Als ik sterf

Als ik sterf
wil ik een dodenkrans
van gevlochten
boterbloemen en margrieten.

De vergeet-me-nietjes
zet die maar bij mij foto,
en leg lavendel in mijn kist,
en ook wat rozemarijn.

Als ik dood ben
wil ik uitgestrooid worden
in een weide met schapen
en slapen voor eeuwig.

Micheline Baetens – 04.11.2018

Polyamorie

Polyamorie

Waarom steeds meer koppels buiten de monogame lijntjes kleuren
Wat monogame koppels kunnen leren van polyamoristen

De Morgen – 02-11-2018 – Eline Delrue

Steeds meer koppels breken hun relatie open voor een extra romance erbovenop. Monogamie als norm is voorbijgestreefd, vinden ze. ‘Een bestaande liefde brandt niet op als er een nieuwe bijkomt.’

Een avond op café, zo’n half jaar geleden. “Fuck, wat een lekker dier is dat.” Nima (37), wild van een vrouw aan de bar, port zijn vriend in zijn zij. “Mij moet je het niet vertellen”, lacht zijn compagnon. Hij en de schone aan de toog hebben een relatie, al dertien jaar lang. Alleen: dat weet Nima nog niet. “Achteraf bekeken was dat hilarisch. Zelfs toen ik haar die nacht vroeg om met me mee te gaan, maar ze – half tegen hem aangevlijd – weigerde, had ik het nog niet door. (lacht)”

De toon was gezet en niet veel later sloeg de vlam in de pan. De vriend – ‘het lief’ – vond het allemaal best. Voor Nima werd het zijn entree in “een polyamoreuze formule”. Ook híj is nu ‘het lief’.

Nima: “Ook in mijn vorige, monogame relaties had ik die nood om nog met anderen te connecteren. Niet dat ik puur uit was op meer seks. Ik wilde eerder op zoek naar een affectieve, romantische verbinding. Maar ik zat zelf nog hard vast in die traditionele liefdesethiek. Ik ging ervan uit: een koppel is met twee, en je moet het maar doen zoals je ouders en grootouders het hebben voorgetoond. Om dan eerder heimelijk je goesting te doen. Zo heb ik meer dan eens een scheve schaats gereden. Al hoefde dat voor mij niet het einde van mijn bestaande relatie te betekenen. Nu ja, krijg dat maar eens uitgelegd.”

Polyamorie, een draak van een woord uit het Grieks en het Latijn, betekent zoveel als: ‘houden van velen’. Polyamoristen geloven dat liefde zich niet tot één partner moet beperken, en gaan, in alle openheid, meerdere diepzinnige relaties ­tegelijk aan.
Opvallend: seksuologen begeleiden de jongste tijd steeds meer monogame koppels en singles die de meerminnende toer op willen. “Het taboe is verminderd”, merkt Wim Slabbinck op. “Polyamorie is niet langer de olifant in de kamer bij seksuele zorgen.”

Ook seksuologe Nina Callens, verbonden aan de UGent, ziet in haar praktijk meer koppels met hoofdbrekens hierover. “Het zijn mensen die het silhouet van de liefde aan het hertekenen zijn. Ze stellen zich vragen als: ‘Hoe kunnen we tot een nieuwe relatievorm komen die ons niet afsluit van anderen, of van onszelf?’ ‘Hoe kunnen we elkaar toch ‘trouw’ blijven, zelfs als seksuele exclusiviteit niet langer hét criterium is?’ ‘En hoe vaak kunnen we die anderen dan zien?’”

Buiten de monogame lijntjes kleuren, is ­aanlokkelijk, bevestigen de cijfers. Een rondvraag van Charlie Magazine en Het Nieuwsblad toonde vorig jaar nog aan dat 35 procent van de Vlamingen weleens nadenkt over alternatieve relatievormen. Zo’n 8 procent heeft ervaring met een open relatie – dus met instemming van alle partners –, onder wie 3 procent met polyamorie.

Ook bij Polyamory Belgium, vijf jaar geleden opgericht, spreekt coördinator Bo Standaert van een “exponentiële groei”. De groep telt intussen 980 leden en ruim 1.300 likes. “Stellen buitenstaanders er vragen over, dan kijken ze tegenwoordig ook vaker nieuwsgierig dan veroordelend”, ondervindt Standaert.

