Het kistje

Ik heb al gemerkt door te tuinieren, dat sommige planten moeten afgezien hebben om te kunnen bloeien en bloemen te krijgen. Sommigen moeten zelfs eerst bevroren gweest zijn. Anderen die gaan dan weer wel kapot aan teveel slecht weer of onvruchtbare grond.

Zo ook bij mensen. En waaraan dat ligt? Ik weet het niet, wellicht aan de aard van het beestje. Als je naast je beproevingen ook de juiste karaktertrekken meegekregen hebt, red je het misschien wel, en wanneer die ontbreken en je eerder de neiging hebt om negatieve oplossingen te zoeken, zal je waarschijnlijk van kwaad naar erger gaan.

Is het dan toch wel allemaal een kwestie van geluk en toeval? Misschien wel. Net zoals met plantgoed voor de tuin, moet je met veel dingen gewoon stom geluk hebben: het juiste moment, de beste omstandigheden, de positiefste voorgeschiedenis misschien ook, de gepaste omgeving waarin je terecht komt…

Waarom lukt het de ene wel, en de andere niet? Zoals men van een goede tuinier zegt dat hij groene vingers heeft, is het misschien wel zo, dat je voor alles waar je in het leven mee in aanraking komt, groene vingers moet hebben.

Ik ben vandaag een heel eenvoudig gedicht tegen gekomen, waarin duidelijk is, dat we het ons heel gemakkelijk kunnen maken. Ik ga het ter harte nemen.

Het kistje

Alles is gedaan,
niets helpt,
doe niets.

Overal komt narigheid van,
nergens is vrede,
wees nergens.

Iedereen heeft haast,
iedereen is ontevreden,
niemand heeft tijd,
niemand is gelukkig,
wees niemand.

Freek de Jonge

Nooit meer oorlog? 1918 – 2018…

“Unknown Soldier”

Oh oh oh

Joey is out of school, didn’t fucking ask for much
couldn’t get a job, the marines his last hope
down at the frontline, with a gun not a toy
kill many men, not asking what for

oh oh oh

Joey’s family, the comrades next to him
die one by one, his luck is running out
Joey wrote back home, his parents unemployed
the rich is fucking laughing, profits from the war

oh oh oh

Joey is off to die, for another senseless war
no arms, no legs – his mother cries at home
Joey wears the flag, so proud to fight for us
and for the government, that doesn’t give a fuck

oh oh oh
oh oh oh

Joey is off to die, for another senseless war
no arms, no legs – his mother cries at home
Joey wears the flag, so proud to fight for us
and for the government, that doesn’t give a fuck

Marching to the left, marching to the right
marching on the frontline, what a fucking sight
Marching to the left, marching to the right
marching on the frontline, what a way to die

Joey, Joey, Joey tell me what you see now
Joey, Joey, Joey Please come back home now

Marching to the left, marching to the right
marching on the frontline, what a fucking sight
Marching to the left, marching to the right
marching on the frontline, what a way to die

Wat een verkwisting van levens! En een mens heeft er maar één. Eén kans om lief te hebben en gelukkig te zijn.

Nationale Vrouwendag 2018

Onwetend, maar overspel

Hoe zij zich voorbereidt op de thuiskomst van haar man:
zij schuift een stoel tegen de zon,
wrijft haar lichaam soepel,
stemt haar inwendig orkest,
legt onder haar korte zomerjurk
een geur van naaktheid uit.
Zij schudt haar hormonen op.
Diep in zichzelf kijkt zij of de tijd
haar niet teveel heeft aangetast.
Zij droomt zich een pose, een opgetild
worden, een hunkering, die in haar lichaam
slaat, zij laat een kreet ontsnappen
om de hangende galm te beproeven.

Hoe zij zich invouwt in afwachting.

Thomas Lieske

Vandaag 11 november 2018 is het Nationale Vrouwendag in België. Ik moet drieëntwintig geweest zijn, toen die dag de eerste keer plaats vond in 1972.


http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2012/03/08/waarom-de-vrouwendag-in-belgie-op-11-november-valt

Elk jaar wordt Nationale Vrouwendag georganiseerd op een andere locatie, en dit jaar is het Schaarbeek geworden, dus hartje Brussel.


Zelf ben ik er een paar keer naartoe geweest, ik herinner me namelijk die van Antwerpen nog, maar meer uit nieuwsgierigheid, dan uit overtuiging, want ik vind het maar een eenzijdig gedoe.
Bovendien was ik in die tijd thuiswerkende ouder en dat was “not done” voor die hele feministische beweging, want dan was je financieel afhankelijk van je man, en dus niet geëmancipeerd.Ik denk dat mijn man eerder afhankelijk was van mij, en mijn goede zorgen – hij was namelijk diabetespatiënt – en zeker later toen hij nog ernstiger ziek werd en zelfs gehandicapt. Emancipatie en onafhankelijkheid zitten immers niet in je portemonnee, maar in je hoofd.

Hoe snel het gaat!

Het jaar is bijna terug om, de tijd vliegt en het lijkt of we al die tijd geslapen hebben, zo vlug is het gegaan, en onmerkbaar…

Passe, passe le temps, il n’y en a plus pour très longtemps…

Hoe snel het gaat!

Zo-even was ik nog kind
Schaterlachend in mijn gladde huid
En nu ben ik al een oude kerel
Die verward zijn laatste garen spint
Dommig uit zijn roodomrande ogen kijkt
En niet meer zo goed rechtop gaan kan.

O wat gaat het verval toch snel:
Gisteren rood, vandaag idioot
Overmorgen dood!
Als mijn liefje mij niet belazerd had
En mijn vrouw me niet verlaten
Liep ik nog zingend door de straten
Lag ik nog bloeiend tussen mijn lakens.

Maar als de vrouwen je niet meer lusten
Laat dan, m’n beste, de moed maar zakken
Zuip je klem met whisky en houd je haaks
Dan is het afmars en naar de kelder geblazen!

Hermann Hesse

Een koningskind

In september 2014 daagde Delphine Boël haar natuurlijke vader, de vroegere koning Albert II van België voor het gerecht, omdat hij haar weigerde te herkennen als zijn dochter, geboren uit een buitenechtelijke relatie. In oktober 2016 werd Albert ten persoonlijke titel opnieuw gedagvaard, en nu in 2018 heeft het gerecht hem verplicht van een DNA staal af te staan, waaruit moet blijken of Delphine al dan niet zijn kind is.

Velen denken dat Delphine dit doet voor de erfenis. Maar ook al is dat zo, dan nog sympathiseer ik met haar, en hoop ik dat ze uiteindelijk haar gelijk haalt en dat krijgt waar ze recht op heeft, en dat is tenminste de waarheid.

