Als woorden ontbreken

Als woorden ontbreken om over een trauma te praten

Bron: Brainwash – Marion Uphoff

In Brainwash Talks van Human buigen journalisten, schrijvers, wetenschappers, theatermakers en filosofen zich over de grote persoonlijke en maatschappelijke vragen van nu. Deze keer schrijver Marion Uphoff over trauma en slachtofferschap.

Wie in het woordenboek op zoek gaat naar het lemma ’trauma’, vindt dat het een verstoring of een disruptie van weefsel betreft. Bij psychisch trauma is dat psychisch letsel aan het brein: een verstoring van het denken en het voelen. In de chirurgie is het een doorbreking van de continuïteit van het weefsel. Hele mooie en accurate beschrijvingen. Verstoring die meestal optreedt door ingrepen en invloeden van buitenaf. Toch hebben we het als we over trauma spreken vaak over bezit: iemand ‘heeft’ een trauma. Als je spreekt over trauma in termen van bezit, dan heb je geen aandacht meer voor het gegeven dat het onderdeel is van een systeem. Dat het net zo goed deel uitmaakt van de omgeving en de samenleving waar je in leeft, waar je in bestaat.

In De Metamorfose van Franz Kafka verandert Gregor Samsa op een ochtend in een groot en griezelig insect. Hij herkent zichzelf niet meer en sluit zich op in de slaapkamer. Zijn ouders willen eigenlijk liever niets meer met hem te maken hebben. Hij is als het ware onherstelbaar veranderd. We komen maar weinig over hem te weten als we niet tegelijk kijken naar het weefsel om hem heen. Zijn relaties, met zijn ouders, met zijn werkgever, met zijn zusje. Je zou kunnen zeggen dat in Gregor Samsa een verstoring, een disfunctie van de omgeving en de samenleving wordt uitgedrukt. Hij bewaart binnen zijn skelet het taboe van de samenleving. En we hebben de neiging met elkaar om dat op afstand te drukken en niet toe te laten. Dat betekent dat iemand met een trauma rondloopt alsof hij een paria is, een uitgestotene. Met een vuilniszak, zo heb ik het weleens omschreven, waarin allerlei ongewenste artikelen zitten. En wat kan je doen? Je kunt niet zomaar bij iedereen die vuilniszak neerzetten.

In Vloedgolf schrijft Sonali Deraniyagala over de tsunami bij Sri Lanka uit 2004. Met die vloedgolf verliest ze haar man, haar kinderen, haar ouders. Tien jaar later verwerkt ze dit enorme trauma, deze verschrikking, in een prachtig boek. Ze beschrijft hoe ze op een avond in een bar zit – het leven is weer enigszins mogelijk voor haar, ze bestaat weer, ze kan weer lachen en plezier hebben – en ze raakt in gesprek met iemand die ze heel aardig vindt. Ze wisselen wat beleefdheden uit. De man vertelt over zijn leven en wie hij is. En dan vraagt hij haar over haar leven en wie zij is. Dan zegt ze dat het haar onmogelijk is om te praten: ze kan toch niet met zo’n enorme bom aan komen, het gesprek volledig lam leggen en verstoren met datgene wat haar is overkomen? Haar trauma scheidt haar als het ware van alle andere mensen om haar heen. Ze voelt zich verbannen uit de menselijkheid. Dat is één van de gevolgen van slachtoffer zijn, van een trauma hebben. Dat je het gevoel hebt dat je met je verhaal geen deel meer uitmaakt van de gewone, normale mensenwereld.

In 2004, hetzelfde jaar dat dat boek verscheen, was ik zelf een tijd in Srebrenica. Het Nederlandse bataljon Dutchbat was in 1995 aanwezig bij de val van de moslimenclave. Srebrenica moest een veilige haven zijn, maar dat is niet waargemaakt. Er heeft de grootste massamoord in Europa na de Tweede Wereldoorlog plaatsgevonden. Achtduizend mannen en jongens zijn daar toen vermoord, hun moeders en zussen zijn achtergebleven. Ik merkte toen ik daar was dat ik op geen enkele manier met die vrouwen durfde te praten. Ik wilde wel met ze praten, maar ik had het idee dat hun verhaal ze bijna tot buitenaardse wezens maakte. Dat er een onoverbrugbare kloof tussen deze vrouwen en mij was. Een kloof die heel moeilijk in taal is te overbruggen.

