Perfectionisme

‘Perfect is goed, maar goed is beter’

Niets is zo normaal als je best te willen doen. Maar wat als het een obsessie wordt die je leven overheerst? Wanneer wordt perfectie te perfect? Welkom in de wereld van trop is te veel.

De Standaard – Yasmina El Messaoudi – 08.03.2019

Mijn vroegere huisgenoot en ik hebben vaak ruzie gehad over uitstelgedrag. Dat lijkt niets met het streven naar perfectie te maken te hebben, en toch zijn de twee nauw met elkaar verbonden. Uitstelgedrag kan een symptoom zijn van perfectionisme. Dat zegt Linda Kleingeld, loopbaancoach en perfectionismecoach. ‘Niet alles wat uitgesteld wordt, komt door perfectionisme. Wel zien we dat het te maken heeft met té hoge kwaliteitseisen, controledrang, “wat zullen anderen denken” en faalangst. Je wil graag iets doen, iets dat je leuk lijkt, een project starten. Maar diep vanbinnen denk je dat je het niet kan, dat je het niet waard bent en het toch zal mislukken. Daarom vind je het moeilijk om eraan te beginnen. En alles wat je niet start, kan niet mislukken.’ En dus bleven mijn huisgenoot en ik maanden zoeken naar de perfecte plek om te wonen, bleven klusjes eindeloos liggen en werd er maar niet beslist over de nieuwe tv, gordijnen of automatische kattenbakvulling. Dat lijken maar kleine ergernissen, maar op termijn kunnen ze grote gevolgen hebben.

‘Perfectionisme remt, verkrampt en blokkeert’, zegt Kleingeld. Het leidt tot voortdurende stress. Dat put mensen uit en maakt ongelukkig. Het leidt vaak tot burn-out en zelfs depressiviteit; je voelt je op alle gebied mislukt, omdat je je constant bewust bent van alles wat niet perfect loopt. Perfectionisme kan zo je eigen geluk en ­mogelijkheden in de weg staan. Wat ­mensen vanuit een ontspannen situatie zouden kunnen, lukt niet door de druk die ze ­zichzelf vaak onbewust opleggen.’

Marokkaanse tegeltjes

Daar kan ook Philip Lecompte (29), werkzoekende uit Rixensart, over meespreken: ‘In mijn vlucht voor de angst om te ­falen gebruik ik al mijn talenten om telkens weer iets nieuws te beginnen, zonder het vorige af te werken. Erg frustrerend om het zoveelste project half afgewerkt te zien. Op den duur zie je alleen nog maar een to-dolijst. Wat je nog meer ontmoedigt. Het is een vicieuze cirkel.’

Een andere vorm van uitstelgedrag door perfectionisme is het uitvoeren van onbenullige taakjes. Tijdens de examens moest ik altijd wel eens plots mijn kleerkast uitmesten, boeken op kleur sorteren of vrienden bellen die ik in tijden niet meer had gehoord. Alles om maar niet te moeten blokken, in mijn geval.

Roland Michel (39) woont in het Brusselse en is IT’er. ‘Ik wil al jaren mijn tuin ommuren met Marokkaanse tegeltjes. Maar de klus schrikt me zo af dat ik het elke keer uitstel. In plaats van er echt werk te maken, hou ik me bezig met kleine klusjes. Bladeren bij elkaar rapen, takjes knippen, de moestuin nog eens water geven, zodat ik toch maar niet hoef te denken aan dat grote project. Dat moet zo perfect zijn dat ik er liever niet aan begin. Ik heb een tijdje wel geprobeerd. Maar dan zat ik maanden op websites kleuren en tinten te vergelijken. Al die keuzes verlammen me, en dus laat ik het voor wat het is.’

Dat gevoel kent ook Nathalie Bradt (40) uit Boom, moeder van twee kindjes en logopediste. ‘Onlangs vond ik een doos terug met halfgeschreven kaartjes. Die had ik ­allemaal met veel zorg uitgekozen, maar omdat ze niet perfect geschreven waren, heb ik ze nooit afgegeven. Zonde, want zo geef je mensen het gevoel dat je niet met ze bezig bent, terwijl dat net wél het geval was. Vanwaar dat perfectionisme komt? Geen idee. Maar misschien dateert het van toen ik nog heel klein was. Op de basisschool was er een zuster, Pia, die een dik boek had waar alle kindjes die mooi konden schrijven hun opstel in mochten noteren. Omdat ik een mooi handschrift had, kreeg ik dat schrift vaak mee naar huis. Maar ’s avonds ging ik helemaal in crisis. Mijn moeder moest me dan in bed stoppen omdat ik flipte. De dag erna haalde ze me dan vroeg uit bed om verder te schrijven. Wat een beloning moest zijn, was voor mij een nachtmerrie. Ik kon die druk gewoon niet aan.’

Gooien met de koptelefoon

Perfectionisme uit zich ook in het tegenovergestelde: alles zelf willen doen. Jeroen Guns (35) is een jonge vader van twee uit Meise. Hij is presentator van de ochtendshow op Radio 2 Vlaams-Brabant en Brussel. Een programma met veel taken en strakke deadlines. Toch vindt hij het moeilijk om werk uit handen te geven. ‘Het is niet dat ik andere mensen niet vertrouw, maar als ik een montage moet maken of snel wat klankjes moet selecteren, doe ik het liever zelf. Dan weet ik zeker dat het 100 procent zal zijn zoals in mijn hoofd. Dat kan ik moeilijk loslaten. Hetzelfde met ­fouten maken tijdens het programma. Vaak gaat het om kleine technische dingen, een verkeerde jingle die wordt gestart bijvoorbeeld. Vaak zit ik er dan nog een hele dag over te piekeren, terwijl de luisteraar het misschien zelfs niet heeft gemerkt.’

Zijn sidekick Jana Smeets (30) uit Leuven beaamt dat. ‘Soms kan hij een halfuur lastig zijn omdat er iets fout is gelopen. Het is goed dat hij het beste wil voor het programma, maar soms gaat het echt om ­kleine schoonheidsfoutjes.’ Guns: ‘Ik heb inderdaad al wel eens met mijn koptelefoon gegooid.’ (lachen allebei) Smeets: ‘Maar ik snap het wel. Als ik nog maar twee minuten tijd heb om snel een radiobericht te maken, sla ik helemaal tilt. Ik schrijf fouten en heb soms een black-out. Omdat ik het zo goed en perfect wil doen, blokkeert mijn hoofd.’

‘Als collega is het belangrijk dat niet ­persoonlijk te nemen’, zegt Kleingeld. ‘Perfectionisten vinden het moeilijk om te delegeren. Ze hebben angst om controle te verliezen of dat het zal mislukken. Alles wat je zelf doet, doe je beter, is de onderliggende overtuiging. Voor zowel de perfectionist als collega’s is het belangrijk om die symptomen te herkennen.’

Bijsturing kan

Ook heel lang werken kan een uiting van perfectionisme zijn. Daar weet Smeets alles over. ‘Op onze avonddienst moeten we het ochtendprogramma en het nieuws van de dag erna voorbereiden. Je werkt dan helemaal alleen, maar er rekenen wel een heleboel mensen op je. Omdat ik in het begin zo onzeker en perfectionistisch was, zat ik vaak tot half twaalf te werken terwijl de shift om half tien al eindigt. Dan schreef ik een nieuwsbericht, schrapte het en begon opnieuw omdat ik twijfelde of het wel goed genoeg was. Of ik knipte niet één klankje maar vier, zodat mijn collega’s konden kiezen. Ik durfde maar niet te vertrouwen op mijn eigen kunnen en gaf hen dus meerdere opties.’

Ook Bradt herkent die traagheid. ‘Mijn partner krijgt het soms op zijn zenuwen van me. Hij vindt het vervelend dat ik zo traag ben en maar geen beslissingen kan nemen, maar het is sterker dan mezelf. Als logopediste moet ik heel wat verslagen maken. De hel voor mij, zelfs na al die jaren. Alles wat ik op papier zet, moet perfect zijn. Daar ben ik nog altijd uren mee bezig. Ik blijf er onzeker over en lees alles honderd keer na. Of ik vraag mijn vriend om alles nog eens te controleren. Het zou na zoveel jaren beter moeten gaan, maar helaas.’

Maar wat kun je eraan doen? Kleingeld: ‘Perfect is goed, maar goed is beter. Je mag perfectie nastreven, maar vraag jezelf of het vanuit een moeten of willen is. En belangrijk, het definieert niet wie je bent. Het is een gedrag dat kan worden bijgestuurd.’ Goed is dus goed.

Zelfdoding

Agent Kevin Briggs redde honderden mensen van zelfdoding

De hoeder van de Golden Gate Bridge

De Standaard – Ine Roox – 02.03.2019

Het grootste deel van zijn 23-jarige carrière als agent spendeerde Kevin Briggs (56) op de Golden Gate Bridge in San Francisco, waar hij ongeveer tweehonderd mensen overtuigde niet te springen. ‘Ik houd achteraf geen contact. Ik wil hen niet herinneren aan allicht de zwartste dag uit hun bestaan.’

De Golden Gate Bridge is een toeristische trekpleister in San Francisco. Helaas zijn er, sinds de brug in 1937 werd geopend, ook al meer dan 1.600 mensen van afgesprongen. Vorig jaar sprongen 31 mensen en moest de politie 187 keer interveniëren.

