het niet breed thuis. We zijn met ons gezin maar één keer op reis gegaan, naar Benidorm, ik was twee jaar. Mijn ouders werkten in de Philips-fabriek in Dendermonde. Ze verloren hun job toen ze 50 en 45 waren. Mijn moeder heeft nog even in rusthuizen gewerkt, mijn vader deed klusjes. Ik heb hen zo hard zien werken voor geen geld, dat ik dacht: ik wil vooral mijn goesting doen. Mijn broer reageerde heel anders op die afkomst. Hij nam zich voor om véél geld te verdienen. Dat is goed gelukt, hij zit in de wereld van de accountancy.’

Dankt niet elke kunstenaar de ongelukkige jeugd?
Van Malder: ‘O, maar ik heb best wel een warme jeugd gehad. Er was alleen die geremdheid, de nederigheid van the common people. Ik ging Latijn-Grieks doen, mijn vader zag dat niet zitten: “Allez jongen, dat is voor dokterskinderen.” Theater? “Ben je gek?” Altijd maar “Dat is niets voor u.” “Te hoog gegrepen.” Nu ik zelf vader ben, besef ik dat het vooral draait om je kind steunen in wat het doet. Dat hadden mijn ouders toch een tikkeltje meer mogen doen.’

‘Gek, maar ik heb theater nodig gehad om dichter bij hen te komen. Voor mijn eindwerk aan de toneelschool heb ik mijn ouders geïnterviewd. Dat was helend. En met Studio Orka heb ik een stuk gespeeld waarin ik mij spiegelde aan mijn vader. Hij is nooit komen kijken. Jammer. Hij had er veel in herkend, misschien had het hem zelfs kunnen helpen.’

Werd toneel een manier om met je vader te communiceren?
Van Malder: ‘Zoveel mensen zijn op zoek naar bevestiging van hun vader. Je wacht op dat schouderklopje: dan toch nog, goed gedaan. Je hoopt te kunnen zeggen wat je in het dagelijkse leven niet kon.’

Lecompte: ‘Ik probeer altijd in mijn gedichten te communiceren met mijn vader, maar hij is er bang van. Hij leest ze niet. Vindt ze pijnlijk, hij wil niet dieper gaan. Met mijn moeder heb ik wel het idee dat ik dankzij die poëzie toch een en ander heb kunnen bespreken.’

Nochtans heb je haar in je poëzie genadeloos afgeschilderd.
Lecompte: ‘Ik ben lang boos op haar geweest. Je wil natuurlijk een koesterende moeder en dat is ze niet echt geweest. Ze had het te druk met mannen verslinden. Maar aan de andere kant, ze was een persoonlijkheid: kleurrijk, vurig, intelligent. Ik heb mijn ouders eigenlijk pas leren kennen toen ik negen was. Ik ben opgevoed door mijn grootouders. Ze hadden veel Russen in hun bibliotheek staan. En Reve en Céline. Álles lag daar. Een groot geschenk. Mijn grootvader zat altijd aan het hoofd van de tafel te lezen. En ik schreef een roman. Zeven jaar was ik, ik heb er twee jaar aan gewerkt. Boxer en de diamanten steen. Er kwam een rode muts in voor die sprak. En een eekhoorn, een boxerhond en ik.’

Jezus met tetjes

Als kind was je een ‘outlaw’, zei je eens.
Lecompte: ‘Ik was een buitenbeentje, maar had wel vrienden. Ik had een makkelijk mikpunt kunnen zijn, want ik was een beetje raar. Maar ik durfde een grote mond op te zetten, te schoppen tegen de meesters.’

Van Malder: ‘Ik was altijd nogal expressief. En grappig. Reden waarom ik er ook altijd werd uitgepikt voor toneeltjes. Zoals die keer dat ze een Jezus zochten. Maar ja, ik was toen al dik. Ik hing aan een kruis, de leraar raakte mij aan en zei voor heel de klas: “Kijk! Een Jezus met tetjes.” Dat was mijn eerste publieke optreden. Toen dacht ik: wacht maar, van deze Jezus met tetjes zul je nog horen. Humor en taal waren mijn redding. Maar je zult maar eens een kleine zijn die zich niet kan verdedigen. Vreselijk.’

Lecompte: ‘Omer is een heel mooie mens. Hij zou alles weggeven. Hij praat met iedereen. Hij houdt ook echt van mensen. Ik zeg soms tegen hem: “Pas toch wat op, Omer. Mensen zijn vergif.”’

Van Malder: (schrikt) ‘Sommige mensen zijn vergif.’

Lecompte: ‘Natuurlijk. Het is eigenlijk pas de laatste jaren dat ik leer te genieten van vriendschappen. Vroeger was ik daar nogal trouweloos in, nu koester ik ze meer. Maar toch: ik ben soms bang van mensen. Te weerloos, wellicht?’

Heeft het ermee te maken dat je vertrouwen diep geschonden is?
Lecompte: ‘Erg diep. (lange stilte) Ik ben moeten genezen van de psychiatrie. Er was een nachtverpleger die ik in vertrouwen nam, álles vertelde ik hem, alles wat ik aan geen mens kwijt kon. Hij luisterde. Zoveel aandacht vleit, je wordt eindelijk gehoord. Tot je merkt dat er iets niet klopt: mijn ellende wond hem op. En je voelt je vies, want natuurlijk had ik hem opgezocht. Het seksueel misbruik werd niet erkend. Als ik erover vertelde aan de verantwoordelijken van de instelling, was hun reflex: hoe gaan we dat toedekken. Ze dachten niet aan mij of aan de andere slachtoffers die die zieke man nog gemaakt heeft. Daar ben ik lang bitter over geweest.’

Jullie hebben beiden een zesde zintuig voor de gekwetste mens. Maar leidt het bij Dominique tot mededogen, bij Delphine eerder tot somberte.
Lecompte: ‘Ik neem het mezelf wel kwalijk dat ik alleen met lelijkheid, donkerte en perversies bezig ben. En dat ik altijd zo wroet in het ziekelijke. Dat maakt mij misschien wel tot een buitenbeentje in de poëzie. Er zijn veel dichters vandaag, veel jonge dichters, mooie en ook guitige meisjes. Die trend mag trouwens eens stoppen. Je zal maar een chagrijnige vijftiger zijn die een bundel wil uitbrengen. (lacht) Ik zou soms graag wat frivoler zijn. Het is niet dat ik lijden per definitie interessant vind of dat ik trots ben op dat morbide, neerslachtige in mij en in mijn gedichten. Maar ik ben wel blij en dankbaar dat mijn soort poëzie dan toch ook blijkbaar aanvaard wordt.’

Van Malder: ‘Ook dat zwartgallige kan troostend zijn voor een lezer toch? Het is mij overigens niet vreemd. Ik sta vaak op als misantroop en ga slapen als filantroop.’

Wat zorgt in de loop van de dag voor het kantelpunt?
Van Malder: ‘Een ontmoeting. Of gewoon, mijn job, dat ik spelenderwijs in het leven mag staan.’

Lecompte: ‘Dat heb ik ondanks alles ook. Ik kan erg genieten. Ik loop vaak rond met mijn honden en het is verbijsterend hoe snel mensen bij mij hun hart uitstorten. Als ze nog maar een beetje voelen dat je bereid bent om te luisteren, lopen ze leeg. Ik hoor alles: hun kankers, hun verslavingen, hun kinderen die in de gevangenis zitten. En wat je behalve de wanhoop dan vooral voelt, is die hunker om het eindelijk eens te kunnen vertellen.’

Van Malder: ‘Muziek is het snelste middel om mij getroost te krijgen. In combinatie met alcohol. Onlangs nog, ik was gehaktballetjes aan het draaien, ik was moe en in een melancholieke bui. Ineens passeert ‘De verzoening’ van Frank Boeijen. Heb me lief, heb me lief, heb dit lichaam lief. Bemin mij, bevrijd mij van het duister in mijn hoofd, mijn straat loopt hier dood. Baf, dijkbreuk!’

Lecompte: ‘Het kan zo zalig zijn om je er nu en dan eens in te wentelen.’

Van Malder: ‘Samen zwelgen af en toe, moet kunnen. Elkaar eens goed vastpakken, ook.’

Mag het nog? Je hoort het weleens in de aftermath van #metoo, dat ook in de theaterwereld huishield.
Van Malder: ‘Auwch. Zoals in elke sector: waar macht is, is er misbruik. Als je in de toneelschool van slechte wil bent, kun je erg in de fout gaan. Je werkt met jonge mensen en theater is intensief, fysiek en mentaal. Vreselijk om dat te misbruiken. Maar er is ook een andere kant aan het verhaal: vergelding. Iemand die iemand beschuldigt met wie hij of zij twee jaar een relatie had. Ik wil het niet minimaliseren, maar de nuance was de afgelopen tijd weleens zoek. Op den duur voel je je schuldig bij een mop die je al dertig jaar maakt. Een flauwe mop, daar niet van.’

