De vragen van Proust

De vragen van Proust

De Morgen – 07-10-2018 – Ann Jooris en Fernand Van Damme

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Vijfentwintig directe vragen, evenzoveel openhartige antwoorden. Vandaag: filosofe Tinneke Beeckman (42). Wie is zij in het diepst van haar gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“Wel, een generatie ouder sinds ik mama geworden ben. Ik heb een dochter van negen maanden en dat maakt echt wel een ­verschil. (neemt laptop, toont foto van Alma) Bij Margarete Mitscherlich (ook wel de grande dame van de Duitse psycho­analyse genoemd, 1917-2012, red.) las ik dat vrouwen van over de 40 van veel afscheid moeten nemen: van hun schoonheid, van hun verleidelijkheid, van hun hechte band met de kinderen, van hun eigen ouders. In de tweede helft van je leven sijpelt er dus op allerlei manieren rouw in je bestaan binnen. Ik denk wel dat dat klopt, maar voorlopig heb ik er niet zoveel last van.

Wie is Tinneke Beeckman?
geboren in 1976, in Antwerpen
studeert moraal­wetenschappen (VUB) en wijsbegeerte (ULB)
promoveert aan de VUB, doceert en doet er enkele jaren onderzoek naar moderne politieke filosofie
stopt als academica, wil meer vrijheid en creativiteit
publiceert onder meer over Spinoza en de verlichting
geeft lezingen over politieke en praktische filosofie, maatschappijkritiek en levenskunst
columniste en commentator, levert bijdragen aan o.m. De Morgen en De Standaard

“Het wordt pas moeilijk, denk ik, wanneer je krampachtig ­vasthoudt aan het idee jong te moeten blijven. Als je dat loslaat en aanvaardt dat ouder worden gewoon bij het leven hoort, ontdek je andere prioriteiten.”

2. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?

“Euhm. Dat ik helder en lucide probeer te kijken en te schrijven. Ik hou van waarachtigheid. Ik ben allergisch voor poses en inauthenticiteit. Ik probeer de dingen te zien zoals ze zijn en er ook niet van weg te kijken. Liever een echte droefheid dan een valse vrolijkheid. Daarom heb ik een voorkeur voor realistische ­filosofen, zoals Spinoza of Machiavelli, die er fel op hameren: je moet proberen het leven te zien zoals het is, de dingen te ­begrijpen vanuit hun oorzaken, jezelf geen rad voor de ogen te draaien. Ook niet over jezelf. Zelfkritiek is belangrijk. Die ego ­temperende werking van hun filosofie zint me wel. De mens denkt zo ­makkelijk dat hij het centrum is van de schepping. Hoe vaak meet hij zichzelf geen grotere rol toe dan hij eigenlijk speelt? In mijn eigen leven heb ik het als een bevrijding ervaren om die verbeelding los te laten. Je moet kunnen loskomen van de vraag of wat je doet in de smaak valt. Pas als je je niet meer aantrekt wat de anderen van je denken, kun je trouw blijven aan jezelf.”

3. Wat is uw passie?

“Wel, zo’n beetje wat ik net zei. (lacht) Of zoals André Comte-Sponville (Frans filosoof, °1952, red.) het ooit formuleerde: ‘Vivre sa pensée et penser sa vie’. Je denken beleven en je leven ­bedenken. Pas toen ik na tien jaar een punt zette achter mijn ­academische carrière en de filosofie als een roeping ben gaan beschouwen, besefte ik wat mij inherent gelukkig maakt. Ik heb er lang mee geworsteld, maar heb uiteindelijk ingezien dat ik niet thuishoor in een competitieve omgeving, waarin sommigen alles op het spel zetten voor meer aanzien en prestige en zelfs recht tegen de filosofie ingaan die ze aanhangen. Op het einde had ik de indruk dat ik naar een circus keek.
“Of een roeping niet nogal zwaar op de hand klinkt? Tja, maar er staat iets op het spel voor mij, filosofie is niet vrijblijvend.”

4. Is het leven voor u een cadeau?

“Eigenlijk wel. ‘Vivre sa pensée et penser sa vie’ gaat over hóé je kunt leven en niet óf je moet leven. Existentiële angst heb ik niet, maar ik denk niet dat dat mijn verdienste is, je moet ook wat geluk hebben met wat je allemaal hebt meegemaakt. Ik ben dus geen nostalgisch, melancholisch of depressief iemand, dat is al een groot geschenk op zich. Denk nu niet dat mijn leven één ­lang­gerekte vrolijkheid is, maar fundamenteel existentiële twijfels heb ik niet. Tot Kierkegaard, Sartre of Camus ben ik dan ook niet aangetrokken. Ik apprecieer die filosofen wel, maar ze hebben het over ervaringen die ver van mij afstaan.

“Leven betekent voor mij al de kracht en alle mogelijkheden die je in jou hebt, proberen te verwezenlijken. In het volle besef van je eigen beperkingen en belemmeringen. Dus niet: ik kan alles wat ik maar wil, maar wel proberen te zijn wie je kunt zijn.”

5. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Wel, het eerste wat me ’s ochtends blij maakt, is Alma’s lachende gezichtje als ze wakker wordt. En met Alma gaan wandelen in het park vind ik altijd heel bijzonder. De schoonheid van een boom kan iets heel intens hebben. Het enige wat dan bestaat, is dat moment. Dat vind ik heel ontspannend.”

6. Wat is uw zwakte?

“Ik ben nogal moeilijk om te leren kennen, waardoor ik ook wel kansen mis om anderen te leren kennen. En ik ben niet erg ­vergevingsgezind. Als mensen me kwetsen of ontgoochelen, houden ze voor mij op te bestaan. Wraakzuchtig ben ik niet, maar ik voel wel dat er een afstand ontstaat die ik niet makkelijk kan overbruggen. Ik probeer daaraan te werken, want ik vind vergevings­gezindheid belangrijk, maar ervaar toch dat het ­moeilijk is om daar verandering in te brengen.”

7. Waar hebt u spijt van?

“Niet van veel. Spinoza zegt: berouw is een dubbele droefheid. Het betekent één: dat je je in het verleden vergist hebt, dat je iets gedaan hebt wat eigenlijk pijnlijk of verkeerd was, en twee: dat je er nog altijd ongelukkig om bent. Volgens hem ligt dat aan een gebrek aan zelfinzicht, omdat je je verbeeldt dat je iemand anders had kúnnen zijn dan de persoon die je was. Als je inziet dat je, gezien wie je toen was en wat je toen wist, niet anders kon dan doen wat je toen gedaan hebt, kun je dat idee van spijt loslaten. Eenvoudigweg omdat je toen omringd was door bepaalde ­mensen, of omdat er bepaalde beperkingen of omstandigheden waren, of gewoon omdat je de dingen toen nog niet helder zag. Dat is dan maar zo. Punt. In dat opzicht is spijt niet iets waar ik veel aandacht aan besteed.”

8. Wat is uw grootste angst?

“Privé: dat mijn dochter mij nodig zou hebben en dat ik er niet zou zijn.

“Maatschappelijk: dat mensen het contact met hun eigen ­menselijkheid verliezen. (zucht even) Wat ik beangstigend vind, is de nonchalante manier waarop mensen omgaan met de hele culturele erfenis. Terwijl ik Machiavelli las voor mijn nieuwe boek, bedacht ik: zonder kennis van het verleden is de toekomst alleen eenzaamheid. Ik denk dat vandaag velen zich eenzaam voelen omdat ze zich niet meer met de vorige generaties en met hun eigen cultuur verbonden voelen. Dat heeft te maken met het consumentisme – alles moet altijd leuk, snel en niet te moeilijk zijn –, met het winstbejag – alles moet renderen – en met de diversiteits­obsessie. Onlangs nog suggereerde Caroline Pauwels van de VUB de verlichting los te zien van het westerse verleden, omdat niet iedereen zich daar goed bij voelt. Eigenlijk is dat een soort onterving, want je kunt de verlichting niet begrijpen zonder de geschiedenis te kennen. Dan rest alleen nog een vaag concept dat niets meer betekent.

“Schoon schip willen maken is typerend voor deze tijdgeest. Denk aan het initiële motto van Facebook: ‘Move fast and break things’. Dat is de cultuur van de eeuwige pubers die dingen uitproberen, maar intussen de westerse democratie al enorme schade hebben toegebracht. Een democratie die tot stand is gebracht door eeuwenlange inspanningen van moedige mensen. Dat ­hyper­individualisme van vandaag, het individu dat vanuit zijn eigen creativiteit, zonder verantwoordelijkheid te nemen voor wat hij doet, ongebreideld te werk kan gaan, is gevaarlijk. Het idee dat de mens hier en nu alles op zichzelf kan uitvinden, getuigt van hoogmoed. Die roekeloosheid waarmee de rijkdom van het verleden gewoon opzij wordt geschoven, beangstigt mij, ja.”

9. Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Bij A Gentleman in Moscow van Amor Towles. Dat boek kan ik heel hard aanbevelen. Het gaat over een aristocraat die in 1923 voor het schrijven van een opruiend gedicht veroordeeld wordt tot levens­lang huis­arrest in hotel Metropol in Moskou. Het is een gevat, grappig maar ook tragisch verhaal. Op een bepaald moment komt er een hartverscheurende scène in voor tussen een moeder en haar dochter. Meer ga ik er niet over vertellen omdat ik de plot niet wil verpesten. Maar het gaat over wat zoveel ­miljoenen mensen in de geschiedenis hebben ­meegemaakt: om je kinderen te redden moet je ze soms laten gaan, met het risico hen nooit meer terug te zien.”

10. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Ik kan heel kwaad worden. Maar minder dan vroeger sinds ik besef dat onder woede vaak andere ­gevoelens schuilgaan. Zoals verdriet. Als je je dan even afzondert en met je verdriet in contact komt, ebt die woede ook weer snel weg.”

11. Welk kunstwerk heeft u gevormd of heeft een blijvende indruk nagelaten?

“Dat zijn er zoveel, maar zeker dit (wijst naar de muur): een replica van de godin Athena die rouwt om de slachtoffers van de Peloponnesische Oorlog (vijfde eeuw v.C., red.). Ik heb die steen meegebracht toen ik met mijn ouders in Athene was. Als 16-jarige vond ik dat een heel mooi werk, en ik vind dat nog altijd. De droefheid die ze uitstraalt, terwijl ze op haar speer rust, blijft mij ontroeren.”

12. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“Ik ben niet gelovig opgevoed en heb lang gedacht dat ik helemaal niets met het christendom te maken had, wat natuurlijk niet klopt. We zijn op zoveel manieren in de ­christelijke cultuur ingebed.

“Maar de enige echt religieuze ervaring die ik gehad heb, was tijdens het schrijven van mijn Spinoza-boek. Ik was aan het wandelen op de Kalmthoutse Heide en wist dat ik zou ­weggaan uit de academische wereld. Het was een warme dag in juli. Het licht, de lucht, de bomen, alles zinderde. Plots overviel mij een enorm gevoel van dankbaarheid, van vrijheid ook, waar een immense kracht van uitging. Dat was niet alleen maar een idee, ik voelde letterlijk, met heel mijn lichaam, dat ik opgenomen werd in iets wat mij volkomen oversteeg. Een soort genade overviel me. Maar even plots was het weer weg.” (lacht)

13. Hoe kijkt u naar uw lichaam?

“Na mijn zwangerschap helemaal anders. Als je zwanger bent, ontplooit je lichaam zich vanzelf, terwijl je daar niets over te zeggen hebt. Dat is echt wel wonderlijk. En daarna moet je al die kilo’s weer kwijt zien te raken.

“Het viel me toen op ­hoeveel vrouwen er in de media worden geportretteerd die er na de bevalling miraculeus weer uitzien als 21-jarige meisjes. Denk aan Kate Middleton, die al een paar uur na de geboorte van haar kind naar de menigte stond te zwaaien. Dat zegt toch ook wel veel over onze cultuur, omdat het zo onrealistisch is. (lacht) Of Amal Clooney, op zich een fantastisch mooie vrouw. Ze was pas bevallen van een tweeling en zag er na twee maanden weer uit als een 25-jarige die nooit zwanger was geweest. Dat klinkt bewonderenswaardig, maar het is dramatisch. Vergankelijkheid en het verglijden van de tijd hebben geen plaats in onze cultuur. Je moet altijd tot de jongste generatie blijven behoren, zelfs al is er pas iets gebeurd waaruit blijkt dat je een generatie ­opgeschoven bent. Dat idee moet je als vrouw loslaten, want voordat je het weet, bepaalt het je zelfbeeld.”

14. Wat vindt u erotisch?

“Euhm. Een man met een mooie houding in een mooi pak. Leonard Cohen had dat heel goed begrepen, vind ik. Die wist wat stijl was. Nu, ik val niet op oudere mannen. Begrijp me niet ­verkeerd. (lacht) En alleen het pak is niet voldoende. (lacht) Want dat zou betekenen dat de mannen van The City het toppunt van erotiek zijn en dat is niet het geval.”

15. Wat is uw goorste fantasie?

“Bewust lelijkheid opzoeken is mij echt vreemd. Toen ik onlangs in een oud interview met Romy Schneider las dat ze haar man met zijn hoofd tegen de muur wilde kwakken toen hij wilde scheiden, snap ik dat wel. Ik veroordeel dat ook helemaal niet, maar ik denk gewoon dat ik op een andere manier met gevoelens omga. Als ik woede voel opkomen, zonder ik mij af en ga ik na wat er echt speelt.”

16. Welk dier zou u willen zijn?

“Ah, een ekster. Die leven in koppel, wat ik schattig vind. En iedereen laat die dieren met rust. Als je te mooi bent, word je opgejaagd.”

17. Hoe was de relatie met uw ouders?

“Ik denk dat ik heel veel geluk heb gehad met mijn beide ouders. Op hun manier hebben ze heel erg hun best gedaan. Nu ik zelf een dochter heb, besef ik dat des te meer. Toen Alma een paar weken oud was, stonden mijn man en ik naast haar bedje. Terwijl ze ons zo aan het aankijken was met haar grote ogen, zei ik tegen haar: ‘Kijk, hier ga je het mee moeten doen, met die twee zotten’. Dat was wel een fel moment. Want je kent je kind niet, maar je kind kent jou ook niet. En je bent wel tot elkaar veroordeeld.

“Mijn ouders zijn allebei overleden. Ze hebben ons heel veel liefde en affiniteit meegegeven voor literatuur en muziek, voor andere culturen, voor politiek ook. Ze hadden het niet echt breed. En toch namen ze ons van kleins af aan mee op reis: naar Athene, Rusland, Egypte, Marokko, India… Je kinderen andere beschavingen leren kennen was voor mijn vader een humanistisch ideaal. Ik heb daar een enorm gevoel van verbondenheid aan overgehouden.

“Mijn ouders kookten ook heel graag en maakten vaak uitheemse gerechten. Dan gingen we thuis op reis. Mijn vader zorgde voor vlaggetjes van het land en zette lokale muziek op. Zo hadden we Zaïrese avonden en aten we moambe, Indiase avonden en aten we curry’s, Libanese avonden en zetten we Fairuz op (een van de bekendste zangeressen van het Midden-Oosten, red.). Dat was altijd heel avontuurlijk.

“Maar het idee dat kinderen altijd alles leuk moesten vinden, bestond bij mij thuis niet. Evengoed zette mijn vader een ­documentaire op over de Holocaust of over Stalingrad en ­moesten we stilletjes luisteren. Hij vond dat we voeling moesten hebben met de geschiedenis. En ik denk dat ik daardoor thuis veel meer geleerd heb dan op school.”

18. Hoe definieert u liefde?

“Voor mij is er een gedicht van William Blake dat het helemaal zegt. Beter kan ik het niet formuleren. Het heet ‘How to know love from deceit’ en gaat als volgt: ‘Love to faults is always blind/ always is to joy inclined/ lawless winged and unconfined/ and breaks all chains from every mind’. En dat is het dus. Liefde is altijd een blijdschap en kent geen wetten en geen grenzen, en vooral: liefde bevrijdt je geest. Je aanvaardt mensen zoals ze zijn.”

How to know love from deceit

Love to faults is always blind
always is to joy inclined
lawless winged and unconfined
and breaks all chains from every mind.

William Blake

19. Bent u een goede vriend?

“Virginia Woolf schreef in The Waves: ‘Ik heb vrienden verloren. Sommigen through death, omdat ze overleden zijn, maar soms ook door the sheer inability to cross the street’ en dat heb ik ook, zo’n inability to cross the street. Een soort innerlijke burcht die toch niet zo makkelijk inneembaar is, ja voilà. Ik stel me moeilijk open voor anderen, maar heb gelukkig wel een paar heel goede vrienden.”

20. Hoe zou u willen sterven?

“Omringd door de mensen die ik graag zie en ook in het ­vertrouwen dat zij gelukkig kunnen zijn.

“Niet snel en pijnloos, zoals zo velen zouden willen. Ik vind dat zo’n oppervlakkig antwoord. Eigenlijk houdt dat in: ik leef al voortdurend alsof de dood niet bestaat en als ik dan sterf, wil ik er ook niet bij zijn. Dat doet me denken aan Woody Allen, die ergens zegt: ‘Sterven vind ik niet erg, ik wil er alleen niet bij zijn als het gebeurt.’ Dat is natuurlijk een grap, in al z’n absurditeit. Je moet dat dus niet letterlijk nemen. (lacht) Alsof dat trouwens een optie zou zijn.

“Ik denk dat dood en vergankelijkheid deel uitmaken van het leven. Jammer genoeg leven we in een cultuur die dat totaal ontkent.”

21. Wat is voor u de hel op aarde?

“Moeten leven in een samenleving waar autoritaire of religieuze leiders de plak zwaaien. En dan zeker als vrouw te moeten gehoorzamen aan mannen die denken dat ze van nature superieur zijn, terwijl ze geen generositeit of wijsheid in zich dragen.”

22. Laat u racistische of seksistische opmerkingen passeren?

“Ik laat ze helaas vaak passeren, omdat ik soms zo verbouwereerd ben dat ik te traag ben om te reageren. Maar ik zal er achteraf wel proberen op terug te komen, op een indirecte manier.

“Ik vind wel dat anti­racisme en anti­seksisme vaak gepolitiseerd worden. Achter aanklachten schuilt vaak een verborgen agenda. Neem nu Julian Assange, de man van WikiLeaks, die beschuldigd wordt van verkrachting en in de Ecuadoraanse ambassade in Londen verblijft. De bekommernis van de Britten om hem te willen uitleveren aan Zweden, waar verkrachting ruimer geïnterpreteerd en bestraft wordt, is alleen maar politiek geïnspireerd.

“Het probleem van seksueel geweld tegen vrouwen wordt ­helemaal niet aangepakt! Was het maar zo dat men alle moeite van de wereld zou doen om verkrachters daadwerkelijk te ­arresteren! Maar dat is niet het geval, helaas voor heel wat ­vrouwen. Dat is zo pijnlijk. Wat een klucht!”

