Ze zijn er klaar voor!

Na dit weekend nog drie dagen en de ouders zijn er al helemaal klaar voor!

En ik ook! Pas op je zeventigste grootouder worden is niet alledaags, voor de meesten onder ons gebeurt dat rond je vijftigste, dus ongeveer twintig jaar eerder. Maar aan sommige dingen heb je niets te zeggen, en dat is maar goed ook, op die manier blijft het leven voor uitdagingen zorgen.

Ik ben al blij dat het een jongen is, want zelf was ik tijdens mijn kinderjaren niet zo meisjesachtig en speelde ik ook liever cowboy-en-indiaan dan met poppen. Dus dat zit al goed.

We gaan ons nog amuseren, dat kereltje en ik, en ook al ben ik niet meer zo fit als al die jonge grootmoeders, heel braaf ben ik nog altijd niet…

Lijden doet scheiden

‘Ik was de vrouw die er niet bij was toen hij overleed’: je doodzieke partner verlaten blijft taboe

Zaterdag, op de Werelddag Dementie, zet de Alzheimer Liga niet alleen de zieke, maar ook de partner centraal. Maar wat als die er geen zin meer in heeft? Lijden doet, zo geven onderzoekers aan, vaker scheiden. Ondanks het grote taboe. ‘Ik was de vrouw die er niet bij was toen hij overleed.’

De Morgn –  Eline Delrue – 20 september 2019

“Mijn wereld werd almaar kleiner”, zegt Marie (64). “Op den duur zat ik in een gevangenis.” Begin dit jaar hakte ze de knoop door. Na dertien jaar verbrak ze de relatie met haar zieke man, een nierlijder met dementie. “Het enige wat hij nog wilde, was dat ik de hele dag naast hem in de zetel kwam zitten, om zijn handje vast te houden. Ging ik de deur uit, dan zinde hem dat niet. En ik moest en zou op dat uur thuis zijn. Voor mij werkte dat niet meer. Ik moet verdorie nog 65 jaar worden. Ik was bang: als dit niet stopt, dan ga ik mee de dieperik in.”

Breken met je zieke partner, het blijft taboe. “Zoiets doe je toch niet”, sist de buitenwereld al snel. “En wat dan met ‘in goede en kwade dagen’?” Verlaat je je wederhelft in kwakkelende gezondheid, dan krijg je er behalve dat eigen schuldgevoel gegarandeerd nog wat verwijten bovenop. Nederlands onderzoek, uitgevoerd door het Helen Dowling Instituut en Plus Magazine, plakt er een cijfer op: 76 procent van de bevolking heeft weinig tot geen begrip voor wie zijn zieke partner “in de steek laat”.

Waarom blijven jullie samen? Het is een vraag die relatie- en gezinstherapeut Hadi Waelkens, verbonden aan de oncologische dienst van het UZ Leuven, wel vaker stelt, op zoek naar de positieve dingen die partners verbinden. “Het blijft toch altijd schrikken als je de geliefde van een kankerpatiënt hoort zeggen: ‘Ik blijf alleen maar omdat het moet, want wat gaan de mensen anders zeggen?’ Dat taboe zit er heel hard in.

Sommigen voelen zich schuldig alleen al over de gedachte ‘dat het toch zwaar is, samenleven met een zieke’. Je ziet dan hoe ze zichzelf tot de orde roepen: ‘Ik mag zo niet denken, het is mijn plicht.’”

Vijftig jaar geleden werd je er nog voor verketterd, meent relatiedeskundige Rika Ponnet. “Je zieke partner verlaten, dat deed je gewoon niet. Je had malchance, het verkeerde lot, en diende dat uit te zitten. Vandaag kijken we daar toch anders naar: het individuele krijgt al meer de nadruk – ‘Je loopt hier toch maar één keer rond.’ Wel blijft het een van onze diepste angsten weerspiegelen: als ik morgen ernstig ziek word, zal de ander er dan zijn om voor mij te zorgen? Dat maakt dat de buitenwereld het nog altijd moreel afkeurt.”

Het overkwam Lideweij Bosman, een Nederlandse dertiger die er het boek Naupaka over schreef. Daarin vertelt ze hoe ze na hun jarenlange gevecht tegen lymfeklierkanker haar vriend Sander verliet, vijf maanden voor zijn dood. Lideweij: “Van de ene dag op de andere wist iedereen wie ik was: de vrouw die haar doodzieke vriend in de steek had gelaten. De vrouw die er niet was toen hij overleed. Noch bij zijn crematie. Ik wist dat er reacties zouden komen, maar dat die zo heftig zouden zijn? Mijn tijdlijn op Twitter stond vol oordelen, verwijten en verwensingen. Ik had velen duidelijk geraakt in een oerangst: de angst om alleen achter te blijven.”

Lijden doet scheiden, zo blijkt uit studies. Volgens het Amerikaanse onderzoek In Sickness and in Health, uitgevoerd door de Iowa State University, stijgt de kans op een echtbreuk met 6 procent als de partner ernstige gezondheidsproblemen krijgt, zoals kanker, een beroerte of een hart- of longaandoening. Vlaamse cijfers zijn er niet, maar ook bij ons ligt het aantal relatiebreuken bij ziekte een pak hoger dan het gemiddelde van een op de drie, weten experts. Hoe zwaar de beproeving wordt, hangt voor een groot stuk van de aard van de ziekte af, stellen Amerikaanse psychologen nog.