De meeste mensen beseffen niet welk een impact dergelijke situaties op het leven van een kind hebben. Ik heb tot mijn twaalfde de naam van mijn moeder gedragen, omdat ze nog niet getrouwd was met mijn vader toen ik geboren werd, en ik kreeg dus het etiket bastaardkind mee. In 1949 waren de wetten anders dan nu, en het is pas een tiental jaar later dat mijn vader mij zijn naam heeft mogen geven, door mij te adopteren. Mijn ganse lagere schooltijd heb ik moeten uitleggen waarom ik de naam van mijn moeder droeg en iedereen er van moeten overtuigen dat mijn vader wel degelijk mijn vader was. Zoiets “vormt” je als kind, en wel voor de rest van je leven. Een outsider was je, en blijf je. Gelukkig maar, kan ik nu relativerend zeggen.

Ik heb dus tot mijn twaalfde jaar Micheline Caron gegeten, en sommige mensen in mijn familie of oud-leerlingen van de school vergissen zich nog altijd, en noemen mij nu nog altijd verkeerdelijk zo. Ik heb ooit, toen ik al lang getrouwd was, nog correspondentie gekregen op die naam.

Op de trouwboek van mijn ouders stond ik als een geadopteerd kind, zodat je je uitleg moest blijven doen. Misschien dat ik daardoor zo mondig geworden ben, omdat ik het altijd moest uitleggen, willen of niet!

Hoe de vork juist in de steel zat gingen mijn ouders mij pas vertellen na mijn plechtige communie. Dus toen ik anderen moest overtuigen, zat ik zelf nog met veel vragen en dat maakte het des te moeilijker en waarschijnlijk werd ik daardoor ook niet altijd geloofd. In school ik werd wel heel goed opgevangen door de leerkrachten.

Een outsider, een buitenbeentje, een beetje anders, een vechtertje… is ideaal om af en toe eens op te vallen tussen de grote hoop, want wie wil er nu immers niet graag af en toe een speciaal kind gevonden worden, en het hoeft daarom niet eens een koningskind zijn?!

Boek: Intimiteit

Paul Verhaeghe over intimiteit: “Samen slapen is intiemer dan vrijen”
Hoogleraar psychologie Paul Verhaeghe pleit voor warmte, weerloosheid en imperfecte seks
De Morgen – 09-11-2018 – Barbara Debusschere

Hij hoort veel vrouwen en steeds meer mannen in zijn consultaties klagen: “Ik verlang naar intimiteit en het enige wat ik krijg, is seks”. In zijn nieuwe boek Intimiteit legt hoogleraar psychologie Paul Verhaeghe uit hoe we op dit vreemde punt beland zijn. “We willen vastgehouden worden, zodat we ons opnieuw beter in ons vel voelen.”

“Kijk, dit is ze.” Enthousiast toont Paul Verhaeghe op zijn smartphone een filmpje van zijn schattige kleindochter Edith, 2,5, aan wie zijn nieuwe boek Intimiteit is opgedragen. Haar armpje zit in het gips, maar het lijkt haar niet te deren. Vrolijk babbelt ze tegen haar mama. “Dit is toch fantastisch?”, zegt hij.

Wie is Paul Verhaeghe?
• Geboren op 5 november 1955 In Roeselare
• Studeerde klinische psychologie en psychoanalyse aan de Universiteit Gent
• Schreef twee doctoraten: het eerste over hysterie (1985), het tweede over psychodiagnostiek (1992)
• Verwierf in 1998 nationale en internationale faam met zijn spraakmakende bestseller Liefde in tijden van eenzaamheid
• Bestudeert sedert 2000 vooral de invloed van maatschappelijke veranderingen op psychologische en psychiatrische moeilijkheden
• Publiceerde ook de boeken Het einde van de psychotherapie (2009), Identiteit (2012) en Autoriteit (2015), die een groot publiek bereikten

De professor psychologie, die in 1998 faam verwierf met zijn boek Liefde in tijden van eenzaamheid, staat bekend als cerebrale academicus met strenge blik, maar nu staat hij glunderend naar het filmpje van zijn kleinkind te kijken. Het is een beeld dat we zelden van hem te zien krijgen. “Maar ja, alle clichés over grootouders blijken dus gewoon waar. Ik heb twee kleinkinderen en er is er een derde op komst. Ik geniet er heel erg van.”

Is dat nog meer zo omdat u als hoogleraar psychologie de ontwikkeling van kinderen erg goed kent?

(wuift de vraag weg) “Ach nee. Ik zit echt niet door mijn academische bril naar hen te kijken. Ik zie dat ze goed in hun vel zitten, maar ben gewoon een grootvader die smelt als ik hen bezig zie. Ik ben er geen fan van om mijn privéleven te delen met de buitenwereld, maar kijk, ik wilde nu toch heel graag dat filmpje van Edith laten zien. Dat zegt toch genoeg?”

Als u ziet dat Edith zo jong al goed in haar vel zit, dan weet u wel als geen ander dat dat de basis is voor duurzame intimiteit later?

“Als die basis in de eerste jaren gelegd wordt, is dat duidelijk een enorme boost om je ook later, als volwassene, goed in je vel te voelen. En dat is een voorwaarde voor intimiteit. Loopt het mis, dan kan dat wel rechtgetrokken worden, maar het is beter wanneer dat niet nodig is.”

Is niet vooral onze geliefde doorslaggevend voor kwaliteitsvolle intimiteit?

“Niet in de eerste plaats. We denken dat intimiteit vooral gaat over wat je met iemand anders doet en wat iemand anders jou biedt. We verwarren het ook met seks. De twee vallen wel vaak samen en net zoals seks is intimiteit wel lichamelijk. Maar het is niet per se seksueel. Je kunt een goed seksleven hebben zonder intimiteit. En als vrijen alleen maar neuken is, is het zelfs een manier om intimiteit te vermijden. Omgekeerd kun je ook intimiteit beleven zonder seks.”

Seks gaat meer over macht?

“Ja. Het bevreemdende is dat het van de man een noodzakelijk geweld vraagt, een overgang van het tedere naar het harde. Met een zachte erectie kun je niet veel aanvangen. Ook van de vrouw vraagt het een grensoverschrijding, passief omdat ze het binnendringen ‘toelaat’, actief omdat ze de man opslokt. Macht speelt dan een rol. De man kan fysiek geweld gebruiken om over die grens te gaan. De kans op misbruik is altijd reëel. Sommige vrouwen aarzelen dan weer niet om een man te verleiden tot het punt waarop hij niets liever wil dan over die grens heen te gaan, zelfs als hij dat aanvankelijk niet wou.”

Intimiteit is zachter?

“Het betekent ‘het meest naar binnen’. We laten iemand binnen in ons nest en eventueel in onszelf. Het is je overgeven aan iemand, psychologisch en lichamelijk. Samen slapen is bijvoorbeeld zachter en ook intiemer dan vrijen, want in onze slaap zijn we weerloos. Dat weerloze kan beangstigend zijn, maar we verlangen er wel sterk naar.”

Waarom een boek over intimiteit?

