Boek: Vers gezocht

Terug van nooit echt weggeweest: de gelegenheidsdichter
De Morgen – 22-10-2018 – Kim Van de Perre

De literaire beau monde beschouwde het lang als lichtgewicht, maar met Vers gezocht breekt Stijn De Paepe een lans voor het gelegenheidsgedicht. Ook anderen zien een trend: “De kunst zit hem in het overstijgen van het moment.”

Je beste vriend vraagt of je misschien een woordje kan zeggen op zijn huwelijk. “Niks bijzonder hoor, gewoon een mooi, geestig, creatief tekstje”. Paniek. Angstzweet. Klamme handen. Hoezo ‘gewoon’? Probeer het maar eens: ontroerend schrijven zonder sentimenteel of stroperig te worden, gevat maar niet plat, persoonlijk doch universeel genoeg dat elk hart wordt geraakt.

Alleen daarom is Vers gezocht. Een gedicht voor elk moment van Stijn De Paepe een gat in de markt. De gedichtenbundel als ultiem redmiddel voor wie de juiste woorden zoekt maar ze (even) niet vindt. Of het nu om een huwelijk of een afscheid gaat, een jaardag of een nakend pensioen. Een fris alternatief voor de platgeciteerde Toon Hermans-verzen die op zowat elke jubileum- of overlijdensbrief prijken.

De Paepe pent al gelegenheidsgedichten neer sinds hij kan schrijven. In navolging van zijn grootvader, die overwinningen van voetbalclubs en diamanten huwelijken op papier fêteerde op bestelling. “Mensen raken in weinig, maar goed gemikte, rake bewoordingen, daar gaat het om”, zegt de dichter. “Rijm hoeft niet, maar ik hou ervan. Goede rijm maakt het catchy, muzikaal.” Zijn dagverzen worden gretig geretweet. Zo groeide het idee voor een boek. “Mensen hebben daar blijkbaar iets aan: gedichten die de wereld toegankelijk reflecteren, het alledaagse net iets specialer maken. Geen Hugo Claus, maar ook geen prietpraat.”

Klassieke oudheid

Gelegenheidsdichters zijn zo oud als de straat. In de klassieke oudheid reflecteerden dichters al poëtisch over (actuele) gebeurtenissen, net als de troubadours in de middeleeuwen. Maar eind 19de eeuw kreeg het genre een tik. De ‘schuld’ van de letterkundigen de Tachtigers, menen dichters en literatuurwetenschappers. Poëzie moest de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie zijn.

Gelegenheidsgedichten werden nog gebezigd, maar de term kreeg een minderwaardige bijklank. Karamelverzen, dat soort omschrijvingen. Dat meer toegankelijke light verzen à la Toon Hermans op zowat elk familiefeest van stal werden gehaald, hielp de reputatie van gelegenheidsverzen niet vooruit.

Maar kijk, het genre lijkt weer in de algemene achting te stijgen. De Paepe is geen unicum. NRC Handelsblad publiceert sonnetten van Ilja Leonard Pfeiffer, Maarten Inghels luistert Eenzame Uitvaarten op (met een project waarbij dichters voor eenzaam gestorvenen een persoonlijk gedicht op de uitvaart voordragen, red.) en ook Maud Vanhauwaert, de stadsdichter van Antwerpen, werkt soms ‘op bestelling’. Een tendens – zo u wil – die ook tegen de erfenis van diezelfde Tachtigers moet bekeken worden. Doordat dichters heel hard focusten op hun eigen diepe bron, verloren ze het publiek soms uit het oog, vertelt Vanhauwaert. Poëzie werd als niche bestempeld, moeilijk en hermetisch.

“Je merkt dat men de kloof tussen dichters en publiek probeert te dichten”, zegt Geert Buelens, dichter en hoogleraar literatuur aan de Universiteit van Utrecht. Door poëzie ook in kranten te plaatsen. En mede dankzij de dichters des vaderland en stadsdichters, die evengoed over gelegenheden en gebeurtenissen oreren. Buelens: “Als Bart Moeyaert een gedicht wijdt aan de moorden van Hans Van Themsche is dat meer dan een rijmpje plegen. Dan krijgt de gelegenheidsdichter een soort van sacrale functie, iemand die beantwoordt aan een moment van maatschappelijke noodzaak.”

