Empathie

“De mens, empathischer geworden? Narcistischer, ja”
Vijf experts leggen ons inlevingsvermogen onder de loep

DE MORGEN – 31-03-2019 – Stef Selfslagh

We willen dieren niet langer onverdoofd slachten, beloven onze kinderen een schonere planeet en kijken schuldbewust in de #MeToo-spiegel. Wordt de westerse mens steeds empathischer? De wetenschap is niet echt eensgezind.

Ooit mepten we onze overtollige katjes tegen de dichtstbijzijnde muur. Vandaag richten we politieke partijen op die strijden voor dierenwelzijn. Ooit was ontbossing het laatste van onze maatschappelijke zorgen. Vandaag overwegen we om bomen een rechtspersoonlijkheid te geven. Ooit noemden we vrouwelijke mannen jeanetten. Vandaag houden we lezingen over de juridische besognes van transgenders.
De westerse mens lijkt er niet bepaald hardvochtiger op te worden. We herscholen ons van carnivoor tot veganist en bekeren ons massaal tot het feminisme. We volgen workshops ‘dialogerend leiderschap’ en kijken schuldbewust in de #MeToo-spiegel. We noemen kleine mensen ‘vertically challenged’ en vervangen het ouderlijk pak rammel door een goed gesprek.

Worden we met de jaren steeds empathischer? Eist ons inlevingsvermogen in ons brein een almaar grotere plaats op? En zo ja: gedragen we ons in moreel opzicht dan steeds voorbeeldiger? Of heeft empathie vervelende maatschappelijke neveneffecten?

Omdat de waarheid zich zelden in één persoon schuilhoudt, legden we onze vragen voor aan een psycholoog, een neuroloog, een bioloog, een filosoof en een antropoloog. Dat leverde een behoorlijk diffuus beeld op. De neuroloog zegt dat we ons steeds beter in anderen verplaatsen, de psycholoog dat we ons meer en meer op onszelf richten. De filosoof beweert dat empathie in de Westerse samenleving geïnstitutionaliseerd is, de antropoloog dat vreemde culturen ons qua meevoelendheid naar huis spelen.

Over twee dingen is echter iedereen het eens. Eén: het bereik van onze empathie is de voorbije eeuw exponentieel toegenomen. Was ons medeleven vroeger gereserveerd voor familieleden en de occasionele dorpsgek, dan hebben de media ons inlevingsvermogen talloze nieuwe afzetmarkten bezorgd. En twee: empathie is geen universeel medicijn dat alle maatschappelijke kwalen geneest. Sterker nog: zonder assistentie van onze ratio is ons empathisch vermogen een beetje zoals Winnie de Poeh: sympathiek, maar weinig performant.

De bioloog: Mark Nelissen
“Compassie is zelden een goeie raadgever”

Mark Nelissen, emeritus professor gedragsbiologie aan de Universiteit Antwerpen, is formeel: ons empathisch vermogen wordt noch groter, noch kleiner. “Empathie is een oeroud biologisch mechanisme”, zegt hij. “Het krimpt niet, het zet niet uit, het verandert nooit.

“Empathie wordt vaak verward met medeleven. Maar wetenschappelijk gesproken, betekent empathisch zijn: de emotie van een ander ervaren, zonder dat je weet waar die emotie vandaan komt.”

“Stel: wij zijn samen aan het jagen. Op een gegeven moment word ik bang omdat er een leeuw aankomt. Dankzij jouw empathisch vermogen zal jij mijn angstgevoelens overnemen nog vóór je weet wat mijn paniek veroorzaakt. Dat zal jou namelijk toelaten om sneller op het nakende gevaar te reageren.”

“Ons empathisch vermogen is door de eeuwen heen altijd hetzelfde gebleven: honderd jaar geleden waren we precies even empathisch als vandaag. Maar wat wél veranderd is, is het bereik van onze empathie. Vroeger voelden we enkel mee met de mensen in onze directe omgeving. De hongerende kinderen in Afrika zagen we immers niet. In onze huidige informatiemaatschappij worden we echter wel geconfronteerd met verre hulpbehoevenden. En dus richt ons empathisch vermogen zich ook op hen. Maar we hebben niet méér empathie; het blikveld van onze empathie is gewoon ruimer geworden.”

Over de maatschappelijke bruikbaarheid van empathie lopen de meningen uiteen. Volgens de Amerikaan Jeremy Rifkin, auteur van The Empathic Civilization, is empathie de motor van maatschappelijke vooruitgang. Maar volgens Yale-professor Paul Bloom, auteur van Against Empathy: The Case for Rational Compassion, nemen we vaak “wrede en irrationele beslissingen” als we voortgaan op onze empathie. “In India verminken sommige ouders hun kinderen om er efficiëntere bedelaars van te maken”, schrijft hij. “Laat je je leiden door je empathie, dan geef je die kinderen geld. Maar zo hou je ook dat gruwelijke verminkingsgebruik in stand. Niet slim, dus.”

Ook Mark Nelissen vindt dat een samenleving maar beter zuinig kan zijn op empathische oprispingen. “Empathie volstaat niet om morele beslissingen te nemen”, zegt hij. “Ik verkies rationeel medeleven.”

“Toen het lijkje van de driejarige Aylan Kurdi op het strand van Bodrum aanspoelde, werd dat beeld gebruikt om onze compassie voor vluchtelingen aan te wakkeren. Maar compassie – een emotioneel bijproduct van empathie – is zelden een goeie raadgever. Een complex onderwerp als de vluchtelingenproblematiek smeekt om een rationele analyse: ‘Wat is er precies aan de hand, wie moeten we prioritair helpen en wat is de beste manier om dat te doen?’ Emoties staan zo’n zorgvuldig denkproces in de weg.’

“In Japan leren steeds meer ouders hun kinderen dat ze hun empathische reacties moeten onderdrukken. Dat ze rationeel op gebeurtenissen moeten reageren. Ik vind dat niet per se een slechte zaak. We hebben er vaak alle baat bij om ons wat minder door onze emoties en wat meer door ons verstand te laten leiden. Kijk maar naar de brexit. Het lijkt erop dat het Leave-kamp geen doordachte, maar een impulsieve keuze heeft gemaakt. Alleen zitten de Britten er nu wel mee.”

De psycholoog: Jan Derksen
“Ons EQ is flink gedaald”

“De mens, empathischer geworden? Ik denk niet dat die hypothese gestut kan worden door historisch-wetenschappelijk onderzoek”, zegt de Nederlander Jan Derksen, emeritus hoogleraar klinische psychologie aan de VUB. “Wat we wél met empirische zekerheid kunnen zeggen, is dat we de laatste veertig jaar narcistischer zijn geworden. Onze emotionele intelligentie – en daar maakt empathie toch deel van uit – is flink gedaald. Een van de redenen daarvoor is dat we steeds vaker via sociale media communiceren. Dat heeft als nadeel dat we niet meer zien hoe anderen op onze communicatie reageren. En uitgerekend de feedback van anderen – zowel verbaal als non-verbaal – is essentieel voor het ontwikkelen van empathie.”

“Ik durf dus te betwijfelen of we vandaag zoveel empathischer zijn dan vroeger. Ik ben al veertig jaar actief in de geestelijke gezondheidszorg. En ik zie de laatste tijd veel mensen die juist hunkeren naar empathie. Naar aandacht, een luisterend oor, iemand die zich verdiept in wat er in hen omgaat. Alleen stellen ze vast dat hun naasten veel te druk met zichzelf bezig zijn om nog met anderen te kunnen meevoelen.”

We komen toch op voor de vluchtelingen in het Maximiliaanpark? We bevrijden mishandelde varkens toch uit slachthuizen? “Onze maatschappij is zeker gevoeliger geworden voor bepaalde thema’s”, zegt Derksen. “Maar dat is vaker een uiting van een ideologische overtuiging dan van oprecht gevoelde empathie. De mensen die in Nederland de Partij voor de Dieren (PvdD) hebben opgericht, hebben dat wellicht gedaan vanuit een ongeveinsd medeleven met dieren. Maar veel mensen die op de PvdD stemmen, doen dat met heel andere motieven dan het vergroten van het dierenwelzijn. Een stem op de PvdD is dus niet noodzakelijk een empathische stem.”

“Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau in Nederland omschrijft 40 procent van de Nederlanders zich als angstig. Dat cijfer geeft aan dat het menselijke inlevingsvermogen in Nederland wellicht geen overuren draait: waar het angstniveau hoog is, is het empathiepeil doorgaans laag. Zie ook: de recente verkiezingsoverwinning van het rechts-radicale Forum voor Democratie, een allesbehalve empathische partij.”

“Let wel: een samenleving heeft ook een dosis narcisme nodig. Een maatschappij die enkel bestaat uit mensen die overlopen van empathie is kwetsbaar. In Indonesië, bijvoorbeeld, zijn de mensen heel meevoelend: ze leven om het anderen naar de zin te maken. Dat is mooi, maar eigenlijk heeft Indonesië meer narcisten nodig. Mensen die ijdel genoeg zijn om bedrijven op te starten. Om te denken dat ze de nieuwe Steve Jobs kunnen worden. Vandaag ontbreekt het Indonesië aan dat soort mensen. Resultaat: het land heeft geen middenklasse, de Indonesiërs hinken economisch gezien achterop.”

De antropoloog: Rik Pinxten
“Hier is het competitie troef. Zelfs in de zorg”

Ook Rik Pinxten, cultureel antropoloog aan de Universiteit Gent, bestrijdt het idee dat de westerse mens anno 2019 een empathische modelburger is. Hij hoeft maar de krant open te slaan om nogal wat indicaties te zien van het tegendeel, zegt hij. “Onze sociale zekerheid wordt door sommige politici voortdurend aangevallen. De overtuiging dat de conventie van Genève herzien moet worden ‘omdat die vluchtelingen anders veel te veel noten op hun zang hebben’ wint nog steeds terrein. En na elke klimaatbetoging worden de manifestanten nog altijd met een zeker fanatisme verdacht gemaakt. Exemplarische uitingen van empathie kun je dat moeilijk noemen.”

“En als we ons wél eens meelevend tonen, is het omdat we er door de entertainmentindustrie toe aangepord worden. We zetten ons in voor Kom Op Tegen Kanker omdat het een mediashow is geworden. Een evenement waaraan we haast móéten meedoen. Maar net zoals je vroeger nog geen modelkatholiek was omdat je één uur per week in de kerk zat, ben je vandaag nog geen toonbeeld van empathie omdat je één keer per jaar kankerpatiënten helpt.”

“Wij hebben de neiging om onze westerse cultuur te zien als het summum van beschaving en fijngevoeligheid. Maar andere culturen scoren vaak een stuk hoger op de empathieschaal. In Algerije huldigen de Berbers het principe van ‘de vanzelfsprekende gastvrijheid’: ze zullen een mens in nood altijd helpen. Zonder dat die zichzelf moet verklaren of een tegenprestatie moet leveren. Dat is een vorm van empathie die in het Westen nauwelijks nog bestaat. Bij ons is competitie troef. Zelfs in de zorg. Hulpverleners klagen dat ze niet langer de tijd hebben om met hun cliënten te praten. De reden: ze moeten koste wat het kost hun targets halen.”

De filosoof: Ignaas Devisch
“Onze empathie wordt overbevraagd”

“Honderd jaar geleden spraken we niet over vrouwen- of dierenrechten”, zegt Ignaas Devisch, filosoof aan de Universiteit Gent en auteur van Het empathisch teveel. “Ons empathisch vermogen is de voorbije decennia dus wel degelijk toegenomen. Alleen mogen we niet denken dat dat empathische surplus een verworvenheid is. Als er morgen een oorlog uitbreekt, zal het rap gedaan zijn met onze bekommernis om het welzijn van de dieren. Dan zijn we enkel nog bezig met zelf te overleven. De maatschappelijke context waarin we ons bevinden, bepaalt in belangrijke mate of, wanneer en ten opzichte van wie we empathisch zijn.”

Floreert de menselijke empathie vooral in samenlevingen die we als democratisch kunnen bestempelen? “Het democratisch debat helpt ons om ons empathisch vermogen steeds fijner af te stellen. In de nasleep van de #MeToo-getuigenissen hebben we met z’n allen besloten dat een bepaald soort gedrag ten opzichte van vrouwen niet langer toelaatbaar is. Er is geen enkele politicus die ons daartoe verplicht heeft.”

“Maar dat wil nog niet zeggen dat elk maatschappelijk probleem verdwijnt zodra we het in empathie dompelen. Empathie is vooral nuttig in interpersoonlijke relaties. Het zorgt ervoor dat we elkaars gevoeligheden kennen en respecteren. En dat is goed: zo kunnen we veel relationele issues oplossen. Maar op maatschappelijk niveau is ons inlevingsvermogen minder performant: we kunnen ons onmogelijk ten opzichte van iedereen empathisch opstellen. Vandaar ook het belang van principes als solidariteit en rechtvaardigheid. Die zorgen ervoor dat ook mensen die we van haar noch pluim kennen van onze gezondheidszorg kunnen genieten. Enkel op basis van empathie zouden we nooit met miljoenen mensen kunnen samenleven.”