“Bij ziektes met een groot risico op overlijden ligt de kans op een relatiebreuk lager”, klinkt het. De belangrijkste verklaring hiervoor is even simpel als cru: sterft je partner, dan hoef je ook niet meer te scheiden. “Bovendien”, zo luidt het nog, “kan een terminaal zieke meestal op meer begrip en geduld rekenen dan partners met een chronische, niet-levensbedreigende kwaal.”

Opmerkelijk: een man die met zijn gezondheid sukkelt, loopt minder risico om alleen te vallen. Meestal zijn het de mannen die de benen nemen als hun vrouw ziek wordt. “Niet zo verwonderlijk”, vindt relatietherapeute Ponnet. “Bij veel koppels is de vrouw nog altijd de zorgpilaar. Valt zij uit, dan komen al haar taken bij de man te liggen. Dan heb je mannen die dat ontvluchten. Velen knappen ook af op de zorgrelatie die ontstaat. En op het idee dat ze geen gezonde vrouw meer hebben. Eerlijk gezegd, ik schrik er soms nog van hoeveel mannen niet willen daten met een vrouw die borstkanker heeft overwonnen. Voor velen is dat te spiegelend: het confronteert hen met het ouder worden, met slijtage en de eindigheid van het leven.”

Wel niet te onderschatten, zo stellen experts: gemiddeld genomen heeft de geliefde het wellicht nog veel zwaarder dan de zieke zelf. Want terwijl de zorgen zich opstapelen, staat je eigen leven on hold. Je sociale wereld krimpt, je raakt afgezonderd en geïsoleerd.

“Op den duur ben je voor een stuk getrouwd met de ziekte”, omschrijft psychologe Hadi Waelkens. “Veel patiënten laten te veel vallen, of moeten te veel laten vallen, door hun ziekte. Dat kan hun leven en dat van hun geliefde enorm vernauwen. Ook de omgeving verengt het koppel dan vaak tot die ene aandoening. ‘Hoe gaat het met je vrouw of man?’, informeren ze dan. Maar hoe het met jou, als partner, gaat: dat vraagt niemand.

De buitenwereld ziet je niet meer als individu, maar eerder als het verlengstuk van iemand die ziek is. Ook dat maakt het voor naasten zo moeilijk om voor hun eigen noden op te komen.”

Klopt, beaamt Ponnet: “Sommige partners geven aan dat ze zich bijna jaloers voelen op de zieke, omdat die met alle aandacht gaat lopen. Alsof jij de gelukzak bent die het niet aan de hand heeft, terwijl het toch nog altijd een wij-verhaal is.”

Gekraakt

Hoe het met haar gaat? Het is een vraag die ook Marie, gescheiden van haar man met dementie, lange tijd niet kreeg. “Niet dat het mij toen fel geraakt heeft. Precies omdat ik mezelf zo hard wegcijferde. Feit is: niemand ziet nog degene die achter de zieke staat.

Degene die zoveel zorgt, steunt en opoffert. Tot je zelf kraakt. Pas na de breuk zeiden mijn vriendinnen ‘dat ik geen leven meer had’. Je omgeving ziet dus wel dat je geïsoleerd raakt, maar niemand doet er iets aan. Uiteindelijk moet je dat zelf doen.”

Een breuk komt niet uit de lucht vallen, bemerken psychologen. “Geliefden geven hun zieke wederhelft doorgaans veel kansen en veel krediet”, zegt Waelkens. “Maar zo’n ziekteproces daagt relaties op veel verschillende manieren uit. Mensen die nog maar pas de diagnose hebben gehoord, zitten vaak in overlevingsmodus. Zij gaan volop door een crisis en hebben die eerste maanden slechts weinig oog voor hun relatie. Pas als de ziekte wat meer een plek heeft gekregen, komt die aandacht terug. Maar precies daarin zit het gevaar: dat ze hun relatie te lang aan de kant zetten. Op die manier raken koppels vaak een stukje kwijt dat moeilijk te herstellen valt.”

Ermee breken of zelf barsten? In haar nieuwe boek Hókúle’a gaat Bosman nog dieper in op die keuze en hoe ze te maken. Dat moment zes jaar geleden, net voor ze haar relatie verbrak, zit nog vers in haar hoofd. “Ik weet nog precies waar ik was: ik zat op het tapijt in de slaapkamer, tussen de witte planken van een kapotgetrapte Ikea-kast.

Sander had zijn doodvonnis gekregen. Na vijf jaar strijden zou hij sterven. Als een wilde tijger had ik me uitgeleefd op de slaapkamerkast. Ik schreeuwde dat ik net zo goed ook dood kon gaan, en liet me vallen op het tapijt. Ik besefte dat alle pogingen om onze relatie te herstellen mislukt waren. Ik kon hem niet dwingen om te stoppen met drinken, of met verdovende medicatie in te nemen waardoor hij als persoon veranderde. Ik kon hem niks opleggen, maar ik kon wel zelf actie ondernemen. Ik moest de relatie verbreken, anders zou ze mij opbreken.”

