Voor verbetering vatbaar

Ik denk dat ik een tijdje mijn krant ga opzeggen en minder naar het journaal kijken, want het nieuws begint op de herhalingen van FC De Kampioenen te lijken. Je hoeft het niet meer dagelijks te volgen om te weten wat er gebeurt in de wereld. Bovendien is het nog minder om te lachen dan de soap, en heel slecht geacteerd.

Ik heb ook mijn prioriteiten wat bijgesteld, en eerst komt de zorg voor mezelf, mijn zoon en mijn kleinzoon. De rest ga ik mij veel minder beginnen aantrekken, dus ook wat in het nieuws komt of in de sociale media verschijnt. En al zeker de rotzooi van de politiek.

Mijn zoon noemde mij onlangs “de kleine pitbull van de Vosdelle”!

Binnenkort word ik weer een jaartje ouder, en ja, nu weet ik het zeker, mensen veranderen niet snel, ook niet met ouder te worden. Het enige wat je kunt doen is af en toe eens eerlijk in de spiegel kijken, wanneer je weer ongezond of verkeerd bezig bent en eerlijk toegeven dat wanneer je je slecht voelt je dat voornamelijk aan jezelf te danken hebt.

Ik ben ook op een leeftijd gekomen waarop ik niets meer hoef te bewijzen, en al zeker niet aan anderen. Het is te nemen of te laten, en zij die echt van mij houden nemen mij zoals ik ben, namelijk voor verbetering vatbaar.

Een koningskind

Je moet het verleden loslaten. Maar hoe kan je dat als alles wat er tegenwoordig in het nieuws komt je er blijft aan herinneren?

Op mijn zestigste, na de dood van mijn ouders, heb ik ontdekt dat ik naast een zus, ook een halfbroer heb, en dat een mensenleven één grote leugen kan zijn.

Mijn vader heeft hier nooit eerlijk over gecommuniceerd, en ik vraag mij nu nog altijd af in welke mate dat een invloed gehad heeft op mij als kind, en nu nog altijd heeft als volwassene en de manier waarop ik naar de wereld kijk.

Antwoorden zullen er voor mij niet meer komen. Drie maanden voor zijn dood, heb ik mijn vader nog gevraagd, of de jongen die op zijn trouwboek stond ook zijn biologische zoon was, en drie maanden voor zijn dood heeft hij mij nog gezworen dat dat niet zo was.

Hij heeft het kind, dat vijf jaar was, toen hij scheidde van zijn eerste vrouw, ook nooit meer willen zien. Het was namelijk zogezegd zijn kind niet, maar dat was en is hij dus wel. De fysieke gelijkenissen logen er niet om toen we elkaar voor de eerste keer zagen bij de notaris.

Loslaten dus.

En dan nu het nieuws…

Na jarenlang zwijgen communiceert koning Albert zélf over vaderschap, “maar hij doet dat op zo’n kille manier dat hij er Delphine mee treft in het diepste van haar ziel”

“De wetenschappelijke conclusies tonen aan dat ik de biologische vader van Delphine Boël ben.” Koning Albert geeft na ruim twintig jaar het bestaan van zijn buitenechtelijke dochter toe. Hij heeft dat jaren geweigerd, onder meer om zijn echtgenote Paola te ontzien. Door zelf de resultaten van het DNA-onderzoek te communiceren, hoopt hij mededogen van het volk te wekken. Maar hij doet dat op zo’n kille en afstandelijke manier dat hij er Delphine Boël mee in het diepste van haar ziel treft.

Twintig jaar heeft Delphine Boël (51) publiekelijk om zijn erkenning gesmeekt. Eerst enigszins onschuldig met haar papier-maché, schilderijen en andere kunst als megafoon. En toen ze niet gehoord werd, ging ze hardhandig via de rechtbank. Na zeven jaar heeft zij de juridische strijd gewonnen. Gisteravond liet koning Albert een persmededeling verspreiden, waarin hij toegeeft dat hij haar biologische vader is. Hij zal niet verder procederen. Het moet zonder twijfel de moeilijkste beslissing uit zijn leven zijn geweest, veel moeilijker zelfs die dan over zijn troonsafstand.

Het nieuws komt nochtans niet als een verrassing. De fysieke gelijkenissen waren té treffend: diezelfde kin, datzelfde voorhoofd, die ogen. Waarom nu pas de erkenning? Omdat Albert net de resultaten van het DNA-onderzoek had ontvangen. En die lieten geen twijfel mogelijk. Delphine komt van dezelfde verwekker als koning Filip, prinses Astrid en prins Laurent. Hij kon wachten tot een rechter op basis daarvan Delphine Boël zou erkennen. Maar door zelf te communiceren, wekt hij de indruk dat hij tot inkeer is gekomen en hoopt hij zijn gezichtsverlies te beperken. Het past ook in zijn filosofie: hij zou zijn gebrainwasht en intussen zijn gaan geloven dat zij onmogelijk zijn dochter kon zijn.