Er is ook iets anders. Wat vaak gebeurt in het omgaan met trauma en daar een gemeenschappelijk verhaal van proberen te maken, is dat je juist wordt teruggedrongen in je rol van slachtoffer. Er vindt geen ontzag plaats, maar een beperking van je zijn, van je individualiteit. Een mooi voorbeeld van wat er dan kan gebeuren, vinden we in het verhaal De schapen met de blote billen van de Japanse schrijver Kenzaburō Ōe. We bevinden ons in een bus, die vol zit met passagiers. Een groep militairen dringt de bus binnen en dwingt de helft van de passagiers om zich tot op de blote billen uit te kleden. En als schapen – op handen en voeten, neus aan achterwerk – in de bus te gaan zitten. De andere rij passagiers hoeft dat niet te doen en mag de kleding aanhouden. Het wordt een tamelijk helse rit. Die eindigt uiteindelijk. De militairen verlaten de bus weer.

Toch is de wereld in de bus voorgoed veranderd. Eén van de geklede passagiers – een leraar – begint een van de schapen door alle straten van de stad te achtervolgen. En zegt dat dit schaap iets verschrikkelijks heeft doorgemaakt en dat hij daarover moet vertellen. Dat hij zijn verhaal moet houden, dat hij aangifte moet doen. In het verhaal probeert het arme schaap te ontsnappen, wil niet meer herinnerd worden aan wat hij heeft meegemaakt. Maar ontsnappen is bijna niet mogelijk. Dat is iets wat vaak gebeurt. Als we het hebben over trauma en ergens slachtoffer van geweest zijn. Dat je voelt dat je teruggedrongen wordt en beperkt tot die ene identiteit.

Dat gebeurt ook in de taal, we spreken over daders en slachtoffers. We drukken daarmee de mens die iets ernstigs heeft meegemaakt uit onze eigen wereld een andere wereld in. Waarin die tot in lengte van dagen gedwongen is zich te verhouden tot een bijna asymmetrische wereld. Want wat is het gevolg? Wij zeggen: het is jouw bezit, jouw ellende. ‘Wij waren daar niet bij.’ ‘Wij maakten die oorlog niet mee.’ ‘Wij waren niet bij dat misbruik.’ ‘Neem je verhaal maar, dat akelige verhaal, waar wij geen zin in hebben, waar wij niet op willen lijken en breng het maar terug naar de bron.’ En die bron, de daders, diegenen die ervoor hebben gezorgd dat de disruptie van het weefsel de continuïteit is doorbroken, die onttrekken zich vaak aan iedere verantwoordelijkheid.

Of ze zijn dood, of ze zijn weg, of ze erkennen de asymmetrische relatie en machtsverhoudingen niet. En dan is het slachtoffer in feite stateloos: hij heeft geen land en geen plek meer om te zijn, en geen taal meer om te kunnen spreken.

Waar ik als schrijver moeite voor doe is om te kijken: kunnen we dat verhaal van vertelling uit de eenzijdige dader-slachtoffer-verhoudingen trekken, en de mens met een trauma gewoon weer zien als een mens met een trauma? Niet meer, niet minder. Gewoon een wezen dat net als iedereen tot de groep van mensen behoort, en daar een plek in hoort te krijgen zodat de verbanning wordt opgeheven.

Wat je ook overkomt

Wat je ook overkomt,
weiger
slachtoffer te zijn,
maar aanklager,
niet degene die
aangewezen wordt,
maar zelf
met de vinger wijst,
niet degene
die schuilt
maar blootlegt.

Veeg de angst
en de tranen
uit je ogen
en beschuldig.