Lecompte: ‘Ik heb niet zo’n probleem met mensen die eens knijpen in een bil van een secretaresse. Sorry, ik blijf dat onschuldig vinden. Er zúllen wel vreselijke dingen gebeurd zijn en ik wil zeker niet zeggen dat al die slachtoffers overgevoelige vrouwen zijn, maar…’

Van Malder: ‘Eigenlijk is het heel simpel. Als je iets doet waarmee je de ander pijn doet, letterlijk of figuurlijk, heb je een probleem. Zoals zangeres Petra het ooit mooi heeft verwoord: Jij bent zo mooi, zo mooi. Kijken mag, maar aankomen niet.’

Lecompte: ‘Petra zingt zelf toch: Jij daar, ik wil je! Dus zij mag wél de mannen eruit kiezen? Ik heb het er moeilijk mee. Moet ik Woody Allen nu fout vinden? Ik blijf fan. Mag ik Lucebert nog goed vinden, nu we weten dat hij fout was in de oorlog? Nog zoiets.’

Te kakken zetten

Bernard wordt onrustig. ‘Omer!’, roept Delphine berispend. Een verspreking. ‘Oew, dit verraadt veel’, zegt Van Malder. Ze lachen. Pijn is echte pijn, plezier echt plezant. Op die slappe koord dansen we de nacht in.

Lecompte: ‘Bij Omer voel ik me veilig. Het moet niet altijd zo diep gaan bij hem. Hij is trots op mij, maar houdt niet van mijn gedichten. “Zo raar,” zegt hij, “en dat rijmt niet”. (lacht) “En die obsceniteit altijd!”’

Van Malder: ‘Blijkbaar herkent hij toch iets in jou wat hij nodig heeft?’

Lecompte: ‘Ik heb een zekere zachtheid in mij, die hebben we gemeen. En onze humor. Omer kan heel gemakkelijk zichzelf zijn bij mij en ik bij hem. Er is een soort luchtigheid tussen ons waar ik me aan laaf. Het harnast.’

Van Malder: ‘Zoals humor. De donkerste mensen zijn vaak ook de grappigste. Het is een manier om met de heftigheid om te gaan, ook wel om je erachter weg te steken. Met jezelf lachen om het er vooral niet over te moeten hebben. Een harnas, maar er zitten ook pinnekes aan de binnenkant natuurlijk.’

Hannah Gadsby kondigde in haar laatste show aan dat ze stopt met comedy. Ze is lesbisch, volslank en ze heeft daar zelf vaak mee gelachen. Nu heeft ze er genoeg van. ‘Weet je wat zelfspot betekent als het van iemand komt die zich toch al in de marges van de samenleving bevindt? Zelfvernedering.’

Van Malder: ‘Ik heb daar met Griet Op de Beeck een mooi gesprek over gehad. Zij zei: “Je moet echt eens stoppen met jezelf zo te kakken te zetten.” Ik doe het al minder. Want inderdaad, als je zélf gaat lachen met je dikke buik, staat er voor de ander ook geen maat meer op.’

Lecompte: (na een lange stilte) ‘Ik denk dat ik mezelf toch redelijk goed bewaak als ik op een podium sta. Ik heb niet de indruk dat ik mezelf te veel prijsgeef of verneder in een gedicht. Als ik het in een goede vorm kan gieten, kan en mag ik alles gebruiken uit mijn verleden. Ik waak er wel over dat ik niet sentimenteel word, niet wanhopig ga klinken. Gedichten mogen zeker geen – of toch niet alléén – verwerking zijn van wat ik heb meegemaakt. Soms waak ik er te veel over. Ik durf heel moeilijk teder zijn in mijn gedichten. Ik zal mezelf snel corrigeren als ik iets vriendelijks schrijf over Omer.’ (lacht)

Als iets te mooi, te lief wordt, sla je het kapot?
Lecompte: ‘Ik heb nog altijd dat zelf­destructieve, ja. Daan heeft mij gevraagd om een liedjestekst te schrijven. Dat vond ik zo’n eer, wow. Maar dan is er dat stemmetje in mij dat zegt: ik ga mezelf saboteren, ik ga opzettelijk een slechte tekst schrijven.’

En? Is het slecht?
Lecompte: ‘Ja! (lacht) En Omer heeft me nochtans zo goed geholpen. Met het ritme vooral. Een-twee-drie-vier, een-twee-drie-vier.’

Waarom zegt die stem in jou: het mag niet goed zijn.
Lecompte: ‘Het heeft iets bevrijdends. Het idee dat je altijd alles kunt weggooien en volledig opnieuw beginnen. Een tijd geleden is mijn huis uitgebrand. Dat was een tabula rasa van moeten. Ik kan het iedereen aanbevelen.’

‘Ik ben al wel de dichter die ik wil zijn, maar nog niet de persoon die ik wil zijn’, zei je eens. Wie wil je dan zijn?
Lecompte: ‘Ik had moeder willen worden. Ik heb daar jaren over gerouwd, ik kon niet naar babyborrels gaan. Tegelijk schrikt het mij af. Ik zou een moeder zijn die zich op haar kind stort, het tegen álles wil beschermen, niet gezond.’

Van Malder: ‘Ik ben acht jaar vader en het verandert je wereld compleet. Je kunt minder tegen de hardheid, je wil liefst een warm dekentje breien, welja. Ik wil Jack behoeden voor het lelijke, maar tegelijk wil ik ook dat hij de mannelijke Pipi Langkous mag zijn. Hij weet in welke wereld we leven, hoor, hij woont in Brussel. Dat de wereld hard is, dat mag worden benoemd. Maar tegelijk wil ik hem zo lang mogelijk in Sinterklaas laten geloven.’

Heb jij lang in Sinterklaas geloofd?
Lecompte: ‘Niet lang genoeg. Een ouder nichtje verklapte het mij toen ik vijf was. Ik heb toen rel geschopt in De Panne. Het was Sinterklaasfeest en het viel mij op dat die vermomde volwassene héél lief was voor de kindjes van dokters en commerçanten. De kindjes van de vierde wereld kregen onder hun voeten. Ik vond dat zo onrechtvaardig en ik heb toen luid geroepen: Sinterklaas bestaat niet!’

Van Malder: ‘Dat meen je niet? De Sinterklaasverklikster van De Panne, jij?’

Lecompte: ‘Toch wel. En je wíl er zo graag in geloven, nochtans.’

Van Malder: ‘Ik zet nog mijn schoen. Het is de eerste leugen waarmee je als kind geconfronteerd wordt. Je weet dat het niet waar is, maar laten we ons alstublieft nog wat amuseren met te doen alsof. Tiens, dat is een beetje de definitie van de liefde.’

Lecompte: ‘Ik hou van Jezus. Mag ik dat zeggen zonder mij te hoeven schamen? Ik hou echt van Jezus. Zoals ik troost vind in religieuze poëzie, John Donne bijvoorbeeld. Ik hou ook erg van de katholieke liturgie, van Caravaggio en de Annunciaties. Ik heb altijd nogal gemakkelijk contact gehad met God.’ (ze schaterlacht, zoals wel vaker als ze iets bloedernstig meent)

Van Malder: ‘Geef je mij zijn nummer eens? Ik hou ook wel van het ritueel. Ik ben een zware abdijfan. Vroeger zag ik erg graag Jezus-films. Zijn speeches, dat was ook theater. Mijn vader was diepgelovig, maar dat was uit pure angst. Onze living was een halve kapel: 30 Jozefbeelden, 30 Maria’s. Dat Afrit 9 daar nooit gepasseerd is.’

Jouw devotie heeft niets met angst te maken?
Lecompte: ‘Nee, wel met het verlangen naar betekenis. Zelfkastijding ook. En wat komt er na de dood? Daar zit ik mee in. Ik heb toch al veel op mijn kerfstok.’

Van Malder: ‘Wat stel jij je voor bij het hiernamaals?’

Lecompte: ‘Nachtmerries. Ik ben bang in het vagevuur te moeten verblijven.’

Van Malder: ‘Je zult er niet alleen zitten.’

