Boek: Veeg je zorgen weg

Is poetsen het nieuwe mediteren?
Boeddhistische Japanse monnik weet hoe u uw zorgen wegveegt

De Morgen – Katia Vlerick – 03.03.2019

Er waait een frisse wind uit het land van de rijzende zon. Met dank aan opruimgoeroe Marie Kondo staan opruimen en poetsen tegenwoordig gelijk aan ‘helemaal zen zijn’ en niet langer aan neurotisch huisvrouwgedrag. Nu voegt de Japanse monnik Shoukei Matsumoto daar het boek Veeg je zorgen weg aan toe.

In verschillende huishoudens in Vlaanderen weerklinkt tegenwoordig the sparkle of joy, dat door de Japanse opruimgodin Marie Kondo beschreven gevoel dat je zou moeten ervaren bij het weloverwogen weggooien van je surplus aan spullen. Of preciezer: het gevoel dat je zou moeten vervullen bij het aanschouwen van die dierbare spullen die je wél wilt bewaren. Nooit eerder was het dilemma weggooien of bijhouden zo simpel, allemaal dankzij Kondo’s adviezen ofte collectieve brainwashing op Netflix: concentreer je op wat je gelukkig maakt, en gooi de rest gewoon weg. Hadden we dat jaren eerder maar al geweten!

En dus trekt het nieuw samen­gestelde gezin een heel weekend uit om die nieuw samengestelde warboel van kleren en speelgoed eerst te ontrafelen, vervolgens te halveren en ten slotte met de bakfiets af te voeren richting Kringwinkel. De pas gescheiden vrouw zet haar gehalveerde inboedel op orde volgens de wetten van Kondo, kwestie van nooit meer opgeschrikt te worden door spullen van haar ex in laden en kasten. Modeverslaafden vouwen hun kleren op als worstjes volgens de KonMari-methode en sorteren ze mooi op kleur in ladenkasten.

En wat te doen met al die lelijke cadeaus die je niet durft weg te gooien? Toch doen, want de beleefdheid zit hem in het ontvangen van de gift, niet in het bewaren ervan. Of wat aanvangen met de spullen van een overledene? Ook daar eindelijk houvast dankzij Kondo: hou gewoon bij wat je gelukkig maakt. Hallelujah, de heer zij geprezen, nooit eerder leek het leven zo simpel.

Marie Kondo geeft zelf aan in haar bestsellende boek Spark Joy: je kan niet beginnen met schoonmaken als je niet eerst hebt opgeruimd. En dus móét de volgende lifestyletrend wel schoonmaken zijn. En jawel, uit het Verre Oosten komt ons thans ook Shoukei Matsumoto aangewaaid. Deze boeddhistische monnik is met zijn boek Veeg je zorgen weg al sinds 2011 een bestseller in thuisland Japan, waar reinheid en verlichting hand in hand gaan. In navolging van Kondo wordt hij nu ook in het Nederlands vertaald.

Als unsui-monnik begint Matsumoto iedere dag met schoonmaken, eindigt hij iedere dag met opruimen, en hij raadt ons westerlingen aan hetzelfde te doen. In Japan is schoonmaken niet gewoon schoonmaken, het staat voor ‘het cultiveren van de geest’. Kinderen leren er al vroeg de klas schoonmaken. Poetsen wordt in Japan niet ervaren als een last, maar als een dagelijks ritueel dat de geest even zuiver maakt als de gelapte ramen en geschrobde vloeren.

Volgens Matsumoto is schoonmaken zelfs een manier om te communiceren met de natuur – op voorwaarde dat je de ramen openzet, ook in de koude winter. Helemaal zen word je van Matsumoto’s even minimalistische als zinnelijke beschrijvingen van het ouderwetse, niet-elektrische poets­gereedschap van de boeddhistische monnik: bezem, stoffer en blik, een klamme lap stof om de vloer mee te boenen. Laat ook nooit meer het bad leeglopen, maar gebruik het kostbare water om je huis schoon te maken.

Een schone geest en een schoon hart beginnen bij hagelwitte badkamertegeltjes. Schimmel in je huis is schimmel op je ziel, laat Matsumoto ook weten. Eens het als schoonmaakboek verpakte zenbijbeltje Veeg je zorgen weg uitgelezen is, neem je vanzelf de lotushouding aan. De bijhorende mantra? Wég met die poetsvrouw, laat maar komen die gratis mindfulness-sessies waarvoor je zelfs niet eens de deur uit moet, maar gewoon met emmer en dweil aan de slag moet tot je jezelf helemaal ‘in het nu’ aan het poetsen bent. Want wie wil er nu een beschimmelde ziel?