Micheline Baetens – 19.06.2018

 

Kom gauw nog eens terug

Vandaag Allerheiligen, en de natuur voelt met me mee vandaag. Het is een donkere, druilerige dag, hij past perfect in het plaatje…

Ze zijn met velen de doden die ik vandaag zou moeten herdenken, maar als ik er overdag niet aan denk, spoken ze ’s nachts wel door mijn dromen, en dat het ganse jaar.

Ik heb vooral, nu nog, veel deugd aan de gezellige dagen die we samen doorbrachten en die sfeer verwoord in een gedicht.

Die dagen waren écht de goeie ouwe tijd, vooral toen mijn grootmoeder nog leefde, de schooltijd en sommige familiefeestjes. En natuurlijk de mooie dagen met ons drietjes, toen ieder van ons nog gezond was en tevreden met het dagelijkse reilen en zeilen..

Zij komen niet meer terug en die dagen ook niet, maar elke uitdaging heeft zijn goede kanten, ook als het niet meer zoals vroeger is, en nooit meer zal worden. Het leven is mooi en de moeite waard, en daar moet een mens ondanks het verlies, blijven naar streven.

Amen!

Kom gauw nog eens terug

Ik zet ze hier allemaal rond de tafel:
mijn man en mijn grootouders,
mijn ouders, mijn nonkels en tantes,
mijn neven en nichten,
mijn onderwijzers en vrienden…

En ik laat ze het eens vertellen,
over hierboven en hieronder
en of ze nog willen terugkeren,
en wat ze na al die jaren
van de wereld vinden.

Ik serveer hen koffie
met kaastaart en pruimentaart
van hun bakker om de hoek
en als afsluiter een elixirke
zodat alles goed verteert.

Samen gaan ze dan terug
naar hierboven of hieronder
en ik wuif hen uit met een
“kom gauw nog eens terug.”

Micheline Baetens – 24 september 2013

Koken: Zonderlinge vlaai

Zonderlinge vlaai

Deze vlaai werd door de Vlaamse schilder Bruegel in beeld gebracht op een van zijn meest bekende schilderwerken en dat op zich maakt deze taart al ‘zonderling’. Dit oeroude dessert mag dan wel een gekke naam hebben, de combinatie van smaken is nog steeds een schot in de roos. De vulling van rijstpap en vanillepudding met een vleugje amandel past namelijk perfect bij de gekruide appelcompote.

https://visit.brussels/nl/article/herdenking-van-450-jaar-pieter-bruegel-in-2019

Ingrediënten – 4 personen
1 liter melk
1 vanillestok
6 eieren
270 g kristalsuiker
20 g puddingpoeder
100 g dessertrijst
100 g amandelen (of amandelpoeder)
een scheutje rozenwater
4 appels
20 g gember (geraspt)
1 kaneelstokje
een scheutje verjus (of vlierbloesem siroop)
een snuif poedersuiker

Benodigdheden
een taartvorm (22 cm Ø)een raspeen blendereen keukenmachine met menghaak

Bereiding

1 liter melk 1 vanillestok
Verwarm de melk in een pan op het vuur. Voeg de zaadjes en de peul van de vanillestok toe.

3 eieren 45 g kristalsuiker
Scheid de eidooiers van de eiwitten en doe de dooiers in de mengkom van de keukenmachine. Klop ze samen met de suiker tot een witte ruban.

20 g puddingpoeder
Meng het puddingpoeder onder de ruban.

100 g dessertrijst
Giet 3 dl vanillemelk in een aparte pot en laat 7 dl melk op het vuur staan. Laat de dessertrijst garen in de melk op het vuur gedurende 30 minuten.

Giet een klein scheutje van de warme melk die je apart hebt genomen bij de ruban met puddingpoeder en roer los met een garde.

Giet het puddingmengsel terug bij het restje van de warme melk en zet het op een zacht vuur. Laat binden tot een romige pudding. Haal de pot van het vuur wanneer de pudding klaar is.