Wat wil je opbiechten?
Lecompte: ‘Waar zal ik beginnen? Wat durf ik kwijt? Wat is nog min of meer aanvaardbaar? (ernstig) Diefstal? Dat vind ik niet zo erg. Ik heb nooit van armen gestolen. Ook niet van mijn beste vrienden. Of toch. Als ik een conservenblik erwten en wortelen kan meepikken, zal ik het niet laten. Ik leg thuis een voorraad aan. Ik kan voor de kast staan en naar die blikken staren: wow, wat een luxe! Toen ik 23 was, heb ik deeltijds in de Carrefour gewerkt. Op het einde van de maand had ik niets meer. Ik ben als de dood voor armoede.’

Dominique, wat knaagt aan jouw geweten?
Van Malder: ‘Ik heb de moeder van mijn zoon verlaten. Plots. Niemand had zoiets van mij verwacht, ikzelf zeker niet. Ik ben iemand die zich ten dienste stelt van anderen, en toen koos ik voor het eerst voor mezelf. Ik was, bij wijze van spreken, 30 jaar vegetariër en bestelde ineens een biefstuk. Ik was zwaar verliefd op een ander. Dat is jaren blijven knagen. Dat schuldgevoel. Het heeft er danig ingehakt dat ik de liefde vandaag moeilijker vind dan voorheen. Relaties en ik, het is wat. Ik geloof heel hard in de liefde, maar de droom van het samen ouder worden, heb ik stillekes aan naar de vuilnisbak verwezen, vrees ik.’

‘Een wederkerend refrein in mijn relaties: ge zijt verliefd op uw werk. Ik hoor dat al 20 jaar. En ik ben het beu dat te horen, ook al hebben ze een punt. Ik zou niet de mens zijn die ik was als ik mij niet zo totaal investeerde in dat werk dat ik geen werk wil noemen.’

In je werk ben je erg empathisch. Ooit te horen gekregen dat je met God en klein pierke begaan was, maar niet met je directe naasten?
Van Malder: ‘Herkenbaar, ja.’

De stiltes worden langer, de lach wranger. Tot er alleen nog maar muziek weerklinkt in Hellebosch. ‘And you can have it all, my empire of dust. I will let you down, I will make you hurt.’

Van Malder: ‘Johnny Cash. Groot kunstenaar en dat kwam ook niet uit het niets. Je zult als klein jongetje maar een vader hebben gehad die bij de dood van je broer zegt: “Het is de verkeerde die gestorven is”.’

Lecompte: ‘Ik was 14 en al mijn leeftijdsgenoten waren zot op ‘Smells Like Teen Spirit’. Ik wilde alleen maar Manic Street Preachers horen. All we want from you are the kicks you’ve given us.’

Van Malder: (met zijn Radio Gaga-stem) ‘En aan wie wil je dit plaatje opdragen, Delphine?’

Lecompte: ‘Aan mijn mama, natuurlijk.’

Motten vliegen zich te pletter in de lantaarn, de laatste lichtbron, op de sterren na. De nacht breekt aan. De nacht breekt, tout court.
Maar het wordt altijd weer licht.

Bron: De Standaard

Apen apen onze seks op apegapen na

Ik weet dat je in de zoo rondhangt
Terwijl ik op de trein mijn angst verbijt
Tegenover mij zit een onheilspellende man
Vijf minuten geleden zei hij ongevraagd:
‘Ik ben een onheilspellende man!’
Hij leest een Spaanse krant en eet een croissant.

Naast mij zit een psychiater
Een minuut geleden beweerde hij:
‘Ik ben gisteren aan de dood ontsnapt!’ ‘
Welke dood?’ vroeg ik
‘Er is er maar 1’, antwoordde hij snibbig
Daarna negeerde hij me ostentatief
Hij at noch las.

Je bent nu aan de apen beland
Meld je me via de mobiele telefoon
Ze masturberen hun spiegelbeelden
Zoals verdachten die geïdentificeerd moeten worden
Jij ziet hen

En zij doen waar ze goed in zijn.

Ik ben nergens goed in
In reizen nog het minst
Eindelijk aangekomen in de ondergesneeuwde drugsmetropool
Verlang ik niets meer
Alleszins geen roes
Lasagne is goed.

De journalist eet vlug
Alsof zijn onberekenbare neef hem op de hielen zit
Ik eet traag.

Delphine Lecompte

 

 

 

Vrolijke verzen

Vrolijke verzen

Humo’s huisdichter Johan Sebastiaan Stuer ligt nu ook in de betere boekhandel met ‘100 vet vrolijke verzen’: ‘Suïcidaler ben ik er niet van geworden. Rijker vooralsnog ook niet’

Door zijn uitgeverij wordt Johan Sebastiaan Stuer omschreven als ‘een chronisch depressieve levensgenieter’. Maar fijnproever Otto-Jan Ham is een fan: ‘Het moet van Herman Van Rompuys haiku’s geleden zijn dat ik nog zo hard heb moeten lachen om poëzie.’

HUMO Proficiat met uw bundel! Hoe voelt dat?
Johan Sebastiaan Stuer «Om heel eerlijk te zijn voel ik me exact hetzelfde als altijd: existentieel wanhopig, lusteloos, drankzuchtig en een beetje moe. Maar het is natuurlijk wel prettig dat er nu een boekje in de winkels ligt met mijn naam op de cover. Suïcidaler ben ik er niet van geworden. Rijker vooralsnog ook niet.»

HUMO Hoe bent u op het idee gekomen om vet vrolijke verzen te schrijven?
Stuer «Ach, ik doe dat al meer dan twintig jaar, vraag me niet waarom. Uit verveling, denk ik. De jongste jaren gooide ik die versjes op Twitter en op Instagram. Ik vond het allang prima als ik er één of twee likes voor kreeg. Toen de doorluchtige heren Jonas Geirnaert en Guy Mortier me vroegen om huisdichter van Humo te worden, viel ik compleet uit de lucht.»

HUMO Was Humo’s huisdichter worden geen droom die uitkwam?
Stuer «Toch wel. Ik ben al zolang als ik me kan herinneren abonnee. Willen jullie veel groetjes doen aan Dwarskijker? En aan Cornelius Bracke, als die nog leeft?»

HUMO Corneel verkeert nog steeds in het land der levenden, maar heeft sinds zijn 90ste verjaardag wel wat last van zijn prostaat. Hoe begint u aan een vers? Zit u veel op rijmwoordenboek.net?
Stuer «Die website is mij volslagen onbekend. Alle rijmpjes komen rechtstreeks uit de schatkamers van mijn eigen geest. Meestal vertrek ik vanuit één zinnetje, de zogenaamde punchline. Maar het kan ook gewoon een woord zijn. Of een letter. Of een leesteken. Of een witregel. Het komt zoals het komt.»

HUMO En wat als het niet komt? Is het moeilijk om inspiratie te blijven vinden?
Stuer «Nee, hoor. Poëzie ligt op straat, zeg ik altijd. Mijn bundel is het resultaat van selecteren, selecteren en nog eens selecteren. Alleen het allerbeste is goed genoeg voor mijn lezers, wie die debielen verder ook mogen zijn. Maar het boek had net zo goed ‘Vijfhonderd vet vrolijke verzen’ kunnen heten. Alliteratorisch ware dat ook beter geweest. Maar er wordt al genoeg papier verspild, dat hoef ik jullie niet te vertellen.»

HUMO Komt er een vervolg?
Stuer «Wie zal het zeggen? Misschien wil ik eerst mijn cartoonistische vaardigheden perfectioneren. Ik kan totaal niet tekenen, maar ik heb toch al één zelfgemaakte cartoon gepubliceerd. In Humo, jawel. Die cartoon ging over een chassidische hond. Dus dat was lachen.»

HUMO Om even terug te komen op de lezers, voor wie schrijft u uw verzen?
Stuer «Geen idee. Ik heb niet echt een doelgroep voor ogen, als je dat bedoelt. Geld is geld, dus iedereen mag mijn boek kopen. Wat kan het mij schelen welke kleur of geloofsovertuiging iemand heeft? Het zijn toch allemaal rotzakken.»

HUMO Van welke dichter bent u zelf fan?
Stuer «Ik lees eigenlijk nooit poëzie. Dichters zijn zeer vervelende mensen. Telkens als er weer eens een Grote Dichter twintig, vijftig of honderd jaar dood is, wou ik dat hij nog twintig, vijftig of honderd jaar lánger dood was geweest. Dichters kunnen niet dood genoeg zijn, echt waar.»

HUMO Vindt u zichzelf dan ook vervelend? Of ziet u zichzelf niet als poëet?
Stuer «Ik zie mezelf in de eerste plaats als freelance onnozelaar. Zo staat het op mijn visitekaartje.»