Schoon en meedogenloos

Had je tien jaar geleden verkondigd dat opruimen en schoonmaken de nieuwe wellness- én interieurtrend in één zouden worden, men had je voor gek verklaard. Oké, er waren de schoonmaakboeken van VTM-poetsvrouwen Sien en Maria van het programma Schoon en meedogenloos. Die verkochten ‘beter dan Aspe’ volgens een snel gegoogelde krantenkop uit die dagen.

Met hier een scheut eau de javel en daar een geut soda nam het duo poetsvrouwen vieze Vlaamse huishoudens onder handen. Maar om nu te zeggen dat ze in de interieurboekjes konden, nee, de Vlaming hield behalve van de praktische tips – roest te lijf gaan met cola, ramen met krantenpapier en azijn – vooral van de folklore van Sien en Maria. Daar zorgden de dames met brio voor als ze weer eens een van het frietvet dichtklevende keuken van een kotstudent te lijf gingen met spons en ammoniak én het Antwerpse accent van Maria.

Nog even verder terug, een jaar of dertig-veertig. In iedere zichzelf respecterende Vlaamse verkaveling huisde toen wel een vrouw van wie er werd gezegd dat ze ‘kuisziek’ was. Die de voegen van de beige tegels in haar met grote Chinese vazen versierde inkomhal van haar villa schrobde met een tandenborstel. Die de voorste plaats in het huis, een living met ge­cireerde eikenhouten kasten vol porseleinen postuurtjes, als kroonstuk van de woning onderhield. Ook al zat niemand er ooit in. Kon ook niet, of de boel werd vuil.

Je ging er niet binnen via de voordeur, maar langs de garage en vandaar naar de bijkeuken, en wel door eerst je schoenen te zetten bij de rest van het gezinsschoeisel op de dweil voor de deur. Binnen regeerde de geur van bruine zeep en bijenwas. De vrouw des huizes zelf bewoog zich door haar perfect onderhouden, maar verder doodse paleis in een plunje die paste bij de slaaf die ze ervan was: een gebloemde schort en plastic muiltjes.

Gouden kooi

Rond opruimen en poetsen hing toen allesbehalve een trendy, modern, laat staan kosmopolitisch sfeertje. Wél de muffe geur van handboeken als Libelle’s grote hulp in huis, de soeplucht van de huishoudschool of anders wel de algehele beklemming van domestieke treurnis. Saskia De Coster beschrijft die treffend in haar roman Wij en ik, wanneer ze een vrouwelijk hoofdpersonage neurotisch het tapijt laat kammen, gevangen in haar gouden kooi van een villa in een nieuwe wijk ergens in de jaren tachtig.

Het grote verschil met toen is dat die gouden kooi niet meer bestaat, omdat de vrouw uit werken gaat. In plaats van hele dagen in doodse stilte stofjes zitten te vangen, komt ze ’s avonds thuis in iets wat meer op een gouden warboel lijkt. Met dank aan de ketens die alles zo goedkoop maakten, waardoor onze huizen uitpuilen van de spullen. Tel daar nog de burn-outs, files en algehele digitale overprikkeling bij, waardoor eens tijd voor jezelf kunnen nemen in een mooi georganiseerd en net interieur de nieuwe luxe is geworden.

Wég beklemmende horrorscenario’s van weleer, enter de Japanse huishoudgidsen die in de eerste plaats zelfhulpboeken zijn en ons beloven dat we – mits enkele praktische inspanningen én een doorgedreven discipline – uiteindelijk veel rustiger en gelukkiger zullen worden in onze eigenste zentempel. Ziedaar: poetsen als het nieuwe mediteren.

Poetsen met het gezin

De vraag is natuurlijk: waar halen we in godsnaam de tijd om al dat opruim- en poetswerk uit te voeren in onze moderne levens? Net nu de strijkcentrale de oplossing bood voor misschien wel de meest tijdrovende van alle huishoudelijke taken, de strijk. Waar­door we toch net meer levens­kwaliteit terugkregen? En nu zouden we weer collectief aan het strijken moeten om meer zen te worden? Dat kan alleen na een drastische reductie van onze spullen, die we vervolgens met de allerbeste Japanse zorg behandelen. Daar valt iets voor te zeggen. Volgens Matsumoto komt het er ook op aan het hele gezin te betrekken bij het schoonmaken, ook de kinderen, net zoals monniken ook samenwerken bij het schoonmaken van de tempel. Euh, dat scheelt dan ook weer aan zwemlessen en danskampen?