23. Wat betekent geld voor u?

“Geld is tijd. Geld is ook de mogelijkheid om de dingen te doen die je wil doen, om de mensen te ontmoeten die je wil ­ontmoeten en je van de rest niets aan te trekken. Ik zou graag zeggen dat geld maar een middel is, maar dat is gewoon niet waar. Geld is in onze samenleving zoveel meer. Bovenal: status. Het lijkt wel alsof geld­bezit je meer bestaans­recht geeft.”

24. Wat is uw vreselijkste vakantie­herinnering?

“Ik was samen met een vriend naar een gemeenschappelijke vriendin in Amerika gereisd. Op een dag maakten mijn vriend en ik een uitstap. Terwijl we samen in een winkel stonden, zag ik hem stiekem iets stelen. Eerst ontkende hij, maar achteraf gaf hij toe dat hij al op tal van plaatsen gestolen had. Hij bleek een kleptomaan. Dat voorval heeft mijn blik op hem volledig ­veranderd, halverwege de reis. We moesten nog een paar weken samen bij die vriendin doorbrengen, wat heel ­onaangenaam was, want onze vriendschap was voorbij.”

25. Wie zou u hier eens uw mening willen zeggen?

“Mijn buurman. Dat is een sympathieke mens, maar hij zet zijn muziek zo luid. En dan nog van die smartlappen. André Hazes, maar dan op z’n Grieks. Het lijkt wel alsof hij heimwee heeft naar zijn vakantie. Heel het jaar door. Nee, hij is geen Griek, hij is een Israëli en leest geen Nederlands. Maar hij is heel lief, ook ­tegenover Alma. Hoe kan ik nu kwaad worden op zo iemand? Maar soms ben ik het zo beu, dat ik gewoon wil schreeuwen. Vooral in de winter. Je wil Kerstmis vieren, en dan die luide Griekse muziek! Jullie horen het: ik ben het écht beu.” (lacht)

Een zelfgekozen einde

Hoe zelfmoordgedachten ontstaan en waarom ze zo moeilijk te onderdrukken zijn. ‘Nee een depressief persoon zal niet zelf hulp zoeken’

HUMO – 8 oktober 2018

Zelfdoding is de belangrijkste doodsoorzaak bij Vlamingen tussen de 15 en de 49 jaar. De voorbije weken kregen we via heftige getuigenissen inzicht in de redenen voor die verschroeiende levensmoeheid. Deze week leggen we de mechanismen bloot die ervoor zorgen dat mensen er helaas zo vaak aan toegeven. In zijn boek ‘Een zelfgekozen einde’ toont de Amerikaanse psycholoog Jesse Bering (43) aan hoe onze geest ons bedot op de momenten dat we een makkelijke emotionele prooi zijn. ‘Het gevoel te willen verdwijnen, gaat vanzelf weer weg. Maar het is moeilijk om jezelf daarvan te overtuigen.’

‘Een zelfgekozen einde’ van Jesse Bering verschijnt op 16 oktober bij Nieuw Amsterdam.

HUMO Uw boek is opgedragen aan ‘de suïcidale mens in ons allen’. Kan iedereen suïcidaal worden?

JESSE BERING «Sommige aspecten van suïcidaal denken zijn eigen aan de mens. Niet iedereen wordt daarom suïcidaal, maar de gedachte om je leven te willen beëindigen, is niet ongewoon. Ik bedoel het vooral als reactie op de medicalisering van zelfmoordgedachten. Levensmoeheid is een fundamenteel onderdeel van de mens, en daar moeten we mee leren omgaan.

Onderzoek toont aan dat 90 procent van de zelfdodingen samenhangt met mentale aandoeningen zoals depressie en angststoornissen, of met psychiatrische aandoeningen zoals bipolariteit en schizofrenie – waarbij je sowieso grip verliest op de realiteit. Dat cijfer is wel ietwat misleidend, want het is gebaseerd op psychologische autopsies (waarbij men de geestestoestand van iemand die zelfmoord heeft gepleegd, nagaat aan de hand van gesprekken met naasten en schrijfsels van de overledene, red.). Die dossiers worden beoordeeld door pathologen, psychiaters of lijkschouwers die weten dat ze met een zelfdoding te maken hebben, en dus door die specifieke bril kijken. Als je hen dezelfde dossiers zou laten bestuderen zonder te zeggen dat het om zelfmoord gaat, zouden ze minder snel een mentale aandoening vaststellen. Bovendien is niet iedereen met een depressie suïcidaal, ongeveer 5 procent van die mensen gaat tot zelfdoding over. En ook niet iedereen die zelfmoord pleegt, is depressief – zo’n 0,5 procent van de mensen die uit het leven stappen, was niet depressief. Het is dus niet altijd zo duidelijk. Feit blijft dat jaarlijks 800.000 mensen uit het leven stappen, en dat zijn er enorm veel.

Mijn boek is er in de eerste plaats voor mensen die kampen met een depressie of die plots geconfronteerd worden met overdonderende situaties en niet weten hoe ze daarmee moeten omgaan.»

HUMO U wordt sinds uw tienerjaren zelf geplaagd door zelfmoordgedachten.

BERING «Ja, maar de oorzaak van die gedachten is doorheen de jaren wel geëvolueerd. Ik ben opgegroeid in een kleingeestig stadje in het Amerikaanse Midwesten: niet meteen de ideale plek om als homoseksuele tiener uit de kast te komen. Zeker niet in de jaren 80. Ondertussen ligt mijn outing al meer dan 20 jaar achter me en ben ik al 10 jaar samen met mijn vriend Juan: de angst omtrent mijn geaardheid is dus al gaan liggen. Maar nog niet zo lang geleden maakte mijn plotse werkloosheid me radeloos.

Ik heb altijd veel aanzien genoten in de academische wereld: ik heb een onderzoekscentrum geleid, gaf lezingen over de hele wereld en mijn artikels verschenen in gezaghebbende wetenschappelijke tijdschriften — en dat allemaal vóór mijn 35ste. Ik had in mijn job alles bereikt waar ik ooit van gedroomd had, en dacht: ‘Wat nu?’ Ik besloot me toe te leggen op boeken en populairwetenschappelijke artikels over de gewaagdste onderwerpen: waarom sommige mensen opgewonden raken door geamputeerden, bijvoorbeeld. Goed voor veel online-pageviews en enkele passages in tv-shows, maar niet goed voor mijn academische geloofwaardigheid. Bovendien betaalden die freelanceopdrachten niet goed. Plots vond ik mezelf een loser. Ik had geen duidelijk doel meer en besefte dat ik mijn vroegere succes als vanzelfsprekend had beschouwd. Ik voelde me ellendig, slikte Prozac en begon hevig naar de dood te verlangen. Voor de buitenwereld hield ik verborgen dat ik diep in de put zat. Mijn zelfmoordgedachten leken bovendien niet gerechtvaardigd: wat stelde mijn ellende voor, vergeleken met wat pakweg Syrische vluchtelingen te verduren krijgen? Daardoor voelde ik me nog schuldiger en waardelozer.

Ik heb het geluk gehad dat er toen een geweldige kans uit de lucht kwam gevallen: ik kreeg een job aangeboden aan de universiteit van Otago in Nieuw-Zeeland. Dat aanbod heb ik met beide handen gegrepen, en nu mag ik op één van de mooiste plekken ter wereld wonen en werken.»

HUMO In uw boek gebruikt u uzelf als voorbeeld voor de stelling dat mensen die altijd veel geluk of succes gehad hebben, vatbaarder zijn voor suïcidale gedachten.

BERING «Dat is een stelling van sociaal psycholoog Roy Baumeister, die ik onderschrijf. Wie het geluk een tijdlang in de schoot geworpen krijgt, begint onredelijke normen aan dat geluk te stellen. Als je dan toch eens een tegenslag kent, kost het extra veel moeite om daarmee om te gaan. Hoe hoger je klimt, hoe dieper je valt.

Als wetenschapper verloor ik plots aanzien door mijn ommekeer in onderzoeksonderwerpen. Dat bracht me aan het wankelen: plots zag ik mezelf als een doorsneemens zonder speciale eigenschappen. Als ik nog geen succes had gekend, zou die overgang niet zo traumatiserend geweest zijn. Ik raakte erg begaan met wat anderen van me dachten. Dat is één van de belangrijkste punten uit mijn boek, en dat maakt zelfmoord ook tot een uniek menselijk probleem: dieren houden zich niet bezig met hoe andere dieren hen zien. Dat wij daar wel over kunnen nadenken, kan veel goeds, maar ook veel slechts opleveren. Schaamte, bijvoorbeeld: beschouwen anderen mij als een succes of als een mislukking?»

HUMO Het is dus zaak om je eigenwaarde niet van je job te laten afhangen?

BERING «Het is een gok om heel veel te investeren in je carrière, of om al te trots te zijn op de statussymbolen die je vergaarde. Dat kan plots allemaal wegvallen, en als je dan geen emotioneel vangnet hebt, zul je klappen moeten incasseren. Dat betekent niet dat we niet ambitieus mogen zijn, maar we mogen niet uit het oog verliezen hoe belangrijk vriendschappen zijn, en hoe belangrijk het is om gewaardeerd te worden omdat je simpelweg een goed mens bent.»

HUMO Speelt maatschappelijke druk geen rol? Wie het niet zelf weet te maken, wordt al snel als een loser beschouwd.

BERING «Dat onze maatschappij steeds individualistischer wordt, zal niet helpen, maar ik denk ook niet dat het daarom slechter wordt. We zijn afhankelijk van wat anderen over ons denken, omdat we nu eenmaal sociale wezens zijn. We hebben behoefte aan anderen die vinden dat we ertoe doen. Daar kunnen we wel beter mee leren omgaan. Veel mensen toeteren: ‘Ik trek mij niets aan van wat anderen over mij denken!’ Het is makkelijk om dat te zéggen, maar ik hoor zulke statements altijd met enige achterdocht aan.

