Geen daden maar woorden

Cyrano de Bergerac in tijden van Tinder
Geen daden maar woorden

De Standaard – Joke Van Caesbroeck

Kan je verliefd worden op iemand die je nog nooit hebt gezien, op basis van wat hij of zij aan jou schrijft? Noem het het Cyrano-syndroom: het verhaal van Cyrano de Bergerac en Roxane, maar dan in het chattijdperk.


Parijs, 1640. Cyrano de Bergerac is dichter, soldaat in het Franse ­leger, in het bezit van de lelijkste neus ter wereld en heimelijk verliefd op zijn nicht Roxane. Wanneer zij hem vertelt dat ze houdt van Christian de Neuvillette, een soldaat in Cyrano’s regiment, belooft Cyrano haar om hem te beschermen tijdens de oorlog. Aan Chris­tian belooft de dichter hem te helpen om de mooie Roxane voor zich te winnen. Hij schrijft prachtige liefdesbrieven naar zijn nicht, en laat de brieven door Christian ondertekenen. Wanneer Christian en Roxane elkaar ontmoeten, is het Cyrano, verstopt onder het balkon van zijn nicht, die Chris­tian de juiste poëtische woorden influistert. Na talloze brieven geeft Roxane aan Christian toe dat ze niet meer op zijn uiterlijk valt, maar verliefd is geworden op zijn ­innerlijk. Cyrano zwijgt.

Gent, 2017. Tot diep in zowat elke nacht chat ik met een schrijver uit Nederland. We hebben elkaar nog nooit gezien. We bestaan voor elkaar op lichtgevende schermen, waar onze woorden en zinnen elkaar kruisen en waar we elkaar schijnen te begrijpen.

We typen wat we luidop nooit zouden zeggen. De diepste gedachten, de grofste moppen. We gebruiken geen smileys. Pas wanneer we elkaar een hele tijd later voor het eerst zien, beseffen we dat we al lang daarvoor verliefd waren geworden. We moesten er alleen nog achterkomen of dat op elkáár was, of op de woorden en zinnen die we schreven náár elkaar.

Kunstmatig beeld

Het toneelstuk over Cyrano de Bergerac, in 1897 geschreven door Edmond Rostand en later ook verfilmd, is een legendarisch liefdesverhaal. Licht moraliserend ook: niet het fysieke telt, maar wie je bent, hoe je denkt. Doorgaans loopt er bij het lezen of horen van dergelijke zogenaamde levenslessen een beetje overgeefsel mijn mond in. Ik ben een grotere fan van de levensles van mijn grootmoeder, die altijd zegt: ‘Op een vent moet je kunnen kijken’. Maar het moet gezegd: iemand die je nog nooit ontmoette, nog nooit zag bewegen, nog nooit rook en wiens stem je nog nooit hoorde, kan je liefde winnen. Met tekst. Dat ondervond ik – niet aan den lijve dus – twee jaar geleden. En aan het begin van deze zomer gebeurde het nog eens. Deze man heb ik tot op heden nog niet gezien. Hij bestaat alleen in mijn hoofd, en ik alleen in dat van hem. We ­creëerden een versie van elkaar, een kunstmatig beeld. Eén dat door de realiteit alleen maar kan worden kapotgemaakt.

Want ziedaar het gevaar. Het is als die reis die je maanden voorbereidt en waar je je zoveel van voorstelt en die, eens ter plaatse, toch iets minder voorstelt. Als het huis waar je jezelf al in zag wonen, tot je het gaat bezichtigen en de functie van de groothoeklens genadeloos tot je doordringt. Niemand praat zoals hij schrijft. Niemand ís wat hij schrijft. Met dat besef kun je twee kanten op. Of je beslist het beeld het beeld te laten, vrede te nemen met het platonische. Of, wanneer de hoop het wint van de angst voor ontgoocheling: je neemt een risico.

1655, Parijs. Roxane, een nonnetje in­tussen, rouwt om Christian die omkwam in de oorlog. Cyrano bezoekt haar wekelijks. Wanneer hij met een zware hoofdwonde, voor zijn grote liefde verstopt onder een hoed, een laatste keer bij Roxane langsgaat, vraagt hij of hij Christians laatste brief mag lezen. Hij weet dat Roxane die altijd bij zich draagt. Vervolgens zegt hij de brief, in het donker, uit het hoofd op. Roxane begrijpt ineens alles. Cyrano ontkent, dicht zijn laatste verzen luidop en sterft. Tragisch, maar mooi.

Tinder-bio

Geen stapels brieven meer anno 2019. Wel een telefoon. Of een laptop. Sms’en, Whatsapp-berichten, e-mails. Maar waar het tegenwoordig dikwijls allemaal begint: Tinder. Daar waar je je mooiste foto’s uploadt, maar waar je ook een korte tekst ter introductie van jezelf kan neerschrijven. De Tinder-bio. En natuurlijk, natúúrlijk kijken wij met zijn allen eerst naar de foto’s. Want mijn grootmoeder heeft natuurlijk, natúúrlijk gelijk. Maar dan mag een man er nog zo aantrekkelijk uitzien, wanneer er in de Tinder-bio een dt-fout staat, gevolgd door ­zeven smileys of een inspirational quote, dan veeg ik die knappe smoel naar links. Voor mensen die de app nog nooit van dichtbij zagen: naar links is slecht nieuws.

U kunt zich niet inbeelden hoeveel mannen van het leven genieten, samen nieuwe dingen willen ontdekken, wel al twee ­kiddo’s hebben, wanderlustig zijn en tevens ­lovers van van alles en nog wat, meestal van koffie, food en animals. Om van in slaap in te vallen. Hier en daar doet iemand een, ­bedoelde of niet bedoelde, tamelijk entertainende poging. ‘Op dit moment ben ik voornamelijk bezig met mijn ezels, maar ik wil ook wel tijd maken voor jou.’ Of: ‘Ik ben 1,62 meter maar ik geniet van de kleine ­dingen in het leven.’ En héél af en toe schrijft iemand iets waardoor ik voorzichtig naar rechts veeg.
Gent, 2019. Het is eind juni. Ik veegde naar rechts en chat met een man die lees­tekens gebruikt, smileys bant en me – foutloos – durft tegen te spreken. Er volgen pittige gesprekken. Na een week al de twijfel. Of we elkaar wel moeten ontmoeten, of we dan nog wel gaan kunnen dromen, fantaseren. Of we elkaar dan nog wel gaan schrijven.

We stellen uit. We wachten. We blijven schrijven. We maken ruzie. We verlangen. Eind augustus het besef dat we te lang wachtten. Halverwege september de aanvaarding. We zullen elkaar nooit zien. We zullen alleen blijven bestaan in elkanders droomwereld. We laten het beeld het beeld.
Tragisch, maar mooi.

Joke Van Caesbroeck

Omdat woorden

Omdat woorden
tekort schieten,
zijn er
de aanraking,
de streling,
de kussen,
en de beving
van het vrijen,
en het klaarkomen
in elkaar.

Micheline Baetens – 09.07.2018

Ecce homo

Ecce homo

Facebook – Roland Vromant – Vrijdag 13 september 2019

Tot de jaren zestig van vorige eeuw was nageslacht uitsluitend het gevolg van een natuurlijke ordening. De Kerk die zich graag als hemelse bemiddelaar op aarde opstelde, wilde bij deze ontwikkeling ook graag een duit in het zakje te doen. Pastoors gingen daarom, net als verkopers van stofzuigers langs bij pasgehuwde koppels om hen aan te sporen veel nieuwe parochiaantjes te produceren. Aldus hoopte men een dam op te werpen tegen heidenen en erger nog, tegen protestanten. God had strijders nodig om het voortbestaan van het ware geloof te verzekeren. Het resultaat van tweeduizend jaar bekeringsijver, veroveringen en inquisitie mocht niet te grabbel gegooid worden. Het was dus kweken geblazen voor de mensen van goede wil.