Misschien wel het grootste struikelblok: rommel in huis duidt op leven, een leven dat je deelt met anderen. In de vaatwasmachine gepropte cola­glazen herinneren aan kinderen in de buurt, pootafdrukken zijn het bewijs van een speelse hond in huis. En zo doen de Japanners toch ook wel vrezen voor de allerergste nachtmerrie: een georganiseerd schoon huis, waar niemand de boel overhoop kan halen omdat iedereen allang is weggelopen. De gouden kooi revisited.

Boek: Veeg je zorgen weg, Shoukei Matsumoto, Bruna Uitgevers, 160 p., 10 euro

 

Een tuin

Inderdaad, nu ik er over nadenk bij het ontdekken van dit gedicht, kunnen we misschien beter verwaarloost worden door deze wereld, dan alles te moeten ondergaan wat zogenaamd zo goed voor ons is…

Een tuin

Ik wou dat ik een tuin was
en dat niemand ooit gras in mij maaide,
onkruid in mij wiedde,
heggen in mij knipte,
struiken in mij snoeide,
bloemen in mij plukte,
planten in mij stekte,
bomen in mij entte,
paden in mij harkte,
huizen in mij verdelgde,
en dat niemand mij ooit omspitte, ophoogde,
inzaaide, afdekte, uitgroef, omheinde, verkavelde, betegelde, draineerde, door een door iedereen
aanbevolen en door ‘Home and Garden’ de hemel
ingeprezen tuinarchitect opnieuw liet aanleggen,
voor het publiek openstelde of verkocht.

Ik wou dat iemand mij verwaarloosde.

Toon Tellegen

Er moeten mensen zijn die zonnen aansteken

Er moeten mensen zijn die zonnen aansteken

Voordat de wereld verregend
Mensen die zomervliegers oplaten
Als ’t ijzig wintert
En die confetti strooien tussen de sneeuwvlokken
Die mensen moeten er zijn

Er moeten mensen zijn die aan de uitgang van ’t kerkhof ijsjes verkopen
En op de puinhopen mondharmonica spelen
Er moeten mensen zijn die op een stoel gaan staan
Om sterren op te hangen in de mist
Die lente maken van gevallen bladeren
En van gevallen schaduw licht

Er moeten mensen zijn die ons verwarmen
En die in een wolkeloze hemel
Toch in de wolken zijn
Zo hoog
Ze springen touwtje langs de regenboog
Als iemand heeft gezegd:
Kom maar in m’n armen

Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan

Er moeten mensen zijn die op het grijze asfalt
In grote witte letters ‘liefde’ verven
Mensen die namen kerven in een boom vol rijpe vruchten
Omdat er zoveel anderen zijn die voor de vlinders vluchten
En stenen gooien naar ’t lenteblauw
Omdat ze bang zijn voor de bloemen
En bang zijn voor ik hou van jou

Ja, er moeten mensen zijn met tranen als zilveren kralen
Die stralen in het donker
En de morgen groeten
Als het daglicht binnenkomt op kousenvoeten

Weet je, er moeten mensen zijn die bellen blazen
En weten van geen tijd
Die zich kinderlijk verbazen
Over iets wat barst van mooiigheid

Ze roepen van de daken dat er liefde is en wonder
Als al die anderen schreeuwen: alles heeft geen zin
Dan blijven zij roepen: nee, de wereld gaat niet onder
En zij zien in ieder einde weer een nieuw begin

Zij zijn een beetje clown
Eerst het hart en dan het verstand
En ze schrijven met hun paraplu ‘i love you’ in het zand
Omdat ze zo gigantisch in het leven opgaan
En vallen en vallen en vallen en opstaan

Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen blijven dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan
De muziek gaat door
De muziek
Gaat
Door

