Boek: Terra insecta

“Het verdwijnen van insecten zou meteen een ravage aanrichten”

De Morgen – 01-11-2018, 10.43u – Naïm Derbali – Bron: Trouw

Insecten hebben hun imago tegen, zegt entomoloog Anne Sverdrup-Thygeson. Met haar nieuwe boek wil ze laten zien dat juist insecten de wereld draaiende houden.
De ogen van Anne Sverdrup-Thygeson (52) gaan zoekend langs de grillige lijnen van de boomstam. Haar hand rust op de enorme boomschors van de plataan. De Noorse hoogleraar insecten­ecologie bracht net haar boek ‘Terra Insecta’ uit.

Haar boek komt uit in negentien talen. De Noorse is zelf een bewonderaar van de soort die ze onderzoekt en die de wereld draaiende houdt, of, in haar eigen woorden ‘het tandwiel is in de natuur die de wereld als een klok laat tikken’.

Het insect is klein, maar zijn daden zijn groot, vindt Sverdrup. En de wezens worden in haar ogen niet op waarde geschat. Insectenpopulaties zijn de voorbije eeuw sterk uitgedund. In minder dan dertig jaar tijd verdween meer dan driekwart van alle vliegende insecten. De oorzaken? Overmatig gebruik van insecticiden, verstedelijking, de manier waarop we landbouw bedrijven en klimaat­verandering.

In haar majestueuze vertrek in Hotel Ambassade schenkt Sverdrup water in. Twee speldjes trekken haar bruingrijze, golvende haren strak in een middenstreep. Vanaf haar shirt kijkt een Aziatische boktor, een kever uit de familie boktorren, je recht aan. Als jong meisje speelde ze al in de natuur met insecten en bouwde ze dammetjes en huisjes, vertelt Sverdrup. “Ik had al snel geleerd om niet zo hysterisch te worden rond insecten.”

Insecten redden dagelijks ons leven, schrijft u in uw boek. Is dat niet een beetje gechargeerd?

“Zeker niet, dat gebeurt op allerlei manieren. Zo zijn ze te vergelijken met een schoonmaakteam, die rol nemen zij op zich in de natuur. Ook bestuiven ze, en staan ze op het menu van vogels en vissen tot amfibieën en reptielen. Insecten lijken op ons en wetenschappelijk onderzoek naar hun functioneren draagt bij aan medische vooruitgang. Nog zoiets: in de tijd van Napoleon wisten ze al dat je maden kunt gebruiken voor het schoonmaken van complexe wonden.

“Genetisch hebben we meer gemeen met insecten dan we denken. Wist je dat honingbijen tot vier kunnen tellen? Of dat wespen ­elkaar als individu kunnen herkennen op basis van hun gezicht? Ook inspireren ze architecten bij het ontwerpen van gebouwen. Door de werkwijze van termieten af te kijken kunnen die energiezuinig bouwen.”

Op internet kan je een kit kopen waarmee je een kakkerlak op afstand kunt besturen. Waar komt die onverschilligheid tegenover insecten vandaan?

“Ze voelen voor ons zo waardeloos aan vergeleken met de rest van het dierenrijk, omdat ze zo anders lijken. We begrijpen hen niet. Ze hebben een eenvoudigere bouw dan de mens. Maar ook al hebben ze een brein ter grootte van een sesamzaadje, toch zijn ze in staat wonderlijke zaken te verrichten. We denken te veel vanuit ons perspectief als mens. We geloven nog steeds dat insecten niet in staat zijn pijn te ervaren, zoals de mens. Maar dat betekent niet dat we een vrijbrief krijgen om met ze te doen wat ze willen. Hun grootte speelt hen parten. Hoe groot je brein is of hoe groot je lichaam is, zou niet de waarde van een wezen moeten bepalen.“Veel mensen zijn bang voor insecten, maar de meeste zijn niet echt gevaarlijk. Ja, wespen kunnen gevaarlijk zijn als je allergisch bent, maar dat is ook zo bij noten. En van noten zijn we niet bang toch?

