Zelfzorgtips

Bijna 50% slaapt slecht door stress: deze zelfzorgtips helpen

Libelle – Door Isabelle Ignoul

We razen met z’n allen door het leven. ‘Druk, druk, druk’ lijkt wel standaard te zijn. Nee, we staan zelden eens stil, zelfs niet op de rem. Met alle stress en gezondheidsgevolgen van dien. Volgens experts is een gebrek aan zelfzorg de grote boosdoener. Maar daar kun je gelukkig iets aan doen. Lees maar mee.

Te weinig zelfzorg= stress

Uit onderzoek blijkt dat bijna 45% van de bevolking ’s nachts meer dan eens naar het plafond ligt te staren. De oorzaak? Stress! En die stress halen we ons op de hals door te weinig zelfzorg. En nee, dat heeft niets met egoïsme te maken. Maar wat is zelfzorg dan wel?

Wat is zelfzorg?

Zelfzorg is elke (kleine) handeling die een fundamentele invloed heeft op ons fysieke, emotionele, relationele en soms ook professionele welzijn.

Zelfzorg wordt onterecht weleens bestempeld als egoïsme, maar dat is het alleszins niet. Integendeel, het is een vorm van zelfrespect. Bovendien: wanneer je voor jezelf zorgt, heb je ook meer energie om voor anderen te zorgen.

Waarom is zelfzorg zo belangrijk?

Wanneer je geen of te weinig zorg draagt voor jezelf, krijg je meer last van:
algemene vermoeidheid allerlei lichamelijke en mentale klachten, zoals stressgerelateerde hoofdpijn, geheugenproblemen, concentratieproblemen, versnelde hartslag,…

Op die manier is het pad snel geëffend voor ernstigere klachten, zoals een burn-out of depressie.

Zelfzorg: hoe begin je eraan?

Je hoeft niet meteen een vakantie te boeken of jezelf een duur wellnessarrangement cadeau te doen (dat mag, natuurlijk!), maar ook met kleine zaken kun je al een wereld van verschil maken:

Maak een happy list
Schrijf elke avond, bijvoorbeeld voor het slapengaan, minstens één ding op wat je gelukkig heeft gemaakt die dag. Dat kunnen hele kleine zaken zijn, van een onverwacht telefoontje van een vriendin, tot de hemel die opklaart na een regenbui of een nieuw, gezellig koffiezaakje dat je ontdekte. Op die manier focus je meer op het positieve dan op het negatieve.

Ga voor koud water
Ja, je leest het goed. Koud water geeft je energiepeil een boost. Studies tonen zelfs aan dat het helpt om endorfines aan te maken. En die hebben een antidepressieve werking. Voor je enthousiast gaat ijsberen: het is al voldoende om je doucheritueel af te sluiten met 30 seconden koud water.

Geef je ogen een pauze
Laptops, computers, tablets, smartphones… onze arme ogen krijgen dagelijks heel wat te verduren, met droge ogen, hoofdpijn, wazig zicht, … als gevolg. De oplossing? Hanteer de ’20-regel’: voor elke 20 minuten die je op een scherm zit te turen, kijk je gedurende 20 seconden even voor je uit in de verte.

Adem zoals een yogi
Onderzoeken tonen aan dat 20 minuten yoga je humeur en energiepeil een boost kunnen geven. Je hoeft nu niet meteen naar een yogales te spurten, met wat eenvoudige yoga ademhalingstechnieken geraak je thuis ook al een heel eind. Probeer deze eens:
Maak een L met je rechter duim en -wijsvinger.
Adem diep in.
Druk je rechter neusvleugel dicht met je duim, laat je wijsvinger rusten op je voorhoofd en adem uit.
Adem nadien weer in via je linker neusgat.
Met je linkerhand herhaal je dezelfde beweging: adem diep in, druk nu je linker neusvleugel dicht met je duim, adem uit en adem weer in via je rechter neusgat.
Herhaal minstens 10 keer.

Getty Images
Geef je huid eens een echte verwenbeurt. Laat dat bad meer eens vollopen, doe er een heerlijk geurende olie in en leg een maskertje op je gezicht. Nadien smeer je je lichaam in met lichaamsolie of bodylotion. Zalig genieten!

Haal dagelijks een frisse neus
We komen te weinig buiten, dat is een feit. Start je dag eens met een kleine wandeling of een fietstochtje, amper 15 minuten volstaan al. Je zult met een beter gevoel je dag kunnen starten. ’s Ochtends geen tijd? Maak dan van je middagpauze gebruik om even de benen te strekken.

Lach (samen met een vriendin)!
Lachen is gezond. Een cliché, maar o zo waar! Spreek eens met je vriendin af, ga samen naar een grappige film of haal oude (jeugd)herinneringen op. Wedden dat je in een deuk ligt? Lachen is zo heerlijk! Bovendien komen er op die manier endorfines (het zogenaamde gelukshormoon) vrij én het is ook nog eens erg goed voor jullie vriendschapsrelatie. Zeker doen dus!

Plan een uitje
Ook al heb je niet (meteen) de intentie om te vertrekken. Informatie opzoeken en fantaseren over nieuwe plekjes is de perfecte vlucht uit de realiteit. Zalig! En wie weet, boek je uiteindelijk toch dat ene tripje? Fijne vooruitzichten geven je een instant geluksgevoel.

Koop verse bloemen
Zomaar, voor jezelf. Omdat het kan! Bloemen brengen letterlijk geur en kleur in je leven. Dus waarom wachten op die ene speciale gelegenheid?

Neem foto’s
Photos are a return ticket to a moment otherwise gone. Daar zijn we het helemaal mee eens! Neem foto’s van mensen, dingen of momenten die je gelukkig maken. En bekijk ze later opnieuw en opnieuw en opnieuw. Instant feelgood.

Ontbijt eerst
Het gebeurt maar al te vaak: zodra je wakker wordt, check je je telefoon. Onze raad? Laat die telefoon het eerste uur van de ochtend achterwege. Ontbijt eerst, drink je koffie en laat nadien de wereld maar komen.

JOMO in plaats van FOMO
Het fear of missing out-syndroom (FOMO) kunnen we ondertussen allemaal: je bent bijna 24/7 online en je gaat in op elke uitnodiging, opdat je maar niets zou missen. Leuk, misschien. Vermoeiend vooral. Daarom is JOMO (joy of missing out) een beter idee. Gun jezelf af en toe een break van alle sociale ‘verplichtingen’ en social media. Even deconnecteren van de wereld, echt een goed idee!

Bestel dessert
Twijfel je of je na die uitgebreide lunch nog wel een dessert zou nemen? Niet doen, gewoon bestellen. En genieten!

Doe eens helemaal niets
Last but not least: er niets mis met eens een keertje helemaal nietsdoen. Drink een (decadente) koffie op een zonnig terras, slenter wat doelloos door de stad, doe een dutje overdag,… Omdat het kan én mag!

 

Depressief-zijn blijft een taboe

Essay
Sid Lukkassen

Depressief-zijn blijft nog wel even taboe

‘Wees lief voor iedereen maar verpletter de concurrentie’.

DOORBRAAK – 11 juni 2019

Geestelijke gezondheid is een prangend onderwerp. In de psychiatrie is depressie een hersenaandoening die optreedt wanneer iemand met enige aanleg (biologische kwetsbaarheid) wordt blootgesteld aan stress. De Correspondent – het vlaggenschip van progressief, hoogopgeleid en kosmopolitisch Nederland – wijdde er een artikel aan. De hoofdvraag is: waarom wordt er steeds meer over depressies gepubliceerd, maar is het nog steeds taboe om openlijk te spreken over het persoonlijke leed van een depressie?

