Elk op zijn manier

Iedereen lost ongelukkig zijn blijkbaar op zijn of haar manier op. Een vriend liet mij een nummer horen dat voor hem momenteel veelzeggend is. Voor jou Christophe en succes ermee!

Helemaal alleen, zal ik boven komen
Helemaal alleen, bouw ik nieuwe dromen
Helemaal alleen, maar nog lang niet verloren
Helemaal alleen, word ik weer geboren

Hier zit ik in de studio, helemaal alleen
Maar ik doe dit voor men kinderen, familie en fans
Je vader die entertaint, je moeder draait er omheen
Maar ben een stier, sta koppig en mijn B-boys stands
Ik wil niet horen van zorgen, of de twijfels van morgen
Want ik voel me heel alleen, maar hou men gevoelens verborgen
Ben verdrietig niet boos, dit is het leven dat ik koos
Dus fak al die sletten en hoes

Helemaal alleen, zal ik boven komen
Helemaal alleen, bouw ik nieuwe dromen
Helemaal alleen, maar nog lang niet verloren
Helemaal alleen, word ik weer geboren

Ik stond hier achter de coulissen weer helemaal alleen
Studeerde die tekst uit men hoofd, helemaal alleen
En ik zal eerlijk met je zijn, dit is voor mij geen probleem
Ik doe dit al dagen, weken, maanden en jaren aan één
Ben zelfs met heel de wereld alleen, dus ik hoef niet te praten
Ik zet mezelf op één, want alleen ik ken men waarde
Dus ik focus op later, doe dit zonder te slapen
Maar het allerallerliefst ben ik samen

Helemaal alleen, zal ik boven komen
Helemaal alleen, bouw ik nieuwe dromen
Helemaal alleen, maar nog lang niet verloren
Helemaal alleen, word ik weer geboren

Helemaaaal alleen alleen alleen alleen alleen alleen alleen
Helemaaaal alleen alleen alleen alleen alleen alleen alleen
Helemaaaal alleen alleen alleen alleen alleen alleen alleen
Helemaaaal alleen alleen alleen alleen alleen alleen alleen

Waarom schrijf ik

Ik schrijf omdat ik wil schrijven
dat ik gelukkig ben.

Op een dag zal het zover zijn
en zal ik schrijven-
met mijn tong tussen het puntje van mijn tanden,
en met rode oren en rode wangen;
ik ben gelukkig.

Als ik daarna ooit nog twijfel
en meen dat ik verdrietig ben of de wanhoop nabij
of zelfs reddeloos verloren,
kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben:
gelukkig.

Toon Tellegen

En de dichter die lost het op door te schrijven. Zoals ik al zei, elk op zijn manier…

Denk je nog weleens aan mij?

Tu penses à quoi ?

A la langueur du soir dans les trains du tiers monde ?
A la maladie louche ? Aux parfums de secours ?
A cette femme informe et qui pourtant s’inonde ?
Aux chagrins de la mer planqués au fond des cours ?

Tu penses à quoi ?
A l’avion malheureux qui cherche un champ de blé ?
A ce monde accroupi les yeux dans les étoiles ?
A ce mètre inventé pour mesurer les plaies ?
A ta joie démarrée quand je mets à la voile ?

Tu penses à quoi ?
A cette rouge gorge accrochée à ton flanc ?
Aux pierres de la mer lisses comme des cygnes ?
Au coquillage heureux et sa perle dedans
Qui n’attend que tes yeux pour leur faire des signes ?

Tu penses à quoi ?
Aux seins exténués de la chienne maman ?
Aux hommes muselés qui tirent sur la laisse ?
Aux biches dans les bois ? Au lièvre dans le vent ?
A l’aigle bienheureux ? A l’azur qu’il caresse ?

Tu penses à quoi ?
A l’imagination qui part demain matin ?
A la fille égrenant son rosaire à pilules ?
A ses mains mappemonde où tremble son destin ?
A l’horizon barré où ses rêves s’annulent ?

Tu penses à quoi ?
A ta voix sur le fil quand je cherche ta voix ?
A toi qui t’enfuyais quand j’allais te connaître ?
A tout ce que tu sais de moi et à ce que tu crois ?
A ce que je connais de toi sans te connaître ?

Tu penses à quoi ?
A ce temps relatif qui blanchit mes cheveux ?
A ces larmes perdues qui s’inventent des rides ?
A ces arbres datés où traînent des aveux ?
A ton ventre rempli et à l’horreur du vide ?

Tu penses à quoi ?
A la brume baissant son compteur sur ta vie ?
A la mort qui sommeille au bord de l’autoroute ?
A tes chagrins d’enfant dans les yeux des petits ?
A ton coeur mesuré qui bat coûte que coûte ?

Tu penses à quoi ?
A ta tête de mort qui pousse sous ta peau ?
A tes dents déjà mortes et qui rient dans la tombe ?
A cette absurdité de vivre pour la peau ?
A la peur qui te tient debout lorsque tout tombe ?

Tu penses à quoi ? dis, tu penses à quoi ?
A moi ? des fois ? …
Je t’aime

Tekst en muziek: Léo Ferré

Een lege plek om te blijven

Een lege plek om te blijven

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.

Rutger Kopland

Misschien moeten we dat maar allemaal wensen!