De godsvruchtige Vlaming deed met zijn eega wat van hem werd verwacht. Gedwee stond hij een zoon en een dochter af aan de clerus om negertjes te bekeren. Een andere zoon stuurde hij naar den troep. Hij realiseerde zich ook, dankzij de goede raad van de pastoor dat er gevaren loerden achter elke hoek en onder elk wiel. Vooral op een boerderij. Geplet worden door een tractor of vermorzeld in een dorsmachine was niet uitzonderlijk. Men kon beter op veilig spelen om de hoeve niet teloor te laten gaan en om de oude dag te verzekeren. Een mondje meer bood altijd extra zekerheid.
De gevestigde machten hadden allemaal belang bij deze door de Kerk geïnstigeerde kweek. De burgemeester was blij met de aangroei van onderdanen, de pastoor zag zijn hoogmis uitverkocht, terwijl het aantal recruten in het leger toenam.

In tegenstelling tot de buurlanden, was in België de scheiding tussen Kerk een Staat niet gedecreteerd. Dat maakte het wederzijds rugje krabben extra makkelijk. De burger had geen keuze, hij onderging noodgedwongen het traject dat voor hem en zijn kinderen werd bekokstoofd.

In het dorp waar ik woonde waren twee lagere scholen. Een meisjesschool en een jongensschool. Logisch en voor de hand liggend zou je kunnen denken. De jongensschool werd bestierd door de gemeentelijke overheid. De meisjesschool werd geleid door zusters. De nonnenschool had ook echter een kleuterafdeling. Iets wat de meesterschool ontbeerde. Dat betekende dat elk kind eerst in de leer moest bij religieuzen. En als men weet dat de synapsen van kinderhersentjes hoofdzakelijk in de eerste levensjaren worden gevormd, dan is het duidelijk dat deze regeling een pervers neveneffect met zich meebracht.

Elke kleuter kreeg vanaf zijn vierde levensjaar onverdund en dwingend de substantie van het Christendom mee, namelijk de mythe van Jezus, de zoon van God. Het kruisbeeld dat prominent in de klas hing, gold als intimidatie én bewijs van het drama dat zich had afgespeeld opdat wij, nu tweeduizend jaar later, verlost van de erfzonde zouden kunnen leven. Erkentelijkheid, schuldgevoel en vooral nederigheid was dus aangewezen. Het dogma van de heilige drievuldigheid was het volgende thema dat meermaals uitvoerig werd opgelepeld. Daarnaast werd het mantra “Goddevader ziet alles, weet alles en is overal” vanaf de eerste tot de laatste les ingepeperd. Het was dus geraden gehoorzaam te zijn.

Een kruisteken maken was het vast ritueel om de dag mee te beginnen. Dit gebaar zou ook levenslang de referentie zijn om links en rechts uit elkaar te houden. De gebeden, het Weesgegroetje en het Onze vader waren dagelijkse geheugenoefeningen.
Er werd de dreumesen ook op het hart gedrukt, met een vingertje in de lucht, dat de zondagsplicht heilig was, dat ze hoorden te vasten op gezette tijden en nooit vlees mochten eten op vrijdag. Wie op goede vrijdag durfde te nippen, of zelfs maar raken, aan salami zou wel eens ter plaatse doodgebliksemd kunnen worden. Bij elke maaltijd en ook bij het slapengaan, moesten ze met de handjes in elkaar geweven een gebedje opzeggen. Maar boven alles dienden ze kuisch te zijn. Wat dat precies inhield werd niet met veel woorden gezegd. Dat het een doodzonde was werd wel beklemtoond. Wie geen gevolg gaf aan deze injuncties wachtte het eeuwig vuur in de hel.

Als ze chocolade aten thuis, werden ze aangemaand hun pleziertje te delen. Niet de reep chocolade, wel het zilverpapier van de verpakking. Daartoe stond op de lessenaar van de zuster een beeldje van een zwarte man met een gleufje in de buik. Een intern mechanisme zette het hoofdje in beweging van zodra er een voorwerp in de opening werd gestopt. Het leek wel of het hoofd knikte uit dankbaarheid. Naastenliefde beloont was de boodschap.

Het jaar, of beter het leven, werd geordend door feestdagen, de katholieke uiteraard. Over 1 mei werd niet gesproken en 1 januari was slechts een akkefietje. Voor die religieuze festiviteiten werd de klas ingericht met ad hoc parafernalia, opdat elk kind zich steeds bewust zou zijn van de constellatie waarin ze zich bevonden.

Na de ochtendlijke goddelijke sessies kregen de kleuters een flesje melk van Nutricia. De meeste dronken chocomelk, de kinderen van groene ouders witte melk, nog anderen niets.

Na het kwartje speeltijd, was het tijd voor wat handwerk. Kindjes dienden niet alleen vroom te zijn, ze werden ook geboetseerd tot vlijtige zieltjes. Catalogi van het automerk Simca, geschonken door de lokale concessiehouder, werden door de ijverige peuters en kleuters tot pulp geprikt. Jongens en meisjes leerden punniken in alle kleuren en maten met een houten paddestoel waarin nageltjes waren geklopt. ’s Namiddags werden er afbeeldingen uit de bijbel gekleurd, geplakt en geknipt. De Goede pers uit Averbode was de leverancier van dit educatief gerief. Tijdens deze kinderlijke bedrijvigheden schreed de goedmoedige zuster Apollonia gestaag met ruisend zwart gewaad en smetteloos gesteven witte kap tussen de banken, nauwlettend wakend over de ontwikkeling van haar poulains.

Op vrijdagochtend kwam de pastoor of zijn kapelaan langs. God was dus geen verzinsel, want dit waren zijn vertegenwoordigers van vlees en bloed. Gehuld in een zwarte soutane met een eindeloze rij knopen, witte boord en zwarte bonnet leken zij op een strenge, naargeestige versie van Sinterklaas. Ieder kind moest op de trede voor het bord komen en kreeg desgevallend, op aanwijzen van zuster Apollonia een keurmerk opgespeld. Dat was een rood lintje met een veiligheidsspeld waaraan een goud- of een zilverkleurige ster hing. De meest godsvruchtige kwekelingen, doorgaans waren dat meisjes, kregen een gouden exemplaar. De sloebers van de bende slechts een zilveren plak. De kwajongens kregen niets. Deze haast militaire onderscheiding mocht mee naar huis worden genomen om aan de ouders te kunnen laten zien hoe voorbeeldig hun spruit wel was geweest op school. De kinderen die ’s middags thuis gingen eten leverden het pronkstuk ‘s namiddags terug in. Dat was bij de meesten het geval. De anderen mochten de onderscheiding per hoge uitzondering op maandag teruggeven.

Iedereen kwam te voet naar school, ook kleuters. Ouders hadden geen andere keuze dan hun jongste telgen alleen de straat op te sturen. Ongelukken gebeurden nu eenmaal, net zoals geboortes.

Op het einde van het schooljaar kregen de ukkepukkies die dit dagelijks parcours hadden overleefd een plastic autootje. Na drie jaar kleuterklas mochten de jongens naar de grote school, de meesterschool. De meisjes bleven in de nunnenschole.

Roland Vromant

https://www.facebook.com/notes/roland-vromant/een-school-zonder-god/768986026880190/?from_close_friend=1&notif_id=1569065077014501&notif_t=close_friend_activity

Individualisme

Meer individualisme is goed voor u en ons

De Standaard – 18.09.2019

De liberale democratie is in crisis. Volgens Dirk Verhofstadt komt dat niet door het individualisme, maar door het nationalisme en collectivisme die in de hele wereld oprukken.