“Het is me in mijn consultatiekamer beginnen opvallen dat veel vrouwen, maar steeds vaker ook mannen, zeggen: ‘Ik verlang naar intimiteit en het enige wat ik krijg, is seks’. Hoe komt het toch dat we, in deze bevrijde, taboeloze tijd, met zo’n tekort zitten?”

Is er een verband met #MeToo?

“Dat is niet de oorzaak, maar dat debat is nu wel zo oververhit dat beide seksen straks zodanig angstig zullen zijn dat er enkel nog iets mogelijk wordt als alles op voorhand in een contract staat. Welke seks kan er, welke niet? Niet verbazend dat we steeds vaker over ‘bindingsangst’ horen.”

We hebben wel meer bedpartners dan ooit.

“Ja, Tinder-contacten met seks, maar zonder relatie. Het voorspelbare resultaat is dat velen alleen blijven. Daardoor neemt de behoefte aan contact, zelfs in de meest primaire vorm van huidcontact, alleen maar toe. We willen vastgehouden worden, zodat we ons opnieuw beter in ons vel voelen. Wij zijn huidhongerig. Patiënten die vol emoties zitten maar niet kunnen spreken, raad ik eerst massages aan.”

Psychotherapie gaat toch over gedachten en gevoelens?

“Het is een grote misvatting dat die niet fysiek zijn. De wetenschap weet al geruime tijd hoezeer de scheiding tussen lichaam en geest achterhaald is. Emoties zijn bewuste ervaringen van wat er zich in ons lichaam afspeelt, als reactie op anderen, de buitenwereld. Je bloost eerst, dan noem je dat schaamte. We gebruiken medicatie die inwerkt op ons lichaam om gevoelens te verzachten. Niet-lichamelijke zaken, zoals verwachtingen en uitspraken van anderen, hebben een op scans waarneembare fysieke impact, zoals placebo-onderzoek aantoont. Chronische stress, een psychische factor, maakt fysiek ziek. Negeren wat je lijf je vertelt, leidt zowel tot psychische klachten als tot ziekte.”

Waarom benadrukt u dat zo in een boek over intimiteit?

“Omdat intimiteit in de eerste plaats de verhouding met je lijf is. Kom je er goed mee overeen of niet? Intieme kennis van wat jouw lichaam beweegt en hoe het reageert op de buitenwereld, is de voorwaarde voor een goed intiem leven. De soms mooie maar vaak ook moeilijke verhouding die wij hebben met anderen, heeft te maken met de mooie maar vaak ook moeilijke verhouding met ons lichaam.”

Hoe komt dat?

“Omdat alles daar start. Tot ongeveer een jaar of drie zíjn wij ons lichaam. Daarna hébben we een lichaam, omdat we ons ervan bewust worden. Het kan ons genot en plezier, maar ook pijn verschaffen. De mensen met wie we onze eerste liefdesverhoudingen hebben, meestal onze ouders, bepalen mee hoe onze relatie met ons lichaam zal zijn. Zij helpen ons verwoorden wat we voelen via en in ons lichaam. Dat is de basis voor wie we zullen worden.”Concretiseer dat eens?

“Wie als kind altijd voelde hoe een ouder veel te dicht kwam, wordt vermijdend, zo’n volwassene die op recepties achteruit deinst wanneer er een omhelzing ‘dreigt’. Een dochter die van haar vader hoort dat ze mooi is, zal zich mooi voelen en zich daarnaar gedragen. Een kind dat systematisch negatieve reacties kreeg toen het huilde uit angst, zal angst onderdrukken en later onverklaarbare paniekaanvallen krijgen. We leren via anderen herkennen wat er in ons lichaam gebeurt en wat we mogen voelen. Daarop stoelt onze identiteit.”

Het lichaam is dus niet enkel de verpakking?

“Vergeet dat maar. Vanaf onze prille kindertijd bouwen we er een band mee op. We merken hoe het reageert op de buitenwereld, wat het bij anderen oproept, en geven daar een betekenis aan. Bijvoorbeeld: ‘Ik ben groot. Mensen vinden mij groot. Dat voelt goed. Ze kunnen niet naast me kijken.’ Ons hele leven hebben we zo een relatie met ons lichaam. We houden er in meer of minder mate van. Het is de meest intieme band die we ooit zullen hebben en die bepaalt onze intimiteit met anderen.”

En als het misloopt, is het schuld van de ouders?

“Zeker niet. Parent blaming is een hardnekkige fout. De realiteit is veel complexer. Er zijn, naast de opvoeding, ook biologische en maatschappelijke redenen waarom het misloopt. De meeste ouders doen alles voor hun kroost en ze zijn ook ingebed in een maatschappijbeeld. Ik ben bijvoorbeeld streng opgevoed in een tijd waarin religie centraal stond en het lichaam zondig was. Maar dat neem ik mijn ouders niet kwalijk. De maatschappelijke norm kun je niemand verwijten.”

Heeft u onder die harde opvoeding geleden?

(grijnst) “Dat valt wel mee. Ik heb me uiteraard tegen dat religieuze verzet, maar ik kreeg zelfs te weinig weerwerk. Toen ik een jaar of vijftien was, ben ik gestopt met naar de kerk gaan en mijn ouders reageerden amper. ‘Doe maar’, zeiden ze.

“Zelfs toen ik al met mijn vrouw samen was en mijn eerste job had, eind jaren 70, woog het religieuze dictaat nog zwaar door. Ik herinner me hoe riskant het eigenlijk was dat ik met een gescheiden vrouw samenleefde terwijl ik in een katholieke instelling werkte. Was dat uitgekomen, dan riskeerde ik mijn baan. Dat is nu ondenkbaar.”

En hoe zit het met uw eigen verhouding met uw lichaam?

“Daarin ben ik geëvolueerd. Ik doe al zeker dertig jaar aan hardlopen met twee vrienden. Onze running gag is dat we ons afvragen: ‘Lopen we nu met of tegen onze opvoeding? Met of tegen ons lichaam?’ Want onze opvoeding was dus vrij hard. Pijn moest je negeren. Wie ziek was werd, zowel bij mij thuis als op het internaat, aan zijn lot overgelaten tot het over was. Wij drieën hebben marathons gelopen, een van ons behaalde een zwarte gordel in karate. Hardlopen was lange tijd iets om ons lichaam te harden. We liepen tégen ons lijf en pijn was een goed teken, alleen dan was de training goed geweest. Nu lopen we mét ons lichaam. Dat is veel plezieriger. Vroeger was het lichaam slecht, nu mag het er zijn.”

Maar ondanks de seksuele revolutie haperen onze intieme levens?