Volgens Devisch wordt onze empathie in deze gemediatiseerde tijden overbevraagd. “Als er honderd jaar geleden een overstroming was in Bangladesh, wisten we dat pas een half jaar later. Als er vandaag een walvis in ademnood komt, wordt dat op drie kanalen gelivestreamd en kunnen we meteen geld doneren. Dat er zo vaak een beroep gedaan wordt op onze empathie is voor goedmenende mensen best lastig. We kunnen ons nu eenmaal niet voor élk goed doel inzetten.”

Hoe bepalen we dan wie een deel van onze felbegeerde empathie in ontvangst mag nemen? “We leefden heel hard mee met de slachtoffers van de aanslagen van 22 maart 2016. Dat komt omdat die aanslagen zo uitzonderlijk waren. Als er om de twee dagen een bomaanslag zou plaatsvinden, zouden we er op den duur nauwelijks nog van opkijken. Gewenning doet ons empathisch vermogen afnemen.”

“Voorts reageren we veel empathischer op concrete dan op veeleer abstracte gebeurtenissen. De eenmalige aanslag in de moskee in Nieuw-Zeeland heeft ons meer getroffen dan de langdurige oorlog in Syrië. Van die moskee kan ons verstand zich een duidelijke voorstelling maken. De oorlog in Syrië is veel minder afgelijnd en bijgevolg ook moeilijker te vatten.”

De neuroloog: Frank Van Overwalle
“Empathie wordt evolutionair beloond”

“De mens is de laatste 200.000 jaar steeds empathischer geworden”, zegt Frank Van Overwalle, neurowetenschapper aan de VUB. “Dat komt omdat empathie evolutionair beloond wordt. Als we erin slagen om onze soortgenoten te begrijpen en op hun gedragingen en emoties in te spelen, kunnen we beter met hen samenwerken en vergroten we onze overlevingskansen.”

“Volgens de Engelse evolutiebioloog Robin Dunbar is het zeer waarschijnlijk dat onze mediale prefrontale cortex – het deel van onze hersenen waar onze empathie gefabriceerd wordt – door de eeuwen heen steeds groter is geworden. Dunbar is een van de grondleggers van de ‘sociale-breinhypothese’. Volgens die theorie wordt het volume van ons brein groter naarmate er meer soortgenoten in onze groep zijn. Om in een grotere groep succesvol te zijn, moeten we immers meer en complexere relaties aangaan. En daarvoor hebben we extra hersencapaciteit nodig.”

“We kunnen ons brein niet vergelijken met dat van onze voorgangers. De homo erectus en de neanderthaler zijn al veel te lang geleden uitgestorven, hun hersenen zijn nooit bewaard. Maar we weten wel dat onze mediale prefrontale cortex veel groter is dan die van de aap. En we weten ook dat het deel van de hersenen dat zich bezighoudt met sociale oordelen bij autisten minder goed functioneert dan bij niet-autisten, en zelfs kleiner is bij psychopaten. Dat geeft aan dat de grootte van onze hersenen wel degelijk mee bepaald wordt door onze sociale vermogens.”

Heeft ook ons gestegen welvaartspeil ons empathischer gemaakt? Zijn we ontvankelijker voor de behoeften van anderen als we zelf niet in ‘survival of the fittest’-modus staan? “Nee. Ook mensen die het niet breed hebben, leven mee met de andere leden van hun groep. Wat je wél ziet, is dat empathie in een welvaartsmaatschappij geïnstitutionaliseerd wordt. Onze sociale zekerheid is in zekere zin een maatschappelijk verankerde vorm van empathie: iedereen helpt iedereen. In ontwikkelingslanden ontbreekt dat vangnet. Daar blijft familiale empathie het belangrijkst.”

Waarom is ons inlevingsvermogen voor de wetenschap zo’n geliefd onderzoeksterrein geworden? Hopen we te ontdekken hoe we als soort méér empathie kunnen produceren? “We hopen vooral te achterhalen hoe we iets kunnen doen aan onze sociale-breindefecten. Aandoeningen zoals autisme en schizofrenie zijn het gevolg van storingen in ons sociale brein. Door dat deel van ons brein te onderzoeken, proberen we die storingen beter te begrijpen en te behandelen.”

THERAPIE: De ouderenpsycholoog

‘Tot op je sterfbed vasthouden aan je grote gelijk is voor sukkelaars’

Sterf je met het gevoel dat je leven vervuld is, of dat je het verspild hebt? ‘Vaak moet ik mensen helpen om zichzelf te begrijpen en zo het zelfverwijt op te heffen’, zegt ouderenpsycholoog Luc Van de Ven, dezer dagen te zien in het tv-programma Therapie.

De Standaard – 30.03.2019 – Eva Berghmans

Of ze nu met een depressie, vage angsten of een verslaving bij hem aankloppen, de meeste mensen die ouderenpsycholoog Luc Van de Ven in zijn spreekruimte ontvangt, komen zonder het te beseffen voor een ‘life review’, een recensie van het eigen leven en van zichzelf. ‘Vanaf 70 kijken mensen terug op hoe ze de dingen aangepakt hebben’, zegt Van de Ven, zelf 65, maar consequent sprekend over ‘ouderen’, alsof het een leeftijdsgroep is die hij met een zekere afstand bestudeert. ‘Ze zouden willen dat ze anders waren omgegaan met hun kinderen of partner, dat ze niet in conflict waren geraakt met hun dochter die per se met een ongeschikte man wou trouwen. Ze weten dat ik de klok niet kan terugdraaien, maar ze willen af van de storende emoties die hun verleden bij hen oproept. De zaak is al half gewonnen als mensen beseffen dat ze moeten komen praten over wat hen dwarszit. Veel ouderen herkennen hun gevoelens van spijt of schuld niet. Die gevoelens kunnen dan leiden tot vage angsten, die mensen proberen remediëren met kalmeermiddelen of alcohol. Dan creëren ze een nieuw probleem.’

Welke negatieve emoties zitten mensen het meest in de weg?

‘Bij de ene overheerst spijt, dat is een negatief gevoel over dingen die iemand overkomen zijn. Spijt kan er zijn om gemiste kansen bijvoorbeeld. Bij anderen speelt dan weer vooral schuldgevoel, dan gaat het over wat je zelf hebt aangericht.’
Hoe kunt u gevoelens van spijt om een gemiste kans nog rechttrekken, als mensen niet meer de leeftijd hebben om nog andere kansen te grijpen?

‘Spijt mag niet ontaarden in agressieve beschuldiging, dan word je bitter. Je hebt mensen die gemakkelijk klagen en zagen, en altijd maar de anderen met de vinger wijzen. Zolang mensen blijven hangen in “waarom doet hij/zij me dit aan?”, raken ze geen stap vooruit. Ik probeer mensen te laten nadenken over hun eigen aandeel en attitude. Dat ze zich afvragen waarom ze het bijvoorbeeld toegelaten hebben, waarom ze er zo erg onder lijden, waarom ze niet anders omgaan met wat hen overkomt.
Mensen moeten het jammeren overstijgen. Aan de anderen kun je niets veranderen, aan jezelf wel.’

De generatie mensen die bij u aanklopt, is opgegroeid in een tijdperk waarin de eigen noden en verlangens nog erg ondergeschikt gemaakt werden aan sociale verplichtingen. Is het dan niet logisch dat sommige mensen enigszins bitter op hun leven terugkijken?

‘Het is niet omdat mensen hun leven voor een groot stuk ten dienste van anderen gesteld hebben, dat ze per se bitter zijn. Er zijn voor de anderen is voor veel mensen een belangrijke waarde, die hen vervult. Als het een opoffering wordt, is het natuurlijk iets anders. Veel vrouwen van de naoorlogse generatie, die hun leven ten dienste hebben gesteld van man en kinderen, ervaren spijt, omdat ze verwachten iets terug te zullen krijgen voor hun opofferingen. Zo werkt het natuurlijk niet. Volwassen kinderen hebben hun agenda, moeten hun leven uitbouwen. Geen enkel kind heeft erom gevraagd geboren te worden. Jij hebt kinderen gewild, en je moet voor hen zorgen. En het is leuk als ze nadien iets teruggeven, maar je moet dat niet willen of eisen. Het is zoals het is. Relaties zijn zoals ze zijn.’

Kunt u zo’n vrouw helpen om het gevoel te krijgen dat het niet allemaal voor niets is geweest, dat haar opoffering tot tevredenheid leidt?

‘Met die cliënten ga ik op zoek naar de positieve dingen, in het verleden en in het nu. En we zoeken uit welke waarden nog altijd voor hen gelden. Ook al ben je tachtig, je hebt dingen waarvoor je wilt gaan, en die je nog altijd kunt bereiken. Een rol spelen in het leven van kleinkinderen en achterkleinkinderen kan zoiets zijn. Dat kan ook zijn: met vrienden en vriendinnen dingen doen en elkaar ondersteunen. Mensen die niet meer zien hoe ze het leven kunnen leiden dat ze willen, geef ik geregeld opdrachten. Dat zijn vaak heel concrete dingen – gaan fietsen met vrienden, opnieuw naar het voetbal gaan kijken, vrijwilligerswerk doen. Je moet mensen uit hun comfortzone duwen, maar niet zo ver dat ze faalangst krijgen, en zich schuldig gaan voelen over het eigen gebrek aan daadkracht. Zodra mensen voelen dat niet alles negatief is, dat ze best in staat zijn om dingen te ondernemen, is de eerste stap gezet.’

‘Het leven van iemand die in de jaren 50 is opgegroeid, moet je ook niet bekijken met de bril van 2019. Tegen een vrouw die spijt heeft omdat ze niet gestudeerd heeft, hoewel ze even slim was als haar broer, moet je niet zeggen dat ze maar op haar strepen had moeten staan. Een vrouw die niet rouwt om haar overleden man, en bedenkt dat ze beter 40 jaar eerder gescheiden was, moet je helpen om haar verhaal in de bredere context te zien. In die zin moet ik die vrouw ontschuldigen: zeggen dat het niet simpel was om weg te gaan, haar erop wijzen dat ze vier kinderen hadden, en dat het haar ook siert dat ze die in een intact gezin heeft opgevoed. Vaak help ik mensen om zichzelf te begrijpen, en zo het zelfverwijt op te heffen.’

Kunt u ook mensen die schade aangericht hebben en zich schuldig voelen, helpen op een andere manier naar hun eigen verhaal te kijken?

‘Ja, ook hen kan ik helpen ontschuldigen door te kijken naar de context en naar de positieve dingen in hun leven. Soms hebben mensen anderen, zoals hun kinderen, echt kwaad gedaan, of hebben ze zo hard vastgehouden aan hun eigen grote gelijk dat ze al 50 jaar in onmin leven met anderen. Dan heb je de anderen ook nodig om in schoonheid af te ronden, finishing well noem ik dat.’

‘Vaak doe ik familiegesprekken – die zul je in het tv-programma Therapie helaas niet te zien krijgen, omdat het te ingewikkeld is om een bureau vol mensen op te nemen. Daarin zoek ik naar een combinatie van erkenning van het lijden van iedereen, en het zoeken naar het positieve. Oude kwetsuren kunnen maar verwerkt worden als ze erkend worden. Als ik me dan in zo’n therapie geconfronteerd zie met een man die zegt: “Het is toch niet aan den ouwe om zijn hand uit te steken?”, dan denk ik: “Gij, sukkelaar”. Als je aan het eind van je leven de verzoening nog altijd niet centraal kunt stellen, omdat je nog liever begraven wordt in je eigen grote gelijk, dan doe je iedereen kwaad, ook jezelf. Let wel: verzoening is niet hetzelfde als vergiffenis. Wie zegt: “Ik vergeef u”, wrijft de andere nog eens in dat hij een fout gemaakt heeft. Waar het om gaat, is opnieuw on speaking terms te ­komen, voorbij de clichés, dat je opnieuw met elkaar kunt omgaan op een persoonlijke manier.’

Zijn er persoonlijkheidskenmerken die maken dat mensen een grotere kans hebben om tevreden te zijn over hun eigen leven?

‘Ja, natuurlijk. Als je flexibel bent, is het makkelijker om met het leven om te gaan dan wanneer je rigide bent. Ook wie van nature angstig is, heeft het moeilijk, omdat je door die angst kansen mist. Iedereen kent daarnaast mensen voor wie het glas altijd halfleeg is. Dat zijn allemaal basiskwaliteiten die in het leven vrij vroeg vastliggen, door je genetische aanleg en de eerste jaren van je leven. De breedte van de plank die je in je levensloop kunt bewandelen, ligt min of meer vast.’

Betekent het dat u fundamenteel weinig voor mensen kan veranderen?

‘Toch wel, want een therapeut wordt geconfronteerd met mensen die niet de volledige breedte van hun plank gebruiken. We moeten eruit halen wat erin zit. Iedereen heeft meer kwaliteiten dan hij of zij, zeker in depressieve of angstige toestand, zelf in de gaten heeft.’

Zijn er parallellen te vinden in de levens van mensen die tevreden terugblikken?

