Er zijn voor elkaar

Elke gewone mens kan een mens met psychische problemen helpen, gewoon door er te zijn en te luisteren.

Ondanks alle sociale gaat niets boven persoonlijke aanwezigheid: de lichaamstaal, elkaar in de ogen kunnen kijken, een handdruk… Want daarmee kan je veel meer uitdrukken dan een chat, en voel je ook meteen hoe de ander zich voelt en of hij/zij al dan niet oprecht en eerlijk is.

We dreigen die kunst om deze signalen te kunnen opvangen en lezen, echter wel te verleren. Nochtans is het enkel dit wat een goede psychiater doet! En die zou heel wat minder werk hebben als we als gewone mensen dat zelf toepassen onder elkaar.

Gewoon luisteren, met al de aandacht en empathie die je bezit, en zo weinig mogelijk zeggen en aanraden. Want andermans problemen proberen op te lossen daar begin je beter niet aan. Geef die persoon genoeg krediet en zelfvertrouwen om daar zelf in de slagen, want hij of zij weet het best wat bij hem of haar situatie past.

Je kan enkel helpen met een paar praktische zaken aan te brengen, zoals een adres, een boek, een contact met o.a. professionele hulp, of nog praktischer, met een tas koffie of een kom soep, boodschappen doen, en misschien zelfs eens koken voor wie daar behoefte aan heeft. Ik zou daar in elk geval al heel content mee zijn.

Er zijn voor elkaar, en dat van elkaar ook weten, is écht een wondermiddel voor wie het eventjes niet meer ziet zitten!

BOEK: Ontvadering

 

BOEK

Ontvadering
Frank Koerselman
Omvang
96 p.
Druk
1
Verschenen
24-02-20
Fonds
P – Nieuw Licht
Paperback
9789044642018
€ 15,00

Stoommachine en verbrandingsmotor hebben mannenkracht overbodig gemaakt. De vrouw is sinds de pil van onvermijdelijk moederschap verlost. Vaders zijn dus niet meer nodig om hun gezin te onderhouden en te beschermen. Het patriarchaat verdwijnt. Maar wat is de prijs van die bevrijding?
In navolging van de Duitse denker Alexander Mitscherlich (1908-1982) analyseert Frank Koerselman de gevolgen van de ontvadering. Veroordeelt die het individuele mensenkind niet tot permanente ‘selfie’-bevestiging?
Moderne vaders zullen moeten kiezen: gaan ze mee op de politiek correcte golf van vaderschaamte of durven ze te tonen dat flinkheid, beheersing en zelfrelativering nog steeds onmisbare deugden zijn?
Frank Koerselman is emeritus hoogleraar psychiatrie en psychotherapie en auteur van onder meer Wie wij zijn. Tussen verstand en verlangen.

Psychiater Frank Koerselman: „Ik zie in de Nederlandse politiek geen vaderfiguur. Bovendien, men wíl geen vaderfiguur meer zijn.”
Foto Merlijn Doomernik

Interview
‘Een vader moet flink zijn. Niet huilen’
Psychiater Frank Koerselman

We moeten mannelijke autoriteit weer gaan waarderen, zegt Frank Koerselman in zijn pamflet Ontvadering.

Bron: NRC.NL – Jannetje Koelewijn – 26.02.2020

Een jongen van school had zelfmoord gepleegd en hulpverleners kwamen met de leerlingen praten over de schok die dat teweeg had gebracht. In de jaren zestig. „Dat gebeurde toen dus ook al”, zegt Frank Koerselman. Hij was er zelf ook nogal door aangeslagen, en toen hij er ’s nachts niet van kon slapen stuurde zijn moeder hem naar de huisarts. „Een bullebak”, zegt Koerselman. „Weet je wat hij zei?” Hij buigt voorover in zijn stoel. „GAAN WIJ ONS AANSTELLEN?”

Hij lacht en leunt weer naar achteren. Frank Koerselman (72) is psychiater en psychoanalyticus, emeritus hoogleraar aan het UMC Utrecht. Hier in zijn werkkamer, in een achttiende-eeuws koopmanshuis in Weesp, ontving hij tot voor kort nog patiënten. „Die huisarts”, zegt hij, „had groot gelijk. En ik was meteen van mijn probleem af.”

Ontvadering heet Koerselmans nieuwe boek, een pamflet eigenlijk, honderd pagina’s, en daarin analyseert hij de gevolgen voor gezin en samenleving van het einde van de mannelijke autoriteit. Want zo ziet hij het. Mannelijke kracht is door machines overbodig geworden, traditioneel mannelijke deugden als flinkheid, vastberadenheid, zelfbeheersing en moed zijn verdacht, en gezag door kennis en ervaring wordt niet meer geaccepteerd. In een wereld waarin vrouwelijke waarden als inclusiviteit en egalitarisme zijn gaan domineren, zegt Koerselman, kunnen jongens daardoor moeilijk meer tot rijpe en wijze vaders uitgroeien.