HUMO En ziet u uw eigen werk als poëzie?
Stuer «Natuurlijk zie ik mijn werk als échte poëzie. Alleen al om de puristen en de Radio 1-luisteraars op de zenuwen te werken.»

HUMO Wat zijn uw toekomstplannen als freelance onnozelaar?
Stuer «Toekomstplannen heb ik in het geheel niet, want ik geloof niet in de toekomst. Ik leef van dag tot dag. Wat moet ik anders?»

HUMO Ondanks uw ‘onnozeliteiten’ zit er ook wel maatschappijkritiek in uw verzen. Is dat het doel: op een luchtige manier toch zaken aankaarten?
Stuer «Ooit wil ik in een meerstrofig gedicht de voedingsindustrie met de grond gelijkmaken. Ik erger me kapot aan de voedingsindustrie. Maar voor de rest heb ik weinig tot geen maatschappijkritische drijfveren. Als het maar rijmt, weet je wel.»

HUMO Vanwaar die onmin met de voedingsindustrie?
Stuer «Ik ben veganist. Dat betekent dat ik tegen dode dieren ben. Iedereen die het niet met mij eens is, heeft overschot van ongelijk. Ik ben daar heel onuitstaanbaar in.»

HUMO Is de titel van de bundel ironisch? Bijlange niet alle verzen zijn écht vrolijk.
Stuer «Het was eigenlijk mijn bedoeling om de bundel een relativerende ondertitel mee te geven: ‘Gemaakt in een bedrijf waar ook verdriet wordt verwerkt’. Maar voor de cover was hij te lang en we zijn domweg vergeten hem op de titelpagina te zetten.»

HUMO En vanwaar de keuze voor een fictieve 19de-eeuwer als afbeelding bij de verzen?
Stuer «Dat was een idee van mijn ontdekker en vaste voorwoordschrijver Jonas Geirnaert. Hij heeft die afbeelding op het internet gevonden. De ernst op die 19de-eeuwer zijn smoel contrasteert mooi met de soms ietwat banale onderwerpen die ik in mijn verzen behandel. Op het eerste gezicht verwacht je van die man geen poëzie over Beyoncé. Of over rodekool.»

HUMO Wat zijn uw favoriete verzen uit het boek?
Stuer «Moeilijk te zeggen. Het gedicht ‘Samenleving’ vat mijn wereldbeeld vrij goed samen:

Eeuwig branden in de hel
Is stukken minder wreed
Dan meedoen aan ’t gezelschapsspel
Dat Samenleving heet

Of anders misschien ‘Tinder’, een liefdesgedicht:

Ze houdt van ‘Thuis’ en jazzballet
Ik ga wel met mezelf naar bed

Je merkt: voor elk wat wils.»

Johan Sebastiaan Stuer, ‘100 vet vrolijke verzen’, Borgerhoff & Lamberigts

Bron: HUMO

Misschien moet ik mijn knipooggedichten toch ook maar eens laten uitgeven…

De boeken van Yuval Noah Harari

De boeken van Yuval Noah Harari

Ook deze zomer is in veel vakantiekoffers leergierig plaats ingeruimd voor ‘Sapiens’ en ‘Homo Deus’, de bestsellers van de Joodse historicus Yuval Noah Harari (42) over het verleden en de toekomst van de mensheid. De schrijver reist niet minder dan zijn werk de wereld rond: universiteiten, bedrijven en overheden hengelen massaal naar zijn inzichten in de gang der dingen. Tussen al dat kamerbreed duiden en wereldwijd voorspellen door hebben Harari en zijn superieure intelligentie de tijd gevonden voor nog een boek (‘Dit keer over onze tijd, het verschijnt aan het eind van de zomer’) én voor een zeldzaam interview.

‘Goh, 10 miljoen boeken in 50 talen. Of zo.’ Yuval Harari haalt de schouders op als ik informeer naar de tussenstand van de verkoop van ‘Sapiens’. Het wonderlijke succesboek, ontstaan uit aantekeningen voor colleges aan de Universiteit van Jeruzalem, balt tweehonderdduizend jaar menselijke geschiedenis samen op 400 lucide bladzijden. Het oogstte lof van Barack Obama, Bill Gates, Mark Zuckerberg, opvallend veel enthousiastelingen in Humo’s eindejaarsvraagjes, en u.

HUMO Hebt u zelf een verklaring voor dat immense succes?
Yuval Noah Harari «Ik weet wel zeker dat er veel geweldige boeken bestaan waar niemand ooit van gehoord heeft, ik heb dus geluk gehad. Daarnaast helpt het vast dat ik het boek zo toegankelijk mogelijk heb gehouden, zodat niet alleen universiteitsstudenten maar ook intelligente en nieuwsgierige 16-jarigen het kunnen lezen. En verder was er simpelweg nood aan een boek als ‘Sapiens’, omdat we in een geglobaliseerde wereld leven. Wie vandaag zijn leven wil begrijpen, heeft een globaal perspectief nodig. Daarin schieten de meeste geschiedenisleraars en geschiedschrijvers tekort, zij kiezen voor een veel enger perspectief.»

HUMO Er zijn wel meer boeken die als een satelliet boven de mensheid hangen, dus moet er nog een andere verklaring zijn. Misschien wel dat u in uw werk ook geluk bij de zaak betrekt. Verfrissend, want zeldzaam in geschiedschrijving.
Harari «Geschiedschrijving is begonnen als een politiek project en is lang niet meer geweest dan dat: eerst lieten koningen en heersers geschiedenisboeken schrijven om hun successen voor de eeuwigheid in de herinnering te houden, daarna werd de geschiedschrijving gekaapt door politieke bewegingen als het nationalisme en het communisme. En politiek draait nu eenmaal om macht, niet om geluk. Dus gaat het, van Herodotus en de bijbel tot de geschiedenisboeken van vandaag, aldoor over het veroveren en vergroten van macht: hoe kwam Julius Caesar aan de macht? Hoe wist Duitsland de macht zo lang te behouden? Hoe kon de macht van de kapitalisten zo uitbreiden? Dat zijn de hoofdvragen. Geluk werd vergeten, compleet onder het tapijt geveegd. Het wordt zelfs bijna als onwetenschappelijk beschouwd om het erover te hebben. Macht kunnen we immers in statistieken vatten en op kaarten tonen, maar hoe begin je zelfs maar te praten over geluk? Er is niet eens één sluitende definitie.»

HUMO U stelt vast: het geluk van de mens wordt niet beduidend groter in de loop van de geschiedenis.
Harari «Er gaapt een kloof tussen macht en geluk: de mens is door de eeuwen heen heel goed geworden in het verzamelen van macht, in het creëren van steeds krachtiger werktuigen om controle te krijgen over zijn omgeving, andere dieren en zijn buren. Maar de mens is nooit goed geworden in het omzetten van macht in geluk. En daarom zijn we in de loop der tijden wel duizend keer machtiger geworden, maar niet beduidend gelukkiger.
Het probleem ligt in onze aard. De basisreactie van de menselijke geest is: verlangen naar meer, altijd maar meer. Als je onze voorouders in de middeleeuwen zou vertellen hoe ons leven er vandaag uitziet, zouden ze zeggen dat wij in het paradijs leven en dat we wel van ’s morgens tot ’s avonds moeten lopen zingen en dansen: we hebben genoeg te eten, er is geen oorlog, we leven steeds langer – geweldig! Maar we zitten níét de hele dag op een roze wolk. We vinden het maar normaal dat we de koelkast opendoen en al dat geweldigs aantreffen. We vinden alles vanzelfsprekend en vervolgens breiden onze verwachtingen en verlangens alleen maar uit: we willen nog dit doen, dat zien, en dit en dat hebben.»

HUMO U wijst beschuldigend naar het liberale humanisme, zoals u de dominante ideologie van vandaag noemt. Hebben we nood aan verandering?
Harari «Als je de hele geschiedenis overschouwt, is het liberale humanisme zonder twijfel de beste ideologie die we ooit gehad hebben: nooit eerder zijn we erin geslaagd het menselijke lijden meer te reduceren. Maar het heeft natuurlijk ook veel lijken in de kast zitten.
Naarmate de 21ste eeuw vordert, zullen de nieuwe technologieën de omstandigheden veranderen waarin het liberale humanisme kon opbloeien. Om te overleven zal het zich moeten aanpassen. Democratie, vrije verkiezingen en vrije markt zijn ontwikkeld in harmonie met de omstandigheden van de moderne industriële maatschappij, met treinen en stoommachines, auto’s en tv. Maar die concepten zijn niet aangepast aan een wereld met geavanceerde biotechnologie en artificiële intelligentie. En de eerste glimpen van toekomstige problemen zijn vandaag al zichtbaar, bijvoorbeeld in het schandaal van Cambridge Analytica.
Wat gebeurt er met de liberale democratie als het mogelijk wordt genoeg data te verzamelen en genoeg gegevensverwerkende kracht in de strijd te gooien om mensen te hacken?»

