Wie zijn de echte brandstichters?

Wie zijn de echte brandstichters?

Als samenleving kijken we amper op van de brandstichting in Bilzen. De grens schuift elke dag op, merkt Victor Wouters.

Victor Wouters:
Wie? Student wijs­begeerte en rechten aan de KU Leuven.
Wat? De samen­leving is ruwer en extremer geworden, en daar hebben veel politici toe ­bijgedragen.

‘Let it burn man, vieze vuile bruine kippen, laat gewoon het hele nest afbranden’, klonk het zondagnacht in Bilzen (DS 12 november). Het gebouw waar vanaf midden december asielzoekers in afwachting van hun procedure hun intrek moesten ­nemen, werd er moedwillig in brand gestoken. Eind vorige maand was er al protest tegen de komst van het asielzoekerscentrum.

Een brand is een veelgebruikte metafoor voor situaties die uit de hand (dreigen te) lopen. Ook de Zwitserse auteur Max Frisch maakte op ingenieuze manier gebruik van die metafoor in zijn theaterstuk Biedermann und die Brandstifter uit 1953. Het stuk is relevanter dan ooit.

Herr Biedermann is een typisch bourgeois meneertje dat altijd recht in zijn schoenen meent te staan. Tot er plots een man voor zijn deur staat die hem om onderdak vraagt. Na wat gevlei laat Biedermann hem met ­tegenzin toe om op zolder te verblijven. De volgende dag heeft zijn logé plots een extra gast bij zich en slepen ze flessen benzine de trap op. De stad wordt al langer geteisterd door brand­stichters en Biedermann en zijn vrouw zijn bang dat zij het volgende slachtoffer zijn. Maar Herr Biedermann wil vriendelijk zijn en slaat de beschuldigingen van zijn vrouw af. Uit angst nodigt hij ze uit om samen te eten. Als ze vrienden worden, is er toch geen gevaar meer?

Nog later ziet Biedermann hoe de twee mannen in de weer zijn met een lont en houtwol. Zelfs wanneer de mannen hun gastheer rechtuit vertellen dat ze van plan zijn het huis in brand te steken, denkt hij dat ze zijn humor op de proef stellen. Als ‘teken van vertrouwen’ geeft hij de mannen zelfs een lucifer. Want het is toch ­allemaal een grapje, nee? Later in dezelfde scène staat het huis van de Biedermanns in lichterlaaie.
Frisch schreef een komisch stuk met een tragisch einde. Je ziet hoe Biedermann met open ogen in de val trapt. Kun je zelfs spreken van een val? De brandstichters zijn heel duidelijk over hun bedoelingen. Herr Biedermann is gewoon te angstig om ertegen in te gaan en denkt er beter aan te doen ze te helpen dan ze voor het hoofd te stoten. Hij organiseert zijn eigen ongeluk.

Fouten herhalen

Het Biedermann-drama is een les zonder er een te willen zijn. Het stuk kreeg niet voor niets als ondertitel ‘Lehrstücke ohne Lehre’. Frisch’ theater leert ons hoe we helemaal niets leren. We hervallen in onze fouten en gaan veel te snel mee in foute dingen.
We kijken als samenleving nauwelijks op van wat in Bilzen gebeurde. Het is een enge gedachte – zo’n daad wordt ook het slachtoffer van onze meer dan menselijke gewenning. Maar het gaat nog veel verder. Haat leeft overal in onze maatschappij. De online reacties liegen er niet om: veel mensen vinden het jammer dat het gebouw leeg was.

De naakte waarheid

Bepaalde politici menen steeds maar weer te moeten ‘zeggen wat de mensen denken’ en ‘zeggen wat niet gezegd mag worden’. Alsof ‘wat de mensen denken’ niet door die politici zelf gevormd zou zijn. Alsof we niet al twintig jaar aan het zeggen zijn ‘wat niet gezegd mag worden’. In de praktijk komt het erop neer dat we steeds extremer en ruwer spreken over elkaar. Verdraagzaamheid werd ‘naïviteit’, menselijkheid werd ‘volks­verraad’.

Veel politici doen in essentie hetzelfde als Biedermann. Hij helpt de brandstichters, tegenwerken vindt hij veel gevaarlijker. Hij gaat nog net niet zover dat hij zijn eigen huis in brand steekt, maar veel scheelt het niet.

Herkent u dat gevoel, dat er zoveel gebeurt in de wereld dat we het amper nog bij kunnen houden? Wie weet er nog wat er vorige week in het nieuws was? Weet u volgende week nog wat er in Bilzen gebeurd is en dat u dit stuk gelezen hebt? Wanneer we alles samen leggen en een stap terugzetten, wordt duidelijk dat de grens iedere dag opnieuw opschuift. Onder invloed van mensen met slechte bedoelingen schuiven we steeds verder op. Wanneer zeggen we stop? Wanneer schoppen we de brandstichters van onze zolder?

Op een gegeven moment zegt een van de brandstichters tegen Biedermann: ‘Een grap is de derde beste vermomming. De tweede beste: sentimentaliteit. Maar de beste en veiligste vermomming blijft nog steeds de naakte waarheid. Die gelooft niemand.’ Hoe zullen wij reageren als iemand ons de naakte waarheid vertelt? Max Frisch interpelleert met zijn Biedermann-drama ieder van ons.

Wie is er allemaal schuldig, wanneer de vlam in de pan slaat? Wacht ons hetzelfde lot als Biedermann, of worden wij wel op tijd wakker?

Victor Wouters
De Standaard – 13.11.2019

Een musje en een roodborstje (metafoor voor de asielcrisis)

Een musje en een roodborstje in de tuin, en genoeg eten voor iedere vogel. Maar toch voelt dat roodborstje de behoefte om de mus aan te vallen en te verjagen. Blijkbaar is niets menselijks hem of haar vreemd.

Een roodborstje is heel erg gesteld op het eigen territorium en kan serieus agressief uit de hoek komen.
Een mus is dan eerder bescheiden en tolerant, maar ook daardoor kwetsbaarder en toegeeflijker.
Hoe lossen we dat nu op voor die mus, want tegen overmacht hebben we weinig verweer?

Liefst van al zou ik dat musje nu binnen pakken, maar dat lukt mij niet. Maar misschien is het voedsel beter verspreiden over de ganse tuin geen slecht idee, zodat ieder vogeltje wel ergens een veilig plekje vindt om zijn of haar buikje te vullen.

Er zullen altijd musjes en roodborstjes zijn, maar ook mensen die naar oplossingen zoeken, zodat iedereen aan zijn en haar trekken kan komen, en we in een rechtvaardige wereld kunnen leven.

Hopelijk…

November Rain

When I look into your eyes
I can see a love restrained
But darlin’ when I hold you
Don’t you know I feel the same

Nothin’ lasts forever
And we both know hearts can change
And it’s hard to hold a candle
In the cold November rain

We’ve been through this such a long long time
Just tryin’ to kill the pain, oo yeah
But love is always coming and love is always going
And no one’s really sure who’s lettin’ go today
Walking away

If we could take the time
To lay it on the line
I could rest my head
Just knowin’ that you were mine
All mine
So if you want to love me
Then darlin’ don’t refrain
Or I’ll just end up walkin’
In the cold November rain

Do you need some time on your own
Do you need some time all alone
Everybody needs some time
On their own
Don’t you know you need some time all alone

I know it’s hard to keep an open heart
When even friends seem out to harm you
But if you could heal a broken heart
Wouldn’t time be out to charm you

Sometimes I need some time
On my own
Sometimes I need some time all alone
Everybody needs some time
On their own
Don’t you know you need some time all alone

And when your fears subside
And shadows still remain, oh yeah
I know that you can love me
When there’s no one left to blame
So never mind the darkness
We still can find a way
‘Cause nothin’ lasts forever
Even cold November rain

Don’t ya think that you need somebody
Don’t ya think that you need someone
Everybody needs somebody
You’re not the only one
You’re not the only one

Don’t ya think that you need somebody
Don’t ya think that you need someone
Everybody needs somebody
You’re not the only one
You’re not the only one

Don’t ya think that you need somebody
Don’t ya think that you need someone
Everybody needs somebody
You’re not the only one
You’re not the only one

Don’t ya think that you need somebody
Don’t ya think that you need someone
Everybody needs somebody

 

Laat me

Vroeger waren het onze ouders, familie, de kerk en onze omgeving die vertelden hoe we moesten leven.

Nu is dat vooral de media en de politiek. Om nog maar te zwijgen van de vele verenigingen die aan hun subsidies moeten geraken! Je wordt door hen overladen met “goede raad” en activiteiten die er vooral voor zorgen dat ze een reden van bestaan hebben.

Af en toe eens je vuile vinger opsteken en er eens hard mee lachen, leidt alles terug tot de juiste proporties en redelijkheid.