“Ja. Ik zie vanuit mijn praktijk wel vooral de problemen, natuurlijk. Maar die zijn vaak alleen maar een extremere vorm van wat breder speelt. Gelukkig is er sinds eind vorige eeuw dus een einde gekomen aan het eeuwenlange conflict met ons lichaam dat ‘bedwongen’ moest worden. Niemand dicteert ons nog van achter een altaar hoe we ermee moeten omgaan. Ik wil mensen echter wijzen op een nieuw, meer onzichtbaar dictaat dat onze intimiteit nu op andere manier verstoort.”

Een nieuwe Big Brother?

“Zoiets. Vanuit het monsterverbond tussen politiek, markt en samenleving worden ons heel specifieke beelden voorgehouden die ondertussen meer invloed dan onze ouders hebben op hoe we onze intimiteit en identiteit opbouwen. Het is een combinatie van maakbaarheid, wat op zich mooi is, en het idee dat je ‘nooit goed genoeg’ bent of genoeg hebt. Je lichaam kan vandaag niet mooi, strak, jong genoeg zijn. We moeten beantwoorden aan een ideaal waar we nooit aan kúnnen beantwoorden.

“Er is een permanente concurrentie met anderen én met jezelf. Dat zit in alle aspecten van onze levens. We wanen ons vrij van moralistische beperkingen, maar we zien niet dat alles in het teken staat van hedendaagse geboden: zo succesvol mogelijk zijn en dat zo veel mogelijk etaleren. Kinderen moeten ondernemers zijn van zichzelf. Talenten moet je te gelde maken, anders ben je een loser. Collega’s zijn concullega’s. Bescheidenheid is geen deugd, maar een reden om je op assertiviteitscursus te sturen. Zelfs mijn hardlopen zit nu via loopapps in een concurrentiemodel.”

Zijn competitie en prestatiedrang dan slecht?

“Zeker niet, en genieten van je succes ook niet. Wat wel nefast is, is de voortdurende dwang om dat te doen en het idee dat het nooit genoeg is. Er zijn nu volwassenen die in de put zitten wanneer ze te weinig likes hebben op Facebook. We moeten de anderen verslaan maar we hebben ze ook nodig om de hele tijd applaus te krijgen, wat van een enorme onzekerheid getuigt. En als we niet voldoen, als we zo niet gelukkig worden, falen of ziek zijn, is het onze eigen schuld en moeten we maar meer ons best doen. Maar van wie eigenlijk?”

We zijn toch meer bezig met zelfzorg, wellness?

“We staan stijf van de stress, dus zo vreemd is dat niet. Maar zelfs zelfzorg is door de commercie opgeslorpt. Onze bezorgdheid om ons lichaam is niet zorgzaam. Het is een bezorgdheid over de afstand die we nog moeten afleggen om dat ideale lijf te verwerven. Ongeveer iedere vrouw let op haar gewicht; gezondheid en schoonheid zijn een verplichting. En hoeveel stappen heb je vandaag gezet? Zelfs yoga en meditatie zijn consumptieproducten geworden om je imago op Instagram mee te boosten.

“De meest doortrapte list van de reclame is de boodschap om onze ‘individualiteit’ waar te maken. Resultaat: we kopen dezelfde, grotendeels overbodige spullen, doen aan dezelfde vormen van ontspanning, werken collectief steeds harder, gevolgd door hetzelfde soort vakantie dat we op hetzelfde soort Facebookpagina etaleren.”

U noemt die evolutie ziekmakend?

“Er is geen honger meer, maar er zijn wel meer eetproblemen en obesitas. Er is geen oorlog, maar we zitten de hele tijd in concurrentie met anderen en met onszelf. Mazelen en de pest zijn verleden tijd, maar het aantal diagnoses van depressie, burn-out, angststoornissen, auto-immuunaandoeningen, diabetes en bepaalde kankers nemen toe, allemaal aandoeningen die vaak verband houden met chronische stress. Ik zie ook veel schaamte. Zou dat allemaal toeval zijn? Zou het niet zeer goed kunnen dat die nieuwe normen de band met ons lichaam verstoren, ons vervreemden van onszelf, constant opjagen en dus ook ziek maken?”

Schaamte? In deze tijden?

“Wees maar gerust. Vroeger voelden we ons vooral schuldig want we hadden zondige verlangens, nu is er veel schaamte want we denken dat we falen. Ik hoor succesvolle hoogopgeleiden in mijn praktijk geregeld zeggen: ‘Op een dag gaan ze mij doorhebben en zien dat ik eigenlijk niets voorstel’. Die angst voor ontmaskering, voor falen is nieuw en alomtegenwoordig. Als perfectie de norm is, dan is elke fout een reden tot schaamte en angst voor ontmaskering.”

Heeft u zelf last van stress en schaamte?

“Toen er aan de Gentse universiteit een bikkelharde competitie was voor bevorderingen en fondsen, heb ik ervaren wat stress met je doet. Ik had al last gehad van lumbago en hernia door een verkeerde manier van spitten in mijn moestuin, en toen blokkeerde mijn rug helemaal. Nu heb ik veel minder last van stress. Ik leef bewuster en daardoor rustiger, ik draag meer zorg voor mijn lichaam en voor de mensen die ik graag zie.

“En omdat ik behoor tot de generatie die een schuldgevoel opgelepeld kreeg, zeker rond lichamelijkheid, heeft vooral daarvan loskomen mij zeer veel moeite gekost. Tot vandaag moet ik mij vaak verzetten tegen mijn inwendige, altijd strenge rechter.

Schaamte heeft vooral te maken met de beoordelende blik van anderen, vaak over je uiterlijk en daar heb ik minder last van dan de jongere generatie, ook al omdat ik mij ver verwijderd hou van sociale media.”

Zeg nu niet dat het vroeger beter was.

(met klem) “Absoluut niet. Toen waren lichamelijkheid in het algemeen en seksuele gevoelens in het bijzonder verboden. Daar wil niemand naar terug. Maar nu moeten we heel veel, zonder te weten van wie. Ik hoor geregeld: ‘Ik moet naar de sportles’. Hoe absurd is dat? Vroeger konden we ons verzetten tegen bisschoppen en rijkswachters, nu gaan we gebukt onder een anoniem dictaat dat we via de beeldcultuur geïnternaliseerd hebben zonder dat we het beseffen. Je daartegen afzetten is veel lastiger. Ik zie mensen die fysiek een puinhoop zijn, maar die geen idee hebben van wat er met hen gebeurt, die verlangens nastreven die niet echt van hen zijn. Ze zijn een intieme onbekende voor zichzelf. Het zijn er veel meer dan je vermoedt.”

Wat die nieuwe normen met ons doen verklaart dat gebrek aan intimiteit?