Eén van mijn favoriete onderzoeken is een experiment van sociaal psycholoog Tom Gilovich, die zijn eerstejaarsstudenten een opzichtig T-shirt liet aantrekken met een foto van Barry Manilow, een zanger die in de jaren 70 grote hits scoorde met ‘Mandy’ en ‘Copacabana’. In het jaar 2000, toen het experiment werd afgenomen, vonden jongeren hem héél uncool (lacht). Gilovich stuurde zijn studenten een drukke ruimte in en vroeg hun daarna om in te schatten hoeveel procent van de mensen het T-shirt had opgemerkt. Ze waren ervan overtuigd dat minstens de helft hun modeblunder had gezien, terwijl slechts een kleine minderheid er écht oog voor had. Die neiging om te denken dat wij het middelpunt vormen van andermans aandacht, noemt Gilovich het spotlight effect. Vooral tieners hebben er last van, waardoor de puberteit een bijzonder pijnlijke periode kan worden. Maar eigenlijk is het dus net geruststellend om te weten dat anderen heus niet zo hard met ons bezig zijn als we zelf misschien denken.

Wat ook meespeelt, is dat veel mensen perfectionistisch zijn, waardoor ze onrealistisch hoge eisen aan zichzelf gaan stellen. Halen ze die niet, dan voelen ze zich mislukt en gaan ze ervan uit dat anderen hen ook als een mislukkeling zien. Daardoor gaan ze zichzelf dan beschouwen als een last voor hun familie en dichte vrienden.»

erfelijke component

HUMO Dat is een terugkerend element in de getuigenissen in Humo: de mensen die we spraken, waren er ooit van overtuigd dat hun omgeving ‘beter af zou zijn’ zonder hen.

BERING «Die opvatting is natuurlijk een onbewuste denkfout, maar ze valt vanuit evolutionair standpunt wel te verklaren. Stel dat je je job en je partner verliest. Onderzoek toont aan dat wie geen vooruitzichten meer heeft om (nog) kinderen te krijgen, en wiens voortbestaan de toekomst van zijn nauwste genetische verwanten in het gedrang brengt – kortweg: wie meer kost dan hij bijdraagt – de meeste kans heeft om te overlijden door zelfdoding. Het klinkt cru, maar puur wetenschappelijk gezien heeft zelfmoord in zo’n geval geen invloed op het voortbestaan van je genen. Al zou je familie in werkelijkheid natuurlijk veel slechter af zijn zonder jou: liefde houdt geen rekening met wetenschap.

Het werkt ook in de omgekeerde richting. Uit onderzoek blijkt dat maar weinig mensen op date willen met iemand die een zelfmoordpoging achter de rug heeft. Ook dat valt evolutionair te verklaren: je wilt je genetisch materiaal liever niet investeren in iemand die een hoger risico loopt om zelfmoord te plegen, en die jouw kinderen misschien moeder- of vaderloos achterlaat.»

HUMO Het stigma dat aan zelfdoding kleeft, kent dus een evolutionaire oorsprong?

BERING «De vooroordelen omtrent zelfdoding vallen alleszins niet rationeel te verklaren. Waarom willen mensen bijvoorbeeld liever geen huis kopen waarin een zelfdoding heeft plaatsgevonden? Zelfs wie niet gelovig is, – volgens veel religies wordt je ziel onrein als je zelfmoord hebt gepleegd en ga je daardoor niet naar het hiernamaals – kan niet precies uitleggen waarom: ‘Het voelt gewoon niet goed.’ En blijkbaar voelt iemand die zelfmoord wil plegen dat ook aan: zelfdodingen gebeuren regelmatig buitenshuis, om te voorkomen dat de eigen woning ‘psychologisch beladen’ raakt.

Ik heb onderzoek gedaan naar die irrationele oordelen. De casus ging zo: je hebt een orgaantransplantatie nodig, en er zijn drie mogelijke donoren. Ze zijn allemaal even geschikt, maar de ene is verongelukt, de andere werd vermoord, en de derde pleegde zelfmoord. Welke donor kies je? Veel deelnemers zeiden dat de doodsoorzaak niet belangrijk was, als het donor-orgaan hun leven kon redden, maar toch zetten ze vrijwel allemaal de zelfmoordenaar op de laatste plaats. Wat ze vertelden, strookte niet met hoe ze zich daarbij voelden.»

HUMO Eén van onze getuigen is ervan overtuigd dat de aanleg voor zelfdoding in zijn genen zit. Bestaat er een ‘zelfmoordgen’?

BERING «Zo ver zou ik niet gaan. Studies bij tweelingen hebben wel aangetoond dat de kans groter is dat identieke tweelingen allebei overlijden door zelfdoding dan niet-identieke tweelingen. En dat ligt niet aan de opvoeding, want bij geadopteerde mensen die een zelfmoordpoging ondernomen hebben, is de kans zes keer groter dat hun biologische verwanten die in een ander gezin opgegroeid zijn, dat ook gedaan hebben. Daaruit kunnen we afleiden dat zelfmoordneigingen een genetische basis hebben.
»Maar dat wil níét zeggen dat zelfmoord bepaald wordt door je genen, of dat je voorbestemd bent om zelfmoord te plegen omdat je identieke tweelingbroer uit het leven gestapt is. Het betekent wél dat die aanleg in combinatie met risicofactoren – verwaarlozing, seksueel misbruik, lichamelijk geweld, alcoholisme en andere traumatische ervaringen – makkelijker tot suïcidale gedachten zal leiden. Iemand die als kind misbruikt werd en een aanleg heeft voor zelfdoding, zal dat veel harder voelen dan iemand die ook die aanleg heeft, maar niet misbruikt werd.

Er schuilt een erg complex mechanisme achter de reden waarom iemand tot zelfdoding overgaat. Het is niet enkel nurture of nature: het is een interactie tussen de twee, en dat maakt de ene mens kwetsbaarder dan de andere. De ene vindt bijvoorbeeld zijn job verliezen catastrofaal, terwijl de andere daar beter mee kan omgaan.»

Korte brieven

HUMO Soms lijkt een zelfdoding uit het niets te komen. Moeten we aandachtiger zijn voor onze naasten?

BERING «Zelfs psychiaters die getraind zijn om te zoeken naar symptomen van zelfmoordgedachten, zijn daar notoir slecht in. Dan kun je moeilijk van de doorsneemens verwachten dat hij daar oog voor heeft. Veel mensen camoufleren hun intenties, doen alsof er niets aan de hand is, of wíllen niet noodzakelijk hulp. En veel mensen weten van zichzelf niet dat ze suïcidaal zijn, tot het te laat is. De verantwoordelijkheid ligt dus bij de suïcidale persoon zelf. Natuurlijk moeten we proberen om gedragsveranderingen op te merken, maar we kunnen geen gedachten lezen. De beste voorspeller dat iemand zelfmoord zou gaan plegen, is helaas een eerdere zelfmoordpoging.

Het beste wat je kunt doen voor iemand die zwaar depressief is, is in zijn plaats een afspraak maken bij een therapeut en hem daar zelf gaan afzetten. Als je depressief bent, ben je emotioneel zo uitgeput dat je niet eens uit je bed of sofa raakt, laat staan dat je de moed zou hebben om naar een therapeut te gaan. Het is onrealistisch om van een depressieve persoon te verwachten dat hij hulp zoekt: zijn omgeving moet handelen.»

HUMO Een constante in de getuigenissen: zodra er een nieuwe liefde in het spel is, verdwijnt een groot deel van de zwaarmoedigheid.

BERING «Dat zie je voortdurend. Mijn zus maakt nu hetzelfde mee: na een slecht huwelijk is ze onlangs een nieuwe relatie begonnen, en ze loopt er stukken vrolijker bij.»

HUMO Maar als je je geluk laat afhangen van een relatie, wordt het toch sowieso moeilijk om het in je eentje te redden?

BERING «Zeker. Maar ook hier spelen je gewoontes mee. Je loopt geen groot risico op zelfdoding als je een groot deel van je leven als single hebt doorgebracht. Als je het daarentegen altijd gewend geweest bent om in een relatie te zitten en plots valt die weg, kan dat traumatiserend zijn. Je stabiele basis verdwijnt en je wordt onzeker over de toekomst: ‘Zal ik ooit nog iemand vinden?’ Dat kan leiden tot suïcidaal denken.»

HUMO Helpt het depressieve mensen om een liefhebbende partner te hebben?

BERING «Het kan uiteraard geen kwaad, maar ik denk niet dat het zo’n gunstig effect heeft als vermoed wordt. Op een vreemde manier zie je de dingen heel helder tijdens een depressie: je weet beter wat je sterktes en vooral wat je zwaktes zijn, en dat is op zich al deprimerend. Als je partner dan tegen je gevoel ingaat en je probeert op te peppen, ga je ervan uit dat hij dat enkel doet omdat dat nu eenmaal hoort als je met iemand samenwoont. Daarom heb ik het vaak over het positieve effect dat onbekenden kunnen hebben. Iemand die jou helemaal niet kent en toch iets positiefs over je weet te zeggen: dat doet veel meer voor je eigenwaarde dan wanneer een vriend of een partner dat zegt. Die onbekende is immers objectief.»

HUMO Dat blijkt ook uit het pijnlijke afscheidsbriefje van een man: ‘Ik loop nu naar de brug. Als er onderweg iemand naar me glimlacht, spring ik niet.’

BERING «En hij is helaas gesprongen. Dat briefje heb ik in mijn boek opgenomen om lezers eraan te herinneren dat iedereen die ze op straat passeren, een heel universum in zijn hoofd heeft. Je bent heus niet de enige met diepzinnige gedachten, trauma’s of angsten. Dat durven we weleens te vergeten.»