In de persmededeling wijst Albert erop dat hij zich sinds de geboorte van Delphine “nooit gemengd heeft in familiale, sociale of educatieve beslissingen” over haar. Daarmee verloochent hij zijn verleden met Delphine, in wier kindertijd hij prominent aanwezig was. En dat zíj het was die “meer dan veertig jaar later besliste een lange, pijnlijke procedure op te starten”? Woorden die zakelijk en beschuldigend overkomen. Helemaal in lijn met zijn kille, afstotende houding van de voorbije jaren. En daarmee steekt hij Delphine opnieuw een mes in de rug.

Marc Uyttendaele, advocaat van Boël, zegt zelfs letterlijk dat de toon van het persbericht zijn cliënte pijn heeft gedaan. “De koning blinkt niet uit door grote elegantie. Hij stelt zichzelf voor als het slachtoffer, terwijl – voor de goeie orde – mijn cliënte hier het slachtoffer is. Elke man doet soms dingen waar hij zijn verantwoordelijkheid voor moet nemen. Hij heeft dat jarenlang niet gedaan. Het persbericht is extreem ijzig van toon, en verraadt geen enkele vorm van affectie.” Alain Berenboom, advocaat van koning Albert, noemt de mededeling nochtans “heel persoonlijk”. “Dit is toch geen gewone mededeling van het paleis?”

Paola wilde niet

Albert had zich deze schandpaal kunnen besparen, als hij eind 1999 slimmer was geweest (of zich beter had laten adviseren). Enkele weken nadat het bestaan van Delphine was uitgelekt, sprak hij het volk toe in zijn jaarlijkse kerstrede. Hij verwees naar zijn huwelijkscrisis van dertig jaar voordien die hem in herinnering was gebracht. Maar hij vermeldde op geen enkel moment Delphine Boël, laat staan dat hij haar bestaan toegaf. Albert had beter het voorbeeld van François Mitterand gevolgd. Toen het bestaan van diens buitenechtelijke dochter uitkwam, reageerde de voormalige Franse president laconiek met de zin: Et alors? Nou, en? Twee woorden, meer niet. Het zou de populaire Albert zelfs sympathiek hebben gemaakt. Nu dreigde hij de geschiedenis in te gaan als de meest menselijke koning der Belgen die de meest onmenselijke levenskeuze maakte.

Naar verluidt was Albert van plan verder te gaan in zijn kersttoespraak, maar hij mocht niet van koningin Paola. Voor haar was Delphine Boël de levende herinnering aan de pijnlijkste fase uit haar leven en dat van haar echtgenoot. Albert heeft de zaak daarop twintig jaar laten sluimeren, en de voorbije jaren helemaal zien ontploffen. Een buitenechtelijk kind zou in elke familie een pijnlijke zaak zijn. Maar als publiek figuur was Albert helemaal in het nauw gedreven. Gesteld dat hij opeens zou toegeven, zou hij dat ervaren als gezichtsverlies.

Niet voor het geld

Dat de erkenning van Delphine Boël rond is, moet goed nieuws zijn voor koning Filip. Niet omdat hij er een halfzus bij heeft. Wel omdat hij betrokken was geraakt in een zaak waar hij in theorie niets mee te maken had – hij heeft Delphine niet verwekt. Maar de hardnekkige weigering van zijn vader straalde negatief af op het koningshuis. Zeg maar, het instituut waarvan hij sinds zeven jaar de baas is.

De zaak gaat nu verder, in juni volgen nog de pleidooien voor het Brusselse hof van beroep. “Luister, het doel was eerst en vooral een affectieve erkenning”, zegt Boëls advocate Uyttendaele. “Vanaf nu zal ze een legitiem kind zijn, zoals alle andere legitieme kinderen (Filip, Astrid en Laurent, nvdr.). Maar u weet: het fortuin van Jacques Boël was onmetelijk groter dan dat van de koning. Voor het geld heeft ze het niet gedaan.”

Het Nieuwsblad – Wim De handschutter – 27.01.2020

Doe eens normaal!

Door in de krant het euthanasieproces te volgen dat zo stilaan gans België beroert, en over de verschillende diagnoses las, die gegeven werden en worden als oorzaak van het psychisch lijden van de overledene, maakte ik de volgende bedenking.

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200123_04818232?utm_source=facebook&utm_medium=social&utm_term=dso&utm_content=article&utm_campaign=seeding&fbclid=IwAR09I6CSzhvMheXimM9ccSTjfD520jANtSDSy6KUPnfTYF9Pe8bVtVwy1Ss

Zou ik nu een oude schoolfoto bekijken, zou men op elk kind een etiketje kunnen plakken. En het zou niet ‘bezige bij’ zijn zoals men mij in school noemde, maar ADHH, Autisme, Borderline…

Toen men vroeger zei “doe eens normaal”, wou dat zeggen “overdrijf niet zo”, nu zou men daar direct een persoonlijkheidsstoornis aan koppelen.