“Anyone who is a parent, anyone who knows the precious responsibility of being a mother or a father, will fully grasp the meaning of this piece. ‘Fall On Me’ is the first time I have duetted with my son Matteo Bocelli”.

Andrea Bocelli

“Ik voel niets meer!”

Een mens kan aan om het even wat verslaafd geraken: eten, drank, pillen, drugs, geld, macht, aandacht, seks…

Ik heb nog maar eens naar de film Nymphomaniac van Lars von Trier gekeken, over een vrouw die seksverslaafd is. Het is een vijf uur durende film, maar echt de moeite waard om een tweede keer helemaal uit te kijken.

Elk verslavingsproces verloopt op de dezelfde manier, of het nu drank of seks is, zoals in de film. Je gaat steeds verder in je verslaving en zoekt voortdurend naar nieuw en groter genot, tot uiteindelijk niets meer bevredigend werkt, en je het net zoals Rammstein uitschreeuwt: “Ik voel niets meer!”. Bovendien verkeert de verslaafde in de grootste eenzaamheid, uitgesloten en verteerd door zelfhaat.

Zoals ik al zei, een mens kan aan om het even wat verslaafd geraken en hierdoor zijn vrijheid verliezen. Het leven moet dus een uitdaging blijven met ups en downs, en nooit de perfectie nastreven, want het eindresultaat is dat je niets meer voelt, geen blijheid, geen verdriet, en vooral ook geen liefde meer, niet voor jezelf en niet voor de ander.

Junkieverdriet

Mijn eeuwenoud, mijn levenslang junkieverdriet
Van geboortepijn tot nu mijn eenzaamheid
Die ik deel met duizenden nu ik weet wat ik weet:
Dat de mens een naald is zoekend naar een ader
Zoekend naar de kiespijn van zijn ver verleden.

Junkieverdriet, bass-toon van deze tijd
Waar de verschopte verschaalt in een dode hoek
Van het denkperspectief, in de paranoia
Van de kleine penis en de schizofrenie van schaamte.

In deze wereld mijn waansisteem werd liefde
Een misdrijf in het duister en reizen kruipen
Uit de schaduw der ouders naar de schaduw van de dood.
Verdrinken tijdens de armslag naar meer.

Licht van alle licht, licht
Dat niet dooft met de dagen en mijn geheugen
Voortdurend doorschijnt, licht licht
Dat niet zinkt in de stof het woord
Dat muis is knagend binnen klein bestek,
Licht dat bomen doorruist en water, licht
Dat leeft op de vloedlijn bij springtij,
Tussen afkick en hit, wit licht, witte hitte.

Jotie T’ Hooft

Jotie T’Hooft, de dichter die verslaafd was en zelfmoord pleegde, en zijn genialiteit heeft hem er niet kunnen van weerhouden. Wat ben je er dan mee?

Alles is beter met een hoek af

“De mensen die ideale werelden wilden creëren, bleken meestal tirannen. Ik streef naar een wereld die met kleine stapjes een klein beetje begint te wegen naar de goede kant. Die weet dat hij nooit perfect zal zijn. Alles is beter met een hoek af. Of zoals Leonard Cohen zingt: “There is a crack in everything, that’s how the light gets in”. Een van de mooiste zinnen ooit. Geef mij maar een hoekige wereld, met gebrekkige mensen die nooit perfect zullen zijn en daar gewoon tevreden mee zijn.”
Dixit: Dirk De Wachter – psychiater

Eén van de mooiste liedjesteksten ooit, en nog waar ook. Niets zo steriel als perfectionisme en niets zo creatief als imperfectie, en de degene die er mee kan omgaan. En er is moed voor nodig om die imperfectie toe te geven en te durven tonen, maar wie het kan is zoveel meer waard.“Vrijheid is loslaten van het uiterlijke en de schijn.” Dixit: Ron Sterck – dorpsfilosoof

Thuis in muziek

‘Muziek is meer dan een glas wijn op het einde van een drukke dag’

Kan muziek de wereld redden? Filosofe Alicja Gescinska ging op zoek naar een antwoord. ‘Een beetje Mozart, een beetje Bach en hop: je bent een beter mens? Zo werkt het niet.’

De Standaard – 30.09.2018 – Annemarie Peeters

Dat filosofe Alicja Gescinska (37) bijzonder goede oren heeft, weet u als u haar ooit in de Canvas-serie Wanderlust bezig zag – herbekijk bijvoorbeeld de ontroerende aflevering met schrijfster Lieve Joris. Het liefst van al luistert ze in de diepte, zonder ruis of afleiding. Met muziek gaat het precies zo. Toen ze een aantal jaren geleden op pad werd gestuurd om haar grote idool te interviewen, de Poolse componist Krzysztof Penderecki, legde ze hem haar ultieme vraag voor. Kan muziek de wereld verbeteren? Ze had gehoopt dat het antwoord ‘ja’ zou zijn – hij was toch de man die zich met zijn muziek aan de politiek van Lech Walesa had verbonden?