Is de zieke zichzelf niet meer, dan wordt het helemaal belastend, erkennen experts. Zoals bij (jong)dementie, na een beroerte of een opgelopen hersenletsel. Jolien (44), mama van drie, zette er drie jaar geleden een punt achter. Haar eerste grote liefde was, na een verkeersongeval, totaal onherkenbaar geworden. “Toen hij uit coma kwam, bleken zijn hersenen ernstig beschadigd, vooral in het gebied dat te maken heeft met empathie en impulscontrole. Dit was niet meer de man met wie ik getrouwd was, niet meer de papa die onze kleine kinderen gewoon waren. Het hersenletsel had hem heel egocentrisch gemaakt, alles draaide rond hem. Elk beetje empathie was zoek. Als hij dronk, want daar was hij mee begonnen, werd hij bovendien agressief, zowel verbaal als fysiek. Vier jaar lang heb ik de hel beleefd. Hij wist verduiveld goed hoe me te kwetsen en te manipuleren. Maar ik bleef, in de hoop dat dit maar een tussenfase was. Tot het duidelijk werd dat er geen beterschap zou komen. Mijn man was weg en ik zou hem nooit meer terugkrijgen.”

Enter de ziekte, exit de sfeer. Dat zet relaties behoorlijk onder druk, ook in bed, zien seksuologen. Vaak is het de zieke bij wie het libido onder nul zakt: door de medicatie, de pijn, of uit schaamte voor dat veranderde lijf. Soms laat de partner het zelf afweten: omdat dat nieuwe naakt niet went. Of omdat het wassen en zorgen de appetijt bederft.
Hadi Waelkens: “Sommige koppels raken daarover, anderen blijven erop steken. Zeker voor koppels bij wie seks altijd een belangrijke verbindende factor was, is dat een lastige. Hier is, behalve voor de gezonde partner, ook een taak voor de zieke weggelegd. Ook die moet moeite doen en zich de vraag stellen: hoe kunnen we de intimiteit blijven vormgeven? Hoe kunnen we laten zien dat we van elkaar houden? Vanzelfsprekendheid is dodelijk voor een relatie.”

Ook bij Marie en haar ex-man schoot alle intimiteit erbij in. “Het seksuele contact is langzaamaan uitgedoofd. Maar ook de affectie viel weg, en dat mis je toch. Van een echte relatie was geen sprake meer. We leefden samen als broer en zus. Op den duur zelfs als moeder en kind, want ik droeg alle zorg. Waren we, heel sporadisch, nog eens intiem, dan was dat niks betekenisvols.”

Voor Jolien werd elke vrijpartij een lijdensweg. “Door zijn hersenletsel was mijn man ontremd, sociaal en seksueel. De manier waarop hij me agressief kon benaderen, maakte voor mij dat seks geen optie was. Ik wilde niet gewelddadig aangepakt worden: niet fysiek, niet verbaal. Gaan klaarliggen en hem zijn ding laten doen – om het zo te zeggen – dat was niet hoe onze relatie voorheen in elkaar zat, en hoe ik intimiteit wilde beleven. Ik heb veel bange momenten gekend.”

Dag in dag uit zorgen, geïsoleerd in een ‘glazen stolp’, zonder liefde en lust tussen de lakens: het duwt sommige partners op weg naar de nooduitgang. Zij eisen meer vrijheid op. Of ze gaan, al dan niet met toestemming, een nieuwe relatie aan.

“Dat betekent nog niet noodzakelijk een breuk met de zieke”, bemerkt Jurn Verschraegen, directeur van het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen. “Vaak helpt die tweede relatie zelfs om de zorg te blijven dragen. Het kan de partner een energieboost geven, lichamelijk en sociaal. Soms komen partners in de woon-zorgcentra ongegeneerd met hun nieuw lief op bezoek. Aan hun man of vrouw met dementie vertellen ze dan vaak dat het gewoon een goeie vriend(in) is en niks meer, om hun echtgenoot zeker niet te kwetsen.”

“Zeker bij koppels die geen seks meer kunnen of willen hebben, komt dat voor”, weet Ponnet. “Dan komen er dikwijls nieuwe afspraken, over een open relatie. Vanuit het idee: ‘Ik wil je daar niet in beperken, ik ben al blij dat je bij mij blijft.’”

Een extra man erbij? De gelegenheid was er voor Marie, maar ze ging er niet op in. “Toch kan ik perfect begrijpen dat sommigen het wel doen. Dat je de genegenheid elders gaat zoeken. Buitenstaanders wijzen dan graag met de vinger, maar je kunt dat de partner van een zieke niet kwalijk nemen. Vaak is hun man of vrouw slechts nog een schim van wie ze ooit waren. Ook ik had het gevoel: ik ben een weduwe, maar mijn man leeft nog.”

Meer chronisch zieken betekent meer relaties die op de klippen lopen, en dus minder mantelzorgers. En dat belangt de hele samenleving aan, benadrukt Ponnet. “We staan daar voor een enorme uitdaging. Vergeleken met vroeger nemen vrouwen, de traditionele mantelzorgers, veel minder die taak op zich. Ze werken buitenshuis, en willen meer dan enkel ‘zorgen voor’. De komende generaties zullen nog harder inzetten op die zelfontplooiing. In een klimaat van besparingen in de zorg en een tekort aan zorgverleners, zie je zo hoe we daarop zullen vastlopen. Niemand legt dat graag op tafel.”