Dus zitten vaders nu in hun hoodies te gamen en willen ze vriendjes met hun kinderen zijn, in plaats van hun verantwoordelijkheid te nemen en ze op te voeden. Vaak bruisen ze van energie en schrikken ze nergens voor terug, maar ze doen alles ten behoeve van zichzelf en de bevrediging van hun wensen zien ze als hun recht. Of ze claimen alleen maar en gaan bij frustratie verongelijkt klagen.

Zullen we het eerst over uw eigen vader hebben?

„O, eh, nou ja, haha.”

Hoe was hij?

„Heel klassiek, streng. Iemand die eisen stelde en nooit complimenten gaf, alleen kritiek. Zelfbewust. Duidelijke normen en waarden. Hij was directeur Publieke Werken en daar was hij trots op. Op zondag reden we met de auto door de stad om naar de projecten te kijken die hij deed.”

Tiranniek?

„Eh, laten we het houden op te streng.”

U schrijft dat de vrouwen van al te strenge of tirannieke vaders meer moeite hebben hun kinderen basale veiligheid te bieden.

„Dat is zo. Ik heb dat zelf wel ondervonden. Je hoort mij ook niet zeggen dat vroeger alles beter was. In het patriarchaat, zoals dat in de jaren vijftig nog bestond, hadden vrouwen te weinig invloed en konden mannen hun gang gaan. En niet elke vader was een rijpe en wijze vader, die zijn zoon stimuleerde en bemoedigde, die hem dingen leerde, doelen stelde en hem zonodig mild bekritiseerde. Er zijn veel ontsporingen geweest.”

Ontsporingen?

„Ik heb het nu niet specifiek over mijn vader, maar over vaders in het algemeen die vaak gevoelloos waren, eisend, egocentrisch, en zo sterk gericht op hun eigen succes in de buitenwereld dat ze vrouw en kinderen verwaarloosden. Het is logisch en goed dat daar een reactie op is gekomen.”

U bent, neem ik aan, tijdens uw opleiding in analyse geweest?

„In die tijd, jaren zeventig, moest je in analyse zijn geweest als je verder wilde komen in je carrière. Ik heb het vijf jaar lang vijf dagen per week gedaan, wat toen relatief kort was.”

En dan ging het over uw vader?

„Ook ja. Ik was begin dertig en op die leeftijd worstelt iedereen nog wel met wie je vader en je moeder waren en wie je zelf bent. Wat vooral aan de orde is geweest, was mijn behoefte aan meer nabijheid. Achteraf ben ik positief over mijn jeugd, laat dat duidelijk zijn. Maar de afstand tussen mijn vader en mij was heel groot. Daardoor zocht ik toen ik volwassen werd vaderfiguren, onder meer in mijn opleider, en ik raakte in hem teleurgesteld. De analyse heeft me geholpen in te zien dat wat ik in hem zocht, uit een andere bron kwam. Het is goed om je dat te realiseren, en ook dat je wel kunt blijven zoeken, maar het toch niet zult krijgen. En dat je daarmee moet zien te dealen.”

Toch schrijft u op uw oude dag een pamflet over vaderschap.

„Ja, kijk, het is wel een thema voor mij gebleven. De tekst van Alexander Mitscherlich die ik als uitgangpunt gebruik, Op weg naar een vaderloze maatschappij, is van 1963 en heeft me altijd gefascineerd. Mitscherlich en zijn vrouw Margarete waren grootheden in de analytische wereld, onder meer door hun onderzoek naar de verwerking van het nazisme in Duitsland, en hij voorvoelde dus al vroeg het einde van de vaderlijke autoriteit. In Ontvadering beschrijf ik de ontwikkeling na 1963 en laat ik zien hoezeer hij gelijk heeft gekregen.”

Net als Mitscherlich begint u met een klassieke analyse van de vaderrol en de moederrol.

„Die strikte taakverdeling die er tot de industriële revolutie was, daar zat een biologische kant aan, maar ook een sociale. De kinderen kwamen zonder dat je het wilde, er moest voor gezorgd worden, en het leven was hard. Er moest hout worden gehakt, oorlog gevoerd, en dan was de vrouw meer geschikt voor het een en de man voor het ander.

Nu zitten we in de bijzondere situatie dat de techniek dat allemaal veranderd heeft. De noodzaak voor die taakverdeling is verdwenen, maar de basis ervoor is niet verdwenen – dat heb ik willen laten zien. Mensen hebben behoefte aan veiligheid en geborgenheid en ze hebben behoefte aan outgoing zijn en dingen tot stand brengen. Vroeger werd het ene domein gerepresenteerd door vrouwen en het andere door mannen, nu zou je die twee domeinen moeten mengen. Maar gebeurt dat? Het lijkt van niet, althans, niet in de westerse wereld. Het lijkt erop dat de mannelijke, verticale, hiërarchische en op traditie gebaseerde wereld aan het verdwijnen is en dat de vrouwelijke, horizontale, op gelijkheid en de hier en nu gerichte wereld meer en meer overheerst.”