Maar de oude Penderecki schudde vastbesloten zijn hoofd. Jazeker, er was een tijd waarin hij dat geloofde, maar de jaren hadden hem wijzer gemaakt. Dat knorrige, bittere nee werd het begin van een lange zoektocht voor Gescinska. Had hij gelijk? In haar debuutroman Een soort van liefde zit een van haar personages elke avond opnieuw aan de piano. Hij speelt niet om gehoord te worden, maar ‘om bij de kern te komen van wat het is om mens te zijn’. Wat is dat toch met muziek? Vorig seizoen spong ze als seizoensdenker van het Concertgebouw Brugge in het bad. Komende week verschijnt een essay dat ze op vraag van het Leuvense Festival 20/21 bij elkaar schreef.

Definitieve antwoorden heeft ze niet, liefde voor muziek des te meer – neergepend in zacht druppelende zinnen: ‘muziek doet ons thuiskomen in ons bestaan’.

In je eerste filosofische boek boog je je over de vrijheid, in je eerste roman wilde je de verschillende gezichten van de liefde laten zien. Hoe ben je deze keer bij de muziek terechtgekomen?

‘Hoe ouder ik word, hoe belangrijker ik muziek vind. Ik heb nochtans helemaal geen muzikale achtergrond en mijn ouders hadden weinig met muziek. Mijn passie voor muziek heeft met mijn passie voor de filosofie te maken. Als filosoof wil ik de mens begrijpen en muziek is een belangrijk deel van ons mens-zijn. Maar waarom maken mensen muziek? Wat vertelt dat over wie we zijn, wat we zouden kunnen zijn, of zelfs: wie we zouden moeten zijn? Toen ik het werk van de Franse filosoof Vladimir Jankélévitch leerde kennen, was dat een breekpunt. Die man heeft zo mooi over muziek geschreven. Vanaf dan was elke gelegenheid goed om zelf ook over muziek te gaan nadenken en schrijven.’

Wat is je conclusie? Maakt muziek betere mensen van ons?

‘Veel boeken over muziek gaan de mist in omdat ze de relatie tussen het goede en het schone zien als een een-op-eenrelatie. Een beetje Mozart, een beetje Bach en hop: je bent een beter mens? (lacht) Zo werkt het niet – jammer genoeg. Jankélévitch kon dat heel mooi omschrijven. Hij zei: “muziek ontwapent het hart, op voorwaarde dat je een hart hebt”. Muziek is geen wondermiddel. Het kwade ga je niet met notenbalken en strijkstokken uit de mens slaan. Maar muziek kan wel ons vermogen tot empathie vergroten. Hoe meer empathie, hoe groter de kans dat we onverschilligheid kunnen overstijgen. Muziek kán betere mensen van ons maken, maar doet dat daarom niet altijd.’

Welke rol speelt muziek in je eigen leven?

‘Ik ben iemand die heel veel van stilte houdt. Ik ben er niet bang van, ik hoef ze ook niet te verdrijven. Als ik dan toch die stilte verbreek, probeer ik dat met aandacht te doen. Muziek is voor mij als een hand die zich naar je uitstrekt, of het begin van een gesprek. Het is niet omdat Vivaldi’s Vier seizoenen in de lift van het ziekenhuis weerklinkt, dat die muziek ook daadwerkelijk gecomponeerd is om je aangenaam van de ene naar de andere verdieping te brengen. Wat wil die componist me vertellen? Daar probeer ik voor open te staan. Die aandacht is enorm belangrijk voor mij.’

Is dat soort aandacht vandaag niet eerder zeldzaam?

‘Ja, dat klopt. Natuurlijk kan je muziek ook gebruiken om even helemaal te ontspannen, om te dansen, of als achtergrond bij het strijken. Daar is niets mis mee. Maar muziek is meer dan een glas witte wijn op het einde van een drukke dag. Die andere, aandachtige manier van luisteren mogen we niet kwijtspelen. We leven in een efficiëntiemaatschappij, waarin we alles wat we doen willen vertalen naar onmiddellijke winsten. Op je zetel liggen en niets anders doen dan met de koptelefoon op naar een kwintet van Schubert luisteren, past daar niet meteen in. Maar we zijn meer dan econs, economische radertjes, we zijn humans. Mens-zijn betekent ongrijpbaar zijn. We worstelen daarmee. Muziek kan daarbij helpen, muziek kan je helpen om bij je eigen kern te komen. Maar het vraagt tijd, moed en energie. Net zoals een goed gesprek inspanning vraagt. Of wanneer je vriendschap sluit met iemand die heel anders is dan jezelf.’

‘Ik vind het enorm jammer dat muziek in onze maatschappij als nauwelijks meer dan een bijzaak wordt beschouwd: een hobby, iets voor je vrije tijd. Eens je begrijpt hoe diepgaand auditieve prikkels zijn – denk alleen al maar aan alzheimerpatiënten, bij wie muziek vaak herinneringen losmaakt die verdwenen leken – dan snap je toch niet dat muziek in ons onderwijs niet even belangrijk is als bijvoorbeeld wiskunde? Er zijn zoveel dingen uit onze schoolcarrière die we voor altijd vergeten, maar muziek blijft ons bij. Tot in het rusthuis toe.’

Heeft muziek jou veranderd?