‘De brug wordt geromantiseerd. Wie ervanaf zou springen, zou in een andere dimensie terechtkomen, en het water onder de brug zou de ziel reinigen en al je zorgen en verdriet in één keer wegwassen’, vertelde Kevin Briggs enkele jaren geleden, toen hij op een Ted-conferentie over zelf­doding sprak. ‘In werkelijkheid is het lichaam vier tot vijf seconden in vrije val, tot het met een snelheid van 120 kilometer per uur tegen het water neerstort. Die kracht verbrijzelt botten, waarmee vitale organen worden geperforeerd. De meesten zijn op slag dood.’

Briggs was 23 jaar lang agent van de wegpolitie in Californië. Een groot deel daarvan was de Golden Gate Bridge zijn werk­terrein. ‘Ik wist op voorhand niet dat zo veel mensen daar probeerden uit het leven te stappen’, zegt Briggs, aan de telefoon vanuit Californië. Maar hij groeide uit tot de hoeder van de brug. Al die jaren sprak hij op honderden mensen in en overtuigde hij de meesten om niet te springen. Sinds zijn pen­sioen gaat hij geregeld spreken op seminaries en scholen.

Toen u er als agent begon, wist u niet dat zovelen van de brug probeerden te springen. Was u dan wel voorbereid op die taak?

‘Eén man drukte me driemaal de hand, terwijl ik op hem inpraatte. Daarna zei hij kort: “Kevin, I am sorry but I have to go”’

‘Ik dacht dat ik snelheidsboetes zou uitschrijven en diefstallen op de parkeerterreinen rond de brug zou aanpakken. Maar ik hoorde dat er sommige jaren wel zestig ­lichamen in het water werden teruggevonden. En toen kwamen de eerste meldingen binnen: “Er staat iemand die wil springen op de kabel rond de brug”. Toen ik aan de job begon, was ik 31. Ik was er niet voor opgeleid en wist niet precies wat ik deed. In het begin zei ik waarschijnlijk verkeerde dingen.’

Wat zijn verkeerde dingen?

‘“Alles zal wel in orde komen”, of ook: “Je wilt dit eigenlijk niet doen.” Toen ik enkele jaren op de brug werkte, heb ik een training voor crisisinterventies gevolgd. Dat hielp, maar de FBI-training voor onderhandelingen in ex­treme crisissituaties was de allerbeste. Die kreeg ik pas later in mijn carrière. Tegenwoordig worden jonge collega’s door ervaren collega’s én door psychologen opgeleid.’

U was dus in grote mate een autodidact. Hoe leerde u mensen te overtuigen het niet te doen?

‘Wanneer ik iemand had gered, wenste ik hem achteraf proficiat met die nieuwe kans. Ik vroeg altijd waardoor hij van gedacht was veranderd. Dan nam ik notities om daaruit te leren voor de volgende keer.’

U zegt vaak ‘hij’. Hebt u vooral mannen gered?

‘Ja. Het gaat doorgaans om blanke mannen, veertigers of vijftigers. Mannen die nog niet oud zijn, maar wel al oud genoeg om de hete adem van jongere concurrenten, bijvoorbeeld op hun werk, in hun nek te voelen. Mannen die zelf nog jong genoeg zijn om volop te moeten presteren, veel verantwoordelijkheden hebben, de druk niet meer aankunnen, en misschien met financiële zorgen of met gezondheidsproblemen kampen.’

Houdt u contact met wie u hebt ­gered?

‘Liever niet. Omdat ik geen trigger voor die mensen wil zijn. Ik wil geen herinnering oproepen aan wat vast de allerzwartste dag uit hun leven was. Kevin Berthia is een uitzondering. Ik sms hem minstens een paar keer per maand. Op 11 maart 2005 kreeg ik een oproep over hem. Ik reed naar de brug en heb anderhalf uur met hem gepraat. Die dag heeft hij zelf besloten om weer over de balustrade te kruipen en het leven een nieuwe kans te geven. Hij gaat vandaag spreken over die ervaring, en wanneer het lukt, spreken we samen voor een publiek.’

Heeft hij u verteld hoe u hem hebt overtuigd?

‘Ja, ik vroeg het hem, en hij zei: “Door gewoon naar me te luisteren. Jij liet mij spreken.” Hij zei ook dat ik een kalme stem had die hem had gerustgesteld. Vandaag gaat het weer goed met hem.’

U hebt ook mensen verloren.

‘Dat klopt. Eén man drukte me driemaal de hand, terwijl ik op hem inpraatte. Daarna zei hij kort: “Kevin, I am sorry but I have to go.” En dan was er Jason Garber, een intelligente jongeman van 32. Hij bleef maar praten over de doos van Pandora, waarin al het kwade van de wereld zat, maar ook één goede zaak: hoop. Plots vroeg hij mij en mijn collega: “Wat als je de doos van Pandora zou openen, en de hoop dan toch ontbreekt?” Toen sprong hij voor onze ogen de diepte in.’

Dat moet hartverscheurend zijn geweest. Kon u zelf met dat gevoel bij iemand terecht?

‘Het was een enorme dreun. Wat het nog zwaarder maakte, was dat ik diezelfde avond nog met Jasons ouders sprak. De dag nadien stond de rabbijn van Jasons familie voor mijn deur. Gestuurd door Jasons ouders, die bezorgd om me waren. Ik heb zelf hulpverleners opgezocht om ermee om te gaan. Je moet je kwetsbaar durven op te stellen, ook als politieagent, om die ervaringen te bespreken en verwerken.’

Stond u vaak alleen op de brug of werkte u samen met collega’s?

‘Ooit hebben we maar liefst acht uur lang op iemand in­gepraat, in de regen en de kou – toen hebben een collega en ik elkaar afgelost. Maar meestal deed ik het helemaal alleen. Dan laat je je ego helemaal varen en zoek je écht naar een connectie met de persoon die daar staat. Dat kan wel even duren. Je probeert erachter te komen wat er in het leven van die mens speelt en waarom hij op dat dramatische punt is aanbeland. Je tracht vertrouwen op te bouwen en je zoekt een aanknopingspunt. Je doet er alles aan om die persoon te overtuigen dat alles niet een-twee-drie opnieuw in orde zal komen, maar dat het wel mogelijk is. Dat er hulp voor hem is.’

U wist nooit vooraf waarmee u die persoon zou kunnen overtuigen.

‘Ik herinner me een jongeman die met zaken veel geld had verdiend, maar door te speculeren met andermans geld ook veel had verloren. Hij voelde zich totaal vernederd. Uiteindelijk vroeg ik hem hoe hij zich zou voelen als zijn vrouw daar zou staan, en overwoog te springen. Dat gaf hem de klik om het zelf toch niet te doen. Maar ieder geval en elke persoon zijn anders.’

Voor erg veel mensen komt zelf­doding heel dichtbij. Is dat ook voor u zo?

‘Mijn grootvader stapte uit het leven, waardoor ik hem nooit heb leren kennen. Ik heb zelf met een depressie geworsteld, die ten dele te maken had met mijn werk. Maar ik heb dat aangepakt en nu voel ik me oké. Op een mindere dag weet ik: deze dag en dit gevoel gaan ook weer voorbij. Dat geeft me energie om te gaan spreken over zelfdoding en mensen alert te maken voor de signalen, in een poging er iets aan te doen. Wie het van plan was, ervan afziet en er achteraf over kan en wil praten, zegt geregeld dat zelfdoding een verkeerde beslissing zou zijn geweest. Soms kan je het echt voorkomen.’

1. Wees alert voor signalen van mensen uit je omgeving dat ze met zwarte gedachten kampen. Zijn er veranderingen in hun gedrag? Geven ze bezittingen weg? Vluchten ze in alcohol of drugs of slapen ze veel meer dan normaal? Vermijden ze sociaal contact en hebben ze het gevoel dat het nooit nog beter zal worden?

2. Spreek hen erover aan. Volgens Kevin Briggs kan zo’n vraag als volgt luiden: ‘Anderen hebben in gelijkaardige omstandigheden misschien zelfdoding overwogen. Heb jij soms ook zulke gedachten?’ Volgens Briggs’ ervaring kan de rechtstreekse confrontatie met die gedachten het keerpunt zijn dat hun leven redt.

3. Als je hen de vraag hebt gesteld, luister dan ook écht naar het antwoord. Ga niet in discussie, veroordeel niet, en zeg niet aan die persoon dat je weet hoe hij/zij zich voelt, want waarschijnlijk weet je dat niet. ‘Listen to understand’, zegt Briggs. Beloof niet dat alles ineens weer goed komt, maar creëer hoop en probeer aan te geven dat hulp beschikbaar is.

De website van Kevin Briggs:
www.pivotal-points.com

Wie met vragen rond zelfdoding zit, kan bellen naar 1813 of surfen naar zelfmoord1813.be (centrum ter preventie van zelfdoding)

Psychotherapie

Psycholoog David Clark: “Vroeger leden mensen in stilte”
De Britse psycholoog David Clark over het medische én economische belang van psychotherapie

De Morgen – Joël De Ceulaer – 02.03.2019

Van een angststoornis kun je genezen. Ook een depressie is steeds beter behandelbaar. De Britse psycholoog David Clark, die op vrijdag 8 maart een baanbrekend project komt voorstellen aan de KU Leuven, over de vooruitgang in de geestelijke gezondheidszorg.