Mitscherlich was een groot voorstander van het doorbreken van die traditionele rolverdeling.

„Ja, natuurlijk, want die klassieke vader had niet alleen voordelen. Er viel wat te winnen. Mitscherlich was ook sterk voor vrouwenemancipatie, al denk ik wel dat hij dat moest schrijven van zijn vrouw. En dan zie je dat in de revolutie van 1968, vijf jaar na Op weg naar een vaderloze maatschappij, het patriarchaat het doelwit wordt. Al die oude, autoritaire structuren zijn toen omver geschopt. Alleen, heel fascinerend, gebeurde dat niet door de feministische beweging, maar door de jongens. Het waren de zonen die hun vaders onttroonden.”

U deed eraan mee?

„Jazeker. Ik was bij de bezetting van het Universiteitsgebouw in Utrecht, in 1969, en ik heb met een linkse studentengroep een zogenaamd burgerlijke toneelvoorstelling verstoord, zonder dat ik me achteraf maar ook op enige manier kan herinneren wat daar verkeerd aan was. Ik had Sanskriet gestudeerd voor ik aan geneeskunde begon en dat instituut stond onder de dominante leiding van een patriarchale hoogleraar. Over hem heb ik toen een kritisch stuk geschreven in een studentenblad. Dat had een ongelooflijke impact. Daar heb ik wel spijt van gekregen. Ik had onvoldoende oog voor de verdiensten van die man.”

U was uw vader aan het vermoorden.

„Dat is nou een duiding, hè. Een klassieke duiding. En die zou bést eens waar kunnen zijn. Daarom voelde het ook niet goed. Bij mijn eigen vader kon ik het niet, dus deed ik het bij die hoogleraar.”

Vier jaar na 1968 werd u zelf vader en uw vrouw, die rechten had gestudeerd, ging voor de kinderen zorgen.

„Kijk, ja, kijk, we wilden het graag anders doen en dat hebben we ook geprobeerd. Beetje lastig hoe persoonlijk ik nu moet worden, maar eh, nou ja, je kunt het je nauwelijks meer voorstellen, maar in die tijd moest je trouwen om in aanmerking te komen voor een tweepersoonskamer in een studentenflat, en vervolgens was het voor een getrouwde vrouw moeilijk om werk te krijgen. En ik zat inmiddels in de opleiding tot psychiater, die buitengewoon tijdconsumerend was, en toen is de situatie ontstaan dat ik het kostwinnerschap inging en mijn vrouw thuisbleef. Ik wilde het anders doen, maar als zeer drukke en ook ambitieuze man ben ik toch wel veel afwezig geweest. Ja, ja, dat denk ik wel.”

Was u autoritair?

„Nee. Nee. Wel streng. Wel van eh, nou ja, gewoon, flink zijn en niet zeuren.”

Wat een vader hoort te doen, zegt u.

„Ja. En als ik daar even op mag doorgaan: denk aan de situatie van een pasgeboren kind waarvan iedereen blij is dat het er is, zeg maar Jezus in het kribbetje, met een aura om zijn hoofdje, en herders en koningen die hem bewonderen. Vanuit die veiligheid moet een kind de wereld in geduwd worden en traditioneel was het de vader die dat deed. En als het kind dan na een wat al te harde confrontatie huilend terugkwam, was het de moeder die het opving.

Prachtig voorbeeld, tijdje geleden, in Parijs. Mijn vrouw en ik zaten in een van die leuke parkjes waar altijd heel veel kinderen spelen, en de ouders of grootouders letten op ze vanaf de kant. Dat gaat leuk en niet leuk, die kinderen maken ook ruzie, er wordt geschopt en geslagen, en met enige regelmaat schiet er dan zo’n kind naar de bank om zich door zijn moeder te laten troosten, precies wat een moeder hoort te doen. Naast ons zat een opa en een jongetje dat ontzettend gepest werd door een ander jongetje vluchtte op zeker moment naar hem toe, huilend. Weet je wat die opa deed? Die draait dat jongetje om met zijn gezicht naar dat andere jongetje en zegt: défends toi. Verdedig je. Nou, dacht ik, dát is het.”

Dat moet een opa doen.

„Voilà. Of de vader. Een kind moet niet blijven hangen in wat psychiaters de primair narcistische fase noemen. Het moet uitgedaagd worden, geconfronteerd worden met de realiteit. En wat je nu ziet, is dat jongens – de meisjes laten we even buiten beschouwing – er door het ontbreken van vaderlijke autoriteit wél in blijven hangen. Ze worden niet volwassen, en dan zie je het passieve type dat zich blijvend laat verwennen, en het actieve type dat denkt dat alles wat ze doen goed en geweldig is, en dat ze bewondering verdienen, gewoon, omdat zíj het zijn.”