Dirk Verhofstadt
Kernlid van Liberales; Auteur van het boek ‘Pleidooi voor individualisme’

In haar column schrijft Tinneke Beeckman dat de liberale democratie in crisis is, omdat het individualisme is doorgeschoten (DS 12 september). Ik ben het daar niet mee eens.

Individualisme vormt de kern van liberalisme. Het is de leer die de rechten van het individu boven die van de gemeenschap stelt. Of zoals John Stuart Mill schreef in On liberty: ‘Over zichzelf, over zijn eigen lichaam en geest is ieder mens zijn eigen meester.’ Dat vat goed de essentie van het individualisme samen: het recht op zelfbeschikking. Ieder mens, ongeacht zijn afkomst, geslacht, geloof, nationaliteit, volk of ras, heeft het recht om zelf zijn levensplan in te vullen. Het betekent dat mannen en vrouwen zelf mogen en kunnen beslissen over de belangrijke zaken in hun leven. Of ze al dan niet trouwen, en zo ja met wie. Of ze kinderen krijgen of niet. Welke opleiding ze volgen. Welk beroep ze kiezen. Waar ze zich vestigen. Met wie ze relaties aangaan. Of ze geloven of niet. Welke mening ze hebben. Voor welke partij ze stemmen. Hoe ze hun levenseinde zien.

De strijd voor meer zelfbeschikking tegen conservatieve, collectivistische en conformerende krachten in de samenleving heeft in de voorbije 250 jaar enorme successen geboekt. Denk aan de afschaffing van de slavernij, het kastenstelsel en apartheid. Denk aan de strijd voor vrouwenrechten, de ontkerkelijking, en ontzuiling. Denk aan abortus, het homohuwelijk en euthanasie.

We moeten het individualisme aanmoedigen, zodat boerka’s uit het straatbeeld verdwijnen en alleen nog in musea te bewonderen zijn
Wie beweert dat het individualisme ‘doorgeschoten’ is, moet ook zeggen wat er moet gebeuren. Moeten we het dan maar terugschroeven? Moeten we onze ethische realisaties weer inperken? Moet het recht van de mens om zelf zijn levenslot te bepalen opnieuw ondergeschikt worden gemaakt aan het collectief? Helemaal niet, we moeten dat recht uitbreiden, zowel hier als in de rest van de wereld, waar miljarden mensen, in het bijzonder vrouwen, alleen maar kunnen dromen om voor zichzelf te kunnen beslissen.

Ware solidariteit

Velen verwarren individualisme met onverschilligheid, egoïsme en hedonisme, maar daar heeft het niets mee te maken. Individualisme is een bijzonder positieve kracht die de mens in staat stelt om zelf zijn leven in handen te nemen. Dat betekent niet dat we geen plichten hebben tegenover anderen. ‘Niet alleen door zijn handelingen, maar ook door zijn nalatigheid kan iemand een ander leed doen, en in elk van beide gevallen draagt hij met recht de verantwoordelijkheid’, aldus Mill.

Individualisme is niet tegengesteld aan empathie, solidariteit of de gemeenschap, zoals velen denken, het is er juist een essentiële voorwaarde toe. De autonomie en de wilsbeschikking van het individu zijn noodzakelijk om te komen tot ware solidariteit, waarbij het overheidsgeld gaat naar mensen die vanwege ziekte of handicap niet in staat zijn om over zichzelf te beschikken, en die we de kans moeten geven om hun levenslot zo veel mogelijk zelf te bepalen. We moeten wantrouwig staan tegenover een teveel aan gedwongen solidariteit, aan een alomtegenwoordige overheid, groepsdenken en collectivisme, want we weten tot welke drama’s dat geleid heeft.

Hongkong

We moeten het individualisme niet verketteren, maar opnieuw tot strijdpunt van de moderniteit maken. Het moet niet getemperd worden, maar juist aangemoedigd, vooral in die landen en gemeenschappen waar mensen door religieuze, sociale en culturele tradities onderdrukt worden. Zodat het patriarchaat verdwijnt en meisjes en vrouwen onbevreesd door het leven kunnen gaan. Zodat andersgelovigen en ongelovigen, homoseksuelen en transgenders zonder afkeuring hun levensplan kunnen volgen.

Zodat besnijdenissen, kindhuwelijken en verkrachtingen net als slavernij en folteringen maatschappelijk verworpen en streng bestraft worden. Zodat boerka’s uit het straatbeeld verdwijnen en nog alleen in musea te bewonderen zijn als relieken van een tijd waarin mensen het recht werd ontzegd om zichzelf te zijn.

Het individualisme is ook noodzakelijk tegen de hedendaagse tendens naar steeds grotere anonimiteit, bureaucratisering en digitalisering van onze samen­leving die onze vrijheid en privacy ondermijnen. Individualisme verzet zich daartegen. Het verheft de mens uit de massa en geeft hem de kans zijn eigen weg te gaan in de samenleving. In die zin is de strijd voor individualisme dé progressieve strijd bij uitstek.

Dat de liberale democratie in crisis is, komt niet door het individualisme, maar door het wereldwijd oprukkende nationalisme en collectivisme waarin de vrijheid van de mens weer ondergeschikt gemaakt wordt aan het volk, de natie en het collectief. Maar ik ben optimistisch. De strijd voor meer zelfbeschikking zal zich blijven doorzetten. De miljoenen mensen die in Hongkong op straat komen voor vrijheid en democratie, zijn er het beste voorbeeld van.

Dirk Verhofstadt

FILM: The Square

Claes Bang speelt de curator van een prestigieus museum in Stockholm die uitpakt met een nieuwe installatie: ‘The Square’ is letterlijk een vierkant op de grond, waarin mensen kunnen staan en alleen maar altruïstische dingen mogen doen. Alleen is hij er met zijn gedachten niet bij omdat zijn gsm is gestolen.

Östlund spot met het milieu waarvan hij zelf deel uitmaakt, in een afstandelijk geregistreerde opeenvolging van scènes, waaronder de meest trieste onenightstand ooit. En een werkelijk onvergetelijke finale, waarin een acteur plots een aap begint uit te beelden, midden in een chique soirée. De moraal: zelfs kunst met een grote K kan je niet helpen als je rondloopt met een leegte in je ziel.

Een op en top surrealistisch meesterwerk waarin Östlund (‘Turist’) gretig de draak steekt met het politiek correcte kunstwereldje en het decadente circus daarrónd. Verdiende winnaar van de Gouden Palm.

The Square won verrassend de Gouden Palm in Cannes en zal ook de Zweedse inzending zijn voor de Oscars. Zweeds regisseur Ruben östlund (Turist) is een meester in de sociale gêne en het subtiel afbrokkelen van het imago van herkenbare personages. Door het briljante script is het verhaal van de geliefde Christian die langzaam wegzakt in een moreel moeras pijnlijk ongemakkelijk, maar ook een verfrissende spiegel van onze eigen vooroordelen. En met de meest gedenkwaardige scène van het filmjaar 2017 is The Square een absolute must-see.

Ondanks het feit dat ik bijna mijn halve leven vrijwilligerswerk heb gedaan heb ik het , net als de filosofe Ayn Rand niet zo voor altruïsme, en zou er zeker niet graag afhankelijk van zijn.

Ayn Rand: Altruïsme betekent dat de mens geen recht heeft om te bestaan voor zichzelf, dat dienst voor anderen de enige rechtvaardiging is van zijn bestaan en dat zelf-opoffering zijn hoogste morele plicht, deugd en waarde is.
Dit heeft niets te maken met vriendelijkheid, goodwill, respect, weldadigheid.
Niet het geven van een aalmoes aan een bedelaar is essentieel. Essentieel is of je zelf wel of niet het recht hebt om te bestaan zonder hem die aalmoes te geven.
Ayn Rand, geboren als Али́са Зино́вьевна Розенба́ум, was een Russisch-Amerikaans romanschrijfster en filosofe. Ze was de grondlegster van het Objectivisme, een filosofische stroming. Ze groeide op in Rusland en emigreerde in 1926 naar de VS.

