Omgaan met zelfmoordgedachten

Omgaan met zelfmoordgedachten

www.gezondheid.be

Do’s

Let op voor signalen

Wanneer je aan zelfmoord denkt, heeft dit vaak ook een impact op je gedrag. Wees daarom alert voor veranderingen in je gedrag die kunnen wijzen op zelfmoordgedachten, zoals bijvoorbeeld slecht slapen, minder onder de mensen komen, niet kunnen concentreren op werk of school, veel piekeren ook over zelfmoord, meer alcohol drinken en/of roken of geen zin meer hebben in dingen die je anders leuk vindt.

Zoek afleiding

Soms kan het helpen om je gedachten proberen te verzetten en te vermijden dat je begint te piekeren. Bijvoorbeeld door elke avond een wandelingetje te maken met de hond, naar een film te kijken, een uitgebreid bad te nemen, te sporten of ontspanningsoefeningen te doen. Je kan ook met anderen dingen gaan doen zonder dat je hoeft te spreken over je gevoelens. Bijvoorbeeld met Jan tegen een balletje gaan trappen op het pleintje, met Mia een terrasje doen, met Jef naar de voetbalmatch of met mama op bezoek gaan bij oma.

Praat erover

Hoewel het erg moeilijk kan lijken om met iemand te praten over zelfmoordgedachten, kan dit wel het verschil maken. Je kan praten met iemand uit je omgeving, zoals een vriend, familielid, leerkracht, collega of je huisarts. Als je niet durft praten met een bekende, kan je ook contact opnemen met de anonieme hulplijn Zelfmoordlijn 18131813 is het noodnummer dat je dag en nacht kunt bellen, 7 dagen op 7, om te praten over je zelfmoordgedachten. Je gesprek is volledig gratis en anoniem, of je nu met je gsm, vaste telefoon of vanuit een telefooncel belt. Het nummer verschijnt zelfs niet op je telefoonrekening.

Iedere avond kan je ook online chatten van 19u tot 21u30.

Zoek hulp

Alleen met je zelfmoordgedachten blijven zitten is geen goed idee. Weet dat je altijd hulp kan inschakelen, zowel in je omgeving als bij professionele hulpverleners.Zelfmoordlijn 1813

Jouw huisarts of huisarts van wacht: www.huisarts.be

Noodnummer: 112

Antigifcentrum: 070/245245

Maak een houvast-kaartje

Soms lijkt een situatie zo uitzichtloos dat je niet weet wat je nog kan doen. Op zo’n moment kan een houvast-kaartje steun geven. Op dit kaartje kan je schrijven wat je tot rust kan brengen in een crisissituatie en wie je eventueel kan contacteren in geval van nood.

Don’ts

Vermijd alcohol en drugs

Stimulerende en verdovende middelen kunnen de drempel tot zelfmoord verlagen omdat ze je relativeringsvermogen aantasten en je impulsiever of agressiever kunnen maken.

Zoek geen gevaarlijke plaatsen op

Beperk zo veel mogelijk je toegang tot plaatsen waar je zelfmoord kan plegen. Zorg dat je zo weinig mogelijk alleen bent en zoek afleiding.

Sluit jezelf niet op

Zorg dat de nooddiensten of andere hulpverleners makkelijk bij jou kunnen geraken als het nodig is.

“Ik dacht aan zelfmoord. Ik belde jullie. Ik kreeg een vrouw aan de lijn. Dezelfde vrouw die mijn leven gered had een tijdje terug. Ik bedankte haar. Omdat ik nog leef. Op dat moment leek er niemand te zijn, en zij … was er. Ze luisterde. Ze moedigde me aan. En ik …. heb mijn leven in handen genomen en sta nu op een punt van een heleboel positieve veranderingen. Ik koos voor het leven.”

Ik ben mijn ziekte niet

Trudy Dehue: ons falen en verdriet wordt steeds vaker ingekaderd als een stoornis

Brainwash – 22.08.2020

We framen alle pijn en verdriet steeds vaker in termen van depressie, schrijft hoogleraar wetenschapsonderzoek Trudy Dehue in De depressie-epidemie uit 2008. Die term is geen neutrale beschrijving, omdat hij de oorzaak én oplossing van het leed automatisch bij het lijdende individu zelf legt. Ook haar boek Betere Mensen (2014) illustreert dat feiten niet neutraal kunnen zijn. Toch zijn deugdelijk gemaakte feiten meer dan slechts meningen. 

Als je wetenschapsonderzoeker Trudy Dehue vraagt om de krant te lezen en een kritische analyse te geven van hoe er over wetenschap geschreven wordt, hoef je niet lang te wachten voordat ze met voorbeelden komt van waar het misgaat. Een hardnekkige misvatting die we volgens Dehue over wetenschap hebben, is dat het een rechtstreekse weerspiegeling van de werkelijkheid is. Dat wetenschap ‘ontdekt’ hoe het zit. En wat we vaak vergeten, is dat classificaties consequenties hebben: de manier waarop we de wereld conceptueel indelen, heeft gevolgen voor hoe we de wereld vormgeven.

Neem dit artikel uit de wetenschapsbijlage van NRC, over autisme bij hoogopgeleide vrouwen. ‘Het gaat hier over hoogopgeleide vrouwen met een goede baan, een gezin, en een mooi huis. En tóch zijn ze autistisch, volgens dit artikel. Deze vrouwen hebben geen enkel kenmerk van het klassiek autisme, maar dat zou komen doordat ze het goed kunnen verbergen. Dat is opmerkelijk, want klassieke autisten zoals omschreven in het psychiatrisch handboek DSM zijn juist mensen die niets kunnen verbergen. Je zou dan kunnen zeggen: wie kan verbergen, is per definitie geen autist’, zegt Dehue in Brainwash Zomerradio.

De betekenis van het woord autisme wordt dus enorm opgerekt. Toen ik nog in de kinderpsychiatrie werkte, stond autisme voor opvallend afwijkende kinderen. Kinderen die nul oogcontact kunnen maken, de hele dag in een stepwieltje draaien: kinderen waarvan je snel zag dat er iets ernstig mis met ze is, en waarbij een diagnose volkomen op z’n plaats is. Dat biedt troost aan ouders en kan mensen helpen. Maar de term ‘autisme’ is steeds verder gaan verbreden.

We moeten ons volgens Dehue beseffen dat de natuur dat niet doet, maar dat het mensen zijn die de term steeds breder gaan gebruiken. We leven in een samenleving die mensen steeds meer door de bril van de psychiater is gaan bekijken. ‘Classificaties hebben consequenties. Je moet nadenken over de vraag wat we doen als we dat begrip zo oprekken. Ik ontken het mogelijke leed van deze vrouwen niet, ik geloof meteen dat deze vrouwen het moeilijk kunnen hebben in hun baan. Maar zijn ze echt geholpen door hen een hersenziekte toe te schrijven? Het is maar de vraag of het helpt als je denkt dat je zieke hersenen of zieke genen hebt.’

Classificaties zijn noodzakelijk en onvermijdelijk, maar kunnen ook nadelige gevolgen hebben. ‘Classificaties creëren realiteiten: een mens leert door een diagnose anders in het leven te gaan staan. En er wordt anders naar je gekeken. Mensen zijn vaak blij met een psychiatrische diagnose, omdat die enige verontschuldiging biedt voor hoe je bent. Maar dan moeten we stilstaan bij de vraag waarom we in een samenleving leven waarin steeds meer mensen een verontschuldiging nodig hebben voor wie ze zijn. Dat is toch gek. Bovendien is die verontschuldiging maar beperkt, want je moet om hulp gaan vragen. En het is stigmatiserend, je bent meteen een probleemgeval geworden.’

Menselijk falen en verdriet wordt steeds vaker ingekaderd als een stoornis, ziet Dehue. Haar bestseller De depressie-epidemie ging over de vraag hoe het mogelijk is dat in een welvarend land als Nederland zoveel mensen depressief zijn. ‘Alle terechte leed en verdriet werd in termen van depressie geframed. Wij zijn over alle vormen van ongeluk in psychiatrische termen gaan denken, zodanig dat we daar geen andere woorden meer voor hebben dan ‘depressie’. Ook al het leed dat met maatschappelijk onrecht te maken heeft, zijn we gaan psychiatriseren. Mensen zijn op zichzelf en hun privé-emoties gericht geraakt. Waar ze vroeger de barricades voor op zouden zijn gegaan, daar gaan ze nu voor naar de psychiater. Huisvrouwen die geen kant op konden, geen vrijheid of werk hadden, gingen eerder de straat op om te strijden voor rechten, in plaats van kalmerende middelen.’

“Wij zijn over alle vormen van ongeluk in psychiatrische termen gaan denken, zodanig dat we daar geen andere woorden meer voor hebben dan ‘depressie’.”

      Zelf begon Dehue in de jaren 80 in de kinderpsychiatrie, een tijd waarin autisme nog de enige diagnose was. In die tijd dacht de kliniek in termen van systemen, dus werd er over gezinnen met problemen gesproken, en alleen bij de overduidelijke gevallen van autisme een diagnose gehanteerd. Het lijkt misschien weinig, één diagnose, maar dat is volgens Dehue niet zo. ‘Stoornissen standaardiseren mensen. Terwijl je mensen ook als individuen kunt behandelen. Zowel de diagnose ADHD als depressie gaan inmiddels naar een breed scala mensen met problemen. Maar de ene depressieve persoon is de andere niet. Waarom zou je ze dan allemaal in dat ene vat stoppen, dat ene containerbegrip op ze toepassen? Er zijn veel psychiaters die in de praktijk werken die dat beseffen, en dit zo niet willen. Want zij zien individuen, zij zien gezinnen.’

    Diagnoses kunnen wel een functie hebben, vindt Dehue: ze kunnen je even op het goede spoor zetten, en een behandeling aanreiken waar de patiënt baat bij heeft. ‘Maar ik vind het sympathieker als de psychiater aan de patiënt uitlegt: deze behandeling kan je helpen bij deze diagnose, maar dit ben jij niet.’

    We moeten niet vergeten dat stoornissen geen vast gegeven zijn, of definiëren wie je bent. ‘De natuur bepaalt niet dat wij mensen autisten moeten noemen; dat is een menselijk besluit. Wij plaatsen mensen met bepaalde eigenschappen in een groep, en die noemen wij autisten. Er hangen geen bordjes met stoornissen in de natuur, en ook niet in het brein. Breinen verschillen van elkaar. Het zijn mensen die besluiten: dit en dit brein noemen wij gestoord. Dan wordt er een definitie gemaakt, en worden er testen afgeleid, wat vervolgens nieuwe werkelijkheden maakt, want daardoor ontstaat er uiteindelijk een groep autistische mensen. Als je dat beseft, kun je veel beter nadenken over de vraag of dat wel een goed idee is, of we werelden aan het creëren zijn die gunstig zijn.’

    Dat wetenschap een menselijk proces is, maakt het niet minder waardevol. Toch zijn we geneigd te denken dat wetenschap waarheden over onszelf en de wereld ‘ontdekt’, en het de werkelijkheid rechtstreeks blootlegt. ‘Maar dat kan niet. Het verdriet van de wetenschap is dat ze alleen maar wordt bewonderd om dat wat ze niet kan zijn. We moeten niet verwachten van wetenschappers dat ze de werkelijkheid blootleggen, en eigenlijk onderschat je ze daarmee ook. Het maken van een feit is een enorm creatief proces, waar veel denkwerk in gaat zitten, waar het ontwerpen van apparatuur voor nodig is, het bedenken van classificaties en definities, en het ontwikkelen van testen. En als dat goed wordt gedaan, verdient dat grote bewondering.’

    Om dat te begrijpen, helpt het om naar de etymologie van het woord ‘feit’ te kijken, zegt Dehue. ‘Het woord ‘feit’ komt van het Latijnse woord ‘facere’, wat ‘maken’ en ‘doen’ betekent. Met de opkomst van het positivistische denken rond de 20e eeuw is het woord langzaam van betekenis veranderd, en is het verworden tot een ding dat vaststaat. Veel mensen, inclusief wetenschappers, zijn gaan denken dat een feit de werkelijkheid weerspiegelt. ‘Maar dat kan niet’, zegt Dehue, ‘omdat feiten uit ingrediënten bestaan, net zoals ons voedsel. Kant en klare feiten zijn dus als kant en klare bitterballen: de kwaliteit hangt van de vulling af. En de ingrediënten komen ook overal vandaan; ze zijn door talloze mensen gemaakt, vervoerd en bereid. Dieren en planten zijn eveneens mede-producenten van zo’n bal. Steeds meer mensen hebben vanuit dat besef belangstelling voor wat er in gefabriceerd eten zit en hoe het is gemaakt – mede omdat dit het leven mee bepaalt. Met afgeronde wetenschappelijke feiten is het niet anders. Besef dat het om maaksels gaat is heel belangrijk. We kunnen dus veel beter over de wetenschap nadenken als een sector die ingrijpt in de werkelijkheid, dan als een die haar gewoon ‘ontdekt’. Dan nemen we meer verantwoordelijkheid voor wat we aan het maken zijn.’

    Neem het simpele, grove onderscheid tussen mens en dier. ‘Wij hebben de wereld onderverdeeld in soorten, maar niets of niemand, geen god en geen natuur, bepaalt dat wij dat moeten doen. Maar het wordt in de praktijk vanzelf waar. We doen het ook omdat we dieren anders niet op mogen eten, niet dood mogen maken en er geen wetenschappelijke experimenten op mogen doen. Dieren moeten daarom anders blijven dan wij. Wij maken het onderscheid, omdat het mensen goed uitkomt. Alleen doordat wij het onderscheid maken tussen mens en dier, kunnen we dingen met dieren doen, waar we voor in de gevangenis zouden belanden als we dat met mensen zouden doen. Je zou kunnen zeggen: wetenschap is het zodanig inrichten van de werkelijkheid dat mensen het goed maken op deze aardbol. Zonder wetenschap hadden we niet overleefd, dus we hebben het nodig.’

    Een noodkreet

    Een noodkreet “gehoord” en gelezen op Facebook. Omdat ik weet hoe moeilijk je sommige dingen uitgelegd krijgt, breng ik deze noodkreet toch maar even onder de aandacht:

    Angststoornissen zijn soms de hel.. het kan voelen alsof je hart op hol slaat en op de vlucht moet… En soms voelt het alsof je stikt en dood neervalt óf dat mensen vinden dat je ‘gek’ bent en je daarom buitensluiten.
    Vaak komen angst en depressie door trauma, nare gebeurtenissen en genetische aanleg…
    Je vrienden kunnen wegblijven en je schaamt je.. En voor je gevoel sta je helemaal alleen…
    Ik deel dit daarom ook:
    Help, stel gerust, troost en luister… 🙏🏻

    Depressie en angst, zijn zeer persoonlijke psychische stoornissen.
    Iedereen zegt: “als je iets nodig hebt, aarzel dan niet om mij te vragen om hulp, ik zal er voor je zijn”. Veel mensen die last hebben van angst en/of depressie weten dat dit vaak niet waar is…

    Ik ga een weddenschap aan…
    Zonder pessimistisch te zijn denk ik dat van al mijn Facebook vrienden er minder dan 5 de tijd nemen om dit op hun tijdlijn te zetten, om de aandacht te vestigen op degene die mentale problemen hebben. Laat je het weten?
    Je hoeft alleen te kopiëren en te plakken op je eigen pagina. Gewoon om mensen er eens bij stil te laten staan dat angststoornissen en depressie vreselijk zijn en je er zonder steun van vrienden en familie moeilijk uit kunt komen…

    Depressie en angststoornissen kunnen een stille hel zijn voor degenen die eraan lijden, en voor degenen die van hen houden…

    Wees een vos!