HUMO Hacken? Als in illegaal inbreken en gegevens stelen?
Harari «Jazeker! Er wordt veel gesproken over het hacken van computers, smartphones en e-mailaccounts, maar ook mensen kunnen we nu echt kraken, omdat we begrijpen hoe menselijke gevoelens werken. Uiteindelijk is de liberale democratie gebaseerd op de autoriteit van gevoelens, niet van rationaliteit. Bij verkiezingen wordt mensen niet gevraagd wat ze denken, maar wat ze voelen. Dus als iemand effectief genoeg gevoelens kan manipuleren, kan die een emotionele poppenkast organiseren. Dat is in wezen heel simpel, door bestaande vooroordelen, haat en angsten te mobiliseren. Het is natuurlijk moeilijk om haat of angst uit het niets te creëren, dus leert men eerst met de hulp van instanties als Cambridge Analytica mensen en hun bestaande vooroordelen en angsten kennen, om die vervolgens als wapen in te zetten. Bij de laatste Amerikaanse presidentsverkiezingen hebben we gezien dat het werkt.
De vraag is hoe we de liberale democratie aanpassen aan een wereld waarin gevoelens gemanipuleerd kunnen worden op een schaal die twintig jaar geleden simpelweg onvoorstelbaar was. Als we geen antwoord op die vraag vinden, zal de liberale democratie in de 21ste eeuw zo verouderd zijn als het feodalisme dat was in de 19de eeuw. Niet eens omdat er iets verkeerd mee is, maar simpelweg omdat het niet aangepast is aan de nieuwe omstandigheden.»

HUMO Intussen is er wel degelijk iets verkeerd mee: de geldzucht is ontspoord en vreet het liberale systeem van binnenuit aan. Hebt u het daar niet over gehad toen u in Davos ging spreken?
Harari (knikt) «Het liberale humanisme is geëvolueerd in een bondgenootschap met het kapitalisme en het consumentisme. Veel van de lijken in de liberale kast zijn het gevolg van die alliantie. Of het nu gaat over hoe we ons gedragen hebben tegenover het ecologische systeem of tegenover andere dieren, of over wat westerse imperia over de hele wereld uitgespookt hebben in naam van de vooruitgang en de verspreiding van de vrije markt en de idealen van de verlichting. Een groot probleem, zeer zeker, maar zonder die alliantie met het kapitalisme zou het liberale humanisme nooit de dominante ideologie geworden zijn in zo’n groot stuk van de wereld.
Het gevaar bestaat dat in de loop van deze eeuw het kapitalisme en het liberalisme elk hun eigen weg gaan. Hun bondgenootschap is immers niet zozeer gebaseerd op een ethische overeenkomst als wel op het praktische idee dat mensen vrijheid geven goed is voor de economie. Dat een vrije markt beter werkt dan een dictatoriaal gecentraliseerd systeem zoals men dat in de Sovjet-Unie heeft geprobeerd. En dat verdraagzaamheid goed voor de zaken is, omdat zo het initiatief en de ideeën van verschillende mensen in de economie ingeschakeld worden.
In de laatste decennia zag je een golf van liberalisering over de wereld rollen – Zuid-Amerika, het Midden-Oosten, Rusland – en meestal waren de veranderingen in die veelal dictatoriale regimes niet geïnspireerd door een diep geloof in de liberale waarden, maar eerder door het idee dat de economie en de maatschappij moeten worden geliberaliseerd om economische groei te krijgen. En het werkte nog ook, in zekere mate. Maar in de 21ste eeuw zien we dat bondgenootschap misschien stranden, als liberalisering niet langer noodzakelijk is voor een efficiënte groei-economie. Dat wordt de echte crisis van het liberalisme: wat gebeurt er als die alliantie met het kapitalisme breekt? Zal het geloof in liberale waarden op zich genoeg zijn om de liberale maatschappij in stand te houden? Als dat niet zo is, rest alleen het stuurloos geworden geldgewin dat vandaag hier en daar al regeert.»

CHINOISERIE

HUMO Hoe kijkt u met uw satellietblik naar de wereld van vandaag?
Harari «We zijn nauwelijks bezig met de echt grote problemen die onze kant op komen, we zijn er ons niet eens van bewust. Volgens mij wordt de grootste revolutie van de 21ste eeuw de samensmelting van de informatietechnologie en de biotechnologie. Vandaag lijken dat twee verschillende revoluties te zijn: er vindt een enorme vooruitgang plaats in de informatica, met de opkomst van zelflerende systemen, big data, artificiële intelligentie en dergelijke. Tegelijk, schijnbaar parallel, zien we gigantische stappen voorwaarts in de genetica, de hersenwetenschap, het ontcijferen van het lichaam.
We zijn nu erg dicht bij het punt dat die twee parallelle revoluties zullen samenvloeien tot één revolutie. De immense gegevensverwerkende kracht die ontwikkeld is door de informatietechnologie zal gebruikt worden om mensen te hacken, hen beter te begrijpen dan zijzelf, te doorgronden hoe het leven werkt en uiteindelijk nieuw leven vorm te geven. Als dat er echt van komt, is dat het belangrijkste in de geschiedenis sinds het begin van de geschiedenis én het belangrijkste in de biologie sinds het begin van de biologie. Omdat die revolutie het einde betekent van de organische evolutie door natuurlijke selectie. We worden goden, die leven kunnen creëren, die zichzelf kunnen ontwerpen.»

HUMO En dat zal gebeuren, onvermijdelijk?
Harari «Onvermijdelijk is dat artificiële intelligentie en biotechnologie de wereld gaan veranderen, voorbij onze wildste dromen. Op welke manier precies, dat ligt niet onherroepelijk vast. We kunnen nog altijd impact hebben, daarom kunnen we ons maar beter bewust zijn van wat op ons afkomt. Het schandaal met Cambridge Analytica ging uitsluitend over elektronische data: mijn Facebook-account, wat ik koop, wie mijn vrienden zijn. Maar de echt cruciale data gaan niet over welke kattenfilmpjes ik op Facebook bekijk, wel over wat er in mijn lichaam en in mijn brein gebeurt. En als die biometrische data gehackt worden, krijg je een totaal ander verhaal. Dat kan dus binnen tien jaar. Het is dan ook verontrustend dat zulke kwesties ontsnappen aan het politieke debat, en zelfs aan het besef van de meeste regeringen.»

HUMO Laat me onze Peter Hinssen citeren: ‘De meeste mensen weten niet wat er op ons afkomt. Ik ben net terug uit China: daar voel je het wél.’ In Peking weten ze dus wel hoe het zit en in Washington niet?
Harari «Klopt. En dat is alarmerend, want uiteindelijk is de belangrijkste taak van de politiek om te voorzien in een toekomstvisie. Maar in plaats daarvan zijn politici in het grootste deel van de wereld vandaag bezig met nostalgische fantasieën over het verleden: Trump heeft het over ‘Amerika opnieuw groot maken’, in Rusland gaat het over een terugkeer naar het tsaristische imperium, in de Europese Unie is iedereen plots verrukt over de kleine natiestaten uit de 19de eeuw, en in het Midden-Oosten barst het van de fundamentalistische religieuze visies – van Israël, over Turkije en Iran, tot het hindoenationalisme in India toe. Ook dat heeft niet de toekomst: God is wel degelijk dood, het kost alleen wat tijd om Zijn lijk af te voeren. Het is dramatisch dat iedereen terugblikt in plaats van, zoals China, te proberen een toekomstvisie van betekenis te formuleren.»

HUMO Silicon Valley ligt niet in China. Is dat dan geen troef voor Amerika?
Harari «De overheid en de private ondernemers, dat zijn verschillende werelden. Washington heeft voor zover ik weet geen enkele visie op de wereld in 2050, Silicon Valley wél. Het is in theorie niet de taak van private ondernemingen om met een visie op de toekomst van de mensheid te komen, dat is de verantwoordelijkheid van het politieke systeem. Maar als dat daar niet in slaagt, dan komt het de ondernemingen toe. Het probleem is dan wel dat alléén zij dat doen. Want niemand heeft voor Mark Zuckerberg gestemd, hij vertegenwoordigt niemand.»