Ieder mens wordt geboren met bepaalde karaktertrekken, temperament en talent, en bij ieder van ons primeert het ene boven het andere. Als de psychiater mij bij een eerste bezoek ‘een hevige’ noemde dan ben ik dat ook, maar gelukkig heeft hij nooit het woord ‘borderline’ in de mond genomen, want dat zou afbreuk hebben gedaan aan mijn persoonlijkheid en het positieve dat dat hevige ook inhoudt.

https://www.knack.be/nieuws/gezondheid/paul-verhaeghe-hoogleraar-psychologie-we-kweken-psychiatrische-patienten-bij-de-vleet/article-longread-1536455.html

Om van elk kind, elke mens een zieke te maken, een onevenwichtige, een gestoorde, heb je niet veel woorden nodig, je hoeft er enkel maar een etiketje op plakken!

Gelukkig heb ik het boek ‘Over normaliteit en andere afwijkingen’ van Paul Verhaeghe gelezen en hoef ik mij dus geen zorgen te maken of ik al dan niet normaal ben.

Overdrijven, ja dat doe ik regelmatig, en teveel nadenken en meeleven ook, maar blijkbaar is daarin de gulden middenweg in vinden, door volwassen te worden, en ouder en wijzer…

Over normaliteit en andere afwijkingen

Hoogleraar psychologie Paul Verhaeghe herlas Michel Foucaults Geschiedenis van de waanzin en trekt conclusies over de huidige psychiatrie én psychotherapie. Hij schreef er een essay over. Knack mag u enkele fragmenten aanbieden.

Geschiedenis van de waanzin blijft een meesterwerk, omdat het een aantal illusies doorprikt. Bijvoorbeeld dat mensen met psychiatrische moeilijkheden vanaf de Verlichting ‘bevrijd’ werden. Nee hoor. Dat psychiatrische stoornissen altijd en overal dezelfde zijn. Klopt ook niet. Dat een psychiater of therapeut een ‘scientist-practitioner’ is die op grond van ‘evidence-based’ onderbouwde methodes hulp biedt. Vergeet het. Last but not least: dat er een steeds meer wetenschappelijk onderbouwde diagnostiek is ontstaan, met als bekroning de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders.
In plaats daarvan leert de lectuur van Foucault dat waanzin vanaf de Verlichting in een moreel keurslijf werd geduwd, met schuldgevoel bij de patiënt tot gevolg; met behandelingen die hetzij bestraffend hetzij belonend wilden zijn (en tegenwoordig vooral belerend). Dat elke maatschappij haar eigen afwijkingen niet alleen definieert maar ook veroorzaakt. Dat de werkzaamheid van hulpverlening in eerste instantie op een morele beïnvloeding berust. Ten slotte kan ik op basis van Foucault stellen dat de DSM-diagnostiek de belangrijkste afwijking van onze tijd niet vermeldt: de ons opgelegde normaliteit.

Waanzin en disciplinering

Eind achttiende, begin negentiende eeuw is cruciaal voor de geschiedenis van de psychiatrie. Pas in die periode wordt waanzin een ziekte, dankzij een medische wetenschap die een verklaring voor de redeloosheid vond in de passies van de mens. Te hevige passies als gevolg van een bepaalde levensstijl veroorzaken een overprikkeling van het zenuwstelsel. Houdt de overprikkeling te lang aan, dan is ziekte – zenuwziekte – het onvermijdelijke gevolg.

Belangrijk in deze redenering is het veronderstelde verband tussen levensstijl, overprikkeling en zenuwziekte. Passies liggen deels langs de kant van het lichaam, maar het is de geest die een keuze heeft gemaakt voor een manier van leven die ingaat tegen zijn natuur; daardoor raakt het lichaam overprikkeld en wordt op zijn beurt de geest aangetast. Iemand wordt zenuwziek omdat hij verkeerde keuzes heeft gemaakt; bijgevolg draagt hij zelf de verantwoordelijkheid voor zijn ziekte.

Dit is zonder twijfel een centrale stelling van Foucault: waanzin blijft onderworpen aan een moreel oordeel, zelfs wanneer ze het statuut van ziekte krijgt. De stap van een moreel oordeel naar het stellen van de schuldvraag is klein. Wanneer waanzin als zenuwziekte een gevolg is van een verkeerde levensstijl, dan is de patiënt schuldig en krijgt de behandeling een morele bedoeling. Het vroeg-negentiende-eeuwse asiel wilde zijn patiënten genezen met wat toen in heel Europa bekend stond als ‘morele behandeling’. Het is geen toeval dat behandelingsinstellingen tijdens de hoogtijdagen van het ’traitement moral’-model hun faam ontleenden aan hun ‘chef de clinique’. Zijn autoriteit straalde uit over de verzorgers, bewakers en patiënten. De patiënt belichaamde de redeloze-zedeloze kant, de arts verwoordde de stem van de dominante rede in een behandeling die uitdrukkelijk corrigerend wilde zijn.

Tot diep in de negentiende eeuw waren artsen zich terdege bewust van hun rol én van de genezende-corrigerende kracht die daarvan uit ging. Genezing greep plaats op grond van zowel een medische als een morele aanpak, met de ‘chef de clinique’ als autoriteit op het vlak van kennis en waarheid. Rond het begin van de twintigste eeuw verdween dit bewustzijn. Artsen identificeerden zich steeds meer met een natuurwetenschappelijke aanpak waarin geen plaats was voor morele oordelen. De burger kreeg een geruststellende boodschap: hersenziektes, de nieuwe benaming voor waanzin, zouden binnenkort tot het verleden behoren.