Ik heb geleefd

Ik heb gedoold,
maar ben nooit
verdwaald.

Ik heb bedrogen,
maar enkel
mezelf.

Ik ben fout geweest,
maar enkel
uit onwetendheid.

Ik heb geloofd,
maar ook
getwijfeld.

Ik heb gezorgd,
maar niet genoeg
voor mezelf.

Ik heb gezocht,
maar op de verkeerde
plaatsen.

Ik heb geleefd,
en vooral
veel geleerd.

Micheline Baetens – 07.11.2018

Als woorden ontbreken

Als woorden ontbreken om over een trauma te praten

Bron: Brainwash – Marion Uphoff

In Brainwash Talks van Human buigen journalisten, schrijvers, wetenschappers, theatermakers en filosofen zich over de grote persoonlijke en maatschappelijke vragen van nu. Deze keer schrijver Marion Uphoff over trauma en slachtofferschap.

Wie in het woordenboek op zoek gaat naar het lemma ’trauma’, vindt dat het een verstoring of een disruptie van weefsel betreft. Bij psychisch trauma is dat psychisch letsel aan het brein: een verstoring van het denken en het voelen. In de chirurgie is het een doorbreking van de continuïteit van het weefsel. Hele mooie en accurate beschrijvingen. Verstoring die meestal optreedt door ingrepen en invloeden van buitenaf. Toch hebben we het als we over trauma spreken vaak over bezit: iemand ‘heeft’ een trauma. Als je spreekt over trauma in termen van bezit, dan heb je geen aandacht meer voor het gegeven dat het onderdeel is van een systeem. Dat het net zo goed deel uitmaakt van de omgeving en de samenleving waar je in leeft, waar je in bestaat.

In De Metamorfose van Franz Kafka verandert Gregor Samsa op een ochtend in een groot en griezelig insect. Hij herkent zichzelf niet meer en sluit zich op in de slaapkamer. Zijn ouders willen eigenlijk liever niets meer met hem te maken hebben. Hij is als het ware onherstelbaar veranderd. We komen maar weinig over hem te weten als we niet tegelijk kijken naar het weefsel om hem heen. Zijn relaties, met zijn ouders, met zijn werkgever, met zijn zusje. Je zou kunnen zeggen dat in Gregor Samsa een verstoring, een disfunctie van de omgeving en de samenleving wordt uitgedrukt. Hij bewaart binnen zijn skelet het taboe van de samenleving. En we hebben de neiging met elkaar om dat op afstand te drukken en niet toe te laten. Dat betekent dat iemand met een trauma rondloopt alsof hij een paria is, een uitgestotene. Met een vuilniszak, zo heb ik het weleens omschreven, waarin allerlei ongewenste artikelen zitten. En wat kan je doen? Je kunt niet zomaar bij iedereen die vuilniszak neerzetten.

In Vloedgolf schrijft Sonali Deraniyagala over de tsunami bij Sri Lanka uit 2004. Met die vloedgolf verliest ze haar man, haar kinderen, haar ouders. Tien jaar later verwerkt ze dit enorme trauma, deze verschrikking, in een prachtig boek. Ze beschrijft hoe ze op een avond in een bar zit – het leven is weer enigszins mogelijk voor haar, ze bestaat weer, ze kan weer lachen en plezier hebben – en ze raakt in gesprek met iemand die ze heel aardig vindt. Ze wisselen wat beleefdheden uit. De man vertelt over zijn leven en wie hij is. En dan vraagt hij haar over haar leven en wie zij is. Dan zegt ze dat het haar onmogelijk is om te praten: ze kan toch niet met zo’n enorme bom aan komen, het gesprek volledig lam leggen en verstoren met datgene wat haar is overkomen? Haar trauma scheidt haar als het ware van alle andere mensen om haar heen. Ze voelt zich verbannen uit de menselijkheid. Dat is één van de gevolgen van slachtoffer zijn, van een trauma hebben. Dat je het gevoel hebt dat je met je verhaal geen deel meer uitmaakt van de gewone, normale mensenwereld.

In 2004, hetzelfde jaar dat dat boek verscheen, was ik zelf een tijd in Srebrenica. Het Nederlandse bataljon Dutchbat was in 1995 aanwezig bij de val van de moslimenclave. Srebrenica moest een veilige haven zijn, maar dat is niet waargemaakt. Er heeft de grootste massamoord in Europa na de Tweede Wereldoorlog plaatsgevonden. Achtduizend mannen en jongens zijn daar toen vermoord, hun moeders en zussen zijn achtergebleven. Ik merkte toen ik daar was dat ik op geen enkele manier met die vrouwen durfde te praten. Ik wilde wel met ze praten, maar ik had het idee dat hun verhaal ze bijna tot buitenaardse wezens maakte. Dat er een onoverbrugbare kloof tussen deze vrouwen en mij was. Een kloof die heel moeilijk in taal is te overbruggen.

Er is ook iets anders. Wat vaak gebeurt in het omgaan met trauma en daar een gemeenschappelijk verhaal van proberen te maken, is dat je juist wordt teruggedrongen in je rol van slachtoffer. Er vindt geen ontzag plaats, maar een beperking van je zijn, van je individualiteit. Een mooi voorbeeld van wat er dan kan gebeuren, vinden we in het verhaal De schapen met de blote billen van de Japanse schrijver Kenzaburō Ōe. We bevinden ons in een bus, die vol zit met passagiers. Een groep militairen dringt de bus binnen en dwingt de helft van de passagiers om zich tot op de blote billen uit te kleden. En als schapen – op handen en voeten, neus aan achterwerk – in de bus te gaan zitten. De andere rij passagiers hoeft dat niet te doen en mag de kleding aanhouden. Het wordt een tamelijk helse rit. Die eindigt uiteindelijk. De militairen verlaten de bus weer.

Toch is de wereld in de bus voorgoed veranderd. Eén van de geklede passagiers – een leraar – begint een van de schapen door alle straten van de stad te achtervolgen. En zegt dat dit schaap iets verschrikkelijks heeft doorgemaakt en dat hij daarover moet vertellen. Dat hij zijn verhaal moet houden, dat hij aangifte moet doen. In het verhaal probeert het arme schaap te ontsnappen, wil niet meer herinnerd worden aan wat hij heeft meegemaakt. Maar ontsnappen is bijna niet mogelijk. Dat is iets wat vaak gebeurt. Als we het hebben over trauma en ergens slachtoffer van geweest zijn. Dat je voelt dat je teruggedrongen wordt en beperkt tot die ene identiteit.

Dat gebeurt ook in de taal, we spreken over daders en slachtoffers. We drukken daarmee de mens die iets ernstigs heeft meegemaakt uit onze eigen wereld een andere wereld in. Waarin die tot in lengte van dagen gedwongen is zich te verhouden tot een bijna asymmetrische wereld. Want wat is het gevolg? Wij zeggen: het is jouw bezit, jouw ellende. ‘Wij waren daar niet bij.’ ‘Wij maakten die oorlog niet mee.’ ‘Wij waren niet bij dat misbruik.’ ‘Neem je verhaal maar, dat akelige verhaal, waar wij geen zin in hebben, waar wij niet op willen lijken en breng het maar terug naar de bron.’ En die bron, de daders, diegenen die ervoor hebben gezorgd dat de disruptie van het weefsel de continuïteit is doorbroken, die onttrekken zich vaak aan iedere verantwoordelijkheid.

Of ze zijn dood, of ze zijn weg, of ze erkennen de asymmetrische relatie en machtsverhoudingen niet. En dan is het slachtoffer in feite stateloos: hij heeft geen land en geen plek meer om te zijn, en geen taal meer om te kunnen spreken.

Waar ik als schrijver moeite voor doe is om te kijken: kunnen we dat verhaal van vertelling uit de eenzijdige dader-slachtoffer-verhoudingen trekken, en de mens met een trauma gewoon weer zien als een mens met een trauma? Niet meer, niet minder. Gewoon een wezen dat net als iedereen tot de groep van mensen behoort, en daar een plek in hoort te krijgen zodat de verbanning wordt opgeheven.

Wat je ook overkomt

Wat je ook overkomt,
weiger
slachtoffer te zijn,
maar aanklager,
niet degene die
aangewezen wordt,
maar zelf
met de vinger wijst,
niet degene
die schuilt
maar blootlegt.

Veeg de angst
en de tranen
uit je ogen
en beschuldig.

Micheline Baetens – 19.06.2018

 

De onmogelijkheid van katten

De onmogelijkheid van katten



Tweewekelijks huivert schrijfster Evelien De Vlieger over de huis-tuin-en-keukendieren in haar directe omgeving.