“In de geestelijke gezondheidszorg hebben we het punt bereikt waar we ons twintig jaar geleden met kanker bevonden”, vertelt David Clark. “Voor die tijd werd er nauwelijks over gepraat en waren er niet veel behandelingen. Vandaag wel. Dat is ook voor mentale aandoeningen in hoog tempo aan het veranderen. We weten steeds beter wat wel en wat niet werkt.” De Britse psycholoog is hoogleraar aan de universiteit van Oxford en schreef samen met econoom Richard Layard het boek Therapiewinst. Daarin leggen ze uit dat bepaalde vormen van psychotherapie niet alleen een zeer gunstig effect hebben op het welzijn van patiënten, maar evengoed op het welzijn van de overheidsfinanciën.

“Onbehandelde depressies en angststoornissen kosten de overheid veel geld”, vertelt hij via Skype. “De Wereldgezondheidsorganisatie heeft berekend dat het westerse landen 4 procent van hun bruto binnenlands product kost. Dat is enorm. Het probleem is niet alleen dat veel mensen ziek thuis blijven, maar ook dat mensen ziek komen werken en daarom minder productief zijn. Als mensen met zulke mentale problemen goed worden behandeld, betekent dat een enorme besparing voor de overheid. Ook al omdat mentale problemen vaak fysieke problemen verergeren: een diabetespatiënt die een depressie heeft, zal de voorschriften van zijn arts en zijn dieet minder goed opvolgen.”

Op vrijdag 8 maart is Clark te gast op het departement psychologie van de KU Leuven, waar hij zijn IAPT-programma komt toelichten – IAPT staat voor Improved Access to Psychological Therapies, oftewel: verbeterde toegang tot psychologische therapieën. In het kader van dat programma bieden ruim 10.000 Britse psychotherapeuten sinds 2009 een miljoen patiënten per jaar de nodige, adequate hulp. Een wereldstandaard, volgens het wetenschappelijke vakblad Nature. Clark heeft mee voor een revolutie gezorgd en brengt die blijde boodschap nu naar zoveel mogelijk andere landen.

Waarom krijgt fysieke pijn van oudsher meer aandacht dan mentale pijn?

David Clark: “Dat heeft voor een deel zeker te maken met het stigma dat nog altijd bestaat. Het is moeilijk om toe te geven dat je een mentaal probleem hebt. Daardoor is er historisch gezien altijd minder vraag geweest naar hulp bij mentaal lijden. Vroeger leden mensen in stilte. Een ander deel van de verklaring is wellicht het gevoel dat interventies bij mentaal lijden geen wetenschappelijke basis hebben, zoals dat wel het geval is bij fysieke gezondheidszorg.”

En dat klopt niet meer?

“Nee. Ons programma wil juist aantonen dat er wel degelijk wetenschappelijke evidentie bestaat voor bepaalde vormen van psychotherapie. Daar is al behoorlijk wat onderzoek naar gebeurd, met zogenoemde randomized controlled trials – die ook bij andere vormen van medisch onderzoek de standaard zijn. Daarnaast is ook het stigma aan het afnemen. In heel wat landen zijn bekende mensen bereid om openlijk te vertellen over de mentale gezondheidsproblemen die ze hebben gehad.”

Is dat belangrijk?

“Heel belangrijk. Beroemdheden die getuigen over hun angststoornis of hun depressie, hebben veel impact. Al blijft het belangrijkste het besef dat er behandelingen zijn die wérken. Het heeft geen zin om toe te geven dat je een probleem hebt, als er niets aan kan worden gedaan en je als het ware levenslang hebt gekregen. Zoals ook kanker vroeger een doodvonnis was.”

Dus u verwacht nog veel vooruitgang?

“We kunnen vandaag al aantonen dat veel mensen herstellen. Het publiek ziet dat ook. In het Verenigd Koninkrijk meten we alles objectief en maken we alle resultaten publiek. Die transparantie werkt goed. Mensen zien dat er behandelingen bestaan die werken en zijn daardoor eerder geneigd om zelf een goede behandeling te zoeken.”

Voor de goede orde: u hebt het niet over pillen, maar louter over psychotherapie.

“Beide hebben uiteraard hun plaats. Er bestaat medicatie die zowel bij depressie als bij angststoornissen kan worden gebruikt. En die ook helpt. Maar uit onderzoek blijkt dat psychotherapie betere langetermijneffecten heeft. De reden is eenvoudig: als je stopt met medicatie, houdt de werking op. Terwijl je bij een therapeut nieuwe vaardigheden leert om met emotionele problemen om te gaan. En die vaardigheden blijf je gebruiken. In het VK raden wij psychotherapie aan als eerste keuze bij de behandeling van angst en depressie.”

En wordt die psychotherapie terugbetaald?

“Volledig. Het programma dat wij hebben opgezet, wordt door de overheid gefinancierd. Die investering bedraagt gemiddeld 650 pond (een kleine 750 euro, JDC) per patiënt.”

U hebt het over depressie en angststoornissen. Zijn dat de meest voorkomende mentale problemen?

“Zeker. Als je bij angststoornissen alles telt wat te maken heeft met overdreven piekeren, fobieën, obsessief-compulsief gedrag en posttraumatische stressstoornis – en je rekent daar depressies bij, dan heeft op elk moment een op de zes mensen in het VK daar last van. Aandoeningen zoals schizofrenie en psychose zijn een ander verhaal, die komen voor bij een op de honderd mensen.”

Veel mensen hebben bij de psychotherapeut het beeld van iemand met wie je eens goed kunt praten. Komt het daarop neer: een goed gesprek?

“Nee, het is meer. Er bestaan verschillende vormen van psychotherapie, maar die zijn niet allemaal even effectief voor alle problemen. Het is erg belangrijk dat mensen de therapie volgen die evidence based is. Voor alle angststoornissen is de evidentie nu echt overweldigend dat cognitieve gedragstherapie het best werkt.”

En hoe werkt die therapie?

“Zoals de naam al zegt, focust cognitieve gedragstherapie op twee dingen: je denk- en je gedragspatronen. Veel mentale onrust heeft te maken met de manier waarop je reageert op of omgaat met bepaalde gebeurtenissen. Iedereen maakt erge dingen mee, maar voor de ene persoon leidt dat tot meer onrust dan voor de andere. En dat heeft te maken met hoe je over jezelf en de wereld denkt. Een cognitieve gedragstherapeut kan focussen op de denkpatronen van de patiënt, en onderzoeken hoe die het gedrag beïnvloeden.”

Geef eens een voorbeeld?

“Een klassiek voorbeeld zijn mensen met een sociale angststoornis. Als je denkt dat andere mensen vinden dat je dom bent, vermijd je sociale interactie. Of probeer je altijd om zo slim mogelijk over te komen in gezelschap, zodat je jezelf niet kunt zijn. Bij een therapeut leer je die gedachten onderzoeken, en leer je heel concreet om je gedrag aan te passen. Door bijvoorbeeld eens géén rolletje te spelen in gezelschap, en te kijken hoe mensen daarop reageren.”

Is het denkbaar dat de therapeut meegaat? Mee de lift neemt als je een liftfobie hebt, mee de stad in gaat als je een sociale fobie hebt?

“Jawel, dat gebeurt vaak. Het is niet alleen maar praten. We trekken de echte wereld in om patiënten te leren hun angsten te overwinnen. Dankzij ontwikkelingen met virtuele realiteit, hebben we nieuwe mogelijkheden. Iemand met hoogtevrees kunnen we in een virtueel programma laten wennen aan grote hoogtes, voor hij of zij dat in de realiteit probeert. Dat werkt erg goed. Een angststoornis behandelen wij in zes tot twintig sessies.”

Wat met depressie?

“Het goede nieuws is dat daarvoor verschillende vormen van therapie bestaan, die allemaal effectief lijken. Er is de cognitieve gedragstherapie. Er is de interpersoonlijke therapie, waarbij men focust op de relatiepatronen in je leven. Er bestaat koppeltherapie voor mensen die depressief zijn in het kader van hun relatie, en die samen met de partner de relatie toch nog willen redden. En er zijn vormen van psychodynamische therapie, die nog wat traditioneler freudiaans zijn, die effect kunnen hebben.”

Hangt veel niet af van de persoonlijkheid van de therapeut, welke specifieke techniek hij of zij ook toepast?

“Sommige mensen in het werkveld geloven dat inderdaad. En als je naar depressie kijkt, en de verschillende vormen van therapie die kunnen werken, zou je geneigd zijn om dat te geloven. Maar bij angststoornissen is dat duidelijk niet het geval, daar is cognitieve gedragstherapie superieur. Los daarvan wil je altijd iemand die warm en empathisch is, en die volledig wil focussen op jouw probleem. Als een therapeut dat niet doet, is er een probleem. Maar daarbovenop is het ook belangrijk wát die therapeut doet.”

Kan een verkeerde vorm van psychotherapie het probleem erger maken?

“Absoluut. Daarom is het zo belangrijk om veel data te verzamelen. De overheid moet in kaart brengen waar patiënten geholpen worden en waar niet. Daarom moet de situatie van de patiënt telkens bij het begin en het einde van de behandeling worden gemeten.”

Daar kunnen psychologen toch over liegen, zoals Freud vroeger deed? Een aantal van de patiënten die hij zogezegd had genezen, was dat helemaal niet.

“Dat is uitgesloten bij ons, wij gebruiken zelfrapportering door de patiënten.”

Hoe zwaar heeft de schaduw van Freud gewogen op de evolutie van de psychotherapie? Hoe destructief zijn sommige van zijn ideeën geweest?