Structurele schizofrenie

De Correspondent zoekt het antwoord in maatschappelijke analyses, in het bijzonder van de psycholoog-filosoof Bert van den Bergh. Diens waardevolle inzichten lijken opmerkelijk veel op analyses van ondergetekende in Avondland en Identiteit (2015).

Voordat we daarop ingaan, is het belangrijk te benoemen wat een probleem zou moeten zijn voor de psychologie en psychiatrie an sich. Dit probleem doet namelijk de fundering van deze disciplines wankelen. Ik bedoel dat het in deze tijd van digitalisering, globalisering en onthechting – ook wel ‘sociale anomie’ genoemd: het wegvallen van bezielende verbanden – steeds moeilijker blijkt om een scheidslijn te trekken tussen klachten die worden veroorzaakt door een herstelbaar defect bij de patiënt en klachten veroorzaakt door een uiteenvallen van de samenleving.

Van den Bergh geeft de volgende verklaring: ‘Je ziet het goed terug in de alomtegenwoordigheid van talentenshows, die ook bij de jongste kinderen heel populair zijn. Wat is de boodschap die kijkers aan talentenshows ontlenen? “Schitter en geniet, ook van je medekandidaten, maar zorg dat ze verdwijnen.” Kortom: Wees succesvol, wees alleen en wees een winnaar.’

Donald Trump troont in het hart van onze ultra-liberale cultuur: hij werd bekend door zijn talentenshow The Apprentice. We worden tegenwoordig allemaal aangesproken als aspiranten en worden geacht ontvankelijk te zijn voor die boodschap. In de Westerse beschaving herkennen we twee culturele polen. Een zachte, utopische, Alle Menschen werden Brüder en een meer heidens uitgangspunt dat we onder meer terugvinden bij de filosoof Niccolò Machiavelli. Vanuit die tweede pool wordt de soevereiniteit met harde hand verdedigd. Het is duidelijk dat Donald Trump beter bij die tweede aansluit. Net waar deze twee culturele polen zich in iemands geestesleven vastzetten en onverenigbaar blijken, treedt stress op en slaan depressies toe.

In Avondland en Identiteit formuleerde ik het als volgt: ‘We stimuleren onze kinderen om de hoogste cijfers van de klas te halen – we moedigen hen aan de sterspelers te worden van de sportteams. Onze dochters geven we op voor schoonheidswedstrijden. Zo toont zich de realiteit van de bikkelharde kapitalistische competitie: de ene hond eet de andere volgens de wet van de jungle. The weak are meat, the strong do eat. En vervolgens bedekken we deze realiteit met lieve gebaren, met een deken van egalitarisme. Er zijn zelfs prijzen voor wie als laatste eindigt en beloningen voor het louter meedoen.’ (Avondland en Identiteit, blz. 49)

Wees lief voor elkaar & eet elkaar op

Wat er ontbreekt in de beschouwing door Van den Bergh, is een diepere cultureel-sociologische verklaring. Mijn analyse is dat dit schisma herleidbaar is tot een zielsdiep conflict binnen de Westerse beschaving. Enerzijds koester men het christelijk-socialistische credo van vergeving, verzoening en een grote convergentie die wacht aan het einde van de geschiedenis. Dit alles staat echter haaks op het heidens-kapitalistische fundament van concurrentie en selectie, waar een winner’s drive zich doet gelden als het recht van de sterkste.

‘Zelfs onze vriendelijkheid is deel van deze sociale rivaliteit. Want hoewel kapitalistische, liberale en libertaire visies op het leven breed gedragen worden, proberen we te vermijden dat we publiekelijk betrapt worden op een ‘zelfzuchtige’ daad. Het credo van ons tijdperk kan worden opgesomd als: “Wees lief voor iedereen maar verpletter de concurrentie”.’ (Avondland en Identiteit, 2015, blz. 49)

Spinoza zegt: ‘grote vissen eten kleine vissen en het recht van de dingen strekt zich even ver uit als hun macht.’ Wie dit doorziet, kan zich nog maar moeilijk tevredenstellen met de troostprijzen; met slogans als: ‘meedoen is belangrijker dan winnen’, iets dat vooral de niet-winnaars op de mouw gespeld krijgen. Het leidt tot mentale botsingen met alle ‘inclusieve’ fabeltjes zoals de zalvende boodschap: ‘alleen het innerlijk telt’. Dat wordt vooral gezegd door mensen die zelf niet oogverblindend zijn. De harde realiteit is: waarom nader kennis maken als het uiterlijk al afschrikt?

Onder werd boven en boven onder

Deze schizofrene cultuur maakt depressief. Een sluitende conclusie, maar niet vergaand genoeg. Bert van den Bergh voegt er nog een interessante observatie aan toe: ‘Het is de erfenis van de jaren zestig en zeventig, en van de jaren tachtig en negentig. De zelfbevrijding van die eerste epoche en de marktbevrijding van het tweede klikten soepel in elkaar. En hier zijn we: legioenen die massaal last hebben van depressie.’

Ook hier is het opmerkelijk om te zien hoezeer die constatering – opgevoerd door de ultralinkse Correspondent – gelijkloopt met de mijne: ‘Het huidige narcisme staat met twee benen in de twintigste eeuw. Enerzijds was er de GroenLinks-ideologie, het streven om mensen mondig te maken. Zodat ze goedgebekt waren en hun meningen konden ventileren. Anderzijds was er het Amerikaanse neoliberalisme met haar fixatie op imagocultivatie – dat van de vlotte dame of de frisse lefgozer die klaar staat om de top te bestormen. Kortom: het anti-autoritaire van de jaren ‘60 gecombineerd met het commercialisme van de jaren ’90.’ (Avondland en Identiteit, 2015, blz. 204)

Emotionele marktwetten

Hier moeten we opmerken dat ‘links’ er inderdaad langdurig naar streefde om mensen mondig te maken. Maar nu ze mondig geworden zijn, heet dit plots ‘populisme’. Deze politieke pirouette – boven werd onder werd en onder boven – heeft de bevolking enorm verward. Het doet afbreuk aan het geestelijke welbevinden. Gelukkig raadplegen en steunen steeds meer mensen mijn analyses – hier vindt u er enige, om een innerlijke balans te (her)vinden. Het kernpunt dat depressies tot taboe-onderwerp maakt, ligt wellicht in die ‘liberale’ pool: het punt van de marktwaarde. Dit vat ik maar even samen als fake it until you make it, wat ook samenhangt met het cliché over mannenemoties: ruwe bolster, blanke pit.

‘Marktwaarde’ moeten we hier breder zien: niet alleen economisch, maar ook het sociale kapitaal dat samenhangt met romantische en erotische perceptie; het geheel van hoe jij als individu al dan niet floreert binnen het sociaal-maatschappelijke weefsel. Wie zegt: ‘Ik lig niet prettig in het sociale weefsel en voel me geïsoleerd’, die zegt indirect: ‘Ik ben een risico, investeer niet in mij.’ Hoe dan ook blijkt geestelijke gezondheid op de relatiemarkt erg complex, wat het taboe rond depressies verder versterkt. Enerzijds vinden vrouwen het vaak leuk om een man op te vrolijken en hem te verzorgen. Anderzijds vallen vrouwen ook op ‘sterke’ mannen die in staat zijn hen te onderhouden. Dit is een diepe oerreflex en dialogen over mentale weerbaarheid en kwetsbaarheid maken deze biologische codering niet wezenlijk anders.