Verwarm de oven voor op 175°C.

100 g amandelen (of amandelpoeder)
Maal de amandelen fijn tot poeder in een blender of gebruik amandelpoeder dat je in de winkel koopt.

3 eieren
Kluts de eieren los in een kom.

Haal de vanillepeul uit de rijstpap en meng de rijstpap met de pudding.

een scheutje rozenwater 125 g kristalsuiker
Voeg een scheutje rozenwater, het amandelpoeder en de suiker toe.

Doe ook de losgeklutste eieren erbij en meng alles tot een mooi beslag.

Boter de taartvorm in en bestuif met bloem. Stort het beslag in de taartvorm en bak de taart gedurende 30 minuten op 175°C.

Appelcompote

4 appels
Schil de appels en snijd ze in blokjes.

Smelt een klont boter in een pan en stoof de stukjes appel aan.

20 g gember (geraspt)1 kaneelstokje100 g kristalsuikereen scheutje verjus
Rasp er de gember bij en voeg de kaneel en de suiker toe. Laat het appelmengsel garen tot compote. Voeg tenslotte nog een scheutje verjus toe en laat afkoelen.

een snuif poedersuiker
Haal de taart uit de oven en laat afkoelen. Bestuif de taart met een laagje bloemsuiker.

Serveer een stuk zonderlinge vlaai met een lepel verse appelcompote. Smakelijk!

Bron: Dagelijkse kost

Kinderen rouwen ook

Hoe rouwt een kind en hoe ga je daar best mee om?

Bron: Gezondheid.be

In dit artikel:
Hoe rouwt een kind en hoe ga je daar best mee om?
Het overlijden van een geliefd persoon: hoe breng je zo’n vreselijk nieuws over aan je kind?
Rouwt een kind op een andere manier dan een volwassene?
Hoe verloopt het verwerkingsproces?
Hoe ervaren kinderen en jongeren de dood van een geliefde en hoe help je hen daarbij?

Het woord ‘rouwen’ stamt uit het Germaanse woord ‘hreuwan’ en de definitie ervan wordt omschreven als: ‘een emotionele reactie als gevolg van een verlies, in het bijzonder het verlies van een naaste. Normaal gesproken zal de intensiteit van de reactie in de loop van de tijd afnemen, de rouw kan echter zo heftig zijn, dat de levenslust verloren gaat’. Bij een kind komt het echter vaak voor dat een emotionele reactie in eerste instantie uitblijft en pas veel later naar boven borrelt. In dat geval parkeert het kind zijn gevoelens tot het zich veilig voelt om zijn verdriet te uiten.

Het overlijden van een geliefd persoon: hoe breng je zo’n vreselijk nieuws over aan je kind?

De dood hoort helaas bij het leven. Dat is een realiteit die we niet kunnen wegcijferen. Als je afscheid moet nemen van een dierbare, dan wil je je kind dit verdriet het liefste besparen. Maar tegelijk weet je dat het geen zin heeft om dat uit te stellen. Je kind ziet of voelt immers dat jij zelf ook in rouw bent, dat er iets is gebeurd. De realiteit onder ogen zien, is de eerste fase van een rouwproces en dat geldt ook voor kinderen.

Hoe pak je dat aan?

Geef duidelijke info over wat er gebeurd is en in welke omstandigheden, zelfs al zijn die dramatisch. Onderschat de fantasie van een kind niet, die is vaak erger dan de werkelijkheid. Hou daarbij rekening met de leeftijd van het kind en gebruik enkel begrippen die het kind kan kaderen.

Creëer een klimaat waarbij je kind zich veilig voelt om de feiten onder ogen te zien. Dat is een sfeer van aandacht en liefde. Een attitude waarbij jij of een andere verzorger (en eventueel ook de leerkracht) zelf vragen uitlokt en ze daarna beantwoordt, is daarbij zeer belangrijk. Kinderen gaan niet altijd spontaan vragen stellen maar zitten er wel mee.

Rouwt een kind op een andere manier dan een volwassene?