De priemende blik van Foucault legt het zwakke punt in deze evolutie bloot: In theorie zou de psychiatrie een medische specialisatie zijn zoals alle andere. In de praktijk bleef ze disciplinerend te werk gaan. Op de koop toe gingen artsen ontkennen wat hun voorgangers maar al te goed beseften: dat hun diagnoses een uitspraak inhielden over het zedelijk niveau van hun patiënten en dat de werkzaamheid van hun behandelingen grotendeels het effect was van de morele autoriteit als arts. Dat is de stelling waar het boek van Foucault zo ongeveer mee eindigt. De geschiedenis die hij bestudeerde, loopt grosso modo tot het midden van de negentiende eeuw. Wat kwam er nadien?

Disciplinering 2.0

Emil Kraepelin, de grondlegger van de moderne psychiatrie, en Sigmund Freud, de vader van de psychotherapie, kunnen beschouwd worden als de boegbeelden van twee tegengestelde manieren waarop de twintigste eeuw waanzin zou begrijpen. Op een complexer niveau vervaagt de tegenstelling en treedt er mijns inziens juist een belangrijke overeenkomst naar voren. Zowel Kraepelin als Freud had uitdrukkelijk de ambitie om hun theorie en praktijk zo wetenschappelijk te maken als maar kon. Het resultaat daarvan wordt pas diep in de twintigste eeuw zichtbaar, wanneer beide disciplines er ogenschijnlijk in zijn geslaagd hun ambitie waar te maken. Met de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders komt er eindelijk een wetenschappelijk onderbouwde psychiatrische diagnostiek; met de cognitieve gedragstherapie komt er eindelijk een wetenschappelijke psychotherapie. Ongeweten illustreren ze beiden een stelling die Foucault bij hun voorgangers ontdekte: hoe wetenschappelijker de psychiater of de psychotherapeut wordt, des te meer gaat hij te werk als een morele autoriteit die zijn patiënten dwingt in de richting van sociale aanpassing. Disciplinering 2.0, zeg maar.

De illusie van de DSM

De ontwikkeling van een sluitend diagnostisch systeem moest de basis leggen voor een wetenschappelijke psychiatrie met écht medische behandelingen. Dat is de hoopvolle verwachting vanaf pakweg 1900, met als bekendste figuur Emil Kraepelin. Een halve eeuw later zette de American Psychiatric Association een ’taskforce’ op om de klus te klaren: een nieuwe, écht wetenschappelijke diagnostiek moest een nieuwe, écht wetenschappelijke psychiatrie mogelijk maken. Het resultaat werd de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Merk op: disorder, stoornis, niet illness, ziekte – het ontbreken van afdoende bewijs voor medische oorzaken noopte tot nederigheid.
Een vergelijking tussen de DSM en Kraepelin ligt voor de hand. De allerbelangrijkste overeenkomst is dat geen van beide diagnoses oplevert in de medische betekenis van het woord. Wetenschappelijk beschouwd bevat de DSM alleen maar puntsgewijs gegroepeerde beschrijvingen van gedragingen en emoties die als afwijkend worden beschouwd, omdat ze te veel of te weinig optreden. De inschatting van dit te veel of te weinig berust op sociale en morele criteria. Zo zijn de diagnostische criteria voor ADHD onder andere: ‘lijkt vaak niet te luisteren’; ‘beweegt vaak onrustig met handen of voeten’. De inschatting – eigenlijk de beoordeling – of dat het geval is, blijft uitermate subjectief. Psychologen werkzaam in het onderwijs vertellen me dat zij doelbewust bepaalde kinderen toewijzen aan bepaalde leerkrachten en niet aan andere, omdat ze weten dat sommige leerkrachten het label veel te snel hanteren. Doelbewust, omdat ze de negatieve gevolgen van dergelijke diagnoses op de ontwikkeling van de kinderen willen vermijden.

De kritiek die de Britse beroepsvereniging voor psychologen formuleerde bij de laatste editie van de DSM wordt ondertussen ruim gedeeld: ‘De criteria zijn niet waardenvrij, maar vertegenwoordigen veeleer heersende normatieve maatschappelijke verwachtingen.’ Met de studie van Foucault in het achterhoofd is dat niet eens zo vreemd en eigenlijk zelfs onvermijdelijk. Bijdragen tot het handhaven van de maatschappelijke orde was een kernfunctie bij het ontstaan van de psychiatrie en psychologie. Mensen brengen zichzelf en anderen in de problemen wanneer ze niet in staat zijn de morele codes van de samenleving te volgen. Op dat ogenblik zal elke samenleving ingrijpen om hen ‘mores’ te leren, in het beste geval ook met de bedoeling die mensen zelf te helpen. De ethische moeilijkheid hierbij ligt in het vaststellen wat een ‘normale’ morele code kan zijn, zeker in het licht van maatschappelijke veranderingen en interculturele verschillen. Overleg en reflectie zijn daarbij zonder twijfel hard nodig.