Toon Hermans

Wat die goeie ouwe pater Versteylen de jonge groentjes nog kan leren

Wat die goeie ouwe pater Versteylen de jonge groentjes nog kan leren

Visionairbelgie – Johan Sanctorum – 1 februari 2019 Voor 20 euro naar Lissabon: de democratisering van het vliegreizen –noem het maar de Ryanisering– heeft ervoor gezorgd dat werkelijk iedereen het vliegtuig instapt om zijn bijdrage te leveren aan de CO2-uitstoot. Zo’n kerosineverbrander stoot tien keer meer uit per persoon dan pakweg een TGV voor hetzelfde traject: de luchtvaart staat bovenaan in het lijstje van de CO2-uitstoters, en het vliegreizen gaat nog steeds crescendo. Luchtvaartmaatschappijen betalen daarenboven geen belasting op kerosine, zijn niet BTW-plichtig, noch onderhevig aan enige reglementering rond brandstof-efficiëntie. Het lijkt erop dat de maatschappij deze sector extra in de watten wil leggen, nog veel meer dan de auto-industrie.

Hedonisme

Dat heeft alles te maken met het kosmopolitische imago van het vliegtuig: de wereld is een dorp, moderne mensen vliegen, en iedereen wil tot die gedemocratiseerde jetset behoren. Niet in in het minst de ecologische elite die de dieselrijders zowat als onverantwoordelijke debielen wegzet.

Zo blijkt klimaatpassionaria Anuna De Wever een indrukwekkend palmares van recente vliegtuigreizen te kunnen voorleggen, critici van de klimaatbeweging hebben dat uitgevlooid. Terecht. Ook jongeren mogen beseffen dat schone ideeën en stoere slogans zonder concrete daden hypocriet blijven. In de rechtse rioolpers werd anderzijds ook haar genderneutraliteit (‘ik ben geen meisje en geen jongen’) erbij gesleurd om heel de beweging als een modieus-progressistische ’zure regen’ (sic) af te schilderen. Iets minder kosjer en vooral naast de kwestie: de seksuele geaardheid van Anuna zal me worst wezen, bij mijn weten scheidt genderneutraliteit geen extra broeikasgas af.

Maar dus die reisjes naar Lissabon en zo. De democratisering van de luchtvaart heeft te maken met prijsbrekers en goedkope vliegtuigtickets, maar ook met de reisdwang die het massatoerisme ons oplegt, de neurose van elders-is-het-beter, aangewakkerd uiteraard door Facebook waar al onze exotische vakanties ook breed kunnen worden geëtaleerd. Wie niet twee keer per jaar aan Zuiderse stranden of in een ski-oord gesignaleerd wordt, of een trendy city-trip meepikt, is een beklagenswaardige sukkel. Dit hedonisme, facet van een materialistische belevingscultuur zonder diepgang, is allicht een nooit opgedroogde restant van de ’68-beweging die wel de wereld wou verbeteren maar zich geruisloos liet opzuigen in het consumentisme onder motto’s als ‘sous les pavés la plage’ (onder de plaveien het strand). Plezier voor iedereen aan spotprijs, alles binnen handbereik, geen schaduwkant of keerzijde.

Ecofascisme

Die keerzijde is er natuurlijk wel. Naast de commerciële kost bestaat er wel degelijk zoiets als milieukost, kosten die collectief door de samenleving gedragen worden, zoals bijvoorbeeld ook het onderhoud van het wegennet (voor autorijden), of de ziekteverzekering als iemand zijn lever kapot zuipt of door onbeschermde losse sekscontacten HIV oploopt. There is no such thing as a free meal, iemand moet ervoor opdraaien.

Maar terug naar de lage vliegtuigtickets. De algemene teneur is dat we fameus zullen moeten inleveren om het milieu proper te houden en de klimaatdoelstellingen te halen. En dus komt die vliegtuigtaks eraan, in de hoop dat de lage middenklasse zal passen voor de net te dure vliegvakantie. Nog los van de vraag wat men dan met de inkomsten uit die taks gaat doen, lijkt milieubewustzijn nog steeds vooral om het inleveren van geluk te gaan: gedaan met twee keer per jaar het vliegtuig te nemen aan spotprijs, slechts een paar keer per week vlees eten, minder lang onder de douche, geen vuurtjes meer stoken…. het lijkt wel één grote treurnis die ons te wachten staat als we werk maken van een CO2-neutrale planeet.