HUMO Niemand van onze getuigen die een poging tot zelfdoding had ondernomen, had een brief achtergelaten.

BERING «Slechts 30 procent van de mensen die voor zelfdoding kiezen, laat een brief achter. Dat zegt genoeg over hoe volledig afgesneden ze zich voelen van hun omgeving.

Afscheidsbrieven zijn vaak kort en krachtig: gemiddeld tellen ze 150 woorden. Het overvloedige gebruik van woorden als ‘ik’ en ‘mij’ is treffend, wat duidt op een verhoogd zelfbewustzijn. Hebben ze het toch over anderen, dan komt vaak naar voren dat ze het contact verloren zijn of zich onbegrepen voelen. De brieven zijn doorgaans ook heel concreet. Geen overpeinzingen als: ‘Je zult nooit weten hoe graag ik je heb gezien.’ Wel alledaagse beslommeringen als: ‘Vergeet de rekeningen niet te betalen.’ Of: ‘Vergeet de hond geen eten te geven.’»

HUMO Hoe komt dat?

BERING «Als je zo diep zit, probeert je brein zich met concrete dingen bezig te houden, om een stortvloed aan emoties te vermijden. Ik merkte dat ook bij mezelf: ik stortte me op saai en routineus werk, om in een soort van ‘emotionele doodsheid’ terecht te komen.

In zijn zes stappenmodel beschrijft sociaal psycholoog Roy Baumeister de stadia die iemand met zelfmoordgedachten doorloopt, en waarbij elk volgend stadium meer gevaar met zich meebrengt. In de eerste fase voelt iemand dat hij tekortschiet – die plotse daling in levensstandaard waar we het al over hadden. Voor wie onrealistische criteria hanteert voor zijn succes kan zo’n daling onleefbaar worden: hij voelt zich gevangen tussen een gelukkig verleden en een – naar eigen oordeel – hopeloze toekomst.

Wie zichzelf de schuld geeft van wat er misloopt, komt in het volgende stadium van zelfsabotage terecht. Je voelt je door iedereen beoordeeld en veroordeeld, en dat brengt gevoelens mee van schaamte, schuld, vernedering, afwijzing en waardeloosheid. Je ontwikkelt een intense zelfhaat.

Door die zelfvernietigende houding ben je erg op jezelf gericht: je denkt continu aan hoe alles zou móéten zijn. Je wilt aan jezelf ontsnappen. Dat is de fase van het verhoogde zelfbewustzijn, die tot uiting komt in het veelvuldige gebruik van woorden als ‘ik’ en ‘mij’.
»In de vierde fase treedt een grote psychische pijn op, die gepaard gaat met een al even grote angst. Zelfdoding begint aantrekkelijk te lijken, omdat het een einde maakt aan je zelfbewustzijn en de pijn die daarbij hoort. Sommigen zoeken hun toevlucht tot zelfverminking: door de fysieke pijn voelen ze even hun emotionele pijn niet meer.

De voorlaatste fase is die van de cognitieve deconstructie. Uit angst of afkeer voor het verleden en de toekomst, begin je je emotieloos op het heden te focussen. Het is een verdedigingsmechanisme, dat tot op zekere hoogte helpt: het tempert je negatieve emoties, je wordt eerder apathisch. Daarom gaan er meestal geen woede-uitbarstingen aan een zelfdoding vooraf. Het verleden speelt geen rol meer, en je hoeft je geen zorgen te maken over de toekomst, want je hebt besloten dat die er niet is. Je bent je, kortom, aan het voorbereiden op je dood.

In de laatste fase wordt de fatale beslissing genomen. Totale emotionele uitputting zorgt voor vastberadenheid, en rationeel denken maakt plaats voor zwart-witdenken: alles of niets, leven of dood.»

Ellende en verdriet

HUMO Dan kan het plots snel gaan?

BERING «Ja, zeker. We worden duidelijk beïnvloed door onze eigen geest. Wie van zichzelf weet dat hij vatbaar is voor suïcidale gedachten, moet zichzelf dus te slim af zijn. Als je wéét hoe het proces verloopt, kun je een stap terugzetten. Je kunt kijken in welke fase je zit en proberen te begrijpen wat er met je aan het gebeuren is. Acute aanvallen van zelfmoordgedachten duren zelden langer dan 24 uur: het gevoel om te willen verdwijnen, zal dus weer weggaan. Natuurlijk is het moeilijk om jezelf daarvan te overtuigen als je er middenin zit, maar probeer het toch maar. Rationeel over je zelfmoordgedachten nadenken werkt therapeutisch, het laat je afstand nemen van je emoties.

Het proces verloopt ook niet altijd lineair, je kunt heen en weer geslingerd worden tussen de verschillende fases. En impulsieve zelfdodingen – die vaker voorkomen bij tieners en jongvolwassenen – passen niet in het model: daarbij word je heel plots overspoeld door hevige emoties, waardoor de pijn ondraaglijk wordt en je beslist uit het leven te stappen.»

HUMO Kijk jij, omdat je naast psycholoog ook ervaringsdeskundige bent, anders naar zelfmoord? Snap je dat sommige mensen besluiten: ‘Voor mij hoeft het niet meer’?

BERING «Mijn eerste impuls is proberen om iemand die dit doormaakt te helpen. Maar bekeken vanuit een kille logica vind ik zelfdoding niet onbegrijpelijk. Er is nu eenmaal niet altijd een pasklaar antwoord voor elk levensprobleem. Neem nu de zedendelinquent over wie ik het in mijn boek heb. Na zeven jaar brommen kwam hij vrij, waarop hij 13 jaar in afzondering heeft geleefd in een schuur. Toen zijn huisbaas overleed, durfde hij de buitenwereld niet meer onder ogen te komen: ‘Iedereen zal me voor de rest van mijn leven blijven associëren met mijn misdaad.’ Zelfdoding leek hem de enige optie. (Blaast) Wat zeg je als psycholoog tegen zo iemand? Want eigenlijk is hij heel realistisch: veel levenskwaliteit zal hij niet meer kennen. Hoewel ik natuurlijk niet wil dat hij zelfmoord pleegt, snap ik tegelijk wel dat hij eraan denkt. Zeggen dat hij therapie moet volgen en antidepressiva moet nemen, zal zijn probleem wellicht niet oplossen.»

HUMO Is er een reden waarom mannen vaker zelfmoord plegen dan vrouwen? In Vlaanderen wordt 75 procent van de zelfdodingen door mannen gepleegd.

BERING «Dat blijft één van de grote vragen. De gangbare verklaring is dat mannen meer dodelijke methodes kiezen: ze gebruiken wapens of verhangen zichzelf, terwijl vrouwen vaker een overdosis pillen nemen of hun polsen doorsnijden. Die vaststelling leidt dan weer tot de vraag waaróm mannen vaker voor die methodes kiezen. Een controversiële theorie stelt dat vrouwen methodes kiezen waarmee ze zichzelf minder verminken, omdat ze zich zelfs op dat moment nog zorgen zouden maken over hun uiterlijk – wat een seksistische veronderstelling is. Maar het is ook mogelijk dat vrouwen rekening houden met wie hun lichaam zal vinden: het is traumatiserender om iemand aan te treffen die zich door het hoofd heeft geschoten, dan iemand die is gestorven aan een overdosis. En dan is er nog het traditionele argument dat mannen vaker hun gevoelens opkroppen in plaats van ze te uiten of hulp te zoeken. Mannen zijn in het algemeen ook impulsiever dan vrouwen. Maar er is geen pasklaar antwoord.»

HUMO Je schrijft dat je het moeilijk vindt om iemand te vertrouwen die nog nooit aan zelfdoding gedacht heeft. Waarom?

BERING «Het is misschien wat ongelukkig uitgedrukt, maar voor mij duiden die gedachten op een zekere karakterdiepte. Als je zo diep gezeten hebt, kun je makkelijker begrip en empathie opbrengen voor de ellende en het verdriet van een ander. Het biedt inzicht in de condition humaine.»

hoop voor iedereen

HUMO Was het niet zwaar en beangstigend om een boek over zelfdoding te schrijven, aangezien het onderwerp zo dicht bij jou staat?

BERING «Bij momenten was het… a lot. Maar ik wilde het absoluut schrijven, omdat ik jaren geleden een column voor Scientific American had geschreven over Baumeisters stappenmodel, en daarna bedolven werd onder de reacties van lezers. Uit veel reacties bleek dat mensen niet eens beseften dat ze ooit suïcidaal waren geweest. Dat ik nu alles nog uitgebreider heb beschreven, heeft mij ook geholpen om de dingen helderder te zien. Ik zal mijn boek zelf nog vaak vastnemen als ik door een moeilijke periode ga, om te kijken in welke fase ik zit. Het is mijn levensverzekering voor een emotioneel verstoorde toekomst (lacht). Verder vond ik het belangrijk mijn eigen ervaringen te delen, om lezers duidelijk te maken dat ik begrip heb voor hun situatie. Als je diep zit, is begrip broodnodig.

Aan de recensies te zien, denk ik dat mensen niet goed weten wat ze ervan moeten maken. Op basis van de titel denken mensen al snel dat het een klassiek werk over zelfmoordpreventie is – wat het dus totaal niet is. Ik heb zelfdoding op een wetenschappelijke manier ontleed en kritisch geëvalueerd. Mensen zeggen vaak: ‘Zelfdoding is slecht en verkeerd.’ Maar het is veel genuanceerder dan dat. Ik lever geen pasklare antwoorden, maar dat is net het probleem met zelfdoding: er bestaat geen eenduidige oplossing voor.»