Al zullen niet alle koppels, geplaagd door kwalen, schipbreuk lijden. “De liefde kan veel verdragen”, sust Hadi Waelkens nog: “Ziet een koppel de ziekte als iets wat hen samen overkomt, dan maakt dat al een groot verschil. Vergelijk het met een zwangerschap. ‘Wij zijn zwanger’, hoor je sommigen dan zeggen. Hier is het net zo: ‘Wij zijn ziek.’ Bij die koppels zie je veel meer binding dan bij wie het apart beleeft: ‘Jij bent ziek en daardoor stort ons leven in elkaar.’ In dat geval lijkt de zieke zo’n beetje de schuldige, en wordt het lastiger om dragen.”

Maar wordt het te lastig? Breek dan voor je zelf crasht, meent Jolien: “Was ik eronderdoor gegaan, dan hadden onze kinderen niemand meer. Ook zij hadden recht op een zo normaal mogelijk leven. De scheiding kwam er pas nadat ik al het mogelijke had geprobeerd, en meer. Dat maakt dat ik recht in de spiegel kan kijken, zonder schuldgevoel. Ik heb niet het gevoel dat ik mijn man in de steek gelaten heb. Ook al heeft hij me nog lange tijd verwijten gemaakt, en nu soms nog. Alsof ik hem bij het vuilnis heb gezet.”

Ook Marie nam haar besluit, ondanks de verwijtende blikken: “Die kwamen vooral van mannen. (lachje) ‘Het is toch maar normaal dat je als vrouw voor alles zorgt’, zeiden ze. Gelukkig stond ik daar op het moment van de breuk al boven. Ik was er al klaar mee. Je moet ook wel de kracht hebben om te zeggen: ‘Ik wil er wel nog iets van maken.’”

* Marie en Jolien zijn fictieve namen

Idealen

Filosoof Kwame Appiah: idealen kunnen het goede in de weg zitten

Brainwash – 21.09.2019

Filosoof Kwame Anthony Appiah is niet makkelijk te plaatsen. ‘In São Paulo word ik voor een Braziliaan aangezien, in Kaapstad voor een ‘kleurling’, in Rome voor een Ethiopiër, en een Londense taxichauffeur weigerde ooit te geloven dat ik geen Hindi sprak’, schrijft hij in zijn boek Leugens die ons binden. Zodra hij begint te praten wordt het nog verwarrender, met zijn chique Britse accent.

Hoe zit dat? Zijn vader komt uit Ghana, zijn moeder uit Engeland en hij woont in New York. Maar zo stelt hij in zijn boek: die feiten zeggen nog steeds weinig over wie hij is. Want onze identiteiten zijn veel vloeibaarder dan we denken, en we hebben er een heleboel. Veel meer nog dan kleur, cultuur, klasse en gender alleen. Onzin dus om het publieke debat te laten verstarren in een stammenstrijd.

Wat hebben idealen met identiteit te maken?

‘Identiteiten schrijven idealen voor. Als ik mijn katholieke identiteit zou naleven, zou ik trouw zijn aan mijn echtgenoot, regelmatig biechten, proberen de grote zonden te vermijden en de kerk ondersteunen. Veel identiteiten houden ons het ideaal van een perfect mens voor.’

Hebben we idealen nodig?

‘Zonder idealen kunnen we niet, we hebben iets nodig om naar te streven. Idealen bieden ons modellen om naar te leven. Ik denk dat er te cynisch naar idealisten wordt gekeken, als mensen die zweven. Je kunt niet onmiddellijk of misschien zelfs nooit een ideaal bereiken, maar dat betekent niet dat het ideaal geen belangrijk onderdeel kan zijn voor het vormgeven van wat je doet.’

Wat is het nadeel van idealen?

‘Ze kunnen ook afleidend zijn. Als ik het idee heb van het ideale schilderij, vernietig ik alle schilderijen die ik maak tot ik een ideaal schilderij maak. Dan maakt het ideaal van het maken van een geweldig schilderij dat ik helemaal niets meer maak. Idealen kunnen nuttig zijn, maar ze kunnen ons ook in de weg zitten omdat het beste de vijand van het goede kan zijn. Moet je in de VS nu een democratische presidentskandidaat kiezen die het dichtst bij je idealen staat of kies je voor iemand die de oppositie kan verslaan? Als je je te veel concentreert op je idealen, eindig je misschien wel bij een Republikeinse kandidaat.’

Zou je jezelf een idealist noemen?

‘Ik noem mezelf liever een ‘meliorist’, iemand die zoekt naar manieren om de wereld te verbeteren. Je hebt niet altijd een ideaalbeeld nodig om te zien wat beter zou zijn. Ik weet eerlijk gezegd niet of het een betere wereld is als geslacht er helemaal niet meer toedoet, maar ik weet zeker dat de vormen van ongelijkheid op basis van geslacht op dit moment fout en slecht zijn. Als ik gevallen van genderonderdrukking zie, weet ik heel zeker: het zou beter zijn als dat niet zou gebeuren en hoe kunnen het voorkomen? Dus je hoeft geen duidelijk idee te hebben van wat de beste zou zijn om iets te willen verbeteren.’

Wanneer gaan idealen over in een ideologie?

‘Een ideologie is een pakket van opvattingen over hoe het zou moeten zijn. Mensen die deel uitmaken van een ideologie zien vaak niet dat de wereld niet precies zo is als de ideologie veronderstelt. Een liberale marktideologie ontkent bijvoorbeeld de vele manieren waarop markten imperfect zijn of misbruikt kunnen worden. En dus overdrijven ze de successen van de markt en zien ze overal een bevestiging dat zoveel mogelijk dingen in het sociale leven door markten moeten worden beslist. Alsof er maar één soort sociale oplossing is die voor elk geval werkt.’