“Dat is een complex verhaal. Dankzij Freud raakten mensen geïnteresseerd in mentale processen. Hij heeft ook het idee gelanceerd dat psychotherapie zou kunnen helpen. Dat is een grote prestatie. Wij zouden vandaag niet op dit punt zitten zonder Freud. Hij was een pionier. Een idee van hem dat niet zo behulpzaam is geweest, was zijn overtuiging dat niets is wat het lijkt. Dat klopt niet. Het mysterie van onze mentale processen is niet zo groot. Mensen weten best wat er met hen aan de hand is.”

We hebben geen jarenlange psychoanalyse nodig om onszelf te leren begrijpen?

“Nee, zulke langdurige therapieën hebben geen focus, werken niet, en zijn heel duur. Alleen kortlopende vormen van psychodynamische therapie, die nog geworteld is in Freud, zijn in sommige gevallen het proberen waard. Nogmaals: wij pleiten voor een mentale gezondheidszorg die evidence based is, net zoals kankerbehandelingen dat moeten zijn. De geschiedenis van de psychologie telt veel voorbeelden van dingen waarvan men dacht dat ze werkten, terwijl onderzoek ondertussen het tegendeel heeft aangetoond.”

Wat is het beste voorbeeld?

“Counseling, waarbij mensen vlak nadat ze een ramp van dichtbij hebben meegemaakt, worden gedebrieft en gecoacht door een psycholoog.”

En dat werkt niet?

“Het lijkt puur gezond verstand dat zoiets goed werkt. Als je kunt praten over wat je net hebt meegemaakt of gezien – een verkeersongeval, een ontploffing, een aanslag – dan zal iedereen dat slim vinden. Vanuit het idee: als je er niet over praat, blijft die emotie toch maar hangen en krijg je er later problemen mee. En vertellen wat je hebt beleefd, is per slot van rekening niet zo erg. Ondertussen hebben honderdduizenden mensen over de hele wereld zo’n psychologische debriefing gekregen. Het is een industrie geworden.”

Maar het is weggegooid geld?

“Wel, wat we ondertussen uit onderzoek weten is dat mensen sneller bij hun positieven komen zonder counseling. Psychologische debriefing vertraagt het verwerkingsproces. Daarom gebeurt het in het Verenigd Koninkrijk in elk geval niet meer.”

Uw coauteur Richard Layard is de econoom die met zijn boek Happiness in 2006 mee de basis legde voor het concept Bruto Nationaal Geluk. Kan psychotherapie behalve ongeluk verminderen ook ons geluk verhogen?

“Dat is op zich geen onderzoeksveld, al focust de beweging van de zogenoemde positieve psychologie daarop. Essentieel zijn natuurlijk gezond eten en voldoende bewegen. Maar ook mindfulness wordt gebruikt door mensen die op zich niet lijden, en die vinden dat het hen een verhoogd gevoel van welzijn bezorgt. Het is een techniek die je niet meteen moet proberen als je in de problemen zit, maar die wel je kwetsbaarheid voor mentale problemen kan reduceren.”

Dankzij mindfulness herval je niet?

“Inderdaad, dat blijkt te helpen. Voor mensen die eerder al depressieve episodes hebben gekend, is de evidentie sterk dat mindfulness het risico op herval ongeveer halveert. Ook dat is iets waar heel veel mensen hun voordeel mee kunnen doen.”

BOEK: De kunst van het alleen leven

Waarom alleen leven niet per definitie eenzaam is
Solovrouw is superwoman

De Standaard – Annelies De Waele – 06.12.2018

Alleen leven: voor veel mensen klinkt het akeliger dan het is. Een beroemde loner als Greta Garbo wist dat al. En het aantal gezinnen waarin iemand alleen leeft stijgt nog elke dag. Jane Mathews schreef een hulde aan de alleenwoner. Annelies De Waele

‘Ook de sterkste, vaardigste, sociaalste en aardigste mensen ter wereld leven soms alleen’, schrijft de Australische Jane Mathews in haar boek The art of living alone. Ze droeg het op aan al haar verwante eenlingen – vrouwen vooral. Het boek is net uit in het Nederlands.

Ik treed haar bij. De alleenwoners die ik ken – ik reken mezelf even ongegeneerd mee – zijn stuk voor stuk dappere krijgers, boeiende lotgenoten. Waarom kleven aan mensen zoals wij dan toch steevast een paar labels – egoïstisch, speciaal, moeilijk, eenzaam, zielig?

Mathews somt een hele pagina van die vooroordelen op. Om op de volgende pagina op de proppen te komen met evenveel kwaliteiten en pluspunten. ‘We moeten ervoor zorgen dat de maatschappij een ander beeld krijgt van mensen die alleen leven. We moeten de wandelende reclameborden voor onze stam zijn’, klinkt het in haar ­conclusie.

Ze voegt zelf de daad bij het woord. Want ze schreef een positieve en vaak grappige handleiding. Zonder voorbij te gaan aan de angels en angsten van in je eentje wonen schetst de auteur hoe je je leven op die ­manier best aangenaam kan uitbouwen.

Mathews boek is natuurlijk niet het eerste in zijn soort. De nieuwe single, 1.000 tips voor wie alleen woont, Singlegeluk: boeken genoeg vol emotionele en praktische tips. Op het net vind je hier en daar ook ‘single coaches’. Een enkele wil singles ‘versterken in hun onafhankelijkheid’, meestal richten die zich evenwel vooral op het vinden van een nieuwe partner. Solo van journaliste Nathalie Leblanc, dat in 2014 verscheen, is diepgravender lectuur, met veel cijfers erbij en experten aan het woord. Het zette de ­‘alleenwoner’ – haar term- wat op de kaart. In de Antwerpse filosofieschool The School Of Life leert Leblanc je hoe je goed gezelschap voor jezelf kan zijn. Want ‘alleen’ is niet per definitie ‘eenzaam’.

Vrijheid

Toegegeven, alleen wonen wordt makkelijker met een aantal basics in je lade: beroepsactief zijn, genoeg geld verdienen, in relatief goede gezondheid verkeren, nog wat familie bij de hand hebben, je dichtbij of veraf omringd weten door mensen die je lief zijn, een latrelatie hebben, het woord ‘verveling’ niet kennen, huiselijk zijn, noem maar op.

Wie lang alleen woont, maakt vaak een evolutie door. Als je jong bent en bijna ­iedereen rondom jou ziet samenhokken, voelt het alsof je een boot mist. Je gaat vrij krampachtig op zoek naar jouw ticket. Gaandeweg ontdek je dat je alleenwoon­status evenwaardig is en misschien toch veel meer een keuze is dan je zelf eerst had gedacht. Omdat je over de liefde niet kan of wil onderhandelen. Omdat je veeleer een loner bent dan een teamplayer. Of omdat je simpelweg geniet van het alleen zijn en ­wonen – al dan niet in een relatie. En daar is niks mis mee.

De universiteit van het leven heeft mij alvast geleerd dat veel mensen die samenwonen soms warm zijn met elkaar, maar even vaak wat ‘gevangen’. Kinderen, een huis, status, geld, redenen genoeg waarom koppels liever samenblijven. Vrijheid wordt, samen met creativiteit, in zowat alle lectuur over alleen zijn met stip als voordeel nummer 1 aangehaald.

Medaille

Veel mensen zijn dus bang van ‘alleen’. Als hun schip te pletter vaart, klikken ze zich liefst zo snel mogelijk opnieuw vast aan een nieuwe liefdespartner. Doodjammer. Niet de nieuwe liefde, wel het feit dat ze zichzelf niet de kans geven om het alleen te proberen. Verklaring? Maatschappelijke denkbeelden, een tanker die zich maar moeilijk laat keren.

Het is iets wat alvast schrijfster Sara Maitland niet begrijpt. ‘Hoe zijn we op een punt beland dat autonome, vrije, zich ­ontplooiende individuen tegelijkertijd bang zijn om alleen te zijn?’, vraagt ze zich af in haar filosofische How to be alone. Haar antwoord: het wordt ons als kind niet voldoende aangeleerd. ‘Alleen zijn’ wordt bijvoorbeeld ingezet als straf en niet als iets waar je een rijker, voller mens van wordt.

Loners worden in onze wereld gezien als bizar, aldus nog Maitland. Ga je solo zeven bergen beklimmen of de oceanen bezeilen, dan klinkt er nog wel applaus. Maar voor mensen die jaar in jaar uit gewoon alleen thuis hun leven leiden hangt er geen ­medaille klaar.

Of wacht even, onlangs, op zondag 11 november, was het toch Singles’ Day? Een zoveelste commerciële ‘feestdag’ jawel, een en al gericht op consumptie. Alsof dat deel van de alleenwoners geld te veel hebben. Vaak niet, want alleen wonen is peperduur. De zogenaamde ‘singletoets’ is en blijft een mager beestje, ons politiek bestel hinkt hier hopeloos achterop. En dat is een doorn.

Dan maar de kracht uit jezelf halen dus. Het brengt ons terug bij Jane Mathews. ‘Soms begint de dag geweldig, maar zit ik even later toch in de put omdat iemand zonder nadenken net het verkeerde zei’, schrijft ze. Herkenbaar. En met ‘dat verkeerde’ moet je dan een tijdlang in je eigen hoofd malen. Maar laat dit nu net een van de sleutels zijn: je gedachten. ‘Jij bepaalt zelf welke gedachten in jouw hoofd wonen.’ ‘Allenen’: niet voor mietjes.