“In tropische regio’s vormen insecten een gevaar: ze brengen ziektes over. Malaria bijvoorbeeld. Waarom we dan toch overal ter wereld insecten vrezen? Misschien omdat het wendbare wezentjes zijn, die snel bewegen? Een insect dat je been opkruipt, geeft een oncomfortabel gevoel. Insecten voelen als indringers. Dat is iets intuïtiefs.”
Drie van de tien plagen van Egypte in de Bijbel zijn insecten: vliegen, sprinkhanen, luizen. Gaat de afkeer al zo lang terug?

“Ja, het bewijst dat ook toen al de appreciatie heel laag was. Mensen wisten weinig over wat insecten voor hen doen. De meeste van de honderdtal bijbelpassages waarin insecten voorkomen zijn negatief. Maar er is ook de ­bekende tekst: ‘Ga tot de mier, gij luiaard! Zie haar wegen, en word wijs’. We moeten een voorbeeld nemen aan de mieren, omdat ze hard werken.

“Er is ook het bijbelverhaal over het mirakelvoedsel, manna genoemd, wit spul dat naar honing smaakte. Toen de Israëlieten door de woestijn reisden, zou God dit goedje ’s nachts uit de lucht hebben laten vallen. Op dat voedsel konden ze overleven.
“Biologen hebben hier een theorie over, dat schildluizen een soort gekristalliseerde honing produceerden, afkomstig van de boomsoort Tamarisk. Het zou dus kunnen dat het insecten waren die de Israëlieten hebben gered.”

Insecten doorstonden vijf periodes waarin soorten massaal zijn uitgestorven en ze ­dwalen al zeker 479 miljoen jaar op aarde rond. Hoe slagen deze kwetsbare schepsels er telkens weer in te overleven?

“Het is een drievuldigheid. Ze zijn klein, flexibel en sexy en hebben een enorm vermogen om zichzelf op te bouwen. Dan zijn het ook nog veelzijdige, ingenieuze schepsels. Sommigen kunnen zuigen, anderen vliegen, nog anderen kunnen kauwen. Ze kunnen op heel wat plaatsen overleven en zeer uiteenlopende dingen eten. Anders dan planten, zijn ze in staat zich te verplaatsen.”

Hoe bedoelt u, sexy?

“Met sexy bedoel ik vooral dat ze zich op gigantische schaal kunnen voortplanten. Een voorbeeld: plaats twee fruitvliegen een jaar lang in ideale omstandigheden en ze produceren 25 generaties. Neem je dan alleen de vijfentwintigste generatie, en tel je die, dan kom je op een septiljoen, een getal met 42 nullen. Bal je al die fruitvliegjes samen, dan zou die bal tot aan de zon reiken. Zo’n potentie hebben ze dus.”

Zullen ze de klimaatverandering ook over­leven?

“Het zullen de zeldzame soorten zijn die het moeilijk krijgen, terwijl de veelvoorkomende soorten zich juist zullen handhaven. Het gevolg daarvan? De zogenaamde ecologische homogenisering, waarbij de natuur over de hele wereld een eenheidsworst wordt.
“Door de opwarming van de aarde is in het regenwoud van Puerto Rico het aantal insecten sinds de jaren zeventig sterk gedaald. Er zijn scenario’s in Centraal-Amerika, een belangrijke plaats voor koffieproductie, waarin binnen een kwarteeuw de productie van koffie enorme klappen krijgt door een gebrek aan bestuivers. Maar ook andere gewassen, zoals chocolade komen op termijn in het gedrang.”

Dit jaar stelde de Europese Unie een totaalverbod in op pesticiden die gevaarlijk zijn voor bijen, de neonicotinoïden. Waarom nu pas?

“De pesticidenindustrie is een miljardenbusiness. Net als de tabaksindustrie en suikerindustrie die zeggen dat roken en zoetigheid niet schadelijk zijn, ontkent de pesticidenbranche dat haar product de gezondheid schaadt, in dit geval die van bijen. Ze beschikt over het geld om een mythe te promoten. Deze enorme lobby wil ons doen geloven dat pesticiden niet alleen ongevaarlijk, maar zelfs nodig zijn. Dat we geen keuze hebben. Wetenschappers en ngo’s voeren hier een bittere strijd tegen. Eentje met ongelijke middelen.