‘Gedoemd om te falen’

Al bots je soms nog tegen een muur van ­clichés, vertelt Nima. “‘Dat is vragen om ­problemen’, zeggen ze dan. Of: ‘Het is een recept gedoemd om te falen.’ Tja, alsof de klassieke monogamie nooit bewezen heeft dat ze faalt.” (lachje)

Waarheid, beamen experts. Kijk naar het torenhoge aantal echtscheidingen: een op de drie huwelijken in ons land loopt op de klippen. En kijk naar alle schuinsmarcheerders: een op de vier Vlamingen gaat vreemd, zo legde de Seksenquête van Telefacts bloot.
“Anno 2018 kunnen we niet zeggen dat ­monogamie de enige plausibele relatievorm is”, stelt seksuologe Goedele Liekens. “Het is geen universeel model dat voor iedereen werkt. Vergeet ook niet dat de meervoudige liefde in heel wat culturen ingebakken zit. Maar dan in de vorm van polygamie of polyandrie, waarbij je met verschillende vrouwen of mannen huwt.”

Polyamoristen zijn immatuur, zo spuwen ­kwatongen. Het zijn eeuwige twijfelaars, ze ­hebben bindingsangst en gaan het liefst zo veel mogelijk van bil. Nogal wat kwalijke misvattingen doen de ronde, betreurt Nina Callens. “En dat ­terwijl polyamoristen er helemaal niet lichtzinnig mee omspringen. Hun communicatie getuigt van een openheid en eerlijkheid die vaak groter is dan bij monogame koppels. Bij die laatsten moet het dikwijls eerst tot een crisis komen vooraleer je tot een eerlijke discussie kunt overgaan: ‘Wat zijn jouw grenzen, wat betekent exclusiviteit voor jou?’ Polyamoristen klaren dat allemaal van ­tevoren uit. Bij hen staat communicatie voorop. Zelf maken ze daar weleens het grapje over: ‘Swingers hebben seks, wij hebben gesprekken.’”

Maar hoe doe je dat, verspreid beminnen? Voorgekauwde scenario’s zijn er niet, klinkt het. Ieder stel schrijft zijn script. Zo vind je koppels waarvan elke partner nog één liefje heeft – ­seksueel of platonisch. Je hebt er die een driehoek maken, of een vierkant. Bij sommigen geldt: ‘Alleen als je elders bent, kan het. Op congres, maar niet hier.’ Anderen kiezen een liefje uit voor elkaar: ‘Alleen met haar mag het.’

Nina Callens: “You name it, en het bestaat. Maar er zijn wel degelijk afspraken. Je slaapt niet zomaar met Jan en alleman, zoals weleens verkeerdelijk wordt gedacht. Het gaat altijd over een gedeelde ‘constructie’, een gedeeld ­zeggenschap. Dat staat haaks op overspel, waar het om een eenzijdige beslissing gaat. Op dat vlak zou je kunnen zeggen: polyamorie is de nieuwe ­monogamie.”

Ethisch slettebakken

Consensuele non-monogamie, zo wordt het ook wel genoemd. De term dook voor het eerst op in het Amerikaanse boek The Ethical Slut uit 1997, de Bijbel voor al wie polyamoreus in het leven staat. Schrijfsters Dossie Easton en Janet W. Hardy gebruikten het woord ‘slet’ als een ­geuzennaam. Volgens hen was het voor vrouwen perfect mogelijk om meerdere liefdesrelaties tegelijk te onderhouden, zonder dat we dat per se als ‘hoerig’ moeten afschilderen. Kortom: ­verantwoord ‘slettebakken’ kan, zolang je het doet met instemming van alle partners.

Is het heet in de VS, dan lopen wij warm. Zo kwam de polyamorie eind jaren 90 ook naar onze contreien overgewaaid. Dat de voortrekkers van verspreide vrijerijen vaak vrouwen zijn, mag niet verbazen, stelt schrijfster Heleen Debruyne, die onder meer in Vuile lakens over het onderwerp publiceerde. “Voor vrouwen kan polyamorie absoluut een bevrijding zijn. Oké, ze hebben de emancipatie gehad, de anticonceptie, ze kunnen buitenshuis werken. Maar als je kijkt hoe de zorg wordt verdeeld – de kinderen, het huishouden –, dan ligt het grootste deel van het werk nog altijd bij hen. Zij ondervinden nog altijd het meeste nadeel van het strikt monogame kerngezin. Veel polyamoristen richten hun leven zodanig in dat ook hun zorgnetwerk groter wordt. Een ziek kind, een emotionele dip: ze hebben dan niet alleen hun partner om op terug te vallen.”