“Ja. Met al het gedoe om er aan de buitenkant zo verkoopbaar mogelijk uit te zien, zijn we steeds minder afgestemd op de binnenkant. Dan wordt intimiteit helemaal moeilijk. Wanneer seks perfect moet zijn, tussen twee het liefst zo strak mogelijke lijven, dan is een vrijpartij een opvoering met spelers die toeschouwer en beoordelaar zijn. Wanneer een interne criticus de hele tijd zegt dat we niet goed genoeg zijn, dan remt ons dat heel erg af om ons over te geven aan een ander. Wanneer anderen vooral beoordelaars, potentiële critici en concurrenten zijn, is intimiteit onmogelijk. Dat is ook zo wanneer de competitieve buitenwereld ons privéleven binnendringt, en we de strijd om ter best, snelst, meest, meenemen naar huis. Dat we elkaar steeds minder live zien, waardoor onze capaciteit voor empathie afneemt, helpt ook niet. Om elkaar graag te zien, moet je elkaar zien.”

We zien onszelf niet graag genoeg, maar waren we niet net individualistischer dan ooit?

“Er is een enorm verschil tussen het huidige narcisme en jezelf graag zien. Zie je jezelf onvoorwaardelijk graag, of hangt het af van het oordeel van anderen? Voldoe je aan allerlei eisen omdat je dat echt graag doet, of omdat het goed is voor je imago? Jezelf echt graag zien, is je goed in en met je lichaam voelen, zonder publiek dat een score geeft. Zoals in je eentje dansen, zonder dat iemand je ziet, en daarvan genieten. Dat is intimiteit. Je goed in je vel voelen en daardoor dicht bij de ander kunnen komen zonder dat je applaus nodig hebt. Dat zijn we aan het kwijtspelen.”

En? Hoe kunnen we onze intimiteit herstellen?

“Er zijn geen recepten, wel aanwijzingen. We kunnen eerst en vooral meer naar ons lichaam luisteren en er echt voor zorgen, niet in naam van een heersende norm. We kunnen meer stilstaan bij wat we van buitenaf opgedragen krijgen, en zien dat niets ons verplicht om die mallemolen te gehoorzamen. We kunnen uitzoeken wat we echt voelen, wat een goed leven echt voor ons betekent. Niet een beter leven of het beste leven, maar een goed leven dat bij jou past. Dat klinkt makkelijker dan het is. Ik zie hoe moeilijk mensen het vinden om hun werkelijke emoties en verlangens onder woorden te brengen.”

U put ook inspiratie uit uw eigen liefdesverdiet?

(glimlachend) “Ja. Ik was een prille twintiger. Het was zomer en ik voelde me doodongelukkig na een mislukte liefdesaffaire. De wereld was somber en leeg, mijn gedachten waren grijs en pijnlijk, goedbedoelde pogingen van vrienden om mij op te vrolijken maakten alles nog erger. Vanwaar het idee kwam, weet ik niet meer, maar ik besloot te gaan vissen. Avonden lang zat ik geconcentreerd te kijken naar het puntje van de dobber, dansend net boven het wateroppervlak. De zeldzame keren dat ik beet had, ergerde ik me blauw omdat het mijn gedachtestroom onderbrak. Op het einde van de zomer was mijn liefdesverdriet over. Ik voelde me zelfs stukken beter. Pas decennia later, toen ik praktijken zoals emdr (Eye Movement Desensitization and Reprocessing, een traumatherapie gebaseerd op oogbewegingen, red.) en meditatie leerde kennen, begreep ik waarom.”

Waarom?

“Omdat het een combinatie van die twee was, exact wat ik toen nodig had. We begrijpen niet hoe het werkt, maar de bewijzen voor de helende effecten van meditatie en emdr, yoga en aanverwanten stapelen zich op. Die meer fysieke methodes werken goed in combinatie met klassieke therapie en zijn zeer goeie manieren om van de vele spanningen in ons lichaam af te raken en beter met onszelf in contact te komen. Zelfs diehard wetenschapper Sam Harris publiceerde een boek met een pleidooi voor meditatie en spiritualiteit.”

Die zomer was u vooral ook alleen.

“Ja, ik wilde dat iedereen me met rust liet. Ook dat had ik toen niet door, maar om je beter in je vel te gaan voelen, is het cruciaal stilte toe te laten en te horen wat er dan komt over je angsten en verlangens, je kwaadheid en verveling, je pijn en genot.

“Ook daarvan krijgen we de aanzet al mee als kind, zoals Donald Winnicott dat in The Capacity to Be Alone beschrijft. Een peuter speelt in een hoekje, in zijn eigen wereld, en laat de ouder met rust. De ouder is er wel, maar is ook bezig en laat het kind met rust. Toch zijn ze samen. Ze zijn niet samen eenzaam. Bij de minste hapering reageren ze op elkaar. Ze zijn verbonden, zonder dat ze elkaar en elkaars applaus nodig hebben of elkaars afkeuring vrezen, zonder dat ze elkaar als een bedreiging ervaren. Die emotionele volwassenheid is nodig voor intimiteit. Maar dan moet je eerst met jezelf alleen kunnen zijn. En dat blijkt nu erg moeilijk.”

In welke zin?

“Ondanks de toenemende gevoelens van eenzaamheid zijn we nooit meer echt alleen en kunnen we het steeds minder goed. Onderzoekers ontdekten dat mensen nog nauwelijks in staat zijn gedurende een kwartier rustig alleen te zitten, met hun eigen gedachten. Na zes minuten waren velen zelfs bereid zichzelf een lichte elektrische schok toe te dienen om te ‘ontsnappen’. De vraag is aan wie of wat.”

Kunt u goed alleen zijn?

“Ik vind het niet onaangenaam en heb het ook nodig. Jarenlang sliep mijn vrouw al toen ik van mijn therapiesessies thuiskwam. Maar toen ze op pensioen ging, zat ze daar plots wel ’s avonds. Dat vond ik erg lastig na de intense gesprekken met mijn patiënten. Ik wilde toen echt even alleen zijn. Gelukkig begreep ze dat.”

We hadden het over hoe kritisch we voor elkaar en anderen zijn. Hoe goed kunt u zelf tegen kritiek?

“Kritiek op de psychoanalyse waarin ik gespecialiseerd ben, is soms op de man en niet op de bal en daar ging ik wel eens onder gebukt. Maar meestal is de kritiek van een erg zwak niveau want gebaseerd op algemeenheden en achterhaalde clichés, en dan heb ik er weinig last van.

Bent u hoopvol over de toekomst van onze intimiteit?

“Hier ben ik een vooruitgangsoptimist: we zijn vrijer dan ooit om ons te verzetten tegen huidige dictaten en voorgehouden beelden, alleen beseffen we het nauwelijks, maar dat bewustzijn neemt toe. Ik ben ook hoopvoller dan tien jaar geleden omdat er nu steeds meer bottom-upbewegingen komen, van stRaten-generaal tot kleinere projecten, kinderopvang na school of stadstuintjes. Daarin gaat het niet over competitie, maar zoeken mensen weer naar verbondenheid. Ik denk ook dat we steeds gezonder zullen omgaan met digitale communicatie.