“Een andere reden dat we achterlopen met maatregelen tegen natuurschade, is dat onze referentiekaders verschuiven. Wat we als normaal beschouwen is aan verandering onderhevig. De natuur die ik ken uit mijn kindertijd is niet meer dezelfde. Voor kinderen die nu opgroeien is de aangetaste natuur het enige wat ze kennen. Zo schuift het beeld elke generatie op. De visser van deze tijd verwacht geen gekke schildpadden of bijzonder grote vissen aan te treffen in de oceaan, omdat hij die nooit heeft gezien. Maar zouden vissers uit de negentiende eeuw vandaag de oceaan opvaren, dan schrokken zij zich een ongeluk. Alle grote vissen uit hun tijd zijn verdwenen. We zijn ons dus niet altijd tijdig bewust van die ontwikkelingen, omdat die normaallijn geruisloos verschuift.”

Hoe ziet een wereld zonder insecten eruit? Een apocalyps?

“Zo’n Hollywoodscenario valt niet uit te sluiten. De precieze gevolgen zijn voor ons nog onbekend. Wat wel zeker is: het verdwijnen van insecten zou meteen een ravage aanrichten, de natuur zoals we die nu kennen zou uiteenvallen. De mens zou geen schijn van kans maken om te overleven. Bedenk even: minstens 60 procent van de vogels eet insecten. Ook vissen en wilde planten zouden voedsel mislopen.

“Stel de wereld voor als hangmat. Het verdwijnen van insecten is als de draden die een voor een uit de hangmat worden gehaald. Nu ligt de mens nog comfortabel in de mat, hier en daar een gat is geen probleem. Maar te veel gaten zorgen voor instabiliteit en de uiteindelijke verbrokkeling van het ecologische evenwicht. Zo zullen wij verdwijnen voor de insecten verdwijnen. Dat is zeker.”

Anne Sverdrup-Thygeson: ‘Terra insecta – Over de fascinerende beestjes die de wereld draaiende houden’
De Bezige Bij, 224 blz. € 19,99

Voor wie alleen achterblijft

Juli 2008, mijn moeder – januari 2009, mijn vader – december 2010, mijn schoonmoeder – februari 2011, mijn man. Voor de dood buig je het hoofd en leg je de duimen.

Nu

nu moeten wij aan veel meer traagheid wennen,
aan liefde die verdween en aan wat nog resteert
aan teerheid in wat najaarslucht en geur van dennen
en aan hoe-het-kon-zijn-gedachten die je nooit verleert.

aan bijna-niets, en aan voortdurend vier dezelfde muren
en aan een belsignaal dat nooit weerklinkt,
aan twintig keer per dag door ramen naar de verte turen
en altijd jezelf met wie je ’s avonds drinkt.

en wat ik overhou is niets om weg te geven:
wat ik nog ben, ben ik alleen voor mij.

Herman de Coninck

Maskers

Als we dan toch dit lang weekend de doden moeten herdenken, waarom dan niet een dode dichteres?

Blijkbaar zijn we enkel in de dood allemaal gelijk en vallen dan pas alle maskers af…

MASKERS

De mensen doen hun maskers af,
ze kijken vreemd elkander aan
verwonderd dat ze naast elkaar
lijk vreemden staan.

Nochtans ze stonden zij aan zij
in zelfde strijd voor zelfde brood;
Sleepten zij niet dezelfde sleur
van zorg en nood?

Viel niet dezelfde klacht en scherts
van uit hun bitter-blije mond?
Was ’t niet of men de hele dag
elkaar verstond?

De mensen gaan zover vaneen
wanneer de schemering is nabij;
ze worden er niet triestig om
of ook niet blij.

Ze speelden immers maar een spel
waarin de ziel geen teken gaf;
ze deden enkel met elkaar
wat lief, wat laf.

En met een gauw-vergeten groet
een scheiding zonder lach of leed,
gaat ieder naar zijn eigen huis
dat stilte heet.

Daar zijn er die te dromen gaan
langs paden mul van schemering,
naar ’t land dat ’s avonds schoner wordt,
herinnering.

En velen worden stil-devoot
om rein profiel van lief gelaat
dat in de voorhal van hun ziel
gebeeldhouwd staat.

Ik weet er ook die sprakeloos
en moede van d’ondankbre strijd
de avond danken om zijn uur
van eenzaamheid.

De mensen doen hun masker af,
hun mooie-spelen moe-gedaan,
och arme, zij die levenslang
gemaskerd gaan.