Op dat vlak kunnen we als samenleving nog wat opsteken van de polyamorie, meent Debruyne. “Het is een manier om niet al je ­verwachtingen bij die ene andere te leggen. Nu is je geliefde én beste vriend(in), én vader/moeder van je kroost én moet hij/zij je ook nog eens in hogere sferen brengen in bed. Op die enorme ­verwachtingen lopen veel huwelijken stuk. Zonder daarom zelf polyamorist te worden, kan het wel ons besef doen groeien: wow, misschien moet ik die eisen toch wat bijstellen.”

Polyamorie is een dagtaak, hoor je weleens. Meer zelfs: een carrière. Want iedereen wil ­aandacht, en elke bijkomende relatie vergt tijd en energie. Daarin staat het meerminnen mijlenver af van de vrije liefde in de jaren 60, waar ­wildwippen zonder meer was toegestaan, en ­vrijheid-blijheid het hoogste goed. “Polyamorie is geen hof van Eden”, vertelt Isabelle* (43), die er als twintiger een tijdlang mee experimenteerde. “Het is een kunst die nogal wat mentale ­veerkracht en een aardige dosis emotionele ­intelligentie vereist.”

Aanvulrelaties

Isabelle was nog jong en onbeschreven toen ze haar man leerde kennen. “Ik wist: hij is het. Maar ik dacht ook: ‘Shit, mag ik nu de komende zestig jaar met geen enkele andere man een verbintenis aangaan?’ Erg beklemmend vond ik dat. Toen hebben we allebei een tijdlang een aanvulrelatie gehad – of hoe noem je zoiets? Tussen ons als koppel ging dat prima. Maar na verloop van tijd konden onze liefjes niet meer aanvaarden dat zij niet op de eerste plaats kwamen. Voor ons was dat best lollig, wij hadden onze pleziertjes. Maar in de liefde draait het niet alleen om plezier, wij deden hen op die manier ook wel pijn. Daarop zijn die relaties dan gestrand. Al bij al zijn er maar weinigen die het lang volhouden, denk ik.”

Heel wat polyamoristen worstelen daarmee, erkent Goedele Liekens. “Velen haken af. Niet per se vanuit een teleurstelling, vaak zijn de uitdagingen gewoon te groot. Eerlijk gezegd, het lijkt mij ook ontzettend vermoeiend. My god! (slaakt een speelse zucht) Ik vind het al zo moeilijk om met één iemand een relatie te hebben. Nochtans, ­ polyamoristen vertellen me net dat ze er zoveel energie van krijgen, omdat ze bij elk van hun ­partners een ander deel van hun behoeftes ­ingevuld krijgen. Maar dan maak ik me de ­bedenking: hoe veeleisend kunnen we zijn? Moeten al onze verlangens beantwoord worden? Dat is ook weer de tijdsgeest. We nemen geen genoegen meer met één keer per jaar naar de zee te rijden, zoals vroeger. We willen ook op citytrip én op skiverlof. Dat uit zich ook in de liefde.”

Verandering van spijs doet eten? Daar is ­helemaal niks gulzig aan, vindt de Nederlandse schrijfster-filosofe Simon(e) van Saarloos (28). Als “eeuwige single in verbinding” onderhoudt ze meerdere open relaties met mannen en vrouwen. “Denk aan het bekende gezegde: ‘It takes a village to raise a child’. In onze kindertijd worden de liefde en de lessen van verschillende mensen als een noodzakelijke verrijking gezien. Waarom zou dat belang op latere leeftijd zomaar wegvallen? Waarom staat daar de onuitgesproken overtuiging tegenover dat er maar één partner nodig is om ons als volwassene compleet te maken?”

In haar boek Het monogame drama pende Van Saarloos een pleidooi neer voor meer multi-intimiteit. “Kijk naar Facebook, waar je drie opties hebt”, vertelt ze. “Je bent single, je hebt een relatie of ‘it’s complicated’. Ik zou willen zeggen: het is altijd ingewikkeld. Niet dat we de romantiek ­moeten verwerpen, we moeten haar alleen meer delen. De gehamsterde vorm ervan zoals we die nu zien – exclusief beleefd en geuit tussen twee mensen – moet verdwijnen.”

Maar toch: een relatie openstellen, het gebeurt niet zelden met een klein hartje. ‘Hoe groot is het risico dat mijn partner het met die ander zal afbollen?’ Het is een vraag die seksuologen wel vaker voorgeschoteld krijgen van wie het ­polyamoreuze pad op wil. “Open grenzen zullen de intimiteit binnen het koppel niet noodzakelijk uithollen”, stelt Nina Callens gerust. “Integendeel, het kan versterkend werken. Ga het maar eens na bij jezelf: wanneer voel jij je het meest aangetrokken tot je partner? Het antwoord is dikwijls: ‘Wanneer een ander zich tot mijn lief aangetrokken voelt.’ De triangulaire blik heet dat. Niks zo erotisch als je partner door de ogen van een derde te zien.”