De Standaard – 27.10.2019

De mens kreeg in Genesis de taak om al het gedierte aan zijn macht te onderwerpen. Dat lijkt aardig gelukt, met één pijnlijke uitzondering die de hele mensheid te kijk zet: katten. Onze buurt stikt ervan, in de tuin paraderen de ruigste exemplaren, een rosse met afgehakte staart, een spierwitte die je spookachtig aanstaart, een uitdijende kater als een zwart gat waaraan niets eetbaars kan ontsnappen. Weinig aaibaars komt voorbij.

Dat aaien heb ik niet in de genen steken. Vroeger dacht ik dat elke kat erop uit was mijn vel open te klauwen, ik, hulpeloos vogeljong. In Jonathan Franzens Vrijheid smulde ik van de passages waarin het hoofdpersonage tekeergaat over katten, ‘de sociopaten van de dierenwereld’. We noemen ze huisdieren, maar het blijven solitaire jagers met een zware ecologische voetafdruk (vooral door het vlees in kattenvoer). En je mag niet stilstaan bij wat ze allemaal aan schurftigs huisvesten in hun vacht.

Toch lopen er ook in ons huis twee katten: een speelse tijger en een elegante zwart-witte. Die laatste is een kat-kat die buiten alle gezag staat. Behalve als haar etensbak te lang leeg blijft, of als ze jeuk heeft op een plek waar ze zelf niet bij kan, dan komt ze kopjes geven. Dat ze dan feromonen over je been uitwrijft om te bevestigen dat jij voorlopig in je eigen huis mag blijven wonen, wil je niet weten. Ach, denk je. Kom dan, poesjelief.

Van zodra je katten in huis neemt, gebeurt er iets onmogelijks. Je onderwerpt je vrijwillig aan een roofdier dat vogels uit de lucht maait. Het kan niet, en toch is het zo: je bent in de ban van, je houdt van, je bent gek op een volstrekt onverschillig geheel van 250 botten, dertig tanden en oren die een draai van 180 graden kunnen maken. En het compleet gestoorde is: je sluit je daarmee aan in een lange rij voorgangers – restanten van de oudste huiskat dateren van 9.500 jaar geleden. Na een trouwe dienst als muizenvangers, moeten ze nu veeleer onze eenzaamheid opheffen. Franzen vergelijkt de kattenidolatrie met hoe ongelukkige landjes hun militairen adoreren. We klampen ons met z’n allen vast aan een killer en vangen er likes mee op Instagram.

En toch. Mijn huis is niet mijn huis, mijn kinderen zijn niet mijn kinderen. Maar de aanwezigheid van de katten maakt dat mijn huis toch meer als mijn huis, en mijn kinderen meer als mijn kinderen aanvoelen. Het is vast niet hun bedoeling, maar katten verbinden. Ze naaien je, maar ze naaien je ook aan de grond. Als we met z’n allen buiten zitten, komen ze hun pluizige buiken showen. Ze laten elk haartje afzonderlijk knipogen naar ons, hun aanbidders. Omdat ze altijd lijken te glimlachen – pure fysionomie – blijven wij naar hen kijken; waar elders wordt er zo met bemoedigende lachjes gestrooid? ‘Wat een schoonheden zijn het tegenover die affreuze buurtkatten’, zeggen we. We voelen het gelukshormoon stromen als we aan elkaars voeten liggen, zij aan de onze maar vooral wij aan de hunne. We blijven praten, maar in feite gaan we naast hen in het gras liggen, murw van vertedering. Intussen gaan zij binnen de gordijnen onder plassen, maar dat zien we niet, we rollen op onze rug en strekken ons uit naar de zon.

Evelien De Vlieger

Huidhonger

Touché

Tastzin is het eerste zintuig dat we ontwikkelen en de huid is ons grootste orgaan, en toch raken we elkaar in het Westen nog amper aan. Experiment: een maand lang alle aanrakingen turven en er tegelijk proberen beter in te worden.

De Standaard – Ann-Sofie Dekeyer – 27.10.2019

Ik heb behoefte aan lijfelijk contact. Huidhonger, heet het. Als er een woord voor bestaat, moeten nog meer mensen ermee te kampen hebben. Toch voel ik me te beroerd om mijn nood uit te spreken. Ik heb al dagenlang geen mens meer aangeraakt. Maar ik kan toch niet op straat gaan staan met een bordje: Pak mij eens vast, a.u.b.? Dat zou pas treurnis zijn. Ook tegenover mijn vrienden ben ik te stoer (of wellicht te beschroomd) om hun hand of schouder te vragen. Ik wil niet zielig overkomen.

Dus rijd ik naar een bevriend koppel dat 75 kilometer verder woont voor een knuffel. Van hen weet ik dat ik het nooit hoef te vragen. Het zit in hun wel­komst­pakket. Hij doet de deur open. ­Onze armen gaan open. Eerst een kus op de wang en dan borst tegen boezem, hoofden naast elkaar. Een innige omhelzing. Zij volgt, even innig. Ik neem haar lichaam als houvast. Haar streling als troost.

Zij zal mij tijdens mijn bezoek nog enkele keren aanraken. Een knuffel. Een hand op mijn rug. En ik zal mijn emoties terugvinden. Huilen en lachen. En de twee tegelijk. Ik praat veel opener bij fysiek contact, als ­iemand mijn omwalling weg aait.

Toen mijn ex nog niet mijn ex was, kon ze me altijd meteen kalmeren. Ik hoefde mijn hoofd maar tegen haar borsten te leggen. De zachtheid en warmte van haar huid, haar kloppende hart tegen mijn wang brachten geborgenheid. Een waan van veiligheid waarin ik me graag wentelde. Sinds ­onze relatie spaak is gelopen, moet ik op zoek naar nieuwe lichamelijke gewoontes.

De aanwezigheid van mensen om me heen is niet iets wat ik enkel wil zien en ­horen. Ik wil het ook voelen. Niet dat ik een plakkerig, klef type ben. Ik zou mezelf eerder als gereserveerd omschrijven – in prille kennismakingen. Maar ik kan niet om mijn nood aan affectie heen. Alleen: waar haal je die als single?

Een maand lang houd ik een logboek bij van de aanrakingen die ik krijg.

Knuffel voor tv

Ik wil mijn vader bedanken. Ik probeer hem te knuffelen. Hij blijft star voor de tv staan, houdt zijn handen in zijn zakken. Onbeholpen blijven we even samen kijken naar de wielrenners in de regen. We zijn dit niet (meer) gewoon.

Dit is de man die urenlang met mij als kind in zijn armen rondjes rond de tafel liep wanneer ik huilde, die ontelbare keren zacht met zijn duim over mijn neus gleed omdat ik daar rustig van werd, die me instopte en met zijn wrijvende vingers boven mijn ogen het zandmannetje imiteerde.

Waar ik vandaan kom, word je als klein kind geaaid, geknuffeld, lieflijk in de armen genomen. Maar vanaf een jaar of acht – de grens is arbitrair en flou – slaat het ongemak toe. Weten ze ineens niet meer hoe ­fysieke affectie te tonen aan grotere kinderen, tieners, laat staan volwassenen (die niet hun partner zijn). Plots zijn aanrakingen verdacht. Of enkel gepast bij dramatische gebeurtenissen. Zie je volwassenen knuffelen, kun je ervan op aan dat er een dode is ­gevallen.

Latex

Ze reikt haar hand, maar maakt geen oogcontact. We schudden kort maar gedecideerd aan elkaars arm. Ze stelt wat vragen en gebiedt me mijn kleren uit te trekken. Ik spreid mijn benen op haar bevel. Zij heeft intussen een soort mijnwerkerslamp op haar hoofd gezet. Een fractie van een seconde strijkt haar linkerhand tegen mijn rechterdij. Ik voel haar huid niet, ze heeft blauwe latex handschoenen aangetrokken. Ze is erop getraind dit met zo min mogelijk aanrakingen te doen. Ik word vanbinnen aangeraakt door een voorwerp. De dokter veegt met een borsteltje wat cellen van mijn baarmoederhals weg. Cervix, zegt ze. Afstandelijker kan een intieme aanraking niet zijn.

Deze aanraking is betaald door de Vlaamse overheid, in het kader van het Bevolkingsonderzoek Baarmoederhalskanker.

Date

Ik ga voor het eerst iets drinken met een date. We zitten naast elkaar, haar arm raakt mijn arm. Ik vraag me af of ze het bewust deed. Wanneer ze nog een drankje gaat bestellen, legt ze even haar hand op mijn onderrug. Ik weet dat het goed zit.

We breien er een diner aan. Wanneer we op straat lopen, raken onze handen ­elkaar eventjes. Niet bedoeld, maar we trekken niet weg. Aan tafel kijken we elkaar lang in de ogen. Ze streelt met haar vinger over mijn neus. Later op de avond zoenen we. Lippen. Een gretige haal van haar tong. Ze drukt haar hand op mijn keel wanneer ze me nog eens zoent. Mijn hoofd vindt het geil, maar ik voel het niet in mijn kruis. Ik blijf slapen, in de logeerkamer. De volgende ochtend sta ik behaloos op haar dakterras. Er staat een briesje. Onverwachts knijpt ze in mijn tepels. Veeleer plagend, dan erotisch.