Gemaskerd door hun eigen trots,
vergulde lach of kranke lust.
Zij krijgen van geen enkle dag
wat avondrust.

Ze gaan, ‘lijk zwervers, altijd door
langs dageraad en avondrood;
ze vinden nergens ’t eigen huis
dan in de dood.

Alice Nahon

De eerste sneeuw

Naar het schijnt is vandaag in de provincie Namen de eerste sneeuw gevallen. Hier nog niets, maar de winter is dus al wel begonnen, en blijkbaar vroeg genoeg…

Eerste Sneeuw

ik werd heel langzaam wakker, ik wreef m’n ogen uit,
ik kon het niet geloven, maar voor de vensterruit,
viel zacht naar beneden, de eerste sneeuw.
Mijn mama kwam naar boven, ’t Is tijd om op te staan,
mijn mama kwam naar boven, kom trek je kleren aan,
mama, lieve mama, kijk eens naar beneden,
ga je met mij mee, in de eerste sneeuw.
Kijk eens naar omhoog en kijk
de lucht is grijs en zit vol vlokken
‘k wou dat dit kon blijven duren
dat het nooit meer zou stoppen.
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw,
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw.
Waar is mijn wollen muts nu, waar is mijn dikke sjaal,
waar is mijn wollen muts nu, waar is mijn dikke sjaal,
en ergens in de kelder ligt toch nog die slee,
papa moet me duwen door de eerste sneeuw.
Kijk eens naar omhoog en kijk
de lucht is grijs en zit vol vlokken
‘k wou dat dit kon blijven duren
dat het nooit meer zou stoppen.
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw,
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw.
Nu twintig jaren later, heb ik geen zin om op te staan,
nu twintig jaren later, kijk ik weer uit het raam,
mijn mama zal niet komen, mijn mama is lang dood,
ze ligt al lang beneden, in de eerste sneeuw.
Kijk eens omhoog en kijk de lucht is grijs en zit vol vlokken.
‘k Wou dat dit kon blijven duren,
dat het nooit meer zou stoppen.
‘k Voel me zo alleen in de eerste sneeuw,
‘k Voel me zo alleen in de eerste sneeuw,
in de eerste sneeuw

Jan de Wilde

Vrouw met jou

Je fréquentais alors des hommes un peu bizarres
Aussi légers que la cendre de leurs cigares
Ils donnaient des soirées au château de Versailles
Ce n´étaient que des châteaux de paille
Et je perdais mon temps dans ce désert doré
J´étais seule quand je t´ai rencontré
Les autres s´enterraient, toi tu étais vivant
Tu chantais comme chante un enfant
Tu étais gai comme un italien
Quand il sait qu´il aura de l´amour et du vin
Et enfin pour la première fois
Je me suis enfin sentie :

Femme, femme, une femme avec toi
Femme, femme, une femme avec toi

Tu ressemblais un peu à cet air d´avant
Où galopaient des chevaux tous blancs
Ton visage était grave et ton sourire clair
Je marchais tout droit vers ta lumière
Aujourd´hui quoi qu´on fasse
Nous faisons l´amour
Près de toi le temps parait si court
Parce que tu es un homme et que tu es gentil
Et tu sais rendre belle nos vies
Toi tu es gai comme un italien
Quand il sait qu´il aura de l´amour et du vin
C´est toujours comme la première fois
Quand je suis enfin devenue :

Femme, femme, une femme avec toi
Femme, oh! femme, une femme avec toi
Femme, femme, une femme avec toi.

Maandag is mijn laatste grote liefde jarig. Ik hoop dat hij gelukkig is, zonder mij. En voor mezelf wens ik dat het niet mijn allerlaatste grote liefde is, maar ooit nog iemand mij zoveel vrouw kan laten voelen als in dit prachtige liedje. De liefde is altijd welkom!