Op dit punt komt de psychiatrische kat op de koord: wanneer afwijkingen van de norm verklaard worden als het gevolg van hersenziektes, dan is er geen ruimte meer voor een dergelijk overleg. We hebben te maken met zieke mensen, toch, die genézen moeten worden?

Psychotherapie als disciplinering

Foucault herlezen heeft mij helpen begrijpen wat ik al wist: ondanks de verschillen delen psychiatrie en psychotherapie hetzelfde doel en dat is mensen helpen om zich aan te passen aan de heersende sociale normen. Disciplinering dus. Bovendien delen ze dezelfde ontkenning: noch de arts, noch de psychotherapeut wil zich in die beschrijving herkennen.

Psychoanalyse, als eerste vorm van psychotherapie, wordt vaak als een maatschappijkritische en zelfs bevrijdende praktijk voorgesteld. Was Freud niet de man die de maatschappelijke onderdrukking van seksualiteit aan de kaak stelde en het irrationele in de mens ten volle een plaats wilde geven? Een vroege voorloper van de flowerpowerbeweging? Een dergelijke voorstelling gaat volledig voorbij aan wat Freud zelf beoogde met de door hem bedachte methode: de patiënt bewust maken van voorheen onbewuste seksuele verlangens en irrationele angsten, zodat hij ze kan veroordelen. Dezelfde redenering geldt evenzeer, mogelijk nog meer voor de moderne psychotherapie en al helemaal voor de belangrijkste variant ervan. Ik chargeer even: het logische vervolg van Freuds behandeldoel ligt bij de hedendaagse cognitieve gedragstherapie (CGT).

CGT (er is dringend een studie nodig over oorzaken en gevolgen van het gebruik van letterwoorden) is de psychotherapie die het meest kan bogen op een wetenschappelijke onderbouwing. Net zoals de psychoanalyse beschikt zij over een eigen jargon en het vraagt enige moeite om voorbij het hermetische taalgebruik de achterliggende structuur en de bedoeling van de behandeling te ontdekken. Op dat ogenblik wordt duidelijk dat er niets nieuws is onder de zon. Ook bij CGT is het doel het vervangen van onredelijke gedachten door redelijke. De gedachten heten nu ‘cognities’, ‘onredelijk’ wordt vervangen door ‘slecht’ of ‘ongewenst’, debat wordt ‘herstructurering’. De Nederlandse filosofe Eva Meijer beschrijft uit eigen ervaring hoe de patiënt eerst geleerd wordt een onderscheid te maken tussen ‘goede’ en ‘slechte’ gedachten en vervolgens de ongewenste gedachten leert te bestrijden ‘door hun waarheidsgehalte ter discussie te stellen en door te laten zien dat ze niet werken.’ De therapeut functioneert hierbij als morele autoriteit die borg staat voor wat gewenst gedrag, c.q. goede gedachten zijn.

Normaliteit

Begin twintigste eeuw was hysterie wijdverspreid; honderd jaar later is zij verdwenen, tegenwoordig hebben we eetstoornissen. Religieuze schuldwaan is een zeldzaamheid geworden; pathologisch narcisme steekt overal de kop op. Het verband met de maatschappij waarin die problemen optreden ligt voor de hand. Wanneer iemand bijzonder goed beantwoordt aan het ideaal, noemen we hem geslaagd. Wanneer iemand afwijkt van de normen, of daar eventueel zelfs tegenin gaat, dan noemen we hem mislukt of gestoord.

De huidige maatschappelijke disciplinering wordt aangestuurd door een pseudo-medisch diagnostisch systeem dat inschat hoe bepaalde gedragingen of emoties te veel of te weinig optreden bij iemand. Te veel of te weinig in functie van heersende maatschappelijke verwachtingen. In 1981 voorspelde Alasdair McIntyre, een Schotse moraalfilosoof, dat de manager en de therapeut de twee maatschappelijk richtinggevende figuren zouden worden. De verklaring is eenvoudig: beiden manipuleren mensen opdat ze optimaal passen in een economisch productiesysteem waar winstmaximalisatie het enige goed is. De disciplinering van nu betreft inderdaad niet alleen meer het helpen van een gestoord iemand, maar ook en vooral het verder perfectioneren en optimaliseren van wie reeds aan het systeem is aangepast, maar net niet genoeg. Excelleren is het nieuwe normaal.

Normen en waarden die aanvankelijk met dwang werden opgelegd door het heersende vertoog, functioneren na verloop van tijd autonoom, van binnenuit. Ze maken deel uit van een maatschappelijk geconstrueerde identiteit, mensen vinden ze ‘normaal’. Wie afwijkt, is gestoord en wordt gesanctioneerd. Bijna terloops vermeldde Foucault de verplichting om te werken, gebaseerd op een moreel-religieuze overtuiging. Acedia, luiheid, is een verwerpelijke ondeugd.