    Sanne Blauw: we hebben ten onrechte een blind vertrouwen in cijfers

    In Brainwash Talks van Human buigen journalisten, schrijvers, wetenschappers, theatermakers en filosofen zich over de grote persoonlijke en maatschappelijke vragen van nu. Deze keer econometrist en journalist Sanne Blauw over het probleem met ons blinde vertrouwen in cijfers.

    Ik wil het hebben over John Snow. En het wordt geen praatje over Game of Thrones – sorry. Ik wil het hebben over John Snow, een Britse arts, die leefde in de 19e eeuw. In zijn tijd woedde er in zijn land een vreselijke ziekte: cholera. Mensen werden acuut ziek. Ze gingen braken, kregen diarree, en vaak overleden ze binnen enkele dagen aan hun symptomen. In die tijd werd er gedacht dat cholera kwam van miasma, in normalemensentaal: gore lucht. Het stonk. Niet zo gek: het riool lag open, er lag vuilnis op straat. Dus niet zo heel vreemd dat de stank de schuld kreeg van die vreselijke ziekte.

    John Snow dacht dat het anders zat, maar hij kon zijn alternatieve theorie nog niet bewijzen. Tot aan de snikhete zomer van 1854, toen er opnieuw cholera uitbrak, ditmaal in Londen in de wijk van Soho. Snow besloot ernaartoe te gaan. Hij ging van deur naar deur en hij begon te turven. Hij ging kijken waar de mensen overleden waren. En uiteindelijk zette hij al die turfjes op een kaart van de buurt. Uit die kaart, die je nog altijd kan zien, blijkt een duidelijk patroon. Want in het midden van al die turfjes stond een waterput.

    En dat was exact wat Snow had gedacht: dat cholera zich niet via lucht, maar via water verspreidt. Dus dit was bewijs voor zijn theorie. Niet snel daarna besloot de lokale raad de hendel van de pomp af te halen, zodat mensen het water niet meer konden gebruiken, en hield de uitbraak op. Snow is een van mijn helden, want hij maakt duidelijk hoe belangrijk cijfers zijn. Hij liet zien dat hij een patroon kon ontdekken dat levens zou gaan redden, door simpelweg te tellen en gegevens in kaart te brengen.

    “Cijfers geven houvast, een gevoel van controle. Toch gaat het in onze omgang met cijfers vaak mis.”

    Ook vandaag, in de coronacrisis, zien we weer hoe belangrijk cijfers zijn. Stel je maar eens voor hoe de pandemie eruit had gezien zonder cijfers. Dan hadden we niet kunnen tellen hoe vol de IC’s lagen. We hadden niet kunnen meten hoeveel mensen al antistoffen in hun bloed hadden. We zouden straks, als er hopelijk ooit een vaccin komt, niet statistisch testen of dat ding dan ook echt werkt. Dus die cijfers zijn heel belangrijk.

    Niet gek ook dat we er dagelijks over lazen in de krant, toch? We lazen over corona- en sterfgevallen, over exponentiële groei, over flattening the curve. En de broer van de postbode van de vriend van je moeder wilde je berekeningen sturen die hij had gemaakt. Cijfers waren overal. En ik snap dat wel, ik ben ook een cijfer-nerd, en vond cijfers vroeger al heel leuk. Ik maakte midden in de nacht sommetjes met de cijfertjes op mijn radiowekker. Ik ben econometrie gaan studeren, een studie die vol zit met cijfers. En ik schrijf nu alweer jarenlang over cijfers en hoe die een rol spelen in ons leven en in onze samenleving. Dus ik snap het wel dat je met die cijfers aan de slag wil.

    Maar ook als je geen spreadsheetvreter bent, dan zijn die cijfers alsnog fijn. Want cijfers geven houvast. Een gevoel van controle. Heel fijn, zeker in zo’n onzekere tijd als een pandemie. En niet alleen in de pandemie zijn cijfers belangrijk, want eigenlijk in heel ons leven spelen die cijfers een rol. Ga maar na. Je docenten gaven je vroeger cijfers. Die waren waarschijnlijk beslissend voor wat je met je leven ging doen. De overheid gebruikt stikstofcijfers om te beslissen dat we nu honderd kilometer per uur moeten gaan rijden. Je artsen schrijven je medicijnen voor die statistisch zijn getest. En als je op een datingapp zit dan gebruikt die app waarschijnlijk algoritmes om te berekenen wat voor jou de beste match zal zijn. Cijfers zijn overal en ze bepalen hoe jouw leven eruitziet. Nogal belangrijk dus dat die cijfers ook kloppen. En hoe fan ik ook ben van cijfers, ik schrijf er nu al jarenlang over en ik zie ook veel misgaan. Ook weer tijdens de coronacrisis. Drie foutjes die ik vaak gemaakt zag worden.

    1596653311.jpg
    Sanne Blauw in Brainwash Talks (foto: Anna van Kooij).

    De eerste: veel te precieze cijfers. Je kent het wel, je ziet een heel precies cijfer in de krant. Een, twee, misschien wel drie cijfers achter de komma. En je denkt: Dat is zó precies, dat moet wel waar zijn, toch? Alleen, die precisie is vaak best misleidend. We zagen in de coronacrisis ook cijfers die heel precies waren. Elke dag werden over nieuwe gevallen en sterfgevallen cijfers gepubliceerd. Op de persoon nauwkeurig konden we lezen wie ermee te maken had gehad. Maar al snel bleek dat alleen mensen die getest waren in die cijfers belandden. En dat die cijfers dus een onderschatting waren van het daadwerkelijke aantal. Toch weerhield dat de twitteraars er niet van om er flink mee aan het rekenen te slaan.

    De tweede fout: de scheve steekproef. Als je een peiling doet dan moet de groep die je onderzoekt een goede afspiegeling zijn van de groep waar je in geïnteresseerd bent. Als je wil weten hoe populair Mark Rutte is, dan ga je niet alleen maar op een VVD-congres staan peilen, toch? Alleen, dat ging ook tijdens de coronacrisis nog weleens mis.

    Neem een studie in Californië waaruit bleek dat veel meer mensen al corona hadden gehad dan gedacht. De onderzoekers hadden naar antistoffen gekeken in het bloed en concludeerden dat. Alleen, hoe waren de onderzoekspersonen gevonden? Via Facebook, waar advertenties waren geplaatst om mensen te werven. Je kunt je voorstellen, als je zelf last hebt gehad van symptomen, dan ben je meer geneigd om op zo’n advertentie te reageren, om even te kijken of je het inderdaad hebt gehad. Dus is die overschatting niet zo gek, want waarschijnlijk was die steekproef niet representatief.

    En dan de derde fout: het door elkaar halen van correlatie en causaliteit. Dat twee dingen tegelijk of op dezelfde plek gebeuren, betekent niet dat het één het ander ook veroorzaakt. Dat ging mis. Denk maar aan die eindeloze vergelijkingen tussen landen die we bijna dagelijks tegenkwamen in het nieuws. We keken eindeloos naar welk land iets deed en of dat goed werkte of juist niet goed werkte. De één zei: ‘Kijk, in warme landen is helemaal geen corona. Het zal de temperatuur wel zijn.’ De ander zei: ‘Nee, landen waar mensen al veel mondkapjes droegen, daar is weinig corona. We moeten allemaal aan de mondkapjes.’

    Het is verleidelijk om naar die grafiekjes te kijken en daar een passend verhaal bij te vinden, maar er zijn veel verschillen tussen landen. Niet alleen mondkapjes en temperatuur, maar ook de gezondheidszorg, de bevolkingsopbouw, de manier van testen en geluk. Sommige landen hadden simpelweg geluk. Zij kregen later te maken met corona en waren daardoor beter voorbereid. Dus uit al die factoren kun je er niet zomaar eentje kiezen. Het zal nog wel wat onderzoek kosten, maar uiteindelijk blijkt waarschijnlijk dat het een samenspel is van al die dingen. En dat er niet één oorzaak is waarom een land het goed doet.

    1596729356.jpg
    Corona-cijfers (foto: Markus Spiske).

    Drie fouten dus die we in de pandemie zagen, maar eigenlijk ook op veel andere plekken. Ga maar na. De precieze cijfers zie je ook vaak als het over hele precieze economische voorspellingen gaat. De steekproeven gaan ook vaak mis met peilingen. Je ziet regelmatig peilingen in de krant met onrepresentatieve steekproeven. En het gezondheidsnieuws dat je vaak leest, en elke dag weer anders is: ‘Eet avocado’s. Drink koffie. Drink geen koffie.’ Dat haalt de correlatie en causaliteit door elkaar.

    Dus het is oppassen geblazen met cijfers en met de interpretatie van die cijfers. Je zou denken: als we maar genoeg kennis hebben, komt het wel goed. Toch ben ik steeds meer tot de realisatie gekomen dat alleen kennis van statistiek en hoe cijfers werken niet genoeg is. We hebben ook een andere houding nodig. Een houding die is gebaseerd op twijfel. Want, even terug naar de uitspraken waar ik net langsging. Die uitspraken, daar gingen dingen mis als je keek naar de statistiek, maar ze waren ook veel te stellig.

    Als we iets hebben geleerd van de pandemie, dan is dat hoeveel onzekerheid er wel niet is. Er was zo veel dat we nog niet wisten. Helpen mondkapjes? Verspreidt het virus zich via oppervlakten of niet? Ben je wel immuun als je antistoffen in je bloed hebt? Allemaal vragen waar we nu langzamerhand antwoord op krijgen, maar dat wisten we niet. Dus zulke stellige uitspraken zijn ook misleidend. En dat is natuurlijk irritant, want we hadden juist die cijfers om ook een beetje houvast te hebben. Om een beetje controle te houden. En dus is het vervelend dat we moeten erkennen dat er nu eenmaal veel is dat we niet weten. En toch ben ik ervan overtuigd dat dat de manier is om de wereld wat beter te begrijpen. Als je ook erkent dat er onzekerheid is.

    Politicoloog Philip Tetlock maakt het onderscheid tussen vossen en egels. Egels, zegt hij, zijn mensen die heel stellig zijn. Je kent ze vast wel van tv. Mensen met een duidelijke mening, een duidelijk verhaal over hoe de wereld werkt, en die met veel zekerheid een boodschap verkondigen. Maar, zegt Tetlock, je hebt ook de vossen. En die vossen twijfelen. Ze twijfelen aan de wereld, die vol zit met onzekerheid, maar ook aan zichzelf. Ze veranderen van mening als dat nodig is en ze durven hun foutjes ook te erkennen, en proberen daarvan te leren. Die vossen doen het met al hun nuance en zo niet zo goed op televisie, maar Tetlock deed jarenlang onderzoek naar die vossen en de egels en hij vond wel dat die vossen vaker gelijk hebben.

    Twijfel brengt ze verder. Dus misschien moeten we allemaal proberen om iets meer een vos te zijn. En een voorbeeld te nemen aan John Snow. Die man die door de wijk in Londen stiefelde om sterfgevallen te turven ten tijde van cholera. John Snow was voor mij ook een vos. Want toen hij die waterpomp had gevonden, had hij heel egelachtig kunnen roepen: ‘Kijk, ik heb gelijk. Het was de waterpomp!’ Maar hij deed het tegenovergestelde. Hij wist dat dat nog niet genoeg bewijs was. Correlatie is geen causaliteit. Dus ging hij op zoek naar tegenbewijs. En dat vond hij. Hij vond een paar mijl verderop een aantal mensen dat was overleden aan cholera.

    Gek, want ze woonden ver van de pomp af. Maar al snel daarna vond hij dat die mensen het water van de pomp zo lekker vonden dat ze het dagelijks lieten afleveren. Dus het was echt de pomp geweest die het had veroorzaakt. Vervolgens vond hij een brouwerij om de hoek van de waterpomp waar bijna niemand ziek was geworden. Dat was ook apart. Maar ook daar was een verklaring voor, want er werd nogal veel uit de voorraad gedronken, maar ze hadden ook hun eigen waterbron. Dus als ze wat dronken, was het pils of water dat niet vervuild was.

    Zo zie je dat die twijfel bij John Snow niet zwakker maakt, maar alleen maar sterker. Dus durf ook te twijfelen. Wees een vos. En zoek mensen in je omgeving die ook zo denken. Zoek de journalist die onzekerheid niet uit de weg gaat, de wetenschapper die durft toe te geven dat hij een foutje heeft gemaakt, misschien die ene vriendin die eerst informatie verzamelt en dan een standpunt vormt, in plaats van andersom. Durf te twijfelen, want ik ben ervan overtuigd dat je alleen dan goed kan omgaan met cijfers en met informatie in het algemeen. Ik twijfel een hoop, maar dat weet ik wel echt zeker.

    Sanne Blauw

    Brainwash – 15.08.2020

    Regeltjes

    Hoe meer regels, hoe meer vlegels

    De coronapandemie is allang geen louter epidemiologisch of virologisch probleem meer, schrijft psycholoog Vittorio Busato. De aanpak ervan is een gedragswetenschappelijk probleem geworden.

    Dit is een artikel van:
    Eos Psyche&Brein – 20.07.2020

    ‘Drie vrienden spreken met elkaar af bij een bankje in het park om bij te kletsen. Ze houden anderhalve meter afstand. Zijn ze dan in overtreding?’ Het goede antwoord: ja, want bij een afspraak van drie of meer personen is er sprake van een samenkomst.

    Volgende vraag: ‘Twee vrienden lopen door het park. Ze komen toevallig een derde vriend tegen en gaan even samen op een bankje zitten om bij te kletsen. Zijn ze dan ook in overtreding?’ Het goede antwoord: nee, de drie vrienden zijn niet in overtreding, want het betreft hier geen georganiseerde afspraak.

    Beide situaties komen uit een kennistestje met twaalf vragen over de coronamaatregelen dat De Volkskrant half mei publiceerde. Ik zakte glorieus.

    Inmiddels zijn de gedragsmaatregelen in Nederland sinds juni enigszins versoepeld, maar dat wil niet zeggen dat die maatregelen er duidelijker op zijn geworden. Er klinkt alom kritiek op een Wet Tijdelijke Maatregelen Covid-19 die het kabinet op moment van schrijven van plan is vanaf juli in te stellen. Daarin staat onder meer dat het verboden is op straat geen veilige afstand tot anderen te houden en dat burgers bij noodverordeningen vooraf geen inspraak hebben via gemeenteraad of Tweede Kamer. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft al aangegeven dat deze wet een inbreuk kan betekenen op grondrechten van burgers. Eveneens maakt de orde zich zorgen dat er bij de handhaving en het opleggen van boetes willekeur en daarmee rechtsongelijkheid kan optreden, juist omdat regels onduidelijk zijn.