Ook stipt Mathews ergens het gebrek aan empathie aan van mensen die niet alleen wonen: ‘Een getrouwde vriendin bleef maar ratelen over haar overvolle weekend en reageerde erg verbaasd toen ik zei dat ik in die 48 uur niemand had gesproken.’ Veel mensen staan hier inderdaad niet bij stil, tot ze het zelf ervaren. ‘Oprechte vrienden zijn empathische vrienden’, aldus Mathews. Maar ze sombert eigenlijk zelden. Na de publicatie van haar boek ging dochterlief toevallig opnieuw bij haar wonen. ‘Ik ben dol op haar (…) maar besef nu wel hoe gelukkig ik in mijn eentje was. Ik heb mezelf geleerd hoe je uitstekend kunt leven in je eentje. Ik mis het.’

Boek: Jane Mathews, ‘De kunst van het alleen leven’, Altamira, Haarlem, 2018.

 

Graag alleen zijn

Mensen die graag alleen zijn hebben deze 17 unieke persoonlijkheidskenmerken.
 
We kennen allemaal iemand die echt geniet met gezelschap van anderen. Ze worden vaak omschreven als levendig, en zorgen er bewust voor dat ze zijn waar het wat drukker is. Ze hebben behoefte aan frequente menselijke interactie en kunnen gevoelens van verdriet en isolement ervaren wanneer ze alleen zijn. Voor een eenling is het tegendeel waar.

Het is niet zozeer dat ze een hekel hebben aan het met andere mensen zijn, maar ze richten zich meer op kwaliteit dan op kwantiteit als het gaat om hun eigen persoonlijke relaties. Ze nemen graag de tijd en ontwikkelen graag diepere, langdurige connecties met een selecte groep mensen, in plaats van dat ze zich richten op een groot aantal kennissen.

Tijd is ook erg belangrijk voor een eenling, dus ze willen er zeker van zijn dat ze hun tijd verstandig besteden. Voor een eenling is tijd in hun eentje doorbrengen niet alleen een verlangen, maar ook een absolute noodzaak om een gezond gevoel van evenwicht en gezond verstand te kunnen behouden. Welk type persoon beschrijft jou het beste? Ben je liever alleen of in het gezelschap van anderen?

Hier zijn 10+ unieke persoonlijkheidskenmerken die mensen die graag alleen zijn vaak hebben:

1. Hun tijd is waardevol
Eenlingen koesteren hun tijd. Ze weten waar ze van houden en wat ze haten en gaan niet zomaar naar een evenement toe om alleen maar even van huis te zijn. In plaats daarvan zijn ze veel kieskeuriger over met wie ze hun tijd door willen brengen en zullen ze hun energie steken in dingen waar ze gepassioneerd over zijn. Een eenling weet wat hun tijd en energie waard is die ze besteden aan dingen waar ze gepassioneerd over zijn. De mensen die voor hen belangrijk zijn, zijn altijd een prioriteit. Als een eenling je opzoekt, weet je dat je hun tijd waard moet zijn, want een eenling heeft geen enkel gezelschap nodig.

2. Ze zijn heel zelfbewust
Omdat eenlingen zoveel tijd besteden om na te denken en introspectie, leren ze veel over zichzelf en hun omgeving. Ze zijn niet bang om te voelen en doen het juist heel goed wanneer ze diepe, één op één brainstormsessies hebben met hun eigen geest.

3. Ze zijn kalm en rustig
Eenlingen houden ervan om ongewenste aandacht te vermijden of in de schijnwerpers te staan, zodat ze koel en kalm kunnen blijven in een stressvolle situatie om te voorkomen dat het uit de hand loopt. Om dezelfde reden hebben ze vaak een afkeer voor dramatische en irrationele mensen en zullen ze er alles aan doen om dit soort mensen te vermijden.

4. Ze zijn ruimdenkend
Alleen omdat een eenling er de voorkeur aan geeft om de deuren gesloten te houden, betekent dat zeker niet dat hun geest ook gesloten is. Integendeel, want een eenling heeft de neiging om uiterst onbevooroordeeld te zijn en wil graag nieuwe plaatsen, ideeën en ervaringen meemaken. Het kan zijn dat er gewoon wat rust nodig is voor en na het hebben van gezelschap.

5. Ze zijn trouw
Vaak als je het woord “eenling” hoort, ga je er automatisch van uit dat dit betekent dat ze geen vrienden hebben. Dit is niet vaak het geval. Een eenling heeft wel vrienden, maar in plaats van grote groepen vrienden te hebben, zijn ze veel kieskeuriger met wie ze omgaan. Omdat ze de aandacht van anderen niet nodig hebben om gelukkig te zijn, kunnen ze selectiever zijn over met wie ze hun tijd doorbrengen. Voor de mensen die het geluk hebben om door een eenling gekozen te worden, kun je erop rekenen dat zij een betrouwbare en loyale vriend zijn waarop je altijd kunt rekenen.
6. Ze hebben duidelijke grenzen
Nee zeggen is vaak moeilijk voor mensen die anderen graag tevreden stellen, maar niet voor een eenling. Omdat ze zich niet bezig houden met het krijgen van goedkeuring van een ander, zijn ze niet bang om uit te komen waar ze voor staan, vooral niet als ze het gevoel hebben dat ze worden gebruikt.

7. Ze kennen hun sterke en zwakke punten
Eenlingen zijn in staat om een stapje terug te doen en een mentale checklist te maken van hun sterke en zwakke punten. Ze weten dat ze niet perfect zijn, maar ze streven er nog steeds naar om zichzelf te verbeteren.

8. Ze zijn empathisch
Eenlingen zijn zich zeer bewust van hun eigen gevoelens en de gevoelens van hun omgeving. Ze zijn bereid om als in andermans schoenen te lopen en de behoeften van andere mensen te begrijpen en te respecteren.

9. Ze zijn niet perfect
Omdat niemand perfect is, geldt hetzelfde voor een eenling. Het goede aan een eenling is echter dat je ze niet hoeft te vertellen dat ze niet perfect zijn, omdat ze zich al goed bewust zijn van de verbeterpuntjes aan zichzelf.

10. Ze worden geleid door hun eigen intuïtie
Eenlingen zijn zeer gedreven door hun eigen intuïtie. Hun onderbuikgevoel is sterk en intens en kan ze waarschuwen voor gevaar of waarschuwen als iets niet goed aanvoelt. Ze kunnen vaak als snel een sterk gevoel krijgen van iemand, zonder dat ze veel met diegene zijn omgegaan. Dit kan een goede of slechte zaak zijn, want het kan moeilijk zijn om aan de goede kant van een eenling te komen als hun eerste indruk van jou niet positief was.

11. Ze zijn niet mede-afhankelijk
Eenlingen hebben er totaal geen probleem mee om alleen te zijn, zodat ze hun tijd niet verspillen met de verkeerde mensen uit angst om alleen te zijn. Dit betekent niet dat een eenling nooit iemand anders nodig heeft, maar dat ze eerst van zichzelf afhankelijk zijn, in plaats van voortdurend aandacht en goedkeuring van anderen nodig te hebben.

​​​​​​​12. Ze zijn vriendelijk en medelevend
Eenlingen hebben vaak een bepaalde zachtere aanpak als het gaat om de omgang met anderen. Ze zijn in staat om verder te kijken dan hun eigen behoeften en willen echt begrijpen hoe ze zich ten opzichte van anderen kunnen opstellen om hun medeleven te tonen.

13. Ze zijn moedig en dapper
Eenlingen zijn comfortabel met zichzelf en zijn zelfverzekerd met wat ze kunnen. Ze zijn niet bang om de tijd te nemen voor zelfreflectie en hun innerlijke demonen op te zoeken in plaats van hun leven te vullen met externe afleiding.

14. Zij houden van zichzelf
Eenlingen houden van zichzelf, maar niet op een egoïstische, narcistische manier. Een eenling begrijpt dat om echt van iemand anders te houden, ze eerst van zichzelf moeten kunnen houden. Dit concept kan voor sommige mensen moeilijk te begrijpen zijn, maar een eenling is meer gericht op het ontwikkelen van diepere, authentiekere vriendschappen, in plaats van die neppe en niet diepgaande relaties.

15. Ze zijn betrouwbaar
Eenlingen begrijpen dat tijd kostbaar is, dus ze zullen jouw tijd niet verspillen. Je er op rekenen dat een eenling op tijd komt en betrouwbaar is. Ze zullen je niet laten wachten of helemaal niet komen opdagen. Als ze je iets beloven, dan zullen ze zich tot het uiterste inspannen om zich aan de belofte te houden.

16. Ze hebben emotionele kracht
Eenlingen hebben een diepe innerlijke kracht en houvast in moeilijke tijden. Ze weten hoe ze die momenten van pijn, frustratie en woede moeten doorstaan en staan geen triviale dingen in het leven toe.

17. Ze hebben een sterke moraal
Eenlingen hebben een groot gevoel van goed en kwaad en een eenling zou nooit iets doen waar ze het niet mee eens zijn of waar ze zich niet prettig bij voelen. Groepsdruk werkt gewoon niet met een eenling! Ze zijn niet bang om op te komen voor waar ze in geloven en zijn niet snel overtuigd of beïnvloed door anderen.

BRON: www.apost.com

Slapen

Waarom is slaap vaak het beste medicijn?

EOS Wetenschap

Waarom kan slaap een infectie afweren? En waarom maakt chronische stress het lichaam vatbaarder voor ziekte?