Bij de vorige generaties was werken een noodzakelijk kwaad, iets wat je gedurende een bepaalde periode van je leven moest doen, liefst niet te lang. De strijd om kortere werkweken, kortere arbeidsdagen en langer betaald verlof is een constante in de vakbondsbewegingen van de afgelopen eeuw. Inherent aan de vroegere arbeidsorganisatie was de verticale verhouding tegenover de betalende en dus controlerende instantie, de ‘baas’, en de horizontale verhouding met collega’s (vaak samen tegen die baas). Het werk gebeurde binnen een afgebakende ruimte (op een kantoor, in een fabriekshal) en tijd (meestal van negen tot vijf). Dat alles behoort ondertussen tot het verleden. Dankzij de digitale revolutie werken we overal (op de trein, in het vliegtuig, thuis) en altijd (ook ’s avonds, ook tijdens het weekend). Een baas hebben we niet meer, wel een manager; collega’s ook niet meer, wel concurrenten. We koesteren de illusie dat we onze eigen baas zijn.

Het laatste decennium hoeft de plicht tot werken niet langer van buitenaf opgelegd te worden, dat doen we zelf wel. De verinnerlijking is perfect geslaagd. Tegenwoordig draait alles rond werk: we zijn wat we doen. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe harder er gewerkt wordt. Bij interviews met topmanagers ontbreekt nooit de vermelding dat ze slechts vijf, maximaal zes uur slaap nodig hebben – slapen is immers tijdverlies. Tegenover de hoogopgeleide ‘professionals’ staat de groep met een baan in een door de overheid gesubsidieerde sector (onderwijs, zorg, politie, rechtbank, ambtenarij). Zij worden geconfronteerd met draconische besparingen, waardoor steeds minder mensen steeds meer prestaties moeten leveren. In die groep blijft het aantal langdurig zieken toenemen, wat de druk op de anderen nog vergroot en nog meer mensen doet uitvallen. Helemaal onderaan vinden we het ‘precariaat’, mensen die een paar onderbetaalde banen moeten combineren om toch maar rond te komen. Op beide groepen wordt ietwat smalend neergekeken – wie wil er nu werken voor de overheid? Of bij de McDonalds?

Dit is de ‘andere soort waanzin’, de alledaagse waanzin van de normaliteit, als uitvergrote weerspiegeling van het maatschappelijke ideaal. We willen zo graag geliefd worden dat we ons op een ziekelijke manier identificeren met het ideaalbeeld. Vind mij succesvol, vind mij mooi, hou van mij! Onze professionele status is daarbij ontzettend belangrijk, we ontlenen er onze identiteit aan. Vandaar dat we ons te pletter werken en er nog trots op zijn ook. De verinnerlijking van de plicht tot arbeid is zo goed geslaagd dat sommige bedrijven programma’s opzetten om hun werknemers te beschermen tegen burn-out. Tegen te hard werken dus. De ironie wil dat er aldus een nieuwe vorm van disciplinering ontstaat, de plicht tot zelfzorg, gericht tegen die andere disciplinering van hard werken. Onder de oppervlakte herken ik in beide gevallen dezelfde boodschap: het is de plicht van het individu om de juiste keuzes te maken; als hij dat niet doet en daardoor ziek wordt, is het zijn eigen schuld.

Een dergelijke ‘juiste keuze’ is dubbelzinnig: we moeten zo hard mogelijk werken én we moeten zo goed mogelijk voor onszelf zorgen. De dubbelzinnigheid blijkt uit de reactie op wie eraan onderdoor gaat. Hier en daar horen we goedbedoelende psychiaters verkondigen dat mensen moeten leren tevreden zijn met minder. Wat deze hulpverleners niet beseffen, is dat ze daarmee opnieuw de oorzaak en dus de schuld bij de patiënt leggen. Ja, je hebt een burn-out, maar moest je nu écht zo hard werken? Ja, je lijdt aan een depressie, maar je voelt je vooral mislukt omdat je altijd en overal succes wilde hebben.

Ter vergelijking: beeld je even in dat de hysterische patiënten ten tijde van Freud te horen zouden hebben gekregen dat hun symptomen het gevolg waren van het feit dat ze hun seksuele verlangens veel te hard onderdrukten? En dat wat minder hard ook wel kon?

Dergelijke opvattingen bevestigen een centrale stelling van Foucault: vanaf haar ontstaan neemt de psychiatrie een morele positie in, met de arts als autoriteit die de patiënt moet terechtwijzen. Vanaf ‘zenuwziekte’ tot ‘burn-out’ weerklinkt dezelfde boodschap: iemand wordt mentaal gestoord omdat hij de verkeerde keuzes heeft gemaakt. Dat de huidige ‘keuzes’ om leven en werk te laten versmelten een vervreemdend effect zijn van dwingende maatschappelijke idealen die kinderen reeds in de kleuterklas voorgehouden worden, beseffen we nog nauwelijks.