(aarzelt) ‘Goh. Ik kan vaststellen dat ze bestaan, de mensen die tevreden zijn over hun leven. Wat ze dan juist gedaan hebben? Als er één gemene deler is, dan is het dat het mensen zijn die hun intieme relaties – niet alleen met hun partner, maar ook met kinderen, familie, vrienden – positief evalueren.’

‘Wat ook helpt, is dat mensen een vertrouwenspersoon hebben. Met een vertrouwenspersoon bedoel ik: iemand tegen wie je alles kunt vertellen, ook de dingen waarover je je schaamt. Een klankbord dat je nooit verwerpt, maar je wel durft tegen te spreken. Als je in je leven één iemand hebt met wie je in veiligheid kunt praten, sta je sterker tegenover de moeilijkheden van het leven, en relativeer je meer. Je wordt wijzer als je een intimus hebt die je tegenspreekt.’

Luc Van de Ven is een van de therapeuten die een inkijk in hun praktijk geven in het Canvas-programma ‘Therapie’ (woensdag, 21.20 uur).

Obstakels

Een artikel gevonden op Facebook over welke obstakels ons geluk in de weg kan staan. Ikzelf heb vooral last van obstakel nummer drie, maar het mindert met de jaren.

Gelukkig zijn is niet altijd vanzelfsprekend. In dit artikel vind je acht veelvoorkomende obstakels die jouw geluk in de weg kunnen staan. In welke obstakels herken jij je?

1. Vinden dat de wereld eerlijk moet zijn

Het leven is niet eerlijk. Dat is het nooit geweest. En hoogstwaarschijnlijk zal het dat ook nooit kunnen worden, gezien alle verschillende omstandigheden waarin mensen terecht kunnen komen.
Er gebeuren dingen die niet eerlijk zijn, waarbij gerechtigheid ver te zoeken is. Dat is het leven. Ja, dat voelt soms verschrikkelijk. Het geeft je een gevoel van machteloosheid.
Ja, je kunt je inzetten om de wereld eerlijker te maken. Door ervoor te zorgen dat alle mensen gelijke kansen en gelijke rechten krijgen en gaandeweg een spoor van goede daden achterlaten. Maar weet dat de wereld nooit eerlijk zal zijn. Hoe hard je je er ook voor inzet.

2. Denken dat de veilige weg minder pijn doet

De veilige weg doet op de korte termijn meestal minder pijn. Het is namelijk vaak de makkelijkste weg. Maar besef dat het ook de weg is die je in veel gevallen uiteindelijk de meeste pijn zal bezorgen.
Bij een partner blijven die je verbaal, geestelijk of fysiek mishandelt voelt nu veilig omdat je weet wat je hebt. Toch is het op de lange termijn duidelijk dat je meer en meer pijn zult voelen.
Toch maar weer dat sigaretje opsteken terwijl je gestopt was. Dat voelt nu fijn en veilig. Op de lange termijn beroof je jezelf van je gezondheid én van je financiële veerkracht.
Niet durven uitkomen voor je mening, waardoor je een grijze muis wordt waar niemand aandacht aan besteedt. Dat is veilig, maar niet de weg naar het leven dat je voor ogen had. Je wordt pas opvallend en opmerkelijk zodra je je eigen stem volgt.
Blijven hangen op een werkplek die je ongelukkig maakt. Het is makkelijker om je hoofd te buigen en toch maar weer aan te schuiven op kantoor. Maar besef dat deze situatie je op de lange termijn een bore-out, burn-out of depressie kan bezorgen.
Weeg de lange termijn vaker mee in belangrijke beslissingen. Dan zul je tot de conclusie komen dat de veilige weg op de lange termijn vaak de pijnlijkste weg is.

3. Geloven dat je de controle hebt

Het is prima om een gevoel van controle op te roepen. Bijvoorbeeld door je leven georganiseerd te houden, door te plannen en vooruit te denken. Op die manier kun je de loop van je leven flink beïnvloeden.
Maar meer dan een gevoel van controle zul je nooit bereiken. Je hebt namelijk geen controle. En dat zul je nooit hebben. En dat is soms een van de moeilijkste lessen die we te verwerken krijgen. Bijvoorbeeld wanneer een dierbare die altijd gezond heeft geleefd een ernstige ziekte krijgt.
Je kunt het leven beïnvloeden, maar je kunt de loop van het leven niet controleren.

4. Geloven dat de toekomst slechter wordt

Als je gelooft dat de toekomst slechter wordt dan doe je jezelf waarschijnlijk tekort. Deze overtuiging werkt niet alleen verlammend. Het zorgt namelijk ook nog eens voor een self fulfilling prophecy.
Want waarom zou je inzetten voor een betere toekomst als je gelooft dat het toch geen zin heeft? Waarom zou je vechten voor een verloren zaak? Precies, dat doe je niet.
Niemand kan de toekomst voorspellen. En niemand heeft een duidelijk beeld van hoe onze wereld werkt. De wereld is voor mensen veel te complex om echt te begrijpen. We doen wel pogingen. Sommige mensen komen dan uit bij een positief beeld, anderen bij een pessimistisch beeld. En ze zijn waarschijnlijk beiden onjuist.
En bovendien zijn er een aantal belangrijke trends die in ons voordeel werken. De toekomst is waarschijnlijk mooier dan je denkt. Nog genoeg reden om je in te zetten voor een betere wereld dus!

5. Het idee dat anderen beter af zijn dan jij

Ja, anderen zijn rijker dan jij. Ja, anderen zijn slimmer dan jij. Ja, anderen zijn aantrekkelijker dan jij volgens de reclame maatstaven. Nou en?
Wist je dat die ontevredenheid die je voelt er automatisch voor zorgt dat anderen beter af zijn dan jij? Het maakt niet uit hoe knap, rijk, succesvol, slim of populair je bent. Het gaat erom of je tevreden kunt zijn. Of je tevreden kunt zijn met jezelf en met je leven.
Als het je lukt om tevreden te zijn (en dat lukt je), dan ben je het beste af. Er zijn maar weinig mensen tevreden. Als het jou lukt, dan behoor jij tot de gelukkigste mensen op de planeet. Dan ben jij het beste af, ongeacht alle andere zaken.

6. Geloven dat mensen van je moeten houden

Mensen moeten niets. Sterker nog, deze instelling zorgt er waarschijnlijk voor dat je mensen afstoot. Je zult merken dat het je niet lukt om mensen van je te laten houden, ook al doe je nog zo je best.
Liefde moet stromen. Het houdt niet van ‘eindstations’. En als jij merkt dat je een gebrek aan liefde ervaart, dan is het tijd om jezelf om te toveren tot een doorgaande weg.
Met andere woorden: jij moet beginnen met het geven van liefde. En dat wil niet zeggen dat je constant moet zoenen en knuffelen. Het begint eerder bij jezelf. Je zult moeten leren houden van jezelf. Zoals je bent, met al je (in jouw ogen) mindere kanten.
Zodra jij echt van jezelf kunt houden, kun je je liefde verspreiden onder de mensen in je leven. Dan kun je geven. En zodra jij begint te delen, zul je merken dat het verkeer weer op gang komt. Dan zal liefde gaan stromen in je leven, en zullen mensen in je omgeving hun liefde voor jou tonen.
Liefde begint bij jezelf. Zorg dat je ervan overloopt, dan gaat de rest vanzelf.

7. Het idee dat lijden slecht is

Lijden is op zichzelf een nuttig aspect van de menselijke ervaring. Door te lijden worden we sterker. Leren we meer over onszelf, over onze plek in de wereld en onze sterke en zwakke kanten.
Het zijn de moeilijke periodes die ervoor zorgen dat je de moeilijke keuzes maakt. Dat je knopen doorhakt en je leven op een nieuwe koers zet. Pas wanneer het lijden ondraaglijk wordt onderneem je actie. En die actie maakt vaak het verschil.
Hoeveel mensen komen er niet beter uit een burn-out? Of gebruiken de lessen die zij hebben geleerd om andere mensen te helpen, om de wereld mooier te maken?
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we al het lijden moeten goedkeuren. Veel lijden is onnodig en niet nuttig (zoals mensen die worden gemarteld of die sterven van de honger). Het wil wel zeggen dat je jezelf mag observeren in een moeilijke periode. Dat je mag beseffen dat de pijn niet alleen slecht is. Dat het er mag zijn, en dat de pijn je kan helpen groeien.
En zodra het je lukt om je pijn te ‘observeren’, ontdek je tegelijkertijd dat jij en je pijn twee losse dingen zijn. Jij ervaart gevoelens, jij bent niet je gevoel. En dat is een wereld van verschil.

8. Denken dat anderen verantwoordelijk zijn voor jouw geluk

Dat zijn ze niet. Simpel zat. Als je dit gelooft, dan zal je leven getekend worden door teleurstelling en frustratie. Ieder mens is verantwoordelijk voor zijn eigen geluk. Dat klinkt egocentrisch, maar het is simpelweg hoe de wereld in elkaar steekt.
Jij kunt mij niet volledig gelukkig maken. En ik jou ook niet. We moeten het allebei zelf doen. Het leven is een strijd met jezelf. Ja, natuurlijk dragen goede relaties bij aan een gelukkig leven. Maar ook die relaties moet jij zelf opbouwen, met de juiste mensen die bijdragen aan jouw geluk.
Ieder mens bewandelt zijn eigen pad. En als jij meer uit je leven wilt halen, dan wordt het tijd dat je zelf de route gaat uitstippelen. Je kunt iemand anders niet blijven volgen, aangezien jullie paden nooit hetzelfde zullen lopen. Als je toch blijft volgen, dan zul je jezelf tekort doen. Dan zul je merken dat je niet echt gelukkig kunt zijn.
Jouw geluk is jouw zaak. En als je merkt dat er op dit moment iets in de weg staat van jouw geluk, dan is het jouw verantwoordelijkheid om daar iets aan te veranderen. Ja, soms krijg je hulp. En soms niet. Soms is het even slikken om vooruit te komen. Maar so be it. Het leven is niet altijd eerlijk, niet altijd leuk, niet altijd pijnloos.
We hebben het allemaal moeilijk van tijd tot tijd. En dat is prima. Dat hoort bij het proces van groei. Groei doet pijn. En die pijn blijkt achteraf vaak de moeite waard. Zo ben je tenslotte ter wereld gekomen. Je (biologische) moeder heeft pijn gehad vanwege jouw groei, vooral tijdens het baren. En ik kan me zo voorstellen dat jij vindt dat die pijn de moeite waard is geweest.
Als jij je leven beter wilt maken, moet jij je leven beter maken. Dan moet jij de boel in beweging zetten, hulp vragen, dingen leren, dingen regelen. Zodra je dat idee koestert, zul je merken dat gelukkig zijn een stuk makkelijker wordt.

Een burn-out voorkomen

Hoe het risico op een burn-out verlagen?

Een burn-out voorkomen. Dat doe je niet door een pilletje voor te schrijven, wel door medewerkers aan te moedigen hun veerkracht op peil te houden. Maar hoe pakken bedrijven dat aan?

De Standaard – 20.03.2019

Marleen Gillis is adviseur bedrijfsprocessen bij waterzuiveraar Aquafin. Daarnaast neemt ze de rol van vertrouwenspersoon op zich. Meer dan duizend collega’s kunnen bij haar terecht voor allerlei soorten vragen rond psychosociale risico’s zoals stress, burn-out, pesterijen of conflicten.

“Het klinkt evident dat ik als vertrouwenspersoon heel veel belang hecht aan vertrouwen. Wil je een onderwerp als stress en burn-out bespreekbaar maken, dan heb je een kader nodig waarbinnen mensen in alle vertrouwen kunnen zeggen wat er op hun hart ligt. Dan wil je mensen de garantie geven dat wat ze zeggen als vertrouwelijke informatie behandeld wordt. Pas als die garantie er is, kun je een open gesprek hebben.

Mijn rol binnen zo’n gesprek? Dat is in de eerste plaats met oprechte aandacht en een open geest naar het verhaal van de betrokkene luisteren. Het is me al vaak opgevallen dat alleen nog maar het verwoorden van bepaalde gedachten en gevoelens, zeer verhelderend en probleemoplossend kan werken.

Hoge druk

Ik stel vast dat er vandaag heel veel druk op de schouders van mensen rust. Ik heb het niet alleen over een hoge werkdruk, maar ook over een hoge maatschappelijke druk. We willen toch zo veel. Voor onszelf en onze kinderen. En dan heb ik het nog niet over de stress die digitale en sociale media kunnen veroorzaken. Technologie maakt het mogelijk dat we continu bereikbaar en beschikbaar zijn. Mooi, maar als we daar niet verstandig mee omgaan, raakt onze work-life balance helemaal verstoord.

Wat me ook opvalt, is dat vooral mensen die heel perfectionistisch ingesteld zijn het slachtoffer van een burn-out kunnen worden. De knop leren omdraaien en je verantwoordelijkheden even durven los te laten, het is niet eenvoudig voor iemand die steeds het beste wil. Als zo iemand symptomen van een nakende burn-out vertoont, willen wij tijdig ingrijpen.