We zoenen, maar onze lippen blijven gesloten. Ik weet dat het niet goed zit. Ik zoen haar nog eens in de hoop iets te voelen. Het komt niet. Een wederzijds gebrek aan aantrekking. Het is pijnlijk iemand te kussen en te voelen dat je elkaar niet echt wilt. Later die dag hoor ik op de radio dat monniks­gieren elkaar graag moeten zien om te kunnen copuleren.

Ik val die avond – zoals zoveel avonden – in slaap met mijn linkerhand op mijn rechterschouder, mijn rechterhand aan mijn hals. Alsof ik mezelf omhels.

Misverstand

Ik kus mijn zus wanneer ik haar zie. We doen dat zelden, en zij zal het nooit initiëren. Ik weet niet of ze zich er wel comfor­tabel bij voelt, maar ik vind het belangrijk om mijn nabijheid uit te drukken. Diezelfde dag omhels ik mijn moeder, daar zijn we enkele jaren geleden mee begonnen, toen ik steeds minder naar het ouderlijke huis kwam. Het helpt om elkaar aan te halen.

In de dagen die volgen, klopt een vriend op mijn schouder. En deel ik aan kennissen weinig betekenende kussen uit. Kussen die geen kussen zijn. Getuite lippen in de lucht, alleen de wangen raken elkaar even.

Ik logeer bij een vriend en zijn vrouw. In het begin van onze vriendschap kuste ik hem en haar ter begroeting. Ergens onderweg zijn we ermee opgehouden. Ik ga ervan uit dat zij niet graag door mij aangeraakt worden. Misschien denken zij hetzelfde van mij. Om misverstanden te voorkomen, zoeken we geen fysieke toenadering meer. (Al kan dat ook een misverstand zijn.)

Wanneer ik wakker word, likt een grote tong mijn gezicht af. Het is een niet te vermijden aanraking. Wel gezellig. De hond springt op me. Zijn poot in mijn gezicht doet wat pijn, maar dat deert me niet. Er is een levend wezen dat me enthousiast aanraakt zonder dat het gecompliceerd is. Als hij er genoeg van heeft, keert hij me de kont toe. Duidelijk.

Een collega (en vriendin) komt me een kus op mijn hoofd geven. Een opmerkelijke gebeurtenis, op de werkvloer word ik haast nooit aangeraakt. Ik glimlach, terwijl ik me afvraag of mijn haar niet vet is. Het is een lief gebaar, al voelt het geforceerd. Zelf wil ik haar buiten de redactie weleens vast­pakken, maar ik durf niet. Ze straalt iets ongenaakbaars uit. Al weet ik dat ze dat niet is.

Tinder

Ik lees over psycholoog Harry Harlow, die babyaapjes opsloot in een kooi met twee ‘surrogaatmoeders’. De ene vervaardigd uit metaaldraad, de andere uit zachte doek. De metalen moeder had een fles melk, de andere niet. Toch hingen de aapjes aan de moeder uit badstof wanneer ze angstig ­waren. Zelfs als ze daardoor uitdroogden en stierven van de honger.

In het Roemenië van Nicolae Ceausescu groeiden duizenden kinderen op in weeshuizen waar onvoldoende personeel was om hen affectie te geven, bovendien werden aanrakingen afgeraden om geen ziekte­kiemen over te dragen. De gevolgen waren legio: op intellectueel, emotioneel, sociaal en fysiek vlak vertoonden de kinderen grote achterstand.

Er zijn weinig redenen om aan te nemen dat volwassenen minder behoefte hebben aan lijfelijk contact dan kinderen. ‘De behoefte is ingeschreven in onze biologie. Toch daalt in westerse landen het aantal aanrakingen naarmate men ouder wordt’, vertelt Mandy Tjew-A-Sin, die aan de Vrije Universiteit Amsterdam haar doctoraats­onderzoek naar aanraking afrondt.

Niet alleen is tast het eerste zintuig dat we ontwikkelen als foetus, onze huid is ook ons grootste orgaan. ‘En wanneer die huid op zachte, strelende manier wordt aangeraakt, worden allerlei hersengebieden geactiveerd en komt oxytocine vrij. Daardoor ­dalen onze hartslag en bloeddruk. Het verzacht zelfs pijn. Bij de juiste omhelzing daalt ons cortisolniveau, waardoor we ons minder gespannen voelen. Zo biedt knuffelen een buffer tegen stress en verhoogt het onze weerbaarheid tijdens onaangename gebeurtenissen. De voorwaarde is wel dat de aanraking veilig voelt en van een persoon komt die je vertrouwt. Context is alles.’

Er gaan verschillende dagen voorbij zonder menselijke aanraking. Ik wrijf over gezichten op het scherm van mijn telefoon. Honderden passeren er onder mijn naar links swipende vinger. Geen liefkozende aai.

Er zijn dagen dat ik zoveel behoefte heb om iemand te voelen dat ik mijn normen neig te verlagen.

En er is een dag dat ik denk: ik zou iedereen kussen die mij nu wil kussen. Alleen maar om te voelen dat ik besta. Als een ­ander levend wezen me aanraakt, en ik voel dat, dan leef ik ook. Niemand bestaat die niet iemand anders aanraakt. Ik voel een enorme holte in mijn lijf, een zware, zwarte leegte.

Wanneer ik die avond buitenkom, herzie ik mijn mening snel. Ik wil heus niet door eender wie aangeraakt worden. Ik ga naar het theater, vlij me in het pluche. Links van me zit een man die in de donkere zaal zijn arm tegen die van mij legt op de te smalle stoelleuning. Hij laat zijn knieën wijd open­vallen, tegen mijn been. Ik erger me aan zijn aanrakingen. Ik weet niet of hij het intentioneel doet. En zo ja, wat zijn bedoeling dan wel is. Mij wegduwen of aanhalen?

Soms is aanraken intimiderend. Soms is aangeraakt worden intimiderend.

Knuffelworkshop

In mijn zoektocht ga ik een experiment aan. Ik schrijf me in voor een knuffelworkshop. Met een kleine twintig andere mensen kom ik in een woonkamer op een vloer vol dekens terecht. Geen van hen heb ik ooit eerder gezien. We ondertekenen de spel­regels, onder meer: ‘Kleding blijft de hele tijd aan. Niet zoenen, geen handen onder kleding, geen gerichte genitale aanrakingen. Je bent nooit verplicht om iemand te knuffelen. Je vraagt altijd toestemming voor je iemand aanraakt.’

Piero Flor begeleidt en bouwt de oefeningen gestaag op. Hij vraagt wat we verwachten van de avond. Een man antwoordt dat hij verbinding wil maken met onbekenden. Ik denk dat ik hier vooral ben om verbinding te maken met mezelf.

Speciaal aan deze sessie is dat ze grotendeels geblinddoekt gebeurt. In de eerste een-op-eenoefening vraagt een man me waar en hoe ik door hem aangeraakt wil worden. Ik vind het een moeilijke vraag. En tegelijk vind ik het vreemd dat niemand mij die vraag ooit eerder gesteld heeft (buiten een seksuele context).

Ik eindig met mijn hoofd in de schoot van een vrouw. Ik streel een andere vrouw op haar vraag (‘Stevig maar traag, alstublieft’) over haar rug. Iemand neemt mijn hand vast met zijn beide voeten. Een man vraagt me hoe ik hem wil aanraken voor mijn eigen plezier of genot. Ik kroel drie minuten lang in zijn baard en betast zijn gezicht. Een grote man vraagt of ik hem een knuffel wil geven, ik aan de buitenkant, hij aan de binnenkant (‘Ik ben bij mijn vriendin altijd degene die beschermt, nooit degene die beschermd wordt’). Ik sla mijn armen om hem heen. Het is zeker niet onaangenaam.

Het fijne aan deze avond is dat je voelt dat een ander je met veel aandacht benadert. De aanrakingen zijn attent, zorgvuldig, misschien wel zorgend. Niets gebeurt onachtzaam of respectloos. Toch is het voor mij niet zo bevredigend. (Voor anderen blijkbaar wel, er zijn een paar habitués.) Ik merk dat ik een knuffel van een onbekende die voor deze sessie ook 25 euro heeft betaald, minder betekenisvol vind dan een aanraking van iemand die dicht bij me staat. Ik slaag er ook niet in helemaal te ontspannen.

Vreemd genoeg lukt me dat nog het best aan het eind van de sessie. Er ontstaat een menselijke vleeshoop in het midden van de kamer. Op de tast zoeken we naar een ander. Ik heb geen idee meer wie me waar aanraakt, met hoeveel ze zijn en wie ik zelf aanraak. Het doet er even ook niet toe, alles is warm en zacht.