Een maatschappij waar steeds meer kinderen en volwassenen uitvallen is een gestoorde maatschappij. De psychiatrie heeft hier niet alleen een signaalfunctie maar ook een opdracht: het voorstellen van en aandringen op veranderingen, bijvoorbeeld op het vlak van kinderzorg en arbeidsorganisatie. Ter vergelijking: de reusachtige vooruitgang van onze volksgezondheid tussen pakweg 1850 en 1950 is grotendeels te danken aan een geneeskunde die structurele veranderingen voorstelde inzake hygiëne, voeding, inentingen, en een overheid die daarnaar luisterde. Had de geneeskunde zich in die periode enkel gebogen over individuele patiënten, dan zou onze gemiddelde levensduur ongeveer dezelfde gebleven zijn.

Het is nu de beurt aan de psychiatrie om hetzelfde te doen.

Paul Verhaeghe

Over normaliteit en andere afwijkingen,
Prometheus, Nieuw Licht,
112 blz,
14,99 euro

Knack – 29.11.2019

Psychisch lijden

Momenteel vindt er in België een euthanasie proces plaats dat euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden in vraag stelt en contesteert.

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200122_04816541

De familie van de overledene beschuldigt de dokters van onterechte en onnodige levensbeëindiging van een vrouw die het leven door psychisch lijden niet meer aan kon.

Moest ik mijn depressies niet meer onder controle krijgen, zou ik denk ik ook euthanasie willen, alleen al om mijn naasten te sparen.

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200122_04816391

Mijn moeder heeft op mijn zestiende haar eerste depressie doorgemaakt, en heeft er haar hele verdere leven mee te kampen gehad. Ze werd een paar maal opgenomen, heeft zelfs elektrische schokken gehad om haar er proberen van af te helpen, en is uiteindelijk altijd geholpen geweest met antidepressiva.

Als kind was dat allemaal geen lachertje. Ik was pas van school af en ging mijn eerste jaar werken. Mijn zus werd op haar veertiende van school gehaald om het huishouden te doen, en mijn vader die haast dag en nacht werkte, was echt geen steun en toeverlaat. Integendeel.

Na de eerste opname kwam mijn moeder terug thuis, en waren het wij die voor haar zorgden, in plaats van zij voor ons. Stilaan werd het beter, maar goed kwam het nooit, en een gezellige thuis hebben we nooit gekend, te voren niet en daarna niet.

Ik kreeg mijn eerste depressie rond mijn veertigste. Mijn zoon was toen twaalf, en mijn man begon te sukkelen met zijn gezondheid wegens de diabetes waarmee hij geboren werd.

Het was dikke miserie, en we hebben nooit op hulp kunnen rekenen. Niet van de familie, niet van elders. Ik denk hier allemaal niet graag aan terug, maar dit proces roept veel herinneringen op. Slechte herinneringen.

Daarom denk ik dat ik ook euthanasie zou vragen als er niets meer zou helpen om mij uit die hel te krijgen.

Verzorg je wijnstokken

David stuurde mij een paar foto’s door van de serres op Solheide in Overijse, die momenteel gerenoveerd worden, onder ander zijn serre waar hij druiven in kweekt.

Hij heeft ook nog een toepasselijke uitspraak van de Franse schrijver en vrijdenker Voltaire meegestuurd:

“Verzorg je wijnstokken en verpletter de schande.”

Dit kan eigenlijk gelden voor alles wat we doen…

In augustus/september gaan hier weer heerlijke druiven in hangen, net zoals verleden jaar!

Bloedonderzoek

Volgende maand word ik 71. Beter was geweest 17, want dan moet een mens zich veel minder zorgen maken over zijn of haar gezondheid.

Gisteren is de dokter een drietal buisjes bloed komen aftappen en vandaag belde hij mij de uitslag van het onderzoek.

“Alles is prima, het kan niet beter: de lever, de nieren, de suiker, de cholesterol – zelfs teveel goede cholesterol.”

Ja, dat ben ik dan weer, altijd moeten overdrijven, altijd te hevig, ook in mijn best te doen. Nu mijn hoofd nog in orde krijgen en ik kan er weer voor een paar jaar tegenaan gaan.Gisteren kreeg ik ook een slaappil voorgeschreven, want goed slapen blijft de laatste tijd een probleem. Vroeger was dat het eerste teken van een dreigende depressie, maar dit keer is het anders. Ik lig niet te piekeren in bed, maar ben gewoon klaar wakker, en het lijkt of mijn brein ook ’s nachts wil creatief blijven.

Volgende week vrijdag heb ik een afspraak met dokter Denayer, de psychiater waar ik zo’n dertig jaar geleden bij terecht kon voor mijn eerste depressie. Eens horen wat hij hierover kan vertellen, want ik wil vooral niet verslaafd geraken aan medicatie.

Ondertussen bestrijd ik ook de sleet en stijfheid op en van mijn spieren en botten, met een knappe kinesist, die mij terug leert lopen – of minder ambitieus gezegd – terug leert stappen, want soepel bewegen is ook een probleem geworden.

Afin, we doen wat we kunnen, en dat zo lang we kunnen. Zeventien komt niet terug, maar een leeftijdsgetal is dan wel te zien aan de buitenkomt, maar van binnen is er nog helemaal niets veranderd. Integendeel, zelfs verbeterd en regelmatig gerenoveerd!