“En ik zie meer mensen, die vervreemd waren van zichzelf, echte veranderingen in hun leven aanbrengen, waardoor intimiteit meer mogelijk wordt. Het hoopvolle is dat het allemaal van onderuit komt, zowel uit ons lichaam als uit het ‘sociale lichaam’. En wat van onderuit komt, dat hou je niet tegen.”

Intimiteit van Paul Verhaeghe verschijnt op 15 november bij De Bezige Bij, 23,99 euro

Filosoferen over de liefde

Martha Nussbaum is volgens mij de hedendaagse filosofe die het meest openstaat voor de psychologie. En sommige kinderen worden blijkbaar wijs geboren, want haar vader was een racist en haar moeder een alcoholiste.
Bijna alles bij Nussbaum draait rond rechtvaardigheid, empathie en ethiek. Ik heb een paar boeken van haar gelezen, en eigenlijk zou elke politicus en ieder mens die het lot van andere mensen voor een stuk in zijn of haar handen heeft, haar boeken moeten lezen en ter harte nemen. Ze zijn niet altijd even toegankelijk, toch voor mij niet, maar wie moeite wil doen kan er veel uithalen en net zoals ik bevestigd worden in het eigen gedachtengoed, en vermits ieder mens kan denken, is ieder mens ook wel een beetje filosoof.
Ze is twee jaar ouder dan ik, en heeft dus de wereld kunnen meemaken zoals ik die meegemaakt heb, of omgekeerd, en zoveel zullen die werelden die verschillen, vermist ook zij een problematische thuis gehad heeft. Vandaar waarschijnlijk ook haar openheid naar de psychologie toe, en bovendien is het een vrouw en die denken toch ook wel altijd wat meer vanuit hun gevoelens. Eén van die gevoelens is de liefde, onmisbaar om het goede en het juiste te doen, volgens Nussbaum.

Boek: Wat liefde weet

Liefde maakt niet blind, maar juist scherpziend
HANS ACHTERHUIS– 21 augustus 1998 – Trouw.nl

De Amerikaanse filosofe en classica Martha Nussbaum is onder Nederlandse collega-wijsgeren goed bekend. Haar eerste boek uit 1986, ‘The fragility of goodness’, wekte al direct grote belangstelling en werd in kleine kring hartstochtelijk omhelsd.

Op zich was dit enigszins vreemd omdat Nussbaum in dit boek de literatuur boven de wijsbegeerte lijkt te stellen. In zorgvuldige analyses laat zij zien hoe Plato, de oervader van de westerse filosofie, in veel van zijn werken de verwarrende dilemma’s en gevoelens van ons leven miskent door ze op te lossen in het bijtend zuur van de rede.

Boven de filosofie lijkt Nussbaum hier te kiezen voor de literatuur. De grote klassieke tragedieschrijvers doen namelijk, zo laat ze zien, wel recht aan de onoplosbare spanningen en de hartverscheurende emoties waar mensen soms mee te maken krijgen.

Nussbaums tweede grote werk, ‘The therapy of desire’ uit 1994 vormt in zekere zin een rehabilitatie van de filosofie. Zij onderzoekt hierin nauwgezet hoe een aantal hellenistische filosofen van rond het begin van onze jaartelling over emoties dacht.

Denkers als Epicurus, Lucretius en Seneca zagen filosofie uitdrukkelijk als ‘geneeskunde van de ziel’, als onderdeel van wat de Franse filosoof Michel Foucault ‘de zorg voor zichzelf’ heeft genoemd.

Deze filosofen functioneerden dan ook als een soort therapeuten die mensen inzicht gaven in het omgaan met emoties. Nussbaum onderstreept de belangrijke inzichten die deze filosofie ook voor ons nog kan opleveren zonder dat zij met de uiteindelijke therapie, die vooral neerkomt op het zoveel mogelijk uitbannen van de emoties, meegaat. Van deze hellenistische denkers leert zij dat emoties een cognitieve functie hebben. Niet alleen rationele inzichten maar ook beleefde emoties verschaffen ons kennis van de werkelijkheid.

Buiten de al genoemde eng filosofische kringen was Nussbaum in ons land tot nog toe nauwelijks bekend. Daar zal ongetwijfeld verandering in komen nu er onlangs een vertaalde bloemlezing uit haar werk verschenen is. ‘Wat liefde weet’, met als ondertitel ‘Emoties en morele oordelen’, is een uitstekende gelegenheid om met één van de belangrijkste hedendaagse filosofen kennis te maken.

Mogen de genoemde dikke Engelse pillen op de modale lezer afschrikwekkend werken, dan verschaft ‘Wat liefde weet’ hem hierin toch enig inzicht. Uit beide boeken is namelijk een hoofdstuk vertaald. Uit haar eersteling stamt een fascinerende beschouwing over de Phaedrus van Plato. Nussbaum laat hierin zien dat deze filosoof in dit latere werk impliciet de rationalistische dogma’s uit zijn jeugd verwerpt. En de interpretatie van Seneca’s tragedie ‘Medea’, die uit ‘The therapy of desire’ afkomstig is, toont aan dat deze Romeinse wijsgeer zijn eigen filosofie deels verlaat als hij zich als literator in een concreet personage inleeft.

Het derde opstel dat deze bundel zijn titel geeft, stamt uit een verzameling artikelen van Nussbaum. Het vergelijkt twee literaire verhalen, van Marcel Proust en Ann Beattie, waarin liefde niet zoals het spreekwoord zegt, blind maar juist scherpziend maakt.

De toegang tot het vaak niet al te gemakkelijke werk van Nussbaum wordt vergemakkelijkt door de heldere inleiding van Marianne Boenink. Een interview met Nussbaum biedt Boenink als slot onder andere de mogelijkheid om op haar meest recente inzichten in te gaan.

In dit interview verheldert Nussbaum haar standpunt over de relatie tussen filosofie en literatuur. Literatuur kan mensen vooral gevoelig maken voor de uniciteit van situaties en relaties. Zij maakt zichtbaar dat er geen universele rationele recepten te bedenken zijn die simpel altijd en overal kunnen worden toegepast. Filosofen kunnen echter wel degelijk hiernaast hun eigen bijdrage in het denken over emoties hebben. Wat zij op grond van hun opleiding vooral “te bieden hebben, is een langdurige, rigoureuze reflectie”.

Nussbaum zelf neemt als filosofe haar uitgangspunt voor reflectie meestal in de literatuur, maar dit kan ook in het dagelijks leven liggen. Hierbij stuurt ze als filosofe zorgvuldig tussen de rationalistische en de emotionele klippen door. Enerzijds zet zij zich af tegen het veelgehoorde adagium dat je altijd je gevoel moet volgen. Je moet je gevoelens onderkennen, onderzoeken en pas dan er vanuit handelen. Anderzijds verwerpt zij de beperkte technische rede die gevoelens als kennisinstrument van geen belang acht. Ook gevoelens leren ons onze plaats in de wereld kennen.