Fake it until you make it wil dus zeggen dat als jij aangeeft: ‘ik voel me eenzaam, vrouwen kijken niet naar me om, ik vind het moeilijk om nieuwe vriendschappen te sluiten’. Als je zulks laat doorschemeren dan daalt je marktwaarde onmiddellijk. Je moet immers laten zien dat je ‘in goede staat verkeert’. Dan pas zullen mensen je interessant vinden en geneigd zijn in je te investeren.

Sid Lukkassen

Een goed gesprek

Opvoeden is veel meer dan straffen en belonen

Brainwash – Daan Roovers

In Brainwash Talks van Human delen invloedrijke denkers, schrijvers, kunstenaars en wetenschappers verrassende ideeën voor persoonlijke en maatschappelijke problemen. Deze keer filosoof en Denker des Vaderlands Daan Roovers, over de opvoeding van kinderen.

Elke woensdagmiddag sta ik bepakt en bezakt op het schoolplein te wachten tot mijn twee kinderen naar buiten komen rennen. En dan begint het. Dan stappen we op de fiets en dan de hele woensdagmiddag lang van hot naar her. We maken een tocht door heel Amsterdam, naar het voetbalveld, naar de vioolles. We zijn pas weer thuis als het etenstijd is. En ik ben niet de enige die dat doet op de woensdagmiddag.

Tijdens al die fietskilometers die wij dan maken denk ik vaak aan Amy Chua, de Chinees-Amerikaanse tijgermoeder die een paar jaar geleden onze westerse manier van opvoeden hekelde in een boek over de spartaanse opvoeding van haar twee eigen dochters. Zij vindt dat wij dat gemakzuchtig doen, opvoeden. We zijn te weinig ambitieus met onze kinderen. We stellen daar te weinig eisen aan.

Dat vond ik een opvallende conclusie. Dat idee krijg ik totaal niet als ik naar het schoolplein kijk. Maar even los van de vraag wat het belangrijkste is in de opvoeding – sport, muziek of toch toneel – en ook de mate waarin je daarin als ouder ambitieus moet zijn, wil ik het nu even hebben over de vraag: Wat is eigenlijk het doel van de opvoeding? Waar zijn die twee en een half miljoen mensen in Nederland die dagelijks voor hun gezin zorgen, nou eigenlijk mee bezig? Wat willen we onze kinderen bijbrengen?

En mijn antwoord daarop komt van Immanuel Kant. Opvoeden betekent menswording. Volgens Immanuel Kant is een mens pas mens door zijn opvoeding. Dat is pas ambitieus. Kant leefde in een andere tijd dan de onze. Dat moet ik er wel bij zeggen. Het is eind 18e eeuw. Kant was destijds gevraagd door de net opgerichte faculteit pedagogiek in Koningsbergen om lezingen over opvoeding te geven en om goed na te denken over het doel en de methode van de opvoeding.

Want, zo was de gedachte: als we een wetenschap van de opvoeding maken, zou dat niet een enorme stap voorwaarts betekenen? Als we al die individuele kennis nou eens samenbrengen tot één geweldige wetenschap. Bovendien: opvoeden is zo belangrijk, dat moet je niet aan ouders overlaten. Die hebben daar helemaal niet speciaal verstand van en ze zitten er emotioneel veel te dicht bovenop. En dat is dus in de tijd van de Verlichting van het vertrouwen in de wetenschap, optimisme en het belang en de nadruk op autonomie.

Dat wetenschappelijk enthousiasme zijn we een beetje kwijtgeraakt de afgelopen eeuw, maar die nadruk op autonomie is alleen maar sterker geworden. Kant ontwikkelt in zijn lezingen vier fases in de opvoeding. De eerste fase is disciplinering. Dat is het temmen van de driften. Zindelijkheidstraining, maar ook het leren beheersen van je humeur. De tweede fase, dat is cultivering. Dat is leren lezen en schrijven, musiceren, sport en spel. De derde fase is civilisering. Dat is een burger worden. Dus daarin moet je leren omgangsvormen te ontwikkelen, fatsoen, eten met mes en vork, je in de cultuur kunnen gedragen. En de vierde fase, de belangrijkste fase, dat is de moralisering, de ontwikkeling van je geweten.

Nu is het met deze fases zo, zoals met zoveel dingen in de opvoeding, dat ze niet van de ene fase keurig overgaan in de andere. Het gaat wat rommelig. Daar moet je geen punt van maken. Maar belangrijk is dat je aansluit bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind. Dat wordt wel vaak benadrukt. Kant geeft daar hele praktische voorbeelden van. Hij is bijvoorbeeld sterk tegen het gebruik van helmpjes, om je hoofd te beschermen. Kant zegt: kinderen moeten leren lopen en fietsen en ook leren vallen. En je leert te vallen door je natuurlijke valbeschermers – dat zijn je handen – goed te gebruiken. Als je vertrouwt op externe factoren, dan zou dat zomaar een oneigenlijk gevoel van veiligheid kunnen geven. En daarom kun je beter je natuurlijke vermogens versterken, dan onnatuurlijke vermogens aanbrengen. Ik moet wel zeggen dat het verkeer in Kaliningrad of Koningsbergen twee eeuwen geleden er iets anders uitzag dan in Amsterdam in de 21e eeuw. Er kwamen op een dag hooguit twee postkoetsen voorbij. Maar het gaat om de argumentatie: sluit aan bij de natuurlijke ontwikkeling en versterk die.

Die vier fases kun je vandaag de dag nog heel goed herkennen in de ontwikkeling van kinderen. Disciplinering. Nou, daar hebben we tegenwoordig zelfs tv-programma’s over. Supernanny, heet dat. Dat is een deskundige vrouw die komt als het thuis heel erg uit de hand gelopen is. Veel ouders kijken daarnaar met een licht ramptoeristische belangstelling, omdat je zeker weet: zo erg is het bij mij thuis niet. Kinderen die met eten smijten, elkaar afrossen: volkomen wangedrag.

De oplossing van het probleem is altijd dat er een deskundige wordt ingevlogen, de supernanny. En die komt met een soort recept van rust, reinheid en regelmaat en met de introductie van ‘the naughty spot’. Dat is een plek waar je heen verhuisd wordt als je stout bent geweest. Na een paar weken is de rust dan weer enigszins wedergekeerd. Dat is opvoeden als disciplineren, temmen. Moet soms even gebeuren.

De tweede fase, die cultivering, daar had ik het in het begin over. Daar hebben wij het zo druk mee in de 21e eeuw. Daarvoor fietsen wij ons buiten adem van het ene naar het andere clubje. Dat hele circus dat zich op die woensdagmiddagen ontrolt. Dat is onze belangrijkste ambitie, lijkt het nu wel. De derde fase, civilisering, die kennen we ook heel goed. Daar maken we graag ruzie over, wie er nou verantwoordelijk is. De straatcoach, de voetbaltrainer, de school of de ouders. Maar iemand moet kinderen fatsoensnormen bijbrengen. Wie precies, daar kunnen we over steggelen, maar dat het belangrijk is, daar twijfelt niemand aan.