    Wat het condoom is voor veilig vrijen, is de anderhalve meter voor veilig contact

    Corona beperkt niet alleen onze bewegingsvrijheid, ik raak er steeds meer van overtuigd dat deze pandemie onze democratie in gevaar brengt. Boden de gedragsregels van de overheid aanvankelijk houvast en richting; de huidige, complexere regels geven extra onzekerheid. ‘Blijf binnen’ is bijvoorbeeld ‘vermijd drukte’ geworden. ‘Blijf binnen’ is duidelijk; maar ‘vermijd drukte’? Wat ís drukte? Wanneer is een betoging te druk? Wanneer is een strand, vliegtuig of touringcar te vol? Is er verschil tussen drukte binnen en buiten? En hoe vermijd je drukte in grote steden, waar trottoirs te smal en winkelstraten te vol zijn om anderhalve meter afstand te houden?

    Als mensen zich voortdurend moeten afvragen wat wel en niet mag, is het volgen van gedragsregels moeilijk. De kans op weerstand en ernstige conflicten neemt dan toe. Aan buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) en politieagenten de taak deze ingewikkelde regels te handhaven. Maar als regels ambigu zijn, kan van hen niet worden verlangd dat ze de juiste inschattingen maken. De Wet van wijlen psycholoog Piet Vroon gaat dan gelden: hoe meer regels, hoe meer vlegels.

    Vooral uit democratisch oogpunt is het cruciaal dat de overheid de regels zo simpel mogelijk maakt. Inzetten op procedurele rechtvaardigheid van preventieve maatregelen en daar volstrekt transparant over zijn, is daarbij een vereiste. Wetenschappelijke studies laten zien dat mensen beleid met een duidelijke rationale, ook al is die voor hen persoonlijk minder gunstig, rechtvaardiger vinden. Een heldere uitleg vergroot het draagvlak, stimuleert de naleving en maakt het makkelijker om elkaar aan te spreken op gedrag dat niet kan.

    Eveneens uit democratisch oogpunt is het belangrijk dat bij de opstelling van regelgeving gedragswetenschappers betrokken worden. Zij moeten erop toezien dat nieuwe gedragsmaatregelen helder zijn en eenvoudig na te leven. Zo voorkom je burgerlijke ongehoorzaamheid en polarisatie in de samenleving.

    De coronapandemie is allang geen louter epidemiologisch of virologisch probleem meer. De aanpak ervan is een gedragswetenschappelijk probleem geworden. Zolang er geen vaccin is, blijft ons gedrag het effectiefste medicijn tegen verspreiding van het virus. Wat het condoom is voor veilig vrijen, is de anderhalve meter voor veilig contact – vrijwel iedereen weet hoe verleidelijk het is daartegen te ‘zondigen’.

    Het leven gaat verder…

    Toekomstige generaties: zij hebben ons net zo hard nodig als wij hen

    Brainwash – Ruben Jacobs – 26.06.2020

    Mijn oud-docent sociologie Bart van Heerikhuizen is ongeneeslijk ziek. In een mooi en ontroerend interview in de podcast Brainwash sprak hij hier eerder dit jaar over. Het werd een gesprek over zijn carrière als docent, de sociologische structuur van de samenleving, maar vooral ook over zijn angst voor de dood. Of eerder: zijn angst voor het ‘er niet meer zijn’.

    Om in het reine te komen met dit onvermijdelijke feit zoekt hij al jaren naar filosofische of spirituele aanknopingspunten: inzichten en wijsheden die hem troost kunnen bieden. Aan het eind van zijn carrière als docent kwam hij tot de conclusie dat zijn grootste troost simpelweg was te vinden in het vak waar hij altijd les in heeft gegeven: de sociologie.

    Voor Van Heerikhuizen verschaft de sociologie ons het inzicht in de toenemende ‘interdependenties’, oftewel onze onderlinge afhankelijkheden. Niet alleen tussen mensen, natiestaten en werelddelen, maar ook tussen generaties:

    Het is voor mij een troostrijk idee dat er al netwerken van interdependenties waren, nog voordat ik geboren werd. Daarin werd ik geparachuteerd. Ik ben er een tijdlang onderdeel van geweest, en na mijn dood blijven die netwerken bestaan. Als individu zal ik daar niet meer bij zijn, maar ik vind het een troostrijke gedachte dat er nog enige tijd mensen zullen zijn die zich mij herinneren. Ook als dat uitdooft, gaat de mensheid door. Daar zit een element van troost in.

    Het is een mooie gedachte. Ik moest er weer aan denken bij het lezen van het essay Death & the Afterlife (2013) van de Amerikaanse analytische filosoof Samuel Scheffler. Hij plaatst de troost, die Van Heerikhuizen vindt in de wetenschap dat het leven na hem doorgaat, in een interessant filosofisch daglicht. Scheffler noemt dit het ‘collectieve hiernamaals’. Niet het hiernamaals in de hemel, maar heel letterlijk: het bestaan van andere mensen na onze eigen dood. Welke rol speelt de impliciete aanname dat er menselijk leven is na onze dood in ons huidige leven? Dat is de boeiende en originele filosofische vraag die Scheffler ons stelt.

    “‘Life goes on’ is niet voor niets een gevleugelde uitspraak. We gaan ervan uit dat dit, zelfs na onze eigen dood, ook echt zo is.”Om deze vraag te onderzoeken zet Scheffler twee gedachte-experimenten op. In het eerste, het zogenaamde Doomsday scenario, leef je een normaal en volledig leven, maar sterft iedereen dertig dagen na je dood. Het tweede, ‘onvruchtbaarheids-scenario’ schetst een realiteit waarin geen baby’s meer worden geboren, zoals in de film Children of Men uit 2006. De mens sterft dus binnen een paar generaties uit.

    Droevige scenario’s. Maar waarom eigenlijk? In het eerste scenario ga je niet vroegtijdig dood en in het tweede sterft in ieder geval niemand die je lief is, er komt alleen niemand meer bij. Kortom: iedereen kan in beide van deze scenario’s zijn leven gewoon leven en oud worden. Wat maakt deze scenario’s dan toch zo deprimerend?

    Scheffler’s korte antwoord: omdat deze scenario’s het einde van de mensheid betekenen, het uitblijven van ‘nieuwe vreemden’ op deze aarde. We gaan er zo vanzelfsprekend vanuit dat het na ons allemaal zal doorgaan, dat we niet goed doorhebben hoeveel emotioneel belang we daar eigenlijk aan hechten. Want, zo redeneert Scheffler, veel van wat wij hier nu op aarde doen verliest aan betekenis als we weten dat alles snel vergaat nadat wij er niet meer zijn.

    De zoektocht naar een medicijn voor kanker, de lange strijd voor sociale of raciale rechtvaardigheid, kunst, geschiedenis, filosofie, lange termijn infrastructurele plannen of publieke werken, maar ook lokale (sport)gemeenschappen, instituties, en tradities: veel activiteiten waarin we als mens in participeren, hebben als doel onze eigen leven te overstijgen en overleven. Ze zijn het resultaat van cumulatieve inspanning en maken een ‘keten van levens en generaties’.

    Niets is voor eeuwig, en de mensheid zal ooit uitsterven. Dat weten we. Toch gaan we er volgens Scheffler impliciet vanuit dat het leven zich nog lange tijd zal voortzetten. Als het vooruitzicht van het uitsterven van de mensheid dichtbij komt, vormt dit een bedreiging voor diegenen die nu leven om een ​​goed en bevredigend leven te leiden. Dit heeft volgens Scheffler gevolgen voor de manier waarop we denken over klimaatverandering, nucleaire oorlog en andere existentiële bedreigingen.

    1592917822.jpg

    Jongeren tijdens een klimaatprotest in Nuremberg (foto: Markus Spiske).

    Met name in het geval van klimaatverandering is dat zichtbaar. De hevige emoties die het oproept, zowel gedreven door activisme als door ontkenning, onthullen het feit dat het voortbestaan van de mensheid ons zeer dierbaar is. Zelfs zo dierbaar dat we de gedachte dat we binnenkort zouden ophouden te bestaan bijna ondragelijk vinden. Meer nog dan de angst voor onze eigen dood, is het uitsterven van de mensheid een bedreiging voor het hebben van een leven dat we de moeite waard vinden.

    ‘Society is a partnership of the dead, the living and the unborn’, luidt een beroemde uitspraak van ‘aartsvader van het conservatisme’ Edmund Burke. Voor Burke moest de relatie tussen de staat en samenleving worden gezien als een tuinman tot zijn tuin: de tuinman behoort de tuin te onderhouden, met als doel deze door te geven aan de volgende tuinman. Voor Burke betekende dit echter niet dat alles bij hetzelfde moet blijven, maar dat moet worden voortgebouwd op het best bestaande, en worden hervormd waar nodig. ‘A state without the means of some change, is without the means of its own conservation’, aldus Burke.

    In die zin deelt de klimaatbeweging iets essentieels met het klassieke conservatisme (niet te verwarren met de huidige reactionaire vormen daarvan): beiden hechten veel waarde aan intergenerationele continuïteit; ze vragen van huidige generaties om over de horizon van hun eigen leven heen te kijken. Ze staan een estafette-cultuur voor, in plaats van een sprintcultuur waarin de korte termijn regeert.

    Toekomstige generaties zijn niet alleen afhankelijk van ons en de keuzes die wij nu maken, maar wij zijn in zekere zin ook van hen afhankelijk: hun bestaan geeft ons leven diepgang en betekenis. Het plaatst ons in een groter plaatje, een eeuwenlang project; en verlengt ons eigen eindige leven in de cultuur, de geest en het vlees van anderen. ‘Life goes on’ is niet voor niets een gevleugelde uitspraak. We gaan ervan uit dat dit, zelfs na onze eigen dood, ook echt zo is.

    Ouderen na corona

    Leidraad voor 65-plussers na corona: schat zelf je risico in

    Niet alle 65-plussers lopen evenveel risico om zwaar getroffen te worden door corona. Minister van Welzijn Wouter ­Beke (CD&V) pakt uit met een charter, dat houvast biedt.

    Mogen oma en opa opnieuw op de kleinkinderen passen? Mag de ­familie elkaar in de armen ­vallen? De antwoorden op die ­vragen vind je níét in het nieuwe charter ‘Hoe veilig de draad opnemen als oudere in onze samenleving?’, dat Vlaams minister van Welzijn ­Wouter Beke (CD&V) schreef in overleg met de Vlaamse Ouderenraad en het Vlaams Mantelzorgplatform.

    ‘Er is niet één regel die voor ­iedereen geldt, omdat niet alle ­65-plussers over dezelfde kam kunnen worden geschoren’, zegt Steffen Van Roosbroeck, de woordvoerder van de minister. ‘Herinner u de storm van kritiek toen enkele weken geleden werd gesuggereerd om alle 65-plussers langer in quarantaine te houden. Een fitte 69-jarige die nog elke dag op zijn koersfiets zit, loopt niet hetzelfde risico als een 85-jarige met een hartkwaal of andere medische problemen.’

    Afvinklijst

    Het charter kiest dus niet voor een radicale breuk vanaf een zekere leeftijd. Het biedt een leidraad die ieder voor zichzelf moet interpreteren.

    ‘Er is niet één regel, want niet alle ­65-plussers kunnen over dezelfde kam worden geschoren’Steffen Van Roosbroeck Woordvoerder Wouter Beke

    Elke oudere wordt opgeroepen om zelf de inschatting te maken. Ten eerste, hoe zit het met uw persoonlijke gezondheid? Hebt u een chronische aandoening? Zo ja, dan bent u kwetsbaarder. Ten tweede, hoe risicovol is de activiteit waaraan u wilt deelnemen? Er zit een handige afvinklijst bij, die kan helpen om de activiteit in te schatten. Die bevat vragen als: hoeveel mensen nemen eraan deel? Wordt de ­fysieke afstand tussen mensen ­gerespecteerd? Worden generaties met elkaar vermengd? Vindt het contact buiten of binnen plaats en duurt het lang of kort?

    Als de activiteit niet veilig genoeg lijkt, durf dan de organisator ervan aan te spreken. Bij twijfel: overleg met uw huisarts .

    Het charter is afgestemd met Gees-voorzitter Erika Vlieghe.

    Hoe dan ook blijven de zes gouden regels belangrijk. Ze worden in het charter nog eens opgesomd: was vaak je handen met water en zeep en houd afstand. Beperk fysieke sociale contacten en draag een mondmasker in het openbaar vervoer of op drukke plaatsen, waar ­afstand houden niet mogelijk is. Kom liever buiten samen dan binnen. Wees extra voorzichtig bij mensen die tot een risicogroep behoren. Je mag tien extra mensen zien per week buiten je eigen bubbel. Ook groepsactiviteiten in ­privékring blijven beperkt tot tien mensen. Knuffelen mag, als je ­eigen risicoprofiel dat toelaat, ­binnen je eigen bubbel.

    Het charter is belangrijk omdat ouderen heel wat taken in de samenleving vervullen: als oppas voor de kleinkinderen, als mantelzorger en als vrijwilliger.

    Veerle Beel

    De derde wereldoorlog

    ‘Het was oorlog. Maar we hadden geen kogels’

    Terwijl iedereen naar de ziekenhuizen keek, reden de lijkwagens af en aan in de Vlaamse woonzorgcentra. Vier weken vochten ze daar om maskers, tests en aandacht. Een reconstructie.

    De Standaard – Door Foto’s 

    De overgebleven spullen van de overleden bewoners van woonzorgcentrum Westervier in Brugge worden in afwachting van ophaling opgeborgen in de ondergrondse parkeerruimte.

    ‘Ik heb alle begrafenisondernemers in de buurt leren kennen.’ Dirk Snauwaert zit op een bankje in de Brugse zon. Het is eind mei. De directeur van woonzorgcentrum Westervier herademt even na helse maanden. Op 1 april stierf zijn eerste bewoner. Op 15 april waren er al 25 overlijdens. Ondertussen staan er 36 kamers leeg. Bijna een derde van zijn 118 mensen sneuvelde aan covid-19. ‘Soms vertrokken hier drie lijkwagens op één dag’, vertelt Snauwaert. ‘We hebben bewoners gehad die ’s morgens nog in de leefzaal zaten te praten. Vervolgens werden ze kortademig. Daarna suf. En ’s avonds waren ze weg. Het ging razendsnel. Verschrikkelijk.’

    Snauwaert is aangeslagen. Hij kampt, net als veel collega’s, met schuldgevoelens. Hij vraagt zich af wat er fout liep. Maar hij is ook boos. Snauwaert had het geluk dat hij via de groep waarvan zijn woonzorgcentrum deel uitmaakt – Curando – aan mondmaskers raakte. Voor het overige botste hij vooral op schaarste. Zijn vaste leverancier slaagde er niet langer in om zuurstof te bezorgen. Voor bleekwater moest hij naar een Brico-filiaal. En omdat er geen tests waren, moest hij zijn bewoners met dementie die covid-19-symptomen vertoonden op hun kamer isoleren. ‘Misschien was dát nog het moeilijkst’, zegt hij. ‘Die mensen hebben hun vrijheid nodig. Als je die afneemt, gaan ze heel snel achteruit.’