Een goed gelegenheidsgedicht overstijgt volgens sommigen het momentane. Voormalig Antwerps stadsdichter Maarten Inghels is nog steeds geen fan van de titel. “Het veronderstelt iets vluchtig. Terwijl ik gedichten wil schrijven die binnen tien jaar nog relevant zijn.” Ook Vanhauwaert hoopt iets te maken dat zijn waarde behoudt. Zoals met haar recente, opblaasbaar gedicht De Beweging van Macht: gecreëerd voor de verkiezingen, maar een werk dat zijn urgentie behoudt. “Zelfs als dat niet het geval is, heeft een gelegenheidsgedicht zijn dienst bewezen. Niks om neerbuigend over te doen.”

Voor deze krant becommentarieert De Paepe als Moderne Rederijker ook politiek en bredere maatschappelijke gebeurtenissen in spitante versregels. “In mijn hart ben ik liefst de polemische, kwaaie, stekelige rederijker”, zegt hij. “Maar ik merk dat mijn gelegenheidsgedichten die eerder betrokken en zachtaardig zijn nog het vaakst gedeeld worden op sociale media.” Zoals over de dag van de leerkracht, of de dood van kleuter Mawda. “Ze bieden troost, een houvast.”

Stijn De Paepe, Vers Gezocht, Lannoo, 224 p. 19,99 euro

Stefaan

Gehoord van Stefaan, een serremaatje van mijn zoon, die de overschot van zijn oogst aan Voedselhulp geeft: “Wie bio is, is per definitie ook sociaal.”Stefaan is een persoon met een beperking zoals ze dat graag noemen. Voor mij lijkt hij eerder iemand met een overschot aan wijsheid en gezond verstand. Ik heb er maar heel even en kort mee gesproken, maar volgens mij klopt het etiket helemaal niet.Stefaan is iemand die graag mensen ziet, die zich ook graag verbonden voelt met de mensen om zich heen, en hij is ook iemand die met zijn twee voeten op de grond, ja zelfs in de grond staat. En over bio kweken weet hij alles! Als je ermee in gesprek geraakt, reken dan minstens op een halfuurtje vooraleer hij uitgepraat is.

Je ziet ook dat die mens tevreden en gelukkig is als hij iemand een plezier kan doen en van onzekerheid en frustraties is bij hem niets te merken. Vlug ontroerd en diep geraakt dat wel, maar ook dat is een pluspunt, want waar kom je dat nog tegen? Iedereen die Stefaan ontmoet en naar hem wilt luisteren, heeft daarna een goed gevoel, daar ben ik zeker van, of je moet een ijsberg zijn. Maar ijsbergen vind je niet tussen bio kwekers, iedereen die hier een serre heeft is immers sociaal zou Stefaan zeggen!

Schaf toch al die etiketjes af, en kleef nog enkel “bio” op iemand zijn persoonlijkheid, als hij net als Stefaan zo sociaal is!

De lustkogels zijn door de kerk

Ik heb een oud krantenartikel uit 2013 teruggevonden met een rits nieuwe woorden die in dat jaar in de Dikke Van Dale werden opgenomen. Er zijn een paar heel beeldende en leuke bij!

Even mee spelen: De lustkogels zijn door de kerk.

lustkogels: een synoniem voor vaginale balletjes of geishaballen
roeptoeteren: Luidkeels en ongenuanceerd een mening verkondigen.
sukkelseks: Seks die niet gericht is op het leveren van seksuele topprestaties.
boerenbridge: Bridge, maar dan eenvoudiger.
greenwashing: het als milieuvriendelijk presenteren van handelingen of zaken die dat in feite niet zijn
halalhuis: woning die aangepast is aan de wensen van orthodoxe moslims, bv. met gescheiden vertrekken voor vrouwen
huisvrouwenporno: toegankelijke, niet al te harde pornografische lectuur, die veel gelezen wordt door huisvrouwen
phablet: een tablet waarmee men tevens kan telefoneren
flexiseksueel: afwisselend hetero-, homo- en biseksueel
samenredzaamheid: het vermogen dat mensen gezamenlijk initiatieven ontplooien om problemen op te lossen en zo hun situatie te verbeteren
geheugenkoor: koor van dementerende personen, hun familieleden en begeleiders
hermelijnkoorts: overdreven verering voor het koningshuis
warmtepaal: verwarmingstoestel in de vorm van een paal
tweedegeneratieslachtoffer: iemand die getraumatiseerd is door dramatische gebeurtenissen die een of beide ouders hebben meegemaakt
screwballcomedy: ouderwetse komische film met excentrieke personages en onwaarschijnlijke, lachwekkende verwikkelingen
selfie: fotografisch zelfportret, vaak gemaakt met de camera op armlengte en gepubliceerd op socialenetwerksites
socialemediatestament: testament waarin iemand vastlegt wie de toegangsgegevens van zijn socialemediaprofielen erft en wat met de content daarvan moet worden gedaan
bonding: het krijgen van een emotionele band
mensj: goed, integer, rechtschapen mens
flexifuel: brandstof voor automotoren die op fossiele en op biobrandstof of een mengsel daarvan kunnen lopen

Onder de appelboom

Onder de appelboom

Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.