Nussbaums werk kan des te meer genoten worden als de lezer er de literaire of filosofische teksten die zij becommentarieert, naast legt. Mij speelde bijvoorbeeld parten dat ik het verhaal van Ann Beattie dat Nussbaum gebruikt, niet kende. Ook zonder deze kennis blijft haar werk genoeg aansprekend. Als om het belang van de benadering uit Nussbaums tweede grote werk te onderstrepen, is onlangs ‘De weg naar wijsheid’ van Seneca verschenen. Het is een selectie van diens teksten die in de fraai uitgevoerde Sapientia-reeks van uitgeverij Sun zijn verschenen. Deze korte teksten mogen met recht therapeutisch worden genoemd. Niet alleen bij de Romeinse, ook bij de hedendaagse lezer kunnen zij ongetwijfeld tot het soort zelfinzicht leiden dat ieder mens volgens de grote Romeinse denker moest nastreven.

Boek: Politieke emoties

Martha Nussbaum
Marc Hooghe – Gewoon hoogleraar politieke wetenschappen, KULeuven

Op 13 december geeft Martha Nussbaum in het Kunstencentrum Vooruit, Gent, een lezing over haar nieuwste boek Politieke emoties. Waarom een rechtvaardige samenleving niet zonder liefde kan (Ambo, 2014). Daarin houdt ze een warm pleidooi voor meer empathie in het politieke denken. Als politiek filosofe onderzoekt ze in hoeverre empathie een basis kan vormen voor de moderne verzorgingsstaat. Een boodschap die ook aanslaat in ons land.

De welvaartsstaat kan enkel overleven dankzij een behoorlijke dosis solidariteit. De rijkste groepen in de samenleving weten dat ze nooit het geld dat ze investeren in het systeem, zullen terugzien. De fundamentele vraag is dan waarom dit systeem van herverdeling toch kan blijven bestaan. Een eenvoudig antwoorden is dat de staat nu eenmaal op een dwingende manier inkomens en winsten afroomt door een progressief belastingsysteem. Solidariteit kan ook het gevolg zijn van een rationele afweging: een samenleving zal stabieler zijn en meer harmonieus functioneren als de maatschappelijke ongelijkheid beperkt blijft. De meeste filosofen die in een Kantiaanse traditie werken, gaan uit van een vergelijkbaar rationeel inzicht. We beseffen allemaal dat het moreel verkeerd is een persoon van armoede te laten sterven, en daarom investeren we in sociale zekerheid.

MEER DAN REDE ALLEEN

De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum stelt in haar jongste boek Politieke emoties dat dergelijke rationele overwegingen te zwak zijn om een solidaire samenleving op te grondvesten. Verbondenheid of empathie is voor haar een essentiële voorwaarde om ervoor te zorgen dat mensen bereid zijn te investeren in een gemeenschap. Net zoals in haar vorige werk pleit Nussbaum daarmee voor een opwaardering van de emoties: met louter rationele inzichten komen we er volgens haar niet. De droom van Kant is altijd geweest dat we door rationeel inzicht een meer rechtvaardige en vredevolle samenleving zullen bereiken. De rode draad in het werk van Nussbaum is dat ze zich verzet tegen deze eenzijdige cognitieve benadering van moraliteit. In haar meest bekende boek Wat liefde weet (Nederlandse vertaling, 1998) paste ze dat inzicht toe op onze manier om betrouwbare kennis te verzamelen. Wetenschap mag voor haar niet alleen bestaan uit een kille, afstandelijke observatie, maar het is juist onze gevoelsmatige band die er voor zorgt dat we mensen en dingen ook echt kunnen begrijpen. Door liefde en een positieve betrokkenheid komen we tot waarachtige kennis.

In Politieke emoties trekt Nussbaum die lijn consequent door. Een rechtvaardige samenleving kan volgens haar onmogelijk tot stand komen louter op basis van strenge logische regels, zoals we die in het werk van Immanuel Kant of John Rawls vinden. De essentie van een rechtvaardige samenleving berust op een gevoel van verbondenheid en van mededogen met wie het moeilijk heeft. Liefde is met andere woorden belangrijk: een economisch of sociaal beleid moet ook durven uitgaan van het feit dat we als mens meevoelen met wie het moeilijk heeft.

Het moet worden gezegd dat de theorie van Nussbaum bijzonder relevant wordt in de huidige Europese context van harde bezuinigingen. Die bezuinigingspolitiek wordt vooral gevoerd op basis van louter economische argumenten: hoeveel procent van het nationaal inkomen moet er getransfereerd worden van gezinnen naar bedrijven? Het emotionele discours wordt daarbij geschuwd, omdat dit in veel gevallen te soft klinkt. Maar in werkelijkheid is het volgens Nussbaum belangrijk dat we meevoelen met iemand die zijn of haar job verliest, die medische zorgen uitstelt bij gebrek aan financiële middelen, of die geen enkel toekomstperspectief meer heeft. Het is juist dat elementaire besef van mede-menselijkheid dat het verschil kan maken tussen een kille bezuinigingspolitiek of de keuze voor een solidaire samenleving. Die keuze mag volgens haar niet alleen berusten op rationele economische argumenten.

VERBONDENHEID

Martha Nussbaum is natuurlijk niet de eerste auteur die kiest voor een dergelijke benadering. Ze verwijst uitvoerig naar het werk van Jean-Jacques Rousseau, die al pleitte voor een vorm van ‘burgerlijke religie’. Hij bedoelde daarmee dat de moderne samenleving niet alleen een zaak kan zijn van abstracte principes en anonieme regeltjes. We moeten van de samenleving ook een moderne ‘religie’ kunnen maken. Een van de belangrijkste functies van godsdiensten is altijd geweest dat ze zorgen voor een sterke verbondenheid van mensen met een groep. Die groep overstijgt dan zelfs het individu, en juist daardoor zijn mensen geneigd hun eigen belang opzij te schuiven voor het ‘hogere’ belang van andere groepsleden. In het verleden waren dit soort religies altijd gebaseerd op een godsgeloof, maar het is volgens Nussbaum belangrijk om ook in de huidige geseculariseerde tijden die verbondenheid nog altijd te cultiveren.

De ‘burgerlijke religie’ heeft dus niets meer met godsdienst te maken, maar er blijft wel het besef dat we onlosmakelijk verbonden zijn met een groter geheel. Liefde, of je zou in niet-geseculariseerde termen haast zeggen ‘naastenliefde’, blijft hiervoor onmisbaar.

Nussbaum bouwt verder op het werk van Rousseau met haar stelling dat die burgerlijke religie, of het gevoel van groepsverbondenheid, er niet vanzelf zal komen. Net zoals bij alle andere religies is er nood aan rituelen en instellingen die er voor zorgen dat we telkens opnieuw aan de ‘juiste’ emoties worden herinnerd. De bereidheid mee te investeren in een collectief project komt er immers nooit vanzelf. Een groot gedeelte van het boek gaat dan ook over vooral Amerikaanse rituelen van groepsvorming. Daar kijken wij als Europeanen altijd een beetje verwonderd naar. Is het samen groeten van de vlag nu echt zo’n mooi en na te volgen symbool van verbondenheid? Afgaande op de resultaten van dit soort Amerikaanse toestanden krijg je niet de indruk dat zo’n collectieve rituelen er toe leidt dat de Amerikanen bereid zijn hun arme landgenoten structureel te helpen.