    Snauwaert steekt niet weg dat ze zich in Westervier behoorlijk verlaten voelden. ‘Onze sector wordt al jaren stiefmoederlijk behandeld’, zegt hij. ‘Dat was deze keer niet anders. Het was oorlog. Ik moest mijn mensen naar het front sturen. Maar we hadden geen kogels. Iedereen focuste aanvankelijk op de ziekenhuizen. Men dacht: die woonzorgcentra, dat zijn toch al sterfhuizen, als ze daar iets vroeger gaan, dan is het maar zo.’

    Gezocht: crisisplan

    Op maandag 23 maart arriveren er eindelijk 4,5 miljoen mondmaskers op de luchthaven van Bierset. Om 6 uur 22. Wouter Beke weet het nog precies. Hij heeft die nacht niet geslapen

    Bijna nergens sloeg het coronavirus zo hard toe als in Vlaanderen. Dat had alles te maken met het gigantische drama dat zich in de rusthuizen voltrok. Volgens de laatste cijfers van Sciensano stierven er in deze regio, vermoedelijk, iets meer dan 4.700 mensen aan covid-19. Ruim 2.600 van die slachtoffers – of ongeveer 55 procent – kwamen aan hun eind in een Vlaams rusthuis. Daarnaast raakte een belangrijk deel van de coronapatiënten die in een ziekenhuis overleden, besmet in een woonzorgcentrum. Zo stijgt het aantal ‘woonzorgslachtoffers’ al snel richting 3.000, of naar ongeveer 65 procent van het totaal.

    De afgelopen weken sprak De Standaard met meer dan 40 betrokkenen. Ze werden allemaal compleet overrompeld. In de woonzorgcentra ging men de crisis in met een gebrek aan beschermend materiaal. Bij de Vlaamse overheid stelden de ambtenaren al snel vast dat een aantal cruciale diensten onderbemand was. En ook op Vlaams politiek niveau holde men achter de feiten aan. Toen België geen maskers en geen tests in voorraad bleek te hebben, zat men klem.

    Achteraf is het makkelijk. Niemand zat in januari al in pandemiemodus. En toch is het verwonderlijk dat niet meteen alle alarmbellen afgingen, toen covid-19 vooral oudere mensen bleek te treffen. De sector van de woonzorgcentra is sterk uitgebouwd in Vlaanderen, er verblijven ongeveer 85.000 ouderen. Omdat er de laatste jaren zo op thuiszorg werd ingezet, is het een steeds kwetsbaardere populatie. Bovendien lag er geen crisisdraaiboek klaar. In 2009, ten tijde van de Mexicaanse griep, schreven de ziekenhuizen een 58 pagina’s tellend pandemieplan. Voor de woonzorgcentra ontbrak zo’n scenario.

    Om de veiligheid van de bewoners in Westervier, Brugge, te garanderen is een veiligheids­perimeter voorzien.

    Puntje 22, varia

    In januari maakt Dirk Dewolf zich nog geen grote zorgen. Dewolf is een ervaren vijftiger, gestaald op christendemocratische kabinetten. Sinds 2014 leidt hij het Agentschap Zorg en Gezondheid, dat verantwoordelijk is voor de woonzorgcentra. Op 20 januari haalt corona een eerste keer de vergadering van zijn directieteam. Het virus duikt in het verslag op als puntje 22, bij de varia: ‘De voorzitter (Dewolf dus, red.) vraagt aan de afdeling Preventie om de evolutie van deze problematiek nauwlettend op te volgen.’ Een paar dagen later brieft hij Wouter Beke, zijn voogdijminister. Zijn boodschap: er is geen reden tot ongerustheid.

    Dat gevoel blijft nog een hele tijd hangen. Op 27 februari, twee weken voor de woonzorgcentra in lockdown gaan, stuurt Dewolfs Agentschap voor het eerst een nieuwsbrief over het virus uit. Die is niet alarmistisch. De richtlijnen voor woonzorgcentra zijn slechts zeven zinnen lang. Er wordt nergens gevraagd om uitbraakplannen op te maken. ‘Momenteel doen de meeste besmettingen zich voor in het buitenland’, schrijft het Agentschap. ‘Bewoners van woonzorgcentra lopen op dit moment bijgevolg een bijzonder klein risico op besmetting.’ En: ‘Het volstaat om met extra aandacht de adviezen toe te passen die ook andere virale infecties (bv. griep) helpen voorkomen.’ Vandaag tellen de richtlijnen meer dan veertig pagina’s.

    De sfeer verandert pas echt aan het eind van de krokusvakantie. De berichten uit Italië zijn steeds onrustwekkender. Vanaf zondag 1 maart ziet Dewolf ook iets anders gebeuren, vanop de eerste lijn. Dat de terugkerende skiërs het virus ook in de Vlaamse samenleving injecteren. Zijn team Infectieziekten is bevoegd voor de contacttracing van wie positief test in Vlaanderen. Naarmate de week vordert, schiet het aantal besmettingen de hoogte in. Ze werken elke dag keihard, tot ’s avonds 10 uur. Maar ze staan voor een hopeloze opdracht. Op donderdag 5 maart moeten ze al achter 70 nieuwe gevallen aan. Terwijl er slechts een 15-tal mensen zit te bellen.

    ‘Waarom werden mondmaskers afgeraden in woonzorgcentra die een voorraad hadden? Zo vielen er meer doden’

    Dominique RoodhoofdtCeo van Zorg-Saam

    ‘Mijn mensen zijn radeloos en overwerkt’, schrijft Dewolf die avond in zijn corona-notities. Hij beseft stilaan dat de containment-strategie onhoudbaar is en dat er een grotere crisis zit aan te komen. Al is het hem dan nog niet duidelijk dat die in zijn eigen achtertuin zal toeslaan. De berichten die uit Italië doorsijpelen, gaan vooral over de ziekenhuizen. Die kunnen de toevloed aan patiënten niet meer aan. Over de Italiaanse rusthuizen is er dan nauwelijks nieuws. Het vertroebelt de blik van de beleidsmakers. De woonzorgcentra lopen een achterstand op die niet meer goed te maken is.

    Belgische crisismachine

    Ondertussen gaat het federale niveau in krijgsmodus. Op maandag 2 maart schiet Pedro Facon in actie. De directeur-generaal van de FOD Volksgezondheid maakt zich grote zorgen. Hij belt onder meer naar Margot Cloet, gedelegeerd bestuurder van Zorgnet-Icuro: ‘Kijk naar Italië, Margot, het komt niet goed.’ Cloet heeft in haar koepel alle Vlaamse ziekenhuizen zitten. Facon wil die voorbereiden op een grote crisis. De dag nadien wordt er al een eerste keer vergaderd, samen met de experten Erika Vlieghe en Marc Van Ranst.

    Kamer van een aan covid-19 overleden bewoner in woonzorgcentrum Atrium in Kraainem.

    Cloet is onder de indruk van Facons aanpak. Er wordt dagelijks samengezeten, telkens op hetzelfde uur, met een strakke agenda. Het mondt op vrijdag 13 maart uit in de beslissing om alle Belgische ziekenhuizen om te bouwen tot coronaziekenhuizen. In een mum van tijd wordt het aantal intensive care-bedden opgetrokken. Van bij het begin is er ook flankerende steun. De eerste ‘prioriteitenlijstjes’ worden opgesteld. Daarin staan de ziekenhuizen steevast bovenaan.

    ‘Op 27 maart kwamen de ambulanciers binnen, keken de kamer in en zeiden: “Da’s covid”. Waarna ze weer weg waren’

    Kathy Huybrechts

    Directrice woonzorgcentrum Atrium

    Maar Cloet begint zich ook zorgen te maken. Ze vraagt zich af hoe de woonzorgcentra, die sinds 2014 een bevoegdheid van de Vlaamse regering zijn, worden voorbereid. Ze kent de sector goed. Cloet heeft in haar koepel ook meer dan 300 rusthuizen. Ze was tot twee jaar geleden de kabinetschef van Jo Vandeurzen, de voorganger van Beke op het departement Welzijn. Cloet weet dat de woonzorgcentra kwetsbare organisaties zijn, met veel risicobewoners en met een managementcapaciteit die veel kleiner is dan die van de ziekenhuizen.

    Haar punt is niet dat er niet vergaderd wordt in Vlaanderen. Op woensdag 4 maart roept ook Beke de troepen samen op zijn kabinet. Maar die Vlaamse vergaderingen missen focus en urgentie. Die woensdag aanhoort Cloet een vrijblijvende inleiding tot het coronavirus. Er worden, behalve de afgelasting van de Dag van de Zorg, geen knopen doorgehakt.

    Slapeloze nacht

    Wouter Beke onthoudt iets anders van die bijeenkomst. Hij hoort dat de koepels, ook die van Cloet, hun huiswerk niet hebben gemaakt. Ze blijken met een tekort aan mondmaskers te kampen. Dirk Dewolf noemt dat ‘het begin van mijn eerste nachtmerrie’. Het probleem blijkt immers niet eenvoudig op te lossen. Een paar dagen later laat de federale regering weten dat Vlaanderen geen beroep kan doen op de federale noodstock. Die is volledig vernietigd, tussen 2015 en 2018, een fatale beslissing van federaal minister Maggie De Block. Daardoor zit ook Vlaanderen in slechte papieren. Beke wijst naar de werkgevers en de koepels, die te weinig aan een eigen stock hebben gewerkt, en naar de federale overheid, die in tijden van pandemieën bevoegd is voor crisisbeheer. Even goed stelt zich de vraag of een deelstaat die ruim 800 rusthuizen bestiert niet over een eigen voorraad had moeten beschikken.

    ‘Mensen zeggen: zoveel doden! Het maakt je onzeker. Ben ik verantwoorde­lijk voor de dood van al die mensen?’

    Leen Smits

    Arts woonzorgcentrum Akapella

    Daarover nadenken, daar is begin maart geen tijd voor. Vlaanderen begint aan een calvarietocht. Eerst besluit het zich aan te sluiten bij een mondmaskerbestelling van de federale regering. Dat loopt mis. Op zaterdag 14 maart wordt het Beke duidelijk dat de firma Mossa zijn belofte niet kan waarmaken. Vervolgens beslist Vlaanderen solo te gaan. Het gaat scheep met de firma Life. Ook dat wordt een thriller. Eerst is gemeld dat een vliegtuig met 4,5 miljoen maskers op vrijdag 20 maart zal arriveren. Vervolgens wordt het zaterdag. Beke wordt ongerust: vanuit de woonzorgcentra vangt hij signalen op dat ze ‘nog twee of drie dagen’ toekomen. Uiteindelijk landt het vliegtuig op maandag 23 maart. Om 6 uur 22. Beke en Dewolf weten het nog heel precies, ze sliepen die nacht niet. Hun zucht van verlichting was tot in Bierset te horen.

    Zwaaien naar bewoners in Westervier, Brugge, die positief testten.

    Dat wil niet zeggen dat die schaarste geen grote gevolgen heeft. Ze sijpelt volop door in de eerste richtlijnen die naar de woonzorgcentra worden gestuurd. Een algemene verplichting om mondmaskers te dragen binnen de muren van het rusthuis is wekenlang geen optie. Op 6 maart hamert het Agentschap, in een eerste mondmaskeradvies, al meteen op ‘rationeel’ gebruik: ‘Vermijd verspilling’. Later worden de richtlijnen geregeld aangescherpt. Op 11 maart, net voor de sluiting van de woonzorgcentra, schrijft het Agentschap: ‘Er moet verboden worden dat medewerkers die niet betrokken zijn bij de verzorging van bewoners routinematig mondmaskers dragen.’

    ‘Dat heeft verstrekkende gevolgen gehad’, zegt Dominique Roodhooft. Ze is de ceo van Zorg-Saam, een groep van 15 woonzorgcentra in Oost-Vlaanderen. Twee van die centra kregen al heel vroeg met een uitbraak te kampen. ‘Telkens was een medewerker besmet teruggekeerd van een skivakantie. Het enige wat toen had kunnen helpen, waren mondmaskers. Wij begrijpen dat ze de sector geen verplichting wilden opleggen. Er waren er niet genoeg. Maar waarom ook het gebruik ervan afraden in woonzorgcentra die wel maskers in voorraad hadden? Dat hebben we nooit begrepen. Zo raakten meer bewoners besmet. Zo vielen er meer doden.’

    Waarom, Margot?

    Het is duidelijk dat de woonzorgcentra niet in perfecte omstandigheden op hun lockdown afstevenen. De schaarste aan mondmaskers leidt tot waanzinnige toestanden. Iedereen probeert een lading op de kop te tikken, maar dat lukt de ene al beter dan de andere. Inge Vervotte, die vijf woonzorgcentra heeft in haar Emmaüs-groep, kan haar aankoopdienst activeren. Andere directies, vaak van kleinere instellingen, zitten met de handen in het haar. Bij de Belgische Federatie van Zorgkundigen lopen berichten binnen over personeel dat onbeschermd naar het front wordt gestuurd.

    Het is exemplarisch voor de chaotische manier waarop de lockdown van de woonzorgcentra wordt doorgeduwd. Op woensdag 11 maart zegt Beke ’s ochtends op de radio nog dat er geen sluiting komt. Dat staat ook in de mail die het Agentschap Zorg en Gezondheid rond 8 uur naar alle directies stuurt. Even later laat Margot Cloet weten dat haar instellingen wél op slot gaan. Beke belt Cloet boos op: ‘Waarom zeg je dat, Margot?’ Hij werpt op dat hij niet tegen een sluiting is, maar dat hij ze eerst concreter wil plannen, om onrust te vermijden. Wat is Cloet bijvoorbeeld van plan met de mantelzorgers? Er komt geen antwoord. Maar Beke ziet zich een paar uur later wel gedwongen om Cloet te volgen. Het zet het beeld van een minister die moet achtervolgen.

    Het leidt niet tot rust. De praktische richtlijnen waarin de ruim 800 woonzorgcentra wordt uitgelegd hoe ze vanaf 12 maart ’s ochtends dicht moeten, gaan pas om 11 maart na  10 uur ’s avonds de deur uit. In Kraainem, in woonzorgcentrum Atrium, hebben de 44 bewoners een paar uur voordien al afscheid genomen van hun familie. Directrice Kathy Huybrechts herinnert zich nog goed hoe innige omhelzingen die namiddag niet te vermijden waren.

    ‘De dag nadien viel onze hoofdverpleegster uit’, vertelt Huybrechts. ‘Op vrijdag bleek de kine ziek. Op zaterdag sneuvelde iemand van de onderhoudsploeg. En op zondag was er een zorgkundige met symptomen. Uiteindelijk bleken 14 van mijn 32 personeelsleden besmet. Ik heb toen een matras in mijn bureau gelegd om hier te blijven slapen. Anders kregen we het niet rond.’

    Geconfisqueerde schorten

    De woonzorgcentra hebben geen enkel overschot op personeelsvlak. Als er iets misloopt, zitten ze op hun tandvlees. Het is niet dat er de afgelopen jaren niet geïnvesteerd werd. Alleen gingen de extra middelen vooral naar nieuwe gebouwen. Zo werden de lange wachtlijsten weggewerkt. Voor menselijke omkadering bleef er minder geld over, terwijl de zorgprofielen steeds zwaarder werden. Bijkomend probleem: in woonzorgcentra werken veel minder verpleegkundigen dan in ziekenhuizen. Het merendeel van de personeelsleden is zorgkundige. Ze werken keihard, tegen een karig loon, maar zijn minder vertrouwd met handhygiëne of het gebruik van mondmaskers.