Maar als die ander zo leuk is, ben ik dan ­minder tof? Krijg ik dan minder liefde? Het idee alleen al jaagt ons makkelijk de daver op het lijf. ‘We leven in een starvation economy’, schrijven Dossie Easton en Janet W. Hardy in The Ethical Slut. ‘We zijn bang om uit te hongeren: hoe meer liefde mijn partner voor een ander voelt, hoe ­minder er voor mij overblijft.’ Maar, zo sussen ze, kijk naar ouders met twee kinderen: zij houden toch niet minder van hun tweede kind dan van hun eerstgeborene?

Klopt, zo maakt Simon(e) van Saarloos zich sterk: “Als niet-monogaam persoon ervaar je waarschijnlijk net méér liefde. Want een bestaande liefde brandt niet per se op wanneer er een nieuwe bij komt.”

Veel buitenstaanders zien de liefde als een taart, vertelt Peter* (37), bijna een jaar ingewijd in de polyamorie. “Verdeel je die taart in tweeën, dan heeft iedereen minder. Zo zit er altijd verlies op. Terwijl wij net het gevoel hebben dat de taart alleen maar groter wordt.”

De vrouw met wie Peter lief, lijf en leed deelt, is al acht jaar getrouwd. Een huwelijk bezegeld met twee jonge kinderen. Als we Peter spreken, heeft hij net de oudste zwemles gegeven. “De kinderen vragen me soms ook om een verhaaltje voor te lezen. Eerst had ik dat niet verwacht, maar die band is geleidelijk gegroeid.”

Dat Peter met mama de lakens deelt, weten ze niet. Nog niet. “We wachten op het juiste moment. Mijn lief heeft wel al in bedekte termen gepolst. Of het oké zou zijn als mama met andere mensen zou kussen? ‘Nee’, antwoordden ze ­stellig. (lacht) Maar zodra ze eraan toevoegde: ‘En wat als papa ermee akkoord zou gaan?’ ‘Ha ja, dán wel.’”

Jaloezie

Opgroeien in een polyamoreuze setting is “onschadelijk” voor kinderen, zo gaf de Amerikaanse expert Elisabeth Sheff al aan. Ja, ze botsen soms op niet-begrijpende blikken van ­buitenaf. Maar ze hebben wel meer figuren rondom zich voor een veilige hechting. “Ook wij zien het als een win-win-winsituatie”, zegt Peter. “De man van mijn lief werkt vaak in het ­buitenland. Voor hem is dat een pluspunt: weten dat ik thuis kan bijspringen, zonder een extra papa te zijn.”

Zowat een jaar geleden gebeurde het, op ­teamweekend met het werk: zij was ziek, Peter bezorgd. Op het terras van het hotel spraken ze ook hun gevoelens uit. “Daar hebben we meteen beslist: hier gebeurt niks, zonder dat haar man er oké mee is. Daar zit het grote verschil met wat we in onze omgeving weleens zien: wij wilden niet in een situatie terechtkomen van leugens en bedrog. Vrienden hebben me al gezegd: ‘Maak je geen ­illusies, ze zal nooit met haar man breken voor jou.’ Maar dat is ook helemaal mijn bedoeling niet. Meer nog: het zou voor mij bijna een falen zijn mocht hun relatie niet standhouden.”

Tuurlijk is polyamorie geen hoeraverhaal. Ja, er is verdriet. En ja, de jaloezie sluipt er weleens in als een gif. “Maar terwijl die jaloezie bij monogame koppels vaak tot een afschuwelijke crisis leidt, zal ze bij polyamoristen eerder de basis vormen voor een goed gesprek”, vergelijkt Heleen Debruyne fijntjes.

Isabelle, ondertussen weer jaren monogaam, moet er smakelijk om lachen: “Eerlijk waar, nu is er veel meer jaloezie tussen ons dan toen. (lacht) De context was helemaal anders. Als mijn man nu nog maar met een andere vrouw afspreekt, denk ik al: hela, wat krijgen we nu? Omgekeerd ook: je zou zijn blik moeten zien als een andere man mij nog maar een compliment geeft. ­(schatert)”

Maar hoe groen lach je dan als je, zoals Nima, te slikken krijgt hoe fijn die stomende seks met de ander was? “Er kan zeker jaloezie opspelen”, bekent hij. “Maar ik voelde het nog nooit ­tegenover haar lief. In het begin van onze relatie had ik het wel lastig, toen ze me op een keer ­doodleuk vertelde dat ze met nog een ander naar bed was geweest. Dat maakte me erg onzeker: zal híj mijn plaats nu innemen?”