Voor een stuk heeft Nussbaum natuurlijk wel gelijk. Omdat we een hekel hebben aan overdreven sentimentaliteit en grote symboliek houden we het in Europa vaak bij een steriel en afstandelijk discours over rechten en plichten. Diegenen die de sociale verzorgingsstaat willen verdedigen, doen dat meestal aan de hand van een lange verzameling tabellen en grafieken. Maar is dat voldoende om een maatschappelijk draagvlak voor herverdeling te verdedigen? Daar kunnen we allicht wel iets leren van het Amerikaanse debat over de betaalbaarheid van gezondheidszorg. In de Verenigde Staten werd vaak onbeschroomd geschermd met zeer emotionele voorbeelden. Wat te denken van een ‘normaal’ gezin met een laag inkomen, en zonder ziekteverzekering, waarvan de moeder bedlegerig blijft omdat ze geen 3000 dollar kan betalen voor een routine-ingreep die haar weer op de been zou brengen? Met dat soort heel eenvoudige, maar pakkende voorbeelden, heeft president Obama geprobeerd steun te verwerven voor zijn hervorming van het systeem voor gezondheidszorg. In Europa doen we dat niet: we houden het bij cijfers en overzichten, zodat het allemaal heel rationeel blijft.

Maar de gevolgen van armoede en uitsluiting zijn heel tastbaar. Het gaat om gezinnen die nauwelijks of niet kunnen rondkomen, en die hun kinderen niet meer op een normale manier naar school kunnen sturen. Als we Nussbaum volgen, dan moeten we onbeschroomd dat soort emotionele voorbeelden uitspelen om de solidariteit van de moderne verzorgingsstaat te rechtvaardigen. Emotie is volgens haar een uiterst belangrijke bron van intermenselijke solidariteit.

ZIJN EMOTIES BETROUWBAAR?

Daarmee zitten we echter meteen bij een zwak punt van haar redenering. In Europa hebben we vooral geopteerd voor een moreel-neutrale omgang met solidariteit. We hebben het geheel in regels en instellingen gegoten, en er wordt geen moreel appel meer gedaan aan de modale burger. De solidariteit is institutioneel en anoniem geworden. Een dergelijk systeem heeft ook zijn limieten. Er zijn steeds minder groepen en organisaties die actief opkomen voor de versterking van deze solidariteit. Maar tegelijk voorkomt die institutionalisering ook willekeur, en die overweging ontbreekt grotendeels in het werk van Nussbaum. Ze gaat er van uit dat verbondenheid en liefde algemene gevoelens zijn, die zich tot iedereen binnen de groep uitstrekken. Maar dat klopt natuurlijk niet. De hardwerkende alleenstaande moeder, die haar kind niet meer naar de universiteit kan sturen, is een voorbeeld dat aanspreekt, en het is relatief gemakkelijk in dit geval empathie aan de dag te leggen. In dat soort gevallen komen emoties los, en kan er sprake zijn van een sterke vorm van solidariteit. Maar stel nu dat een dronken chauffeur een verkeersongeval veroorzaakt, en daardoor zelf gehandicapt blijft. Als we het enkel van emoties laten afhangen, dan is de kans groot dat veel mensen weinig medelijden zullen hebben met deze chauffeur, die het ‘zelf gezocht heeft’.

Uit onderzoek weten we ook dat er veel meer bereidheid is tot solidariteit met mensen die op ons lijken, dan met mensen die bijvoorbeeld een andere etnische afkomst hebben. Emoties zijn bijna per definitie ‘partijdig’, en het is heel moeilijk dit te verzoenen met de objectieve toepassing van rechtsregels. Emoties kunnen bovendien uiterst gemakkelijk gemanipuleerd worden en zijn niet altijd een even betrouwbaar moreel kompas bij het nemen van beslissingen. Een mooi voorbeeld daarvan is de manier waarop een goed georkestreerde reportage van de openbare omroep onlangs veel sympathie wist op te wekken voor een veroordeelde moordenaar, terwijl de familie van het 19-jarige meisje dat hij vermoordde, gewoon niet aan bod kwam. In andere gevallen zullen de media enkel aandacht hebben voor het slachtoffer, en is er juist geen enkele opdracht voor de dader. Als je emoties als enige grondslag neemt voor een sociaal beleid, riskeer je voortdurend op dat soort toestanden te botsen, waarbij je een onderscheid maakt tussen ‘goeden’ (die dan geholpen worden) en ‘slechten’ (die dan blijkbaar aan hun lot mogen worden overgelaten).

Er zijn dus wel ernstige vragen te stellen bij het pleidooi van Nussbaum om emoties een grotere rol te laten spelen in de politiek. Emoties zijn per definitie weinig stabiel en vormen daardoor een wankele basis om een structureel systeem van herverdeling mogelijk te maken. Toch merken we dat haar boek bijzonder succesvol is, ook binnen een Europese context. Daar zijn twee redenen voor.

SUCCES NUSSBAUM

Ten eerste lezen haar boeken altijd bijzonder vlot, door de manier waarop ze abstracte filosofische concepten weet te illustreren door mooi uitgewerkte literaire en muzikale voorbeelden. Het is best knap om te lezen hoe je vanuit een analyse op Mozarts Le Nozze di Figaro kunt komen tot een duidelijke visie op gelijkheid en solidariteit. Tegelijk blijft hier natuurlijk de kritiek gelden die ook werd geformuleerd op haar vorige boeken: Nussbaum is soms zo enthousiast over haar literaire analyse dat het filosofische argument wat ondergesneeuwd raakt.

De tweede reden voor haar succes is dat ze een bijzonder reëel probleem aankaart. In zowat alle Europese landen merken we dat het huidige model van herverdeling en solidariteit onder druk staat en niet langer beschouwd wordt als een groot wervend project. De louter rationale overwegingen waar Kant voor pleitte, zijn duidelijk niet langer voldoende als basis voor de legitimiteit van de verzorgingsstaat. Het meenemen van andere legitimiteitsgronden, zoals emotie en empathie, is dus geen overbodige luxe. Het grotere verhaal van de verzorgingsstaat is er een van solidariteit en mededogen en het willen vermijden dat onze medeburgers in onmenselijke omstandigheden moeten leven. Het kan geen kwaad af en toe ook aan deze basisvoorwaarde te herinneren.

Bron: Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 51 tot 55
Nussbaum Martha figuur in de kijker
Samenleving & Politiek is een uitgave van Stichting Gerrit Kreveld