In onze maatschappij moeten ouderen, kinderen, zieken, gehandicapten, thuislozen, armen, ja zelfs de natuur, en andere behoeftigen, beroep doen op liefdadigheid en vrijwilligerswerk en waarom worden bijvoorbeeld banken en bedrijven wanneer die in nood zijn geholpen met overheidsgeld, ons geld dus?!

Ik heb op internet heel verschillende uitleg en houding tegenover altruïsme gevonden, en ik heb een voorkeur voor de eerste.

1. Altruïsme, wat is het werkelijk?

Altruïsme, wat is het eigenlijk?
Volgens de kerk is dit het grootste morele goed wat men maar kan uiten.
Volgens de Staat is het een noodzakelijkheid voor mensen om met elkaar te kunnen leven.

Maar wat is het nu werkelijk, en bestaat het wel als een op zichzelf staande doctrine, of is het een eufemisme voor iets anders.

Deze vraag heeft mij enkele weken bezig gehouden, en trek hier mijn conclusie

Naar mijn mening is altruïsme een term die gebruikt is om te misleiden, het wijkt af van de basis beginselen voor een bepaalde situatie en komt uit de bus als iets goed, wanneer mensen het woord horen.

Echter zit er een bepaalde verwarring in het begrip altruïsme, wat er voor zorgt dat mensen er niet zo hard mogelijk van weg rennen of schrikken. Het begrip krijgt echter een hele andere betekenis waneer we emotionele waarde beter kunnen omschrijven.
Er zijn enkele zaken die ik moet bespreken en toelichten voor ik op altruïsme in kan gaan, dus lees rustig verder.

Persoonlijke waardering

Een mens handelt naar mijn mening, naar de hand van zijn eigen morele en emotionele waarde. Deze waarde zal deze persoon altijd voor zichzelf zo aantrekkelijk mogelijk maken, voor zichzelf en in de directe omgeving.

Wanneer iemand bijvoorbeeld enorm veel waarde hecht aan het welzijn van zijn echtgenoot is dit begrijpelijk, en zal deze persoon er ook naar handelen om deze persoonlijke waardering van een emotie te versterken of te uiten. Of iemand hecht bijvoorbeeld waarde aan een bepaalde diersoort, waar hij/zij een bepaalde waardering voor heeft. Zo heb ik zelf een positieve waardering voor honden, en zou hondenleed mij ook kunnen overtuigen om te geven aan een goed doel met als doelstelling, het beëindigen van hondenmishandeling.

De waardering van een mens kan zowel positief als negatief zijn, zo ben ik verzot op honden maar ziet iemand anders het liefst al die beesten verdwijnen uit zijn omgeving. Een verbod op honden zou deze persoon dan ook steunen, wat ook zou kunnen is dat deze persoon een “ goed doel” steunt wat mensen afraadt honden te bezitten en deze met geld afkoopt om er vanaf te zien.

Noem het een soort anti-honden subsidie.

Zoals je ziet in simpele voorbeelden die op iedereen van toepassing zijn, heeft een mens een bepaalde waarde voor diverse zaken, en deze zijn per persoon verschillend.
De handelingen die ik gebruik zijn uitingen van die waarde of correcties op negatieve waarden, die we positief willen maken naar onze eigen persoonlijke waardering van zaken, zoals de honden hater dat deed.

Zo hecht ik een negatieve emotionele waarde aan het leed van andere mensen, daarom zou ik iemand ook helpen bij een auto ongeluk, niet alleen voor de persoon, maar ook omdat ik leed iets negatiefs vind. Zou een tamelijk ziek persoon het beeld van een auto ongeluk emotioneel positief vinden, zal deze er ook niets aan doen tenzij hij/zij hier in gedwongen wordt.

Als we nog een situatie schetsen, waarin ik als hondenliefhebber onder dwang een honden mishandelaar moet steunen in het uitvoeren van zijn positieve waardering (namelijk het mishandelen van honden) terwijl dit tegen mijn eigen positieve emotie is tegenover honden, dan kan men spreken van altruïsme.

Eigen belang.

Ayn Rand omschrijft in dit youtube filmpje(skip naar 6:28)een bepaalde vorm van wat velen altruïsme noemen, als het uitwisselen van kerst cadeaus, echter kan hier geen spraken zijn van altruïsme. Het is een daad die verricht wordt met de verwachting dat deze persoon iets terug doet voor deze daad.

Dit is geen altruïsme, maar een duur etentje met je leverancier in de hoop dat hij je vervolgens een flinke korting geeft in de toekomst.

Dit is een onderhandeling op emotionele en ook zakelijke basis, die de een bij de ander in het krijt zet.

Of zoals Publilius Syrus eens zei: “ Beneficium accipere, libertatem est vendere / Wie een gunst accepteert, verkoopt hiervoor zijn vrijheid”. Het is een daad die iets terug verwacht in het belang van de gever van de eerste gunst. Dit staat geheel los van altruïsme gezien het met eigen belang is dat men “ goed doet”. Daarbij kan de ontvanger van die gunst ook nog eens onder sociale druk worden gezet wanneer hij/zij niet een gunst terug wenst te doen die deze persoon zelf als negatief waardeert.

Het verkrijgen van status, eer of aanzien

Enkele voorbeelden hiervan zijn;
– Kijk eens hoe goed ik voor mijn moeder zorg.
– Dankzij mij hebben die zwervers te eten/onderdak
– Ik heb 50 euro gegeven aan Haïti, hoeveel heb jij gegeven? Ik ben de weldoener
Een daad die gedaan is, in de eerste instantie als “ goede wil”, waar men zichzelf een bepaalde status, eer of aanzien mee toekent. Iedereen maakt zich hier schuldig aan vroeg of laat.

Het kan simpel zijn als een gesprek onder familieleden bij een reünie, waar men opschept over hoeveel men gegeven heeft aan een goed doel, en hier een bepaald aanzien van verwacht. Of het kan groots zijn als een politicus die stemmen en status verwacht omdat hij/zij zoveel mensen aan een baan heeft geholpen.

Ook hier kan geen spraken zijn van altruïsme omdat de persoon zelf handelt volgens een waardering die in zijn ogen positief is en daarbij ook nog eens, dit kan persoonlijk zijn of van anderen, status of eer verwacht. Op persoonlijk vlak uit dit zich in het geven van een persoonlijk schouder klopje in de zin van “ dat heb ik toch maar mooi geflikt”. Dit gaat natuurlijk gepaard met de persoonlijke waardering voor de daad die gedaan is, iemand beloont zichzelf niet op emotioneel vlak voor het doen van iets wat tegen de persoonlijke waardering in gaat.

Altruïsme is…

Zoals ik in een eerder artikelal duidelijk heb proberen te maken, helpen mensen elkaar nooit zonder eigenbelang of eigen beloning. Onze hersenen handelen op een manier zodat we een beloning krijgen wanneer we iets nastreven wat voor ons een positieve waardering heeft.

Of dit nu andere mensen helpen is, of een daad verrichten die een persoon beter over zichzelf laat voelen. Alle voorbeelden die ik hier boven noemde zijn niet te koppelen aan de letterlijke definitie van altruïsme, het mist namelijk altijd het stukje “ onzelfzuchtigheid”. Gezien onze hersenen ons zelfs belonen wanneer wij een goede daad verrichten of handelen op een manier tegen een ander zoals wij zelf ook behandeld zouden willen worden, is er altijd een persoonlijk aspect aanwezig om in overweging te nemen alvorens het als een altruïstische daad te zien.

Vandaar dat naar mijn mening een mens onmogelijk altruïstisch kan zijn, tenzij er een vorm van dwang aanwezig is. Een mens zal namelijk nooit handelen tegen zijn waardering voor de daad in, zonder zichzelf emotioneel te belonen, of eer of status toe te kennen. De enige situaties waarin zich dit echter wel voor doet is wanneer er een vorm van dwang aanwezig is.