En de jongens met een te strenge vader?

„Als die onvoldoende zelfvertrouwen hebben om zich tegen hem af te zetten, kan dat ontsporen in wat psychiaters secundair narcisme noemen. Dat zijn de mannen die wel de confrontatie zijn aangegaan, maar het niet gered hebben. Het worden geen volwassen, rijpe vaders. Ze zijn gekrenkt en vernederd, en denken: dit nooit meer. Dat type probeert zichzelf groot te maken en macht uit te oefenen en ervoor te zorgen dat niemand ze ooit nog van de troon kan stoten. Je ziet ze als ceo’s van bedrijven, als hoogleraren, als minister, als president. Ze hebben een enorme drive en kunnen heel ver komen, maar ze vinden nooit bevrediging. Ze willen altijd meer.”

U herkent uzelf in dat type?
„Nee.”

Uw vader?

„Hij had er trekken van.”

Wat te denken van Donald Trump?

„Het absolute voorbeeld van een narcistische, onrijpe vader die in reactie op de horizontale, inclusieve, identitaire linkse beweging aan de macht is gekomen. En dat is geen incident. Waar ter wereld zien we nog rijpe en wijze vaders als leiders? Hoe ik ook rondkijk, ik zie ze niet.”

Angela Merkel?

„Merkel?” Koerselman spreidt zijn armen. „Kom maar binnen, wir schaffen das. Dat is toch een moeder? Dat is dé moeder. En ze heeft het niet gered. Als ze het gered had, was het wat anders geweest. Maar ze heeft het niet gered.”

Mark Rutte?

„Rútte.” Hij is even stil. „Laat ik het zo zeggen: ik zie in de Nederlandse politiek geen vaderfiguur. Bovendien, men wíl geen vaderfiguur meer zijn. Iedereen wil hip zijn en jong doen, en zit op de hurken om maar niet volwassen te lijken.”

Toch lijkt er bij een deel van de kiezers een groot verlangen te zijn naar een vaderfiguur.
„Ja, tegen wat Mitscherlich de stuurloosheid noemt. Een vader moet sturen en als hij dat niet doet, en de moeder doet het ook niet, want ze werkt buitenshuis, of ze zegt zoals Merkel dat alles goed is, wat hou je dan over? De kinderen. Dat is wat je ziet: een samenleving van zichzelf besturende kinderen. Haal de ouders eruit, zet de kinderen bij elkaar en je krijgt sibling rivalry, onderlinge rivaliteit. En die uit zich in achterdocht en gigantische controledwang, want als er van bovenaf niets geregeld is, dan moeten we elkaar de hele tijd in de gaten houden.”

Kees van der Staaij van de SGP loopt weg met uw werk. Thierry Baudet misschien ook wel.

„Moet je luisteren…” Hij lacht ongemakkelijk, geïrriteerd. „Nou en?”

Wat is de oplossing?

„De gang van de geschiedenis is dialectisch en zoals we in 1968 een linkse opstand hadden, hebben we nu een rechtse opstand. Ik denk dat dat nog een hele tijd gedoe en onzekerheid zal geven. Je zou hopen dat rijpe, wijze vaders tegenwicht gaan bieden, bijvoorbeeld tegen het idee van toxic masculinity, giftige mannelijkheid. Rutte die huilt vanwege het leed van die gedupeerden van de belastingdienst – ja, halló zeg. Een huilende minister-president, en dat wordt dan gezien als positief.”

Wat is daar erg aan?

„Laat hij het voorkómen. Er iets aan dóén.” Hij is even stil. „Een man moet flink zijn. Een váder moet flink zijn. Wat op het ogenblik helemaal weg is, is de norm van flink zijn, van niet zeuren, niet klagen, niet bij het minste of geringste getraumatiseerd zijn, niet meteen eisen stellen, niet meteen op je rechten staan. Het lijkt me goed dat die moraal weer terugkomt.”

Frank Koerselman (Batavia, 1947) is psychiater, psychoanalytus en emeritus hoogleraar aan het UMC Utrecht.
Daarnaast was hij hoofd van de afdeling psychiatrie van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis in Amsterdam.
In 2016 verscheen zijn boek Wie wij zijn, waarin hij laat zien hoezeer onze keuzes worden bepaald door vaak tegenstrijdige psychologische behoeften.
Het pamflet Ontvadering is afgelopen dinsdag verschenen bij Prometheus.

——————————————————————————————————————–

Voor mij moet een vader vooral recht in zijn schoenen staan en betrouwbaar zijn. Dit gedicht schreef ik ooit voor mijn vader. Hij heeft het destijds gelezen maar niet begrepen.

Later (voor mijn vader)

Later bestaat niet,
Later is de dood,
Een gemiste kans,
Een onvervulde droom.