Na 2,5 uur intimiteit met vreemden sta ik weer buiten. Alleen. En dat is even goed zo. Ik ga slapen. Het bed is koud.

Begrafenis

De moeder van een vriend is gestorven. De begrafenisondernemer maant me aan voor de dienst de familie te groeten. Ik neem mijn vriend stevig vast. We zuchten in elkaars oor. Zijn zus geef ik één kus. Zij had er meer van verwacht. Twee of drie. Een onhandig moment.

Tijdens de koffietafel wordt een drie­jarige doorgegeven onder volwassenen. Iedereen wil het jongetje aanraken, als was het een speelgoedknuffel. Ze trekken zich op aan zijn speelse bewegingen. Het belandt ook op mijn schoot. Hij legt zijn plakkerige handjes op mijn gezicht. Kijkt mij in de ogen en lacht. Ik ben hem dankbaar. Het is zoveel makkelijker met hem dan met die ­onwennige volwassenen.

Ik bel Carole Verbeeck, ze is lichaamswerker. Ze focust voornamelijk op lichaamsgerichte seksuologische begeleiding, maar geeft ook workshops onder de titel Touch, de kunst van aanraking. ‘Aanraking is voor velen complex geworden. Knuffelen, we zijn er niet goed in. We weten niet meer hoe het moet. Vaak overseksualiseren we aanraking. Alsof een knuffel altijd in bed moet uit­monden. Tegelijk durven we elkaar niet meer aan te raken uit angst dat het als ongepast zou worden ervaren. Onze samenleving lijdt onder een gebrek aan aanraking.’

Schandalen met pedoseksuele priesters en dito leraars, veel te vrijpostige handen en andere lichaamsdelen in Hollywood en op andere werkvloeren hebben ons in een kramp doen schieten. ‘Een gezonde voorzichtigheid is nodig, maar aanraking vermijden is niet de goede weg. We moeten uit­zoeken hoe we aanraken weer veilig en vertrouwd kunnen maken.’

Ze juicht toe dat steeds meer psychologen en psychotherapeuten zich bijscholen in ­lichaamsgericht werk. Verbeeck gelooft sterk in de helende werking van aanraking, maar in de zorgsector blijft de professionele afstand heilig. Al komt er stilaan ook steun uit de klassieke, academische hoek. Zo schrijft klinisch psycholoog Paul Verhaeghe in zijn boek Intimiteit dat we willen vastgehouden worden om ons opnieuw beter in ons vel te voelen. ‘Patiënten die vol emoties zitten maar niet kunnen spreken, raad ik eerst ­massages aan’, zei hij in een interview in De Morgen.

We worden er overigens niet alleen mentaal gezonder van. Aan de universiteit van ­Carnegie Mellon haalden ze het griepvirus boven om het gunstige effect van fysiek contact te testen. Proefpersonen die vaak werden geknuffeld, bleken beter bestand toen ze het virus ingespoten kregen dan de minder aangeraakte testgroep.

Tjew-A-Sin benadrukt dat aanrakingen ook een belangrijke impact hebben op ons sociale leven. ‘Oxytocine wordt behalve het knuffelhormoon ook het verbindings­hormoon genoemd. Het maakt dat we ons verbonden voelen met een ander. Een liefdevolle aanraking verhoogt ons gevoel van veiligheid.’ We geven onszelf ook bloot via onze huid. Tjew-A-Sin haalt een onderzoek aan waarbij mensen elkaar niet zagen, maar vanachter een gordijn voelden. ‘Het enige contact was het aanraken van de arm. Toch konden ze bij elkaar emoties als verdriet, dankbaarheid, afkeer en boosheid “aflezen” en onderscheiden.’

Zelfs vluchtig fysiek contact kan een impact hebben op ons emotionele en sociale gedrag. Aanraking zou mensen aanzetten om te delen. April Cusco’s experiment in Amerikaanse restaurants wees uit dat mensen meer fooi geven wanneer ze door de serveuse kort worden aangeraakt aan de schouder of hand. Helemaal opmerkelijk is een studie bij NBA-spelers. Het aantal high fives, groepsknuffels en schouderklopjes die ze elkaar aan het begin van het seizoen gaven, bleek het aantal wedstrijden dat ze wonnen significant te verhogen. Fysieke aanraking bevordert het samenwerken.

Tjew-A-Sin betreurt dat (platonische) aanraking tussen mensen ‘een schaars goed’ wordt. ‘Door de eeuwen heen hebben we verschillende vormen van intermenselijke aanrakingen verloren. Door veranderende culturele waarden en nieuwe technologie. Doordat we aanraking meer als ongepast of invasief zijn gaan beschouwen. In het Europa van de middeleeuwen was het niet ongewoon dat de adelstand het bed deelde met het huispersoneel tijdens koude winternachten, om elkaars voeten warm te houden. Zoiets is vandaag ondenkbaar.’

Carole Verbeeck vertelt dat we aanraking vooral zijn gaan associëren met koppel­gedrag. ‘Fysieke intimiteit is iets exclusiefs geworden. Dat is heel beperkend. Je moet al een partner hebben om het te ervaren.’

Vertel mij wat.

Ann-Sofie Dekeyer

Lepeltje, lepeltje

Ik wil niet langer
een leeg lepeltje zijn
maar ’s avonds
lepeltje, lepeltje
inslapen met jou
en ’s morgens
je warme buik voelen
en dan weten
dat die dag
mij niets
kan gebeuren.

Micheline Baetens – 15.07.2018

Vijftig tinten kater

Zijn kussen zijn ruw,
Zijn lichaam is fel behaard
En hij neemt het niet zo nauw
Met hygiëne en dieet,
Maar hij is lief en zacht.

Vanmorgen nog
Strekte hij zijn poot naar mij uit
En boorden zijn nagels
Zich langzaam in mijn huid…

Micheline Baetens – 28 januari 2015

Verbonden met de natuur

We zijn vergeten dat we altijd verbonden zijn met de natuur

Brainwash – Gary Ferguson en Mary Clare

Gary Ferguson schreef meer dan twintig boeken over ecologie en over zijn jarenlange ervaringen in de wildernis. Samen met zijn vrouw, psycholoog Mary Clare, roept hij mensen op onszelf niet langer als middelpunt van de aarde te zien: ‘We staan in constante interactie met onze omgeving.’

Hoe zag het landschap van uw jeugd eruit?

Ferguson: ‘Ik groeide op tussen de zware industrie van Midwest Amerika. Soms stonden de rivieren in brand omdat er zoveel olie op lag. Toen besefte ik: als we niet snel veranderen zullen we van deze aarde verdwijnen.’

Wat vindt u zo aantrekkelijk aan de wildernis?

Ferguson: ‘Het is de schoonheid, de gemeenschap van mensen die in de natuur leven en het mysterie. Allemaal aspecten die zo makkelijk vergeten worden in ons drukke dagelijks leven. Ik groeide op in een stressvolle gezinssituatie. Naar buiten gaan was voor mij een redding. Zelfs in de kleine stukjes natuur tussen de fabrieken voelde ik me verbazingwekkend thuis. Dat eerste thuisgevoel in de natuur als 11-jarige, nam alleen maar toe naarmate ik me meer landschappen eigen maakte.’

Clare: ‘Als ik therapeuten opleid vraag ik hen altijd naar de landschappen van hun leven, omdat het bepalend is voor wie we zijn. Dat kunnen ook cityscapes zijn, als je in de stad opgroeide. We zijn altijd verbonden met onze omgeving, maar op de een of andere manier zijn mensen gaan denken dat er een scheiding is tussen ons en het landschap om ons heen.’

Waar is dat misgegaan?

Clare: ‘Al onze voorouders leefden in volledig verbonden werelden. Met de komst van de landbouw zijn we begonnen het landschap te domineren en verloren we uiteindelijk de connectie.’

Ferguson: ‘De scheiding tussen onszelf en de natuur is ook te danken aan het subject-object denken dat zo diepgeworteld is in onze cultuur. Dat begon met de Grieken en werd voortgezet door Descartes. Hij geloofde dat je de essentie van de dingen alleen kunt kennen als je jezelf los ziet van welke relatie dan ook. Jij bent altijd de toeschouwer en dat wat je onderzoekt is het object. Het is een bruikbare manier van denken waar we nog altijd de vruchten van plukken, maar het is ook een soort religie geworden die weinig ruimte laat voor de relationele wereld waarin we leven.’

Clare: ‘Om je te kunnen ontwikkelen moet je als kind leren dat je onderscheiden bent van andere objecten. Het probleem is dat we daar zijn blijven hangen. We hebben economische en politieke systemen opgezet allemaal gebaseerd op het idee dat we alles om ons heen kunnen controleren.’