De milieubeweging gaat mee in dat schuld-en-boetediscours: de vervuilende Vlaming zal bestraft worden en moet genot inleveren. Dat ecofascisme, zoals ik het in mijn boek ‘De Langste Mars’ noemde, wortelt in de teleurstelling van de linkerzijde omwille van het rechtsdraaiende gepeupel, en de cultuurmarxistische recepten die daar tegenover staan om het volk met harde hand herop te voeden. Samen met de politiek-correcte regels rond taal en attitude wil het groene betuttelingsdenken ons ook rituelen opleggen die offers vergen, pijn doen, geld kosten.

Helaba

Luc Versteylen (° 1927)

Edoch, de Griekse wijsgeer Epicurus (‘Schenk me een glas melk in, we gaan feesten!’) betoogde al dat geluk weinig te maken heeft met luxe, misschien integendeel zelfs, en dat het de kunst is om uit kleine dingen levensvreugde te puren. Ook al vinden we ooit wel CO2-neutrale vliegtuigen uit: moet iedereen nu echt Barcelona plat lopen, zodat zelfs de bewoners acties tegen de overlast gaan voeren?

Dat is natuurlijk een vreemde gedachte in een tijd dat iedereen met het laatste type smartphone moet rondlopen, maar kijk: net nu ontstaat er een tegenbeweging van mensen die de eindeloze dwang om steeds geconnecteerd te zijn, kotsbeu worden en de smartphone bannen. Probleem voor Google, Apple en konsoorten: het fameuze consuminderen, de nachtmerrie van elke marketeer. Minder bellen betekent echter meer tijd om te converseren met mensen van vlees en bloed rondom je, en misschien ook eens je kind een extra knuffel te geven of weer een boek te lezen. Anders gezegd: wat luxe overboord gooien is geen offer maar een weg naar méér levensintensiteit. Minder zwelgen, meer proeven.

Dat klinkt misschien wollig maar de Anuna’s van deze wereld hebben die Epicureïsche klik nog niet gemaakt: dat minder meer is, en dat de bron van het geluk in onze ziel zit en niet in de gadgets waarmee we ons omringen. En dat het ideale vakantie-oord misschien maar tien meter ver ligt, namelijk in onze tuin. Dat was enigszins het discours van Pater Versteylen, de stichter van Agalev (later Groen), die door de toenmalige nieuwe partij-elite (Mieke Vogels, Jos Geysels) werd opzij gezet als een naïeve dromer. Vanaf dan is het al scheef gelopen met de Vlaamse Groenen en nam hun politiek-correct bobo-gehalte schrikbarend toe. Als protest daartegen richtte Versteylen in de jaren ’90 Helaba op, een nieuwe beweging gebaseerd op de waarden ‘saamhorigheid, soberheid en stilte’, iets wat de Calvo’s van vandaag helemaal niks zegt.

Versteylen durfde de geluksvraag nog te stellen, alle groenen na hem waren alleen nog bezig met regeltjes. Nog niet zolang geleden hoonden we die welzijnsvraag weg als geitenwollen sokken-gedoe, maar ik heb het gevoel dat de jongens en meisjes die elke donderdag gaan betogen, dringend toe zijn aan een paar lessen levensfilosofie waarin men zichzelf geen trips naar Ibiza ontzegt, maar daar gewoon geen meerwaarde in ziet.
Ik zou nu kunnen zeggen: beter dat er niet gespijbeld wordt en dat de leerkrachten Epicurus boven halen. Maar ook die filosoof is al lang afgevoerd wegens euh… niet bevorderlijk voor het welzijn van de leerling. Dat brengt ons dan weer naar de neergang van het Vlaamse onderwijs, maar dat is weer een ander verhaal. Of toch niet?

Het lijden is niet groots of heiligs

Het lijden is niet groots of heiligs 

Liberales – Dirk Verhofstadt

“Een filosoof vraagt zich af wat het betekent om te lijden, wat het lijden zegt over het menselijke bestaan,” zo schrijft professor emeritus Dirk De Schutter van de KU Leuven (De Standaard, 29/1), en wil zo de indruk geven dat Etienne Vermeersch daar geen aandacht voor had. Dat is nonsens en intellectueel oneerlijk. Als er één persoon in Vlaanderen begaan was met de problematiek van het lijden, dan was het Vermeersch. Zijn voorstellen voor een humane behandeling van uitgeprocedeerde asielzoekers, maar vooral zijn inzet voor de legalisering van euthanasie waren daar voorbeelden van. Vandaag kunnen mensen die ondragelijk lijden en daar zelf uitdrukkelijk voor kiezen, uit het leven stappen, dankzij de volgehouden inzet van Vermeersch. Hij koos daar ook zelf voor en schreef ‘Ik sterf dankzij mijn levenswerk’, om te beklemtonen hoe belangrijk hij die keuzemogelijkheid vond. Maar hij voegde er nadrukkelijk ook aan toe dat hij hiermee geen statement wilde maken. Elke mens moet dat voor zichzelf beslissen.