HUMO En hij denkt in de eerste plaats aan winst.
Harari «Zo werkt het nu eenmaal. Als Mark Zuckerberg of Elon Musk een toekomstvisie ontwikkelen, zal die ook inhouden dat hun bedrijf en zijzelf er rijker van worden. Als je dat niet fijn vindt, moet je hun toekomstvisie niet aanvallen, maar zelf met een alternatieve toekomstvisie komen en daar mensen van proberen te overtuigen.»

DENKEN IN VERHALEN

HUMO De rode draad in ‘Sapiens’ is het dubbele talent dat de mens van andere levende wezens onderscheidt: wij kunnen samenwerken en wij kunnen in verzinsels geloven.
Harari «Mijn overkoepelende stelling is dat de mens de heerschappij over de wereld gevestigd heeft dankzij zijn talent om samen te werken. En samenwerking is uiteindelijk gebaseerd op een gedeeld geloof in mythologieën, fictie, verzonnen constructies. Dat gaat dan niet alleen over de oude Grieken die in Zeus en co. geloofden, maar bijvoorbeeld ook over alle mensen die vandaag geloven in bedrijven en geld. Want zelfs de moderne economie is gebaseerd op gedeelde verhalen: die van het kapitalisme. De belangrijkste krachten van de wereld hebben altijd alleen in onze gedachten en onze verbeelding bestaan.»

HUMO U schakelt ideologieën en religies gelijk. Gedurfd, maar niet onlogisch.
Harari «Uiteindelijk zijn het allemaal variaties van hetzelfde. Cruciaal is dat die verhalen mensen verenigen en de krachten doen bundelen. Zo heeft elke natie haar eigen mythologie, net zo goed als bijvoorbeeld het communisme of het liberalisme.»

HUMO We willen die verhalen ook niet kwijt, zo leert ‘Sapiens’: mensen zijn door de geschiedenis heen altijd op zoek gegaan naar nieuwe verhalen om hun leven en de wereld structuur te geven.
Harari «Zo denken mensen nu eenmaal. Wij zijn dieren die verhalen vertellen, we denken in verhalen.
Bijna alles wat we doen, is gebaseerd op denkbeeldige verhalen. Ook de mensenrechten zijn een fictie: mensen hébben niet echt rechten, dat is geen deel van onze biologie of ons DNA. Het is gewoon een geweldig verhaal, dat iemand niet eens zo lang geleden bedacht heeft en dat immens veel goeds voor de wereld heeft betekend. Maar het is gezond om te blijven beseffen dat het uiteindelijk gaat om verhalen die wíj verzonnen hebben – zelfs bij de goede verhalen, zoals dat van de mensenrechten – om te vermijden in het verhaal gevangen te raken als de situatie verandert. Zo zal door al die technologische ontwikkelingen de vraag van de mensenrechten steeds ingewikkelder worden. Als we allerlei supermensen beginnen te creëren, hebben die dan dezelfde rechten als mensen? Of als mensen rechten hebben, hebben supermensen dan superrechten? En als mensen het recht op leven hebben, betekent dat dan dat we elk technologisch middel moeten aanwenden om de dood tegen te gaan en het leven te rekken? Als je het op het meest eenvoudige niveau bekijkt, concludeer je: het recht op leven is een basisrecht, de dood is de meest heftige inbreuk op dat basisrecht, en dus moeten we mikken op onsterfelijkheid. Om verstandig met dat soort vragen om te gaan, is het heilzaam in het achterhoofd te houden dat het gaat om verhalen die mensen gecreëerd hebben, en dat we ze dus niet zomaar letterlijk als de ultieme waarheid mogen nemen. Wat goed werkte in de 20ste eeuw, kan in de 21ste eeuw een herijking nodig hebben.»

HUMO Ik vind uw nadruk op verhalen prettig, in een tijd die door de dorre cijfers van de wetenschap gedomineerd wordt.
Harari «Ik ben zelf wetenschapper en mag dit dus zeggen: het probleem met veel wetenschappers is dat ze denken de publieke opinie met feiten te kunnen overtuigen. Maar mensen denken in verhalen. Een goed voorbeeld is de opwarming van de aarde. Sommige wetenschappers gaan ervan uit dat iedereen het wel zal begrijpen als ze gewoon netjes de feiten op een rij zetten. Dat werkt dus niet. Je kunt alle feiten die je maar wilt voorleggen aan één of andere Republikein die meent dat de opwarming van de aarde een Chinese hoax is. De feiten op zich gaan die man niet van gedachte doen veranderen.
Wie mensen écht van idee wil doen veranderen, heeft een goed verhaal nodig. Eigenlijk zouden meer wetenschappers sciencefiction moeten schrijven, naast hun wetenschappelijke werk. Misschien moeten wetenschappers met artistiek talent daar twintig procent van hun tijd aan besteden. Een goeie sciencefictionfilm is politiek en maatschappelijk gesproken immers veel belangrijker dan de publicatie van een artikel in ‘Science’ of ‘Nature’.»

HUMO ‘Homo Deus’ is non-fictie, maar leest bijwijlen als dystopische fictie à la ‘1984’.
Harari «‘1984’ is kinderspel in vergelijking met de kant die het vandaag opgaat.»

SPIRITUELE QUEESTE

HUMO Qua huiver nog dit: u suggereert in ‘Homo Deus’ dat het evolutionair humanisme, dat het fascisme gecreëerd heeft, aan betekenis zal winnen in de 21ste eeuw.
Harari «Zodra we de macht hebben om leven te ontwerpen, steekt de visie van het evolutionair humanisme onvermijdelijk opnieuw de kop op. De meest extreme en beruchte vertegenwoordigers daarvan waren de nazi’s, die hun Übermensch probeerden te creëren met de zeer brute technologie van de 20ste eeuw, in de eerste plaats door wat zij als de Untermensch beschouwden uit te moorden. Met de revolutie in de biotechnologie openen zich nieuwe perspectieven voor dat soort denken, simpelweg omdat de technologie ons de mogelijkheid biedt om de natuurlijke selectie terzijde te schuiven. Zo komt het basisidee om bewust de mensheid te verbeteren vanzelf terug in de mode. Je hoofd in het zand steken en het allemaal niet willen weten, zal niet helpen. Het zál gebeuren: we krijgen te maken met supermensen, cyborgs of in een computer opgeladen menselijke geesten.»

HUMO Het is angstaanjagend dat we geen vrije wil hebben, dat we gehackt kunnen worden, dat we algoritmes zijn. Maar volgens wiskundige Cathy O’Neil hebben we wel degelijk nog een stem in het kapittel.
Harari «Dat denk ik ook. Een goeie strategie is jezelf beter te kennen dan de bedrijven en regeringen die je proberen te hacken. Hoe minder je jezelf echt kent, hoe kwetsbaarder je bent voor hun manipulaties. We hebben bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen gezien hoe makkelijk het is om de emotionele knop van mensen in te drukken, zelfs zonder dat ze dat beseffen. Als je je niet bewust bent van je eigen vooroordelen en angsten, kunnen die makkelijk als een wapen gebruikt worden om de discussie te polariseren en de maatschappij van binnenuit te verdelen. Maar hoe beter je jezelf begrijpt, en hoe minder je de illusie koestert dat je een rationeel wezen met een vrije wil bent, hoe moeilijker het wordt je te manipuleren.
Het besef dat de vrije wil een illusie is, is cruciaal. Als je jezelf ten gronde kent, begrijp je hoe weinig keus je echt hebt. Iedereen weet intussen wel dat de wereld buiten ons niet te controleren valt, maar tegelijk denken we nog wel onszelf volledig in de hand te hebben. Maar ga eens echt naar jezelf kijken. Dan besef je dat je je lichaam niet beheerst: jij beslist niet wat er in je lichaam omgaat. En vervolgens besef je dat je evenmin controle hebt over het meeste wat er in je brein omgaat. Onze basisverlangens hebben jij en ik niet zelf gekozen, die zíjn er simpelweg. En zelfs je reacties op je verlangens vallen niet onder je controle. Zo ook de volgende gedachte die tijdens dit gesprek bij jou en bij mij opkomt: wij hebben niet gekozen om uitgerekend die gedachte te denken.
Dat proces van zelfontdekking is cruciaal: het is erg goed om de megalomane fantasie te doorprikken dat je het bevel voert over jezelf. Die illusie werkt allerlei vreselijkheden in de hand. Omdat mensen denken dat hun verlangens het allerbelangrijkste ter wereld zijn, beginnen ze oorlogen, verwoesten ze ecosystemen – op jacht op het ritme van hun grillen. Maar als je je realiseert dat je niet gekozen hebt voor die verlangens, kan dat die gevaarlijke situatie ontmijnen.»