HUMO Tot slot: welke raad zou je een suïcidale lezer geven?

BERING «Als je overspoeld wordt door emoties, probeer dan je gedachten te verzetten: ga slapen, kijk naar een film, eender wat. De kans is groot dat je er morgen alweer anders over denkt. Bedenk ook dat dit het enige leven is dat je hebt, en dat je hier sowieso maar voor een beperkte tijd rondloopt: dan kun je net zo goed proberen om het uit te zingen tot het einde. Weet dat de tijd vliegt, ook al lijkt dat nu niet zo te zijn. Probeer je vriendenkring uit te breiden met gelijkgestemde zielen. Onthoud dat angstige tijden altijd afgewisseld worden met betere tijden, en probeer het als een troost te zien dat iederéén vroeg of laat zijn portie ellende te verwerken krijgt. Wie het leven als een experiment beschouwt, kan niet falen: dan kun je enkel ervaringen opdoen. En dan draait het enkel nog om de psychologische interpretatie van die ervaringen. Kunnen we daarmee leven, dan is er hoop voor iedereen.»

Wie vragen heeft rond zelfdoding, kan terecht op de Zelfmoordlijn via het gratis nummer 1813 of op zelfmoord1813.be

 

In iedereen schuilt een potentiële Boeddha

Reportage Natuurlijk heeft het 2.500 jaar oude boeddhisme geen officiële Belgische erkenning nodig om betekenis te hebben (DS 4 oktober). Vier boeddhisten vertellen hoe ze hun ‘leer’ in het dagelijkse leven in de praktijk brengen.

De Standaard – 07.10.2018 – Peter Vantyghem

In iedereen schuilt een potentiële Boeddha

‘Boeddha’ in Chinese kalligrafie.

VEERLE

Boeddhisme mag dan (nog) geen erkende religie zijn in België, in Hasselt wordt deze ‘niet-confessionele zedenleer’ wel degelijk onderwezen. Elke donderdag tussen halftwee en halfvier krijgt Nanouk (10) in de lokale Daltonschool yoga, geschiedenis en meditatie. De ‘lerares’ is haar moeder, Veerle Tokarek. Omdat het allemaal binnen het officiële lesrooster gebeurt, en in het school­gebouw aan het Vrijwilligersplein, is zij dus de enige leerkracht boeddhisme in Vlaanderen. Een beetje toch.

‘We hebben vorig jaar vrijstelling van levensbeschouwing gevraagd voor Nanouk’, legt Tokarek uit. ‘Zelf ben ik Grieks-katholiek opgevoed, maar we staan thuis open voor alles. Nanouk, die veel belang hecht aan tot rust komen, wilde graag boeddhistisch onderricht krijgen, maar dat bleek niet mogelijk. Het staat niet op de lijst van het Vlaamse onderwijs, en er zijn geen leerkrachten voor. Maar als ouder mag ik die vrijstelling zelf invullen met een ‘religie’ die thuis leeft, en dat doe ik dus. Nu het tweede jaar, binnen haar lesrooster.’

Het wekt wel nieuwsgierigheid op, weet ze. ‘Ouders komen me vragen of hun kinderen niet kunnen aansluiten. Maar dat kan niet, vanwege de verzekeringen en zo. Ik ben ook niet bezoldigd en kan dus alleen mijn eigen dochter onderwijzen.’

‘Nee, ik ben niet theoretisch vertrouwd met de theorie achter het boeddhisme. Thuis filosoferen we veel, proberen we de natuur te respecteren en zelf voedsel te oogsten, en helpen we altijd wie om hulp vraagt. Mijn kinderen beseffen dat achter boosheid en frustratie iets veel diepers zit en gaan ervan uit dat tegenslagen voorbijgaan. Ik heb meditatiecursussen gevolgd, ik lees boeken en pas de ideeën van het boeddhisme vooral praktisch toe in het dagelijkse leven.’

‘Ik zou het boeddhisme zeker verwelkomen in het onderwijs, maar nog liever een niet aan religie gebonden soort zedenleer voor alle leerlingen. We hebben van dat vak een opvulbak gemaakt, terwijl het gewoon vanuit een andere visie moet vertrekken: waar liggen de noden van het kind, waarin is het geïnteresseerd? Nanouk vertelde me onlangs dat ze iets graag deed en dat ze zich daar sterk in voelde, maar niet wist wat ze ermee kon doen. Daarom is meditatie zo goed voor leerlingen: ze leren hoe om te gaan met gevoelens. Het werkt schitterend voor haar.’

PETER

Op een appartement aan de Louis Schmidtlaan in Brussel reciteert Peter Koberwein de ‘zestiende kar­mapa-meditatie’ voor tien gasten. Twee keer per week vindt hier, gratis, een meditatiesessie plaats. De moederorganisatie The Diamond Way heeft zevenhonderd centra in de wereld. Hun grondidee is dat iedereen in zich een Boeddha heeft. ‘Alleen hebben de meesten zich dat niet gerealiseerd.’

In het boeddhisme zijn drie ‘doelgroepen’ met eigen instructies. Wie het lijden wil vermijden, kan de ‘kleine weg’ (theravada) volgen. Wie anderen wil helpen, zal de ‘grote weg’ (mahayana) nemen. Wie naar de bevrijding van zijn Boeddha-natuur zoekt, slaat de ‘diamantweg’ (vajrayana) in. Hier op de mat in Brussel wordt dat laatste beoogd. Drie keer wordt energie opgeroepen om lichaam, spraak en geest te verlichten.

‘In mijn dagelijkse leven focus ik na het opstaan allereerst op het doel’, zegt Koberwein. ‘Dan overloop ik een tekst over de verlichte natuur, zodat ik de hele dag goed kan kijken: ik zoek in iedereen een poten­tiële Boeddha. Dat vergt mededogen, geduld. Ik probeer niet te reageren op wat me stoort, omdat ik daarmee alleen de cirkel voed. En emoties zijn alleen een resultaat van onze onwetendheid. Ik probeer boosheid te vermijden en mijn opponent geluk te wensen.’

Wanneer een lange mantra wordt ingezet, een alsmaar herhaalde klank met helende eigenschappen, doet iedereen in de kamer dat naar eigen zin en ervaring. Het boeddhisme heeft veel van die technieken, die hier sinds de 19de eeuw zijn doorgesijpeld via kunst, politiek, geneeskunde, entertainment en wetenschappen. In het Westen beoefenen we boeddhisme veeleer als een praktische filosofie.

Dat is een grote vraag: is het boeddhisme een religie, een filosofie of een psychologie? Koberwein wil eerst duidelijk stellen dat volgens hem aspecten van alle drie aanwezig zijn, maar bekent zich toch tot een veeleer filosofische invulling, ‘die tegelijk mijn levensstijl inspireert’. Is een erkenning nodig? Daar wil hij niet veel over kwijt, behalve dat ‘in Oostenrijk het boeddhisme al sinds 1983 erkend is als staatsreligie, en dat het op vele scholen door leraars onderwezen wordt’.

HUBERT

In Kathmandu, hoofdstad van Nepal en een van de zetels van het Tibetaans boeddhisme, piekert Hubert Decleer over mijn gemailde vraag of het boeddhisme op (Vlaamse) scholen onderwezen moet worden. ­Decleer, die er neerstreek in 1980, roept spontaan zijn oude vriend Adriaan Peel in herinnering. Peel, in 1954 oprichter van het Centrum voor Boeddhistische studies in Antwerpen en in 2009 overleden, was ‘een soort boeddhistische aalmoezenier die gevangenissen bezocht, terwijl hij tegelijkertijd professor was aan de universiteiten van Antwerpen en Luik’.

‘De grote kwestie zou natuurlijk liggen in de bevoegdheid’, denkt hij. ‘Ik ben in staat academische ­essays te schrijven in verband met het boeddhisme, maar ik zou mezelf nooit als professioneel boeddhistisch leraar durven aanstellen.’

Decleer ziet in het boeddhisme een onderzoeks­methode, een ‘filosofie met argumentaties over de waarheid op verschillende niveaus’. Met een aantal proefondervindelijke methodes, om die argumentaties daadwerkelijk te leren inzien via meditatie­technieken. ‘Het is onmogelijk hierin op eigen houtje te improviseren. Voor de Tibetanen is het daarom prioritair om die technieken van leraar tot leerling door te geven.’

‘We zoeken naar een hoger niveau van energie en waakzaamheid, zegt hij. ‘Het grootste gevaar is dat men het boeddhisme in het Westen gelijkstelt met mindfulness, yoga en aromatherapie. Ik zeg niet dat dat oppervlakkig is, maar het gaat voorbij aan het ideaal om anderen te helpen.’

En hij voegt er een filosofische gedachte aan toe: ‘Ik kan voor een beeld van de Boeddha een bloem neerleggen, uit bewondering voor wat hij heeft onderwezen, maar met het bewustzijn dat degene die deze offerande brengt, de offerande zelf, en degene aan wie deze offerande gericht is niet echt bestaan. Op die manier draagt deze toepassing van de relatieve waarheid bij tot de groei in het beleven van de absolute waarheid.’

ERIK

Ook traumapsycholoog Erik De Soir vreest dat modieuze toepassingen van het boeddhisme – mindfulness in acht weken – tot een soort ‘boeddhisme zero’ leidt: ‘De oosterse geest- en lichaamsbeleving staan vaak haaks op de leefwijze van mensen in onze ratrace. Mindfulness wordt herleid tot een techniek waarbij het centrale element, de compassie voor jezelf en de andere, wegvalt.’