‘Muziek heeft me zeker doen groeien als mens. Het mooie aan muziek is dat je niet alleen de muziek beter leert kennen, maar door de muziek ook jezelf. Muziek kan je doen ontdekken waar je toevluchtsoorden zijn. Door mijn eigen geschiedenis (Gescinska ontvluchtte op haar achtste thuisland Polen, samen met haar ouders, red.) is “me thuis voelen” voor mij iets ontzettend complex. Maar muziek van Chopin, bijvoorbeeld, heeft me wel geholpen om thuis te komen: niet op een concrete plek, maar in mezelf. Zijn weemoed en zijn verlangen naar Polen op het moment dat hij in Frankrijk leefde, openden de deur naar een onbenoemd verlangen in mezelf. Je thuis voelen lijkt misschien voor velen een evidentie. Maar voor een steeds grotere groep mensen is het dat niet.’

Stoort het je niet dat muziek ook vaak misbruikt wordt, bijvoorbeeld door nationalisten?

‘Met nationale trots is op zich niets mis. Dat is nodig. Je moet de plek waar je bent, kunnen omarmen en liefhebben. Pas als die liefde verkrampt, heb je een probleem. In de liefde verlies je de ander als je hem te stevig omknelt. Als je je land alleen maar kan liefhebben door te eisen dat het status quo blijft en niet verandert, dan is er iets mis. Muziek kan openheid creëren, maar kan dus ook die kramp aanwakkeren. Net zoals liefde je kan doen groeien en ze je tegelijk ook jaloers of benepen kan maken. Wie faalt er dan: de liefde of de mens? Hetzelfde geldt voor muziek. Muziek is een oefening in menselijkheid, maar geen garantie op menselijkheid.’

Schuberts ‘Der Wanderer’ is zowat je lijflied. Jouw identiteit zweeft ergens tussen Polen en België in, maar ook professioneel verkies je een zwervend bestaan. Wat heeft je doen besluiten om de universiteit te verlaten?

‘Een doctoraat maken als filosoof is iets fantastisch. Je mag de hele dag nadenken en schrijven en daar krijg je nog een vast loon voor ook. In de jaren daarna begon het toch meer en meer te wringen voor mij. Academici worden beoordeeld op basis van hun publicaties. Op zich is het goed dat je aangespoord wordt om productief te zijn. Maar de manier waarop de rankings van tijdschriften zijn opgesteld heeft op z’n minst iets arbitrairs. Zo zijn er onderwerpen waarover er meer tijdschriften bestaan dan andere. Ik sprak met collega’s die wild enthousiast waren over een bepaald topic, maar er toch vanaf zagen omdat ze het niet gepubliceerd zouden krijgen. Dat is een probleem. Ik wilde als filosoof niet in dat harnas zitten. Ik wil kunnen denken wat ik wil denken.

Natuurlijk maakt dat het leven er niet eenvoudiger op. Ik weet niet wat ik binnen drie maanden ga doen, laat staan binnen een jaar. Dat is soms slopend, zeker als je drie kinderen hebt. Maar blijkbaar is dat toch de prijs die ik voor mijn vrijheid wil betalen.’

Ook jouw schrijven ‘wandert’: tussen fictie en essay. Wat doe je het liefste?

‘Als ik aan een filosofische tekst aan het werken ben, verlang ik er vaak naar om verder te schrijven aan mijn roman. Dan lijkt dat me eenvoudiger, omdat je bij een roman geen voetnoten moet nalezen, of feiten checken. Maar als ik dan fictie aan het schrijven ben, verlang ik weer naar non-fictie, want daarbij heb je veel meer houvast en kan je voortbouwen op de woorden en gedachten van anderen. Beide genres hebben hun uitdagingen (lacht). Maar ik wil er niet tussen kiezen, omdat ik denk dat er uit de literatuur minstens evenveel te leren valt over de mens als uit de filosofie. De mooiste beloning die ik me kan voorstellen is dat iemand een van mijn boeken, of het nu fictie of non-fictie is, dichtslaat en dat het dan pas begint: het gesprek van die persoon met zichzelf.’

De muziekwereld heeft ook haar lelijke kanten. Het is en blijft grotendeels een mannenwereld, waaruit de laatste maanden ook steeds meer #MeToo-verhalen naar boven komen. Hoe kijk jij daarnaar?

‘#MeToo is in de eerste plaats een probleem van machtsverhoudingen. Waar macht is, is ruimte voor machtsmisbruik. Omdat mannen nog steeds het merendeel van de machtsposities bekleden, gaat dat machtsmisbruik meestal van mannen naar vrouwen. Maar vrouwen kunnen die rol ook opnemen. Het probleem is ook niet dat er één dirigent is, of één regisseur. Die hiërarchie is nodig om bijvoorbeeld één klank te kunnen smeden, of één overkoepelende visie te ontwikkelen op een stuk. Maar macht moet transparant zijn. Iedereen is gebaat bij de openheid die nu ontstaan is. Meer en meer mensen zullen zichzelf gaan bevragen en dat is goed.’