De Schutter betreurt dat de mens ‘niet meer in staat is om te lijden’, naar Rilke. Hij vindt het spijtig dat we ‘met het geloof in God ook de ervaring van het heilige verloren hebben’. Moeten we lijden dan verwelkomen, en de aftakeling van mensen die pijn lijden als iets groots en heiligs aanvaarden? Die gedachte is kenmerkend voor de christelijke lijdenscultus, die lijden als intrinsiek waardevol ziet, een manier om dichter bij Christus te komen. Vermeersch kende deze christelijke opvatting zeer goed en beleefde ze zelf in de jezuïetenorde, toen hij aan zelfgeseling deed. Maar hij verwierp deze waardering van lijden krachtig toen hij atheïst werd. Ook ik verzet mij daar tegen. Enkel wie in religieuze dogma’s gelooft, zal pijn als zinvol beschouwen. De basis van de moraal ligt niet in datgene wat een God of hun vermeende vertegenwoordigers op aarde in hun zogenaamde ‘heilige’ boeken neerschreven. Die basis ligt wel in het universeel verzet van de mens tegen het onvrijwillig ondergaan van pijn. Zowat elke mens, ongeacht zijn religieuze of levenbeschouwelijke overtuiging, ongeacht zijn afkomst, cultuur of nationaliteit, ongeacht zijn positie in de samenleving, kant zich vandaag tegen datgene wat hem pijn doet. We aanvaarden dat niet en we verwachten van elke medemens dat hij of zij dat ook begrijpt en mee afkeurt.

Deze redenering is geen woordenspel zoals je dat vaak tegenkomt in religieuze teksten. Het gaat mij om een concreet onaangenaam, ongewenst en onmenselijk gevoel dat iedereen kan ondergaan. Uit de universele afkeer daarvan leid ik alle morele bepalingen af die verbieden dat men iemand onderdrukt of als mens niet gelijkwaardig acht. Uit die vaststelling leid ik de waarde van een autonome moraal af en het bestaan van een hele reeks mensenrechten die we vanuit onze ervaring – het verwerpen van onvrijwillig ondergane pijn – als natuurlijk en evident aanvaarden. Vandaar het belang van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en de EVRM. Het is uit verzet tegen onvrijwillig ondergane pijn en het lijden dat we regels hebben aanvaard tegen geweld, foltering, verkrachting, moord en doodslag. Het is door datzelfde verzet dat we ons keren tegen huiselijk geweld, gedwongen huwelijken, genitale verminkingen, kindbruiden en elke ongelijkheid tussen mensen – in het bijzonder tussen man en vrouw.

Het universeel verzet tegen het ondergaan van onvrijwillige pijn is cruciaal om elk mensenrecht te begrijpen en toe te passen. Mensen zijn vrij om te geloven wat ze willen omdat ze niet (fysiek) gedwongen willen worden om iets anders te geloven. Mensen zijn vrij om hun mening te uiten omdat ze weigeren hun geest stil te leggen om iets te geloven dat hen wordt opgedrongen. Mensen zijn vrij om relaties aan te gaan met andere mensen, ongeacht hun geloof, geslacht of status. Het verwerpen van pijn, zowel fysiek als psychisch, is een belangrijke kracht in de vorming van de moraal. Wie vanuit godsdienstige of andere geboden zegt dat vrouwen niet gelijkwaardig zijn aan mannen, wie zegt dat mannen of vrouwen geen relaties mogen aangaan met seksegenoten, of wie zegt dat ongelovigen immoreel zijn, veroorzaakt pijn en is dus immoreel. De ware moraliteit kant zich tegen elke vorm van lijden. Anders gezegd, de essentie van het mens-zijn is dat we het vermogen hebben om in te zien dat we niemand tegen zijn wil pijn mogen doen. Daarmee wil ik niet zeggen dat het verzet en het vermijden van pijn het enige fundament van de moraal is, wel dat het streven naar de vermindering van onvrijwillige pijn een van de belangrijkste krachten is in de vorming van de moraal.
Nadenken over het vermijden van pijn en lijden, niet alleen voor mensen maar ook voor andere levende wezens, en nadenken over de zin van het leven, vormen het fundament van het werk van Vermeersch. Toen ik hem ooit vroeg wat die zin van het leven was, citeerde hij de volgende passage uit het Bijbelse boek ‘Wijsheid van Salomo’: “Laten we ons te goed doen, aan kostelijke wijn en aan parfums, en laat geen lentebloesem ons ontgaan. Laten wij ons bekransen met rozenknoppen voordat ze verwelken. Geen feestwei mag verstoken blijven van ons plezier. Overal willen wij tekenen achterlaten van onze vrolijkheid want dat is ons deel en dat is ons lot.” Hij citeerde deze tekst zonder evenwel te vermelden dat vóór deze passus de volgende woorden staan: “Ze redeneerden onjuist toen ze onder elkaar zeiden.” Het vrolijke leven werd dus afgekeurd. Blijkbaar moet volgens de Bijbelschrijvers het leven bestaan uit zwoegen en lijden, iets wat Vermeersch fundamenteel verwierp.