Hij begon zich vijftien jaar geleden te verdiepen in wat hij een ‘levenshouding’ noemt, omdat hij in zijn werk als militair psycholoog botste op veel rivaliteit en naijver enerzijds, en het aangrijpende lijden van slachtoffers anderzijds. Daarom ziet hij het boeddhisme niet als religie. ‘Daarin onderwerpen we ons aan een god en gaan medemensen in diens naam over tot vernedering, misbruik, marteling en moord.’

‘In de groet “namasté” zit de gedachte dat het stuk ‘god in jou’ het stuk ‘god in de andere’ groet. Dat stuk ‘god’ is het verlichte, onthechte deel in je, dat je wakker moet houden door oefening en meditatie. Ik ben veel bezig met meditatie en de beoefening van dana, vrijwillig geven. Geven als boeddhist is niet weggeven wat je kan missen, maar wat je liever zelf gehouden had.’

‘Boeddhisme heeft me als mens zachter, rustiger, geduldiger gemaakt. Ik kan de inzichten uitstekend gebruiken in de begeleiding van mensen, zeker waar het trauma en rouw betreft. Ik ben minder bezig met de ‘waarom’-vraag. Het zou niet gemakkelijk zijn om, zoals vroeger, militair in een gevechtseenheid en boeddhist te zijn. Gelukkig zit ik al een paar jaren op een academische post, waarbij het boeddhisme me helpt in mijn onderzoek naar de impact van oorlogstrauma en de oorzaken van normoverschrijdend gedrag in operaties.’

‘Erkenning voor boeddhisme? Geloof is een persoonlijke zaak. Als geen enkele overheid zich daarmee zou bemoeien, zou de wereld er veel beter uitzien en zou er misschien minder verkracht en gemoord worden in naam van een zogenaamde hogere macht.

Twee handen op één buik

Zaterdagnamiddag ben ik eens op stap geweest met mijn zoon, wat zowel hij als ik willen deze maand nog wat tuinieren, en dus zijn we plantjes gaan kopen. Hij kruiden, ik bloemen.

We moesten hiervoor naar Huldenberg, waar het momenteel feesten zijn en we hebben dus een hele omleiding moeten volgen om tot in het tuincentrum de Nieuwe Serre te geraken.

Heerlijk eigenlijk die omleiding, en zeker met het schitterend weer dat we momenteel nog hebben, het was 25 graden, en alles zag nog groen.
We zijn langs Tombeek, Terlanen en Sint Agatha Rode gereden, en ik geraakte opgetogen door de landelijkheid van het landschap, het deed deugd te merken dat gelukkig nog niet alles volgebouwd was en dat er nog koeien in de malse weiden lagen.
Na onze inkopen, weer een auto vol, en nog een paar boodschappen zijn we naar David zijn serre gereden, want die had ik nog niet gezien.

Hij doet dat goed, mijn zoon, en is wild enthousiast, want heeft al plannen voor volgend jaar, en wil ook een paar cursussen gaan volgen.
Mijn zoon en ik, we hebben eigenlijk toch wel heel veel gemeen. “Twee handen op één buik”, zei mijn man altijd, en dat is inderdaad zo gebleven voor veel dingen. Je genen op die manier kunnen doorgeven is trouwens fantastisch. Ze zijn goed terecht gekomen!

Geluk

Geluk is
de slappe lach krijgen
met je ogen vol tranen.

Geluk is
is verdwalen
en toch terugkeren.

Geluk is
niet weten wat zeggen
en toch begrepen worden.

Geluk is
de pijn voelen
die zal voorbij gaan.

Geluk is
zoveel meer
met zoveel minder.

Geluk is
gewoon doen
zonder nadenken.

Geluk is
elke dag wat anders
en niets verwachten.

Geluk is
gelukkig
nooit vanzelfsprekend.

Micheline Baetens – 07.10.2018

Het geluk van de prutser.

Dit is een artikel dat iedereen zou moeten lezen en toepassen in zijn of haar leven.
Ik heb het toegepast en pas het nog altijd toe. Zo om de tien jaar verander ik mijn hobby’s – zoals dat soort dingen verkeerdelijk genoemd worden – en telkens gaat er een hele nieuwe wereld aan ontdekkingen en vaardigheden voor mij open. Ik kan van alles en nog wat, improviseer en pruts en het is nooit helemaal af of perfect, maar het geeft meer voldoening dan alles wat volmaakt en efficiënt is.
Ik kan het iedereen van harte aanbevelen!

KLEINE LUXE – Ik doe het liever zelf
Het geluk van de prutser

Natuurlijk kun je alle werk door professionals uit handen laten nemen: die kunnen dat beter, die doen dat sneller. Maar waarom zou je dat eigenlijk willen? De vrijheid om zomaar wat aan te modderen is misschien wel de grootste luxe van deze tijd. Vier redenen om je plan te trekken.

Ik sta gebogen over een kom met honderd lemon drop-pepertjes. Ik heb ze in januari gezaaid, ze daarna de beste plek op het terras gegeven en nu hak ik ze in stukken en meng ik ze met zout, zodat ze kunnen fermenteren. Na een maand of drie zal ik ze zeven en op smaak brengen met azijn. Ik zal dan zowat een jaar hebben gewerkt aan een flesje gele tabascosaus.

Ja, ik weet dat je tabasco kunt kopen. Ik kan zo’n flesje zelfs aan huis laten leveren, of ik kan meteen een maaltijdbox met een receptenboekje bestellen. Misschien kan ik er een bloemenabonnement bij nemen. Het zou er fantastisch uitzien, beter alleszins dan de knoeiboel hier, nu er pepertjes tegen de muren kleven. Maar dat is het punt niet.
Ik doe dit omdat ik het nodig heb. Na een dag op een kantoorstoel wil ik kunnen prutsen. Wat woelen in de grond, wat plukken en knutselen. Zelf mezenbollen maken, zelf nestkastjes in elkaar steken. Het maakt me niet uit dat het kneuterig is, morsig en tijdrovend, en dat je dat allemaal aan professionals kunt uitbesteden. Nee. Ik ben een kleuter: ik wil het zelf doen. Geen Bloomon en geen HelloFresh aan mijn deur. Ik wil geen systeem dat voor mij beslist hoeveel bloemen er in mijn boeket gaan en hoeveel pijnboompitten in de pesto. Ik wil zelfs geen schilder en geen poetsvrouw, geen tuinman en geen personeel om de hond uit te laten. Omdat ik me vrijer voel als ik dat allemaal zelf doe. Het is tegengif voor de stress, het perfectionisme en het gepieker daarbuiten. Het is voor mij pure luxe, om vier redenen.

1. De speeltuin is van iedereen.

‘Het was nooit de bedoeling dat we maar één job zouden hebben. We zijn geen radertjes van een machine. Wij zijn door de natuur voorbestemd om diverse dingen te doen, om meerdere vaardigheden te ontwikkelen.’ Dat schrijft John Seymour in The self-sufficient life and how to live it, dat al sinds 1976 geregeld in herdruk gaat. Seymour was een pionier van het zelfvoorzienende leven en hij leert je hoe je het land bewerkt, bier brouwt, schapen scheert en desgewenst een waterrad bouwt, zodat je in je eigen onderhoud kunt voorzien. Zijn boek krijgt in mijn kast gezelschap van, onder meer, Overleven op je eigen km2 van Dick & James Strawbridge (vader en zoon maken alles zelf), How-to-wisdom from the Elliott homestead van Shaye Elliott (jong gezin leert koeien melken en bijen houden) en, mijn favoriet, Animal, vegetable, miracle van Barbara Kingsolver (schrijfster gaat zelfvoorzienend leven).

Ik ben verslaafd aan dat soort boeken. Niet omdat ik hoop op een dag wol van eigen schaap te kleuren met sap van zelfgekweekte bieten, maar omdat ze allemaal dezelfde boodschap hebben: je mag alles proberen, ook als het misschien nergens op zal lijken. Je mag op zaterdag een klomp deeg kneden, in het volle besef dat daar nooit een perfect zuurdesembrood van zal komen. Je mag een muur verven waarop je later elke bocht en elke koffiepauze kunt aflezen. Je mag een konijnenhok in elkaar timmeren en zien hoe de konijnen binnen het uur ontsnappen. Been there, done that. En nee, het was nooit erg.

We hebben ons laten vertellen dat we een paar van de leukste dingen in het leven (muziek maken, schilderen, timmeren, verhalen bedenken, tuinieren en zelfs koken) moeten overlaten aan anderen, die daar de juiste expertise voor hebben. En het is onzin: we hebben onszelf uit de speeltuin laten zetten, uit pure angst om de mist in te gaan. Dit weekend nog sprak ik met een twintiger die bij zijn verbouwing zelf een muurtje had gemetseld. Het stond iets te ver over zijn perceel en hij moest het weer afbreken, maar hij weigerde dat als tijdverlies te zien. ‘Och ja’, zei hij. ‘Het was mijn eerste muurtje, ik weet nu hoe het moet.’ Ik denk dat hij zijn ervaring met het muurtje als een soort luxe zag.

2. Tijdverlies is misschien niet het echte probleem.

Op een dag vertelde een oudere vrouw John Seymour over alle taken die ze als kind samen met haar moeder deed: wassen, naar de markt gaan, eten maken. ‘Dat klinkt als een heleboel werk’, zei hij. Waarop ze de schouders ophaalde. ‘Niemand vertelde ons dat’, zei ze. ‘Wat?’ ‘Dat er een probleem zou zijn met werken.’

Ik moest eraan denken toen ik de resultaten zag van een onderzoek van de University of British Columbia en de Harvard Business School. Ze hadden bij zesduizend volwassenen onderzocht welke impact het had als ze huishoudelijke taken uitbesteedden, zoals het gazon maaien en boodschappen doen. Het resultaat was weinig verrassend. Mensen leven constant onder tijdsdruk en wie meer onaangename taken uitbesteedt, voelt zich meer tevreden. Het advies van de onderzoekers was dan ook: koop meer tijd.