T-cellen zijn een type witte bloedcellen die van groot belang zijn voor de immuunreactie van ons lichaam. Wanneer T-cellen een specifiek doel herkennen, zoals een cel die door een virus geïnfecteerd is, dan activeren ze kleverige eiwitten – integrines – die hen in staat stellen zich aan de geïnfecteerde cel vast te klikken en ze te vernietigen.
Wetenschappers weten al veel over de signalen die integrines activeren, maar veel minder over signalen die verhinderen dat T-cellen zich aan hun doel hechten.

Onderzoekers van de universiteit van Tübingen bekeken de effecten van een diverse groep van signaalmoleculen die vaak een rol spelen bij het onderdrukken van het immuunsysteem, maar waarvan tot nu toe niet bekend was of ze verhinderen dat T-cellen hun integrines activeren om zich aan hun doel te binden. Ze ontdekten dat hormonen zoals adrenaline en noradrenaline, hormoonachtige stoffen zoals prostaglandine E2 en D2, en de neuromodulator adenosine er T-cellen van weerhouden hun integrines te activeren nadat ze hun doel hebben herkend. De hoeveelheden van deze molecules die nodig zijn om de activatie van integrines te verhinderen, werden al geobserveerd bij tumorgroei, malaria-infecties, zuurstoftekort en stress.

De hoeveelheid adrenaline en prostaglandine daalt wanneer we slapen. De onderzoekers ontdekten bij gezonde vrijwilligers dat de integrine-activatie van de T-cellen veel hoger was wanneer de proefpersonen sliepen dan wanneer ze wakker waren. En dat dat lag aan de daling van de signaalmoleculen die ze onderzochten.
De resultaten zijn zeer relevant voor slaapstoornissen en andere aandoeningen die gepaard gaan met een verstoorde slaap, zoals depressie, chronische stress, veroudering en ploegenarbeid.

Onder ons tapijt kijken

Ga aan de slag met je wonden, nu er nog tijd is

Brainwash – Griet Op de Beeck

In Brainwash Talks van Human delen invloedrijke denkers, schrijvers, kunstenaars en wetenschappers verrassende ideëen voor persoonlijke en maatschappelijke problemen. Deze keer schrijver Griet Op de Beeck.

Geluk dat niet meer wordt verwacht telt dubbel, heb ik gemerkt. En ik mag dat zeggen, want ik kom van ver. Ik heb 38 jaar oud moeten worden om eindelijk de moed eens bij elkaar te schrapen om dan toch maar dat debuut te schrijven. En dat heeft er alles mee te maken dat ik in het leven van nog veel verder kom.

Ik zat op m’n racefiets en ik dreigde uit mijn klikpedalen te schieten omdat ik problemen had met mijn versnellingen. En ik kan je verzekeren: dat heb je liever niet op een brug. Dus waar eigenlijk al mijn aandacht bij mijn voeten moest liggen, hoorde ik ondertussen iets in mijn oor – want ik luister dan naar podcasts, als ik fiets – waarvan ik dacht: al sla ik hier nu met mijn klikken en mijn klakken tegen de wereld, hier moet mijn aandacht liggen. Want er wordt echt iets heel belangrijks gezegd.

Aan het woord was Andrew Solomon, de vooraanstaande Amerikaanse journalist. En hij zei: ‘When we are ashamed, we can’t tell our stories. And stories are the foundation of our identity.’ Zolang we ons schamen, kunnen we onze verhalen niet vertellen. En verhalen vormen de basis van onze identiteit. Ik ben daar boven op die brug blijven stilstaan en dacht: ‘Godverdorie! Dat verklaart veel.’ Ik heb daar en dan beseft dat precies dat het juiste woord was. Schaamte.

Ik liep mij al heel mijn bewuste leven te schamen. Voor wie ik was. In het diepst van mijn gedachten. Ik had van mezelf iemand gemaakt die de goede dingen niet verdient en de moeilijke en de pijnlijke des te meer. En die vooral ook geen fractie voorstelt van wat de betere retoriek misschien wel eens een donkerbruin kwartier zou kunnen doen vermoeden. En het ergst van alles nog, ik aanvaarde dat gewoon. Dat dat het leven was, of toch alvast het mijne. En als ik nu terugkijk dan denk ik dat dat waarschijnlijk de allergrootste stommiteit is die ik heel mijn leven heb begaan. En in mijn geval wil dat wat zeggen.

Er is behoorlijk wat concurrentie mogelijk. Dat is toch waar we allemaal bewondering voor hebben? Voor de sterke, de dappere, de moedige, de doorbijters. Degenen die na elke val, bij voorkeur heroïsch, weer rechtop staan. En zo wil ik ook zijn. Niet het meisje dat daar ergens met een bibberlip in een hoek ging staan. Tot ik mij op een bepaald moment gerealiseerd heb hoe onnozel het eigenlijk is om altijd maar te blijven doorbanjeren. En op een soort automatische piloot te antwoorden ‘goed’ als iemand al eens de moeite neemt om te vragen hoe het gaat.Ik ben eens stil blijven staan. En ik heb eens onder mijn tapijt gekeken. Want ik denk dat we dat allemaal hebben, zo’n tapijt, ook jij, ook als je nu denkt dat dat niet zo is. We zijn geneigd om alles onder dat tapijt te vegen. Alles wat ons verontrust, alles wat ons ontregeld, alles waar we kwaad van dreigen te worden, of heel emotioneel. Dan gaan we er met onze twee voeten stevig bovenop staan, we blijven recht vooruit kijken en dan hopen we dat het eigenlijk niet echt bestaat.

We zijn bang om te kijken wat daaronder ligt, want we denken: ‘Als we dat doen, gaat het erger worden. Straks krijgen we nog een depressie, of een burn-out, of een andere modieuze ziekte.’ Terwijl het mijn diepste overtuiging is dat het net van die kramp is van het op dat tapijt staan dat je dat soort dingen kunt krijgen. Zoals ook alles zoveel minder eng is met het licht aan dan in het donker, zo is het ook zoveel interessanter om dat tapijt eens op te lichten en heel goed te kijken naar wat daar allemaal onder is gekropen.Want wat blijkt dan? Dat er wel degelijk antwoorden bestaan op vragen waarom je nu precies bent geworden wie je bent geworden. En wat je in de weg zit en waarom. En dat je daar wel degelijk iets mee kunt doen. Het is niet per se een gemakkelijke opdracht. Het heeft me jaren gekost om eindelijk eens onder ogen te zien wat ik gewoon niet wilde dat waar was. Namelijk dat ik ben misbruikt door mijn vader van m’n vijfde tot mijn negende. Dus onder mijn tapijt was het behoorlijk druk, kan ik je wel zeggen.

Maar drukte is eigenlijk niet erg. Als we het aangrijpen om onder ogen te zien wat is en vervolgens iets te doen met die inzichten. Ik geloof heilig in de maakbaarheid van de mens. Want zie mij hier staan. Niet langer als het slachtoffer dat ik misschien ooit ben geweest. Maar als degene die heeft gekeken en teruggevochten en die blijft vechten tot ze durft te beseffen dat haar leven van haar is. Een dochter die is opgehouden met haar vader te beschermen. Een schrijver die zichzelf de toestemming heeft gegeven, niet alleen om de schrijver te worden die ze nooit dacht dat ze mocht en kon zijn, maar zelfs om de grote wonden in te zetten voor iets beters.

Ik heb in mijn laatste roman Het beste wat we hebben niet anekdotisch, niet autobiografisch, maar wel ten diepste geschreven over mijn wonden. En die wonden hebben we allemaal, wat het ook moge zijn. Het is datgene wat je in de weg heeft gezeten of misschien nog zit. Datgene wat je foute keuzes heeft doen maken, of de goede net niet doet maken. Het is datgene wat zich tussen jou en de ander in zet. Tussen jou en jezelf in plaatst. Het is datgene waar je je overheen zet omdat je sterk en aimabel moet zijn. Het is dat onbestemde gevoel bij het ontwaken, dat je wijt aan het slechte weer of dat het overal wel wat is. Of die ene vervelende collega die weer wacht op het werk.

Maar daar moeten we iets mee doen. Misschien is dat wel het enige antwoord dat we hebben op het ongrijpbare tumult van de wereld en al wat ons is overkomen en aangedaan. Dat we moeten proberen om echt onszelf te worden. Om echte gesprekken te voeren waarin verdriet mag bestaan en echte blijheid. Waarin we ons durven kwaad maken en het niet weten en twijfelen. Waarin het ook niet leuk mag zijn. Niet wenselijk. Eindeloos complex. Weergaloos mooi. Brutaal eerlijk. Want dat zet deuren open. Dat geeft moed. Dat wapent tegen alle soorten eenzaamheid die daadkracht in de weg staat.Wie weet wie hij is, is ook in staat om te ontdekken hoe hij of zij terug kan geven, zoals niemand anders dat zou kunnen. Zoals in mijn geval bijvoorbeeld door te schrijven. En misschien, heb ik gedacht, is een roman wel het intiemste gesprek dat er bestaat. De schrijver schrijft en de lezer leest wat ‘ie kan of wil lezen. Herkent wat hij durft te herkennen. Die veiligheid van een lezer die zijn eigen grenzen mag bewaken stelt hem in staat verder te gaan dan in het alledaagse leven. Omdat het stil is, omdat het mag. Omdat niemand meeluistert verder. Omdat er geen oordeel worden geveld.