    ‘Bij ons in Kraainem vielen zes van de acht verpleegkundigen uit’, vertelt Kathy Huybrechts. ‘Op 20 maart overleed onze eerste bewoner. Er zijn 14 van onze 44 mensen gestorven. We voelden ons aan ons lot overgelaten. De huisartsen zagen we plots niet meer. Toen er drie mensen in één dag stierven, trok ik aan de alarmbel bij het Agentschap. Ze hebben toen iemand gestuurd. Die man is hier rondgewandeld en zei: “Jullie doen alles zoals het hoort”. Hij kon niet helpen. Bij zijn vertrek las ik in zijn ogen: je gaat er nog moeten afgeven. Het probleem was dat wij een van de eerste centra met een uitbraak waren. Het crisismanagement stond nog niet op punt. Er zat niets anders op dan te improviseren. En ja, we hebben dingen gedaan die niet toegelaten waren. We zijn wegwerpschorten beginnen te wassen. Anders hadden we er geen.’

    Kraainem is niet het enige woonzorgcentrum waar het al snel fout gaat. Vanaf 20 maart komen er ook andere onheilsberichten. In Sint-Gillis-Waas is er een stevige uitbraak. In Sint-Truiden is het nog vroeger prijs. Tegelijk gaat het in de media alleen maar over de ziekenhuizen. Elke dag wordt meegegeven hoeveel mensen er op intensive care liggen. Tijdens haar beleidstoespraak in de Kamer, op dinsdag 17 maart, noemt premier Sophie Wilmès de ziekenhuizen de ‘eerste prioriteit’. Over de woonzorgcentra heeft ze het niet. Over de woonzorgcentra heeft ook Vlaams minister-president Jan Jambon, totaal afwezig in deze crisis, het niet. Over de woonzorgcentra heeft niemand het.

    ‘Op een dag kregen we orders van de wasserij’, vertelt Dominique Roodhooft van Zorg-Saam. ‘We moesten alle wasbare schorten inleveren. Ze werden geconfisqueerd, omdat de ziekenhuizen er heel veel nodig hadden.’ Het is niet de enige keer dat Roodhooft zich zal storen aan die hegemonie. Ze leest voor uit een mail van een naburig ziekenhuis. Daarin wordt benadrukt dat bewoners met een hoge frailty-score niet meer welkom zijn. ‘Letterlijk: bij gebrek aan zuurstof verwijzen we naar alternatieven, zoals morfine. Dat betekent dus dat je die mensen platspuit. Dat heeft er bij ons stevig ingehakt.’

    ‘Dit is fout’

    Adviesraden stellen in die dagen richtlijnen op waarmee ze de indruk versterken dat de woonzorgcentra er alleen voor staan. Het ethisch comité van het UZ Leuven zegt op 18 maart dat er, in geval van hoge nood, eventueel op leeftijd getrieerd kan worden bij de intensive care-afdelingen. Een paar dagen later komt de Belgische Vereniging voor Geriatrie en Gerontologie met een advies. Ze wijst erop dat het niet zinvol is om elke oudere nog naar een ziekenhuis over te brengen. Soms is het beter mensen waardig te laten sterven in een woonzorgcentrum.

    Het is een erg genuanceerde tekst, maar Beke vloekt als hij hem op 24 maart leest. ‘Dit is fout’, denkt de minister. Hij verstuurt een persbericht. Hij wil de indruk wegnemen dat woonzorgcentra geen mensen meer mogen doorsturen. Op het terrein komen de richtlijnen van zijn eigen Agentschap echter dubbelzinnig over. Daarin staat dat een opname in het ziekenhuis ‘aangewezen’ kan zijn. Maar de passus wordt, naarmate de crisis vordert, almaar langer en strenger. In die laatste week van maart wordt toegevoegd dat een overdracht ‘niet mogelijk’ is als er niet voorafgaand overlegd is met de behandelende arts van het ziekenhuis.

    De ziekenhuizen zijn nooit gestopt met patiënten uit woonzorgcentra op te nemen. Dat bewijzen de cijfers van Sciensano. Maar heel wat mensen, zoals Margot Cloet, zijn ervan overtuigd dat adviezen zoals die van de geriaters op sommige plekken een rol hebben gespeeld. Ook het Agentschap lijkt op 31 maart iets te willen rechtzetten. ‘Het gebruik van een flowchart mag niet misbruikt worden door ziekenhuizen om geen bewoners van woonzorgcentra meer op te nemen’, klinkt het plots. Misschien heeft dat te maken met een incident in Kraainem?

    ‘We hebben twee keer een probleem gehad’, vertelt Kathy Huybrechts, de directrice van woonzorgcentrum Atrium. ‘Op 27 en 28 maart. De ambulanciers kwamen binnen, keken de kamer in en zeiden: “Da’s covid”. Waarna ze weer weg waren. Een andere keer werd een bewoner pas meegenomen na een pijnlijke discussie. Wie het niet heeft meegemaakt, kan niet bevatten wat er in de woonzorgcentra is gebeurd. Hoe wij moesten ploeteren! Hoelang we op tests moesten wachten!’

    Eigenaardig momentje

    Zeg dat eind maart niet tegen federaal minister Philippe De Backer. De liberaal is een week voordien op het coronatapijt verschenen. Hij moet de testcapaciteit optrekken. Dat is niet alleen belangrijk om de lockdown van het land te lossen. Het is ook cruciaal voor de woonzorgcentra die met een uitbraak kampen. Zij moeten hun bewoners die met covid-19 besmet zijn, kunnen isoleren van de gezonde bewoners. Om te kunnen ‘cohorteren’ moeten ze natuurlijk wel eerst weten wie tot welke groep behoort. Helaas sukkelt ons land ook met een acuut tekort aan reagentia en wissers. Daarom heeft de Risk Management Group, het orgaan dat de volksgezondheid moet beschermen in crisistijd, op 12 maart beslist dat enkel mensen met ernstige symptomen nog getest kunnen worden.

    In de laatste dagen van maart maakt De Backer zich echter sterk dat hij breder kan beginnen te testen in de woonzorgcentra. Daarvoor heeft hij de volle steun van Wouter Beke. Het is een van de weinige onderwerpen waarover de twee excellenties het in deze crisis eens zijn. Maar de Risk Management Group staat op de rem. Dat is te wijten aan de houding van Sciensano, voorheen het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, maar ook aan die van de huisartsen. Die vrezen dat de capaciteit nog altijd niet voldoende groot is.

    Het verhit de gemoederen. Uiteindelijk beslissen de politici op 1 april, tijdens een Interministeriële Conferentie, om het oordeel van het crisisorgaan gewoon te negeren. Dat gebeurt niet op tactvolle wijze. De Backer vraagt de inloggegevens van de Zoom-meeting van de RMG die aan de gang is. Hij verschijnt in beeld en zegt: ‘Jullie kunnen stoppen met discussiëren over die tests in de woonzorgcentra, we hebben dat al beslist, we gaan dat doen.’ ‘Een eigenaardig momentje’, geeft een lid van de RMG toe.

    Door die hele discussie gaan er opnieuw enkele cruciale dagen verloren. Dat ergert ook Dirk Dewolf, de topman van het Agentschap. Hij ziet de crisis elke dag groter worden. Dewolf heeft al weken geen rust meer genomen. Een paar dagen voordien, op zondag 29 maart, is hij voor het eerst nog eens gaan wandelen met zijn vrouw. Even ontspannen. Tot Wouter Beke belt: ‘Het gaat de slechte kant uit in Sint-Truiden, Dirk, de begrafenisondernemers kunnen niet meer volgen.’ De twee heren zien de beelden van Bergamo op hun netvlies passeren. Ze zijn een paar dagen later dus héél erg opgelucht dat er eindelijk getest kan worden in een aantal van hun instellingen.

    Voor vroeg getroffen centra, zoals woonzorgcentrum Akapella in Kapelle-op-den-Bos, komt de beslissing niets te vroeg. Daar zijn de eerste besmette bewoners opgedoken rond 20 maart. Op 28 maart overleed er een eerste bejaarde. Maar testen en vervolgens cohorteren, dát zat er niet in. ‘Op 9 april waren er al 12 mensen gestorven’, vertelt directeur Yves Peleman. ‘Maar de tests arriveerden pas op 10 april, om kwart voor 11 ’s avonds. Vervolgens duurde het nog dagen voor ze weer werden opgehaald. Zo ging het met alles. We schreeuwden om hulp, maar moesten wachten, wachten, wachten.’

    Bom

    In het weekend van 4 en 5 april barst de bom pas echt, toch bij het grote publiek. In Humbeek loopt het helemaal mis in woonzorgcentrum Den Bogaet. Daar zwaait Bernard Deryckere de plak, hij heeft een vijftal rusthuizen in zijn portefeuille. Het rusthuis heeft al een hele tijd een ‘reputatie’. Toch zijn enkele huisartsen uit de buurt die er gaan bijspringen in shock. Ze treffen er uitwerpselen aan op de gang. Bewoners krijgen te weinig drank, uit vieze, plastieken bekertjes. Mismanagement en personeelsuitval hebben van Den Bogaet een slagveld gemaakt.

    Dat haalt ook de nationale tv-journaals. Het katapulteert de woonzorgcentra naar het middelpunt van de aandacht. Ook Margot Cloet, de gedelegeerd bestuurder van Zorgnet-Icuro, is aangedaan, ook is al Den Bogaet geen lid van haar koepel. Ze woont in de buurt, haar huisarts is er gaan helpen. Cloet contacteert Beke: ‘Het loopt compleet mis, Wouter.’ Ze heeft het gehad. Twee dagen later gooit ze, als gast in Het journaal van 19 uur op de VRT, ook een mediatiek bommetje. Haar boodschap, kort samengevat: ‘Het is genoeg geweest.’ Ze vindt dat er eenheid van commando nodig is in Vlaanderen, naar Belgisch voorbeeld.

    Wouter Beke vloekt, alweer. Hij heeft Cloet vooraf gebrieft over het tienpuntenplan waaraan hij aan het sleutelen is. Hij vindt de vergelijking met de federale aanpak onrechtvaardig. Als Vlaanderen geen mondmaskers heeft en niet kan testen, dan vooral omdat België het zo heeft laten afweten. Hij ergert zich, algemener, aan al het communicatiegeweld om zich heen, van Cloet maar ook van Philippe De Backer. Hij zegt dat hij niet moet opkomen voor een sector, zoals Cloet, maar oplossingen moet zien te vinden. Véél moeilijker.

    Beke is niet de enige die een wrang gevoel overhoudt aan de klokkenluidersrol van de topvrouw van Zorgnet-Icuro. Er zijn nog wel wat mensen die erop wijzen dat Cloet, als ex-kabinetschef van Vandeurzen, mee verantwoordelijk is voor een beleid dat de afgelopen maanden stevige gebreken bleek te vertonen. Dan wordt er gewezen op het tekort aan personeel. Op de normen voor leidinggevenden die niet streng genoeg werden gemaakt. Op de controlerende en raadgevende artsen die een beter statuut hadden moeten krijgen. Op de schaalvergroting en de privatisering. ‘Waar was Cloet toen?’

    Het belet niet dat minister Beke een probleem heeft. In de kranten begint het kritische stukken te regenen. De sector schreeuwt om hulp. Maar Beke krijgt de crisis niet onder controle. Zijn ploeg mist ervaring. Zijn kabinetschef is pas sinds nieuwjaar aan de slag. Het is tijd voor een hulplijn, beseft de minister. Hij weet dat er twaalf verdiepingen lager iemand kantoor houdt die net verkozen is tot ‘Overheidsmanager van het Jaar’. Hij neemt zijn telefoon. Het is dinsdag 7 april. Hij vraagt Karine Moykens om even in de lift te stappen.

    Moykens’ move

    Moykens is de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Gezondheid en Gezin. Tot nu toe heeft ze de coronacrisis vanop afstand gevolgd. Ze heeft Dirk Dewolf bijvoorbeeld geholpen toen zijn Agentschap in personeelsnood terechtkwam. Maar nu vraagt Beke haar om midden in het gewoel te gaan staan, als voorzitster van een nog op te richten taskforce. Moykens formuleert slechts één voorwaarde: ze wil dat die taskforce zich niet alleen met de woonzorgcentra maar met álle voorzieningen in de zorg bezighoudt. Beke vindt dat geen probleem: ‘Ik leg mijn lot in jouw handen, Karine.’

    Zoals veel andere hoofdrolspelers in dit verhaal heeft Moykens een verleden op christendemocratische kabinetten. Als ex-kabinetschef van Vandeurzen kent ze de zorgsector als haar broekzak. Ze activeert haar hele netwerk. En ze beslist om dagelijks te vergaderen, telkens op hetzelfde uur, behalve op zondag. Ze resumeert aan het eind van elke vergadering wat beslist is. Er komt structuur, rust, vooruitgang.

    Al botst ook Moykens op de twee structurele problemen waarvan deze woonzorgcrisis doordrongen is: schaarste en institutionele wirwar. Neem nu die mondmaskers. Op 15 april blijkt uit een analyse van de testresultaten in de woonzorgcentra dat ook heel wat personeelsleden zónder covid-19-symptomen besmet zijn. De taskforce vindt dat belangrijke info. Ze wil alle personeel, ook de onderhoudsmensen, aanraden om een mondmasker te dragen. Het lijkt de logica zelve. Eind maart berichtte De Standaard al over een studie van professor Gabriel Leung. Daarin stond dat patiënten het virus al dagen voor ze symptomen hebben kunnen verspreiden.

    Alleen staat in de richtlijnen van het Agentschap Zorg en Gezondheid op 10 april nog steeds dat zorgverleners zonder luchtwegklachten en zonder koorts alleen persoonlijke beschermingsmiddelen mogen dragen tijdens risicovolle contacten. Dat krijgt Moykens bijzonder moeilijk aangepast. Alweer gaat de Risk Management Group niet zomaar overstag. Alweer vreest een aantal mensen daar dat er tekorten zullen ontstaan. En zo duurt het uiteindelijk nog tot… 28 april voor het Agentschap kan melden dat iedereen zijn gezicht moet beschermen.

    Nooit meer!

    Moykens brengt vanaf 8 april rust in Brussel, maar op het terrein is daar aanvankelijk niets van te merken. Integendeel, de tweede week van april is de meest dodelijke week van de crisis. Elke dag vallen er honderden slachtoffers. De Vlaamse regering heeft beslist dat er op plekken waar het echt uit de hand loopt, zoals Humbeek, crisismanagers worden ingeschakeld. Een van hen is Patrick Laisnez. Hij werkt bij Probis, een consultancybedrijf dat door het Agentschap Zorg en Gezondheid is ingehuurd. Met zijn team stapt hij uiteindelijk op twaalf plekken af.