Toen ik hem vroeg waarom hij die tekst uit het Boek Wijsheid dan zo belangrijk vond, antwoordde hij dat het wezenlijke van deze tekst hierop neerkomt, dat de ‘zin’ van ons leven, als er al zoiets zou bestaan, dit leven zelf is. Je hebt een aantal mogelijkheden om dat, wat typisch menselijk is, in al zijn facetten te beleven, en je probeert dat zo te doen dat je het lijden zo gering mogelijk maakt en alles wat bevrediging bevordert, maximaal nastreeft. Die gedachte volgde hij zijn hele leven consequent, moedig en enthousiast. Hij werd daarin gestuurd door empathie en liefde. Geen liefde voor een zogenaamde God die, mocht hij al bestaan, verantwoordelijk zou zijn voor al het kwaad in de wereld, maar liefde voor de mens, liefde voor de medemens en liefde voor alle levende wezens. Wij moeten zelf een betere wereld maken, want God (als hij al bestaat) heeft er niets van gebakken.

De gedachten van Vermeersch over de zin van het leven en het lijden waren bijzonder doordacht en concreet. Daarin verschilden ze van het gewauwel van postmoderne denkers over ‘een denken dat zich ophoudt in een niet-weten’. De eenzijdigheid van het filosofisch denken ligt juist bij hen die het weten opzijschuiven, zeker als dat weten niet in hun kraam past. Finaal zal het werk en het denken van Vermeersch overeind blijven als een moreel fundament naar een meer rechtvaardige samenleving.

GEDICHTENDAG 2019

Zoals elk jaar is het ook dit jaar op de laatste donderdag van januari Gedichtendag. Dit jaar is het thema van de gedichten “Vrijheid”. Kunnen schrijven en zeggen wat je wilt, dat is er één aspect van, en gelukkig ben ik al zo ver. Doen en laten ook, en ik mag ook hierbij niet klagen. Vrijheid is vooral je gezondheid, en gelukkig is die er nog. Dus leve de vrijheid!

Er was een tijd

Er was een tijd dat wij elkaar nog niet kenden
Dat jij een meisje en ik een jongen was
Eentje aan weerszij van die bonte bende
Die liep te stoeien door het zomergras
Maar op een dag volgden wij bei dezelfde witte vlinder
Telden wij bei de blaadjes van dezelfde bloem
Sindsdien stoeit er aan weerszij eentje minder
En het is sindsdien dat ik je voornaam noem

Er kwam een tijd dat wij elkaar beter kenden
Dat jij mijn meisje en ik jouw jongen was
We zwierven blij van Lommel tot Oostende
En voor het eerst dronken wij uit hetzelfde glas
En elke dag volgden wij bei dezelfde witte vlinder
Telden wij bei de blaadjes van dezelfde bloem
Wij werden stil en stoeiden almaar minder
En het is sindsdien dat ik je liefste noem

Er kwam een tijd dat wij elkaar zo goed kenden
Dat wij geen uur meer weken van elkaar
Waarbij zich de een zo goed aan de ander wende
Dat wij elkaar verstaan met een gebaar
En elke dag volgden wij nog dezelfde witte vlinder
Telden wij nog de blaadjes van dezelfde bloem
Ik hou van jou veel meer al zeg ik minder
Al droom ik meer je naam dan ik hem noem