Maar die vierde fase, de ontwikkeling van het geweten daar hoor je heel zelden iemand over. Klinkt misschien ook wel een beetje moralistisch of aanmatigend, ‘gewetensvorming’, maar Kant bedoelde daarmee niet meer en niet minder dan de ontwikkeling van je autonomie. Dat is zelf leren denken, zelf beslissingen nemen en je daarvoor verantwoordelijk weten. Dat is in deze tijd zeker niet minder belangrijk dan toen. Maar hoe doe je dat, gewetensvorming? Hoe ontwikkel je een geweten? Het aller-, allerbelangrijkste is daarin dat je kinderen leert het goede te doen, vanwege het goede zelf. Het goede doen vanwege het goede zelf. Dus niet omdat ze je gehoorzamen, maar omdat kinderen weten wat het goede is, dat herkennen en dat ook het goede vinden.

Neem liegen. Als een kind liegt, dan moet je het nooit straffen, zegt Kant. Als een kind liegt, moet je uitleggen dat als het kind liegt, er op den duur mensen zullen zijn die het kind niet meer geloven. En je moet dat blijven herhalen en blijven uitleggen. Want als je je kind straft als het liegt of beloont als het de waarheid spreekt, dan gaat het op den duur denken dat het in de wereld zo werkt dat goed gedrag beloond wordt en slecht gedrag bestraft. Dat is dresseren.

Als het kind dan ouder wordt en erachter komt dat in de wereld goed gedrag niet altijd beloond wordt en dat slecht gedrag ook heus niet altijd bestraft wordt, dan verliest het de hele motivatie voor het goede handelen. En daar zijn natuurlijk veel meer voorbeelden van. Waarom zou je je aan je beloften houden? Waarom zou je andere kinderen niet pesten? Waarom zou je eerlijk delen? Cruciaal is dat bij de ontwikkeling van moraal het systeem van straffen en belonen volkomen misplaatst is. Daar creëer je op z’n best gedresseerde apen mee. Het lijkt misschien wel triviaal, maar die ‘naughty spot’, waar we het net over hadden die is hier toch wel heel erg ver weg. Autonomie ontwikkel je door het goede inzicht, inzicht in het goede, en de juiste motivatie. En dat leer je niet op babygym, niet op ponykamp, niet op vioolles, niet op voetbaltraining. En al helemaal niet op die ‘naughty spot’ waar je naartoe verbannen bent.

Maar hoe zou je dat dan aan kunnen pakken? Eigenlijk is er maar een ding wat enigszins daarbij in de buurt komt, en dat is een goed gesprek. Dat vergt een beetje tijd en een beetje reflectie, maar het belangrijkste is eigenlijk dat je eindeloos moet ouwehoeren. Misschien dat dat een klein beetje de prestatiedruk van de moderne 21e-eeuwse ouders zou kunnen verlichten. Kant zegt: opvoeden is een kunst. En dat is dus de kunst van het goede gesprek. Dat kan je niet leren op een clubje, dat kun je ook niet uitbesteden aan een professional. Ik denk dat ik volgende week woensdag voor één keer de sportspullen en de viool ga vergeten. En dat ik hele middag met de kinderen op een kleedje in het park ga zitten ouwehoeren.

Vooroordelen over depressie

“Je hebt toch alles om gelukkig te zijn?” Dit zijn de grootste vooroordelen over depressie

Libelle – Door Charlotte Teugels – 05.05.2019

Één op de vijf Vlamingen krijgt ooit te maken met een depressie, en toch is er niet altijd evenveel begrip. Deze lezeressen en deskundige reageren er graag op.

Vooroordeel 1: Depressie zit tussen de oren
Psychiater dr. Hannelore Tandt: “Een depressie is een psychiatrische aandoening, waarbij daadwerkelijk dingen gebeuren in je hersenen en lichaam. Er kan bijvoorbeeld een onevenwicht zijn in je neurotransmitters of hormonen, waardoor je te weinig serotonine aanmaakt of te veel stresshormonen. Het kan ook zijn dat je immuunsysteem verstoord is, of dat de informatieverwerking in je hersenen niet goed verloopt. We zien zelfs dat een depressie een soort litteken achterlaat in de hersenen: veranderingen in de zenuwbanen, die ervoor zorgen dat je nadien gevoeliger bent om opnieuw depressief te worden.

Daarnaast is er vaak sprake van een genetische aanleg: als depressie voorkomt in de familie, heb je tot drie keer meer kans om zelf ook depressief te worden. In feite is een depressie dus een heel complexe combinatie van neurobiologische en genetische factoren. Dat afdoen als ‘inbeelding’ is absoluut onjuist.”

Vooroordeel 2: Iemand met een depressie is gewoon niet zo’n goeie vechter
Lezeres Lien (24): “Mensen met een depressie zwak? Integendeel. Als je een depressie hebt, vecht je net kéihard. Elke dag opnieuw. Ik weet waarover ik spreek, ik vecht al bijna tien jaar. Ik was amper 15 toen het begon. Ik voelde me apatisch, gevoelloos, alsof ik overal buiten stond. Ik begon mezelf te snijden om toch maar iéts te voelen. Ik kreeg medicatie en therapie voorgeschreven, maar ik voelde me steeds slechter. Op een keer sneed ik mezelf zo hard dat ik in het ziekenhuis belandde. Ik werd opgenomen op de psychiatrische afdeling, waar ik nog dieper leek weg te zinken. Op een dag werd het me allemaal te veel, ik kon niet meer. Heel even gaf ik het gevecht op, ik wilde er een einde aan te maken, maar een verpleegster vond me net op tijd. Is dat zwak? Ik vind van niet. Ik was op dat moment gewoon moe gestreden van te lang sterk te willen zijn.

Ik was niet blij dat ze me op tijd hadden gevonden, nee, dat ben ik nog altijd niet. Ik heb sindsdien niets anders gekend dan pijn. Geen enkele arts kan verklaren wat er aan de hand is. Waarom ik zo ongelukkig ben. Ook zelf weet ik het niet. Het is niet dat ik niet wil leven. Dat wil ik wél. Maar niet op deze manier. Niet in deze depressie. Mijn gedachten gaan er regelmatig met mij vandoor. Dan denk ik: wat doe ik hier nog? Ik kijk naar mezelf in de spiegel, en vraag me af: wat is mijn toekomst? Ik volg therapie, en neem nog steeds medicatie, maar het lijkt niet te helpen.

Het enige dat ik doe, is vechten. Vechten, vechten, vechten. Vechten tegen het mes om mezelf te snijden. Vechten tegen mijn eigen gedachten. Vechten om te overleven. Vierentwintig uur per dag woedt die strijd in mijn hoofd: haak ik af, of ga ik door? Zeg me dus alsjeblieft niet dat mensen met een depressie zwak zijn. Geloof me, als ik niet zo sterk was als ik ben, dan was ik hier al lang niet meer…”

Vooroordeel 3: Een avondje met je vrienden zal je deugd doen
Caroline (57): “Voor de meeste mensen is een avondje met vrienden ontspannend. Ik begrijp dus wel waar dit misverstand vandaan komt. Maar voor mensen met een depressie is het verschrikkelijk. Sociale contacten vragen heel veel energie, zeker in een groep, en die energie heb je gewoon niet als je depressief bent. Ik heb het de eerste jaren nog geprobeerd. Ik wilde niet altijd ‘nee’ zeggen als vriendinnen me meevroegen, ik was bang dat ik op den duur niemand zou overhouden. Maar het waren telkens vreselijke avonden. Uiterlijk lachtte ik, praatte ik mee.