Misschien is dat de grote verdienste van kunst in deze rare, in crisis verkerende wereld. Nabijheid. De nabijheid van herkenning, van onverwacht gedeelde emoties of gedachten. Van toestemming om dieper te mogen gaan. Van vertrouwen dat het oké is om iets te ondernemen, of zelfs te veranderen. Misschien is alles wat we doen een poging om niet alleen te zijn. Misschien is niet alleen zijn… alles. In het licht van alle eindigheid.

Ik ben allener geweest dan eender wie ooit zou mogen zijn. Van mijn vijfde tot mijn negende en lang daarna. Mijn vader ook misschien. Dat kan. Ik heb hem laten sterven, mijn hand akelig ongemakkelijk op zijn hand, in de overtuiging dat het allemaal wel niet zo erg zal zijn geweest. Zo heeft hij het misbruik bij leven ongetwijfeld geklasseerd. Dat is wat daders doorgaans doen. Dat is wat hij deed toen mijn zus hem met haar feiten confronteerde. Daar was zelfs een getuige van. Ik kan je zeggen: het was wel erg. Maar evengoed: ik sta hier. Ik heb teruggevochten. En ik ben nu niet langer alleen.

Ik denk dat de wereld waar het niet goed mee gaat ons nodig heeft. Ons allemaal, om helemaal onszelf te worden. Van daaruit aansluiting te zoeken en wat we te bieden hebben ten volle te laten bestaan. Ga aan de slag met je wonden die dat nog in grote of kleine mate verhinderen. Doe het! Nu het nog kan. Nu er nog tijd is. Maak jezelf niet wijs dat je geen wonden hebt. We hebben ze allemaal. Gun jezelf dat betere. Geloof maar dat het mag, want het mag. Wees maar zeker dat het kan. Ik weet: het kan.

Alcoholverslaving en onze genen

De sleutel tot de aanpak van alcoholverslaving zit in onze genen

De Morgen – 04-02-2019 – Sara Vandekerckhove

Het is nog toekomstmuziek, maar volgens professor Geert Dom (Universiteit Antwerpen) wordt ‘genotyping’ dé nieuwe manier om verslavingen te behandelen. “Je genen bepalen mee welke medicatie succesvol is.”

Hoe kunnen we patiënten met een verslaving beter helpen? Dat is een van de cruciale vragen die professor Geert Dom (psychiater, Universiteit Antwerpen) zich al ettelijke jaren stelt. Nu krijgen mensen met een alcoholverslaving steevast een mix van therapie, ondersteuning en medicatie voorgeschoteld. De resultaten daarvan zijn ‘zwak tot matig’. “Let wel, daarmee scoren deze behandelingen niet beter of slechter dan die in de algemene geneeskunde”, benadrukt Dom.

Maar het betekent wel dat het nog beter kan. ‘Genotyping’ kan daarbij helpen, meent de prof. Bij het grote publiek leeft namelijk het idee dat verslaving vooral een ‘mentale kwestie’ is, die ‘mits voldoende motivatie en wilskracht’ gecounterd kan worden.

“In werkelijkheid wordt het voor 50 tot 60 procent genetisch aangestuurd”, zegt Dom. “Dat betekent dus dat de neurobiologie een belangrijke rol speelt. En dat impliceert dus dat je de medicatie ook beter op de patiënten zou kunnen afstemmen.”

Het doel is om patiënten een veel persoonlijkere, geïndividualiseerde behandeling aan te bieden. Op basis dus van de genen die ze hebben. “Zo weten we bijvoorbeeld dat een op de vier patiënten met alcoholproblemen een specifiek genotype heeft”, zegt Dom. “En dat net die groep veel beter reageert op een bepaald medicijn dan andere patiënten.”

Een geneesmiddel waarbij het effect heel erg kan variëren is naltrexon, een middel dat werkt tegen ontwenningsverschijnselen en wordt gebruikt bij verslaving aan opiaten en alcohol. “Geef je dat aan honderd mensen met een alcoholverslaving, dan heeft dat een ‘matig significant’ effect”, legt Dom uit. “Dan zie je bijvoorbeeld hoe 10 procent van de patiënten er beter mee is, in vergelijking met de groep die het placebo slikt. Geef je dat aan de groep patiënten met dat specifiek genotype, dan is het aantal dat er baat bij heeft ongeveer drie keer zo groot. Een groot verschil.”

Tabaksverslaving

Bovendien hoeft zo’n ‘genotyping’ helemaal niet extreem veel geld te kosten of tot een omslachtige procedure te leiden. “Dit kan gewoon via een eenvoudige speekselafname”, zegt Dom. “Doordat je maar op een beperkt aantal genen in kaart wil brengen, is de kostprijs niet zo hoog. Voor ongeveer vijftig euro lukt dat.”

Toch zijn er ook nog heel veel vraagtekens. Wetenschappers hebben een resem genen in kaart kunnen brengen die een rol spelen bij verslaving. “Maar we weten zeker nog niet alles”, benadrukt Dom. “Dat moet verder onderzoek in de toekomst uitwijzen.”

Op dit moment is ‘genotyping’ nog verre van een standaardinstrument in de Vlaamse psychiatrie. “Integendeel zelfs”, zegt Dom. “Op de werkvloer wordt daar nog niet veel mee gedaan. We zijn er nochtans al enkele jaren mee bezig, maar in de praktijk staan we eigenlijk nog nergens. In Amsterdam en Nijmegen gebruiken ze het wel al, maar ook dat zijn nog maar bescheiden projecten.”

Wel gaat de expert ervan uit dat dit de toekomst is. “Net zoals je steeds meer geïndividualiseerde behandelingen hebt voor mensen met kanker, zul je ook steeds meer kunnen vertalen naar therapieën voor verslavingen.” En dan zou dat niet enkel ingezet kunnen worden bij alcoholverslavingen, maar even goed bij tabaksverslavingen.

Waardering

Wie gezien wordt bestaat

Als er iets is wat ons mensen aan de gang houdt, dan is het wel waardering, schrijft Marjoleine de Vos. Een eenvoudig ‘dankjewel’ kan veel betekenen – als het maar oprecht is.

Ooit vertelde een vriendin me over de tijd dat ze haar doodzieke moeder verpleegde. De moeder woonde in een andere stad, mijn vriendin bleef daar vaak een paar dagen en was maar weinig thuis. Dat vond haar man niet zo leuk. Ze waren nog maar jong en hun huwelijk was pas begonnen.

De verzorging van moeder viel niet mee, ze was niet echt een opgewekte patiënt en commandeerde haar dochter nogal – was de keuken wel echt schoon? Had ze al boodschappen gedaan? Ze lag heel ongemakkelijk – die lakens zouden best eens gewassen kunnen worden. Nooit eens: ‘Dankjewel, dat je dit allemaal doet.’

Mijn vriendin vertelde het jaren en jaren later. Ik was zelf nog jong en vervuld van mooie verwachtingen omtrent mijzelf en het leven, en zei dus ijverig dat ze het natuurlijk ook niet had gedaan om dankbaarheid te ontvangen. ‘Nou,’ zei ze, ‘het zou wel makkelijker zijn geweest als iemand het gewaardeerd had.’

Ze vroeg zich achteraf af of ze het wel had moeten doen.

Beloning

Als er iets is wat ons mensen aan de gang houdt, dan is het wel waardering. Doen wat je van jezelf moet doen, is mooi, maar als niemand dat ziet, of als niemand er iets aardigs van vindt, dan valt het niet altijd mee om door te gaan. Waardering versterkt de overtuiging dat je werk zinvol is. En al neuriën we nog zo vaak de mantra dat je zelf, autonoom en authentiek als je bent, de belichaming van die overtuiging bent, en al ís dat tot op zekere hoogte ook zo, toch is het makkelijker in de zin en betekenis van wat je doet te geloven als af en toe iemand er blijk van geeft dat ze jou en je werk ziet. Wie gezien wordt, bestaat.

De laatste tijd hebben we politici heel vaak horen toeteren dat ze werk in de zorg enórm belangrijk vinden, dat ze véél waardering hebben voor alle dappere mannen en vrouwen die dat doen enzovoort, net als voor de politie, allerlei soorten hulpverlening, onderwijs – gewéldig. Bravo! Gaat u zo door!

Dat soort waardering helpt dan weer niet. Daar moet boter bij de vis, niet alleen praten maar ook tónen dat ‘wij met z’n allen’ zulk werk belangrijk vinden. Dat betekent: er meer voor betalen. Een goed salaris is een vorm van waardering.

Heel eenvoudig zit dat dan ook weer niet. Er komt veel kijken in de verhouding waardering-geld. ‘Wij zouden het énig vinden als u bij de feestelijke opening van ons nieuwe gebouw een paar gedichten wilde voordragen, uw werk sluit hélemaal aan bij onze doelstelling. Er is helaas geen budget voor, maar u krijgt een mooie bos bloemen en onze dank natuurlijk!’ Dat klinkt vals.

Maar geldelijke beloning voor wie zich inzet voor een goed doel, klinkt óók vals.

Filosoof Michael Sandel, de schrijver van onder meer Niet alles is te koop, schreef eens over mensen die bloed gaven voor bloedbanken. Vrijwillig. En hoe, toen men besloot voor bloeddonatie een vergoedinkje te gaan betalen, het aantal donoren áfnam. Blijkbaar deden mensen het omdat het ze een prettig gevoel gaf om iets goeds te doen. Toen het een betaalde transactie werd, werd dat aspect, het belangrijkste, ervan afgenomen.