Veel belangrijker dan jaloezie, zo benadrukken kenners, is het haast tegenovergestelde gevoel: dat van compersie. Ook bekend als het ‘jalief-gevoel’. Je bent oprecht blij voor je partner omdat die het naar zijn zin heeft met die ander, hoe ­hitsig het er ook aan toegaat.

Peter: “Voor sommigen is dat moeilijk te ­vatten. Een vriend van mijn lief gaf ooit aan dat hij zijn vrouw dat nooit zou kunnen toelaten. Hij moet haar enige provider van liefde zijn. Maar hoe bezitterig is dat? Hoe romantisch is die ­exclusiviteit?”

Niet voor binnenvetters

Volgens een recent grootschalig onderzoek in de VS, afgedrukt in The Journal of Sex & Marital Therapy, had een op de vijf Amerikanen al ­ervaring met non-monogamie. Niet zo’n ­zeldzaam fenomeen meer dus. Zullen ook wij hier meer naar evolueren? “Graag”, hoopt Heleen Debruyne. “Nu zijn we vooral naar seriële ­monogamie geëvolueerd. Zijn we klaar met de ene, dan gaan we – hop – naar de volgende partner. Nogal deprimerend, niet? Polyamorie kan daar een uitweg uit zijn. Je zou dan met die ene partner een huis en diepe vriendschap kunnen delen, om daarnaast andere romances aan te gaan. In plaats van, zoals nu vaak gebeurt, ­meteen alles overboord te gooien.”

Al is de polyamorie niet voor iedereen ­weggelegd, benadrukt Goedele Liekens. Al zeker niet voor de binnenvetters onder ons. “Het kan alleen maar slagen als je bijzonder goed met je partner kunt praten, ook over de moeilijke ­gevoelens. Je moet toch sterk in je schoenen staan. Als je ziet dat je partner de hele tijd loopt te whatsappen met zijn lief, om dan een romantisch weekendje Parijs te boeken. Dan denk je: ­verdorie, dat heeft hij met mij de voorbije vijf jaar niet gedaan. Maar laten we wel wezen: dat gebeurt in monogame relaties ook, maar dan achter het gat.”

Ontrouw

Al zal de meervoudige liefde het overspel nog niet uit de wereld helpen, voegt Nina Callens eraan toe. “Ook binnen de polyamorie kan ontrouw bestaan. Cru gezegd: er zullen er altijd over het hek klimmen, zelfs al staan de deuren wagenwijd open.”

Afgelopen zaterdagavond, op café. Op Nima’s telefoon flitst een foto binnen. Zijn lief. Een luide lach: “Heeft ze die nu vanuit een toilet verstuurd?” (verliefde grijns) “We lijken wel pubers die berichten sturen.” Dat hij haar best wel vaker zou willen zien, vertelt hij. Maar ook: dat hij die ruimte nodig heeft, het kúnnen missen. Het kúnnen opgaan in vrijerijen met anderen. Nima: “Al heb ik daar niet veel nood aan nu. Ik ben zo hard aan het flashen op haar, niet normaal. Weet je, mijn hele leven al heb ik het gevoel dat er niet zoiets bestaat als dé juiste. Tot nu.”

(*) Omwille van de privacy zijn de namen van sommige getuigen veranderd.

 

Later bestaat niet

Toen mijn man pas overleden was, raadde mijn schoonzuster mij aan om een hond te nemen, zodat ik gezelschap zou hebben. Zelf is ze na de dood van mijn man nooit aan mijn deur geweest.
Hoe verkeerd kan je dingen zeggen om iemand te troosten? Ik moest er opeens aan denken toen ik bemerkte dat er het afgelopen jaar wel wat door mij gekende mensen overleden zijn. Er zullen weer veel honden moeten verkocht worden…

Vannacht heb ik gedroomd van Allerheiligen, en hoe geforceerd men zich blijft vastklampen aan die herdenkingsdag. Leef met je doden, maar herdenk ze niet, want een dode heeft ons niets meer te vertellen, en troost put je ook niet uit een graf op een koud kerkhof.