    ‘Ik zie één rode draad’, zegt Laisnez. ‘Er was véél te weinig aandacht voor hygiëne. We hebben de gekste dingen gezien: mensen die twee paar handschoenen over mekaar aan trokken of overschoenen droegen. Maar daarmee gingen ze dan wel van de ene naar de andere kamer. Zo strooiden ze het virus rond. We zagen lange gangen zonder één handpomp met alcoholgel.’ Laisnez verwijt het niemand. Hij is onder de indruk van het zorgpersoneel. ‘Maar in opleidingen moet daar veel meer aandacht naartoe.’

    Laisnez draait al lang mee, maar verbergt niet dat de afgelopen maanden er stevig inhakten. Hij kwam in rusthuizen waar 45 procent van de bewoners het niet haalde. Waar oudjes lagen die zowel hun linker- als hun rechterbuurman waren verloren. ‘Ik had het zelf ontzettend moeilijk als ik nóg een zak met persoonlijke spullen naar de kelder van zo’n woonzorgcentrum moest dragen’, vertelt hij. ‘Voor het personeel was het natuurlijk nog veel emotioneler. Zij kenden die mensen persoonlijk. Ik verzeker u: dat gaat nog veel posttraumatische stress geven.’

    Het is ook iets dat Johan Matthijs opmerkt, nog zo’n ervaren krijger. Matthijs werkt als coördinerend en raadgevend arts (CRA) in woonzorgcentrum Ter Venne in Sint-Martens-Latem. Daar was er, kort na Pasen, een uitbraak op de afdeling voor personen met dementie. Er zat niets anders op dan de mensen van elkaar te scheiden.

    ‘Verschrikkelijk’, herinnert Matthijs zich. ‘Ik zal de angst in hun ogen nooit vergeten toen ik in zo’n astronautenpak de kamer binnenwandelde. En dan die pijnlijke manier van afscheid nemen. Ik moest tegen een vrouw die haar man net had zien sterven na een paar minuten zeggen dat het afscheid erop zat. Dat schreven de regels voor. Ik heb mensen met dementie moeten testen, met zo’n neusswap. Ze begonnen me te krabben en te slaan, omdat ze niet begrepen waarmee ik bezig was. Die nacht heb ik niet geslapen. Dat wil ik nooit meer moeten doen.’

    Stille autorit

    Ook voor Beke volgt er nog een slapeloze nacht. Op 15 april beslist de Nationale Veiligheidsraad, in aanwezigheid van Jan Jambon, plotsklaps dat de woonzorgcentra één bezoeker mogen ontvangen. Zijn telefoon ontploft. De hele sector staat op stelten. Cloet gaat nog eens vol op het orgel, deze keer in De afspraak. En Beke blaast de operatie, waarvan hij niet op de hoogte was, meteen af. Hij stelt de bezoekregeling uit. Waarna er een telefoontje binnenloopt op zijn kabinet. Een vrouw is razend op de minister. Ze laat weten dat ze haar gehandicapt kind absoluut wil bezoeken. Als dat niet mag, pleegt ze zelfmoord. Het onheil kan worden afgewend, maar het is die avond heel stil in de dienstwagen van de minister.

    Voor Beke zit er geen goede kant aan deze crisis. Hij speelde met slechte kaarten, kaarten die vaak door anderen waren uitgedeeld. Maar hij slaagde er ook niet in om de zaken in handen te nemen. Bovendien is er geen eenvoudige zondebok te vinden. Een aantal commerciële spelers kreeg zware klappen, zeker. In Halle overleed ongeveer een derde van de bewoners van een rusthuis van de Senior Living Group. Burgemeester Marc Snoeck ergerde zich geweldig aan de lethargie van de grote Franse groep. In Geel was de dodentol dan weer bijzonder hoog bij een instelling van Armonea, ook een groot Frans bedrijf.

    De cijferaars in de administratie kunnen voorlopig geen groot patroon vinden. De commerciëlen, die ondertussen ongeveer een kwart van de sector controleren, werken vaak met minder personeel dan de openbare of de vzw-rusthuizen. Ze zijn oververtegenwoordigd op de lijst van voorzieningen die onder verhoogd toezicht van de Zorginspectie staan. Maar het valt niet te bewijzen dat het coronavirus bij hen harder heeft toegeslagen.

    Wat valt dan wel op? Dat rusthuizen die intens samenwerkten met een ziekenhuis, wellicht beter gewapend zijn tegen onheil. En dat sterk management een troef is. Het zijn minder spectaculaire conclusies. Sowieso wordt het voor Beke niet evident om de sector een kwalitatieve stap voorwaarts te laten zetten met het half miljardje extra dat hij tijdens deze legislatuur kan besteden.

    Rechtkrabbelen

    Op haar terras in Leest probeert Leen Smits weer overeind te krabbelen. Ze heeft, als controlerend en raadgevend arts in woonzorgcentrum Akapella, waanzinnige weken achter de rug. Een aantal huisartsen van bewoners liet weten liever niet meer te komen. Daarop nam Smits de zorg in Kapelle-op-den-Bos volledig over. Er stierven uiteindelijk 23 van de 119 bewoners. Ze vertelt over de stress, de verscheurende beslissingen, de oververmoeidheid, de twijfels, het verdriet. Hoe ze begon te vermageren. Hoe ze op de duur aan niets anders meer kon denken. Hoe ze haar hoofd leeg probeerde te maken, even de radio aanzette en dan weer slechts één ding hoorde. Corona. Corona. Corona.

    En dan dat knagende schuldgevoel. ‘Mensen stappen je praktijk binnen en zeggen: Akapella, zoveel doden! Dan weet je niet meer wat te zeggen. Het maakt je onzeker. Ben ik daar dan mee verantwoordelijk voor? Ben ik verantwoordelijk voor de dood van al die mensen? Tegelijk weet ik: zoveel slachtoffers waren al erg kwetsbaar, ze wilden niet meer naar het ziekenhuis. We hebben alles gedaan om zo goed mogelijk gevolg te geven aan hun wensen.’

    Ze zucht. ‘Cijfers vertellen niets over de kwaliteit van het leven. Ze vertellen niets over de bewoner met gevorderde dementie die covid overleefd heeft, en van wie de dochter bijna niet hardop durft te zeggen: jammer. Maar we hebben die bewoner wél gered.’


    Toen ik na een maand coronacrisis op Facebook schreef dat men van rusthuizen sterfhuizen had gemaakt, was menigeen verontwaardigd, maar ik wist toen al dat mijn gevoel juist zat.
    Het is ook vanaf dan dat ik aan elke maatregel ben beginnen twijfelen en besloten heb om mijn eigen keuzes te maken. Mijn argwaan is nooit meer weggegaan.

    De derde wereldoorlog

    De derde wereldoorlog
    is voorbij,
    en onze vijanden
    worden terug
    onze familie
    en vrienden.

    Het verzet is opgerukt,
    en de geallieerden
    die vrede en welzijn
    brengen,
    strooien hoop en inzicht
    om zich heen.

    Werp dus
    jullie maskers weg
    en adem weer
    volop vrij,
    want de derde wereldoorlog
    is voorgoed voorbij!

    Micheline Baetens – 28.05.2020
    (Met dank aan corona voor de inspiratie)

     

    De begrafenisondernemer

    ‘Je kunt al die regels niet consequent handhaven. Ik wil een mens zijn, niet een robot’

    ‘Het is ne covid.’ Of: ‘Het is gene covid.’ Zo klinkt het dagelijks door de telefoon van Gert Verhaert (42). De Antwerpse begrafenisondernemer kent het sterven: hij staat dagelijks kniehoog in het coronaverdriet. Dezer dagen is Verhaert op Eén te zien in drie nieuwe afleveringen van ‘Komen te gaan’, dat mooie document over mensen die om den brode een put graven voor een ander. Zelden vallen ze er zelf in.

    HUMO – Jeroen Maris – 25.05.2020

    GERT VERHAERT (Rustpunt Begrafenissen) «Het is soms het eerste wat je als begrafenisondernemer te horen krijgt van het ziekenhuis of het woon-zorgcentrum: gaat het om een coronadode of niet? Ik vind dat verschrikkelijk. Kun je mij niet eerst vertellen wie gestorven is? Hoe die man of vrouw geleefd heeft? Wie de geliefden zijn die achterblijven?

    »Zoals iedereen zie ik elke dag de coronacijfers. Ik begrijp dat dat turven belangrijk is – natúúrlijk begrijp ik dat – maar ik hoop dat we een generatie doden niet gaan reduceren tot ‘de covids’. Mensen zijn meer dan het virus waaraan ze sterven, toch?

    »Bovendien: hoe graag we de dingen ook in overzichtelijke tabellen gieten, in dit geval lukt dat gewoon niet. Stel: iemand sterft nu in een verkeersongeval. Dan wordt het lichaam niet getest op corona, en wordt die dood als een klassiek overlijden genoteerd. Maar dat sluit niet uit dat die persoon misschien wél besmet was, hè. Ik merk ook dat er veel meer thuisoverlijdens zijn dan gewoonlijk. Vermoedelijk zijn er veel mensen die zich niet lekker voelen, maar niet naar het ziekenhuis durven te gaan. En: ouderen die vermoedelijk corona hebben, maar bang zijn voor de isolatie en dus zwijgen. Als huisartsen daaraan meewerken, vind ik dat eerlijk gezegd alleen maar van menselijkheid getuigen. Als de bomma van 87 longproblemen en koorts heeft, ga jij haar dan doorverwijzen naar het ziekenhuis, in de wetenschap dat ze daar allicht in quarantaine moet, en de kans dus groot is dat ze in totale eenzaamheid sterft?

    »Enfin, ik denk dat we rustig kunnen stellen dat er behoorlijk wat coronadoden níét in de statistieken zitten.»

    HUMO Het zijn veelal snelle overlijdens: een corona-ziekbed duurt doorgaans niet lang.

    VERHAERT «Onlangs belde een man me om alvast eens te informeren hoe het praktisch allemaal in z’n werk gaat na een coronaoverlijden. Zijn vader had net positief getest, en de vooruitzichten waren somber – de kans was reëel dat hij een paar weken later zou sterven. Een kwartier later belde de man me al terug: zijn vader was overleden.

    »We behandelen een coronadode als een onverwacht overlijden. Het is nog het best te vergelijken met een dodelijk verkeersongeval: het komt snel en onverwacht. In zo’n geval is het belangrijk dat de begrafenisondernemer zijn tijd neemt. Want net na het overlijden zijn de nabestaanden in shock. Verder dan ‘Doe maar, meneer’ komen ze doorgaans niet. Ik geef de familie dan twee dagen de tijd om enigszins te bekomen. Want daarna zijn mensen wél in staat om uit te drukken hoe zij afscheid willen nemen.»

    BRICO-BEGRAFENIS

    Het sterven ontsnapt niet aan regels en reglementen. Tussen het gedroomde afscheid en de werkelijkheid staan wetten in de weg en praktische bezwaren – om eens een niet-coronadode te citeren.

    VERHAERT «Er is een omslachtig protocol dat we moeten volgen. Als we coronadoden gaan ophalen in een ziekenhuis of een woon-zorgcentrum, moeten we een beschermingspak en een chirurgisch mondmasker dragen. En het draaiboek is heel strikt en klinisch. Binnengaan in het mortuarium. Het lichaam meteen in de kist leggen, in een dubbele lijkwade. De kist ontsmetten. En bij het buitengaan: al het beschermingsmateriaal weggooien. In theorie is dat logisch en verstandig, maar de praktijk laat zich moeilijker hanteren. We horen ons FFP2-masker na eenmalig gebruik weg te gooien, maar onze voorraad is klein. (Cynisch) En we weten allemaal dat je die chirurgische mondmaskers overal vlotjes kunt bestellen.

    »Hoe logisch ook, iets in me revolteert tegen die maniakale voorzichtigheid. Je wordt verplicht om zo’n lichaam als een bacteriehaard te zien, in plaats van als een mens die net opgehouden is met denken, voelen en herinneren. In het crematorium sta ik vaak tussen een hoop kisten met een grote sticker erop: ‘Biohazard!’ Vanuit praktisch opzicht begrijp ik dat, maar moeten we dat écht doen? ‘Gevaarlijk biologisch afval’: dat is niet hoe ík iemand die net gestorven is wil noemen.»

    HUMO De gesprekken met de familie horen jullie vervolgens op kantoor te voeren, en liever nog online.

    VERHAERT «Er zijn collega’s die dat effectief doen, met de nabestaanden praten via Skype. (Schudt het hoofd) Ik kan me dat echt niet voorstellen.
    »In het begin volgden we de maatregelen strikt op en vroegen we de mensen dus om naar ons rouwcentrum te komen. Dat heeft maar standgehouden tot het eerste thuisoverlijden. Toen moesten we dus het lichaam gaan ophalen en vervolgens zeggen: ‘Kom maar naar ons kantoor om daar alles te regelen.’ Volkomen absurd. Dus ja, wij gaan nog naar de mensen thuis. Maar we houden afstand, we nemen alcoholgel mee, we zorgen ervoor dat balpennen en foto’s niet van hand tot hand gaan. Opnieuw: heel logisch allemaal, maar het kost veel energie – energie die ik liever in de familie zou steken.»

    HUMO Kan er nog een laatste groet gebracht worden aan een coronadode?

    VERHAERT «Dat laten we over aan het ziekenhuis, want we hebben hier in ons rouwcentrum simpelweg de middelen niet om het protocol te volgen. Iedereen moet een beschermingspak aantrekken, en handschoenen en een mondmasker dragen. Het groeten hoort snel te gebeuren en vanop anderhalve meter afstand. Dat heeft niets meer te maken met hoe ik zo’n laatste groet zie: als nog één keer dichtbij komen. In een marsmannetjespak een geliefde dag zeggen: dat gaat niet, hè. Zeker als je dan ook nog eens te horen krijgt dat je je tranen maar moet laten lopen, ‘want je mag absoluut niet aan je gezicht komen’.

    »Mensen die niet aan corona gestorven zijn, kunnen we wel nog steeds opbaren in het rouwcentrum. Maar ook dat is niet evident. Onlangs belde een man me huilend op: hij was besmet met corona, en dus kon hij zijn gestorven schoonvader niet komen groeten. Ik heb hem meteen geantwoord dat dat wél kon. We spraken een moment af waarop we zelf even niet aanwezig waren, lieten de deur openstaan en vroegen de man om niets aan te raken. En voilà: zo kon hij toch nog die laatste groet brengen.»

    HUMO Misschien wel de droevigst stemmende maatregel: er werden aanvankelijk maar vijftien mensen toegelaten op een afscheidsplechtigheid – intussen zijn het er dertig.

    VERHAERT «’We kunnen het afscheid beter in de Brico organiseren,’ zei een vrouw van wie de moeder gestorven was aan corona. ‘Want daar mag je met vijftig mensen komen binnenlopen.’ Je krijgt het niet uitgelegd aan mensen: in de IKEA ben je welkom, voor de Action staan lange rijen, in de kledingboetieks mag je vrolijk een nieuwe outfit kiezen. Maar in een gigantische kathedraal moet je met vijftien mensen afscheid nemen van iemand die gestorven is. Ik had een uitvaart in de Sint-Lambertuskerk in Ekeren: daar kunnen bijna vijfhonderd mensen binnen. Er zaten er zeven – want omdat de nabestaanden geen onmogelijke keuzes wilden maken, hadden ze alleen de allerdichtste familie uitgenodigd. Het was even onthutsend als surrealistisch: de dochter van de overleden vrouw las een tekst voor waar ze dagenlang op gezwoegd had – haar hele ziel zat erin, uit elk woord stroomde ontroering – in een galmende, lege kerk. Dat heb je met algemene regels: ze zijn nodig, maar ze leiden ook tot absurde toestanden.