Voorkomen is beter dan genezen

Voorkomen betekent soms dat er een gesprek met de leidinggevende aangegaan wordt. Maar dat gesprek vindt alleen plaats als de betrokkene dat wil. De voorbije jaren heeft Aquafin geïnvesteerd in specifieke opleidingen voor leidinggevenden rond welzijn en stresspreventie. We vinden het belangrijk dat zij signalen die op een burn-out wijzen, herkennen en hun medewerkers helpen om niet opgebrand te raken.

Hoe doe je dat? Door bijvoorbeeld je medewerkers te helpen met prioriteiten te stellen. Niet alles is even belangrijk of even dringend. Je kunt ook samen met je team kijken hoe bepaalde taken kunnen herschikt worden, zodat ze zo goed mogelijk aansluiten bij de talenten van je medewerkers. Soms kan een jobrotatie of -mutatie een oplossing bieden. Want hoe beter het takenpakket van iemand aansluit bij z’n talenten en vaardigheden, hoe kleiner het risico op een burn-out.

Werkklimaat

Wij bieden onze medewerkers de kans om tijds- en plaatsonafhankelijk of vanuit de decentrale kantoren van Aquafin te werken. Dit kan helpen om de werkdruk te verminderen. Zelf geloof ik ook in de positieve effecten van een werkklimaat waar elkaar feedback geven een continu proces is. Want met die benadering hou je de dialoog open en kun je tijdig situaties aanpakken die het welzijn op de werkvloer kunnen verbeteren.

Het is fijn om te zien hoe ook onze medewerkers initiatieven nemen die bijdragen tot het algemeen welzijn binnen Aquafin. Zo worden er regelmatig yogasessies, wandelingen en andere ontspannende activiteiten georganiseerd. Die momenten zorgen voor een sfeer waarin mensen dichter bij elkaar komen en zich geroepen voelen om voor elkaar te zorgen. Ik geloof er dan ook sterk in dat het voorkomen van burn-outs een zaak van ons allemaal is.”

11 tips voor veerkracht

Klinkt bovenstaande voor jou te goed om waar te zijn? Probeer eens enkele tips van coach en trainer Joke Adins, die opleidingen geeft aan bedrijven zoals UNILIN.

Schrap het woord ‘moeten’.
Luister naar je lichaam.
Blijf in beweging.
Plan off-linemomenten in je agenda.
Stel elke dag kleine acties die je energie geven.
Hou een energiedagboek bij.
Bewaak de balans tussen geven en nemen.
Besef dat je niet altijd sterk hoeft te zijn.
Geef tijdig aan wanneer je hulp nodig hebt.
Kijk naar problemen als uitdagingen die je de kans geven om te groeien.
Zorg ervoor dat jij meester blijft van stress en niet omgekeerd.

https://markmagazine.be/tips-voor-meer-veekracht/

Leugenaars spotten

Hoe herken je een leugenaar?
‘Leugenaars gebruiken overdreven veel woorden en knipperen te veel met hun ogen’

HUMO – 19.03.2019

‘De leugen heerst,’ zegt Pamela Meyer, een experte in het blootleggen van fraude en leugens. Sinds Oxford Dictionaries na de verkiezing van Donald Trump in 2016 ‘post-truth’ als Woord van het Jaar uitriep, is het officieel: de waarheid wint niet meer. Nu het internet en de sociale media het zo simpel maken om leugens te verspreiden, weet niemand nog wat hij moet geloven. Geen wonder dat Meyers TED-talk ‘Hoe herken je een leugenaar?’ (zie onderaan dit artikel) één van de populairste ooit is, met meer dan twintig miljoen views. ‘Iedereen zoekt wanhopig naar houvast: wie kan ik nog geloven en wie niet?’

HUMO In uw boek ‘Liespotting’ verklaart u de psychologie van het liegen en zet u alle wetenschappelijke kennis over hoe je bedrog kunt opmerken op een rij.

Pamela Meyer «Als je de waarheid wilt achterhalen, moet je eerst en vooral begrijpen dat een leugen op zich geen kracht heeft. Die krijgt ze pas als iemand anders beslist om erin te geloven. Het klinkt hard, maar als je belogen bent, is dat omdat je daarin toegestemd hebt.»

HUMO Waarom doen we dat?

Meyer «Omdat we allemaal blinde vlekken hebben: bepaalde dingen willen we gewoon niet inzien. We hunkeren allemaal naar iets, bijvoorbeeld slimmer, machtiger of rijker zijn. Als je je laat beliegen, is dat vaak in de hoop de kloof te dichten tussen wie je bent en wie je zou willen zijn. Als je erg bezig bent met geld te verdienen, ben je een makkelijke prooi voor oplichters. Als je wanhopig op zoek bent naar liefde, stijgt de kans dat je op een dag je kleren uittrekt voor iemand met foute bedoelingen die je de complimenten gaf die je wilde horen. Je laten beliegen heeft te maken met een gebrek aan zelfkennis. Als je niet weet wat je zwakke plek is, gaan bedriegers ermee aan de haal, zonder dat je het doorhebt.»

HUMO Je eigen blinde vlekken zien is niet evident.

Meyer «Klopt. We hebben niet allemaal de tijd en het geld om daarvoor tien jaar in psychoanalyse te gaan (lacht). Maar wat je wél kunt doen, is aan je vrienden en je familie vragen waar je volgens hen iets te gretig naar verlangt. Het zal pijnlijk zijn naar hun verdict te luisteren, maar je bespaart jezelf veel pijn als je niet meer te bedotten bent door mensen die je vertellen wat je horen wilt.»

HUMO Is het ook wegens die blinde vlekken dat de sociale media ons kunnen beliegen?

Meyer «In zekere zin wel. Onderzoek heeft aangetoond dat feiten weinig invloed hebben op mensen hun emotionele overtuiging. Er loopt momenteel een onderzoek naar de vraag: ‘Hoe corrupt zullen mensen Donald Trump vinden als hij straks in staat van beschuldiging wordt gesteld voor witwaspraktijken?’ Nu blijkt dat het grootste deel van de bevolking zal blijven geloven dat hij een eerlijke man is die het land ten goede zal veranderen. Mensen willen in de bubbel blijven leven die hun wereldbeeld bevestigt en ze gaan op de sociale media op zoek naar berichten die dat beeld onderschrijven. Met resultaat: je kunt op het internet zowel bewijs als tegenbewijs vinden voor elke mogelijke visie.»

HUMO Opmerkelijk: u zegt in uw boek ook dat leugens nodig zijn.

Meyer «Niet alle leugens zijn schadelijk. Onderzoek toont aan dat we per dag tien tot tweehonderd keer worden belogen. We zijn allemáál leugenaars. We zeggen heel bewust: ‘Wat zit je haar leuk,’ terwijl we denken: wat voor coupe is dát? Of we beweren: ‘O, ik heb je mail nu pas in de spam gevonden,’ in plaats van toe te geven dat we geen zin hadden die mail te beantwoorden. Formeel keuren we liegen af, maar onderhuids voelen we dat er manieren van liegen zijn die de maatschappij goedkeurt. Meestal liegen we om mensen in hun waardigheid te laten, en de scherpe kantjes van onze sociale omgang te schaven. Als we stoppen met liegen, zou de wereld plots een veel hardere en deprimerendere plek zijn. We zouden elkaar zelfs afmaken, denk ik.

Liegen heeft ook een evolutionair nut. In de prehistorie moesten mensen liegen om te overleven: in het geval van voedselschaarste logen ze over waar hun voorraad lag, zodat ze niet beroofd zouden worden. Dieren doen het ook, bedrog maakt intrinsiek deel uit van de natuur. Kameleons die van kleur veranderen, een vogel die doet alsof hij gekwetst is om een aanvaller van zijn nest jongen weg te lokken. Hoe meer ontwikkeld de neocortex (de bovenste laag van de hersenhelften, red.) is, hoe ingenieuzer het bedrog wordt.

Mensen liegen vanaf het moment dat ze geboren worden. Het is een overlevingsreflex. Baby’s faken pijn omdat ze willen weten of hun moeder in de buurt is. Ze huilen terwijl er niks aan de hand is, stoppen even om te zien of mama al komt aanrennen, en gaan dan weer vrolijk verder met krijsen. Van die overlevingsreflex zie je soms nog resten bij mannen. Zij voelen dezelfde afhankelijkheid van hun vriendin of vrouw, maar liegen om niet te tonen dat ze zich verloren en overgeleverd voelen. Tot op zekere hoogte is het gezond te liegen over je hulpeloosheid. Om te overleven is het soms noodzakelijk je minder kwetsbaar te tonen dan je in werkelijkheid bent.

Als we eenmaal getrouwd zijn, liegen we tegen onze partner in één op de tien interacties. Tegen minnaars of minnaressen doen we dat drie op de tien keer. Net zoals je tegen je beste vriend eerlijker zult zijn dan tegen een verre vriend. Maar de gróve leugens, waarbij er véél op het spel staat als de waarheid aan het licht komt, komen dan juist weer wel vaker voor tussen echtgenoten en close vrienden. ‘Waar was je gisterenavond, schat? Je was niet op kantoor.’ ‘Ja, ik moest tanken en kwam een oude vriend tegen en mijn gsm was plat en…’ Leugenaars gebruiken altijd overdreven veel woorden, verstoppen hun bedrog tussen zoveel mogelijk irrelevante details. Hun verhaal zal ook volledig chronologisch verteld zijn, terwijl een eerlijk verhaal altijd chaos vertoont.»

HUMO We liegen ook makkelijker tegen bazen dan tegen mensen die lager op de ladder staan, schrijft u.

Meyer «Dat heeft te maken met de manier waarop we ons leugenachtige gedrag goedpraten. Je kunt tegen je baas liegen over spullen die je op kantoor hebt gestolen omdat je denkt: die man is zelf corrupt, wat maakt mijn bedrog uit? Dat is één van de belangrijkste dingen die ik mensen tijdens mijn trainingen meegeef: zoek naar de gedachtekronkels waarmee de leugenaar zijn gedrag rechtvaardigt. Een goeie leugenspotter kan zich verplaatsen in het hoofd van bedriegers. Ze gooien allerlei mogelijke rechtvaardigingen op tafel: ‘Die baas van jou bespaart echt wel op alles, hè? Terwijl jij alleen maar harder moet werken. Jij verdient eigenlijk wel een extraatje.’ Vervolgens is het wachten tot de bedrieger toehapt. Er bestaat een handleiding voor die aanpak, met daarin wel achthonderd mogelijke redeneringen waarmee mensen hun bedrog rechtvaardigen. De kunst tijdens zo’n ondervraging is de bedrieger het gevoel te geven dat je hem niet moreel veroordeelt. Als hij zich begrepen voelt, zal hij sneller bekennen.

Ik gebruik die techniek soms ook thuis, bij mijn man. Ik vraag af en toe: ‘Wat is het onnozelste ding dat je dit weekend heeft dwarsgezeten?’ Wegens het woord onnozel zal hij het gevoel hebben dat ik hem de permissie geef echt álles te zeggen, zonder dat ik hem zal veroordelen. En juist daarom zal iemand aan wie je die vraag stelt nooit iets onnozels zeggen. Integendeel. Je zult er een waarheid mee loskrijgen die die persoon anders zou hebben achtergehouden.»

HUMO Wat heeft uw man geantwoord?

Meyer «Dat hij vond dat we veel te veel geld hadden uitgegeven. Dat was kennelijk iets wat hem al lang dwarszat, en het was heel goed dat we dat eindelijk eens hebben besproken.»

HUMO U geeft veel trainingen aan fraudebestrijders binnen bedrijven.

Meyer «Bedrijfsfraude kost Amerika elk jaar bijna een miljard dollar. Ik ben in mijn eerste eigen bedrijfje zelf opgelicht door de assistente die ik had aangenomen en volledig vertrouwde. Ze heeft voor enorme bedragen cheques vervalst en spullen gekocht met mijn creditcard, zonder dat ik enig vermoeden had. Zo is mijn interesse in de materie ontstaan.»

HUMO In hoeveel procent van de gevallen achterhaalt u de leugen?

Meyer «Getrainde leugenspotters achterhalen de waarheid in 90 procent van de gevallen. Bij de rest van de mensen is dat maar 54 procent. Het is dus eigenlijk best makkelijk. Dat komt omdat we allemaal dezelfde technieken gebruiken en dezelfde fouten maken als we liegen.»

HUMO Leg uit. Hoe herken ik een leugenaar?

Meyer «Om te beginnen herken je hem aan de taal die hij gebruikt. Daarnaast zijn er typische minuscule gezichtsuitdrukkingen waarmee hij zich verraadt. Ook de lichaamstaal wijst op oneerlijkheid.

Hét voorbeeld dat ik altijd geef, is de uitspraak van Bill Clinton: ‘I did not have sexual relations with that woman.’ Daarin zitten vaak voorkomende fouten. Ten eerste zegt hij: ‘I did not.’ Onderzoek heeft uitgewezen dat mensen die iets té graag willen ontkennen, overschakelen op dergelijke formele taal. Dat hij het heeft over ‘that woman’, is ook veelzeggend: leugenaars proberen zich onbewust te distantiëren van het onderwerp in kwestie. Clinton startte zijn betoog met: ‘I will say this one more time…’ Het zou nog duidelijker zijn geweest als hij had gezegd: ‘Ik zal nog een keer eerlijk zijn…’ Dat soort taalgebruik is ook kenmerkend voor mensen die iets verbergen. Wat leugenaars verder nog vaak doen, is de vraag herhalen, om meer bedenktijd te hebben om hun verhaal te fabriceren.»