‘Dat we nog steeds in een mannenwereld leven – niet alleen in de muziek, maar bijvoorbeeld ook in de filosofie, de literatuur, het academische leven – is een ander probleem. Zo zie je binnen de filosofie bijvoorbeeld nog vaak essaybundels gepubliceerd worden met enkel mannelijke auteurs in de inhoudstafel. En nog steeds stelt niemand dat in vraag. Daar erger ik me aan. Vraag aan eender wie om voor de vuist weg vijf componisten op te noemen en dat zullen hoogstwaarschijnlijk vijf mannen zijn. Alsof het beeld van “de mannelijke componist”, “de schepper”, in onze hersenen is gegraveerd. Ook in die van vrouwen. We hebben echt nog een lange weg te gaan, net omdat die oude beelden zo sterk zijn. Als we aan een “intellectueel” denken, dan zien we nog steeds een whiskydrinkende man met sigaret in de mondhoek voor ons geestesoog. Of een vrijgevochten vrouw die minnaars en kinderwens van zich af slaat en mannenkleren draagt. Een vrouwelijke intellectueel met vijf kinderen? Onze verbeelding staat dat – blijkbaar – nog niet toe. Ik kan me daar ontzettend aan storen. Het is een denkfout, niet alleen van de blanke man, maar van de maatschappij als geheel, dus ook van heel wat vrouwen. Mijn man is huisman. Je wil niet weten hoe vaak hij medelijdende blikken of ondersteunende schouderklopjes krijgt. Of hoe vaak men mij vraagt “of hij nog altijd niets doet”. Wij dragen een immense historische ballast mee en daar zullen we nog lang last van hebben.’ ‘Thuis in muziek’ is uitgegeven bij De Bezige Bij. 

 

Twee herfstgedichten

Twee herfstgedichten, van een dode en van een levende dichter, en net zoals de natuur op zoek naar rust.

Herfst

Heb ik gevonden wat ik wil
of ben ik al te snel tevreden
omdat het rustig is en stil
en ik de strijd wel heb gestreden

is het de herfst, die diep in mij
de wens tot vluchten heeft verdreven
de drang naar almaar verre oorden
de onrust eindelijk voorbij
vond ik mijn vrede in het leven
en in de stillere akkoorden

alsnog gehecht en het voelt goed
om na de liefde te bedrijven
mij te bedekken met een gloed
van klein geluk en dan te blijven.

© bert deben

Nog altijd aan die ene…

Waar denk je aan? Nog altijd aan die ene…

Waar denk je aan?

Je was aan mijn deur
Ik hoorde je kloppen maar het kon me niet schelen
Ik staarde gewoon ’s nachts naar de muur
Ik wilde je niet echt meer zien

Komende van de weg
Je nam je jas af en gooide hem op de vloer
Je zei: “Ik kan niet geloven dat je me zo wilt pijn doen”
Ik zei: “Ik mag dit niet leuk vinden, weet je”
Wel, ik moest gewoon naar je toe gaan

(Chorus)
Waar denk je aan?
Wanneer je verdwaald bent in de tijd
Waar denk je aan?
Vertel me waarom
Waarom moet het zo zijn?

Je droomde dat ik aan het dromen was
Ik droomde in een droom
Je nylon jurk en ik wat stroomt achterwaarts
Ik wilde alles komen slikken

Alles wordt echt
Vroeg of laat maakt het niet uit hoe je je voelt
Je hebt die deur dichtgeslagen in de nacht van glas en staal
Ik kan het je niet kwalijk nemen dat je gelooft wat je gelooft
Wel, ik moest gewoon naar je toe gaan

(Chorus)
Waar denk je aan?
Wanneer je verdwaald bent in de tijd
Waar denk je aan?
Vertel me waarom
Waarom moet het zo zijn?

Waarom blijf je altijd
Kilometers verderop
En twee stappen achter
Waar het verleden nog leeft
Mooi en vergeven
Zie je het niet
Dat je in een droom leeft
he

(Chorus)
Waar denk je aan?
Wanneer je verdwaald bent in de tijd
Waar denk je aan?
Vertel me waarom
Waarom moet het zo zijn?

(Chorus)
Waar denk je aan?
Wanneer je verdwaald bent in de tijd
Waar denk je aan?
Vertel me waarom
Waarom moet het zo zijn?

 

Tegenwoordig heet iedereen Sorry

Bart Moeyaert: “Die Bianca van 12, dat ben ik”
Schrijver Bart Moeyaert weet hoe een kind naar de wereld kijkt

De Morgen – 26-09-18 – Marnix Verplancke

Er is een nieuwe Bart Moeyaert (54), en dan hebben we het niet alleen over zijn roman Tegenwoordig heet iedereen Sorry. Ook de schrijver zelf is een nieuw mens geworden. ‘Ik moest alles opnieuw opbouwen. Mijn kop en mijn werk.’

“Het zal druk worden, hadden ze gezegd, terwijl ik niet wist wat druk was, natuurlijk. Ik die altijd tussen mijn vier muren zat te schrijven. En het was druk, en fantastisch. Die overvolle agenda en het vele reizen deden het aanvoelen als het schrijven van een heel groot boek. Al was het dat natuurlijk niet. Af en toe werd ik geïnterviewd en de eindvraag was dan steevast: ‘Je schrijft waarschijnlijk niet meer?’ Als ze dat drie keer herhalen, doet het pijn.”

Twee jaar geleden was Bart Moeyaert op de Frankfurter Buchmesse intendant van de gastlandpresentatie van Vlaanderen en Nederland. Vanaf 2014 was hij bezig met het uitdenken van het concept, het paviljoen en het programma. Geen moment vrije tijd had hij nog en hoe groter de ploeg werd die hij aanstuurde, hoe meer hij ging beseffen dat falen geen optie was. Dit moest goed zijn, en dat was het ook.