    »Het is telkens weer zo’n moeilijke, pijnlijke vraag: wie mag komen, en wie niet? En ik ben er niet van overtuigd dat het makkelijker wordt nu er dertig mensen toegelaten worden. In zekere zin is dat moeilijker dan vijftien, want dat komt in de praktijk meestal neer op de kinderen en de kleinkinderen. Bij dertig moet je kiezen uit de kring daarrond. Het was beter geweest om gewoon de graad van verwantschap te definiëren, in plaats van er een concreet getal op te plakken. Bijvoorbeeld: alleen de kinderen en de kleinkinderen, en – als die er zijn – de partner en de ouders.

    »We raden aan om op de rouwbrief het tijdstip van het afscheid te vermelden. Zo kunnen mensen er tenminste toch in gedachten bij zijn. Soms staat er zelfs expliciet de vraag bij om op dat moment een kaarsje te branden, of op een andere manier de overledene te herdenken. Bij de kist of de urne leggen we ook altijd bloemen die de mensen symboliseren die er niet bij mogen zijn.»

    HUMO Wat als er toch meer mensen dan toegelaten naar een afscheidsplechtigheid komen?

    VERHAERT «Goh, hoe zal ik hierop antwoorden zonder mezelf in de nesten te werken? Laat ik het zo zeggen: wat doe ik als nonkel Luc ook absoluut binnen wil, terwijl dat niet de bedoeling is? De politie bellen? Nee, hè.»

    HUMO Kan zo’n kleine kring ook een voordeel zijn? Er zijn op een afscheidsplechtigheid ook altijd mensen die uit beleefdheid komen, bij wijze van sociale verplichting, maar het grote verdriet van de nabestaanden niet delen. Of mensen die de overledene helemaal niet konden luchten.

    VERHAERT «Inderdaad: het helpt soms dat er mensen níét bij zijn. We kennen in onze samenleving geen sociaal verband waarbinnen er zoveel suddert, sluimert en schuurt als in een familie. Er zijn altijd spanningen, nooit verteerde ruzies en ongemakkelijke relaties. Door de maatregelen is er nu een excuus om die ene tante niet uit te nodigen die al jaren niets meer met de familie te maken wil hebben, of die broer met wie de band volkomen verzuurd was.

    »Nog een voordeel: kleiner betekent vaak persoonlijker. Onlangs stierf er iemand uit een grote familie die ik goed ken. In normale omstandigheden zou dat een barokke plechtigheid worden, wist ik, volgens de klassieke regels en met de gekende rituelen, en zonder eigen inbreng. Maar nu, in die kleine kring, was beslist dat iedereen foto’s van de overledene zou meebrengen naar de plechtigheid. En er was afgesproken dat ze die niet op voorhand aan elkaar zouden tonen. Dat leverde een heel spontaan, ontroerend afscheid op, ver weg van het klassieke protocol.»

    HUMO ‘Gij zult anderhalve meter afstand houden’ geldt ook in de kerk of de aula.

    VERHAERT «In het begin was ik daar ook heel strikt in. Altijd waken over die anderhalve meter, géén contact. Mensen waren daar soms zelfs té flink in. Dan kwam een gezin samen in de auto aan, en ging iedereen vervolgens netjes op anderhalve meter van elkaar zitten (lacht).

    »De rauwe wreedheid van dat centimeters tellen zit voor mij vervat in één beeld: dat van een tachtiger die onlangs zijn vrouw moest begraven. In de kerk zat hij helemaal alleen – links en rechts van hem waren drie stoelen leeg gelaten. Dan wordt verdriet iets héél eenzaams, hè. Op het kerkhof zag ik hem moeizaam zijn rollator voortduwen, de familie op anderhalve meter achter hem. Plots stopte hij: het lúkte niet meer. Hij kon alleen nog hartstochtelijk huilen, maar niemand durfde te bewegen. Op zo’n moment wil ik een mens zijn, niet een robot die een paragraafje uit een protocol keurig volgt. En dus heb ik die man bij de arm gepakt. (Schudt het hoofd) Je kúnt al die regels niet consequent handhaven. Het is onmenselijk: je vraagt te veel van mensen met verdriet. Afstandelijkheid druist fundamenteel in tegen hoe ik een afscheid zie.»

    HUMO Ook de koffietafel is nu verboden. Dat lijkt een detail, maar ik vind het telkens weer de enig denkbare manier om van stilstaan naar weer voortgaan te kunnen.

    VERHAERT «Ik ben blij dat je dat opmerkt. Nu komen we op de begraafplaats, houden we daar nog een kleine ceremonie, en dan is het gedaan. Hop, iedereen naar huis! De auto in, alleen met je verdriet! Dat is hartverscheurend.

    »Het is zo’n cruciaal ritueel, die koffietafel. Ik hou van het moment waarop de sfeer kantelt: de tranen zijn gedroogd, de stropdassen worden wat losser geknoopt, aan elke tafel hoor je het geroezemoes van de grote familieverhalen die verteld worden. Een koffietafel verzacht de dingen. Dat is nu bruutweg geschrapt.»

    DE HEILIGE GRAAL

    De dood is altijd weer een inbreker die met beschimmelde handschoenen een stuk van je geluk komt jatten. Corona heeft het allemaal nog zwaarder en zwarter gemaakt, ziet Verhaert.

    VERHAERT «Het zijn onbehaaglijke tijden. Je mag niet onderschatten hoe bang mensen zijn. Angst regeert: angst voor het virus, angst voor een boete, angst voor een ontslag. Angst voor een toekomst die even geleden nog zo vanzelfsprekend leek. Als je dan ook nog eens met verlies geconfronteerd wordt, is dat van een haast ondraaglijke zwaarte.

    »Voor de plechtigheid vraag ik nu altijd of iedereen comfortabel zit. Of er niemand is die zich op z’n ongemak voelt omdat er iemand te dichtbij zit. En daarna zeg ik dat ik het de rest van de dag niet meer over het c-woord zal hebben. Telkens weer zie ik dan een dankbare glimlach bij iedereen. Want zo’n virus is er te veel aan op een afscheid. Je wilt je verdriet, en alleen je verdriet.»

    HUMO Door de quarantainemaatregelen hebben de nabestaanden de overledene vaak al lang niet meer gezien. En hebben ze dus ook geen afscheid kunnen nemen.

    VERHAERT «Onlangs stierf een vrouw van wie de man ook besmet was met corona. Ze lagen beiden in het ziekenhuis, en mochten hun kinderen dus niet zien. Toen de mama stierf, mocht de papa geen laatste groet brengen, omdat een coronapatiënt niet in een andere afdeling van het ziekenhuis mag komen. Dat levert littekens op, hè. De doden zijn niet de enige slachtoffers van corona: ook van de achterblijvers wordt een stukje leven verwoest.

    »Wie iemand verliest aan corona, krijgt te kampen met iets dat neigt naar het posttraumatisch stresssyndroom. Dat meen ik: die mensen maken iets mee dat én keihard én volkomen onverwacht én ontzettend bevreemdend is. En dan moet je hun een uitvaart aanbieden waarbij ze hun verdriet nauwelijks mogen ventileren, en al helemaal niet kunnen delen. Terwijl er maar één manier is om een trauma van je af te schoppen: erover vertellen – tientallen keren, honderden keren – en elkaar vastpakken. Dat kan nu allemaal niet, en ik verwacht dat de weerslag groot zal zijn.

    »Om die reden leg ik de nadruk vooral op wat wél nog kan. Ik probeer mensen uit te leggen dat aan hun eigen grote verdriet, aan hun eigen verwerkingsproces, niet zo gek veel verandert. Een lege of een gevulde kerk: voor de eerste drie rijen maakt dat eigenlijk niet uit. Want pijn is pijn als je moeder sterft. Daarom blijft het belangrijk om van die plechtigheid iets moois te maken.»

    HUMO Mensen kiezen er soms voor om het afscheid uit te stellen.

    VERHAERT «Vooral in het begin van de crisis, toen we allemaal nog dachten dat het iets van een paar weken zou zijn, gebeurde dat. We hebben nog een aantal urnen bij ons staan van mensen die in de eerste week van de lockdown gestorven zijn. Ik vrees dat van uitstel afstel komt: ik denk niet dat je na pakweg een halfjaar nog de behoefte voelt om zo’n plechtigheid te organiseren.»

    HUMO Je praat heel bevlogen over je vak. Is elke begrafenisondernemer zo betrokken bij het verdriet van z’n – opgepast: cynische term in aantocht – klanten?

    VERHAERT «Helaas niet. Corona wordt soms zelfs misbruikt om te zeggen dat niets nog mogelijk is. ‘De maatregelen, meneer.’ En los van het virus zie ik al een poos een kwalijke tendens: grote ketens kopen zowat alle familieondernemingen op, en installeren daar hun koele, zakelijke manier van werken. Het gaat er ook allemaal zo snel: lichaam binnen, lichaam zo snel mogelijk weer buiten. Als zelfstandige begrafenisondernemer kun je daarentegen echt je ziel in je werk steken. Dat is gewoon anders. Een supermarkt is geen speciaalzaak.

    »Ik krijg gigantisch veel families over de vloer die die afstandelijkheid niet willen, die een mens willen begraven in plaats van een factuur.»

    HUMO Je ziet het ook aan de prioriteiten bij het versoepelen van de lockdown: alles is economie.

    VERHAERT «Ja. En er is nog iets wat me stoort: we leven in een overwetenschappelijke maatschappij. Harde feiten zijn de heilige graal. Kennis en controle. Alleen wat bewezen is, is waar, en iets bestaat pas als het een plaats kan krijgen in grafieken en tabellen. Ik voel me daar heel onbehaaglijk bij. Waarom moeten we alles absoluut kunnen meten? Waarom is er geen plaats meer voor wat we niet kunnen verklaren, voor verbeelding en intuïtie? Je merkt het aan de stelligheid waarmee de mogelijkheid van een leven na de dood weggelachen wordt. Ik durf niet zeggen dat er hierna niets meer volgt, hoor. Want ik wéét dat simpelweg niet. Zomaar zeggen dat er niets is, dat vind ik pretentieus.

    »Enfin, dat is een voorbeeld, maar het gaat nog veel verder. In zo’n maatschappij van de feiten moet alles clean en comfortabel zijn. Wat groter is dan de wetenschap, wat ons uit evenwicht zou kunnen brengen omdat het niet te vatten is in een wiskundig bewijs, stoppen we weg. De dood is daar het beste voorbeeld van. We negeren die, we doen alsof ze niet bestaat. Vroeger was dat anders: zestig jaar geleden stierven mensen thuis, en schoten familie, buren en vrienden je een week lang te hulp. De dode werd gewassen, er was plaats voor rouw, mensen dronken samen koffie – zo is trouwens de koffietafel ontstaan. De dood was zichtbaar en aanwezig. Letterlijk: iedereen in het dorp zag weleens een dood lichaam. Nu sterven de meeste mensen in een ziekenhuis of een woon-zorgcentrum. En hoe reageren we – vooral dan de mensen van mijn generatie? We maken het einde liever niet mee. We willen de bomma niet zien in haar laatste uren. En we vinden het te confronterend om een laatste groet te brengen.

    »Ik heb zelf al vier keer de hand vastgehouden van iemand die stierf: dat is iets móóis. Maar als je je afwendt van verval en vergankelijkheid, als je je terugtrekt in je leven van zakelijkheid, competitie en succes, dan wordt de dood plots iets lelijks. Ik zie vaak een soort van boosheid: mensen zijn gechoqueerd omdat uitgerekend in hún familie iemand doodgaat. Want ze weten niet meer dat dat de natuurlijke gang van zaken is, dat elke familie z’n verliezen telt. De dood is een vergissing geworden, of erger nog: een nederlaag.»

    BLOEMEN EN KRANSEN

    Zes jaar zit Verhaert intussen in het vak, en hij praat erover met een kristallen enthousiasme. Bijzonder is dat, want ‘Later wil ik begrafenisondernemer worden’ treft men eerder zelden aan in poëziealbums van lagereschoolkinderen.

    VERHAERT «Het is een roeping. Een late roeping, weliswaar: mijn ogen zijn opengegaan toen mijn schoonvader stierf. De schoonheid van de stiel van begrafenisondernemer trof me. Ik heb toegepaste psychologie gestudeerd, en ik zocht naar een manier om van betekenis te zijn voor mensen. En plots zag ik het: dat kon ik het best als begrafenisondernemer.

    »Een uitvaart is een middel om verlies te verwerken. Geen doel op zich. Dat is niet gewoon een nuance, wel een cruciaal verschil.»

    HUMO Leg ’s uit?

    VERHAERT «Drie generaties geleden waren begrafenisondernemers timmermannen. Ze maakten een kist en droegen die naar de kerk. Al de rest was voor de pastoor. Zo eenvoudig zat de maatschappij zestig jaar geleden in elkaar. De volgende generatie dacht: we doen er wat bloemekes bij. En de generatie daarna begon oog te hebben voor de kracht van mooie woorden. Zo is alles beginnen te schuiven, maar nog steeds zijn er veel begrafenisondernemers die vinden dat ze gewoon voor een mooie uitvaartplechtigheid moeten zorgen: een geschikte kist, voldoende bloemen en een troostend muziekje. Alleen: dat volstaat niet meer. De seculiere samenleving rekent niet meer op de pastoor, die vroeger het hele menselijke aspect op zich nam – de nabestaanden laten praten, mensen troosten, verdriet omarmen. Nu is daar een leegte. Mensen verliezen iemand en weten niet hoe ze vervolgens voort moeten.

    »De afscheidsplechtigheid moet uiteraard onberispelijk zijn, maar voor mij zit de essentie van mijn werk in de week die daaraan voorafgaat. In die dagen moet iedereen het gevoel hebben dat hij of zij op een persoonlijke manier kan bijdragen aan een mooi afscheid. Dat staat haaks op hoe het in dit vak lang ging, en soms nog gaat. ‘Oei, er is iemand gestorven? Wij zullen het allemaal wel regelen.’ Daar help je mensen niet mee. Je moet ze vragen wat ze willen, wat ze zelf kunnen doen, waar de gevoeligheden liggen. En wat er nog allemaal gezegd moet worden. Want het gebeurt zo vaak dat mensen vinden dat hun relatie met de overledene niet klaar was. Dat er nog een gesprek had moeten zijn, dat er dingen niet uitgeklaard werden, dat de grote verzoening er niet gekomen was. Hol je daar als begrafenisondernemer gewoon overheen, dan zal de plechtigheid geen groot louterend effect hebben op die mensen. Dan laat je ze achter met spijt of rancune.»