Ferguson: ‘We hebben niet eens meer door dat we zo denken, maar de klimaatverandering zou daar wel eens verandering in kunnen brengen.’

Clare: ‘Het gaat erom het verhaal te herschrijven waarin we onszelf wijsmaken wat het betekent om mens te zijn. We moeten ons realiseren dat we echt afhankelijk van onze omgeving zijn en andersom. En dat voelt best eng voor sommige mensen, omdat het ook betekent dat we ons leven minder makkelijk kunnen voorspellen en controleren dan we dachten. Maar wie niet meedoet zal de dansvloer gauw moeten verlaten.’

Wat kunnen we leren van de natuur?

Ferguson: ‘We kunnen bijvoorbeeld veel leren over hoe we onze angsten voor het vreemde kunnen overwinnen. Ik heb vaak in mijn eentje ’s nachts geslapen op plekken waar grizzlyberen waren. Dat waren echte oefeningen in angst, maar ik heb in al die jaren ontdekt dat de natuur ons gunstig gezind is. Ze geeft heel veel waarschuwingen als er gevaar dreigt. Als ik aan het hiken ben in de bergen en er komt een onweersbui aan, dan zie ik dat aan de wolken en daal ik af naar een veilige plek. Natuur vraagt en eist dat je je intelligent gedraagt. Als dat lukt heb je echt het gevoel hebt dan je aan het dansen bent met de wereld. Je moet daarbij een zekere vorm van nederigheid tonen, je bent niet in control.’

Kunnen we dat allemaal leren? Ik zie mezelf nog niet slapen tussen de Grizzlyberen…
Ferguson: ‘Ik heb een boek geschreven over wildernis-therapie voor jongeren. Jongeren – vaak met een drugsverleden – kwamen uit het stadse Los Angeles acht weken naar de wildernis. Bij aankomst stonden ze doodsangsten uit, maar na twee weken waren ze samen echt in staat om angsten te beheersen en zagen ze de schoonheid en de vriendelijkheid van de natuur.’

Toch doen veel mensen het tegenovergestelde: we sluiten ons op in onze huizen, het liefst met een groot hek eromheen.

Clare: ‘Alles wat op afstand is maken we groot en eng. Zo raken we ver verwijderd van wat er werkelijk in de wereld gebeurt. Ga naar buiten en onderken: dit is best wel eng voor mij, maar wat zie ik eigenlijk echt en hoe reageer ik er op?’

Ferguson: ‘We proberen ons veilig te voelen door de controle over alles te behouden, maar dat is een illusie. Als je je eenmaal thuis voelt in de wildernis vind je een diepgaander veiligheidsgevoel. Namelijk: het maakt niet uit wat er gebeurt en in welke omstandigheden ik terecht kom, want ik weet dat ik in staat ben om in elke situatie goed te reageren.’

Gary Ferguson en Mary Clare
Schrijver en psycholoog

De vos

Ik heb vannacht
de vos gehoord,
en ik wist,
er is hier nog
iets aanwezig
wat niet
stuk te krijgen is,
en dat gaf mij
een veilig gevoel.

Micheline Baetens – 31 maart 2014

BOEK: De kunst van het ongelukkig zijn

Essay

Het individu als houvast in godloze tijden

Minder ‘ikkigheid’? We hebben net méér ik nodig

In zijn nieuwe boek neemt Dirk De Wachter de rol van pastoor op zich. Hij lacht er een beetje mee, maar vindt het nodig in deze tijden van eenzaamheid en burn-out. Nick Cave geeft op zijn website raad aan fans die de weg kwijt zijn. Is dat nu echt wat wij, bevrijde individuen, nodig hebben? Iemand die ons zegt hoe het leven te leiden?

De Standaard – Eva Berghmans, illustraties Jeroen Murré – 20.10.2019

Troost. Kracht. Rust. Houvast in bange tijden. Mildheid. Warmte. Inzicht. Het zijn wezenlijke dingen die de lezers van deze krant bij Dirk De Wachter vinden, blijkt uit een oproep op onze site. Hier en daar komt een minder algemeen antwoord, legt iemand uit wat hem of haar het meest trof. Een vrouw had veel aan zijn aansporing om met vrienden niet alleen successen, maar ook twijfels en tegenslag te delen – de verbondenheid groeide. Een man zag bevestigd dat het oké is als je liever thuiszit met een glas wijn en een goede vriend dan dat je blauwe duimpjes probeert te scoren met foto’s van feesten – na zijn scheiding was hij daaraan gaan twijfelen. Een lezeres zag in dat perfectionisme niet de weg is naar geluk, en dat mild zijn, voor jezelf en anderen, helend werkt.

Als in de afgelopen jaren iemand in Vlaanderen de wijsheid is gaan belichamen, dan wel De Wachter. Dat heeft niet alleen te maken met wat hij zegt, maar ook met hoe hij het zegt – met die diepe, geruststellende stem en begrippen als ‘gewonigheid’ of ‘borderline times’. Het is allicht zelfs in de hand gewerkt door zijn uiterlijk, geeft een lezeres aan. Een donker type, met uitgesproken wenkbrauwen en wat langere haren: dat suggereert een combinatie van diepzinnigheid en rock-’n-roll, van inzicht dat gegroeid en gelouterd is in een wilder leven dan de bangeriken onder ons tussen de muren van huis en kantoor leiden. En hij is psychiater, hij doolt door de krochten van andermans ziel, daar waar het er echt op aankomt.

De Wachters nieuwste recept voor de ziel heet De kunst van het ongelukkig zijn, een heruitgave van een essay dat dit voorjaar in beperkte oplage verscheen op vraag van de Confituur-boekhandels. Het boek schoot meteen de top tien in. Zijn diagnose van onze tijd bevat weinig nieuws, benadrukt hij. Het dwangmatige najagen van geluk heeft ons niet gelukkiger gemaakt, stelt hij vast. Integendeel: burn-out en eenzaamheid zijn de epidemieën van deze tijd. We moeten weer een paar dingen leren die we uit het oog verloren zijn, toen het ik de vrije baan kreeg. Eén: pijn is deel van het leven. Het pure hedonistische streven is vruchteloos, te hoge verwachtingen leiden tot teleurstelling. Twee: iedereen lijdt, iedereen heeft het lastig, laten we elkaar de hand reiken. Het boek eindigt met een brief waarin De Wachter oproept om onze ‘ethische plicht’ te doen, want het ware geluk (een zinvol bestaan) ligt in het zorgen voor de ander – en voor het klimaat.

God noch gebod

‘Omarm het lijden als deel van het leven en doe je plicht’: klinkt bekend, niet?

‘Vlaanderen heeft de goeroes die het verdient’, vat mijn huisgenoot (tevens beste vriend en vader van mijn kinderen) het weleens samen aan de keukentafel. Dirk De Wachter is op maat van de Vlaamse volksaard gesneden. Een dokter, psychiater, een figuur met autoriteit, die een boodschap brengt die we al kennen. De Wachter geeft het zelf in zijn boek aan: hij is meer dan eens vergeleken met een pastoor, en hij vindt dat geen belediging.

Het is een veelgehoorde verklaring voor het succes van de nieuwe goeroes: met het geloof is ons houvast weggevallen. We weten niet meer waarom we op deze wereld zijn, en hoe ons op deze wereld te gedragen. De vrijheid die de secularisering bracht, is te groot. De mens verliest zichzelf in het najagen van oppervlakkig genot en materiële rijkdom, hij kent god noch gebod.

En het zal wel, dat er een gat in ons leven geslagen is toen het geloof wegviel. Maar zijn we eenzaam geworden omdat die gemeenschap en haar voorschriften wegvielen? Want laten we wel wezen: het moet ook binnen die gemeenschap best eenzaam geweest zijn voor velen, met die preken over de nietigheid en zondigheid van de mens, hoe we niet meer zijn dan stof en as, en in het beste geval zoveel goeds kunnen doen dat we na onze dood een lekker, zij het lichtjes saai leven hebben. En je zult binnen al die rigiditeit maar het buitenbeentje geweest zijn – homo of heks, of te gretig en geil voor al die geboden, te hebzuchtig of te ambitieus, of te lui.

Nick Cave heeft sinds de dood van zijn zoon een opmerkelijke transformatie ondergaan.

Je zult mij niet snel de teloorgang van het geloof horen betreuren. Ik heb vaak mijn beide handen gekust dat ik pas in de jaren 70 geboren ben, toen de bevrijding van het ik al even aan de gang was. En dan nog voelde mijn geboortedorp, met de mantra ‘doe maar gewoon, dat is al zot genoeg’, als te klein voor alles wat ik wou: de wereld zien, kunst zien, carrière maken met mijn pen. (Misschien wist ik het best van al wat ik niet wou: het leven van al die vrouwen in het dorp leiden.) Ik was een boze tiener, omdat men mij het idee gaf dat ik onredelijk was en mijn eigen ondergang tegemoet liep met al mijn verlangens en gebrek aan bescheidenheid.