HUMO Verraadt de bedrieger zich niet vooral met zijn lichaamstaal?

Meyer «Freud zei het al: ‘Geen sterveling kan een geheim bewaren. Als zijn lippen zwijgen, spreken zijn vingertippen.’ Liegen vergt veel van ons cognitief vermogen, en daarom verraadt de bedrieger zich altijd. Het kost moeite om bij elk woord dat je zegt na te denken en toch spontaan te lijken. Je hersenen moeten op zo’n moment met zoveel zaken tegelijk bezig zijn dat je ongewild signalen uitstuurt die je verraden.»

HUMO En die zijn?

Meyer «We denken dat leugenaars friemelen, maar dat doen ze juist níét. Hun bovenlichaam verstijft helemaal. We gaan ervan uit dat een bedrieger je niet in de ogen kijkt, maar hij kijkt je meestal eerder te véél in de ogen. We hebben het gevoel dat uit een lach eerlijkheid spreekt, maar een getrainde leugenspotter ziet onmiddellijk wanneer die lach fake is. Je mondhoeken kun je bewust optrekken, maar de echte lach zit in de ogen; en de spieren die je kraaienpootjes bezorgen, kun je niet bewust opspannen. Als de ogen niet met de mond meelachen, weet je dat er iets niet in de haak is.

Vaak is er een veelzeggende discrepantie tussen wat een leugenaar zegt en doet. Je ziet hem dan, bijvoorbeeld terwijl hij iets heel stelligs beweert, heel hard met zijn hoofd van neen schudden. Heb je de beelden van acteur Jussie Smollett uit de serie ‘Empire’ niet gezien? Hij beweerde dat hij het slachtoffer was van racisme en homofobie, maar nu is er een sterk vermoeden dat hij de beelden van de aanval zelf in scène heeft gezet – vermoedelijk omdat hij kwaad was dat er maar weinig reactie was gekomen op een homofobe dreigbrief die hij openbaar had gemaakt. Je moet maar eens kijken naar de beelden waarop hij ontkent dat de aanval fake is. Hij schudt ondertussen ook flink met z’n hoofd.

Nepvideo’s zijn het grootste probleem van dit moment. Intussen kunnen we fake news binnen de kortste keren achterhalen: er zijn systemen bedacht die snel verdachte geldstromen detecteren en zulke constructies blootleggen. Maar er is een nieuwe dreiging: met deepfake software kun je beelden zodanig manipuleren dat je een bekende figuur alles kunt laten zeggen wat je wilt, mét geloofwaardige gezichtsuitdrukkingen. Zelfs ik kan die valse beelden niet van echte onderscheiden. Dat is een taak waar wij, fraudebestrijders, nog een vette kluif aan zullen hebben.»

HUMO Moet ik nu onmiddellijk twijfelen aan iemands oprechtheid als hij me té recht in de ogen kijkt en te veel woorden gebruikt?

Meyer «Nee. Je moet je pas zorgen gaan maken als je bij iemand meerdere signalen tegelijk opmerkt. Ik geef in mijn boek een checklist van alle indicatoren. Ik noem er nog een paar: leugenaars knipperen te veel met hun ogen en wrijven ook vaak met hun handen in de ogen. Hun voeten staan vaak naar de deur gericht – omdat ze eigenlijk aan de situatie willen ontsnappen (lacht). Tijdens het gesprek bouwen ze soms onbewust barrières met spullen die voor hen liggen, omdat ze zich eigenlijk het liefst zouden verschansen. Ze spreken ook meestal met een lagere stem dan anders.

Weet je wat ik vaak zeg tegen mensen die bedriegers uit hun omgeving willen weren? Leg mijn boek gewoon op tafel. Je hoeft het niet eens te lezen. Als jij heel expliciet aangeeft dat je werk maakt van je morele code, mijden de meeste leugenaars je vanzelf.

Het probleem is wel dat we in een tijd leven waarin we niet erg worden aangemoedigd het nauw te nemen met de waarheid. Politici, kerkvaders: allemaal liegen ze erop los. En voor jonge mensen is de waarheid helemaal een diffuus begrip. Dat komt omdat ze tegenwoordig zoveel verschillende identiteiten hebben: eentje op Instagram, eentje op Snapchat…. Vroeger was je één iemand, één persoon met ideeën waar je achter moest gaan staan. Jongeren van nu zijn gewend om regelmatig van identiteit te wisselen, voelen zich er comfortabel bij om het ene moment te doen alsof ze blond zijn en het andere moment bruin. Sjoemelen is alledaags geworden. Ze vinden ook dat ze daar recht op hebben.

Dát is waar bedrijven erg mee worstelen: jonge werknemers zijn vooral met zichzelf bezig. Zij vinden vaak dat de ideeën die zij ontwikkelen niet van het bedrijf zijn, maar van hen, en dat zij ermee mogen doen wat ze willen. Kijk maar naar CIA-klokkenluider Edward Snowden. Als er één vraag is die we in de fraudebusiness krijgen van bedrijven, is het wel: ‘Hoe herkennen we een Snowden in onze onderneming?’ Snowden was geen hacker. Hij kraakte geen computers, hij kraakte mensen. Hij ontfutselde mensen hun paswoord door langs zijn neus weg te vragen: ‘Hoe heet je hond? Wat is je favoriete voetbalploeg?’ Het zijn de gevaarlijkste bedriegers van deze tijd en we zijn hard aan het werken om hun karaktereigenschappen in kaart te brengen.»

HUMO U gelooft nog steeds dat eerlijkheid het langst duurt.

Meyer «Net als iedereen. Waarom denk je dat mensen naar mijn TED-talk blíjven kijken?»

 

Perfectionisme

‘Perfect is goed, maar goed is beter’

Niets is zo normaal als je best te willen doen. Maar wat als het een obsessie wordt die je leven overheerst? Wanneer wordt perfectie te perfect? Welkom in de wereld van trop is te veel.

De Standaard – Yasmina El Messaoudi – 08.03.2019

Mijn vroegere huisgenoot en ik hebben vaak ruzie gehad over uitstelgedrag. Dat lijkt niets met het streven naar perfectie te maken te hebben, en toch zijn de twee nauw met elkaar verbonden. Uitstelgedrag kan een symptoom zijn van perfectionisme. Dat zegt Linda Kleingeld, loopbaancoach en perfectionismecoach. ‘Niet alles wat uitgesteld wordt, komt door perfectionisme. Wel zien we dat het te maken heeft met té hoge kwaliteitseisen, controledrang, “wat zullen anderen denken” en faalangst. Je wil graag iets doen, iets dat je leuk lijkt, een project starten. Maar diep vanbinnen denk je dat je het niet kan, dat je het niet waard bent en het toch zal mislukken. Daarom vind je het moeilijk om eraan te beginnen. En alles wat je niet start, kan niet mislukken.’ En dus bleven mijn huisgenoot en ik maanden zoeken naar de perfecte plek om te wonen, bleven klusjes eindeloos liggen en werd er maar niet beslist over de nieuwe tv, gordijnen of automatische kattenbakvulling. Dat lijken maar kleine ergernissen, maar op termijn kunnen ze grote gevolgen hebben.

‘Perfectionisme remt, verkrampt en blokkeert’, zegt Kleingeld. Het leidt tot voortdurende stress. Dat put mensen uit en maakt ongelukkig. Het leidt vaak tot burn-out en zelfs depressiviteit; je voelt je op alle gebied mislukt, omdat je je constant bewust bent van alles wat niet perfect loopt. Perfectionisme kan zo je eigen geluk en ­mogelijkheden in de weg staan. Wat ­mensen vanuit een ontspannen situatie zouden kunnen, lukt niet door de druk die ze ­zichzelf vaak onbewust opleggen.’

Marokkaanse tegeltjes

Daar kan ook Philip Lecompte (29), werkzoekende uit Rixensart, over meespreken: ‘In mijn vlucht voor de angst om te ­falen gebruik ik al mijn talenten om telkens weer iets nieuws te beginnen, zonder het vorige af te werken. Erg frustrerend om het zoveelste project half afgewerkt te zien. Op den duur zie je alleen nog maar een to-dolijst. Wat je nog meer ontmoedigt. Het is een vicieuze cirkel.’

Een andere vorm van uitstelgedrag door perfectionisme is het uitvoeren van onbenullige taakjes. Tijdens de examens moest ik altijd wel eens plots mijn kleerkast uitmesten, boeken op kleur sorteren of vrienden bellen die ik in tijden niet meer had gehoord. Alles om maar niet te moeten blokken, in mijn geval.

Roland Michel (39) woont in het Brusselse en is IT’er. ‘Ik wil al jaren mijn tuin ommuren met Marokkaanse tegeltjes. Maar de klus schrikt me zo af dat ik het elke keer uitstel. In plaats van er echt werk te maken, hou ik me bezig met kleine klusjes. Bladeren bij elkaar rapen, takjes knippen, de moestuin nog eens water geven, zodat ik toch maar niet hoef te denken aan dat grote project. Dat moet zo perfect zijn dat ik er liever niet aan begin. Ik heb een tijdje wel geprobeerd. Maar dan zat ik maanden op websites kleuren en tinten te vergelijken. Al die keuzes verlammen me, en dus laat ik het voor wat het is.’

Dat gevoel kent ook Nathalie Bradt (40) uit Boom, moeder van twee kindjes en logopediste. ‘Onlangs vond ik een doos terug met halfgeschreven kaartjes. Die had ik ­allemaal met veel zorg uitgekozen, maar omdat ze niet perfect geschreven waren, heb ik ze nooit afgegeven. Zonde, want zo geef je mensen het gevoel dat je niet met ze bezig bent, terwijl dat net wél het geval was. Vanwaar dat perfectionisme komt? Geen idee. Maar misschien dateert het van toen ik nog heel klein was. Op de basisschool was er een zuster, Pia, die een dik boek had waar alle kindjes die mooi konden schrijven hun opstel in mochten noteren. Omdat ik een mooi handschrift had, kreeg ik dat schrift vaak mee naar huis. Maar ’s avonds ging ik helemaal in crisis. Mijn moeder moest me dan in bed stoppen omdat ik flipte. De dag erna haalde ze me dan vroeg uit bed om verder te schrijven. Wat een beloning moest zijn, was voor mij een nachtmerrie. Ik kon die druk gewoon niet aan.’

Gooien met de koptelefoon

Perfectionisme uit zich ook in het tegenovergestelde: alles zelf willen doen. Jeroen Guns (35) is een jonge vader van twee uit Meise. Hij is presentator van de ochtendshow op Radio 2 Vlaams-Brabant en Brussel. Een programma met veel taken en strakke deadlines. Toch vindt hij het moeilijk om werk uit handen te geven. ‘Het is niet dat ik andere mensen niet vertrouw, maar als ik een montage moet maken of snel wat klankjes moet selecteren, doe ik het liever zelf. Dan weet ik zeker dat het 100 procent zal zijn zoals in mijn hoofd. Dat kan ik moeilijk loslaten. Hetzelfde met ­fouten maken tijdens het programma. Vaak gaat het om kleine technische dingen, een verkeerde jingle die wordt gestart bijvoorbeeld. Vaak zit ik er dan nog een hele dag over te piekeren, terwijl de luisteraar het misschien zelfs niet heeft gemerkt.’

Zijn sidekick Jana Smeets (30) uit Leuven beaamt dat. ‘Soms kan hij een halfuur lastig zijn omdat er iets fout is gelopen. Het is goed dat hij het beste wil voor het programma, maar soms gaat het echt om ­kleine schoonheidsfoutjes.’ Guns: ‘Ik heb inderdaad al wel eens met mijn koptelefoon gegooid.’ (lachen allebei) Smeets: ‘Maar ik snap het wel. Als ik nog maar twee minuten tijd heb om snel een radiobericht te maken, sla ik helemaal tilt. Ik schrijf fouten en heb soms een black-out. Omdat ik het zo goed en perfect wil doen, blokkeert mijn hoofd.’

‘Als collega is het belangrijk dat niet ­persoonlijk te nemen’, zegt Kleingeld. ‘Perfectionisten vinden het moeilijk om te delegeren. Ze hebben angst om controle te verliezen of dat het zal mislukken. Alles wat je zelf doet, doe je beter, is de onderliggende overtuiging. Voor zowel de perfectionist als collega’s is het belangrijk om die symptomen te herkennen.’

Bijsturing kan

Ook heel lang werken kan een uiting van perfectionisme zijn. Daar weet Smeets alles over. ‘Op onze avonddienst moeten we het ochtendprogramma en het nieuws van de dag erna voorbereiden. Je werkt dan helemaal alleen, maar er rekenen wel een heleboel mensen op je. Omdat ik in het begin zo onzeker en perfectionistisch was, zat ik vaak tot half twaalf te werken terwijl de shift om half tien al eindigt. Dan schreef ik een nieuwsbericht, schrapte het en begon opnieuw omdat ik twijfelde of het wel goed genoeg was. Of ik knipte niet één klankje maar vier, zodat mijn collega’s konden kiezen. Ik durfde maar niet te vertrouwen op mijn eigen kunnen en gaf hen dus meerdere opties.’