En komt de tijd dat een het gelaat moet wenden
Naar het ander land waarvan geen wederkeert
Hij zegge daar hoe goed wij elkaar kenden
Ik wed hem: laat zo’n liefde ongedeerd
En op een dag volgen we weer dezelfde witte vlinder
Tellen we weer de blaadjes van dezelfde bloem
Als jij bij mij bent, vrees ik het einde minder
Het is zo goed als ik je voornaam noem

Miel Cools

Mijn biotoop

Mijn biotoop! Ik speelde er vroeger als kind, en had er mijn eerste liefjes. Nu gaat mijn zoon er wandelen om tot rust te komen en te genieten van een natuur die gelukkig nog niet veel ingeboet heeft aan kalmte en schoonheid.

Een wandeling in Terlanenveld en langs de vijvers in de Dreef van Overijse.

 

Het kabbelende beekje

Wat wil het zeggen,
Wat wil het ons uitleggen?
Wil het ons vertellen van zijn kracht
En avonturen langs de gracht?

Van verliefde paartjes die beminnen,
Of van harten die elkander winnen,
Van de ijdele bloemen,
Die zich om hun schoonheid roemen?

Speel lustig golfjes, speel…
Laat je blijheid zien in haar geheel.
Speel met de ruisende wind,
Speel blij als een zorgeloos kind.

Micheline Baetens – 1967

Gezond verstand

Is optimisme een nuttige attitude om het leven aan te kunnen? Of straffer nog, is het een morele plicht zoals de filosoof Karl Popper beweert?

Of is het meer een sociaal aanvaarde vorm van zelfbedrog, een werkelijkheidsvlucht, ons aangepraat door allerlei “mental coaches” en zielenknijpers?

Dat is alvast de stelling van de feministische biologe Barbara Ehrenreich. Ze kreeg zelf met die “feel-good”-therapieën te maken, toen ze borstkanker kreeg en iedereen haar wilde laten geloven dat ze vooral steeds opgewekt moest zijn, want positief denken was het begin van de genezing. Ziekte, armoede, eenzaamheid,… je moet het allemaal maar weglachen: “crisissen zijn uitdagingen”, zo wordt er her en der getoeterd.

Het werd haar zo gortig dat ze er een essay over schreef, “Smile or Die: How Positive Thinking Fooled America And The World” (2010), waarin ze heel dat macho-vocabularium van het teugelloze optimisme doorprikt als een moderne hysterie, eigen aan onze prestatiemaatschappij.

Met ziekte, verdriet of lijden omgaan, is niet het ontkennen ervan. Je zwakte tonen is niet zwak. Het schept ruimte voor realisme en een echte overlevingsstrategie, ook wel “gezond verstand” genoemd.

Johan Sanctorum – Facebook – 16 januari 2014

https://visionairbelgie.wordpress.com/

Zelfs geen bloemen

Zelfs geen bloemen

Ik hoef geen zekerheid,
geen eeuwige trouw,
geen groot gelijk,
en geen standvastigheid.

Ik hoef geen geplukte sterren,
geen unieke schoonheid,
geen onversaagde moed,
zelfs geen bloemen,
maar een paar mooie woorden
en ik ben verkocht!

Micheline Baetens – 29.12.2017

Soms kom ik zo een gedicht van mezelf tegen en dan vraag ik mij af of ik daar nu nog altijd achter sta. En dit is er zo eentje.

Inderdaad, ik ben nochtans dol op bloemen, maar ga nog platter op mijn buik voor een paar mooie woorden, een prachtige volzin, of een volmaakte tekst. Dan ben ik altijd een beetje jaloers, maar ook toch wild enthousiast, of diep onder de indruk en ontroerd.

Toen één van mijn tantes overleden was, en ik in de kerk merkte dat mijn neef één van mijn gedichten overgenomen had om op het bidprentje te zetten, kon ik mijn ogen niet geloven. Ik vond dat zo een grote eer, en wist mij geen raad met mijn gevoelens van blijdschap, en dat op een begrafenis. Voor het eerst had iemand van mijn familie laten blijken, dat wat ik schreef gewaardeerd werd en goed was. Ik ben hem er nog altijd dankbaar voor, want hij is de enige in mijn familie die ooit laten merken heeft, dat wat ik deed de moeite waard was. Mijn neef is kunstenaar Jonas Wille.

Ik draag het bidprentje nog altijd bij me.