HUMO Nu raken we denk ik aan de kern van wat uw werk zo bijzonder maakt: u sloopt zekerheden, wijst op onze miezerige vergankelijkheid, en dat is heel verfrissend voor de lezer.
Harari «Ik vind het de taak van historici om mensen van het verleden te bevrijden, zodat ze een alternatieve toekomst kunnen zien. Ik wil niet zomaar een beeld van de wereldgeschiedenis presenteren, maar dat op zo’n manier doen dat de lezer met knagende vragen over zichzelf en de wereld achterblijft: alles waarvan je zeker was op het moment dat je begon te lezen, is aan het eind van je lectuur niet meer zo zeker (lachje).»

HUMO Zo zuiveren uw boeken de geest. Mag ik een link zien met uw meditatiepraktijk?
Harari «Ik zou mijn boeken niet hebben kunnen schrijven zonder mijn beoefening van vipassana-meditatie. Dat doe ik nu twintig jaar, ik heb het geleerd van leraar Satya Narayan Goenka. Elke dag mediteer ik twee uur, elk jaar doe ik gedurende een lange periode van 30 tot 60 dagen aan stiltemeditatie: geen computers, geen telefoons, geen gesprekken. Ik ben dan louter bezig met de observatie van de werkelijkheid: wat gebeurt er binnen in mij, in mijn geest en in mijn lichaam? Dat is niet altijd prettig, ’t is niet bepaald een Disneyfilm als je je ware zelf te zien krijgt. Maar zonder de helderheid en de focus die ik uit deze oefening puur, zou ik mijn boeken nooit hebben kunnen schrijven.»

HUMO De schrijver zit royaal in de boeken: dat u veganist, homo en Jood met een zwak voor boeddhisme bent, heeft uw discours getekend.
Harari «Wie ik ben, heeft me geholpen om niks als vanzelfsprekend te zien, zelfs niet wat iedereen voor waar en juist aanneemt. Natuurlijk moet een wetenschapper naar objectiviteit streven, maar deel daarvan is je heel bewust te zijn van wie je bent en wat je vooroordelen zijn.»

HUMO Het resultaat is een tweeluik dat een groots vertoog met een wereldvisie presenteert. Zou het kunnen uitgroeien tot een verhaal, een ideologie, een religie zoals u die in ‘Sapiens’ door de geschiedenis heen ontwaart?
Harari «Ik hoop dat het geen religie wordt (lacht). Ik denk dat we spiritualiteit en religie van elkaar moeten scheiden. Spiritualiteit gaat over vragen, religie over antwoorden. Iets wordt een religie als mensen stoppen met vragen stellen: dit is het verhaal dat je moet aanvaarden, en that’s it. Ik achtervolg een grote vraag als ‘Wie ben ik?’ of ‘Wat is vrijheid?’ of ‘Wat is het goede leven?’ tot waar ze me ook brengt, zonder het antwoord van tevoren te weten. Dat is een spirituele queeste: ik volg eerder de vraag dan mijn antwoord. Zo ondernemen mijn lezers hopelijk ook een soort queeste. Ik hoop dat mensen na de lectuur van mijn boeken gaan nadenken over de grote vragen die ik ter sprake breng en ermee bezig blijven. Of ze mijn antwoorden aanvaarden of niet, is veel minder belangrijk.»

HUMO U schrijft zelf ook aan het eind van ‘Homo Deus’: misschien ben ik verkeerd.
Harari «Ik weet niet hoe de wereld er over vijftig jaar zal uitzien. In het boek verken ik verschillende mogelijkheden, die niet allemaal werkelijkheid kunnen worden omdat ze elkaar tegenspreken.»

HUMO Tot slot: heeft uw derde boek exact te bieden wat de titel ‘21 lessen voor de 21ste eeuw’ belooft?
Harari «Het gaat over het nu. Het eerste boek ging over het verleden, het tweede over de toekomst, het derde over vandaag. Het gaat in op onze onmiddellijke besognes, het gaat over wat er in de volgende vijf à tien jaar zal gebeuren. Ik probeer met de inzichten uit mijn twee vorige boeken mijn voordeel te doen in de discussies van vandaag – over nepnieuws, de immigratiecrisis in Europa, het terrorisme.»

HUMO Wordt het een optimistisch of opnieuw een angstaanjagend boek?
Harari «Maar ik bén helemaal niet pessimistisch! Het is niet omdat we artificiële intelligentie hebben uitgevonden, dat het onvermijdelijk is dat de robots ons zullen vermoorden of tot slaaf maken. Nee, er is zoveel dat je kunt doen met artificiële intelligentie. Het hangt er simpelweg van af waarvoor mensen zullen kiezen. Voor de immigratiecrisis geldt hetzelfde: het is níét onvermijdelijk dat de EU zal instorten, dat honderden miljoenen Afrikanen Europa zullen overspoelen en de Europese beschaving zullen vernielen. Niets staat vast.
Je kunt technologie gebruiken voor zeer verschillende doeleinden. We zagen dat al in de 20ste eeuw: dezelfde technologie – treinen en elektriciteit en zo – werd aangewend voor een communistische dictatuur, een fascistoïde regime en een liberale democratie. Het zal niet anders zijn in de 21ste eeuw. Kijk naar het evolutionair humanisme en het verlangen om supermensen te creëren: sommige verbeteringen aan het menselijk lichaam zijn simpelweg góéd. Als we bijvoorbeeld van kanker kunnen afraken, waarom niet?»

HUMO Ik moest het u even vragen van Steven Pinker, die in ‘Enlightenment Now’ stelt dat we te pessimistisch zijn.
Harari «Pinker voert een nuttige correctie op foute aannames door, ik heb zijn boek graag gelezen. Het is goed om de verbazingwekkende successen van de mensheid in gedachte te houden, maar het is óók goed om de gevaren van toekomstige evoluties te beklemtonen.
Pinker doet alsof iedereen pessimistisch is over de toekomst, maar in zijn focus op mensen van de departementen literatuur, geschiedenis en genderstudies ziet hij over het hoofd dat ten minste één zeer belangrijk deel van de wereld principieel optimistisch is: de beurs is optimistisch over de economie, de grote bedrijven in Silicon Valley zijn optimistisch over artificiële intelligentie, de olie- en gasbedrijven zijn zeer optimistisch over hoe het moet met de klimaatverandering. Er is een hele industrie die de beloftes van de nieuwe technologie bejubelt. Als je een start-up in Silicon Valley bezit, ga je je investeerders niet wegjagen door de gevaren van artificiële intelligentie in de verf te zetten. Omdat de private sector de positieve mogelijkheden benadrukt, wordt het de taak van sociale wetenschappers, filosofen en historici om de balans in evenwicht te brengen, en ons te herinneren aan de problemen en gevaren die inherent zijn aan de nieuwste ontwikkelingen.
Daarom doe ik wat ik doe, maar dat wil nog niet zeggen dat ik een pessimist ben. Nog één voorbeeld: het zou toch fantastisch zijn als we door mensen bestuurde voertuigen echt kunnen vervangen door zelfrijdende auto’s? Vandaag sterven elk jaar 1,25 miljoen mensen in het verkeer, dubbel zoveel als er jaarlijks om het leven komen door misdaad, oorlog en terreur samen. En ruim 90 procent van die verkeersdoden is het gevolg van menselijke fouten. In een wereld met zelfrijdende voertuigen zouden dus elk jaar een miljoen levens gespaard worden. Dat is zonder meer fantastisch, toch?»

Boeken: ‘Sapiens: een kleine geschiedenis van de mensheid’ en ‘Homo Deus: een kleine geschiedenis van de toekomst’ zijn uit bij Thomas Rap.

Bron: HUMO

 

 

Snel leven

Snel leven

Wie snel loopt, loopt aan alles voorbij.
Wie snel leeft, leeft helemaal niet.
Hij verslindt het leven,
maar het leven verrijkt hem niet.

Elk mensenleven is een reis,
en reizen is een kunst.
Men moet de dingen de tijd gunnen
zich aan ons voor te stellen,
en dingen zijn nooit gehaast.
Wie veel wil zien op korte tijd,
ziet niets meer:
alle dingen die te vlug bekeken worden,
beginnen op elkaar te gelijken.
Ze smelten in elkaar weg,
zoals de struiken langs een sneltrein
versmelten tot de eentonigheid
van een groene streep.

Wie zich de tijd gunt
voor aandachtige beschouwing
ontdekt tot zijn verwondering
hoe het geringste “alles” bevatten kan,
een wereld op zich.