‘Ze heeft er deugd van’, dachten de mensen dan. Maar vanbinnen ging ik kapot. Het kostte me zoveel energie om dat masker op te houden, en na zo’n avond was ik meestal zó leeg, dat ik nadien dagenlang m’n bed niet uitkwam. Intussen ga ik nog maar zelden weg in groep. Wat wel deugd kan doen, is afspreken met één vriendin. Dat doe ik af en toe. Ik ken mijn beste vriendin al meer dan dertig jaar, en bij haar kan ik mezelf zijn en tonen wat ik voel. Dat geeft rust. Ergens klopt het dus wel, dat sociale contacten goed doen als je depressief bent. Maar – althans toch in mijn geval – dan enkel als je afspreekt met één vriendin, niet met een hele groep.”

Vooroordeel 4: Je hebt toch alles om gelukkig te zijn?
Nancy: “Ik heb het vaak moeten horen: ‘Je hebt een man, gezonde kinderen, een mooi huis en een goede job. Waarom zou jij depressief zijn?’ Ik snap die redenering niet. Alsof je ervoor kiest om je slecht te voelen?”

Anneleen: “Depressie is een ziekte. Dat je – in de ogen van anderen – alles hebt om gelukkig te zijn, betekent niet dat je de ziekte niet kunt krijgen.”

Sofie: “Sommige mensen durven niet te zeggen hoe slecht ze zich voelen, uit angst om deze reactie te krijgen.”

Sandra: “Ik kreeg dit van mijn eigen moeder te horen. Wat een klap in mijn gezicht.”

Lieve: “Er wordt soms geprofiteerd van de ziekte om niet te hoeven werken. Dat maakt mensen achterdochtig. Heel jammer voor wie er écht in zit, en daardoor minder begrip krijgt.”

Annick: “Nog zo’n dooddoener: ’Je moet de knop omdraaien’. Elke keer zou ik het wel willen uitschreeuwen: ik héb geen knop!”

Sanne: “Soms zou je hopen dat mensen met deze vooroordelen het zelf eens meemaken. Maar eigenlijk wens ik het niemand toe.”

Carine: “’Je bent nog zo jong, je hebt nog een he heel leven voor jou, denk aan de goede dingen…’ Goed bedoeld, maar er is maar één iemand die weet hoe jij je voelt, en dat ben je zelf.”

Vooroordeel 5: Iedereen heeft weleens een dip
Psychiater dr. H. Tandt: “We hebben inderdaad allemaal wel eens een mindere dag, maar zo’n dipje is niet te verwarren met een depressie. Van een depressie spreken we pas als aan drie voorwaarden is voldaan:

Je hebt minstens vijf van de negen symptomen van een depressieve stoornis: de hele dag door een depressieve stemming hebben, geen of minder plezier in iets hebben, gewichtstoename of –verlies, slaapklachten, een gejaagd gevoel, vermoeidheid, schuldgevoelens, concentratieverlies en terugkerende gedachten aan zelfmoord.
Het sombere gevoel, het interesseverlies of de verminderde plezierbeleving duurt langer dan veertien dagen.

De sombere stemming heeft een duidelijke impact op het functioneren, bijvoorbeeld thuis of op het werk.”

Vooroordeel 6: Mij overkomt het niet
Myrthe (33): “Drie jaar geleden had ik een postnatale depressie, en het heeft maanden geduurd voor ik dat zelf inzag. Ik voelde wel dat ik slecht in m’n vel zat, maar daar had ik zoveel redenen voor. De zwangerschap was sneller gekomen dan verwacht, mijn relatie liep niet goed, ik had een heel zware bevalling gehad, het prille moederschap viel me zwaar… Bovendien was ik meteen weer voltijds aan de slag gegaan, en had ik weinig hulp van mijn (intussen ex-) partner, waardoor ik de zorg voor ons zoontje haast helemaal alleen droeg. Dat ik wat moe en prikkelbaar was, leek me dus niet meer dan normaal. Zelfs toen vriendinnen voorzichtig polsten of er toch niet meer aan de hand was, had ik niks door.

Een depressie, dat was iets voor anderen, voor mensen met een melancholisch karakter. Toch zeker niet voor mij? Ik, die normaal gezien altijd zo vrolijk en actief van aard ben? Het besef kwam pas toen ik enkele weken later besloot om toch eens met iemand te gaan praten, en op advies van een vriendin een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg binnen stapte. Ik las er een folder over depressie, en toen ik het lijstje met symptomen afging, kon ik niet anders zeggen dan: check, check en check. Ik had ze allemaal. Eindelijk zag ik in wat er met me aan de hand was. Sindsdien praat ik heel open over wat ik toen voelde. Postnatale depressie is nog steeds een beetje taboe, en dat is jammer, want ik heb zelf gemerkt dat het iederéén kan overkomen.

Het heeft helemaal niks te maken met je karakter, wél met wat je meemaakt en hoe je lichaam en brein daarop reageren. Dat wil ik graag meegeven aan andere jonge mama’s, die het, net als ik toen, moeilijk hebben. Want het is pas als je beseft wat er écht aan de hand is, dat je ook gepaste hulp kunt zoeken.”

Vooroordeel 7: Depressie is iets voor vrouwen
In Vlaanderen krijgt ongeveer 20 procent van de vrouwen en 10 procent van de mannen ooit in hun leven te maken met een vorm van depressie. Het komt dus inderdaad vaker voor bij vrouwen, maar dat het mannen niet kan overkomen, is onjuist.

Vooroordeel 8: Als je op een terras kunt zitten, kun je ook gaan werken
Christel (55): “Toen de diagnose depressie viel, en de arts me voor het eerst ziekteverlof voorschreef, zei hij heel nadrukkelijk: ‘Sluit je vooral niet op’. Hij raadde me aan om elke dag naar buiten te gaan, al was het maar voor een korte wandeling. Zo zou ik mensen tegenkomen, een praatje maken, mijn gedachten verzetten…

‘Als je tussen die vier muren blijft, ga je alleen maar meer piekeren’, zei hij. Natuurlijk wilde ik zijn raad opvolgen, maar makkelijk was het niet. Als je depressief bent, heb je heel sterk de neiging om je te verstoppen, wil je het liefst de hele dag met de gordijnen dicht in bed liggen. Toch probeerde ik het. Zo vaak ik kon, ging ik naar buiten. Het trof me hoe snel ik reactie kreeg. Hoe snel mensen hun conclusies trokken.

‘Ah, weer op de been!’ zeiden ze dan. Alsof het feit dat je buitenkomt, meteen ook betekent dat je ‘genezen’ bent. Dat is natuurlijk niet zo. Het betekent enkel dat je aan je genezing werkt, dat je al je moed bij elkaar hebt geschraapt om door die deur te gaan, gewoon omdat je zo graag beter wilt worden. Nog erger werd het toen collega’s me een keer op een terras een kop koffie zagen drinken. Mijn mama had me overtuigd om het te proberen, en voor het eerst in lange tijd voelde ik inderdaad dat iets me deugd deed. Tot ik ’s avonds van mijn man, die in hetzelfde bedrijf werkt, hoorde hoe ze over mij hadden geroddeld.