Het klinkt me akelig in de oren, die analyse over de hedendaagse mens die zijn eigen graf graaft omdat hij te veel wil, omdat hij zijn plek in de kosmos niet meer kent. Het gaat me te ver om het individualisme als grote schuldige van de existentiële crisis van onze tijd aangeduid te zien. Er is te veel ‘ikkigheid’ in onze wereld, zegt Dirk De Wachter. Ik ben bang dat hij het kind met het badwater dreigt weg te gooien.

Toegegeven, we kunnen er niet zo goed mee uit de voeten, met dat ‘ik’ dat we zonder nieuwe voorschriften cadeau kregen. Maar wat doe je als je een kind krijgt? Moddert het gros van de ouders niet maar wat aan, ongemakkelijk laverend tussen alle gevoelens en verantwoordelijkheden? Wat als de groeipijnen van de samenleving niet door de bevrijding van dat individu komen, maar doordat het niet de juiste zorgen toegediend kreeg? ­Misschien hebben de ouders het ‘ik’ te veel verwend en hebben ze zich laten opjutten door de consumptiecultuur, omdat ze niet beter wisten.

Een schild cadeau

Neem een van de symptomen van dat zieke ik: de burn-out. Een burn-out krijg je niet van heel hard te werken. Van hard werken word je hooguit moe. Er zijn mensen genoeg die 80 uur per week werken en niet eens in de risicozone voor burn-out zitten. Omdat ze doen wat ze graag doen, op een manier die hun past. Dirk De Wachter zal vast weleens moe zijn, maar hij zal niet fundamenteel in de knoop raken met zijn job, hoogstens met zijn agenda of een geliefde die zich verwaarloosd voelt.

Waarvan krijg je dan wel een burn-out? Mensen raken opgebrand als ze het punt van hun eigen job niet (meer) zien. Als een job zinloos voelt, omdat die volstrekt oninteressant is, of als een job door de omstandigheden waarin je die moet doen (een onredelijke baas, bakken administratie, belachelijk hoge werkdruk) zinloos lijkt te zijn – dat is vaak wat misgaat met mensen die uit idealisme aan hun baan begonnen zijn. Mensen krijgen een burn-out als ze de controle over hun job zodanig verliezen dat ze fundamenteel aan zichzelf twijfelen. In de kern draait burn-out om zelfverlies. Je weet niet meer wie je bent, of waarom je doet wat je doet, of je wel goed genoeg bent.

De enige vraag die er in loopbaancoaching toe doet, is of de job die je doet bij je past. Coaching op de werkvloer is een vorm van ontvoogding. Het ik laat zich niet meer doldraaien, het kiest zijn plek op de werkvloer en neemt die plek naar best vermogen in.

Loopbaancoaching laat je toe enkele vragen te stellen die je al lang aan jezelf had moeten stellen, maar waar je bang voor was. Want wie stelt nu zichzelf en zijn eigen keuzes in vraag? Dat past niet meteen in het zelfbeeld dat we ons hebben aangemeten, of laten aanmeten. Het oude ideaal van de mens als radar in een groot geheel is razendsnel vervangen door het ideaalbeeld van de selfmade man: succesvol, ambitieus, gezond, sterk, onafhankelijk, hard, en altijd meteen wetend wat hij wil. Met dat ideaalbeeld kwam ook het idee dat je beter geen onzekerheid toont, want het is met de andere mensen zoals met wilde beesten: als ze angst ruiken, slaan ze toe. We kregen meteen een schild cadeau bij dat baby-ikje.
In het meest optimistische scenario is loopbaancoaching maar een begin van de volwassenwording van onze omgang met ons lastige zelf. Je ziet weleens hoe loopbaancoaching (of een midlifecrisis) mensen de moed geeft om ook het leven rondom die werkvloer in vraag te stellen. Is dit het leven dat ik wil? Dat bij me past? Dat me blij maakt omdat het ruimte laat voor wat ik belangrijk vind?

Aanfluiting

Dat zijn griezelige, maar noodzakelijke vragen, waar Dirk De Wachter in zijn nieuwe boek hoogstens oppervlakkig aan raakt. Misschien komt dat doordat zijn leven goed aansluit bij wat hij wil. Dat zijn leven zinvol genoeg aanvoelt om blij te zijn met de ‘gewonigheid’ die hij promoot. Maar het is niet omdat hij graag in zijn tuin zit, dat een ander er niet meer baat bij heeft om op wereldreis te vertrekken. Soms is het gras wel groener aan de overkant. Soms is anders wel beter. Dat je die gedachte zou moeten onderdrukken, is een aanfluiting van het individu. De analyse die De Wachter van ons collectieve onbehagen maakt, houdt steek. Alleen: het houvast dat hij biedt, in heuse aanbevelingen over hoe het goede leven te leiden, is naast de kwestie. Je kunt een ander niet voorschrijven hoe hij of zij zijn leven moet leiden.

In de inleiding van De kunst van het ­ongelukkig zijn schrijft De Wachter hoe er onlangs iets begon te knagen, toen zijn vader aftakelde, eenzaam was, stierf. Hij zag hoe zijn broer daar beter mee omging, zorgzamer was. Zelf voelde hij zich tekortschieten. Hij ging nadenken over de betekenis van zorg en verbinding, en deelt nu die inzichten. Die zijn waardevol en zullen velen helpen, maar niet iedereen. Het is niet omdat andere mensen helpen een goed gevoel kan opleveren, dat iedereen daar het geluk of de zin zal vinden. Dat kan, zeker, maar niet zonder zichzelf eerst goed aan te kijken in de spiegel, zonder weg te kijken van de tekortkomingen, onzekerheden, angsten en verlangens die we zo goed hebben leren toedekken. U kent het cliché: je kunt een ander maar echt ten volle graag zien als je jezelf graag ziet.

Dus nee, ik geloof het niet, dat we minder ‘ikkigheid’ nodig hebben, en vooral meer verbondenheid (dat ook, dat ook). Er is meer ik nodig. Meer, maar beter.

Vraag het aan cave

Vorige week ging een brief van de Australische muzikant Nick Cave de wereld rond – toch een voordeel van die smartphones die vaak weggezet worden als katalysator van de egocultuur. Cave heeft een opmerkelijke transformatie ondergaan, sinds zijn vijftienjarige zoon in 2015 van een klif viel. Dat is merkbaar in zijn muziek, die kaler en spiritueler geworden is, terwijl hij vroeger een scherm van bombast en groteske verhalen optrok rond dezelfde thema’s – dood, liefde, seks, geweld, driften, pijn, de donkerte en de morsigheid van het bestaan.

Nog opmerkelijker is hoe hij zijn handen uitstak naar zijn publiek. In Conversations with Nick Cave doet hij intieme zalen aan, waar hij in gesprek gaat met zijn publiek en songs op piano speelt. Op de website The red hand files beantwoordt hij vragen van fans. Het is makkelijk om daar cynisch over te doen – over hoe de harde rocker een softie geworden is, en hoe zijn muziek toch niet meer dezelfde is. Je kunt het ook anders zien: hij laat de rauwheid van de emotie en de verwarring blootliggen, omzwachtelt ze niet meer met ruwte. Hij toont zich kwetsbaar, nadat de dood van zijn zoon hem met zijn volle gezicht in zijn kwetsbaarheid heeft gedrukt.

Wat hij terugkrijgt, is een al even grote kwetsbaarheid. Zijn fans houden zich nergens voor in. Soms stellen ze vragen over muziek en de kunst van het schrijven, maar geregeld duiken wezensvragen op over eenzaamheid, vergeving, drugs, gender, de link tussen erotiek en geloof. Iemand wil weten of Cave ergens spijt van heeft. Iemand wil weten waarom hij PJ Harvey dumpte (dat deed ik niet, schrijft Cave, zij dumpte mij, en hij legt heel mooi uit hoe dat zijn werk een andere wending gaf). Hij schrijft open en kwetsbaar, zonder pathos of drama, maar ook zonder schild, over het ‘ongedefinieerde verlangen’ dat hij al zijn hele leven meesleept, en over hoe hij zichzelf pas ten volle tegenkwam door de dood van zijn zoon.