Ik wil nog niet gaan

Gaan

Ik zal gaan
O met genoegen zal ik gaan
met diepe vreugde en trompetgeschal
ik zal gaan

Als jij roept zal ik gaan
mijn werk mijn eten en mijn handen
zal ik laten staan
als jij roept zal ik gaan

Als jij roept in de morgen
in de middag in de avond
in mijn dromen in mijn waken
als jij roept zal ik gaan

Ik zal gaan
al breken ze mijn benen
al moet ik kreupel gaan
engelen binden dan mijn wagen
vleugels aan

Ik zal gaan

Remco Campert

Maar ik wil nog niet gaan! Het wordt nu pas plezant! Alle frustraties en gevoeligheden zijn weggewerkt, alle angsten en geremdheid onder controle, alle twijfels en illusies weggewerkt, en alle verdriet van vroeger en nu aangekund. Zelfs zekerheden moeten niet perse kunnen, en efficiëntie is ook niet altijd nodig.

Dus laat die engelen en die wagen nog maar een tijdje in de garage, ik flierefluiter hier nog graag een tijdje rond, en als iedereen gezond blijft zal dat zeker lukken.

Ik heb de liefde liefgehad

SCHADUW

Ik heb de liefde liefgehad;
daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zo doet de mooie minnaar
met een zeer verliefde kind.

Ik heb de zon te lief gehad
en beu van beedlen
aan de deuren van de dagen
ben ik geworden als een varenblad
dat liever in de lommer leeft
dan zon te dragen.

En daarom bouwt mijn kommer aan een huis
waar lamp- en zonnelicht
getemperd zijn voor de ogen
en waar de soobre lijn van een gelaat
en waar de vrede van een vriendschap staat
lijk schaduw van een boom
over mijn hoofd
gebogen.

Alice NAHON (1896-1933)

Vandaag heb ik het boek “Brieven van Alice Nahon” ontvangen. Er zijn maar 250 exemplaren van het boek gedrukt en ik heb nummer 145. Terzelfdertijd heb ik ook bij De Slegte een tweedehands exemplaar gevonden van haar biografie met als titel “Ik heb de liefde liefgehad”. Ik ben er heel erg blij mee, want het boek is nieuw niet meer leverbaar.

Ik herken zoveel van haar in mijn gevoelens, dat ik soms de indruk heb gereïncarneerd te zijn, maar dat is natuurlijk pure hoogmoed. Maar een zusterziel zou ze wel kunnen geweest zijn.

“ik heb gehunkerd jaren lang, naar ’n ziel die mij liefhad met àl m’n ellende en armoe erbij… die ziel heb ik nooit gevonden al schreven er mij velen hun ellenlange liefdesverklaringen en verzekerde men mij meermaals dat ik echte vrienden had.”

“Ge ziet, beste mannekens dat ik nog niet bekeerd ben en nog altijd niet een convenabele brief kan schrijven. Heel gaarne nochtans zou ik vaarwel zeggen aan die leelijke woorden maar… wat kan men er aan doen. Ik geloof dat er een specialen A.B. C. voor leelijke woorden in mijn potlood steekt.”

Te laat

Il est trop tard
Georges Moustaki

Pendant que je dormais,
pendant que je rêvais
Les aiguilles ont tourné,
il est trop tard
Mon enfance est si loin,
il est déjà demain
Passe passe le temps,
il n’y en a plus pour très longtemps

Pendant que je t’aimais,
pendant que je t’avais
L’amour s’en est allé,
il est trop tard
Tu étais si jolie,
je suis seul dans mon lit
Passe passe le temps,
il n’y en a plus pour très longtemps

Pendant que je chantais
ma chère liberté
D’autres l’ont enchaînée,
il est trop tard
Certains se sont battus,
moi je n’ai jamais su
Passe passe le temps,
il n’y en a plus pour très longtemps

Pourtant je vis toujours,
pourtant je fais l’amour
M’arrive même de chanter
sur ma guitare
Pour l’enfant que j’étais,
pour l’enfant que j’ai fait
Passe passe le temps,
il n’y en a plus pour très longtemps

Pendant que je chantais,
pendais que je t’aimais
Pendant que je rêvais
il était encore temps

Bruxelles, Brussels, Brüssel

De Brusselse brandweer komt niet opdagen als je in het Vlaams opbelt dat je huis brandt: zo slecht staat het Vlaams ervoor
De Morgen – 24-10-2018 – Sylvia Witteman – Bron: VK

Sylvia Witteman is columniste bij De Volkskrant, waar dit stukje eerst verscheen

Er gaan dagen voorbij dat ik niet aan de Belgische taalstrijd hoef te denken, maar in Brussel bleek het onvermijdelijk. Vanaf het station moest ik naar de zogeheten ‘Opperstraat’, een merkwaardige naam, maar ’s lands wijs, ’s lands eer, nietwaar? De taxichauffeur droeg behalve een djellaba, een uitheems mutsje en een volle baard ook een stralende glimlach, die wegsmolt toen ik hem het begeerde adres opgaf. In het Frans, dat ik slecht versta, probeerde hij te achterhalen wat ik toch bedoeld kon hebben met die ‘Oppeurstratte’. Hotel Opéra, misschien?