‘Werken kan ze niet, maar op een terras zitten lukt wél.’ Ik kan je niet zeggen hoe hard dat aankwam. Ik was zo trots geweest op het feit dat het me was gelukt, dat ik daadwerkelijk op dat terras had gezeten. Het had me meer energie gekost dan ik had, en ik voelde al dat ik het de dagen nadien zou bekopen. Maar tegelijk beschouwde ik het als een kleine overwinning, een stapje in de goede richting. En dan kreeg ik zo’n reactie? Dat deed pijn. Ik begreep het ook niet. Op een terras hoef je eigenlijk niets te doen, je zit er gewoon. Dat is toch iets helemaal anders dan aan het werk gaan, achter de computer gaan zitten, en je acht uur lang concentreren? Dat moesten de collega’s toch ook begrijpen?

Ik ben na die dag een tijdlang niet buiten geweest, gewoon uit angst om bekenden tegen het lijf te lopen en weer op dat onbegrip te botsen. Gelukkig is mijn mama altijd blijven proberen om me mee te trekken. Eerst samen tot aan de bakker, dan een korte wandeling… Ik ben haar daar nog steeds dankbaar voor, want alleen was het me misschien niet gelukt. Na enkele weken merkte ik wel dat de opmerkingen minder werden. Dat mensen zelfs begonnen te vragen hoe het met me ging. Blijkbaar moet je langere tijd thuis zitten, voor anderen geloven dat er écht iets mis is, en je niet zomaar wat wilt ‘profiteren’.”

 

http://www.standaard.be/cnt/dmf20190506_04379309?utm_source=standaard&utm_medium=social&utm_campaign=send-to-a-friend&fbclid=IwAR2SF-1MIiCPphHBPFnvkbOKq_xwswsLzf1TLGupEMRa6zceA4lWrQfRlN8

 

De economie van de vreugde

Economie gaat niet alleen over groei, werk is niet alleen efficiënt produceren. Denk er eens over in termen van welzijn, kwaliteit en creativiteit, zegt vrijemarktfilosoof Govert Buijs.

‘Ons huidige economische model is psychologisch en ecologisch onhoudbaar’

Economie gaat niet alleen over groei, werk is niet alleen efficiënt produceren. Denk er eens over in termen van welzijn, kwaliteit en creativiteit, zegt hoogleraar Govert Buijs.

Amsterdam‘Psychodruk’ noemt Govert Buijs de toenemende spanningsklachten onder de Nederlandse beroepsbevolking. ‘We jakkeren maar door omdat we bang zijn dat we anders onze kansen verspelen, dat we losers worden.’

Stress is volgens Buijs maar een van de onwenselijke gevolgen van het ontspoorde vrijemarktdenken. Grondstoffen die op raken, vervuiling; we gaan volgens hem een tijd van ingrijpende transities tegemoet. Die kunnen niet slagen ‘zolang we intellectueel gehuwd blijven met de homo economicus’.

Als bijzonder hoogleraar politieke filosofie en levensbeschouwing onderzoekt Buijs (54) de effecten van de vrijemarkteconomie. Hij is medeauteur van Het goede leven en de vrije markt, dat onlangs de Socrates Wisselbeker won voor het meest urgente filosofieboek. In zijn nieuwe essay Waarom werken we zo hard? Op weg naar een economie van de vreugde pleit hij voor een economie die beter is voor mens en milieu.

Wat is die economie van de vreugde en hoe kan ik daar vanmiddag mee beginnen?
Buijs barst in lachen uit. ‘Nou, als je mijn essay een beetje gelezen hebt, weet je dat ik geen zelfhulpboek heb geschreven. Met “economie van de vreugde” bedoel ik een samenwerking die erop gericht is het leven mooier te maken – mooier dan we afzonderlijk van elkaar zouden kunnen.’

‘Ons huidige economische model is psychologisch en ecologisch gezien onhoudbaar. Psychologisch omdat het ons stress bezorgt, ecologisch omdat we dit productieniveau niet nog eens tweehonderd jaar kunnen volhouden. We doen te veel, en niet de goede dingen.’

Sinds de industriële revolutie heeft zich volgens Buijs een economische groei voltrokken die nooit eerder in de geschiedenis is vertoond. ‘De armoede is drastisch afgenomen, de voedselproductie toegenomen. Maar met het recept dat daarvoor ontwikkeld is, kunnen we niet nog eens twee eeuwen verder.’

Om die vrolijke economie dichterbij te brengen, moeten we op een fundamenteel andere manier naar de economie, de markt en werk gaan kijken, meent Buijs. Zo moeten er andere criteria komen voor wat een ‘goede economie’ is dan groeicijfers alleen. Hij noemt dat de ‘dematerialisering’ van de economie.

‘Hoe de economie ervoor staat, is nu gerelateerd aan de productie van materie: Volkswagen wordt beloond als het meer auto’s heeft gemaakt. Misschien moeten we gaan zeggen: Volkswagen doet het goed omdat het bedrijf erin is geslaagd minder auto’s te maken dan vorig jaar, maar ze gaan wél veel langer mee. Nu wordt zo’n bedrijf dan door de aandeelhouders afgestraft. We moeten onze waarden opnieuw definiëren.’
Buijs oppert dat bedrijven met een soortgelijke index zouden kunnen werken als The Better Life-index van de Oeso, de organisatie van 37 rijke, geïndustrialiseerde landen. Die meet het persoonlijke welzijn in verschillende landen op basis van onder meer gezondheid, huisvesting en opleiding. ‘Ze kunnen dan kijken wat hun positieve én negatieve effecten zijn op het milieu, kijken naar het welzijn van hun medewerkers, naar de positieve en negatieve bijdragen aan de buurten en samenlevingen waarin ze opereren. Daar worden nu onder de naam integrated reporting al stappen in gezet.’

Volgens Buijs zou het mooi zijn arbeidsprocessen niet alleen vanuit het oogpunt van efficiency te ontwerpen, maar zo dat iedereen het gevoel heeft iets waardevols te doen. ‘Werk is niet alleen maar een kostenpost, het is ook een consumptiegoed: we ontlénen er ook heel veel aan. Hoe komt het dat we een enorme druk blijven leggen op iets dat ook in de sfeer van ontspanning en creativiteit kan zitten?’

Hoe komt het dat welzijn en kwaliteit ondergeschikt zijn geraakt?

‘In de achterliggende twee eeuwen is het idee van de homo economicus centraal komen te staan: de mens als calculerend wezen dat zijn oneindige eigenbelang najaagt, desnoods ten koste van anderen. Daar hoort ook het idee bij van een economie die gebaseerd is op schaarste, waarin mensen elkaars concurrenten zijn. Er moet altijd méér worden geproduceerd. Binnen economie-opleidingen is dit neoliberale denken met kracht in de nieuwe generaties gepompt. Economen doen alsof we geen alternatief hebben, maar dat hebben we wel degelijk.’

De mens is volgens Buijs niet in de eerste plaats een homo economicus, maar een ‘homo cooperans’: ‘We zijn hulpbehoevend omdat we niet alles zelf kunnen. Om een potlood te maken, hebben we bijvoorbeeld behoorlijk wat mensen nodig. Ook ontwikkelen we unieke talenten. De één doet wat de ander niet kan en omgekeerd.’ Die diversiteit en onderlinge afhankelijkheid zijn volgens Buijs de kern van economie. ‘We verfraaien het leven voor elkaar. En kijk je naar de geschiedenis van de economie, dan zie je dat deze opvatting al centraal stond in de achttiende-eeuwse burgerlijke cultuur in de steden.’