Het is stilaan een mantra geworden: we moeten tijd maken. We stellen niet de tijdsdruk in vraag, of de stress op het werk, we stemmen er gewoon onze vrije momenten op af. Vrije tijd dient om te genezen van het werk en dus moeten we zo veel mogelijk aan anderen overlaten. Comfortdiensten pakken het liefst uit met slogans als: ‘Makkelijk en snel!’ ‘Weer een zorg minder!’ ‘Na een lange dag werken is het laatste waar je zin in hebt door de supermarkt struinen, op zoek naar de juiste ingrediënten voor het avondeten’, zo klinkt dat op de website van Marley Spoon, leverancier van maaltijdboxen. ‘Laat staan met schreeuwende kinderen door de winkel dwalen. Bespaar jezelf dat ritje boodschappen doen, laat ons het denkwerk voor je doen en krijg alle benodigde ingrediënten plus het recept bij je thuis bezorgd.’

Het is slimme copywriting, maar wat een horrorbeeld van ons leven. De dagen zijn zo lang dat er aan het eind echt niks meer bij kan. De kinderen staan op de rand van een zenuwinzinking. Die roepen maar en roepen maar. En dus moeten we alles nog efficiënter regelen. Straks hangen er thuis spreadsheets en big rocks aan de muur. Nochtans zijn de beste dingen in het leven vaak de traagste en hebben we daar misschien wel meer dan ooit nood aan: kijken hoe iets groeit, uitzoeken hoe het werkt, een kastje opschuren en aan niks anders denken en ja, met twee kinderen aan de hand ingrediënten uitzoeken. Wat is er met ons gebeurd dat we dat soort momenten een overbodige luxe vinden? ‘Zeggen dat je ergens tijd mee bespaart, lijkt altijd de grootste verdienste voor een uitvinding,’ schreef Seymour, ‘maar het lijkt nooit meer in ons op te komen dat je ergens plezier uit kunt halen.’

3. We zijn meer dan een hoofd in propere kleren.

Een West-Vlaamse boerin die weleens klassen uit de lagere school op bezoek krijgt, vertelde me hoe haar man aardappelen aan het poten was, toen een jongetje verbaasd uitriep: ‘Maar waarom is uw man die aardappelen aan het verstoppen? En moeten jullie ze dan later weer gaan zoeken?’ Barbara Kingsolver beschrijft een gelijkaardig verhaal in Animal, vegetable, miracle. Op een dag was haar man wortelen aan het oogsten, terwijl een jongen uit de buurt stond toe te kijken. ‘Wow, hoe heb je dié ooit in de grond gekregen?’ vroeg hij.

Bij alles wat wij niet meer leren en alles wat we nooit meer doen, gaat een stuk kennis verloren. Zo vergeten we stilaan hoe voedsel groeit en hoe landbouw werkt, maar ook hoe simpele klussen gedaan worden. De website Airtasker, waar je alle denkbare taken kunt uitbesteden, stelde onlangs in een rondvraag vast dat de meeste 18-tot-24-jarigen geen idee hebben hoe ze moeten beginnen aan doodgewone dingen: 84 procent kan geen lamp vervangen, 82 procent weet niet hoe ze de auto moeten wassen, 75 procent ziet niet hoe je een diepvriezer kunt ontdooien, 65 procent weet niet hoe je aan een bechamelsaus begint. Ze zouden dat ook allemaal graag uitbesteden, want ze hebben werk te doen. ‘Millennials hebben de toekomst opnieuw uitgevonden,’ zo klonk het, ‘en terwijl oudere generaties tevreden waren met de traditionele routine van werk, huis, huwelijk, kinderen, heeft de jongere generatie andere plannen.’

Het is niet erg. Laat ze de toekomst maar uitvinden, en daarbij: bechamelsaus is zo overroepen. Maar we dreigen onszelf stilaan wél te reduceren tot wandelende hoofden, in nette kantoorkleren, altijd met de vingers op een klavier. Het snijdt ons niet alleen af van kennis, maar vooral ook van zintuigelijke ervaringen. De geur van een roux, om maar iets te zeggen, de smaak van vers basilicum in de pesto, het gevoel als er een kip tegen je been schuurt, desnoods het geluid van een dweil die in een emmer pletst of van een peertje dat wordt vastgeschroefd. Als burn-outs epidemische vormen aannemen, dan misschien toch ook daarom: wij laten ons lichaam hooguit nog aan bod komen in afgebakende uurtjes op yoga, of in de fitness, terwijl wij verder gewoon voortsnellende hersenen zijn.

4. Overvloed is het begin van alle vriendschap.

Als ik de moestuin in loop, een kleine zeventig vierkante meter geluk, dan weet ik nooit vooraf of er veel of weinig zal zijn. Soms is de sla plots doorgeschoten, of heeft een woelrat haar tanden gezet in de biet die ik wilde oogsten. Soms ontdek ik een groepje weidechampignons op het gras. Misschien staan er bloemen die mee naar binnen kunnen. Misschien is er na het oogsten nog tijd om het huis op te ruimen. Waarschijnlijk niet. Dat is de ultieme luxe van de prutser: dat je ‘foert’ en ‘misschien’ aan je woordenboek hebt toegevoegd.

Ik hou van die onvoorspelbaarheid en vooral van de overvloed op sommige dagen. Maaltijdboxen garanderen ons dat we zeker geen overschotten zullen hebben. Dat alles exact berekend is. Maar ik ben net dol op overschotten. Soms staat hier een potje honing bij de deur die de imker uit de buurt op overschot had. Soms komt de cake van de buren onze kant uit: hun dochter heeft een bakkerij, hoeveel geluk kun je eigenlijk hebben? Soms leuren we zelf met courgettes, pepertjes en druiven. In het dorp is een Facebookgroep waarop mensen dingen posten als: ‘De peren zijn rijp’, of ‘Kom maar kersen plukken!’ En vanmorgen hing er een zak aan de brievenbus, met een leeg eierdoosje en een schattig kaartje. ‘Nogmaals dank voor de lekkere eieren. Postbode Tilly.’ Je geeft iets en vroeg of laat komt er weer iets anders je kant op: dat idee. Je ontdekt dan iets waar je moeilijk de vinger op kunt leggen, maar ik denk dat het verbondenheid is.

Toen Seymour overleed, in 2004, noemde de krant The Guardian hem een ‘eenmansrebellenbeweging tegen het modernisme.’ Dat klopt niet helemaal. Seymour was nergens tegen, hij wilde mensen vooral laten zien hoe ze een stukje van hun leven konden terug claimen – hoe onvolmaakt dat misschien ook was. Prutsers mochten van Seymour altijd meespelen, omdat het ook echt contact mogelijk maakte. ‘In het echte leven en in echte menselijke contacten zoeken we geen plastic perfectie’, schreef hij. ‘Integendeel, het gaat om eerlijkheid en toewijding.’

Door Kaat Schaubroeck
De Standaard – 07.10.2018

Elk op zijn manier

Iedereen lost ongelukkig zijn blijkbaar op zijn of haar manier op. Een vriend liet mij een nummer horen dat voor hem momenteel veelzeggend is. Voor jou Christophe en succes ermee!

Helemaal alleen, zal ik boven komen
Helemaal alleen, bouw ik nieuwe dromen
Helemaal alleen, maar nog lang niet verloren
Helemaal alleen, word ik weer geboren

Hier zit ik in de studio, helemaal alleen
Maar ik doe dit voor men kinderen, familie en fans
Je vader die entertaint, je moeder draait er omheen
Maar ben een stier, sta koppig en mijn B-boys stands
Ik wil niet horen van zorgen, of de twijfels van morgen
Want ik voel me heel alleen, maar hou men gevoelens verborgen
Ben verdrietig niet boos, dit is het leven dat ik koos
Dus fak al die sletten en hoes

Helemaal alleen, zal ik boven komen
Helemaal alleen, bouw ik nieuwe dromen
Helemaal alleen, maar nog lang niet verloren
Helemaal alleen, word ik weer geboren

Ik stond hier achter de coulissen weer helemaal alleen
Studeerde die tekst uit men hoofd, helemaal alleen
En ik zal eerlijk met je zijn, dit is voor mij geen probleem
Ik doe dit al dagen, weken, maanden en jaren aan één
Ben zelfs met heel de wereld alleen, dus ik hoef niet te praten
Ik zet mezelf op één, want alleen ik ken men waarde
Dus ik focus op later, doe dit zonder te slapen
Maar het allerallerliefst ben ik samen

Helemaal alleen, zal ik boven komen
Helemaal alleen, bouw ik nieuwe dromen
Helemaal alleen, maar nog lang niet verloren
Helemaal alleen, word ik weer geboren

Helemaaaal alleen alleen alleen alleen alleen alleen alleen
Helemaaaal alleen alleen alleen alleen alleen alleen alleen
Helemaaaal alleen alleen alleen alleen alleen alleen alleen
Helemaaaal alleen alleen alleen alleen alleen alleen alleen

Waarom schrijf ik

Ik schrijf omdat ik wil schrijven
dat ik gelukkig ben.

Op een dag zal het zover zijn
en zal ik schrijven-
met mijn tong tussen het puntje van mijn tanden,
en met rode oren en rode wangen;
ik ben gelukkig.

Als ik daarna ooit nog twijfel
en meen dat ik verdrietig ben of de wanhoop nabij
of zelfs reddeloos verloren,
kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben:
gelukkig.

Toon Tellegen

En de dichter die lost het op door te schrijven. Zoals ik al zei, elk op zijn manier…