De jongste brief die Nick Cave de wereld in stuurde, was gericht aan een zestienjarige fan. Ze schreef dat ze het haatte om zichzelf in de spiegel te zien. Je zou denken dat Cave al genoeg ellende heeft om zich bezig te houden met het spiegelbeeld van een pubermeisje. Hij doet het anders. Hij bedankt haar voor de moedige vraag. Hij komt niet aanzetten met een dooddoener over hoe ons uiterlijk er niet zoveel toe doet. Hij vertelt hoe hij als tiener naar zichzelf in de spiegel keek, en hoe hij nu vaak voor hotelspiegels staat. Hij zegt niet dat het aan haar is om haar onzekerheid te overwinnen. Dat er geen reden is om zich te verstoppen, niet zichzelf, niet haar onzekerheid. Hij laat het ongemak niet bij haar liggen, maar legt het bij de harde wereld waarin we leven.
Cave schrijft, net als De Wachter, over de nood aan kwetsbaarheid en verbinding: ‘Als we jong zijn, kan kwetsbaarheid ons voorkomen als schaamte of zwakte, terwijl we proberen onszelf te wapenen tegen een brutale, ongenadige en oordelende wereld. Maar zij die geen besef hebben van hun eigen breekbaarheid, zij die zichzelf als uiterst zelfbewust, geharnast en onkwetsbaar presenteren, geven de essentie op van wat ons menselijk en mooi maakt. Kwetsbaarheid is net wat ons toestaat om ons met elkaar te verbinden, om in anderen hetzelfde ongemak te herkennen, met zichzelf en hun plek in de wereld.’

De brief eindigt met een advies over hoe te leven – dat hij zo open houdt dat het nauwelijks een advies is: ‘Alsjeblief, zorg voor jezelf. Zoek mooie dingen, inspiratie, connecties en vrienden die goed voor je zijn. (…) Zoek dingen in de wereld die je raken en doe grote inspanningen om ze beter te maken. Tot elke prijs, probeer een gevoel voor humor te cultiveren. Zie de dingen door dat moedige hart van je. Wees mild voor jezelf. Wees lief voor jezelf. Wees lief.’

Ethische plicht

Nick Cave, hofmuzikant van de onderwereld, heeft zijn volgers ontroerd met een van de grootste clichés uit de zelfhulpliteratuur. Zover hebben we het dus laten komen, dat we toelating, aansporing nodig hebben om onszelf te zijn. Zo hard tasten we rond in het duister, overal tegen aanlopend, en dat de schuld gevend, terwijl we eigenlijk tegen onszelf en onze zelfhaat aanlopen.

En ja, een oproep als die van Dirk De Wachter, om onze ‘ethische plicht’ te doen en de ander de hand te reiken, zal ons geen kwaad doen. Maar het is niet genoeg. Ga zitten (of liggen, of wandelen, of wat dan ook, als het maar op jezelf is) en vraag je af wat je wilt met je leven. Misschien wil je vooral helpen en bij anderen zijn, misschien ook niet. Eerst het zelf, dan de ander. Niet minder zelf, maar meer. Of nee, niet meer zelf, maar beter, completer – verlangens, ambities, noden en tekortkomingen incluis.

Dat is akelig, en het kan deugd doen om je te laven aan de mildheid en wijsheid van figuren als De Wachter en Cave. Maar als dat baby-ik uitgroeit tot een evenwichtige volwassene, dan heeft het geen richtlijnen meer nodig over hoe het leven te leiden. Zelfs niet van aantrekkelijke nieuwe hogepriesters met een diepe stem.

‘De kunst van het ongelukkig zijn’ van Dirk De Wachter is verschenen bij Lannoo Campus.

Nota van IK: Toevallig of niet dat die twee, Cave en De Wachter, ook fysiek op elkaar lijken?! Misschien is dat wel zo met verwante zielen…(MB)

Light of my life

Light of my life: schuilen in afwachting van het einde der tijden

Brainwash – Gawie Keyser

Negen jaar lang leefden zes mensen in de provincie Drenthe afgezonderd van de buitenwereld in afwachting op het einde der tijden. Dit verhaal, even schokkend als ongeloofwaardig, tart elke verbeelding. En toch is ‘Ruinerwold’ normaler dan we zouden willen toegeven.

We weten nog niet of de zes van Ruinerwold, het dorp in de buurt van de woonboerderij waar een man en vijf meerderjarige kinderen jarenlang in een kelder woonden, werkelijk geloofden dat ze op de eindtijd aan het wachten waren. En om die reden niet naar buiten gingen of mochten. Dat laatste: werden ze misschien gevangengehouden? Door een man die inmiddels is gearresteerd, een man met de omineus klinkende naam Josef B.?

Heel veel vragen zijn er over Ruinerwold, plus suggesties dat het hele verhaal een grote PR-stunt van een milieubeweging is. Maar in alle gevallen luidt de symboliek: het is vijf voor twaalf en het einde nadert.

De plaatselijke media meldden al tijdens het breaking news: het gezin was zich aan het voorbereiden op het einde der tijden. Ik vroeg me af: wat doe je dan zoal terwijl je je aan het voorbereiden bent? Lezen? Ik bedoel, de geit kun je hooguit een paar keer per dag melken. Dan lees je misschien The Road (2006) van Cormac McCarthy waarin een man en zijn zoon door een post-apocalyptisch landschap heen trekken. Of Richard Mathesons I Am Legend (1954) waarin de laatste man op aarde vecht tegen vampiers en ontdekt dat hij in deze wereld een vreemde eend in de bijt is.

Zo kunnen we nog lang doorgaan. Zelf zou ik zes jaar makkelijk halen, mits er een goede bibliotheek tot mijn beschikking is. Of videotheek. Of internetverbinding naar de streamingdiensten. Al lezende en kijkende zou je veel tips kunnen krijgen over hoe te handelen als het eenmaal mis gaat daarbuiten.

Juist in de laatste jaren zijn er steeds meer apocalyptische en post-apocalyptische verhalen te zien op het witte doek. Zo is een bepaalde vorm van het einde der tijden het onderwerp van bijna alle superheldenfilms. Een teken aan de wand: de wereld die op spectaculaire wijze naar de knoppen gaan is het nieuwe normaal geworden. Wie het dagelijks nieuws over klimaatsverandering, Brexit en Trump (en Turkije en Syrië) volgt, kijkt allang niet meer op van verhaaltjes over het op grote schaal uitwissen van de menselijke soort.

Zo bezien zijn we allemaal inwoners van Ruinerwold: in onze eigen schuilkelders, opgetrokken uit onze collectieve angst voor én achteloosheid over de genoemde huidige en komende onheilen, wachten we lijdzaam af hoe het verder moet. En net als de zes van Ruinerwold durven we nauwelijks nog de straat op (met uitzondering van aanhangers van radicale milieubewegingen).

Hoe massaler de verhalen over onze eigen vernietiging, hoe fijner we ze vinden. En hoe veiliger: niets biedt meer geborgenheid dan een bioscoopzaal. Maar interessanter dan alle blockbusters over de eindtijd zijn de kleinere verhalen, zoals het nieuwe Light of My Life van Casey Affleck waarin de regisseur ook de hoofdrol vertolkt, die van een man die met zijn dochter van een jaar of twaalf rondzwerft in een Amerika getroffen door een virus dat de vrouwelijke bevolking (behalve sommige vrouwen die immuun zijn) heeft uitgewist.

‘Dad’ en ‘Rag’, de namen van vader en dochter, trekken vooral van huis naar huis. Hoe afgelegener, hoe beter. Vooral huizen of boerderijen. De reden: de samenleving is levensgevaarlijk geworden, niet alleen vanwege alle gewelddadige mannen op zoek naar eten, maar ook omdat dezelfde mannen wild worden als ze ook maar een vermoeden hebben dat er ergens een vrouw rondloopt.

De beschavingsnormen zijn verdwenen. Het enige wat Dad en Rag kunnen is zich verschansen in een verlaten woonboerderij. En wachten dat dingen beter worden.
Het mooie aan Light of My Life is dat er geen uitzicht op een toekomst is. Dat is precies wat ‘het einde der tijden’ betekent. Je leeft alleen nu, in die kleine ruimte die je kunt controleren, waar je veilig kunt zijn. Je gaat niet naar buiten.

Wat ze precies dachten, die zes van Ruinerwold, ik ben er benieuwd naar. Misschien is wat ze deden (als zou blijken dat ze dat vrijwillig deden) zo gek nog niet. Ik lees in de NRC:

Het gezin zou zelfvoorzienend hebben geleefd, door middel van een groentetuin en een paar dieren. Veel mensen in Ruinerwold leven zo, zegt een buurtbewoner die met zijn twee zoontjes op weg is naar de grasdrogerij verderop, en niet met zijn naam in de krant wil. Boerderijen hebben een moestuin, zegt hij, en zonnepanelen. Daarom viel het gezin niet zo op.

Nou dan, ze vielen niet op. Misschien zijn er zelfs meer Ruinerwolden. Plaatsen waar mensen liever binnen blijven gezien hoe het eraan toegaat in de wereld. Ook toen ik Light of My Life zag, dacht ik: heel erg wat met Dad en Rag gebeurt. Heel erg, maar niet heel erg vreemd.

Die herkenbaarheid. Dát is de ergste nachtmerrie van al deze films en verhalen en van Ruinerwold.