‘Als mensen tweehonderd jaar geleden iets konden bedenken om armoede en honger grootschalig aan te pakken, moeten we nu ook vernieuwend kunnen denken over verduurzaming. Dáár zou de creativiteit van economische wetenschappers gericht op moeten zijn: wat is het kapitalisme van overmorgen? Het zou van visionair beleid getuigen als Nederland daar een groot onderzoeksproject van zou maken.’

Regelmatig bijleren

Hoe blijf ik zelf een vrolijk lid van de beroepsbevolking?

‘Laat je niet gek maken, en blijf bijleren. Bij het schaarstedenken van de homo economicus hoort ook de angst dat er niet genoeg banen zijn. Maar een van de opvallendste dingen die ik in mijn onderzoek ontdek: er ontstaan altijd weer nieuwe kansen.’

‘Ik heb mijn leven lang gehoord: dáár worden mensen ontslagen, dáár worden mensen ontslagen. Eerst verdween de mijnindustrie, toen de textielindustrie. Als ik die berichten bij elkaar optel, werkt niemand meer in Nederland. Nu is er weer angst voor robotisering. De andere kant haalt zelden het nieuws: namelijk dat er in diezelfde jaren nog veel meer nieuwe banen bijgekomen zijn! We zijn enorm creatief in het verzinnen van banen die iets toevoegen.’

Een voorwaarde om die kansen te benutten is regelmatig bijleren. ‘Het is vreemd dat we nu al ons onderwijs persen in de eerste twintig levensjaren. In de toekomst zullen we dat veel meer over de levensloop moeten verdelen, bijvoorbeeld eens in de zeven jaar een jaar eruit, bij- of omscholen. Dan heb je verse kennis, en blijf je aantrekkelijk, ook op oudere leeftijd.’

De Standaard – 05.05.2019

Dik in orde!

Als je lichaam afgrijzen opwekt
‘Racisme veroordelen we, fatshaming aanvaarden we’

Alsof het niet mag: dik zijn en je goed in je vel voelen. Zwaarlijvigen ervaren het elke dag: een scheve blik hier, een kwetsende sneer daar. Wie te dik is, eet te veel en beweegt te weinig. Dat is een kwalijke mythe. ‘Alsof overgewicht een levensstijlkeuze of gebrek aan wilskracht is.’

Tussen de hashtags #Fatburn en #Fatpants, met bijbehorende ­foto’s van die oude gigantische broek waarin de succesvolle lijners nu met twee benen in één pijp passen, beginnen ze mondjesmaat op te duiken op sociale media: de zelfverzekerde vetrolletjes en blije kwabjes. Zangeres en ­volumineuze twerkster Lizzo, die op de ­cover van haar net uitgebrachte album ontbloot poseert, bezingt samen met Missy ­Elliott haar rondingen. Het boek Happy Fat: Taking Up Space in a World That Wants to Shrink You van de Brits-Deense comédienne Sofie Hagen ligt binnenkort in de winkel. En de Nederlandse columniste Asha ten Broeke voert al langer een betoog om zwaarlijvigheid te aanvaarden. ‘Als we niet dun kunnen zijn, dan maar gelukkig.’ En ook ietwat provocerend: ‘Weet je niet hoe prachtig ik ben, en hoe lekker zacht? Hoe fijn het is om met mij en al mijn rolletjes, flupjes en kussentjes te knuffelen? Dik zijn is heerlijk, het is grandioos, het is krachtig, en ik kan het iedereen aanraden.’

Het zijn uitzonderingen. Met veel lef. De reacties op hun publieke uitlatingen zijn hard. Eruit citeren zou ongepast taalgebruik zijn. We zijn meedogenloos voor dikke mensen. Verbergen het afgrijzen voor hun lijven niet. En het is allemaal: dikke bult, eigen schuld.
Maar er is iets vreemds aan de hand. We hebben nog nooit zo zoveel koolhydraat­arme, suikervrije, eiwitrijke Romeinse sla-spinaziesapjes met superfood-extracten gedronken. We hebben nog nooit zoveel geld gespendeerd aan diëten. Én we zijn tegelijk nog nooit zo dik geweest. 48 procent van de volwassen Belgen heeft overgewicht (een BMI hoger dan 25), 14 procent kampt met obesitas (BMI boven 30). Bij minderjarigen gaat het om 20 procent met overgewicht en 7 procent met obesitas.

We hebben vet tot onze grote vijand gebombardeerd. Minder eten en meer bewegen, luidt het devies steevast, maar de werkelijkheid is veel complexer. ‘Dat wordt gemakkelijk een stigmatiserende boodschap,’ zegt psychologe An Vandeputte van Eet­expert, het kenniscentrum voor eet- en ­gewichtsproblemen, ‘en het maakt overgewicht onterecht tot een persoonlijk falen. Alsof het om een levensstijlkeuze of gebrek aan wilskracht gaat. Gewicht is in veel mindere mate controleerbaar dan mensen geloven. Niet iedereen kan slank worden. Mensen zijn gewoon heel verschillend in hoe ze eruitzien, dat is niet anders voor de breedte dan voor de lengte.’

Meteen wil ze nog een andere misvatting uit de weg ruimen: dik is geen synoniem van ongezond. ‘Er zijn mensen die gezond leven en obees zijn. Uit meta-analytisch ­onderzoek blijkt dat meer dan één derde van de mensen met obesitas een gezond metabolisme heeft. Tegelijkertijd blijkt dat ongeveer een derde van de mensen met een normaal gewicht metabool ongezond is. Met de vinger wijzen naar mensen met een paar maatjes meer is dus onterecht.’

Het misprijzen voor dikke mensen zit dieper in onszelf en ons systeem ingebakken dan we beseffen. ‘Het gebeurt op school: jongeren met obesitas krijgen minder punten, op het werk: wie obees is, heeft gemiddeld een lager loon dan een slanke collega, en ook in de zorg: patiënten met overgewicht krijgen vaker een foute diagnose. Gewicht is na geslacht en leeftijd de voornaamste bron van discriminatie’, weet Vandeputte. ‘Het staat op een vergelijkbaar niveau als etnische discriminatie. Maar terwijl de maatschappij terecht intolerant wordt voor racisme, is er weinig sociale correctie op vooroordelen over gewicht. We lachen er nog eens mee.’

Zelfvoedend

Dikke mensen zijn lui, vadsig, incompetent, onsportief, dom, onaantrekkelijk, ongeschikt voor seks, in het allerbeste geval gezellig. Dat soort wijdverbreide fatshaming neemt volgens Vandeputte nog toe en heeft erg schadelijke gevolgen. Asha ten Broeke spreekt niet voor niets over ‘maatschappelijk aangemoedigde zelfhaat’. ‘Al die scheve blikken en dat nawijzen leiden er vaak toe dat dikke mensen minder naar buiten gaan, zich meer isoleren, minder sporten omdat ze zich schamen, minder snel zorg zoeken en eenzijdig gaan eten’, voegt Vandeputte toe. ‘Ze doen dat uit schrik om nog aan te komen. Maar dik zijn betekent niet dat je nooit meer een frietje mag eten. Als je mensen verbiedt om dingen te eten, maak je het hen moeilijker.’