Later is een zoethouder,
Een slechte herinnering,
Een uitvlucht…
Later is van de lafaard
En de vrek,
Later is voor wie
Niet kan geven
En toegeven.

Later is niet van ons,
Maar harteloze onzin.
Later is groot beginnen
En klein eindigen
Voor wie niet bewust
Nu leeft.

Micheline Baetens

 

 

De waarheid

Als je nergens kwaad inziet, durf je ook veel meer. Men noemt je dan misschien wel, vrank, vrijpostig of nog erger vulgair en stout, maar het tegendeel is waar.

Een oprechte ziel draait niet rond de pot, manipuleert niet, of kwetst en beledigt niet met opzet. Dat is eerder het probleem in het hoofd van de andere, die niet eerlijk durft te zijn tegenover zichzelf en zich niet kwetsbaar durft opstellen.

De waarheid wordt verdrongen en verwrongen, en in tijden van fakenieuws dient al wat gezegd en geschreven wordt met een flinke korrel zout te worden genomen.

Mijn moeder zei dikwijls: “Ons Micheline die kan haar eigen kwaad niet zwijgen.” Alsof ik ook kwaad zou doen (hm!). Toch wel hoor, maar zwijgen is niet liegen en je beter voordoen dan je bent.

Natuurlijk heb ik net als iedereen persoonlijke belevenissen die ik maar liever niet vertel, omdat ze zo buitengewoon en misschien zelfs choquerend zijn, zeker voor de buitenwereld. Bovendien zijn daar vaak ook andere mensen bij betrokken en ik wil niemand bewust in verlegenheid brengen of pijn doen.

Wees ook kieskeurig aan wie je wat verteld. Een open geest kan meer verdragen dan wie met oogkleppen leeft. En als iets niet mag voorverteld worden, zorg dan dat je degene die het te horen krijgt te vertrouwen is. Of vertel het je psychiater!

Geheimen ja, maar liegen neen, dat is niet aan mij besteed, daar ben ik heel eerlijk en oprecht in.

BOEK: Een smerig dier

“Op twee juni viel ik rond het middaguur in slaap achter het stuur van mijn auto en reed zonder te remmen in een muur van betonnen weginfrastructuur op de A35, enkele kilometers ten noorden van de Frans-Zwitserse grensovergang van Bazel. Ik vloog lang genoeg door de lucht om mij ervan bewust te worden dat ik door de lucht vloog en vond in die zweefvlucht een vreemd soort rust, omgeven door een gloed van geel licht, de felle zon die werd gefilterd door de dunne stof van de airbags. Deze rust werd verstoord toen de auto landde, enkele keren tussen beton links en beton rechts slingerde, en uiteindelijk met veel gekrijs rokend en lekkend tot stilstand kwam.

Maar het echte drama voltrok zich een maand later, toen ik vanuit een innig verdriet tegen een jonge perenboom trapte en mezelf op die manier een gebroken middenvoetsbeentje bezorgde. Het gevolg was dat ik gedurende vijf weken maar op één been kon rekenen en geblokkeerd zat in het huis van mijn moeder, die ik in lange tijd niet meer had gezien. Het leven was dus slimmer gebleken, en had me aan de kant gezet.”

Met ongeziene openheid schrijft Paul Baeten over eenzaamheid, depressie en angsten. Een smerig dier is een verhelderende getuigenis en een bondgenoot voor iedereen die soms denkt helemaal alleen in de wereld te zijn.

Eén op vier Belgen krijgt vroeg of laat af te rekenen met psychische problemen. Jammer genoeg gaat dit thema nog vaak gepaard met stigmatisering, schaamte en een gebrek aan kennis. In de nieuwe Te Gek!? Novelle, Een smerig dier, schrijft Paul Baeten met ongeziene openheid over eenzaamheid, depressie en angsten. Dit boek is een verhelderende getuigenis en een bondgenoot voor iedereen die soms denkt helemaal alleen in de wereld te zijn. Lees hier een fragment.

[…]
Dag An,
Ik liep de trappen af naar de kelder en elf treden en evenveel seconden lang wist ik: ik heb een leren ceintuur die ongetwijfeld rond mijn nek past, die hang ik aan een leidingbuis en daarmee is het eindelijk gedaan. Ik besloot dat het hier zou eindigen en die beslissing bracht een gelukzalige rust met zich mee. Ik hield mijn adem in, duwde mijn tong tegen mijn verhemelte om alvast te proeven van de verstikking die me zou verlossen. Zo zou het gaan, daarna zou alles weg zijn. Nooit meer pijn, nooit meer zorgen, nooit meer verdriet.

Die elf seconden waren genoeg om een flits van de duisternis in haar zwartste gedaante te zien en te beseffen dat het nog niet mijn tijd was.