Hoe komt dat?

‘Het is heel moeilijk om van ideologie te veranderen, omdat het veel makkelijker is om je aan je eigen ideaalbeeld vast te houden en tegenbewijzen als uitzondering te zien. Misschien kan ik een racist of een seksist overtuigen dat die ene vrouw uit het Caribisch gebied aardig is, maar als je een racist of een seksist bent, zet je haar in de doos met ‘speciale gevallen’ en blijf je negatief staan ​​tegenover alle andere zwarte vrouwen.’

Wat kunnen we doen om dat te voorkomen?

‘Het helpt om je bewust te zijn van deze neigingen in ons leven. Vraag jezelf af: is er een alternatief voor de manier waarop ik denk? Het zou kunnen dat die speciale gevallen die je ziet geen uitzonderingen zijn, maar juist laten zien dat je de verkeerde regel gebruikt om de wereld te begrijpen. Misschien is er wel een beter beeld?’

Heeft u dat ooit zelf ervaren?

‘Ja, ik was een zeer vrome christen en ben nu atheïst. Al heel jong had ik al wel vragen over het Christendom. Maar ik beschouwde die als moeilijke intellectuele problemen waar iemand wel de oplossing voor zou hebben. Tot ik bedacht dat ik ook mijn essentiële beeld kon veranderen, misschien was er wel helemaal geen god. Nog een voorbeeld: als tiener geloofde ik enorm in publiek eigendom. Ik was nog net geen communist, maar wel een echte socialist. Ik vind nog steeds dat dingen in publiek bezit moeten zijn, maar ik heb ook respect ontwikkeld voor goede dingen die markten kunnen doen. Ik ben nu een persoon met een gemengde visie op de markt en bedenkt per geval wat ik goed vind.’

“Idealen kunnen nuttig zijn, maar ze kunnen ons ook in de weg zitten omdat het beste de vijand van het goede kan zijn.”

Hoe kun je compromissen sluiten én je idealen volgen?

‘Idealen sturen je in de compromissen die je sluit. Als ik het voor het zeggen had, zouden we de hoeveelheid koolstof in de wereld vrij snel kunnen verminderen, omdat ik bereid ben grote offers te brengen om dat te bereiken. Maar de offers die andere mensen moeten brengen, zijn nog veel groter dan die van mij, omdat zij hun baan of hun industrie moeten opgeven. Dus ik moet bereid zijn mee te gaan met enkele compromissen. Al heeft natuurlijk niemand iets aan een compromis dat ons allemaal dood achterlaat…’

We zouden beter naar anderen moeten luisteren?

‘Ja, ik weet niet precies wat de situatie in Nederland is, maar in de Verenigde Staten is dit heel moeilijk. Onze politiek is extreem gepolariseerd. Als er een idee wordt voorgesteld door iemand van een andere partij, is dat een bewijs dat het fout is, zonder daadwerkelijk naar het argument te kijken. Het is zo belangrijk om voorbij je eigen stam te denken.’

 

TUIN: Suzanne-met-de-mooie-ogen

Beschrijving

Nederlandse naam: Suzanne-met-de-mooie-ogen
Latijnse naam: Thunbergia alata

Smaak: De bloemen smaken zoet, het groene ‘omhulsel’ smaakt pittig.

Gebruik: ‘ ‘Suzanne-met-de-mooie-ogen’ is de Nederlandse benaming van Thunbergia alata, de Engelsen noemen haar: ‘Black-eyed-Susan’. Een kruidachtige plant, die met (op)-windende stengels, tot 4 meter omhoog klimt. De slingerende stengels zijn zacht-behaard en voorzien van drie-hoekige bladeren.

Het geslacht Thunbergia werd in 1784 door Linnaeus, naar zijn leerling: Karl Peter Thunberg vernoemd en omvat inmiddels zo’n 200 soorten.

Sinds 1823 toen ‘Suzanne-met-de-mooie-ogen’ voor het eerst in Engeland werd gekweekt, vond ze al snel haar weg verder Europa in.

Thunbergia alata, de stamhouder, heeft karakteristieke, heldere oranje bloemen, met sprekende zwarte ‘oogjes’. Er bestaan mooie Thunbergia-cultivars: ‘Sunrise Yellow’ met zacht-gele, ‘Alba Oculata’ met witte en ‘Arizona Glow’ met -zelfs- rode bloemen, allemaal met het kenmerkende zwarte centrum: de ‘mooie-ogen’. Thunbergia alata ‘Susie Clear Orange’ o.a. heeft oranje en ‘White’ egaal-witte bloemen, zónder zwart hart. ‘African Sunset’ is een nieuwe telg, haar bloemkleuren variëren van rood tot Abrikoos/Perzik-kleurig, met een mooi -donker- oog. Met deze eetbare, prachtige en ‘sprekende’ bloemen kunnen -culinair- vanzelfsprekend ook ‘hoge ogen’ gegooid worden, bij gebruik als garnering !