Maar toen kwam de terugslag. “Ik was van plan om na de Buchmesse een maand op vakantie te gaan”, vertelt Moeyaert. “Gelukkig heb ik geluisterd naar iedereen rondom me die me dat afraadde omdat het de geijkte weg naar het zwarte gat zou zijn. Dus ben ik gewoon naar huis gegaan, ook al wist ik absoluut niet meer hoe ik me thuis weer thuis kon voelen. Toen ik een kast opentrok, vielen er drie lijken uit. Ik moest opeens alles opnieuw opbouwen, mijn eigen kop en mijn eigen werk. En dat vergde tijd.
“Gelukkig ben ik schrijver, een van de weinige beroepen waarin je echt schoon schip kunt maken. Wat ga ik nu doen, vroeg ik me af. Ik ga een boek schrijven, en het zal een totaal ander boek zijn dan de vorige.”

Bianca

Dat boek is er nu. Tegenwoordig heet iedereen Sorry gaat over een twaalfjarig meisje dat nogal makkelijk als onhandelbaar wordt beschreven. Bianca woont samen met haar broertje Alan bij haar moeder. Vader is er niet lang daarvoor vandoor gegaan met ‘zijn Cruz’. Omdat Alan al een paar keer geopereerd is aan zijn hart, krijgt hij meer aandacht van moeder, waardoor Bianca zich door beide ouders in de steek gelaten voelt. Tot Alan op een dag een speelvriendje uitnodigt en niemand minder dan soapactrice Billie King diens moeder blijkt te zijn, de vrouw naar wie Bianca al jaren opkijkt. Het wordt een dag vol inzicht voor het meisje, inzicht dat haar leidt naar dat vaak gebruikte, maar weinig gemeende woordje sorry. Maar zij meent het wel, uit het diepst van haar hart.
“Billie en Bianca dateren nog van voor 2014”, vertelt Moeyaert. “Ze speelden in een kort verhaal dat ooit in Duitsland is verschenen. Ze zaten tussen de lijken die uit de kast vielen, alleen bleken zij springlevend en lieten ze me niet meer los.”

Zonder de Buchmesse was Moeyaerts nieuwe jeugdroman er niet gekomen, zegt hij ook, want die ervaring heeft van hem een ander mens gemaakt. “Had je me twintig jaar geleden gesproken, dan had je een bange Bart Moeyaert voor je gehad. Een schrijver heeft geen betekenis. Hij werkt aan zijn schrijftafel en is totaal afhankelijk van wat anderen van zijn werk vinden. In Frankfurt leerde ik van me afbijten. Er was jaloezie en valse kritiek. Ze hebben míj gevraagd om intendant te worden en jullie niet, dacht ik dan.
“Maar het was niet mijn eerste schop richting realiteit. Die kreeg ik toen ik in 2006 en 2007 Antwerps stadsdichter was en de meest gepolariseerde verkiezingen in een eeuwigheid meemaakte. Het was toen bijna onmogelijk om een gedicht te schrijven omdat je zwart of wit moest zeggen. Ik werd uitgescholden voor lafaard omdat ik geen kleur bekende. Freek Braeckman daagde me in een live-interview uit door te stellen dat stadsdichters hun engagement moeten tonen en ik niet geëngageerd was.

“Door daar toen over na te denken besefte ik dat ik juist hypergeëngageerd ben. Ik zeg niet: kies voor zwart of kies voor wit. Ik zeg dat mensen over alle kleuren moeten nadenken. Dat is zoiets als de billen bloot en schop maar. Het waren gezonde schoppen, zeg ik altijd, omdat dat goed klinkt, maar in feite was ik er niet goed van. Ik vond dat mensen veel te snel oordeelden of kortzichtig waren. Er was geen discussie en geen poëzie; geen tinten grijs, om het met een foute zin te zeggen. Ik vond dat heftig en werd er sarcastisch en cynisch van, wat ik absoluut geen kwaliteiten vind, want dat is: de deur dicht en je kunt de boom in.”

Sarcastisch of cynisch is Tegenwoordig heet iedereen Sorry niet. Het is een pleidooi voor goed en oprecht kijken, zonder meteen te veroordelen. “Het boek gaat over het goed inschatten van alles en iedereen. Ook van mezelf, trouwens. Bianca is het tweede kind, naast Alan, die door zijn hartafwijking hyperactief is en heel veel aandacht naar zich toetrekt.

“Ik vrees dat ik als kind ook een Alan was, de jongste, die ook nog eens schreef, en creatief was. Ik heb nooit beseft hoe dat moet zijn geweest voor mijn broers. En ook daar heeft Frankfurt verandering in gebracht. Een paar jaar lang heb ik van hot naar her gelopen, me afvragend waar anderen blij van zouden worden. Nu vraag ik me af waar ik zelf blij van word, zodat ik gelukkig ben en als deeltje van de samenleving net iets leuker in de omgang.”

Al gaat het boek over een 12-jarig meisje, dat meisje ben jij?