Rutger Kopland

Prachtig gedicht van één van mijn lievelingsdichters.
Dit zou nu kunnen zijn, in het begin van de herfst van zowel de natuur, als van twee mensen…

Iemand die er altijd was

Wat journaliste Mia Doornaert gisteren zei over de dood en het verlies van haar man in het programma “Alleen Elvis blijft bestaan”, daar kan ik mezelf helemaal in terugvinden. Ze vertelde dat ze niet echt een rouwproces heeft doorgemaakt, maar “iemand die er altijd was, was er opeens niet meer”, en met dat gevoel moet je verder. En er zijn de herinneringen, die daar ons soms, ook na jaren, pijnlijk hard aan doen denken.
Vooral als je man al heel lang ziek is en de ene ziekehuisopname na de andere heeft meegemaakt, ben je ook al een beetje voorbereid op het ergste, ook al komt dat dan nog onverwachts, want onverwachts is het altijd.
Wat ik het ergste vond en nog altijd vind, is niet wat ik mis, maar wat hij al allemaal gemist heeft, zoals nu dit jaar, het huwelijk van David, en wat zou hij fier zijn op zijn zoon, omdat hij het zo goed doet op het werk in de Zuidertoren, waar hij zelf ook meer dan veertig jaar gewerkt heeft.
Bijna acht jaar is hij al kwijt, en we hebben al heel wat meegemaakt waar hij geen deel van uitmaakte, al blijft hij natuurlijk wel aanwezig bij alles.
Dit jaar op 19 december zouden we vijftig jaar getrouwd zijn geweest. Gevierd zouden we het waarschijnlijk niet gedaan hebben, want dat ligt niet in onze aard, maar misschien wel ergens speciaal naartoe gereden zijn voor een paar dagen, tenminste als de gezondheid het zou toegelaten hebben.
Gelukkig heeft hij de renovatie van ons huis nog kunnen meemaken, en er achteraf eventjes van kunnen genieten, want dat was in 2010, en op 13 februari 2011 is hij overleden.Binnen enkele dagen is het Allerheiligen, maar voor mij is dat een dag als een andere. Zijn urne staat immers hier in huis waar hij thuishoort, nog altijd, want ik mag er niet aan denken dat hij daar op dat koud kerkhof ligt. Zo sentimenteel ben ik dan wel.Het leven gaat door, en is vanaf de eerste dag dat hij er niet meer was doorgegaan, en zo is het goed, want hij zou niet willen dat er ons iets ontbrak omdat hij er niet meer is.

Ontwennen

Ook van goede dingen
kan je ontwennen,
en dat je vrij
kan denken en leven.

Ontwennen van genot,
verlangens en dromen,
en dat je straffeloos
je goesting kan doen.

Als je angst groter is
dan je levenslust
kan je zelfs ontwennen
van lief te hebben
en gelukkig te zijn.

Micheline Baetens – 21.10.2018

De verdrietdokter

Psychiater Dirk De Wachter: in de ongelukkigheid komen de grootste verbindingen tot stand

Bron: Brainwash

Een verdrietdokter, noemt hij zichzelf. Eén die oproept om juist niet het grote geluk na te jagen, maar de mindere kanten van het leven te omarmen. Psychiater Dirk De Wachter. In meerdere bestsellers legt hij onze leukigheidsmaatschappij vol ikkigheid op de sofa. We vroegen hem naar zijn beweegredenen.

Waarom bent u psychiater geworden?

‘Dat is een verhaal op zich. Het is, denk ik, de literatuur geweest die mij naar de psychiatrie bracht. De aanleiding is het boek De Avonden van Gerard Reve. Ik had een goede leraar Nederlands op school. Dat is heel belangrijk, een goed docent. Hij sprak over de boeken die toen in zwang waren. Hij had het over Hubert Lampo en andere vergeten schrijvers. En hij noemde De Avonden. Dat is voor later, zei hij, als jullie wat ouder zijn. Diezelfde middag ben ik het boek gaan halen in de bibliotheek. Zo gaat dat dan. Ik las het en werd volkomen van mijn paard gebliksemd. Het boek gaat over de innerlijke dialoog van een mens, het gaat over wat de mens denkt. Ik had nog nooit zoiets gelezen. Ik wist niet dat zoiets bestond. Natuurlijk construeer je achteraf je herinnering, maar ik heb toch wel het idee dat ik toen, op mijn vijftiende, besloot om psychiater te worden. Ik werd gefascineerd door de gedachten van mensen. Door datgene dat je niet ziet als ze over straat lopen, maar wat zich in hun hoofd afspeelt. Zoals Frits van Egters, de hoofdpersoon in De Avonden van alles denkt. Tot dan dacht ik dat ik de enige was, die dat had.’