Handleiding voor het stoppen met antidepressiva

Handleiding voor het stoppen met antidepressiva

Handleiding voor het stoppen met antidepressiva
Onttrekkingsverschijnselen
Hoe gebeurt het geleidelijk afbouwen?
1. Stoppen of verminderen van de dosis van het antidepressivum
2. Omschakelen tussen antidepressiva

Het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI) heeft een Handleiding voor het afbouwen van antidepressiva gepubliceerd. Het abrupt stoppen, onderbreken of plots omschakelen van een antidepressivum kan leiden tot onttrekkingsverschijnselen. Daarom moet het stopzetten of overschakelen op een ander antidepressivum geleidelijk gebeuren.

Indien je antidepressiva neemt en wil/moet stoppen of overschakelen op een ander geneesmiddel, bespreek dit dan altijd met jouw arts. Stop zeker niet op eigen houtje.

Onttrekkingsverschijnselen

Griepachtige verschijnselen: hoofdpijn, lethargie, zweten, rillingen, moeheid, eetlustvermindering, spierpijn
Slaapstoornissen: slecht inslapen; nachtmerries
Gastro-intestinale symptomen: misselijkheid, braken, diarree en anorexie
Evenwichtsproblemen: duizeligheid en coördinatiestoornissen
Sensorische symptomen: sensaties van elektrische schokken, paresthesieën en pallinopsie (dit is het lang visueel aanhouden van nabeelden van een object of een persoon nadat deze niet meer aanwezig is in het gezichtsveld)
Psychische klachten: angst, somberheid en prikkelbaarheid/irritatie of het optreden van (hypo-)manie (ontremming)
Extrapiramidale verschijnselen: bewegingsstoornissen en tremoren
Overige verschijnselen: cognitieve stoornissen en hartritmestoornissen.1,3,9
Deze symptomen treden vooral op met selectieve serotonine-heropnameremmers (SSRI’s) en serotonine-en-noradrenaline-heropnameremmers (SNRI’s), maar het kan ook met tricyclische antidepressiva (TCA’s) en andere voorkomen.

Onttrekkingsverschijnselen ontstaan meestal binnen een paar dagen na het stoppen of het verlagen van de dosis van een antidepressivum, en verdwijnen meestal volledig binnen de 1 à 3 dagen als het oorspronkelijke antidepressivum (of de vorige dosis) wordt hervat. Duren deze klachten toch nog langer dan 1 week, dan dient men eerder te denken aan een recidief van de depressie of angststoornis. Het onderscheid tussen een herval en onttrekkingsverschijnselen kan soms moeilijk zijn.

Risicofactoren voor het optreden van onttrekkingsverschijnselen zijn:
als de patiënt behandeld werd met hogere dosissen SSRI’s of SNRI’s om een therapeutisch effect te verkrijgen;
als deze al werden ervaren bij het onderbreken van de behandeling (bv. door therapie-ontrouw);
bij eerder mislukte stoppogingen.

Hoe gebeurt het geleidelijk afbouwen?

Het afbouwen van een antidepressivum kan nodig zijn, bijvoorbeeld op het einde van de behandeling van een depressieve periode. Afbouwen kan ook nodig zijn om het ene middel te vervangen door een ander als er ongewenste effecten zijn of onvoldoende effect is bij het gebruik van het eerste.
Een geleidelijke afbouw, gedurende minstens 2 à 4 weken, kan het optreden van ontrekkingsverschijnselen verminderen.
De afbouwmethode hangt af van of men het antidepressivum wil stoppen, de dosis verminderen of wil omschakelen.

1. Stoppen of verminderen van de dosis van het antidepressivum

Is volledig stoppen van het antidepressivum het doel, dan zijn de aanwezigheid van risicofactoren, het optreden en de ernst van onttrekkingsverschijnselen tijdens het afbouwproces de bepalende factoren.

Algemeen is het af te raden om als afbouwschema antidepressiva, in het bijzonder SSRI’s en SNRI’s, om de andere dag in te nemen (1 dag wel, 1 dag niet), omdat dit door hun korte halfwaardetijd overeenkomt met telkens abrupt stoppen, wat onttrekkingsverschijnselen kan veroorzaken. Fluoxetine met een lange halfwaardetijd vormt hierop een uitzondering.

Als er vooraf geen risicofactoren aanwezig zijn, zijn er meestal enkel lichte onttrekkingsverschijnselen te verwachten.

Men kan over een periode van 2 à 4 weken afbouwen door de dosis geleidelijk te verminderen. Dat gebeurt in eerste instantie door gedurende twee weken over te schakelen op de minimum aanbevolen dosis, en na twee weken die dosis te halveren. Deze halve dosis kan vervolgens na 4 weken gestopt worden.

Indien er toch te veel onttrekkingsverschijnselen zijn, kan de dosis teruggebracht worden naar de vorige dosis waarbij er geen klachten waren. Meestal verdwijnen deze dan binnen de 1 à 3 dagen, waarna men het antidepressivum trager afbouwt. Een uitzondering vormt fluoxetine dat een lange halfwaardetijd heeft, waardoor men van 20 mg naar 0 mg kan gaan zonder af te bouwen. Zit men boven de aanbevolen dagelijkse richtdosis, is het voor fluoxetine waarschijnlijk evenmin nodig om 2 tot 4 weken af te bouwen tot die dosis.

Als er vooraf wel risicofactoren aanwezig zijn, kan men sterkere onttrekkingsverschijnselen verwachten. Men bouwt dan altijd trager af. Ook hier dient men eerst over 2 tot 4 weken af te bouwen naar de dagelijks aanbevolen richtdosis van het antidepressivum. Nadien bouwt men per week geleidelijk verder af. Bij onttrekkingsverschijnselen kan men nog trager afbouwen.