Dit kan sociale dwang zijn in de vorm van angst, bijvoorbeeld om buitengesloten te worden door de gemeenschap, of dwang van een staat of iemand die van jou verlangt deze daad te verrichten.

En dan komen we op een definitie die ik voor mijzelf gemaakt heb, waar het sterk mee overeen komt.

Slavernij: Onder dwang of dreiging, onvrijwillig zonder wederzijdse overeenstemming, het afstaan van goederen en/of vrijheid ten behoeve van een ander.

Onder dwang of dreiging handelen naar de wil van een ander die de persoon die de handeling verricht als eigendom bezit.

Conclusie:

Ik concludeer dat altruïsme een onnatuurlijk fenomeen is wat enkel en alleen afgedwongen kan worden op een manier zoals slaven gedwongen worden te handelen ten dienste van hun meester of anderen. Het woord op zich lijkt sterker op een eufemisme voor dwang en slavernij dan dat het in de buurt komt van een daad uit goede wil.

Het liefst zie ik daarom ook het woord geschrapt als begrip in het handelen van mensen, omdat de basis er van altijd neer komt op dwang of een vorm als slavernij wanneer een staat of kerk van je verlangt dat jij jezelf ten dienste stelt van en ander zonder enige vorm van zelfzuchtigheid.

Dus hoe kunnen we de lading beter dekken met wat vele mensen nu kennen als altruïsme?

Naar mijn mening is dat simpelweg “goede wil tonen”, maar heb geen illusies dat deze onzelfzuchtig zal zijn, gezien de daad anders nooit verricht zou worden.

En laten we het eufemisme van dwang, altruïsme genaamd, alstublieft nooit en te nimmer als iets goeds beschouwen.

Het begrip wat wij nu zien als altruïsme, komt eigenlijk neer op een goede daad die zijn basis vindt in egoïsme, you scratch my back, i’ll scratch yours.
De rest is slechts een uiting van de persoonlijke waardering, zowel emotioneel als materieel, voor deze daad, situatie, persoon of wat dan ook in kwestie.

Bron: Vrijspreker.nl
De Vrijspreker streeft naar een maatschappij waarin ieder mens soeverein is: ieder mens heeft het recht zijn leven te leiden zoals hij zelf wil, zolang hij datzelfde recht van ieder ander respecteert.


2. Altruïsme
betekenis & definitie

Gedrag dat iemand uitvoert ten gunste van een ander en ten koste van zichzelf
Altruïstisch gedrag komt veel voor in de menselijke maatschappij. Mensen zijn vaak bereid om zonder eigenbelang of zelfs met aanzienlijke risico’s voor hun eigen veiligheid anderen te helpen, denk aan het redden van een drenkeling, het opkomen voor een vriend in een gevecht, het verzorgen van hulpbehoevenden, of het doneren van geld aan noodfondsen. Het prototype van de altruïst is de Barmhartige Samaritaan uit de Bijbel (Lucas 10).

Altruïstisch gedrag komt ook veel voor bij dieren, vooral als ze in groepen leven (apen, olifanten, bijen en wespen). In de evolutiebiologie wordt de vraag gesteld hoe altruïsme zich in een populatie kan handhaven, immers het verlaagt de fitness van de altruïst en het bevordert de fitness van iemand anders. Door natuurlijke selectie zou zulk gedrag uit de populatie moeten verdwijnen. Er zijn verschillende verklaringen die elkaar niet uitsluiten. Bij dieren is altruïsme vaak wederkerig (ik ben goed voor jou als jij straks goed bent voor mij), of gericht op verwanten. Altruïstisch gedrag naar verwanten zoals kinderen, broers of neven, kan voordelig zijn voor de altruïst omdat daarmee de verspreiding van de eigen genen bevorderd wordt; men noemt dit verwantenselectie.

Bij de mens gaat altruïstisch gedrag echter verder dan wederkerigheid of verwantenselectie. Evolutiebiologen zoeken de verklaring in de zeer sterke sociale oriëntatie van menselijk gedrag. De fitness van elk individu wordt verhoogd bij deelname aan een groep omdat een groep effectiever om kan gaan met moeilijke omstandigheden. Altruïsme is te zien als een aanpassing die het effectief functioneren in een groep verzekert.

Bestel nu het nieuwste boek van Ensie, de “Encyclopedie van de Evolutiebiologie” door prof. dr. Nico M. van Straalen.

BOEKEN

Van de film heb ik genoten!

 

Lust en liefde

Lust en liefde

‘Iemand die op haar 79ste weet dat ze aantrekkelijk wordt gevonden, beleeft seks op een andere manier’

In een huwelijk dat al 58 jaar duurt, is er voor seks vaak geen plaats meer. Maar bij Paul (83) en zijn vrouw flakkert het verlangen naar lichamelijk genot heel soms nog op.

De Morgen – Corine Koole – 15 september 2019

“Het was nieuwjaarsdag 2019. Mijn vrouw zat op de bank en keek naar het nieuwjaarsconcert. De avond ervoor waren we laat thuis gekomen van de nieuwjaarsviering bij onze kleinzoon, vermoeid en futloos hadden we een laat ontbijt gemaakt, en nu deed mijn vrouw zich tegoed aan de polkaklanken uit Wenen. Wij zijn bijna 58 jaar getrouwd. Ik ging naast haar zitten en droomde een beetje weg en dacht hoe fijn het zou zijn als we nu, hier, op deze comfortabele muziek konden klaarkomen. Een verrassende gedachte, die ik meteen weer wegduwde. In de slaapkamer was het overdag behoorlijk koud en bovendien stond daar geen tv.

En toch, naarmate ik langer naar de muziek bleef luisteren, groeide het verlangen. Ik liep naar boven, pakte twee matrasjes waar de kleinkinderen soms op slapen en nam ze mee naar beneden. Ik zette het beeld van de tv uit en de thermostaat flink hoger. Ik moest denken aan die andere keer dat ik iets dergelijks in mijn hoofd had gehaald, dat was nog in de tijd van de kolenkachel. We hadden strippoker gespeeld, mijn vrouw en ik, maar het was een fiasco geworden. De kachel was uitgegaan en wij zaten bibberend tegen elkaar aan. Dit keer zou het anders gaan. Ik deed de gordijnen dicht. Mijn vrouw moest zo langzamerhand wel een idee hebben van mijn bedoeling, maar ze vertrok geen spier. Er zijn vrouwen van 79 die nooit van hun leven op een nieuwjaarsdag op een matrasje in de woonkamer zouden gaan liggen, maar zo’n vrouw heb ik niet. Ik wist allang dat ze mee zou doen. Dat is het leuke aan haar, altijd in voor iets nieuws. Zonder commentaar sloeg ze me gade. Ze was benieuwd naar wat er komen ging, zag ik, ze had er vertrouwen in.


Toen alles klaar lag, trok ik mijn kleren uit en ging poedelnaakt liggen. Het was jaren geleden dat ik met zoveel aandacht seks gepland had. Nu was het zaak ook de rest van mijn plan zo goed mogelijk ten uitvoer te brengen.