“Ik denk het. Al mijn boeken gaan uiteindelijk over mezelf, over de momenten waarop ik vastzat. Voor Frankfurt zat ik trouwens ook al vast. Wat ga ik doen? Een nieuw boek schrijven. En wat ga ik daarna doen? Weer een nieuw boek schrijven… Soms heb ik zo’n uitdaging als stadsdichter of intendant nodig, net zoals ik het nu nodig heb om mails te beantwoorden met: ‘Ik kan niet ingaan op uw aanbod omdat ik me een tijdlang op mijn eigen werk wil toeleggen.’”

En bevrijdt zo’n boek je dan weer?

“Niet op zich, pas wanneer een lezer me zegt waarover het gaat.”
Over sorry zeggen en hoe moeilijk we het daarmee hebben?

“Kijk naar Facebook. Daarop mag je alles zeggen. Ik mag gif spuien, tegen je kar rijden en ik hoef geen ‘sorry’ te zeggen. Dat zijn mijn regels en daar moet je je maar naar voegen. Ik vind die ontwikkeling hallucinant. Ik ben net terug van drie weken vakantie in Japan, samen met mijn vriend. We hebben opzettelijk standaardhotels vermeden en na een week zaten we in de cultuur. Ik was immens onder de indruk van de rust van de Japanners en de regels die ze in hun kop hebben en uitvoeren.

“Ik was nog geen drie minuten terug in Europa of ik besefte hoe onbeschoft wij zijn en hoe weinig plaats we elkaar gunnen. Wanneer je een paar meter met je fiets over het trottoir rijdt krijg je ‘dit is geen fietspad hè,’ naar je hoofd geslingerd. Naar onszelf kijken en bekennen dat we ongelijk hebben, doen we niet zo snel. Wat een rare wereld, denk ik dan.”

Hoe moeilijk is het voor een 54-jarige man om in het hoofd van een 12-jarig meisje te kruipen?

“Dat is een kwestie van krimpen (lacht). Ik denk dat het afhangt van mijn vertelstem. Ik ben ongeveer 12 en ik vertel mijn verhaal aan een leeftijdsgenoot. Dat is iets anders dan ‘een boek schrijven voor lezers van 12’. Terwijl ik aan het vertellen ben merk ik dat de volwassen Moeyaert af en toe komt binnenglippen omdat hij een mooie zin gevonden heeft. Dan ga ik terug naar af, naar de stem van mijn 12-jarige. Dat is voor mij het genot van het schrijven, het ontdekken wat mijn personages bezighoudt.
“Wellicht valt mij dat niet moeilijk omdat ik me heel erg verbonden voel met wie ik op mijn zevende, twaalfde of zestiende was, alles wat voor mijn eenentwintigste valt. Ik heb zelf geen kinderen, maar ik heb altijd meteen een connectie wanneer ik met kinderen in contact kom. In Japan verbleven we in een B&B. De uitbaters hadden een geweldig dochtertje van 2 jaar. Ik heb haar voorgelezen, ook al spreek ik geen woord Japans, maar je kunt ook voorlezen door het geluid van honden, tractoren of treinen na te doen. Ik denk dat ik snap hoe zo’n kind naar de wereld kijkt.”

Je vertelt het niet voor een lezer van 12, zei je, maar voor welke lezer dan wel?

“Mensen houden van duidelijkheid en denken dat een jeugdboekenschrijver dus voor de jeugd schrijft. Maar zo makkelijk is het niet. Ik ben niet bezig met een leeftijd, maar wel met de vertelstem van Bianca die moet kloppen. Ik moet horen wat zij zegt. En daarom lees ik vaak hardop voor wat ik geschreven heb.

“Toen ik een jaar of 10 was zag ik Cría cuervos van de Spaanse regisseur Carlos Saura. De film gaat over een meisje dat met heel veel vrouwen in een huis woont en zich een hele zomer lang verveelt. Zo zag ik het toen. Jaren later heb ik ontdekt dat de film speelt tijdens het Franco-regime en veel rauwer is dan ik toen zag. Voor mij ging die film over de herkenning van de verveling, over het meisje dat plaatjes draait, soms drie keer na elkaar hetzelfde. Waarmee ik maar wil zeggen dat we ons niet moeten afvragen wat een 12-jarige wel of niet van mijn boek begrepen zal hebben.

“Misschien is zij zoals die 54-jarige die het ook niet helemaal begrijpt, maar het wel geweldig vindt.”

Je had het net over de noodzaak aan afwisseling in het werk. Is dat ook de reden waarom je je niet tot een genre beperkt, en bijvoorbeeld ook poëzie en toneel schrijft?

“Dat is geen keuze. Dat is afhankelijk van het moment van de dag en de periode waarin ik zit. Als ik slim was, kwam ik in januari 2019 met een dichtbundel. Mijn eerste twee bundels, Verzamel de liefde en Gedichten voor gelukkige mensen, zijn vormgegeven door Tessa van der Waals. Dus denk ik: de derde moet zij ook doen, met hetzelfde formaat, eenzelfde eenvoudige titel en weer wat glinster erop. Ik heb er dan drie in de kast staan van dezelfde grootte.

“Bullshit natuurlijk, want de nieuwe bundel vindt maar geen titel. Ik heb een aantal gedichten, maar waarover gaan ze? Op een bepaald moment komt er een mail van mijn uitgeefster over de bundel en halverwege begin ik te snotteren als een klein kind, hoewel in de mail niets stond om ontroerd of geëmotioneerd over te raken. Moeyaert, zei ik toen tegen mezelf, je doet opnieuw wat je vroeger al deed. Wie weet wordt je bundel losbladig of langwerpig? Misschien werk je met een andere vormgever? Kijk toch even wat er komt.