Libert Vander Kerken

Behoeft geen uitleg, want wie dit ter harte neemt herkent dit, en wie het niet ter harte neemt, zal dit gedicht waarschijnlijk ook niet lezen, en zeker ook niet begrijpen.

Woorden in de nacht

Woorden in de nacht

Voel je hoe ik naar je toe kom?
Je bent naakt in den nacht.

Wacht ik doe eerst een doek om.
Nog niet, nog niet.

Liefkoos mij, zacht.
Zeg dat je mij mooi vindt
En alleen door te strelen
In ’t donker, mij ziet.

Zullen wij spelen,
Dat wie ’t eerste lacht,
Moet ondergaan
Wat de ander bedacht?

O, laat het doorgaan,
Totdat wij doodgaan.
Alles wat hierna komt
Is niets dan Dood, vermomd
in schijn van Leven.

Neem mij weer, wacht nog even.

Jan Jacob Slauerhoff

J. Slauerhoff Biografie

De arts Jan Slauerhoff is één van de belangrijkste dichters van het Interbellum. Zijn verzen worden gekenmerkt door Weltschmerz en eeuwig verlangen. Zijn verhalen en romans spelen zich af in exotische oorden, die hij als scheepsarts bezoekt. In zijn korte leven heeft Slauerhoff de nodige literaire contacten en publiceert hij veel. Slauerhoff, die vanaf zijn geboorte ziekelijk is, sterft jong aan tuberculose.

Jeugd

Jan Jacob Slauerhoff wordt in een zich snel opwerkend middenstandsgezin geboren als vijfde van zes kinderen. Zijn vader is behanger en stoffeerder. Al vroeg heeft Slauerhoff last van astmatische aanvallen. De zomers brengt hij niet in zijn geboorteplaats Leeuwarden door, maar op het eiland Vlieland, waar zijn moeder Cornelia Pronker geboren is. Hij volgt in Leeuwarden de HBS en gaat daarna in Amsterdam medicijnen studeren. Zijn eerste gedichten verschijnen in Propria Cures. Hij laaft zich aan het werk en de levensstijl van Franse symbolistische dichters als Baudelaire en Verlaine. Hij is een tijdlang verloofd met Truus de Ruyter, een studente Nederlands, in 1923 wordt de verloving verbroken. Vanaf 1921 werkt hij mee aan Het Getij en De Vrije Bladen. Hij raakt bevriend met de Groningse dichter Hendrik de Vries en H. Marsman. In 1923 verschijnt zijn debuut: de dichtbundel Archipel. In datzelfde jaar studeert hij af. In het Friese Jorwerd komt hij in die tijd veel over de vloer bij de familie Hille Ris Lambers. Hij vat een sterke affectie op voor hun dochter Heleen. Zijn hele leven blijft Slauerhoff licht ontvlambaar voor vrouwelijk schoon.

Scheepsarts

Slauerhoff is geen gemakkelijk man: hij zoekt bescherming, maar zet zich daar ook weer tegen af. Tijdens zijn studie heeft hij veel vijanden gemaakt in de medische wereld. Zijn ouders zien hem het liefst als gevestigd huisarts in een stadje in de buurt, maar hij wordt scheepsarts bij een rederij die op Nederlands-Indië vaart. Zijn zwakke gezondheid speelt hem meteen parten: hij krijgt een maagbloeding en heeft veel last van zijn astma. Terug in Nederland werkt hij een tijd als waarnemer in een aantal praktijken. Daarna monstert hij aan bij de Java – China – Japanlijn en maakt reizen naar China, Hongkong en Japan. Voor de Koninklijke Hollandsche Lloyd gaat hij naar Zuid-Amerika. Met zijn gezondheid gaat het iets beter. Slauerhoff is enorm productief en publiceert een aantal dichtbundels op rij: Clair-obscur (1926), Oost-Azië (1928, onder het pseudoniem John Ravenswood), Eldorado (1928), Saturnus (1930), Yoeng Poe Tsjoe (1930) en Serenade (1930). Belangrijk is zijn vriendschap met Eddy du Perron, die hem helpt met het sorteren en bundelen van zijn grote productie.

Huwelijk

Terug aan de wal is Slauerhoff enige tijd werkzaam in de dermatologische kliniek van de Universiteit van Utrecht. In 1930 trouwt hij met de danseres en balletschoolhoudster Darja Collin. Soms woont hij bij haar in Den Haag, dan weer maakt hij korte reizen, intussen werkend aan zijn verhalen, gebundeld in Het lente-eiland (1930) Schuim en asch (1930), of de klassiek geworden romans Het verboden rijk (1932) of Leven op aarde (1934). Zijn gezondheid dwingt hem telkens weer het kalmer aan te doen. In 1932 gaat hij kuren in het Italiaanse Merano, gevolgd door zijn zwangere vrouw. Darja bevalt van een dode zoon, beide ouders zijn vervuld van verdriet en Slauerhoff raakt in een diepe depressie. In de jaren daarna verslechtert de relatie, ook door de hoge financiële druk van Darja’s school, waar Slauerhoff weinig aan kan doen. In 1935 wordt de scheiding uitgesproken.

Laatste jaren

In 1932 wordt Slauerhoff scheepsarts van de Holland-West-Afrikalijn, hij reist vijf keer op en neer naar de Afrikaanse Goudkust, hij blijft kwakkelen met zijn gezondheid. In 1934 vestigt hij zich voor een half jaar als arts in het nu Marokkaanse Tanger, waar het klimaat gunstig is en hij goed kan werken. Voor zijn dichtbundel Soleares (1933) krijgt hij in 1934 de Van der Hoogtprijs. Tijdens zijn laatste reis wordt hij heel ernstig ziek: hij krijgt malaria en heeft tuberculose opgelopen. Kuren in Merano baat niet meer, hij keert terug naar Nederland waar hij in Hilversum op 5 oktober sterft, kort na zijn 38e verjaardag en de publicatie van zijn laatste dichtbundel Een eerlijk zeemansgraf. Hij is gecremeerd en bijgezet op Driehuis-Westerveld.

Werk

In dertien jaar publiceert Slauerhoff een oeuvre van dichtbundels, verhalen en romans. Hij is bij uitstek een romantisch dichter, zijn gedichten getuigen van rusteloosheid, onvrede met het bestaan, heimwee naar het onbereikbare en een sterke vereenzelviging met outcasts, met mensen die niet met de maatschappelijke stroom meezwemmen. Ook zijn romans en verhalen zijn sterk geïnspireerd door de diverse werelddelen die Slauerhoff als scheepsarts tijdens ontschepingen heeft bezocht. Slauerhoff is, zeker als dichter, altijd populair gebleven, ook onder de jeugd. Tijdens zijn leven wordt hij door generatiegenoten als Du Perron, Vestdijk en Roland Holst bewonderd, maar er zijn ook critici die minder met zijn werk ophebben. Zijn gedichten zijn verzameld uitgegeven in 1947, zijn proza in 1961. Een aantal romans en verhalen is vertaald, in het Duitse taalgebied bevatten deze uitgaven een nawoord van Cees Nooteboom, een auteur die zich als een geestverwant van de dichter/ schrijver Slauerhoff beschouwt. Voor Slauerhoff. Een biografie (1995) heeft biograaf Wim Hazeu hij zich onder meer kunnen verlaten op herinneringen van Slauerhoffs jongste zus, die kort voor de verschijning overlijdt.

Op muziek

De Portugese fadozangeres Cristina Branco heeft een cd uitgebracht met vertalingen van Slauerhoffs gedichten. Zij wordt nagevolgd door de Friese fadozangeres Nynke Laverman die een cd maakt met Friese versies van de poëzie.

Bron: Bibliotheek.nl

 

 

 

Kunst

Met handen kun je alles: een sigaret
opsteken, haren strelen,
een borst aanraken, een borst niet aanraken –
dit allemaal opschrijven.

Men moest maar eens ophouden,
tenminste in de vakantie,
met daar zo’n, waardeonderscheid tussen te maken.

Herman de Coninck

Is waar, we kunnen allemaal wel iets met onze handen, en het ene is niet meer waard dan het andere, laat staan dat we dan ook het ene verheffen tot kunst, en het andere niet.
De middelen die we ter beschikking hebben kunnen wel een groot verschil maken, maar dan ligt het niet meer aan onze handen, maar aan ons verstand, aan talent, aan geld, aan toeval of zelfs aan al dan niet geluk hebben.
Dus wie zichzelf ooit kunstenaar wilt noemen, moet maar eerst eens bedenken, hoeveel anderen dat ook zijn, maar om de één of andere reden uit de boot gevallen zijn.
Er is dus nog veel kunst te ontdekken, ook in onszelf!