Ook Bradt herkent die traagheid. ‘Mijn partner krijgt het soms op zijn zenuwen van me. Hij vindt het vervelend dat ik zo traag ben en maar geen beslissingen kan nemen, maar het is sterker dan mezelf. Als logopediste moet ik heel wat verslagen maken. De hel voor mij, zelfs na al die jaren. Alles wat ik op papier zet, moet perfect zijn. Daar ben ik nog altijd uren mee bezig. Ik blijf er onzeker over en lees alles honderd keer na. Of ik vraag mijn vriend om alles nog eens te controleren. Het zou na zoveel jaren beter moeten gaan, maar helaas.’

Maar wat kun je eraan doen? Kleingeld: ‘Perfect is goed, maar goed is beter. Je mag perfectie nastreven, maar vraag jezelf of het vanuit een moeten of willen is. En belangrijk, het definieert niet wie je bent. Het is een gedrag dat kan worden bijgestuurd.’ Goed is dus goed.

Zelfdoding

Agent Kevin Briggs redde honderden mensen van zelfdoding

De hoeder van de Golden Gate Bridge

De Standaard – Ine Roox – 02.03.2019

Het grootste deel van zijn 23-jarige carrière als agent spendeerde Kevin Briggs (56) op de Golden Gate Bridge in San Francisco, waar hij ongeveer tweehonderd mensen overtuigde niet te springen. ‘Ik houd achteraf geen contact. Ik wil hen niet herinneren aan allicht de zwartste dag uit hun bestaan.’

De Golden Gate Bridge is een toeristische trekpleister in San Francisco. Helaas zijn er, sinds de brug in 1937 werd geopend, ook al meer dan 1.600 mensen van afgesprongen. Vorig jaar sprongen 31 mensen en moest de politie 187 keer interveniëren.

‘De brug wordt geromantiseerd. Wie ervanaf zou springen, zou in een andere dimensie terechtkomen, en het water onder de brug zou de ziel reinigen en al je zorgen en verdriet in één keer wegwassen’, vertelde Kevin Briggs enkele jaren geleden, toen hij op een Ted-conferentie over zelf­doding sprak. ‘In werkelijkheid is het lichaam vier tot vijf seconden in vrije val, tot het met een snelheid van 120 kilometer per uur tegen het water neerstort. Die kracht verbrijzelt botten, waarmee vitale organen worden geperforeerd. De meesten zijn op slag dood.’

Briggs was 23 jaar lang agent van de wegpolitie in Californië. Een groot deel daarvan was de Golden Gate Bridge zijn werk­terrein. ‘Ik wist op voorhand niet dat zo veel mensen daar probeerden uit het leven te stappen’, zegt Briggs, aan de telefoon vanuit Californië. Maar hij groeide uit tot de hoeder van de brug. Al die jaren sprak hij op honderden mensen in en overtuigde hij de meesten om niet te springen. Sinds zijn pen­sioen gaat hij geregeld spreken op seminaries en scholen.

Toen u er als agent begon, wist u niet dat zovelen van de brug probeerden te springen. Was u dan wel voorbereid op die taak?

‘Eén man drukte me driemaal de hand, terwijl ik op hem inpraatte. Daarna zei hij kort: “Kevin, I am sorry but I have to go”’

‘Ik dacht dat ik snelheidsboetes zou uitschrijven en diefstallen op de parkeerterreinen rond de brug zou aanpakken. Maar ik hoorde dat er sommige jaren wel zestig ­lichamen in het water werden teruggevonden. En toen kwamen de eerste meldingen binnen: “Er staat iemand die wil springen op de kabel rond de brug”. Toen ik aan de job begon, was ik 31. Ik was er niet voor opgeleid en wist niet precies wat ik deed. In het begin zei ik waarschijnlijk verkeerde dingen.’

Wat zijn verkeerde dingen?

‘“Alles zal wel in orde komen”, of ook: “Je wilt dit eigenlijk niet doen.” Toen ik enkele jaren op de brug werkte, heb ik een training voor crisisinterventies gevolgd. Dat hielp, maar de FBI-training voor onderhandelingen in ex­treme crisissituaties was de allerbeste. Die kreeg ik pas later in mijn carrière. Tegenwoordig worden jonge collega’s door ervaren collega’s én door psychologen opgeleid.’

U was dus in grote mate een autodidact. Hoe leerde u mensen te overtuigen het niet te doen?

‘Wanneer ik iemand had gered, wenste ik hem achteraf proficiat met die nieuwe kans. Ik vroeg altijd waardoor hij van gedacht was veranderd. Dan nam ik notities om daaruit te leren voor de volgende keer.’

U zegt vaak ‘hij’. Hebt u vooral mannen gered?

‘Ja. Het gaat doorgaans om blanke mannen, veertigers of vijftigers. Mannen die nog niet oud zijn, maar wel al oud genoeg om de hete adem van jongere concurrenten, bijvoorbeeld op hun werk, in hun nek te voelen. Mannen die zelf nog jong genoeg zijn om volop te moeten presteren, veel verantwoordelijkheden hebben, de druk niet meer aankunnen, en misschien met financiële zorgen of met gezondheidsproblemen kampen.’

Houdt u contact met wie u hebt ­gered?

‘Liever niet. Omdat ik geen trigger voor die mensen wil zijn. Ik wil geen herinnering oproepen aan wat vast de allerzwartste dag uit hun leven was. Kevin Berthia is een uitzondering. Ik sms hem minstens een paar keer per maand. Op 11 maart 2005 kreeg ik een oproep over hem. Ik reed naar de brug en heb anderhalf uur met hem gepraat. Die dag heeft hij zelf besloten om weer over de balustrade te kruipen en het leven een nieuwe kans te geven. Hij gaat vandaag spreken over die ervaring, en wanneer het lukt, spreken we samen voor een publiek.’

Heeft hij u verteld hoe u hem hebt overtuigd?

‘Ja, ik vroeg het hem, en hij zei: “Door gewoon naar me te luisteren. Jij liet mij spreken.” Hij zei ook dat ik een kalme stem had die hem had gerustgesteld. Vandaag gaat het weer goed met hem.’

U hebt ook mensen verloren.

‘Dat klopt. Eén man drukte me driemaal de hand, terwijl ik op hem inpraatte. Daarna zei hij kort: “Kevin, I am sorry but I have to go.” En dan was er Jason Garber, een intelligente jongeman van 32. Hij bleef maar praten over de doos van Pandora, waarin al het kwade van de wereld zat, maar ook één goede zaak: hoop. Plots vroeg hij mij en mijn collega: “Wat als je de doos van Pandora zou openen, en de hoop dan toch ontbreekt?” Toen sprong hij voor onze ogen de diepte in.’

Dat moet hartverscheurend zijn geweest. Kon u zelf met dat gevoel bij iemand terecht?

‘Het was een enorme dreun. Wat het nog zwaarder maakte, was dat ik diezelfde avond nog met Jasons ouders sprak. De dag nadien stond de rabbijn van Jasons familie voor mijn deur. Gestuurd door Jasons ouders, die bezorgd om me waren. Ik heb zelf hulpverleners opgezocht om ermee om te gaan. Je moet je kwetsbaar durven op te stellen, ook als politieagent, om die ervaringen te bespreken en verwerken.’

Stond u vaak alleen op de brug of werkte u samen met collega’s?

‘Ooit hebben we maar liefst acht uur lang op iemand in­gepraat, in de regen en de kou – toen hebben een collega en ik elkaar afgelost. Maar meestal deed ik het helemaal alleen. Dan laat je je ego helemaal varen en zoek je écht naar een connectie met de persoon die daar staat. Dat kan wel even duren. Je probeert erachter te komen wat er in het leven van die mens speelt en waarom hij op dat dramatische punt is aanbeland. Je tracht vertrouwen op te bouwen en je zoekt een aanknopingspunt. Je doet er alles aan om die persoon te overtuigen dat alles niet een-twee-drie opnieuw in orde zal komen, maar dat het wel mogelijk is. Dat er hulp voor hem is.’

U wist nooit vooraf waarmee u die persoon zou kunnen overtuigen.

‘Ik herinner me een jongeman die met zaken veel geld had verdiend, maar door te speculeren met andermans geld ook veel had verloren. Hij voelde zich totaal vernederd. Uiteindelijk vroeg ik hem hoe hij zich zou voelen als zijn vrouw daar zou staan, en overwoog te springen. Dat gaf hem de klik om het zelf toch niet te doen. Maar ieder geval en elke persoon zijn anders.’

Voor erg veel mensen komt zelf­doding heel dichtbij. Is dat ook voor u zo?

‘Mijn grootvader stapte uit het leven, waardoor ik hem nooit heb leren kennen. Ik heb zelf met een depressie geworsteld, die ten dele te maken had met mijn werk. Maar ik heb dat aangepakt en nu voel ik me oké. Op een mindere dag weet ik: deze dag en dit gevoel gaan ook weer voorbij. Dat geeft me energie om te gaan spreken over zelfdoding en mensen alert te maken voor de signalen, in een poging er iets aan te doen. Wie het van plan was, ervan afziet en er achteraf over kan en wil praten, zegt geregeld dat zelfdoding een verkeerde beslissing zou zijn geweest. Soms kan je het echt voorkomen.’

1. Wees alert voor signalen van mensen uit je omgeving dat ze met zwarte gedachten kampen. Zijn er veranderingen in hun gedrag? Geven ze bezittingen weg? Vluchten ze in alcohol of drugs of slapen ze veel meer dan normaal? Vermijden ze sociaal contact en hebben ze het gevoel dat het nooit nog beter zal worden?

2. Spreek hen erover aan. Volgens Kevin Briggs kan zo’n vraag als volgt luiden: ‘Anderen hebben in gelijkaardige omstandigheden misschien zelfdoding overwogen. Heb jij soms ook zulke gedachten?’ Volgens Briggs’ ervaring kan de rechtstreekse confrontatie met die gedachten het keerpunt zijn dat hun leven redt.

3. Als je hen de vraag hebt gesteld, luister dan ook écht naar het antwoord. Ga niet in discussie, veroordeel niet, en zeg niet aan die persoon dat je weet hoe hij/zij zich voelt, want waarschijnlijk weet je dat niet. ‘Listen to understand’, zegt Briggs. Beloof niet dat alles ineens weer goed komt, maar creëer hoop en probeer aan te geven dat hulp beschikbaar is.

De website van Kevin Briggs:
www.pivotal-points.com

Wie met vragen rond zelfdoding zit, kan bellen naar 1813 of surfen naar zelfmoord1813.be (centrum ter preventie van zelfdoding)

Psychotherapie

Psycholoog David Clark: “Vroeger leden mensen in stilte”
De Britse psycholoog David Clark over het medische én economische belang van psychotherapie

De Morgen – Joël De Ceulaer – 02.03.2019

Van een angststoornis kun je genezen. Ook een depressie is steeds beter behandelbaar. De Britse psycholoog David Clark, die op vrijdag 8 maart een baanbrekend project komt voorstellen aan de KU Leuven, over de vooruitgang in de geestelijke gezondheidszorg.

“In de geestelijke gezondheidszorg hebben we het punt bereikt waar we ons twintig jaar geleden met kanker bevonden”, vertelt David Clark. “Voor die tijd werd er nauwelijks over gepraat en waren er niet veel behandelingen. Vandaag wel. Dat is ook voor mentale aandoeningen in hoog tempo aan het veranderen. We weten steeds beter wat wel en wat niet werkt.” De Britse psycholoog is hoogleraar aan de universiteit van Oxford en schreef samen met econoom Richard Layard het boek Therapiewinst. Daarin leggen ze uit dat bepaalde vormen van psychotherapie niet alleen een zeer gunstig effect hebben op het welzijn van patiënten, maar evengoed op het welzijn van de overheidsfinanciën.

“Onbehandelde depressies en angststoornissen kosten de overheid veel geld”, vertelt hij via Skype. “De Wereldgezondheidsorganisatie heeft berekend dat het westerse landen 4 procent van hun bruto binnenlands product kost. Dat is enorm. Het probleem is niet alleen dat veel mensen ziek thuis blijven, maar ook dat mensen ziek komen werken en daarom minder productief zijn. Als mensen met zulke mentale problemen goed worden behandeld, betekent dat een enorme besparing voor de overheid. Ook al omdat mentale problemen vaak fysieke problemen verergeren: een diabetespatiënt die een depressie heeft, zal de voorschriften van zijn arts en zijn dieet minder goed opvolgen.”

Op vrijdag 8 maart is Clark te gast op het departement psychologie van de KU Leuven, waar hij zijn IAPT-programma komt toelichten – IAPT staat voor Improved Access to Psychological Therapies, oftewel: verbeterde toegang tot psychologische therapieën. In het kader van dat programma bieden ruim 10.000 Britse psychotherapeuten sinds 2009 een miljoen patiënten per jaar de nodige, adequate hulp. Een wereldstandaard, volgens het wetenschappelijke vakblad Nature. Clark heeft mee voor een revolutie gezorgd en brengt die blijde boodschap nu naar zoveel mogelijk andere landen.