‘Maar er is natuurlijk meer. Van huis uit was het bijna een plicht om geneeskunde te studeren. Je werd dokter of ingenieur. Dat laatste leek me verschrikkelijk saai, maar ook de dokters die ik kende uit het dorp waar ik opgroeide, waren niet de meest bevlogen figuren. De psychiatrie was de oplossing. Dan kon ik arts worden, zoals de familietraditie voorschreef, en toch ook geen dokter zijn. Ik kon me bezighouden met literatuur, cultuur, engagement. Met de dingen die mij echt fascineerden.’

‘Een andere worteling is dat ik langs moeders kant veel priesters in de familie heb. In vroegere tijden werd het oudste kleinkind – en ik was het oudste kleinkind – geacht om het priesterschap op zich te nemen. Nu was daar in de jaren 70, toen ik opgroeide, geen sprake meer van en is er geen haar op mijn hoofd geweest dat eraan gedacht heeft om die richting uit te gaan. Maar het zal ergens, ook in mijn engagementen vandaag, een rol gespeeld hebben. Tot slot groeide ik op in een klein dorp in de Rupelstreek in België. Daar werden bakstenen gemaakt, maar toen al, toen ik opgroeide, was de industrie teloorgegaan. Het was een omgeving met veel verborgen misère, veel armoede, veel suïcides. Zelfmoorden die niet besproken werden, maar wel gefluisterd. Ik denk dat dat er misschien aan bijgedragen heeft dat ik psychiater ben geworden, maar zeker heeft het bijgedragen aan mijn interesse in het maatschappelijke.’

Hoe komt die interesse terug in uw werk?

‘Ik ben altijd erg geïnteresseerd geweest in wat mensen zeggen en wat mensen denken, vaak onbewust. En vooral ook in de tegenstelling daartussen. Zo ben ik geïnteresseerd geraakt in het ‘een beetje ongelukkig zijn’. Een jaar of tien geleden was er een programma op de Vlaamse televisie, op primetime, waarin een man orakelde over het geluk. Het was de dag van het geluk, meen ik; zo gaat dat in de media, er is een dag voor alles. Deze man vertelde hoe gelukkig hij was en hoe belangrijk het is om gelukkig te zijn. Een week later zat diezelfde man bij mij op consultatie om te vertellen hoe slecht hij zich voelde. Diezelfde man. Hij had zichzelf vastgezet in die sferen van geluk en hij voelde zich daar eigenlijk helemaal niet goed bij. Hij had de beste bedoelingen hoor, hij wilde mensen iets gelukkiger maken, daar is niets mis mee. Zelf zat hij vast in een relationele impasse, terwijl zijn imago hem verplichtte de geluksillusie hoog te houden. Dat heeft mij doen denken dat ongelukkig zijn blijkbaar een beetje een taboeonderwerp was geworden, in deze leukigheidsmaatschappij.’

Uit zich dat in de psychische klachten die mensen hebben?

‘Menselijk leed is van alle tijden. Ik denk niet dat we nu slechter af zijn dan andere tijden, maar er is wel een verandering van symptomen. Ik beschrijf dat in mijn boek Borderline times. De symptomen van borderline hebben de overhand gekregen, terwijl dat enige decennia geleden de neurotische symptomen waren. Eenvoudig gezegd denk ik dat de neurose het inslikken van problemen is en daar dan innerlijk zwaar onder lijden. Terwijl de borderline het naar buiten toe brengen is van de problemen: impulsiviteit, suïcide, zelfverminking. De symptomen zijn zeer zichtbaar geworden, storend zichtbaar geworden, voor de maatschappij, terwijl het vroeger meer verborgen bleef. Het lijkt erop dat we niet meer kunnen spreken met elkaar over wat er allemaal niet goed gaat en dat we het tonen in symptomen. Het is natuurlijk ingewikkelder dan dat, het is niet zo dat je kunt zeggen dat als een patiënt iets meer met zijn broer of zus had gesproken, dat hij of zij dan niet ziek was geworden. Dat is te simpel. Maar maatschappelijk gezien denk ik dat als we wat meer over de mindere kant van het leven zouden praten, dat ik als psychiater dan wat minder werk zou hebben. Want het lijkt wel alsof mensen alleen tegen betaling over hun problemen praten.’