Nee? Hij riep zijn collega’s erbij, en met zijn allen schaarden we ons knus rond de stadskaart. Aha, ik bedoelde de Rue Souveraine! Waarom had ik dat niet meteen gezegd? Terwijl hij me erheen bracht vroeg ik hem, in mijn kleuterfrans, of hij helemaal geen Nederlands verstond. ‘Koettemorken!’, bracht hij uit, en schudde zijn hoofd.
En ik maar denken dat elke Brusselaar tweetalig was! Maar zelfs op een centraal gelegen caféterras keek de ober me vol onbegrip aan toen ik om een lepeltje vroeg, en bij de Brusselse Hema – de Héma nota bene! – bleef de kassier mijn verzoek om een tasje net zo lang negeren tot ik er dan in godsnaam maar ‘un petit sac’ van maakte.

Ik tikte ‘taalstrijd’ in op Google, en las wat, hier en daar. Het Vlaams staat er slecht voor in Brussel, zo bleek. Terwijl het toch zo’n heerlijke taal is, met woorden als ‘stoemp’, ‘droogkuis’ ‘schotelvod’ en ‘pompbak’! Zó slecht staat het Vlaams ervoor, dat de Brusselse brandweer niet komt opdagen als je in het Vlaams opbelt dat je huis in de fik staat, en ook bij de eerste hulp moet je niet met Vlaamse calamiteiten aankomen, want dan laten ze je in het Frans doodbloeden. Ik verzin dit niet.

Ik belandde in een hotel met een Deense naam en werd verwelkomd door een Afrikaanse man die Engels tegen me sprak met een Frans accent. Daarna wees een meisje dat Frans tegen me sprak met een Scandinavisch accent me mijn kamer, langs twee schoonmaaksters die elkaar schaterend aan het plagen waren in het Kikongo, of een andere bantoetaal. Ik verzonk in een onrustig middagslaapje, waarbij beelden uit oude Suske & Wiskes door mijn hoofd buitelden.

Ik werd wakker met honger. In het eettentje om de hoek deed ik, wijzer geworden, de bestelling in het Frans. Dat ging me eigenlijk nog best goed af! Ik at met smaak, bedankte de ober ook al weer niet zonder zwier, en nam afscheid met een onberispelijk ‘Bonne journée!’
‘Auf wiedersehen!’, riep hij me vriendelijk na.

Boek: Vers gezocht

Terug van nooit echt weggeweest: de gelegenheidsdichter
De Morgen – 22-10-2018 – Kim Van de Perre

De literaire beau monde beschouwde het lang als lichtgewicht, maar met Vers gezocht breekt Stijn De Paepe een lans voor het gelegenheidsgedicht. Ook anderen zien een trend: “De kunst zit hem in het overstijgen van het moment.”

Je beste vriend vraagt of je misschien een woordje kan zeggen op zijn huwelijk. “Niks bijzonder hoor, gewoon een mooi, geestig, creatief tekstje”. Paniek. Angstzweet. Klamme handen. Hoezo ‘gewoon’? Probeer het maar eens: ontroerend schrijven zonder sentimenteel of stroperig te worden, gevat maar niet plat, persoonlijk doch universeel genoeg dat elk hart wordt geraakt.

Alleen daarom is Vers gezocht. Een gedicht voor elk moment van Stijn De Paepe een gat in de markt. De gedichtenbundel als ultiem redmiddel voor wie de juiste woorden zoekt maar ze (even) niet vindt. Of het nu om een huwelijk of een afscheid gaat, een jaardag of een nakend pensioen. Een fris alternatief voor de platgeciteerde Toon Hermans-verzen die op zowat elke jubileum- of overlijdensbrief prijken.