Net zoals een volwassene rouwt ook een kind op zijn eigen manier. Het rouwproces wordt beïnvloed door zijn leeftijd en zijn karakter, maar vaak ook door zijn omgeving.

Een aantal symptomen of gedragspatronen die vaak voorkomen:

Op vlak van gedrag: driftbuien of woede-uitvallen, huilbuien, stil en lusteloos zijn, afzondering, ongehoorzaamheid, of zelfs schijnbare onverschilligheid.

Schrik niet als je kind in eerste instantie enkel bezorgd lijkt om zijn eigen behoeften en egocentrisch overkomt (bv. Wie zal mij nu opvangen tijdens de vakantie, of wie zal mij nu voeren naar de muziekschool…). Deze vragen rond de eigen comfortzone zijn een normale reactie en hebben niets met gevoelloosheid te maken.

Ook spelletjes met de dood als thema horen bij het verwerkingsproces en zijn een manier om grip te krijgen op de situatie.

Gevoelsmatig: angst, schuldgevoel.

Problemen van allerlei aard: slaapproblemen, bedplassen, stemmingswisselingen, diverse lichamelijke klachten zonder duidelijke oorzaak.

Vaak wordt het rouwproces uitgesteld tot er daarvoor ruimte is. Tot het kind zich veilig voelt om zijn verdriet te uiten, namelijk wanneer thuis alles weer wat op zijn normale plooi is en de rust is teruggekeerd. Een schijnbaar onbelangrijk incident kan dan een trigger zijn om het rouwproces van het kind in gang te zetten.

Hoe verloopt het verwerkingsproces?

Volgens Prof. dr. Manu Keirse (klinisch psycholoog, doctor in de geneeskunde en dé specialist in België en Nederland als het over rouwverwerking en de laatste levensfase gaat) moeten we spreken van ‘rouwarbeid’ in plaats van rouwfases omdat het rouwen niet vanzelf gebeurt. Er moet aan gewerkt worden. Zowel voor een volwassene als voor een kind bestaat de rouwarbeid uit vier taken.

1. Het verlies onder ogen zien

Zoals in de eerste alinea al werd uitgelegd heeft het geen zin om kinderen of jongeren te beschermen voor de realiteit. Om de feiten te kunnen verwerken, moeten ze met de werkelijkheid geconfronteerd worden.

2. De pijn voelen en verwerken

Een groot verlies verwerken, kan alleen als je de pijn voelt en erdoorheen geraakt, ook voor een kind. Gebeurt dat niet, dan ontstaan er later meestal problemen in de vorm van psychosomatische klachten zoals hoofdpijn of slapeloosheid, of ontstaat er probleemgedrag zoals onverklaarbare agressie of slechte schoolresultaten. Het is dus geen goed idee om een kind voor leed of pijn te behoeden.

Veel mensen voelen zich onwennig of zelfs zeer oncomfortabel bij het waarnemen van een uiting van pijn. We zijn niet altijd goed in het omgaan met verdriet en weten niet hoe we daarop moeten reageren.

Hoe help je je kind als het verdriet heeft om de dood van een geliefde persoon?

Ga de emoties niet uit de weg maar praat erover met je kind. Maak duidelijk dat reacties van boosheid of schuldgevoel of angst of concentratiegebrek… normaal zijn en horen bij het verwerkingsproces. Leg uit dat die emoties met golven komen en afgewisseld worden met periodes waarbij het zich beter zal voelen, steeds meer.

3. De draad weer oppikken

Het vraagt tijd om je aan te passen aan je nieuwe leven waar de overledene een leegte nalaat. Het is belangrijk om erover te praten en je gevoelens te uiten. Rouwen is het verlies en het verdriet dat ermee gepaard gaat een plaats geven in je leven zodat je weer verder kunt functioneren. Dat geldt ook voor een kind.