 

Uitslag bloedonderzoek:
“prima, het kan niet beter, alles is perfect, zelfs teveel goeie cholesterol”.
“Bedankt, dokter !”
Nu dat hoofd nog!!!

Een dag niet bestaan

Ik heb vandaag goesting om eens een dag over te slaan. Bij wijze van experiment, een dag niet bestaan, om eens te ervaren wat het is om dood te zijn. Zou moeten kunnen, zodat we weten wat ons binnen enkele jaren te wachten staat.

Een dag niet wakker worden, na een nacht stoute dromen, en niet tegen onze zin opstaan. Niet naar de wc moeten hollen, omdat we te lang gewacht hebben om het warme bed uit te springen.

Een dag niet ontbijten, niet gaan douchen, geen kleren aantrekken, niet de katten honderd keer per dag binnen of buiten laten, geen e-mails en spam lezen, geen chatberichtjes open doen, facebook niet checken, niet kijken of er iets zinnigs op tv is.

’s Middags niet lunchen en je afvragen wat er nu weer op die boterham moet en  ondertussen eens kijken in de frigo en diepvries welke warme maaltijd we vanavond kunnen klaar maken.

Je niet ergeren aan het nieuws in de krant, het journaal niet volgen, en geen vervelende huishoudelijke klusjes moeten opknappen.

De kippen op droog zaad zetten, de tuin niet inlopen om de brievenbus leeg te maken. Je niet afvragen of dit nog goed gaat komen volgende zomer met alle planten die er nu zo troosteloos uitzien.

Vlug terug binnen lopen, want het is nat en vochtig, triestig en droef, echt begrafenisweer. Gelukkig nog niet de mijne! Niet in die knusse zetel kunnen ploffen met een haakwerkje, een warme koffie met een koekje en een slapende poes aan je voeten.

’s Avonds dan niet warm koken, lekkere gewone dagelijkse kost: patatten, groenten en vlees. Maar eerst een aperitiefje en dan je verheugen op je favoriete soap.

De afwas niet uitstellen tot het saai wordt op tv en ondertussen bedenken dat zo een dag zonder bestaan eigenlijk toch wel heel vlug voorbij gaat.

Gelukkig heb ik hem nog net kunnen beschrijven, voor hij helemaal verdwenen is, en wie schrijft die blijft! Toch nog een poosje hopelijk…

Vaarwel 2019!

We zijn weer vertrokken voor een jaar en hopelijk kunnen we het ook weer uitdoen! De kerstversiering is al afgebroken en de lieve kaartjes opgeborgen.

De cadeautjes zijn uitgedeeld en gelukkig in goede aarde gevallen. Nu terug weer gewoon doen en hopen dat de tijd niet te vlug voorbij vliegt, want zo een jaar is niks meer, als je al wat ouder bent. Maar we houden het been stijf, ze krijgen er ons nog niet onder!

De cadeautjes van Audrey en David
En ik heb ook mezelf verwend!Voorspoedig en gezond 2020!

Babysitting!

Vandaag een eerste keer wat gebabysit op Reinaert, terwijl de papa wat klusjes opknapte in de tuin en de mama wat rust gegund werd na een vroege shift.

Een heerlijke ervaring. We hebben samen gelachen en elkaar brabbelverhaaltjes verteld en we begrepen elkaar volkomen. Dat belooft voor de toekomst!

Sociaal contact

Ik heb de laatste tijd slaapproblemen, en volgens de dokter komt dat omdat ik onder meer te weinig sociaal contact heb. Als ze het niet meer weten, de dokters, moeten ze het toch ergens op steken.

Wel, dokter schrijf maar voor! Het mag in pillen, druppels, pleisters, ja zelfs in zetpillen zijn, ik zal mij trouw aan de dosis houden.

Sociaal contact, het wondermiddel van deze tijd. Mijn ervaring is dat het vooral eenrichtingsverkeer is. Ik heb jaren vrijwilligerswerk gedaan, in het verenigingsleven gezeten, creatieve namiddagen thuis georganiseerd voor telkens een groepje mensen, maar sinds ik daar mee gestopt ben, zijn ook alle contacten stil gevallen.

Iedereen was hier altijd welkom aan huis, want zelf heb ik geen vervoer en kon dus ook haast nergens op bezoek gaan. Ja, zij hadden wel vervoer, maar het kwam in niemands hoofd op om mijn eens voor te stellen daar gebruik van te maken en ook eens een stapje in de wereld te zetten.

Het was hier altijd gezellig thuis, zo gezellig zelfs dat men het vanzelfsprekend vond dat ik altijd bereid was om gratis en voor niks mijn tijd en kennis ter beschikking te stellen aan wie dat vroeg. Tot het moment dat ik eindelijk doorhad dat de balans geven en nemen altijd naar dezelfde kant doorsloeg. Kort gezegd, ik had er mijn goesting van en besloot om het anders aan te pakken.

Eén heel goede vriendin heb ik eraan overgehouden en als dat dus inderdaad te weinig sociaal contact is, zal ik dan nu met het voorschrift van de dokter naar de apotheker trekken…