Begeleiding door een arts en het ernstig nemen van de onttrekkingsverschijnselen zijn niet alleen belangrijk voor het slagen van de afbouw, maar ze verminderen ook de kans op herval. Bovendien draagt extra begeleiding met cognitieve of op mindfulness gebaseerde gedragstherapie hiertoe bij.

2. Omschakelen tussen antidepressiva

Er bestaan 4 methodes voor het omschakelen tussen antidepressiva:
De conservative switch bestaat uit het traag afbouwen (over 2 à 4 weken) van het te stoppen antidepressivum; hierna wacht men 5 keer de halfwaardetijd van dat middel (de wash-out periode genoemd) vooraleer men het nieuwe antidepressivum opstart. Dit kan minder efficiënt zijn, omdat het lang duurt en het nieuwe middel pas laat gestart kan worden.
Bij de moderate switch doet men het afbouwen sneller in ongeveer 2 dagen, waarna de wash-out periode en het opstarten van het nieuwe antidepressivum volgt.
Men kan het nieuwe middel ook reeds geleidelijk opstarten tijdens de geleidelijke afbouw van het eerste middel en zonder een wash-out periode (cross-taper switch)
Men kan abrupt omschakelen zonder af te bouwen of een wash-out periode te voorzien, mits er geen potentiële interacties zijn (direct switch).
De “cross-taper” en de “direct switch” worden beter opgevolgd door een psychiater, maar de “conservative” en “moderate switch” kunnen ook door de huisarts.

Drie zaken mag men niet vergeten:
Hoe sneller de omschakeling, hoe meer risico op onttrekkingsverschijnselen.
Elke omschakeling kan onttrekkingsverschijnselen geven.
Niet elk antidepressivum mag op hetzelfde moment gestart of afgebouwd worden, met andere woorden: cross-tapering is soms niet aangewezen.
Welke methode gevolgd wordt, is onder meer afhankelijk van het soort antidepressivum dat men neemt en welk antidepressivum men in de toekomst moet nemen. Het is altijd mogelijk dat het omschakelschema moet aangepast worden naar een tragere methode, afhankelijk van de patiënt, ziekte en/of ander medicatiegebruik op dat moment.

Elke omschakeling moet strikt opgevolgd worden door de huisarts en/of psychiater, en, indien mogelijk, samen met cognitieve of op mindfulness gebaseerde gedragstherapie.

Bron: www.gezondheid.be

Ecce homo

Ecce homo

Facebook – Roland Vromant – Vrijdag 13 september 2019

Tot de jaren zestig van vorige eeuw was nageslacht uitsluitend het gevolg van een natuurlijke ordening. De Kerk die zich graag als hemelse bemiddelaar op aarde opstelde, wilde bij deze ontwikkeling ook graag een duit in het zakje te doen. Pastoors gingen daarom, net als verkopers van stofzuigers langs bij pasgehuwde koppels om hen aan te sporen veel nieuwe parochiaantjes te produceren. Aldus hoopte men een dam op te werpen tegen heidenen en erger nog, tegen protestanten. God had strijders nodig om het voortbestaan van het ware geloof te verzekeren. Het resultaat van tweeduizend jaar bekeringsijver, veroveringen en inquisitie mocht niet te grabbel gegooid worden. Het was dus kweken geblazen voor de mensen van goede wil.

De godsvruchtige Vlaming deed met zijn eega wat van hem werd verwacht. Gedwee stond hij een zoon en een dochter af aan de clerus om negertjes te bekeren. Een andere zoon stuurde hij naar den troep. Hij realiseerde zich ook, dankzij de goede raad van de pastoor dat er gevaren loerden achter elke hoek en onder elk wiel. Vooral op een boerderij. Geplet worden door een tractor of vermorzeld in een dorsmachine was niet uitzonderlijk. Men kon beter op veilig spelen om de hoeve niet teloor te laten gaan en om de oude dag te verzekeren. Een mondje meer bood altijd extra zekerheid.
De gevestigde machten hadden allemaal belang bij deze door de Kerk geïnstigeerde kweek. De burgemeester was blij met de aangroei van onderdanen, de pastoor zag zijn hoogmis uitverkocht, terwijl het aantal recruten in het leger toenam.

In tegenstelling tot de buurlanden, was in België de scheiding tussen Kerk een Staat niet gedecreteerd. Dat maakte het wederzijds rugje krabben extra makkelijk. De burger had geen keuze, hij onderging noodgedwongen het traject dat voor hem en zijn kinderen werd bekokstoofd.

In het dorp waar ik woonde waren twee lagere scholen. Een meisjesschool en een jongensschool. Logisch en voor de hand liggend zou je kunnen denken. De jongensschool werd bestierd door de gemeentelijke overheid. De meisjesschool werd geleid door zusters. De nonnenschool had ook echter een kleuterafdeling. Iets wat de meesterschool ontbeerde. Dat betekende dat elk kind eerst in de leer moest bij religieuzen. En als men weet dat de synapsen van kinderhersentjes hoofdzakelijk in de eerste levensjaren worden gevormd, dan is het duidelijk dat deze regeling een pervers neveneffect met zich meebracht.