Waarom krijgt fysieke pijn van oudsher meer aandacht dan mentale pijn?

David Clark: “Dat heeft voor een deel zeker te maken met het stigma dat nog altijd bestaat. Het is moeilijk om toe te geven dat je een mentaal probleem hebt. Daardoor is er historisch gezien altijd minder vraag geweest naar hulp bij mentaal lijden. Vroeger leden mensen in stilte. Een ander deel van de verklaring is wellicht het gevoel dat interventies bij mentaal lijden geen wetenschappelijke basis hebben, zoals dat wel het geval is bij fysieke gezondheidszorg.”

En dat klopt niet meer?

“Nee. Ons programma wil juist aantonen dat er wel degelijk wetenschappelijke evidentie bestaat voor bepaalde vormen van psychotherapie. Daar is al behoorlijk wat onderzoek naar gebeurd, met zogenoemde randomized controlled trials – die ook bij andere vormen van medisch onderzoek de standaard zijn. Daarnaast is ook het stigma aan het afnemen. In heel wat landen zijn bekende mensen bereid om openlijk te vertellen over de mentale gezondheidsproblemen die ze hebben gehad.”

Is dat belangrijk?

“Heel belangrijk. Beroemdheden die getuigen over hun angststoornis of hun depressie, hebben veel impact. Al blijft het belangrijkste het besef dat er behandelingen zijn die wérken. Het heeft geen zin om toe te geven dat je een probleem hebt, als er niets aan kan worden gedaan en je als het ware levenslang hebt gekregen. Zoals ook kanker vroeger een doodvonnis was.”

Dus u verwacht nog veel vooruitgang?

“We kunnen vandaag al aantonen dat veel mensen herstellen. Het publiek ziet dat ook. In het Verenigd Koninkrijk meten we alles objectief en maken we alle resultaten publiek. Die transparantie werkt goed. Mensen zien dat er behandelingen bestaan die werken en zijn daardoor eerder geneigd om zelf een goede behandeling te zoeken.”

Voor de goede orde: u hebt het niet over pillen, maar louter over psychotherapie.

“Beide hebben uiteraard hun plaats. Er bestaat medicatie die zowel bij depressie als bij angststoornissen kan worden gebruikt. En die ook helpt. Maar uit onderzoek blijkt dat psychotherapie betere langetermijneffecten heeft. De reden is eenvoudig: als je stopt met medicatie, houdt de werking op. Terwijl je bij een therapeut nieuwe vaardigheden leert om met emotionele problemen om te gaan. En die vaardigheden blijf je gebruiken. In het VK raden wij psychotherapie aan als eerste keuze bij de behandeling van angst en depressie.”

En wordt die psychotherapie terugbetaald?

“Volledig. Het programma dat wij hebben opgezet, wordt door de overheid gefinancierd. Die investering bedraagt gemiddeld 650 pond (een kleine 750 euro, JDC) per patiënt.”

U hebt het over depressie en angststoornissen. Zijn dat de meest voorkomende mentale problemen?

“Zeker. Als je bij angststoornissen alles telt wat te maken heeft met overdreven piekeren, fobieën, obsessief-compulsief gedrag en posttraumatische stressstoornis – en je rekent daar depressies bij, dan heeft op elk moment een op de zes mensen in het VK daar last van. Aandoeningen zoals schizofrenie en psychose zijn een ander verhaal, die komen voor bij een op de honderd mensen.”

Veel mensen hebben bij de psychotherapeut het beeld van iemand met wie je eens goed kunt praten. Komt het daarop neer: een goed gesprek?

“Nee, het is meer. Er bestaan verschillende vormen van psychotherapie, maar die zijn niet allemaal even effectief voor alle problemen. Het is erg belangrijk dat mensen de therapie volgen die evidence based is. Voor alle angststoornissen is de evidentie nu echt overweldigend dat cognitieve gedragstherapie het best werkt.”

En hoe werkt die therapie?

“Zoals de naam al zegt, focust cognitieve gedragstherapie op twee dingen: je denk- en je gedragspatronen. Veel mentale onrust heeft te maken met de manier waarop je reageert op of omgaat met bepaalde gebeurtenissen. Iedereen maakt erge dingen mee, maar voor de ene persoon leidt dat tot meer onrust dan voor de andere. En dat heeft te maken met hoe je over jezelf en de wereld denkt. Een cognitieve gedragstherapeut kan focussen op de denkpatronen van de patiënt, en onderzoeken hoe die het gedrag beïnvloeden.”

Geef eens een voorbeeld?

“Een klassiek voorbeeld zijn mensen met een sociale angststoornis. Als je denkt dat andere mensen vinden dat je dom bent, vermijd je sociale interactie. Of probeer je altijd om zo slim mogelijk over te komen in gezelschap, zodat je jezelf niet kunt zijn. Bij een therapeut leer je die gedachten onderzoeken, en leer je heel concreet om je gedrag aan te passen. Door bijvoorbeeld eens géén rolletje te spelen in gezelschap, en te kijken hoe mensen daarop reageren.”

Is het denkbaar dat de therapeut meegaat? Mee de lift neemt als je een liftfobie hebt, mee de stad in gaat als je een sociale fobie hebt?

“Jawel, dat gebeurt vaak. Het is niet alleen maar praten. We trekken de echte wereld in om patiënten te leren hun angsten te overwinnen. Dankzij ontwikkelingen met virtuele realiteit, hebben we nieuwe mogelijkheden. Iemand met hoogtevrees kunnen we in een virtueel programma laten wennen aan grote hoogtes, voor hij of zij dat in de realiteit probeert. Dat werkt erg goed. Een angststoornis behandelen wij in zes tot twintig sessies.”

Wat met depressie?

“Het goede nieuws is dat daarvoor verschillende vormen van therapie bestaan, die allemaal effectief lijken. Er is de cognitieve gedragstherapie. Er is de interpersoonlijke therapie, waarbij men focust op de relatiepatronen in je leven. Er bestaat koppeltherapie voor mensen die depressief zijn in het kader van hun relatie, en die samen met de partner de relatie toch nog willen redden. En er zijn vormen van psychodynamische therapie, die nog wat traditioneler freudiaans zijn, die effect kunnen hebben.”

Hangt veel niet af van de persoonlijkheid van de therapeut, welke specifieke techniek hij of zij ook toepast?

“Sommige mensen in het werkveld geloven dat inderdaad. En als je naar depressie kijkt, en de verschillende vormen van therapie die kunnen werken, zou je geneigd zijn om dat te geloven. Maar bij angststoornissen is dat duidelijk niet het geval, daar is cognitieve gedragstherapie superieur. Los daarvan wil je altijd iemand die warm en empathisch is, en die volledig wil focussen op jouw probleem. Als een therapeut dat niet doet, is er een probleem. Maar daarbovenop is het ook belangrijk wát die therapeut doet.”

Kan een verkeerde vorm van psychotherapie het probleem erger maken?

“Absoluut. Daarom is het zo belangrijk om veel data te verzamelen. De overheid moet in kaart brengen waar patiënten geholpen worden en waar niet. Daarom moet de situatie van de patiënt telkens bij het begin en het einde van de behandeling worden gemeten.”

Daar kunnen psychologen toch over liegen, zoals Freud vroeger deed? Een aantal van de patiënten die hij zogezegd had genezen, was dat helemaal niet.

“Dat is uitgesloten bij ons, wij gebruiken zelfrapportering door de patiënten.”

Hoe zwaar heeft de schaduw van Freud gewogen op de evolutie van de psychotherapie? Hoe destructief zijn sommige van zijn ideeën geweest?

“Dat is een complex verhaal. Dankzij Freud raakten mensen geïnteresseerd in mentale processen. Hij heeft ook het idee gelanceerd dat psychotherapie zou kunnen helpen. Dat is een grote prestatie. Wij zouden vandaag niet op dit punt zitten zonder Freud. Hij was een pionier. Een idee van hem dat niet zo behulpzaam is geweest, was zijn overtuiging dat niets is wat het lijkt. Dat klopt niet. Het mysterie van onze mentale processen is niet zo groot. Mensen weten best wat er met hen aan de hand is.”

We hebben geen jarenlange psychoanalyse nodig om onszelf te leren begrijpen?

“Nee, zulke langdurige therapieën hebben geen focus, werken niet, en zijn heel duur. Alleen kortlopende vormen van psychodynamische therapie, die nog geworteld is in Freud, zijn in sommige gevallen het proberen waard. Nogmaals: wij pleiten voor een mentale gezondheidszorg die evidence based is, net zoals kankerbehandelingen dat moeten zijn. De geschiedenis van de psychologie telt veel voorbeelden van dingen waarvan men dacht dat ze werkten, terwijl onderzoek ondertussen het tegendeel heeft aangetoond.”

Wat is het beste voorbeeld?

“Counseling, waarbij mensen vlak nadat ze een ramp van dichtbij hebben meegemaakt, worden gedebrieft en gecoacht door een psycholoog.”

En dat werkt niet?

“Het lijkt puur gezond verstand dat zoiets goed werkt. Als je kunt praten over wat je net hebt meegemaakt of gezien – een verkeersongeval, een ontploffing, een aanslag – dan zal iedereen dat slim vinden. Vanuit het idee: als je er niet over praat, blijft die emotie toch maar hangen en krijg je er later problemen mee. En vertellen wat je hebt beleefd, is per slot van rekening niet zo erg. Ondertussen hebben honderdduizenden mensen over de hele wereld zo’n psychologische debriefing gekregen. Het is een industrie geworden.”

Maar het is weggegooid geld?

“Wel, wat we ondertussen uit onderzoek weten is dat mensen sneller bij hun positieven komen zonder counseling. Psychologische debriefing vertraagt het verwerkingsproces. Daarom gebeurt het in het Verenigd Koninkrijk in elk geval niet meer.”

Uw coauteur Richard Layard is de econoom die met zijn boek Happiness in 2006 mee de basis legde voor het concept Bruto Nationaal Geluk. Kan psychotherapie behalve ongeluk verminderen ook ons geluk verhogen?

“Dat is op zich geen onderzoeksveld, al focust de beweging van de zogenoemde positieve psychologie daarop. Essentieel zijn natuurlijk gezond eten en voldoende bewegen. Maar ook mindfulness wordt gebruikt door mensen die op zich niet lijden, en die vinden dat het hen een verhoogd gevoel van welzijn bezorgt. Het is een techniek die je niet meteen moet proberen als je in de problemen zit, maar die wel je kwetsbaarheid voor mentale problemen kan reduceren.”

Dankzij mindfulness herval je niet?

“Inderdaad, dat blijkt te helpen. Voor mensen die eerder al depressieve episodes hebben gekend, is de evidentie sterk dat mindfulness het risico op herval ongeveer halveert. Ook dat is iets waar heel veel mensen hun voordeel mee kunnen doen.”

BOEK: De kunst van het alleen leven

Waarom alleen leven niet per definitie eenzaam is
Solovrouw is superwoman

De Standaard – Annelies De Waele – 06.12.2018

Alleen leven: voor veel mensen klinkt het akeliger dan het is. Een beroemde loner als Greta Garbo wist dat al. En het aantal gezinnen waarin iemand alleen leeft stijgt nog elke dag. Jane Mathews schreef een hulde aan de alleenwoner. Annelies De Waele

‘Ook de sterkste, vaardigste, sociaalste en aardigste mensen ter wereld leven soms alleen’, schrijft de Australische Jane Mathews in haar boek The art of living alone. Ze droeg het op aan al haar verwante eenlingen – vrouwen vooral. Het boek is net uit in het Nederlands.

Ik treed haar bij. De alleenwoners die ik ken – ik reken mezelf even ongegeneerd mee – zijn stuk voor stuk dappere krijgers, boeiende lotgenoten. Waarom kleven aan mensen zoals wij dan toch steevast een paar labels – egoïstisch, speciaal, moeilijk, eenzaam, zielig?

Mathews somt een hele pagina van die vooroordelen op. Om op de volgende pagina op de proppen te komen met evenveel kwaliteiten en pluspunten. ‘We moeten ervoor zorgen dat de maatschappij een ander beeld krijgt van mensen die alleen leven. We moeten de wandelende reclameborden voor onze stam zijn’, klinkt het in haar ­conclusie.

Ze voegt zelf de daad bij het woord. Want ze schreef een positieve en vaak grappige handleiding. Zonder voorbij te gaan aan de angels en angsten van in je eentje wonen schetst de auteur hoe je je leven op die ­manier best aangenaam kan uitbouwen.

Mathews boek is natuurlijk niet het eerste in zijn soort. De nieuwe single, 1.000 tips voor wie alleen woont, Singlegeluk: boeken genoeg vol emotionele en praktische tips. Op het net vind je hier en daar ook ‘single coaches’. Een enkele wil singles ‘versterken in hun onafhankelijkheid’, meestal richten die zich evenwel vooral op het vinden van een nieuwe partner. Solo van journaliste Nathalie Leblanc, dat in 2014 verscheen, is diepgravender lectuur, met veel cijfers erbij en experten aan het woord. Het zette de ­‘alleenwoner’ – haar term- wat op de kaart. In de Antwerpse filosofieschool The School Of Life leert Leblanc je hoe je goed gezelschap voor jezelf kan zijn. Want ‘alleen’ is niet per definitie ‘eenzaam’.