“Ik besefte dat die bundel zijn tijd nodig zal hebben en er dus niet in januari zal zijn. Ik verlang nu onder andere naar een prentenboek. Er zijn twee buitenlandse illustratoren met wie ik graag zou samenwerken. Op een bepaalde dag zal ik zeggen: het is tijd, we gaan dat doen. Zo werkt dat. En zo werkte dat ook met mijn verzameld toneelwerk dat vandaag verschijnt. Een tijd geleden vond ik de tijd rijp om dat uit te geven. Ik nodigde Paul Verrept uit, de man achter uitgeverij Bebuquin, om daarover te praten en nu ligt dat boek er.”

En hoe was het weerzien met die teksten?

“Door die bundel samen te stellen zag ik opeens dat ik in tegenstelling tot wat ik dacht in feite niet zoveel geëvolueerd ben. Alle honden van de wereld komen in die toneelstukken voor, want dat is een beeld dat ik dikwijls gebruik, net als nachten, manen, moeilijk afscheid nemen en vertrekken en ergens aankomen. Al die thema’s zitten er al in sinds 1992. Dat is op een gezonde manier confronterend. Dat zijn blijkbaar mijn thema’s, en ik heb daar vrede mee.”

Het speelvriendje van Alan blijkt twee mama’s te hebben. Heel mooi is hoe je daarvan geen thema maakt, maar iedereen dit de normaalste zaak van de wereld laat vinden. Is dit jouw manier om het over diversiteit te hebben?

“Als je van iets een thema maakt, maak je het bijzonder of anders. Twee mama’s hebben is niet anders. Wellicht heeft het ermee te maken dat ik zelf nooit negatieve reacties heb gekregen op mijn homoseksualiteit. Of misschien eentje. Aartsbisschop Léonard had net een venijnige opmerking gemaakt over homo’s die genezen moesten worden. Ik gaf de dag daarna een lezing in Wetteren, voor honderd leerlingen houtbewerking, jongens van 16 of 17.

“Een jongen was me opgevallen van bij het begin. Hij was met een zak chips binnengekomen en was op zijn stoel gaan hangen tot de leraar daarover opmerkingen maakte. De hele lezing lang zat hij te zuchten en te puffen uit openlijke verveling. Toen de vragenronde begon, was hij de eerste om zijn arm sloom de lucht in te steken. ‘Wat kom jij hier met al je janettenmanieren je janettenverhaal vertellen’, luidde zijn vraag zo ongeveer.

“Ik schoot vol en hield een monoloog van zeven minuten waarin ik zei dat hij met zijn ene vraag een aantal van die jongens tien jaar achterstand had bezorgd. Ik heb dan mijn eigen verhaal verteld over mijn coming-out, waarna een jongen is gaan applaudisseren en de hele groep hem volgde. Waar is mijn zakdoek, was het eerste wat ik toen dacht, maar ik hield me sterk. Ik vind mijn homoseksualiteit geen thema in mijn leven en daarom zal ik er ook geen expliciet thema van maken in mijn werk.”

Wat komt er later van dat onhandelbare probleemkind Bianca, vroeg ik me tijdens het lezen weleens af. Wat denk je zelf?

“Dat komt helemaal goed. Ik geef ‘Schrijven’ aan de afdeling woordkunst van het conservatorium in Antwerpen. Op een auditiedag komen kandidaten onder meer bij mij terecht. We voeren een gesprek van een kwartier over leesgewoonten en leefattitudes. Ik krijg studenten voor me van wie ik denk dat er echte kunstenaars in zitten en ik ben gezond stikjaloers wanneer ik merk hoe zij in vier jaar tijd openbloeien. Een moeilijk levend meisje van 12 of een moeilijk levende jongen van 18 zijn op dit vlak niet zo verschillend. Het komt helemaal goed als zij de juiste mensen tegenkomen die hen begeleiden. Niet sturen, maar een tijdje naast ze meelopen.

“Ik doe dat nu al ruim vijftien jaar en het is mooi om te zien hoe al die jonge mensen hun plek vinden.”Bart Moeyaert, Tegenwoordig heet iedereen Sorry, Querido, 133 p., 17,99 euro.

Als we dan liefhebben

Gedicht

Als we dan liefhebben, liefhebben
tussen veel papier, holle mannen en metaal,
laten we dan liefhebben, zoals mij goeddunkt:

Liefhebben met de rust van de onrust, niet
die van de routine, elkaars ogen verliezen
en weer ontdekken, voorbij de huizen gaan,

het land in, de streling van onbekende struiken
ondergaan, de wind proeven op een steeds andere tong,
de maan zien en de zon in een kaartloze baan.

En laten de vrienden snel verouderen, worden
tot waardevolle verhalen, en die meter aarde is slechts vruchtbaar
waarop wij gaan.

Remco Campert

Zo hoort liefde te zijn, geen routine, altijd opnieuw ontdekken, en de wereld een meter aarde.
Een koppel, is een koppel, is een koppel… is twee mensen die bij elkaar horen.