Elk leven is een wereld en ik had nog niet alle landen bezocht. Er moest nog veel gebeuren. Niet nu meteen, maar later wel. Er moest gelachen worden, vluchten gemist en vuur gestookt op kille avonden. Het moest nog ontelbare keren donderdag zijn en er moest nog heel vaak traag gekust worden in de lange warme uren tussen juni en september.

Ooit zou ook dit maar een herinnering zijn. Misschien over een jaar, misschien overmorgen. Maar nu nog niet, nu was er enkel gekmakende pijn die zich niet liet afschrikken door relativering. Ik snakte naar troost van de liefde, maar juist die had ik weggejaagd.

Dus viel ik op bed neer en vluchtte in een diepe slaap.

Het is gewoon even mijn decennium niet, An. Maar straks begint er gelukkig een nieuw, en dat ga ik laten dansen. Alle rommel, alles wat overbodig is, gooi ik daarom weg. Ik zal dus nergens nog over stamelen of liegen. Ik zal je alles vertellen.

Om te beginnen wat ik als kind deed wanneer ik niet kon slapen. Ik stelde me voor dat ik op de achterbank van de auto lag en dat mijn vader reed en mijn moeder naast hem zat. En de zon ging onder en niemand sprak, maar de stilte was er een van rust. Op de radio las iemand de uitslagen van de voetbalcompetitie voor of speelde op zacht volume een liedje, dat alleen maar de omliggende stilte benadrukte. Een stilte waarop je kon bouwen. Een stilte waarin je kon schuilen. Een stilte waarin je kon gaan slapen met het idee dat morgen weer goed zou zijn.

Dertig jaar later lijkt het erop dat ik nog steeds jaag op dat gevoel. Een kort besef van welzijn, in het beste geval pas na de feiten. Dat je ’s avonds of de dag erna denkt: daar had ik het vast. Een paar uren rust in mijn hoofd. Het leven beleven in de eerste persoon, zonder mezelf bezig te zien en te horen. Emoties zonder pathetiek.

In zekere zin dus het leven beleven als een kind. Wat gek is, want als kind wilde ik niets anders dan zo snel mogelijk opgroeien. Niet dat ik nu weer een kind zou willen zijn. Maar het hoeft ook niet meer zo nodig sneller vooruit te gaan dan het vanzelf al gaat.
Een groot, schijnbaar uniek sentiment kan heel snel heel klein en beschamend worden als je het opschrijft.

Ik was niet meteen gewonnen voor je idee om dit per brief te doen zolang ik niet naar de praktijk kan komen. Ik vind het wat onwennig. Schreef al lang geen brieven meer. Ik dacht dat het lag aan de traagheid die er eigen aan is. Ik heb niet langer het geduld om ze te schrijven, jij niet de tijd om ze te lezen. Maar meer nog gaat het om de meedogenloosheid waarmee je kleine ideetjes, frustraties en groteske gevoelens tot hun ware grootte terugbrengt. Als ik een uur bij jou kom praten, dan is alles wat gezegd werd na dat uur ook weer verdampt. Dat is vaak geen slechte zaak. Maar een groot, schijnbaar uniek sentiment kan heel snel heel klein en beschamend worden als je het opschrijft. Woorden kunnen opsmukken, maar ook ridiculiseren en uitkleden. In mijn hoofd of mijn hart kan iets soms amper passen, alsof het eruit gaat barsten, en als het eenmaal neergeschreven staat, is het ook dat maar. Je kunt alles proberen te benoemen – hoop, geluk, verdriet, aantrekking – maar op dat moment kap je de kop en de poten er ook af. We mogen slechts kleine verwachtingen koesteren van zesentwintig letters.

Ik ben moe van al het slapen.

Morgen schrijf ik je over wat er vandaag gebeurde. K.
[…]

Paul Baeten (1981) woont in Borgosesia (Noord-Italië) en Leuven. Zijn debuutroman, Nemen wij dan samen afscheid van de liefde, verscheen in 2008 bij De Bezige Bij. Later volgden Kentucky, mijn land (2009), Onder vrienden (2011) en Straus Park (2013). In 2015 verscheen bij Hollands Diep Wanderland. Samen met Tom Lenaerts schreef hij twee seizoenen van de tv-reeks Over water.

“Depressie is tegen zichzelf gerichte agressie”, dat is de psychoanalytische definitie van depressie. Ik noem het smerige dier “mijn zwarte hond”.

Mijn zwarte hond

Als er ’s morgens
Een zwarte hond aan je bed zit,
Kijk hem dan recht in de ogen,
En praat er tegen.

Over je angsten,
Je twijfels,
Je woede en verdriet.
Negeer hem niet,
Want daar kan dat beest niet tegen,
Dan bespringt hij je
En heeft hij je binnen de kortste keren
Verslonden!