Meestal gaat het bij ons zo: de een vraagt aan de ander: zullen we gezellig klaarkomen? En dan gaan we, meestal aan het einde van de middag, bij elkaar liggen en pakken de vibrator. Ik heb al heel lang geen erecties meer, ook viagra helpt niet meer. Maar orgasmen zijn er nog wel. En die zijn altijd heel plezierig. Mijn vrouw heeft gelukkig na al die jaren niets aan aantrekkelijkheid ingeboet. Haar gezicht is met het ouder worden misschien iets strenger geworden, maar haar billen, haar krullen en haar spiermassa lijken die van een jong meisje. Een half jaar geleden heb ik haar eens gevraagd of ik haar voldoende liet merken dat ze begeerlijk was. Ze aarzelde geen moment. ‘Ja, dat vind ik wel’, zei ze. Haar antwoord maakte me blij. Iemand die op haar 79ste weet dat ze aantrekkelijk wordt gevonden, beleeft seks op een andere manier dan iemand die daarover twijfelt. Hoe aantrekkelijker we elkaar vinden, hoe vaker we seks hebben en hoe vaker we seks hebben, hoe aantrekkelijker we zijn voor elkaar. Laatst zei ze in het voorbijgaan: ik heb voor jou mijn haar in een staartje gedaan, en dankbaar wierp ik een blik op haar onveranderd mooie hals.

Zachte verlangen

Nu begon ook mijn vrouw zich uit te kleden en kwam ze naast me liggen. Spanning was er niet. Wij hebben twee kinderen samen opgevoed, ­crisissen doorstaan, carrières opgebouwd en weer afgebouwd. Nu waren we vooral nieuwsgierig wat er zou volgen. Zij zal gedacht hebben, dit is jouw project, verras me maar.
­
En ik was me ervan bewust dat ik met grover geschut moest komen dan op andere dagen.

Met meer aandacht.

Ze houdt ervan als ik haar oorlelletjes kus, dat doe ik lang niet altijd, maar dit keer wel. Ik streelde haar lichaam en gaf haar kleine kusjes, ook daar was het al een tijdje niet van gekomen. Ze heeft weleens gezegd – nooit geklaagd – je moet iets romantischer zijn, dat vind ik fijn. Nu kuste ze mij terug en kneep in mijn ballen en raakte mijn tepels aan.

En opeens gebeurde het en werd ik weer die jongen van vroeger die een meisje versiert zonder de afloop te kennen, een jongen die ­probeert zijn vage verlangen om te zetten in een concreet plan, en zijn geluk beproeft. We mogen dan soms over van alles discussiëren, over hoe vaak er gestofzuigd moest worden ­bijvoorbeeld, maar nu was er pure harmonie. Niets verkeerds zeggen, niet nu iets te hard ­aanraken. In haar ogen kijken en peilen.
Na een paar minuten zo te hebben samen gelegen, zei mijn vrouw, zullen we de vibrator erbij pakken? En dat deden we. Acht minuten van begin tot eind duurde deze innige ervaring, langer niet. Na afloop waren de matrasjes ineens te hard. We pakten onze kleding van de bank, trokken die aan, ik gaf de muziek het beeld weer terug en samen luisterden we naar het slot van het concert. Toen zei mijn vrouw: ik ga maar eens koken.

In de maanden erop hebben we er nooit over gesproken. Niet uit preutsheid of schaamte, maar omdat vragen overbodig zijn na achtenvijftig jaar. Ook zonder woorden weet ik dat zij er evenveel plezier aan heeft beleefd als ik. Toch is het bij die ene keer gebleven. Het sublieme onverwachte laat zich niet herhalen. Niks erg. Het was al mooi om te merken dat ­resten van het zachte verlangen van vroeger er op mijn 83ste nog steeds zijn.”

Paul

Religieuze waanzin

Hoe en waar we kinderen kunnen inenten tegen religieuze waanzin

De Morgen – 14.09.2019
Door Nick de Clippel is filosoof en werkt als leerkracht.

Onderzoeksjournalistiek van de Nederlandse media NRC en Nieuwsuur bracht deze week een beeld van salafistische organisaties die via moskeescholen hun extreme leer verspreiden bij kinderen. “Dit is een wake-upcall, ook voor Vlaanderen”, klonk het in De Morgen (DM 12/9). Een paar papegaaiende nepprofeten — pardon my French — uit wier monden niets dan fanatisme, segregatie en onzin klinkt, waren zo oorzaak van nog maar eens een stortvloed aan goede ideeën om religieuze radicalisering in te dijken.

Een van die suggesties was om toch zeker de twee wekelijkse uren godsdienstonderwijs niet te halveren, wat de volgende regering misschien in haar programma zet. Een suggestie die overigens niet alleen van de moslims komt, maar ook van een aantal katholieke commentatoren die niet kunnen begrijpen dat er zelfs bij de CD&V mensen rondlopen die accepteren dat minder dan 10 procent van de bevolking nog echt katholiek is.

Allicht spelen verschillende (eigen)belangen een rol bij die stelling. Elke aanbieder van godsdienstonderwijs is immers tegelijk een organisatie die mensen jobs geeft, de eigen overtuigingen wil veiligstellen en geldstromen beheert. Maar laten we dat even terzijde houden.

Wie zich de vraag stelt hoe en waar we kinderen kunnen inenten tegen religieuze waanzin, moet nochtans niet ver zoeken naar een antwoord: de school. Een plichtvak waarin jongeren leren nadenken over de eigen religie, de andere overtuigingen en de plaats daarvan in de maatschappij is uiteraard geen garantie op wat dan ook, maar het is onmiskenbaar een stap in de goede richting. Dat vak komt dan best in de plaats van het bestaande levensbeschouwelijke onderwijs. Godsdienstonderwijs kan dan nog altijd facultatief aangeboden worden, buiten de schooluren.

Een tweede antwoord is controle. In de liberale democratie is vrijheid hoofdbekommernis, maar geen enkele vrijheid is absoluut. Vrijheid van vereniging wil niet zeggen dat men bij Schild en Vrienden om het even wat mag rondbazuinen, of dat in de sportclubs de lichamelijke integriteit van jongeren niet gegarandeerd moet zijn. We kunnen best een voorstel van bij de Nederlanders volgen en controle opleggen aan alle verenigingen die zich met onze kinderen bezighouden. Al onze kinderen. Geloof en het religieuze middenveld hebben niet zomaar een absoluut recht op de toekomst van de jongeren.

Garagemoskeeën

De salafisten zijn – begrijpelijk – de kop van Jut, maar het is een inschattingsfout dat problemen zich beperken tot een marginaal groepje van die strekking. Er is ook dat wat uit vrees voor beschuldiging van islamofobie vergeten lijkt: er was in het recente verleden al meermaals heisa rond wat verteld werd in islamlessen. Niet alleen in obscurantistische garagemoskeeën, maar ook in het reguliere onderwijs. Ik twijfel er niet aan dat veel islamleerkrachten alleen maar van goede wil kunnen beticht worden, maar het is een publiek geheim dat de gelijkheid van man en vrouw, de evolutieleer, homoseksualiteit en dergelijke meer op gespannen voet staan met de heilige boeken.

Hetzelfde geldt overigens ook voor de joodse scholen, terwijl de christelijke obediënties (katholieken, protestanten en anglicanen) – een zeldzame pilaarbijter niet meegerekend – wél bij de tijd zijn. Het punt is echter dat de overheid geen inspraak heeft in wat wel en niet verteld mag worden tijdens de levenbeschouwelijke lessen. Dat is een privilege van de vrijheid van onderwijs. Een garantie tegen onaanvaardbare religieuze indoctrinatie kan dus alleen gegeven worden tijdens een door de overheid ingericht plichtvak, zoals hierboven al aangegeven.

En neen, we worden niet overspoeld door horden kromzwaarden en de islamisering van de samenleving is een kwakkel, maar het is wel zo dat meer en meer kinderen koranschool lopen en dat een orthodoxe lezing van de Koran in opmars is en dat een minderheid altijd ‘the power to disrupt’ heeft. Bovendien willen we jonge moslims zoveel als mogelijk gelijke kansen bieden. Verplicht godsdienstonderwijs is daar sowieso niet het beste middel voor.

Nick de Clippel

BOEK: Vogelgids

Vogelgidsen kan je grosso modo in twee groepen verdelen: enerzijds zijn er de gidsen voor de diehards, waarin de ongeveer 530 vogelsoorten van Europa worden beschreven aan de hand van tekeningen, anderzijds die voor beginners, meestal geïllustreerd met foto’s.