Vrijheid

Toegegeven, alleen wonen wordt makkelijker met een aantal basics in je lade: beroepsactief zijn, genoeg geld verdienen, in relatief goede gezondheid verkeren, nog wat familie bij de hand hebben, je dichtbij of veraf omringd weten door mensen die je lief zijn, een latrelatie hebben, het woord ‘verveling’ niet kennen, huiselijk zijn, noem maar op.

Wie lang alleen woont, maakt vaak een evolutie door. Als je jong bent en bijna ­iedereen rondom jou ziet samenhokken, voelt het alsof je een boot mist. Je gaat vrij krampachtig op zoek naar jouw ticket. Gaandeweg ontdek je dat je alleenwoon­status evenwaardig is en misschien toch veel meer een keuze is dan je zelf eerst had gedacht. Omdat je over de liefde niet kan of wil onderhandelen. Omdat je veeleer een loner bent dan een teamplayer. Of omdat je simpelweg geniet van het alleen zijn en ­wonen – al dan niet in een relatie. En daar is niks mis mee.

De universiteit van het leven heeft mij alvast geleerd dat veel mensen die samenwonen soms warm zijn met elkaar, maar even vaak wat ‘gevangen’. Kinderen, een huis, status, geld, redenen genoeg waarom koppels liever samenblijven. Vrijheid wordt, samen met creativiteit, in zowat alle lectuur over alleen zijn met stip als voordeel nummer 1 aangehaald.

Medaille

Veel mensen zijn dus bang van ‘alleen’. Als hun schip te pletter vaart, klikken ze zich liefst zo snel mogelijk opnieuw vast aan een nieuwe liefdespartner. Doodjammer. Niet de nieuwe liefde, wel het feit dat ze zichzelf niet de kans geven om het alleen te proberen. Verklaring? Maatschappelijke denkbeelden, een tanker die zich maar moeilijk laat keren.

Het is iets wat alvast schrijfster Sara Maitland niet begrijpt. ‘Hoe zijn we op een punt beland dat autonome, vrije, zich ­ontplooiende individuen tegelijkertijd bang zijn om alleen te zijn?’, vraagt ze zich af in haar filosofische How to be alone. Haar antwoord: het wordt ons als kind niet voldoende aangeleerd. ‘Alleen zijn’ wordt bijvoorbeeld ingezet als straf en niet als iets waar je een rijker, voller mens van wordt.

Loners worden in onze wereld gezien als bizar, aldus nog Maitland. Ga je solo zeven bergen beklimmen of de oceanen bezeilen, dan klinkt er nog wel applaus. Maar voor mensen die jaar in jaar uit gewoon alleen thuis hun leven leiden hangt er geen ­medaille klaar.

Of wacht even, onlangs, op zondag 11 november, was het toch Singles’ Day? Een zoveelste commerciële ‘feestdag’ jawel, een en al gericht op consumptie. Alsof dat deel van de alleenwoners geld te veel hebben. Vaak niet, want alleen wonen is peperduur. De zogenaamde ‘singletoets’ is en blijft een mager beestje, ons politiek bestel hinkt hier hopeloos achterop. En dat is een doorn.

Dan maar de kracht uit jezelf halen dus. Het brengt ons terug bij Jane Mathews. ‘Soms begint de dag geweldig, maar zit ik even later toch in de put omdat iemand zonder nadenken net het verkeerde zei’, schrijft ze. Herkenbaar. En met ‘dat verkeerde’ moet je dan een tijdlang in je eigen hoofd malen. Maar laat dit nu net een van de sleutels zijn: je gedachten. ‘Jij bepaalt zelf welke gedachten in jouw hoofd wonen.’ ‘Allenen’: niet voor mietjes.

Ook stipt Mathews ergens het gebrek aan empathie aan van mensen die niet alleen wonen: ‘Een getrouwde vriendin bleef maar ratelen over haar overvolle weekend en reageerde erg verbaasd toen ik zei dat ik in die 48 uur niemand had gesproken.’ Veel mensen staan hier inderdaad niet bij stil, tot ze het zelf ervaren. ‘Oprechte vrienden zijn empathische vrienden’, aldus Mathews. Maar ze sombert eigenlijk zelden. Na de publicatie van haar boek ging dochterlief toevallig opnieuw bij haar wonen. ‘Ik ben dol op haar (…) maar besef nu wel hoe gelukkig ik in mijn eentje was. Ik heb mezelf geleerd hoe je uitstekend kunt leven in je eentje. Ik mis het.’

Boek: Jane Mathews, ‘De kunst van het alleen leven’, Altamira, Haarlem, 2018.

 

Graag alleen zijn

Mensen die graag alleen zijn hebben deze 17 unieke persoonlijkheidskenmerken.
 
We kennen allemaal iemand die echt geniet met gezelschap van anderen. Ze worden vaak omschreven als levendig, en zorgen er bewust voor dat ze zijn waar het wat drukker is. Ze hebben behoefte aan frequente menselijke interactie en kunnen gevoelens van verdriet en isolement ervaren wanneer ze alleen zijn. Voor een eenling is het tegendeel waar.

Het is niet zozeer dat ze een hekel hebben aan het met andere mensen zijn, maar ze richten zich meer op kwaliteit dan op kwantiteit als het gaat om hun eigen persoonlijke relaties. Ze nemen graag de tijd en ontwikkelen graag diepere, langdurige connecties met een selecte groep mensen, in plaats van dat ze zich richten op een groot aantal kennissen.

Tijd is ook erg belangrijk voor een eenling, dus ze willen er zeker van zijn dat ze hun tijd verstandig besteden. Voor een eenling is tijd in hun eentje doorbrengen niet alleen een verlangen, maar ook een absolute noodzaak om een gezond gevoel van evenwicht en gezond verstand te kunnen behouden. Welk type persoon beschrijft jou het beste? Ben je liever alleen of in het gezelschap van anderen?

Hier zijn 10+ unieke persoonlijkheidskenmerken die mensen die graag alleen zijn vaak hebben:

1. Hun tijd is waardevol
Eenlingen koesteren hun tijd. Ze weten waar ze van houden en wat ze haten en gaan niet zomaar naar een evenement toe om alleen maar even van huis te zijn. In plaats daarvan zijn ze veel kieskeuriger over met wie ze hun tijd door willen brengen en zullen ze hun energie steken in dingen waar ze gepassioneerd over zijn. Een eenling weet wat hun tijd en energie waard is die ze besteden aan dingen waar ze gepassioneerd over zijn. De mensen die voor hen belangrijk zijn, zijn altijd een prioriteit. Als een eenling je opzoekt, weet je dat je hun tijd waard moet zijn, want een eenling heeft geen enkel gezelschap nodig.

2. Ze zijn heel zelfbewust
Omdat eenlingen zoveel tijd besteden om na te denken en introspectie, leren ze veel over zichzelf en hun omgeving. Ze zijn niet bang om te voelen en doen het juist heel goed wanneer ze diepe, één op één brainstormsessies hebben met hun eigen geest.

3. Ze zijn kalm en rustig
Eenlingen houden ervan om ongewenste aandacht te vermijden of in de schijnwerpers te staan, zodat ze koel en kalm kunnen blijven in een stressvolle situatie om te voorkomen dat het uit de hand loopt. Om dezelfde reden hebben ze vaak een afkeer voor dramatische en irrationele mensen en zullen ze er alles aan doen om dit soort mensen te vermijden.

4. Ze zijn ruimdenkend
Alleen omdat een eenling er de voorkeur aan geeft om de deuren gesloten te houden, betekent dat zeker niet dat hun geest ook gesloten is. Integendeel, want een eenling heeft de neiging om uiterst onbevooroordeeld te zijn en wil graag nieuwe plaatsen, ideeën en ervaringen meemaken. Het kan zijn dat er gewoon wat rust nodig is voor en na het hebben van gezelschap.

5. Ze zijn trouw
Vaak als je het woord “eenling” hoort, ga je er automatisch van uit dat dit betekent dat ze geen vrienden hebben. Dit is niet vaak het geval. Een eenling heeft wel vrienden, maar in plaats van grote groepen vrienden te hebben, zijn ze veel kieskeuriger met wie ze omgaan. Omdat ze de aandacht van anderen niet nodig hebben om gelukkig te zijn, kunnen ze selectiever zijn over met wie ze hun tijd doorbrengen. Voor de mensen die het geluk hebben om door een eenling gekozen te worden, kun je erop rekenen dat zij een betrouwbare en loyale vriend zijn waarop je altijd kunt rekenen.
6. Ze hebben duidelijke grenzen
Nee zeggen is vaak moeilijk voor mensen die anderen graag tevreden stellen, maar niet voor een eenling. Omdat ze zich niet bezig houden met het krijgen van goedkeuring van een ander, zijn ze niet bang om uit te komen waar ze voor staan, vooral niet als ze het gevoel hebben dat ze worden gebruikt.

7. Ze kennen hun sterke en zwakke punten
Eenlingen zijn in staat om een stapje terug te doen en een mentale checklist te maken van hun sterke en zwakke punten. Ze weten dat ze niet perfect zijn, maar ze streven er nog steeds naar om zichzelf te verbeteren.

8. Ze zijn empathisch
Eenlingen zijn zich zeer bewust van hun eigen gevoelens en de gevoelens van hun omgeving. Ze zijn bereid om als in andermans schoenen te lopen en de behoeften van andere mensen te begrijpen en te respecteren.

9. Ze zijn niet perfect
Omdat niemand perfect is, geldt hetzelfde voor een eenling. Het goede aan een eenling is echter dat je ze niet hoeft te vertellen dat ze niet perfect zijn, omdat ze zich al goed bewust zijn van de verbeterpuntjes aan zichzelf.

10. Ze worden geleid door hun eigen intuïtie
Eenlingen zijn zeer gedreven door hun eigen intuïtie. Hun onderbuikgevoel is sterk en intens en kan ze waarschuwen voor gevaar of waarschuwen als iets niet goed aanvoelt. Ze kunnen vaak als snel een sterk gevoel krijgen van iemand, zonder dat ze veel met diegene zijn omgegaan. Dit kan een goede of slechte zaak zijn, want het kan moeilijk zijn om aan de goede kant van een eenling te komen als hun eerste indruk van jou niet positief was.

11. Ze zijn niet mede-afhankelijk
Eenlingen hebben er totaal geen probleem mee om alleen te zijn, zodat ze hun tijd niet verspillen met de verkeerde mensen uit angst om alleen te zijn. Dit betekent niet dat een eenling nooit iemand anders nodig heeft, maar dat ze eerst van zichzelf afhankelijk zijn, in plaats van voortdurend aandacht en goedkeuring van anderen nodig te hebben.

​​​​​​​12. Ze zijn vriendelijk en medelevend
Eenlingen hebben vaak een bepaalde zachtere aanpak als het gaat om de omgang met anderen. Ze zijn in staat om verder te kijken dan hun eigen behoeften en willen echt begrijpen hoe ze zich ten opzichte van anderen kunnen opstellen om hun medeleven te tonen.

13. Ze zijn moedig en dapper
Eenlingen zijn comfortabel met zichzelf en zijn zelfverzekerd met wat ze kunnen. Ze zijn niet bang om de tijd te nemen voor zelfreflectie en hun innerlijke demonen op te zoeken in plaats van hun leven te vullen met externe afleiding.

14. Zij houden van zichzelf
Eenlingen houden van zichzelf, maar niet op een egoïstische, narcistische manier. Een eenling begrijpt dat om echt van iemand anders te houden, ze eerst van zichzelf moeten kunnen houden. Dit concept kan voor sommige mensen moeilijk te begrijpen zijn, maar een eenling is meer gericht op het ontwikkelen van diepere, authentiekere vriendschappen, in plaats van die neppe en niet diepgaande relaties.

15. Ze zijn betrouwbaar
Eenlingen begrijpen dat tijd kostbaar is, dus ze zullen jouw tijd niet verspillen. Je er op rekenen dat een eenling op tijd komt en betrouwbaar is. Ze zullen je niet laten wachten of helemaal niet komen opdagen. Als ze je iets beloven, dan zullen ze zich tot het uiterste inspannen om zich aan de belofte te houden.

16. Ze hebben emotionele kracht
Eenlingen hebben een diepe innerlijke kracht en houvast in moeilijke tijden. Ze weten hoe ze die momenten van pijn, frustratie en woede moeten doorstaan en staan geen triviale dingen in het leven toe.

17. Ze hebben een sterke moraal
Eenlingen hebben een groot gevoel van goed en kwaad en een eenling zou nooit iets doen waar ze het niet mee eens zijn of waar ze zich niet prettig bij voelen. Groepsdruk werkt gewoon niet met een eenling! Ze zijn niet bang om op te komen voor waar ze in geloven en zijn niet snel overtuigd of beïnvloed door anderen.

BRON: www.apost.com