Micheline Baetens – 9 maart 2010

De corona-epidemie en het milieu

Negen jaar geleden, in februari 2011, is mijn man overleden aan een longontsteking, die begonnen is met een banale verkoudheid.
Eerder onverwacht ondanks het feit dat hij een risicopatiënt was, zoals nu bij het coronavirus. Ook zijn vriend overleed die maand aan hetzelfde en ook hij was een risicopatiënt.
Mij maken ze dus niet bang met al het onheilsnieuws dat op ons afkomt, want veel verschil zie ik niet met wat mijn man en zijn vriend overkomen is.
Ik weet niet wat hier allemaal achter zit, als er al iets achter zit, maar het gezond verstand lijkt mij in elk geval serieus zoek!


‘Waarom krijgen andere mogelijke aspecten van de corona-epidemie nauwelijks aandacht?‘

Knack – 20.02.2020

Jos Vranckx
journalist en auteur

Het viel gezondheidsjournalist Jos Vranckx de voorbije weken op dat de media zich blindstaren op de ‘geheimzinnige’ boosdoener van Covid-19, namelijk het virus zelf. Er zijn echter mogelijk nog meer onderliggende oorzaken waar amper iets wordt aan gedaan, meent hij.

Luchtvervuiling in Wuhan © reuters

Het corona-alarmisme illustreerde eens te meer een voorbijgestreefde manier van denken over gezondheidszorg, die nog steeds de media en de populaire mentaliteit beheerst. Zeker ook omdat ze zo logisch lijkt: één oorzaak (het virus) – één gevolg (de ziekte: koorts, vermoeidheid, droge hoest…. ).

In werkelijkheid spelen ook andere factoren een rol in combinatie met elkaar.

Mediacircus

Media en mediaconsumenten kicken op rampberichten, dat is bekend. Van bij de eerste signalen over de epidemie pakten de media uit met alarmerende cijfers op een dramatiserende toon. Telkens opnieuw: al zoveel besmettingen, al zoveel doden… Vaak ook werd de term ‘coronavirus’ voorafgegaan door het epitheton ‘dodelijk’.

Dag na dag steeg de dramatiek met de stijging van het aantal besmettingen. Waarbij niemand op het idee kwam om deze cijfers af te wegen tegenover die van de ‘normale’ besmettingen en sterfgevallen als gevolg van de ‘gewone’ griep en ‘gewone’ longontstekingen.

De recente plotse stijging van het aantal vermeende besmettingen op basis van CT-scans van de longen, heeft tot gevolg dat ook gewone longinfecties aan Covid-19 worden gelinkt.

De Vlaamse virologen Marc van Ranst en vooral Herman Goossens stelden zich in hun commentaren wél vragen over de betrouwbaarheid van de statistieken en namen afstand van alarmisme.

Vooral omdat het aantal dodelijke slachtoffers uiteindelijk beperkt blijft (slechts 1% van de besmette personen, volgens professor Goossens), vier keer minder dan bij de SARS-epidemie. En dat overlijden hoofdzakelijk mensen treft met een verzwakte immuniteit, ouderdom en/of onderliggende ziekte. Zoals het geval was bij het eerste Europese slachtoffer, een 80-jarige man in Frankrijk rond wie zich een gigantisch mediacircus afspeelde.

Onnodige paniek

Tot dusver heeft het nieuwe coronavirus een 2000-tal dodelijke slachtoffers geëist, volgens de Chinese bronnen. Indrukwekkend, inderdaad, maar ‘gewone’ longinfecties maken per jaar rond de 300.000 slachtoffers in China, lang voordat er sprake was van een coronavirus. Wereldwijd veroorzaakt de gewone griep tussen de 250.000 en 500.000 overlijdens per jaar – in België 1.200 in 2018. Toch is dat voor niemand een reden tot paniek.

Niet alle besmette personen krijgen de symptomen, en niet alle symptomen zijn de schuld van het virus. Net zoals met gewone griep het geval is: veel mensen zijn besmet zonder dat ze ziek worden (asymptomatisch). Volgens een grootschalige studie in Groot-Brittannië blijft driekwart van de seizoensgriep onopgemerkt en niet-gediagnosticeerd. Echte zieken zijn dus maar het topje van de ijsberg. Het omgekeerde kan ook: griepsymptomen vertonen zonder dat je het virus in je lijf hebt. Datzelfde geldt ook voor het Covid-19-verhaal.

Al die min of meer genuanceerde standpunten vallen in het niet tegenover de overkill aan analyses over het virus en wat er ons nog te wachten kan staan, zoals een wereldwijde, dodelijke pandemie. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) blijft daarvoor waarschuwen. Waarbij telkens weer wordt verwezen naar de Spaanse griep van 1918 met miljoenen doden wereldwijd – bij een bevolking die verzwakt, ondervoed en soms vergiftigd was als gevolg van de oorlog.

Een mogelijke herhaling van dat scenario leidde in 2010 tot paniek over de Mexicaanse griep. De Nederlandse regering kocht 34 miljoen vaccins aan, die al snel overbodig bleken.