Debuterende vogelkijkers hebben vaak moeite om in hun gids de vogelsoort terug te vinden die ze tijdens hun wandeling gespot hebben. Deze veldgids is anders. Aan de hand van schitterende foto’s behandelt hij de 192 regelmatige broedvogelsoorten van België en Nederland, gerangschikt volgens lichaamsgrootte.

Dankzij fijne pijltjes vind je in één oogopslag de karakteristieke kenmerken terug van elke vogel. De ideale compagnon de route dus voor elke vogelkijker, wandelaar en doorsnee natuurliefhebber.

https://www.standaard.be/cnt/dmf20190910_04601410?_section=60190892&utm_source=standaard&utm_medium=newsletter&utm_campaign=krantenkoppen&adh_i=dddb289286a3ccee862a43b152eba115&imai=&M_BT=37861881530

Menopauze

De menopauze is een geniale zet van de natuur

De Morgen – Mark Coenen – 10 september 2019

Seks verandert alles. Dat zing je als je 15 bent. Seks is oké ook als je bijna 55 bent. Dat zeg je als je bijna 55 bent. En zeker als je daar al een flink stuk voorbij bent. Je stem bibbert misschien al een beetje en de rest soms ook, maar de goesting blijft.

Wijze woorden van Monica Bellucci, de Franse filmster waarvoor de woorden ravissant en chouette zijn uitgevonden.

Seks is zelfs gezond op die leeftijd: dat schreven tot mijn groot genoegen de kranten vorige week en niet dat je alles moet geloven wat die mannen schrijven, dit is wel een wijsheid om boven ons bed te hangen, sprak ik ernstig tot mijn vrouw. Wel in heel grote letters, want we worden beiden wat kippig.

De overleving van onze soort

Kinderen kopen op je 73ste – dat is toch een ander paar mouwen. Het kan en het gebeurt. In India was het deze week weer zover. Op grootmoeders leeftijd nog zelf een kind kopen – het lijkt voor beide partijen een risico. Buiten dat je tegelijkertijd je pampers kunt verversen of toch ongeveer, en daardoor misschien korting krijgt bij een familieaankoop, lijkt mij de start van het ouderschap op die leeftijd toch niet echt een aanrader.

Het is dan ook niet de bedoeling van de natuur, die om dat soort aberraties te vermijden de menopauze heeft uitgevonden. Geen pretje voor zij die het meemaken, maar het zorgt wel voor een betere taakverdeling. Onder de vijftig koop je kinderen, daarboven word je grootouder.

Grootmoeders hebben, dat is onderzocht, een grote bijdrage geleverd tot de overleving van onze soort. Zij zorgden voor de andere kinderen als de pasgeborene de volledige aandacht opeiste van de moeder. Waardoor hun overlevingskansen drastisch stegen. En hun verstand ook, want de kinderen kregen de aandacht die nodig is om dat te ontwikkelen.

Bietekwieterij

De menopauze is dus een geniale zet van de natuur, al is het natuurlijk behoorlijk seksistisch dat een man tot ver na zijn dementie met zaad kan strooien waaruit, met enig ongeluk, nageslacht wordt geboren. Een verplichte castratie op 55 lijkt mij dus, en niet alleen in functie van de wereldvrede, een eerlijke oplossing. Kan dat alsnog in de startnota?

Het zorgt voor een vermindering aan testosteron, de aanjager van zoveel mannelijk kwaad, maar ook ander haantjesgedrag, de agressie in het verkeer en de bietekwieterij op Twitter zullen dramatisch zakken.

Niets tegen ouders die al wat ouder zijn, natuurlijk. Ik ben er zelf een. Op de leeftijd waarop je bij de rijkswacht met pensioen mag kwam de jongste in ons leven. En wat voor leven ze maakt – alsof het niet op kan.

Dag vadertje, zei ze vanochtend plagend toen ze na 16 keer heur haar gecontroleerd te hebben in de badkamerspiegel mij gedag kwam zeggen terwijl ik nog pontificaal in bad zat. En ze gaf mij een zoen op mijn voorhoofd.
Daar had ik niet van terug.

Mark Coenen

FILM: At Eternity’s Gate

Wanneer Vincent van Gogh in 1886 verhuist met als doel door te breken als kunstenaar, leert hij een avant-gardistische groep kunstenaars kennen onder wie Paul Gauguin. Maar Van Gogh stuit alleen maar op nog meer onbegrip en afwijzingen en vertrekt uiteindelijk naar Arles in de hoop een nieuw bestaan te bouwen. In zijn zoektocht naar aanvaarding, verliest Van Gogh zich echter steeds verder in een wereld van ziekte en depressie.

Dit is in het kort de film over Vincent van Gogh waarvan de DVD dit jaar uitgekomen is, en waarin op verkenning gegaan werd naar de worsteling van de schilder om te worden begrepen als kunstenaar. Een goeie film, die ons ook laat zien dat Vincent geen zelfmoord pleegde, zoals vaak beweerd wordt, maar per ongeluk neergeschoten werd.

Het grootste en voornaamste talent van een schilder als Van Gogh, is dat hij weet naar wat hij moet kijken, en daardoor dan geobsedeerd geraken.

Bovendien is hij de enige die ziet wat hij ziet. Later mogen wij dat proberen te ontdekken in zijn schilderijen en ook daar moet je dan weer talent en gevoel voor hebben.

Ik heb het geluk gehad dat iemand gepoogd heeft om mij dat bij te brengen: zien of een schilderij gevoelig was of niet en de schilder een kunstenaar of een prentjesmaker. Raymond De Gryse, een Hoeilaartse kunstenaar, heeft mij dat cadeau gedaan en mij “iets laten zien wat de meeste mensen niet kunnen zien”, zoals Van Gogh het uitdrukte in de film.

“Ik kan de mensen iets laten zien wat ze zelf niet zien.” Van Gogh

“Zijn alle schilders gek?”, vraagt iemand in de film. “Weet ik niet, misschien alleen de goede”, antwoordt Vincent. “Wat schildert u?” “Zonlicht.”

“Jij bent de enige schilder die de natuur begrijpt”, verzekert Paul Gauguin zijn vriend.

“Een ziekte kan ons soms genezen”, zegt Vincent van Gogh tegen zijn dokter.

Op het einde van zijn leven schildert Van Gogh op tachtig dagen, vijfenzeventig schilderijen!

Mijn vriend Raymond beweerde, net als Van Gogh, dat je moet schilderen in één vloeiende beweging, en er dan op tijd van af blijven voor je het werk verknoeid en stuk schildert.

Eigenlijk geldt hetzelfde voor poëzie, voor een gedicht: het is van de eerste keer goed en af, of het zal nooit wat worden. Vooral niet teveel nadenken en de spontaniteit niet verknoeien.

“Ik schilder omdat ik dan niet hoef te denken.” Vincent van Gogh

Ik heb genoten vanavond en mij verbonden gevoeld met iemand die ik nooit ontmoet en gekend heb.

Nooit (voor R. De Gryse, kunstenaar en vriend)

Weg van deze wereld,
Voorgoed.

Zijn stap met rechte rug,
De beeldende handen
In de zakken,
Gebald tot vuisten.

Er komt geen tweede,
Nooit.

Micheline Baetens

Verboden te lachen

Verboden te lachen

Facebook – Johan Sanctorum – 7 september 2019

Het is nog eens wetenschappelijk bewezen: ‘rechtse’ mensen zijn dom en sociaal-incapabel, linksdraaiende planeetbewoners daarentegen intelligent en empathisch. Tot die voor de hand liggende conclusie komt psycholoog Alain Van Hiel (UGent) die zijn bevindingen wereldkundig maakte in het vakblad met de boekskens-achtige naam Emotion. Professor Van Hiel is regelmatig terug te vinden in Knack-magazine, waar hij zich vooral suf piekert over het succes van het Vlaams Belang en een analyse maakt van de mestkevers die ervoor stemmen. Een psycholoog met een missie dus, en docerend aan de unief waar een zekere Dries Van Langenhove zich niet meer mag laten zien.