Ooit schreef ik dit gedicht voor mijn vader die het altijd over “later” had, en die dacht dat dan alles zou gebeuren en dat wat hij ons nu beloofde we dan zouden krijgen. Maar ondertussen was het leven hierdoor wel een pak moeilijker voor iedereen rondom hem, en leek het wel of gelukkig zijn en genieten taboe was.

Later

Later bestaat niet
Later is de dood
Een gemiste kans
Een onvervulde droom

Later is een zoethouder
Een slechte herinnering
Een uitvlucht
Later is van de lafaard
En de vrek

Later is voor wie
Niet kan geven
En toegeven
Later is niet van ons
Maar harteloze onzin

Later is groot beginnen
En klein eindigen
Voor wie niet bewust
Nu leeft

Micheline Baetens

Leef je leven nu, en wat voorbij is geef dat een plaats, zodat je verder kunt met wat je nog hebt.

Boek: Diagnosedrift

Essay Diagnosedrift

Laat die diagnose eens zitten en kijk hoe een kind wél tot bloei komt

Dat kinderen vaak diagnoses krijgen als adhd en autisme heeft ermee te maken dat onze samenleving zo individualistisch is geworden, betoogt Sanne Bloemink. Niemand is bij zulke labels gebaat, het kind niet, maar de gemeenschap zeker ook niet.

De Volkskrant – Sanne Bloemink – 26 oktober 2018

‘Nou, ga zitten’, zegt de juf als Eva binnenkomt op de ouderavond van haar zoontje Roemer.

De juf zit tegenover haar met de armen over elkaar en slaakt een diepe zucht: ‘Tja, wat is er nou mis met die jongen?’ Eva voelt zich overrompeld door haar vraag. ‘Ja, ik weet het niet precies,’ zegt ze. ‘Ik probeer er ook achter te komen.’

Eva en haar man hebben veel vragen over de 6-jarige Roemer, hun enige kind. Roemer is sociaal soms onhandig, onzeker ook. Hij houdt van tekenen, zit niet op allemaal clubjes, draagt geen merkkleding. Hij wil anders zijn, maar kan er tegelijkertijd niet goed mee omgaan als daar dan op wordt gereageerd. Misschien is hij gewoon niet zo ‘Goois’ als de andere jongetjes hier.

Roemer lijkt ontzettend op zijn vader, zegt Eva tegen de juf: ook niet iemand die gelijk het achterste van zijn tong laat zien. En dan, in dat gesprek met de juf, valt de term Asperger. ‘Ik weet niet meer of die juf dat nou gezegd heeft of dat ik daar zelf mee kwam’, zal Eva later vertellen. ‘Het voelde in ieder geval alsof er hoognodig een diagnose moest worden gesteld. Omdat dit gedrag niet normaal was.’

Eva is een van de ouders die ik sprak voor mijn boek Diagnosedrift. En het gesprek tussen de juf en Eva is exemplarisch voor een zorgelijke trend: steeds meer kinderen in Nederland krijgen een label opgeplakt, van psychiatrische diagnoses als adhd en autisme, tot etiketten als hoogbegaafdheid en dyslexie. Het aantal recepten voor adhd-medicatie (methylfenidaat) voor jeugdigen van 4 tot 18 jaar is in een periode van tien jaar (2003-2013) verviervoudigd (Gezondheidsraad, 2014). In 2016 zei 3,5 procent van de ouders van kinderen tussen de vier en twaalf jaar dat hun kind autisme heeft – terwijl wereldwijd de prevalentie van autisme tussen de 0,6 en 1 procent ligt. Uit onderzoek blijkt dat op een aanzienlijk deel van de scholen tussen de 10 en 19 procent van de leerlingen een dyslexieverklaring krijgt voor de eindtoets. En dat terwijl dyslexie volgens wetenschappers maar bij 3 tot 5 procent van van de leerlingen voorkomt.

Veel van deze ‘gelabelde’ kinderen vinden hun weg naar de professionele jeugdzorg. In 2015 kregen bijna 366 duizend jongeren jeugdzorg, vorig jaar waren dat er 405 duizend, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek in april. Gemeenten komen door deze toename steeds vaker in de rode cijfers. Vorige week nog bleek dat negentig gemeenten zelfs een beroep doen op een noodfonds voor het aanvullen van tekorten die zijn ontstaan door de uitdijende jeugdzorg. Tegelijkertijd lees ik keer op keer dat kinderen in Nederland tot de gelukkigste ter wereld behoren. Wat is er toch met onze kinderen aan de hand? Of liever: wat is er met ons aan de hand?