De Paepe pent al gelegenheidsgedichten neer sinds hij kan schrijven. In navolging van zijn grootvader, die overwinningen van voetbalclubs en diamanten huwelijken op papier fêteerde op bestelling. “Mensen raken in weinig, maar goed gemikte, rake bewoordingen, daar gaat het om”, zegt de dichter. “Rijm hoeft niet, maar ik hou ervan. Goede rijm maakt het catchy, muzikaal.” Zijn dagverzen worden gretig geretweet. Zo groeide het idee voor een boek. “Mensen hebben daar blijkbaar iets aan: gedichten die de wereld toegankelijk reflecteren, het alledaagse net iets specialer maken. Geen Hugo Claus, maar ook geen prietpraat.”

Klassieke oudheid

Gelegenheidsdichters zijn zo oud als de straat. In de klassieke oudheid reflecteerden dichters al poëtisch over (actuele) gebeurtenissen, net als de troubadours in de middeleeuwen. Maar eind 19de eeuw kreeg het genre een tik. De ‘schuld’ van de letterkundigen de Tachtigers, menen dichters en literatuurwetenschappers. Poëzie moest de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie zijn.

Gelegenheidsgedichten werden nog gebezigd, maar de term kreeg een minderwaardige bijklank. Karamelverzen, dat soort omschrijvingen. Dat meer toegankelijke light verzen à la Toon Hermans op zowat elk familiefeest van stal werden gehaald, hielp de reputatie van gelegenheidsverzen niet vooruit.

Maar kijk, het genre lijkt weer in de algemene achting te stijgen. De Paepe is geen unicum. NRC Handelsblad publiceert sonnetten van Ilja Leonard Pfeiffer, Maarten Inghels luistert Eenzame Uitvaarten op (met een project waarbij dichters voor eenzaam gestorvenen een persoonlijk gedicht op de uitvaart voordragen, red.) en ook Maud Vanhauwaert, de stadsdichter van Antwerpen, werkt soms ‘op bestelling’. Een tendens – zo u wil – die ook tegen de erfenis van diezelfde Tachtigers moet bekeken worden. Doordat dichters heel hard focusten op hun eigen diepe bron, verloren ze het publiek soms uit het oog, vertelt Vanhauwaert. Poëzie werd als niche bestempeld, moeilijk en hermetisch.

“Je merkt dat men de kloof tussen dichters en publiek probeert te dichten”, zegt Geert Buelens, dichter en hoogleraar literatuur aan de Universiteit van Utrecht. Door poëzie ook in kranten te plaatsen. En mede dankzij de dichters des vaderland en stadsdichters, die evengoed over gelegenheden en gebeurtenissen oreren. Buelens: “Als Bart Moeyaert een gedicht wijdt aan de moorden van Hans Van Themsche is dat meer dan een rijmpje plegen. Dan krijgt de gelegenheidsdichter een soort van sacrale functie, iemand die beantwoordt aan een moment van maatschappelijke noodzaak.”

Een goed gelegenheidsgedicht overstijgt volgens sommigen het momentane. Voormalig Antwerps stadsdichter Maarten Inghels is nog steeds geen fan van de titel. “Het veronderstelt iets vluchtig. Terwijl ik gedichten wil schrijven die binnen tien jaar nog relevant zijn.” Ook Vanhauwaert hoopt iets te maken dat zijn waarde behoudt. Zoals met haar recente, opblaasbaar gedicht De Beweging van Macht: gecreëerd voor de verkiezingen, maar een werk dat zijn urgentie behoudt. “Zelfs als dat niet het geval is, heeft een gelegenheidsgedicht zijn dienst bewezen. Niks om neerbuigend over te doen.”

Voor deze krant becommentarieert De Paepe als Moderne Rederijker ook politiek en bredere maatschappelijke gebeurtenissen in spitante versregels. “In mijn hart ben ik liefst de polemische, kwaaie, stekelige rederijker”, zegt hij. “Maar ik merk dat mijn gelegenheidsgedichten die eerder betrokken en zachtaardig zijn nog het vaakst gedeeld worden op sociale media.” Zoals over de dag van de leerkracht, of de dood van kleuter Mawda. “Ze bieden troost, een houvast.”

Stijn De Paepe, Vers Gezocht, Lannoo, 224 p. 19,99 euro