Die ban is nu ook wetenschappelijk gefundeerd: domme, on-empathische lieden hebben op een universiteit niets te zoeken, en het etiket rechts valt wonderwel samen met een laag IQ. Boeken dicht. Meteen mogen we daar ook partijpolitieke conclusies aan verbinden: het kruim van de Vlaamse samenleving zit bij SP.A, Groen en de PVDA, de rest is cognitief én emotioneel onderontwikkeld en zou eigenlijk beter zijn/haar stemrecht ontnomen worden.

Intelligent gescharrel

Wie van zijn stoel valt bij deze vorm van ‘wetenschap’, moet bedenken dat de universiteiten al decennia lang de krachtcentrales zijn van wat men politieke correctheid noemt: een versmalling van de vrije meningsuiting tot een weldenkend-elitaire consensus, en een censuur op alles wat ‘onfatsoenlijk’, ‘discriminerend’ en ‘kwetsend’ is, namelijk alles wat niet in de consensus past. Gebrek aan fatsoen, dat is uiteraard van toepassing op de rechtse holbewoners, zodat de professor in één moeite intellectuele en morele superioriteit met elkaar en met zichzelf identificeert.
Alain Van Hiel, uiteraard zelf een model van intellectuele en emotionele intelligentie, houdt het graag simpel, en stelt rechts gelijk met autoritair denken, zeg maar gehoorzaamheid en kuddegeest. Dat is bizar, want hoe komt het dat dissidente individualisten en lastige luizen vandaag vooral ter rechterzijde te vinden zijn, en er aan de overzijde vooral in groep en aan het handje wordt bewogen?

En hoe komt het dat nepotisme, gescharrel in het halfduister, tot en met regelrechte corruptie, van oudsher vooral in socialistische rangen bedreven worden, van Agusta tot Optima? Is dat dan ook een bewijs van intellectuele en emotionele intelligentie? Ja, allicht. Anderzijds, moet men met rechts geassocieerde thema’s als bescherming van de oikos (huis, haard, naasten), verzet tegen wat onze integriteit ondermijnt, en het radicaal belijden van verlichtingswaarden, dan ook maar als vormen van idiotie beschouwen? Ik dacht het niet. Van zodra men iets verder kijkt dan de clichés van Van Hiel, valt heel die links/rechts-slim/dom constructie als een kaartenhuis in mekaar.

Iedereen slachtoffer

De beste lakmoesproef echter, is na te gaan aan welke kant van het politieke spectrum er het meest gelachen wordt. Lachen wordt algemeen aanzien als hét kenmerk van emotionele en sociale intelligentie. Humor is eigen aan de mensaap (oeps) en het enige wat ons echt onderscheidt van de rest van het dierenrijk. Anderzijds maakt het subversieve karakter van de lach, het tarten van regels en conventies, hem ook intrinsiek onwelvoeglijk en, nu ja, af en toe zelfs obsceen.

Humor en politieke correctheid, dat is als water en vuur. De grap is, zoals Freud het al opvatte in zijn essay ‘Der Witz und seine Beziehung zum Unbewußten’ (1905), een negatie van de censuur en de fatsoensmoraal. Vertalen we dat naar de situatie vandaag, dan blijken humor en satire, net daar waar ze de grenzen opzoeken, vluchtheuvels van en voor het vrijdenken. Helaas voor professor Van Hiel: momenteel, en eigenlijk al na het verdwijnen van De Zwijger in 1984, hebben de grappenmakers vooral bij rechts een onderkomen gevonden. Het humorgevoel aan de linkerzijde is klinisch dood, en dat heeft een duidelijke reden: de veralgemeende slachtofferlogica.

De vanuit de linkerzijde aangestuurde politieke correctheid tracht in de maatschappij zoveel mogelijk slachtoffers te identificeren, die dan kunnen betutteld worden, wat ook een vorm van machtsuitoefening is, misschien zelfs de meest gemene. Alle mogelijke doelgroepen, vrouwen, gekleurde mensen, holebi’s, transgenders, verdienen ons medelijden en vallen buiten de categorie van humor en relativering.

Eén groot drama wordt het. Een belastingen ontduikende voetbalmiljonair als Romelu Lukaku is en blijft een slachtoffer, omdat hij zwart is. Verboden te lachen, of Twitter ontploft. Mevrouw Boukhriss Terkessidis is dan weer slachtoffer van seksisme omdat ze in een recensie over haar VRT-praatprogramma met de voornaam wordt aangesproken. Teergevoeligheid is het nieuwe bewijs van emotionele volwassenheid en spotlust van het omgekeerde. Geleidelijk aan worden onder de vlag van anti-racisme en anti-seksisme de grappenmakers geïsoleerd: zij worden de nieuwe daders in de veralgemeende slachtoffercultuur. In de limiet zijn zelfs moslimterroristen te beklagen wegens hun ongelukkige jeugd: het zijn de cartoontekenaars, die de profeet Mohammed met een bom afbeelden, die zich aan beledigingen schuldig maken.

In de bunker

Dit zondebokmechanisme, met de humor als mikpunt, is eigenlijk dodelijk voor een vitale democratie. Exit het vrije woord en beeld, het recht op de karikatuur en de schimpscheut; weldenkendheid, sentiment en hypocrisie treden in de plaats. Na de aanslag in 2015 was iedereen Charlie, liep het in Parijs vol empathische zoogdieren die het recht op vrije meningsuiting opeisten en nadien kaarsjes gingen branden. Vandaag hebben dezelfde moppentappers van Charlie zich in een bunker verschanst om die vrijheid te kunnen beoefenen: het zal hen leren. In Vlaanderen hebben wij UNIA waar iedereen zijn beklag kan doen en elke vorm van satire een veroordeling riskeert.

Finaal wordt humor gezien als een afwijking, vergelijkbaar met het syndroom van Gilles de la Tourette: onwillekeurig grimassen trekken en schuttingtaal spreken, of provocerende titels plaatsen. Men heeft het in de hersenen gelokaliseerd, binnenkort kan men dat stukje gewoon wegsnijden. Uilenspiegel is dood, alleen nog pastoorsmoppen toegestaan, en de serieproductie van een handvol literaire TV-narren genre Herman Brusselmans. Voor de rest wordt ironie als genre en attitude iets volkomen wereldvreemds. Zijn overtreffende trap, het sarcasme, waar de dichter Heinrich Heine (1797-1856) een grootmeester in was, is eigenlijk omgekeerde tederheid, lacht uit liefde en spot vooral met zichzelf, maar volgens professor Van Hiel is het gewoon een ziekte of minstens een vorm van sociopathie. Dat geldt zeker ook voor Desiderius Erasmus die het genre zowat grondvestte in zijn Lof de Zotheid (1511).

Dat een en ander ook met (het gebrek aan) leescultuur te maken heeft, waardoor ironie gewoon niet opgemerkt wordt, heeft dan weer te maken met de neergang van ons onderwijs en de reductie van het vak ‘begrijpend lezen’ tot een invuloefening. Je kan iets maar op één manier lezen, en dat is ééndimensioneel-letterlijk. Ook dit dogma van de laagdrempeligheid is een fetisj van links. En ook dat is zonder twijfel een kenmerk van empathie: iedereen gelijk en niemand boven het maaiveld. Orwell is weer een beetje dichter bij gekomen. Aangename herfstdag nog.

Johan Sanctorum

https://www.demorgen.be/meningen/is-links-ook-empathischer-ten-aanzien-van-rechts~be088ba0/