4. Opnieuw leren genieten

Een groot verlies vergeet je nooit. Je hele verdere leven draag je een stukje van dat verdriet met je mee. Maar dat betekent niet dat je je niet beetje bij beetje weer goed in je vel mag voelen. Je mag genieten en het is normaal dat je het verdriet af en toe en steeds vaker vergeet.

Je doet de dode ook geen oneer aan door te investeren in een andere relatie of vriendschap.

Zo komen we bij de laatste taak en dat is vaak een moeilijke: een rouwende (kind of volwassene) moet de angst overwinnen om zich emotioneel te binden. Vaak zondert een kind zich wat af en wil het bijvoorbeeld geen nieuw vriendje meer uit schrik dat die band opnieuw in afscheid of verdriet zou kunnen eindigen.

Hoe ervaren kinderen en jongeren de dood van een geliefde en hoe help je hen daarbij?

Als algemene regel kan je stellen dat een luisterend oor, begrip en een lief woord vaak de belangrijkste ‘eerste hulp’ zijn. Let op de signalen die je kind geeft en vraag regelmatig hoe het gaat ook als het geen signalen geeft. Soms laat een kind niets merken van zijn emoties, ook al voelt het pijn of verlies. Zijn de reacties daarentegen zeer hevig, veroordeel het gedrag dan zeker niet. Bied het kind een omgeving die aanvoelt als een veilige cocon waarin het zijn verdriet kan uiten op zijn manier.

Tot drie jaar voelen kinderen dat er iets mis is en dat uiten ze door te huilen, zich terug te trekken of net abnormaal uitbundig te doen. Zelfs een baby van 4 à 5 maanden voelt een intens verdriet aan bij een ouder (of verzorger). Het herkent de ouder via de geur, het stem timbre, het lichaamscontact. En die veranderen in geval van diepe rouw, vaak zonder dat de ouder het zelf beseft. De reactie van de baby zal merkbaar zijn in zijn slaap- of eetpatroon.

Tussen de drie en de vijf jaar weten kinderen dat er een verlies is, maar ze begrijpen nog niet dat de dood een blijvend karakter heeft. Dood is voor hen hetzelfde als slapen: even weg zijn en niet bewegen. Wanneer ze gaan beseffen dat de overledene niet meer terugkomt, is woede een veel voorkomende emotie. Dan hebben ze meer dan ooit behoefte aan een vertrouwde omgeving en een vast ritme.

Vanaf een jaar of zes beseffen kinderen het concept dood en weten ze dat ze zelf ook kunnen doodgaan. Dat kan een onveilig gevoel en angst veroorzaken. Stimuleer het kind om afscheid te nemen van de overledene maar dwing het niet. Gaat het over een dicht familielid, zoals een opa of oma, dan wordt er aangeraden om het kind mee te nemen naar de begrafenis, zeker wanneer de plechtigheid daaraan is aangepast. Zorg er ook voor dat de overledene achteraf regelmatig genoemd wordt en laat enkele van zijn/haar spullen staan als herinnering. Bedenk ook een ritueel om de overledene samen te herdenken: op Allerheiligen, bij zijn/haar verjaardag, bij de sterfdatum …

Vanaf de leeftijd van tien jaar ongeveer uit een kind vaak zelf de behoefte om aanwezig te zijn bij de begrafenis of het afscheid. Vaak onderdrukken kinderen op die leeftijd hun eigen verdriet om anderen te sparen. Toch hebben ze hulp nodig om hun gevoelens te uiten en willen ze ook graag betrokken worden bij de zaken die moeten worden geregeld. Door ze bepaalde taken op zich te laten nemen, bijvoorbeeld een kaarsje aansteken of een tekstje voorlezen, voelen ze zich betrokken.

Vanaf dertien jaar praten ze er meestal liever over met hun vrienden. Ten opzichte van hun ouders of een volwassene geven teeners de indruk dat ze het zelf wel aankunnen, maar tegelijk zoeken ze ook bescherming en veiligheid.

Bronnen:
Prof. Dr. Manu Keirse
www.kindengezin.be
www.klasse.be
www.in-de-wolken.nl