Ook wie als het ware ‘voor mijn plezier’ zijn of haar werk doet, zou dat waarschijnlijk niet doen als er niet voor betaald zou worden. Nog los van het feit dat het energiebedrijf ook niet voor de lol energie levert of de supermarkt uit enthousiasme gratis yoghurt verstrekt, zou je als het allemaal gratis moest, het gevoel krijgen dat je werk niet erg op prijs gesteld werd.

Wellicht een onterecht gevoel, waardering zit niet per se in de beloning. Het prettige gevoel als iets goed gelukt is, als mensen blij zijn en goed reageren op wat je gedaan hebt, heeft weinig te maken met de vergoeding. Maar ik wil toch ook nog dat het iets wáárd is, dat werk van mij, dat men er iets voor overheeft.

De omgekeerde suggestie, dat het alleen maar om het geld gaat, klinkt dan weer bijna alsof je iets minderwaardigs doet. Het is een excuus dat mensen gebruiken als ze zelf vinden dat hun werk niet veel aanzien verdient: ‘Ik doe dat gewoon voor het geld.’ Aangezien we allemaal moeten leven, is dat geen onredelijke motivatie, maar toch is het een beetje sneu, want we geloven nu eenmaal, terecht of onterecht, in het belang van plezier hebben in het werk dat je doet. Sterker nog: er moet regelrechte ‘passie’ bij komen kijken en díé levert dan weer veel waardering op. Van werk dat veel geld oplevert, moet iemand helemaal hartstochtelijk houden, anders verkoopt die zijn ziel, vinden we.

Waardering en eer zijn sterke drijfveren voor ons handelen. Die waardering kan, zie het verschijnsel van de bloeddonoren, inderdaad goed van onszelf komen. Al wordt die eigen waardering ongetwijfeld sterk beïnvloed door de wetenschap dat ook de maatschappij waarde hecht aan wat je doet, zelfs al weet ‘de maatschappij’ niet eens dat je het doet.

Eer

Onlangs publiceerde NRC Handelsblad een stuk over mensen die hun behoorlijk betaalde banen opzegden, omdat ze iets wilden doen waar hun hart bij lag. Maar ook wie zulk werk doet, heeft waardering nodig: de timmerman die zijn eigen kast weer moet afbreken, omdat de opdrachtgever die toch ergens anders wil hebben, het stuk dat ik voor niets geschreven heb, omdat het themanummer al vol zit, het ontwerp voor een gebouw dat niet uitgevoerd wordt, rapporten die in een la verdwijnen – daar is betaling geen oplossing voor. Het blijft onbevredigend en meer dan dat, het is vernederend als iemand je zinloos werk laat doen en dan koeltjes tegen je zegt: ‘Je wordt er toch voor betaald.’

Het gaat niet alleen om gebrek aan waardering, het is alsof er ook iets van het zelfgevoel wordt aangetast. Als werk, inspanning, bedoeling zo weinig op prijs gesteld wordt, misschien niet eens gezien wordt, is de stap naar de vraag of degene die de inspanning verrichte er zelf eigenlijk wel toe doet, maar heel klein. Eergevoel en zelfrespect zijn geen begrippen waar we vaak over praten, maar dat wil niet zeggen dat ze niet leven. Wie zich aangetast voelt in zijn eer, wordt boos en ongelukkig.

De honger naar waardering blijkt ook uit het hartstochtelijke verlangen naar likes en volgers, het bijkleuren van het eigen leven in de hoop dat onzichtbare toeschouwers zullen juichen ‘like! like!’ Duidelijk is dat het op die manier nooit genoeg kan zijn, het zijn immers lege vormen van waardering. Ze vervullen niet, want ze belonen niet iets echts, en dus moet men heel snel op zoek naar een nog bijzonderder foto van een kat, een baby of zelfs een ei om weer een nieuw beloningsprikkeltje te krijgen.

Voldoening

Voor voldoening is meer nodig. Vrijwilligerswerk kan buitengemeen bevredigend zijn, als je voelt en merkt dat wat je doet betekenis heeft – omdat daarmee mensen geholpen zijn, het museum of de bibliotheek open kan blijven, iets georganiseerd wordt waarvan je ziet dat de mensen ervan genieten. Dan merk je dat het zelfgevoel ook nog door iets anders gedragen wordt, namelijk door de eigen moraal, het geloof in ‘het goede doen’ (iets wat nu vaak wordt uitgedrukt met het wel erg ambitieus klinkende ‘ik wil het verschil maken’). Bijdragen aan dat wat men goed of juist vindt, aan de vermindering van leed of de toename van betekenis – want niets is zo vreselijk als betekenisloosheid – geeft voldoening. Als die betekenis wordt weggenomen door gebrek aan waardering, of zelfs door regelrechte afkeuring, kan dat vernietigend zijn. Denk aan die huisarts die meende het goede te doen toen hij zijn patiënt een royale dosis morfine gaf en die vervolgens werd geschorst en vervolgd wegens moord – het tastte zijn zelfgevoel zó diep aan dat hij zelfmoord pleegde.

Er moeten vanzelfsprekend ook dingen gedaan worden waarvoor we weinig waardering krijgen. Dat is geen reden om ze niet te doen. Blijkbaar begint het te wringen als een ander misbruik maakt van de moraal die iemand zichzelf oplegt. Het feit dat mijn vriendin zelf vond dat ze voor haar moeder moest zorgen, wilde nog niet zeggen dat moeder dat ook zonder enige erkentelijkheid kon aannemen. Zelfs wie de dankbaarheid oprecht afwijst – ‘welnee, dat spreekt toch vanzelf’ – is er nog blij mee. We hoeven niet helemaal belangeloos te leven, het is niet verkeerd om óók gemotiveerd te worden door andermans waardering. En soms gewoon door het geld.
Toch zou je jezelf hoger aanslaan als het alleen maar was om je eigen moraal hoog te houden. Als je vooral waardering gaf, in plaats van die zo graag te willen krijgen. Maar dat is misschien meer iets om naar te streven dan om alles aan af te meten.

© NRC Handelsblad
De Standaard – 03.02.2019

Onderwijs van de toekomst

Onderwijs van de toekomst: leren zien hoe alles met elkaar samenhangt
Brainwash – Ruben Jacobs – 25.01.2019

In 1949 schreef de Amerikaanse ecoloog Aldo Leopold een essay met de prikkelende titel Thinking Like a Mountain. Als natuurbeheerder werkte hij in diverse natuurparken in het land. Een van zijn taken was de wolvenpopulatie klein houden, wat in feite betekende dat hij op wolven jaagde. Want, zo luidde de heersende gedachte toen: hoe minder wolven, hoe meer herten om op te jagen.

Al snel realiseerde Leopold zich dat dit tot allerlei onvoorziene problemen leidde. Door de sterke afname van wolven in een van de gebieden waar hij zijn werk deed, konden de herten zich snel vermenigvuldigen en de vegetatie die aan de zijkant van de berg groeide, opeten. Toen de vegetatie grotendeels was verdwenen, verdwenen ook andere planten en dieren in rap tempo uit het gebied. Ook vergrootte het verdwijnen van vegetatie op de hellingen van de berg het gevaar voor destructieve aardverschuivingen. Kort samengevat: het hele ecosysteem van de berg veranderde toen de wolven niet langer of in onvoldoende mate aanwezig waren.

Moraal van het verhaal: als je niet leert ‘denken als een berg’ en dus volledige kennis en waardering hebt voor de diepgaande verwevenheid van de elementen in het ecosysteem, vernietig je uiteindelijk de omgeving waar je zelf ook afhankelijk van bent.

In plaats van te denken als een geïsoleerd individu, is dit ‘denken als een berg’ een oefening in het jezelf (ver)plaatsen in een geheel ecosysteem, in een ingewikkeld web van onderlinge afhankelijkheden. Vervang vervolgens ‘berg’ voor ‘planeet’ en je bent in de 21e eeuw. Denken als een planeet. Zou dat niet een mooie metafoor zijn voor het onderwijs van de toekomst? Holistisch leren denken en doen? Niet in de esoterische zin van ‘alles is met elkaar in harmonie’, maar eerder in de trant van ‘alles werkt op elkaar in en het kan er behoorlijk hard aan toe gaan’. Ecologie betekent in dat geval dan ook meer dan alleen natuurlijke processen, maar moet dan gezien worden als de interactie tussen het organische (mensen, dieren, planten, klimaat etc.) en het niet-organische (kunstmatige intelligentie, plastic etc.) en alles daar tussenin. Dit klinkt wellicht nog wat abstract en dat is het ook. Maar je moet ergens beginnen. Laat ik daarom afsluiten met dit beeld:

Je zit met je gehele lichaam vast aan een kolossaal netwerk van elastiek. Sommigen draden zijn dik, anderen flinterdun. Zodra je probeert te bewegen spannen de elastieken aan de kant waarvan je vandaan loopt, terwijl ze aan de andere kant los beginnen te hangen. Je kunt niet uit het netwerk, het enige wat je kan doen is meedeinen met de dynamiek van het elastiek.

Dit is, als je het mij vraagt, wat het betekent om in de wereld te zijn. Je bent niet vrij, maar je hebt wel bewegingsvrijheid. Je bent, of je het wilt of niet, permanent verbonden met de wereld om je heen – met de biosfeer, met cultuur, geschiedenis en natuurlijk wifi. Dit is het krachtenveld van het elastiek. De kunst is om je bewust te worden van dat kolossale netwerk. Niet om jezelf eruit te bevrijden, maar om erin te leren bewegen. Hoe eerder je ermee begint, hoe makkelijk het wordt.