    DE KOLIBRIE

    Ik vertel Verhaert over de mooiste mensen die ik ken. Hilda en Jozef, Rosa en Frans, mijn grootouders, gestorven vóór corona, die ik zo erg mis. Van die vier begrafenisplechtigheden herinner ik me telkens het einde: het schuifelen over de koude plavuizen in de kerk, dan weer de deur naar de wereld door. En het warme zonlicht dat buiten zonder waarschuwen op me regende, en riep dat alles voortaan anders zou zijn, en toch hetzelfde.

    VERHAERT (knikt) «Heel herkenbaar. Een mooie uitvaart is een cadeau: we komen als andere mensen terug van een begrafenis. Het is de beste cursus mindfulness die er bestaat. Zelf heb ik ook al ervaren hoe ingrijpend het kan zijn: mijn vader en ik werden veel fysieker met elkaar na de dood van mijn grootouders. Op de begrafenis hebben we elkaar eens goed vastgepakt, terwijl we voorheen elkaar nooit meer dan een hand gaven.

    »(Denkt na) Ik kom mezelf heel erg tegen in deze periode. Ik besef nu hoe hard ik dat nodig heb, iets betekenen voor mensen die net de grond onder hun voeten voelden openscheuren.»

    HUMO Dat begrijp ik. Maar de consequentie is wel dat je voortdurend omgeven bent door de dood.

    VERHAERT «Eerlijk: ik heb nauwelijks behoefte aan iets anders. Het vervult me helemaal. Dit is één van de enige sectoren waarin je de naakte mens te zien krijgt. Je wordt binnengelaten in families, in mensenlevens, en niemand doet zich anders voor dan hij is.»

    HUMO Betekent die passie dat je heel gevoelig bent? Of net het omgekeerde: dat je een vaccin tegen verdriet hebt?

    VERHAERT «Het eerste: als je het goed wilt doen, móét je gevoelig zijn. De helft van de tijd sta ik mijn tranen te verbijten. Het gaat over inleving. Over dingen – in weerwil van het cliché – wél mee naar huis nemen. Als je na de uitvaart van een kind niet huilend in je auto zit, moet je iets anders gaan doen. In heel drukke periodes gebeurt het soms dat ik het allemaal niet meer zo intens voel. Zodra ik dat merk, ga ik een eindje wandelen. Een afgestompte begrafenisondernemer is een slechte begrafenisondernemer.

    »Ken je dat Japanse verhaal van de kolibrie? Een groot bos staat in brand, en alle dieren staan aan de rand te kijken naar het vuur dat hun huis vernietigt. De kolibrie vliegt naar een nabijgelegen beekje, pikt daar een druppel water op, en laat die los boven het bos. En dat herhaalt hij de hele tijd. De andere dieren vragen wat hij in hemelsnaam aan het doen is. En de kolibrie antwoordt: ‘Ik doe wat ik kan.’ Dat is wat wij doen: wat we kunnen.»

    https://www.humo.be/meningen/waarom-moet-de-hele-economie-stilgelegd-worden-als-de-ouderen-spijtig-genoeg-toch-het-slachtoffer-van-corona-worden~b84926c8/?utm_medium=Social&utm_source=Facebook&fbclid=IwAR2MTdOUlDPzpkIZ8ShcpTaTwnGGSwudW2DbLk7ek3PpZLAmNh279R–ae8#Echobox=1590428145

    https://www.humo.be/meningen/de-psychiatrische-patient-wordt-opnieuw-de-dupe-van-een-maatschappelijke-crisis~b1ba37e8/?utm_source=messagent&utm_medium=email&utm_campaign=Humo%20Vandaag-2020-05-25-1721&utm_content=artikel&ctm_ctid=a57e40ae9feefc6f3d4cf29b9a49158e

     

    BOEK: Rust voor je brein

    ‘Elk halfuur door het raam turen, voorkomt stress en burn-outs’

    Rust voor je brein. Wie wil dat nu niet in deze tijden? Stresscoach Luc Swinnen zag het coronavirus op tijd aankomen en mikte zijn gelijknamige boek perfect getimed in de winkelrekken. Met Swinnens tips en tricks fietst u gezwind door deze angstige of slapeloze periode.

    HUMO: Katrien Depecker – 18.05.2020

    Swinnen, van opleiding geneesheer, buigt zich al twee decennia over de impact van emoties op het functioneren van de mens, en coacht hem rustig een weg uit burn-out en stress.

    LUC SWINNEN «Vroeger nam de wetenschap aan dat alles in ons brein een vaste plaats had, maar dat klopt niet: alle gebieden zijn op de één of andere manier met elkaar verbonden. Als je brein zijn netwerken moeizaam synchroniseert, raak je in de problemen: dan slaap je slecht, ben je slechtgehumeurd en nauwelijks nog creatief. Dan loert een burn-out om de hoek.»

    HUMO Uw boek is een betoog voor de opwaardering van ons offlinebrein.

    SWINNEN «Zo noem ik dat: de geleerde term is default mode network, het rustnetwerk van je brein. Dat deel wordt pas erg actief als we niets doen. Het aandachtsnetwerk of central executive network – zeg maar het onlinenetwerk – is actief als we taken uitvoeren, piekeren, slapen en deelnemen aan de ratrace: dan valt het offlinebrein stil. Het is een of-ofverhaal: als het ene netwerk actief is, valt het andere uit. Om het offlinenetwerk in gang te zetten, moet je bijvoorbeeld mijmeren. Ik heb dat mezelf aangeleerd: elk halfuur kijk ik eens twee minuten door het raam of naar het aquarium. Daar word je op den duur creatiever, empathischer, veerkrachtiger en rustiger van. De laatste decennia werd dat netwerk verwaarloosd. Alles staat in functie van werken en bezig zijn, met de burn-outepidemie tot gevolg.»

    MODERN FOLTERTUIG

    HUMO We moeten ons meer vervelen?

    SWINNEN «Ja, want dan is het offlinenetwerk aan zet en word je creatiever. Denk maar aan hoe J.K. Rowling Harry Potter bedacht: op een trein van Manchester naar Londen terwijl ze naar het voorbijglijdende landschap keek, in plaats van te telefoneren of op haar laptop te werken. Of aan Archimedes, die in bad zijn eurekamoment beleefde en de wet van het soortelijk gewicht bedacht.

    »Wie mijmert, kan ook empathischer zijn. Toen we ‘in ons kot’ moesten blijven, hoorde je overal: ‘Zorg voor jezelf en voor anderen’ – je onlinebrein redeneert: ieder voor zich. Mensen gingen pluchen beertjes voor hun raam zetten, zodat kinderen op ‘berenjacht’ konden gaan: je komt vaker op dat soort ideeën als je hoofd niet vol to-dolijstjes zit. Tenminste, als je niet continu op de sociale media zit. Je telefoon is een modern foltertuig: hij houdt je in je onlinebrein.»

    HUMO Het smartphonegebruik nam net toe. Eenzaamheid is toch ook niet goed voor het offlinebrein?

    SWINNEN «Het is niet omdat je je smartphone gebruikt, dat je niet eenzaam bent. Mensen willen lijfelijk contact, écht contact. Ik denk ook niet dat het telewerken na deze crisis zal toenemen: mensen zullen eerder blij zijn dat ze ervan af zijn.

    »In het begin belde ik mijn vrienden vaak op, maar dat nam sterk af. Wat viel er nog te zeggen? Soms verplicht ik mezelf een dagje rond te bellen om te horen of iedereen nog leeft, maar als je een lijstje met namen voor je liggen hebt, wordt ook dat weer een taak.

    »Weet je waarom kleurboeken voor volwassenen een tijdje populair waren? Omdat je tijdens het kleuren kunt mijmeren en naar je offlinebrein kunt gaan. Puzzelen of kruiswoordraadsels invullen kan ook, zolang je ze maar niet per se goed wilt oplossen – dan ben je weer gericht op presteren.

    »Ook boeken lezen is een goed tijdverdrijf. Momenteel ben ik bezig in de drie joekels van Yuval Noah Harari: tijdens het lezen droom ik dan weg naar hoe het eraan toeging in de oertijd. Ik wil het niet allemaal exact weten.

    »Een powernap van twintig minuutjes ’s middags werkt ook zeer goed voor mij. Belangrijk is dat je niet écht in slaap valt, want dan wordt je brein weer actief: het activeert zijn opkuisfunctie. Tijdens de slaap krimpen je hersenen lichtjes, zodat de giftige eiwitten – die zich doorheen de dag hebben opgehoopt wanneer het brein maximaal aan het werk was – worden verwijderd. Door die inkrimping komt dat ‘afval’ makkelijker via het bloed bij de lever terecht, waar het wordt verbrand. Tijdens een powernap houd ik een bos sleutels in mijn handen, zodat ik wakker schiet als die op de grond valt.

    »Eén van de beste dingen die je kunt doen, is wandelen. Weet je waarom je idealiter 10.000 stappen per dag zet? Omdat je dan nieuwe hersencellen aanmaakt. Het brein is plastisch: nieuwe ervaringen leiden tot nieuwe verbindingen, en oude verbindingen zonder nut worden opgeruimd. Het is niet de bedoeling dat je jezelf een aantal kilometers oplegt. Ga gewoon wandelen zonder verplichting: straatje in, straatje uit, op goed geluk. Dan ben je aan het mijmeren en zit je in je offlinebrein. Als je daarnaast ook nog eens voldoende en regelmatig slaapt – wat belangrijk is voor een optimale opkuisfunctie – en gezond eet, ben je al goed bezig.»

    HUMO Wat raadt u de slapelozen aan?

    SWINNEN «Een piekerkwartiertje. Mensen piekeren nu eenmaal, en er zíjn nu ook veel redenen toe. Maar als je de hele dag piekert, kun je ’s avonds niet slapen. Het is beter een kwartiertje in te lassen waarin je je afzondert en jezelf verplicht te piekeren over alles waarover te piekeren valt. Daarna mag je niet meer piekeren. Merk je dat je dat toch doet, dan moet je jezelf luidop een halt toeroepen: ‘Stop!’

    »Ademhalingsgericht inslapen werkt ook goed. Zelf gebruik ik de 4-7-8-methode: je ademt met gesloten mond 4 seconden rustig in door je neus, houd dan je adem 7 seconden vast, en ademt ten slotte 8 seconden via de mond uit. Je moet je die techniek wel aanleren en tweemaal per dag oefenen, maar nooit meer dan vier keer na elkaar. Met 4-7-8 adem je dubbel zoveel uit als in, waardoor je automatisch tot rust komt – mensen die hyperventileren als ze erg gestresseerd of angstig zijn, doen dat net omdat ze meer in- dan uitademen. Wie in bed ligt en deze methode toepast, valt meteen in slaap. Maar je moet oefenen: ze werkt pas na veertien dagen.

    »Ik pas dit ook toe als ik in een saaie vergadering zit waarin iedereen zijn eigen waarheid zit te verkondigen. Niemand merkt dat aan mij, maar ik ben dan doodkalm en hoor bijna niet meer wat er gezegd wordt. Win-winsituatie: zo ben ik creatief met iets anders bezig én van die zeveraars verlost.»

    CTRL-ALT-DELETE

    HUMO Zelfs wie niet van nature angstig is, ervaart nu meer angst. Met welke klachten bellen uw angstpatiënten zoal?

    SWINNEN «Sommigen hebben angst voor de dood: ‘Als ik op intensieve zorgen terechtkom, ben ik er geweest. Zou ik mijn familie al verwittigen? Zal ik al een testament opmaken?’ Ik raad dan altijd aan je alleen bezig te houden met wat je zelf kunt veranderen: de richtlijnen opvolgen – dus niet de rebel uithangen die feestjes geeft. Als je doet wat je kúnt doen, geeft dat je een zekere vorm van autonomie. Als je ondanks alle voorzorgen toch besmet raakt, dan heb je tegenslag. Maar daar hoef je niet over te piekeren, want je kunt daar niets aan veranderen. Schuif dat door naar het piekerkwartier.

    »Ik stel ook samen met mijn patiënten een duidelijk dagschema op: om rustig te kunnen leven, moet je gestructureerd leven. Onlangs was er een tijdssocioloog te gast in ‘De afspraak’, iemand die zich bezighoudt met hoe mensen hun tijd indelen. We hebben voor alles een uur: om op te staan, om te gaan slapen, tijd om te werken, tijd om te ontspannen of om met vakantie te gaan. Doorbreek dat eens, en maak er een tijdschema van dat meer gericht is op je gezondheid. Dat valt niet allemaal te regelen, maar je kunt het opstellen in samenspraak met je gezin. Ik wil bijvoorbeeld voor tien uur ’s ochtends geen enkele telefoon meer, zodat ik de tijd heb om te praten met mijn partner. De kinderen zijn de deur uit: met hen plan ik dan wanneer ik ga bellen – zo hoef ik me niet op te jagen als ze niet opnemen.

    »Beperk ook het aantal prikkels: in plaats van continu nieuwssites te refreshen en informatieve programma’s te volgen, kies je beter één bron. Ik organiseer mijn leven ook zo dat ik niet de hele dag met mails of telefoons hoef bezig te zijn. Ik zie nu dat ik 22 mails en 82 berichten heb, maar ik weiger ernaar te kijken.»

    HUMO Die aantallen zien geeft u geen stress?

    SWINNEN «Dat doet mij niks meer. Ja, op maandagmorgen zitten er inderdaad tot 150 mails in mijn inbox, maar als ik me daarmee moet bezighouden, is mijn week voorbij voor ze goed en wel begonnen is. Wat doe ik dus op maandagmorgen? Control-alt-delete van de inbox. Als het dringend is, bellen mensen wel of mailen ze opnieuw. En als ik offline wil gaan, zet ik mijn telefoon op vliegtuigstand. Het geluid van een binnenkomende mail of een bericht activeert je stress-hormoon.

    »Ook belangrijk: pauzéér in je pauze. Ik heb een school voor burn-outcoaching, waar elke dag in twee pauzes voorzien is. ’s Morgens zeg ik: ‘Je kunt twee dingen doen: ofwel laten we die pauze bestaan en dan wil ik geen enkele telefoon zien, ofwel schaffen we ze af, want anders ga je toch aan het werk.’ De meesten kiezen voor die pauze en slaan dan een praatje.»

    HUMO Ik heb de schaal van Holmes en Rahe uit je boek, die de hoeveelheid stress berekent, eens toegepast op deze coronatijden: gevangenschap; verandering in financiële toestand, in werkuren en werkomstandigheden; een herziening van persoonlijke gewoontes; verandering in vrijetijdsbesteding, in sociale activiteiten en in slaapgewoontes… Alles samen goed voor 213 punten.

    SWINNEN «Dan zit je al hoog, hè. Een score van 150 tot 299 geeft een matig risico op ziekte, een score van boven de 300 betekent een ontegensprekelijk risico op ziekte. Na deze periode gaan er heel veel psychische klachten naar boven komen. Wie van nature al angstig is en nu een angstaanval krijgt, contacteert beter meteen een psychiater. Maar de angsten van de doorsneemens zijn aan te pakken met de tips en tricks in het boek – het kon op geen beter moment uitkomen, al was het natuurlijk al geschreven voor de corona-uitbraak.»

    Luc Swinnen, ‘Rust voor je brein’, Lannoo

    https://stressmanagement.be/luc_swinnen_stress_management-nieuws.asp?taal=nl&rubriekID=JMMMNPGRG4