Of pillen komen halen?

‘Ja, dan ga ik nog een stap verder. Dat hoor ik ook van collega’s, dat het grootste verlangen van een patiënt niet is om te praten, niet om vragen te beantwoorden, niet om al teveel na te denken. Ze willen een pil, zodat ze zich weer goed voelen. Farmacolisering, noem ik dat: het ‘verpillen’ van menselijke moeilijkheden. Dat is wel een maatschappelijke trend. Zeker hier in België, waar de geneeskunde minder gereguleerd is dan in Nederland. Als de ene dokter je geen pil geeft, dan ga je wel naar een ander. Maar in het hele westen worden veel psychofarmaca voorgeschreven. Heel veel antidepressiva, heel veel slaap- en kalmeringsmiddelen. En dat zijn nog maar de middelen die worden voorgeschreven.’

Terug naar het geluk. Is het een recente ontwikkeling dat we er zo gefascineerd mee zijn?

‘Ik denk niet dat er een precieze omslag aan te wijzen is. Dit speelt al een tijd. Het heeft te maken met de secularisering van de wereld. Er is geen God meer waaraan we ons ongeluk noodlottig kunnen verbinden. We zijn allemaal verantwoordelijk geworden voor ons eigen, ikkige leven. We worden geacht ons eigen succes te maken. En als dat succes niet komt, dan voelen we ons mislukt. En die mislukking durven we niet te bespreken. De nieuwe media hebben dat de laatste jaren in de hand gewerkt. Facebook, Instagram, waar het succes breed wordt uitgemeten, waar selfies op staan van feestende mensen, mensen die op vakantie zijn, die zich fantastisch voelen, dat heeft dat zeker uitvergroot.’

En zo is geluk een doel op zich geworden.

‘Jazeker, dat is mijn stelling. Dat is geen goede zaak. Begrijp me niet verkeerd, ik gun iedereen een gelukkig leven, maar ik denk dat geluk een bijwerking mag zijn van een goed leven. Van een zinvol leven, een leven met anderen, een leven dat zorgzaam is, een leven dat gedeeld is. Zorg voor uzelf, zorg voor uw gezondheid en zorg voor uw omgeving, voor uw medemens. Geluk komt er dan vanzelf bij, op een veel fundamentelere manier dan het partytime geluk. Het is een gevoel van vervulling, van: zo is het goed, zo mag mijn leven zijn. Als geluk een doel wordt, een obsessioneel doel, dan dreigt het mis te lopen. En natuurlijk is het leven af en toe lastig, maar het is minder erg. Je kunt dat wel aan, want je weet dat je goed omringd bent.’

Het idee dat het leven vooral leuk moet zijn, is dé ziekte van deze tijd
Een beetje meer betrokkenheid, dus?

‘Ja, betrokkenheid op uzelf en op de ander, maar ook in de vorm van engagement. Het gevoel dat wat je doet, dat dat zinvol is en dat dat gezien wordt in de wereld. Reve schrijft dat ook aan het einde van De Avonden, als Frits van Egters op zijn leven reflecteert: ‘Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’ Ik denk dat dat een diep menselijke behoefte is, om betekenis te hebben. Niet dat iedereen beroemd moet worden, of heel veel vrienden op Facebook hebben. Het is je verbonden voelen met je directe omgeving, met familie, met vrienden. Het is zorgzaam zijn en zorgzaam bejegend te worden. Als dat er een beetje kan zijn, dan voelen we ons gelukkig, op die fundamentele manier.’

‘Onze westerse wereld zet heel erg in op ikkigheid. Op autonomie, op het idee dat we ons eigen leven kunnen maken. Dat we het zelf kunnen doen, dat we ons eigen succes kunnen behalen. Het is naar de achtergrond verdwenen dat de mens ook heel verbonden en samenhorig is. In het evenwicht tussen ik en de ander, dreigt de ander verdrukt te worden. Terwijl we zoveel nood hebben aan de ander om te kunnen zijn. Juist op de dagen waarop we ons niet goed voelen, is de ander nodig. Dan is het erg belangrijk − en mooi ook − dat er iemand is die luistert en troost. Paradoxaal genoeg wordt dat ongelukkige dan juist iets moois, door die liefde en medemenselijkheid. In de ongelukkigheid komen de grootste verbindingen tot stand.’