Terug naar Eva. Die is in dat gesprek met de juf helemaal niet uit op een diagnose. Maar de juf brengt het ‘probleem’ met Roemer ter sprake, en raakt daarbij een gevoelige snaar. Vanaf Roemers geboorte heeft Eva zijn ontwikkeling gevolgd met behulp van groeicurves en gemiddelden, via Google-zoekopdrachten en opvoedbladen. Ze is een toegewijde moeder. Als blijkt dat er iets ‘mis’ is, dan moet ze hem toch helpen? Stel dat het zijn schoolprestaties gaat beïnvloeden?

Ook de juf doet precies wat er van haar wordt verwacht. Zij hoort psychische problemen te signaleren en ouders over haar bevindingen te informeren. Waar we vroeger veelal zochten naar pedagogische en onderwijskundige oplossingen voor problemen van kinderen, vestigen we de aandacht nu op het individuele kind, en dan vooral op het brein. Historisch onderzoek laat zien dat er altijd al drukke, ongeconcentreerde of minder sociale kinderen zijn geweest, maar dat we in het verleden sneller genoegen namen met andere oplossingen. We zeiden bijvoorbeeld: ga maar een vak leren. Nu wordt bijna de helft van de kinderen hoger opgeleid. Terwijl er nog steeds veel kinderen zijn die beter tot hun recht zouden komen als ze niet verplicht een theoretische leerweg zouden moeten volgen.

Schuld

Zowel juf als moeder willen Roemer helpen en in hun ijver komen ze al snel uit bij een diagnose als de beste oplossing. Dan krijgt immers niemand de ‘schuld’, want de problemen zitten in de hersenen van Roemer. Het is makkelijker om het kind van een diagnose te voorzien dan je als school of als gezin af te vragen wat je kunt doen om meer ruimte te geven aan kinderen die anders zijn.

En dus horen we op het schoolplein dat de juf haar handen vol heeft aan die klas vol ‘probleemkinderen’. Dat die ouders om de hoek op hun laatste tandvlees lopen met het drukke gedrag van hun adhd-zoontje en dat we meisjes veel vaker moeten testen op autisme, want wisten we eigenlijk wel dat die diagnose bij meisjes vaak over het hoofd wordt gezien? Het gesprek gaat over de diagnose en niet over ons. Want waarom kan het drukke jongetje niet af en toe een rondje om het schoolplein rennen? Waarom heeft dat jongetje eigenlijk alleen maar last van zijn ‘symptomen’ als hij op school stil moet zitten? Waarom kan het moeilijk lezende meisje niet meer tijd krijgen voor toetsen?
Waarom is daar eigenlijk een officiële diagnose voor nodig? En waarom komt niemand erachter dat het meisje dat eindeloos getest wordt op autisme ernstig wordt verwaarloosd door haar ouders?

Ik sprak voor mijn boek niet alleen ouders en verzorgers, maar ook leerkrachten, psychologen, psychiaters en andere experts. En ik raakte ervan overtuigd dat vrijwel niemand gelukkig is met het groeiende aantal diagnoses onder kinderen. Het is een situatie die we met ons allen, als collectief, veroorzaken. Het ligt niet aan de ouders die te veel eisen van hun kinderen (of ze juist te veel vertroetelen), het ligt niet aan de leerkrachten die te veel op de stoel van de psychiater gaan zitten. En natuurlijk kunnen psychiaters minder pillen voorschrijven. Maar er is niet één schuldige, het is een complex systeem waar iedereen aan bijdraagt. Een logge tanker die moeilijk valt te keren.

Excellent

Een belangrijke achterliggende oorzaak van al die labels is de grote nadruk op de individuele, cognitieve vermogens van kinderen in onze maatschappij. Zo lijkt het hoogst haalbare voor een kind op dit moment het predikaat ‘excellent’. Maar de vraag is: excellent waarin? De ongeschreven regel luidt dat excellentie vooral tot uiting komt in cognitieve vaardigheden: Cito-toets, vwo, University College. Een neurowetenschapper die een bepaald gen in de hersenen heeft onderzocht, noemen we ‘excellent’, maar een verpleegkundige die talloze mensen heeft geholpen wordt hooguit ‘medewerker van de maand’.

Misschien horen kinderen op school dat aardig zijn en samenwerken goed is en verstandig, dat iedereen ‘zichzelf mag zijn’ en mag ‘groeien’ in zijn ‘eigen tempo’, maar in de praktijk leren kinderen snel genoeg dat het uiteindelijk gaat om de individuele, cognitieve schoolresultaten. En die gaan nu eenmaal niet omhoog door vriendelijkheid, maar door testscores.