Elke kleuter kreeg vanaf zijn vierde levensjaar onverdund en dwingend de substantie van het Christendom mee, namelijk de mythe van Jezus, de zoon van God. Het kruisbeeld dat prominent in de klas hing, gold als intimidatie én bewijs van het drama dat zich had afgespeeld opdat wij, nu tweeduizend jaar later, verlost van de erfzonde zouden kunnen leven. Erkentelijkheid, schuldgevoel en vooral nederigheid was dus aangewezen. Het dogma van de heilige drievuldigheid was het volgende thema dat meermaals uitvoerig werd opgelepeld. Daarnaast werd het mantra “Goddevader ziet alles, weet alles en is overal” vanaf de eerste tot de laatste les ingepeperd. Het was dus geraden gehoorzaam te zijn.

Een kruisteken maken was het vast ritueel om de dag mee te beginnen. Dit gebaar zou ook levenslang de referentie zijn om links en rechts uit elkaar te houden. De gebeden, het Weesgegroetje en het Onze vader waren dagelijkse geheugenoefeningen.
Er werd de dreumesen ook op het hart gedrukt, met een vingertje in de lucht, dat de zondagsplicht heilig was, dat ze hoorden te vasten op gezette tijden en nooit vlees mochten eten op vrijdag. Wie op goede vrijdag durfde te nippen, of zelfs maar raken, aan salami zou wel eens ter plaatse doodgebliksemd kunnen worden. Bij elke maaltijd en ook bij het slapengaan, moesten ze met de handjes in elkaar geweven een gebedje opzeggen. Maar boven alles dienden ze kuisch te zijn. Wat dat precies inhield werd niet met veel woorden gezegd. Dat het een doodzonde was werd wel beklemtoond. Wie geen gevolg gaf aan deze injuncties wachtte het eeuwig vuur in de hel.

Als ze chocolade aten thuis, werden ze aangemaand hun pleziertje te delen. Niet de reep chocolade, wel het zilverpapier van de verpakking. Daartoe stond op de lessenaar van de zuster een beeldje van een zwarte man met een gleufje in de buik. Een intern mechanisme zette het hoofdje in beweging van zodra er een voorwerp in de opening werd gestopt. Het leek wel of het hoofd knikte uit dankbaarheid. Naastenliefde beloont was de boodschap.

Het jaar, of beter het leven, werd geordend door feestdagen, de katholieke uiteraard. Over 1 mei werd niet gesproken en 1 januari was slechts een akkefietje. Voor die religieuze festiviteiten werd de klas ingericht met ad hoc parafernalia, opdat elk kind zich steeds bewust zou zijn van de constellatie waarin ze zich bevonden.

Na de ochtendlijke goddelijke sessies kregen de kleuters een flesje melk van Nutricia. De meeste dronken chocomelk, de kinderen van groene ouders witte melk, nog anderen niets.

Na het kwartje speeltijd, was het tijd voor wat handwerk. Kindjes dienden niet alleen vroom te zijn, ze werden ook geboetseerd tot vlijtige zieltjes. Catalogi van het automerk Simca, geschonken door de lokale concessiehouder, werden door de ijverige peuters en kleuters tot pulp geprikt. Jongens en meisjes leerden punniken in alle kleuren en maten met een houten paddestoel waarin nageltjes waren geklopt. ’s Namiddags werden er afbeeldingen uit de bijbel gekleurd, geplakt en geknipt. De Goede pers uit Averbode was de leverancier van dit educatief gerief. Tijdens deze kinderlijke bedrijvigheden schreed de goedmoedige zuster Apollonia gestaag met ruisend zwart gewaad en smetteloos gesteven witte kap tussen de banken, nauwlettend wakend over de ontwikkeling van haar poulains.

Op vrijdagochtend kwam de pastoor of zijn kapelaan langs. God was dus geen verzinsel, want dit waren zijn vertegenwoordigers van vlees en bloed. Gehuld in een zwarte soutane met een eindeloze rij knopen, witte boord en zwarte bonnet leken zij op een strenge, naargeestige versie van Sinterklaas. Ieder kind moest op de trede voor het bord komen en kreeg desgevallend, op aanwijzen van zuster Apollonia een keurmerk opgespeld. Dat was een rood lintje met een veiligheidsspeld waaraan een goud- of een zilverkleurige ster hing. De meest godsvruchtige kwekelingen, doorgaans waren dat meisjes, kregen een gouden exemplaar. De sloebers van de bende slechts een zilveren plak. De kwajongens kregen niets. Deze haast militaire onderscheiding mocht mee naar huis worden genomen om aan de ouders te kunnen laten zien hoe voorbeeldig hun spruit wel was geweest op school. De kinderen die ’s middags thuis gingen eten leverden het pronkstuk ‘s namiddags terug in. Dat was bij de meesten het geval. De anderen mochten de onderscheiding per hoge uitzondering op maandag teruggeven.

Iedereen kwam te voet naar school, ook kleuters. Ouders hadden geen andere keuze dan hun jongste telgen alleen de straat op te sturen. Ongelukken gebeurden nu eenmaal, net zoals geboortes.

Op het einde van het schooljaar kregen de ukkepukkies die dit dagelijks parcours hadden overleefd een plastic autootje. Na drie jaar kleuterklas mochten de jongens naar de grote school, de meesterschool. De meisjes bleven in de nunnenschole.

Roland Vromant

https://www.facebook.com/notes/roland-vromant/een-school-zonder-god/768986026880190/?from_close_friend=1&notif_id=1569065077014501&notif_t=close_friend_activity