Ecologische aspecten

Met al die fascinatie voor het nieuwe, geheimzinnige virus zag je nauwelijks aandacht voor mogelijke andere factoren waardoor de epidemie zich heeft kunnen ontwikkelen in Wuhan, een dichtbevolkte industriestad met meer dan 11 miljoen inwoners.

Grijze woontorens en weinig groen. Luchtvervuiling is in veel Chinese steden, waaronder Peking, een gigantisch probleem, maar Wuhan scoort volgens waarnemers het slechtst met veel chemische luchtvervuiling en geregeld gele smog. Vorig jaar waren er heel wat straatprotesten. Kinderen lopen er al langer rond met mondkapjes.
Zo’n chronische blootstelling aan slechte lucht met veel fijn stof vormt uiteraard een broeihaard voor longinfecties. Reken daarbij nog de problemen met voedselveiligheid, gebrekkige sanitaire en hygiënische voorzieningen, antibiotica-resistentie… Al deze factoren spelen ongetwijfeld – naast de virus-uitbraak – een rol om de explosie van infecties te verklaren. Uit onderzoek blijkt telkens weer dat voor de immuniteit van de mens verbondenheid met de natuur van groot belang is. Het omgekeerde – een quasi totaal gebrek aan vrije natuur – kan dus de natuurlijke weerstand tegen virussen en bacteriën aantasten.

Stress

Last but not least is er de psychologie. Blootstelling aan langdurige, stresserende leefomstandigheden maken mensen vatbaarder voor infecties. Angst werkt bovendien aanstekelijk. Dat mensen liever in alarmerende dan in geruststellende boodschappen geloven, heeft de evolutiebiologie in ons ‘geprogrammeerd’ als een vorm van zelfbescherming tegen mogelijke gevaren. Maar het is niet aangepast aan onze tijd. Het nocebo-effect – de verwachting dat iets slecht afloopt, – verhoogt de kans op ziekte (het omgekeerde van placebo) . Mensen – en zeker Chinezen – zijn sociale wezens, die hun gedrag en denkpatronen spiegelen aan elkaar via de spiegelneuronen in het brein. Zo krijg je selffulfilling-prophecy.

De eerste minister van Cambodja had dus zeker een punt toen hij bij de verwelkoming van de onfortuinlijke passagiers van het Nederlandse cruiseschip Westerdam opmerkte: ‘Het grootste gevaar van het coronavirus is de angst’.

Fake news

Die angst vindt natuurlijk een uitlaatklep in al het fake news en de apocalyptische scenario’s die in de (sociale) media de ronde doen. Het meeste weerklank krijgt het verhaal dat de epidemie veroorzaakt is door een nieuw menselijk virus, mogelijk ‘bewapend’ door een bacterie (van een aap, paard, slang, vleermuis…). Het virus zou ontsnapt zijn uit labo’s in Wuhan die zich bezighouden met biologische oorlogsvoering.
Zulke bio-wapens op basis van genetische recombinatie of door bacteriën besmette virussen (bacteriofagen) levert stof voor spannende griezelverhalen en huiveringwekkende science fiction. In werkelijkheid is bio-engeneering voor militaire doeleinden een hopeloze zaak vanwege de oncontroleerbaarheid en onvoorspelbaarheid van het effect. De ‘uitvinding’ kan zich dus tegen de eigen bevolking keren. Zoals uit de geschiedenis blijkt, bijvoorbeeld in 1939 bij een biologisch offensief van Japan in Mantsjoerije, waarvan duizenden eigen soldaten het slachtoffer werden.

Heel wat waarnemers beginnen zich vragen te stellen of de draconische maatregelen – 50 miljoen mensen in een lockdown, 750 miljoen – meer dan de helft van alle Chinezen – met een beperkte bewegingsvrijheid – wel in verhouding staan tot de ernst van de epidemie en het reële besmettingsgevaar. Het begint erop te lijken dat voor de Chinese machthebbers de Coronatoestand een handig excuus is om de bevolking nog meer in het gareel te krijgen en protesten de kop in te drukken, onder meer door de vervanging van de lokale gezagdragers.

Iedereen rekent nu op het vaccin waar diverse labo’s intens aan werken, terecht, maar die kunnen nooit een oplossing zijn als aan de onderliggende factoren amper iets wordt gedaan.

Covid-19 zal wellicht verdwijnen, maar andere ziektekiemen maken hun opwachting.

Jos Vranckx

Een lenterige tuin

De wintermaanden zijn voorbij en we zijn begonnen aan de eerste lentemaand van 2020. In de tuin begint één en ander in bloei te komen en krijgt de natuur een “lenterig” uitzicht. Zo ook in mijn tuin.

Tijd

Tijd
Hou je
Een beetje in
Het is al
Bijna lente
En het is
Niet eens
Winter geweest.

Micheline Baetens – 01.03.2020