Als een kind een klasgenoot helpt met rekenen, dan is er al snel de vrees: wordt hij voldoende uitgedaagd, verveelt hij zich niet? Is de plusklas misschien een optie? We denken daarmee vanuit het ‘eigen kind eerst’-principe. Maar zouden we dit gedrag niet juist moeten zien als een boost voor de ontwikkeling van het kind én van de groep?

Zolang onze benadering van kinderen binnen opvoeding en onderwijs zich blijft richten op individueel en cognitief presteren, op basis van rendementsdenken, zonder visie op samenleven en zonder collectieve doelen, ontwikkelen kinderen geen empathie en worden ze louter afgerekend op hun scores. De kinderen die niet passen in de steeds smaller wordende mal van ‘normaliteit’, vallen buiten de boot. Hun rest thuisblijven of particulier onderwijs. Of doorgaan op de reguliere school. Mét een diagnose.

Sommige ouders vroegen mij wat het probleem nu precies was. So what als mijn kind dat stempeltje heeft? Is het niet fantastisch dat Jip zich met zijn pilletjes nu veel beter kan concentreren op school?

Maar zelfs als we de chronische tekorten in de jeugdzorg negeren, zijn ook kinderen zelf vaak niet gebaat bij een diagnose. Een diagnose kan via een self fulfilling prophecy namelijk juist leiden tot het gediagnosticeerde gedrag. If men define situations as real, they are real in their consequences, zo luidt het zogeheten Thomas-theorema. Als bepaald gedrag eenmaal is geclassificeerd als een officieel erkend ‘hersenprobleem’, zal het kind zich gaan aanpassen aan deze definitie: ‘Nee, ik kan niet zo goed met anderen rekening houden, want ik heb autisme.’

Het Pygmalion-effect zorgt er bovendien voor dat ook de omgeving de verwachtingen van kinderen met een diagnose bijstelt: ‘Dat kan Tim niet, want hij heeft adhd.’ Dit kan leiden tot een neerwaartse spiraal met serieuze gevolgen. Zo lees ik dat 85 procent van de arbeidsongeschikte jongeren onder de 25 jaar thuiszit om psychische redenen. Hoe oud waren deze jongeren toen ze hun eerste diagnose ontvingen?

Een van de meest ingrijpende gevolgen van de eenzijdige focus op individuele symptomen is dat we het zicht op ernstige gevallen van kindermishandeling kwijtraken. Diagnosedrift leidt tot overdiagnose van individuele hersenproblemen van een grote groep kinderen, terwijl er tegelijkertijd sprake is van onderdiagnose van omgevingsproblemen als kindermishandeling en verwaarlozing. Signalen uit de psychiatrie wijzen erop dat deze ernstige problemen juist op grote schaal worden gemist en daarmee doen we deze groep kinderen ernstig tekort.

Klimaatverandering

De nadruk op individualiteit en cognitie doet niet alleen kinderen tekort; het is ook helemaal niet waar de wereld op zit te wachten. De grote uitdagingen van onze tijd – klimaatverandering, onze relatie met technologie – kunnen niet alleen worden opgelost door dat ene individuele genie dat zo hoog scoorde op de Cito-toets; daarvoor hebben we juist meer samenwerking nodig tussen mensen die grondig van elkaar verschillen en elkaar kunnen aanvullen. De collectieve ‘scenius’, de intelligentie van een ‘scene’, een omgeving, een netwerk, kan hele andere problemen oplossen dan het enkelvoudige, individueel briljante ‘genius’. In de kunst, wetenschap en technologie dringt dit al steeds meer door. Zo wordt momenteel veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar collectieve intelligentie van mierenkolonies, bijen en vogelzwermen, terwijl dergelijke voorbeelden uit de natuur weer een grote inspiratiebron vormen voor nieuwe technologie.

Collectieve intelligentie groeit niet door steeds meer kinderen van een diagnose te voorzien, maar juist door ze te leren wat de waarde is van verschil. Zodat Eva en de juf niet meer samen op zoek hoeven te gaan naar een diagnose voor een stoornis, maar met elkaar bespreken hoe Roemer zowel thuis als op school het best tot bloei kan komen.

Journalist en schrijver

Journalist Sanne Bloemink verruilde een loopbaan in de advocatuur voor het schrijverschap. Haar nieuwe boek Diagnosedrift. Hoe onze labelcultuur kinderen tekort doet verschijnt op 31 oktober bij Amsterdam University Press.