Acteur Dominique Van Malder zit volop in de opnames van de tv-reeks Albatros. De plot: tien zwaarlijvigen gaan op afvalkamp in de Ardennen. De reeks is niet gespeend van autobiografische elementen. ‘Ik ken het thema als geen ander. Ik bén het thema. Al sinds mijn zeven jaar ben ik het dikkerdje.’ In Albatros wil hij vertellen wat achter ‘die burcht van een lichaam zit. Dik zijn heeft vele gezichten en oorzaken. Heel vaak heeft het met een harnas te maken: mensen vreten zich een schild om zich heen. Obesitas is een probleem dat zichzelf voedt.’

Een paar jaar geleden riep bio-ethicus Daniel Callahan op om dikke mensen méér te stigmatiseren. ‘Schaamte heeft gewerkt om de sigaret op te geven, het zal ook werken voor obesitas.’ Hij vergat alleen dat stigmatisering en schaamte stress veroorzaken, wat ons cortisolgehalte de hoogte injaagt. Dat geeft op zijn beurt ironisch genoeg zin in snacks. U weet wel: emo-eten. Bovendien leidt een langdurig hoog cortisolgehalte tot meer buikvet, de schadelijkste soort vet, die zich nestelt tussen de organen.

Vandeputte benadrukt dat focussen op gewicht weinig zinvol, zelfs contraproductief, is. ‘Op dieet gaan werkt bij velen averechts. Zeker op langere termijn – na tien jaar – blijkt het BMI van mensen die geregeld diëten net toe te nemen.’ Wat raadt ze mensen met overgewicht dan aan? ‘Alles. Dat is een acroniem voor: Afwisselend eten, Lang stilzitten regelmatig onderbreken en bewegen, Lief zijn voor jezelf, Emoties leren hanteren op een andere manier dan ze weg te eten of weg te diëten en Slaap, voldoende slaap.’ Dus niet afvallen? ‘Dat moet niet het doel zijn. Ga voor een gezonde leefstijl.’

Elke dag in oorlog

We moeten het even over die tweede L van ‘alles’ hebben. Lief zijn voor jezelf, het tegenovergestelde van body shaming, Kim De Paep heeft het zichzelf aangeleerd. Ze is 1 meter 69, weegt 117 kilo en noemt zichzelf dik. ‘Zonder bijklank. Dik is geen scheldwoord, geen waardeoordeel, het is gewoon een omschrijving van de vorm van mijn lichaam. Het betekent niet meer dan de kleur van mijn ogen of mijn haar.’
Af en toe draagt ze een T-shirt met opschrift Fat and proud. Ze biedt zich bij bedrijven aan als curvy model en poseert zelfverzekerd op Instagram, ook in truien met horizontale streepjes. ‘Het was een lang aanvaardingsproces. Ik ben al heel mijn leven aan de zware kant. Ik was elke dag in oorlog met mezelf. De cijfers op de weegschaal hebben te lang mijn zelfwaarde bepaald. Ik weeg me nu al twee jaar niet meer, wat een bevrijding!’

Haar omgeving maakt het haar niet makkelijk om zich aantrekkelijk te voelen. ‘Mensen zijn in de war als ik mezelf dik noem, ze weten niet hoe te reageren. Pamperen al eens: “Het valt toch nog goed mee” of “ja, maar je hebt wel een schoon kopke”, alsof mooi en dik elkaar uitsluiten.’

‘Fatshaming is bij ons niet zo extreem als in Amerika, maar ik krijg wel geregeld ongevraagd advies over diëten. Of opmerkingen à la “zou je dat paaseitje nog wel opeten?”. Wellicht goed bedoeld, maar waar halen ze toch die veronderstelling dat ze mij moeten helpen om een beter leven te leiden, en dat slank zijn per definitie meer levenskwaliteit inhoudt?’

Ze wil zich niet langer voortdurend verantwoorden voor het feit dat ze niet wil afvallen. ‘Hoe vaak ik niet zeg: ik ben dik, maar mijn bloedwaarden zijn gezond. Ik heb geen te hoge cholesterol. Ik beweeg voldoende. Ik lig ’s avonds niet op de zetel chips te vreten, ik heb dat zelfs niet in huis.’

Big fat divas

Artsen en vetwetenschappers Mariëtte Boon en Liesbeth van Rossum hebben net een boek uit: Vet belangrijk. Van Rossum staat ook in de praktijk als behandelaar in het Universitaire Centrum Gezond Gewicht dat ze oprichtte. De kennislacune (bij de leek én de gemiddelde arts) over vet en dikke mensen leidt tot veel tranen in haar spreekkamer. Samen met Boon maakt ze komaf met de fabels. Hoog nodig, obesitas is een wereldwijde epidemie die we consequent foutief proberen te behandelen. We denken massaal te kortzichtig over vet. Boon: ‘Dat is geen hoopje blubber dat ons alleen warm houdt en voor de rest in de weg zit. Nee, vet is een orgaan.’

In opmars zijn de Body Positivity-beweging (‘Alle lichamen zijn goede lichamen’) en de fatosphere (gemeenschap van dikke mensen die de hysterie rond obesitas hekelen en hun lotgenoten oproepen hun figuur te aanvaarden.) Ze bloggen onder namen als Fatgrrl en Big Fat Divas. En verspreiden op ‘dieet-vrije’ internetfora posts als ‘Take the cake: 20 manieren om fat positive te zijn’ en artikels als die van Latoya Shauntay, een stevig in het vlees zittende vrouw die dit jaar tien marathons loopt en nog steeds gefatshamed wordt. Populair is ook Jessamyn Stanley, een yogalerares met een BMI hoog boven de 30 die op haar gemakje een grand écart placeert, staand op één been haar andere voet vasthoudt en op haar hoofd gaat staan.

Bij Dominique Van Malderen zit het nog steeds ingebakken: zijn eigen lichaam gebruiken als mikpunt van de lach. Of zich met humor als het ware excuseren voor zijn omvang. ‘Het is een manier om degene die naar je kijkt voor te zijn. Maar ik wil stoppen met die zelfspot. Ik doe er mezelf tekort mee.’

Ook de schrijfsters van Vet belangrijk willen meer begrip creëren voor obesitas. Is dat niet gevaarlijk, promoot je zo dik zijn niet impliciet? Boon: ‘Kankerpatiënten discrimineren we toch ook niet. Waarom is dat bij obesitas anders? Waarom veroordelen mensen zwaarlijvige patiënten wel?’ ‘Wij verheerlijken overgewicht niet, hé. Obesitas brengt risico’s mee, gaande van ontstekingen en gewrichtsproblemen, over depressie en cardiovasculaire aandoeningen tot kanker’, vult Van Rossum aan. ‘De mensen die ik zie, kampen met functionele beperkingen. Ze kunnen hun eigen schoenveters niet strikken, of niet achter kun kleinkind aanrennen als die richting sloot loopt.’

Wie bij haar op consult komt, wordt grondig onderzocht. ‘We voeren bijvoorbeeld een verbrandingsmeting uit, brengen de hormonen in kaart. Al te vaak kijken artsen gewoonweg niet naar de oorzaak van overgewicht. De helft van de mensen die ik zie, slikt minstens één medicijn met een dikmakende werking. Hun huisartsen tikken hen op de vingers, maar blijven wel gretig prednison, bloeddrukverlagers en antidepressiva voorschrijven.’

Dikke domme diabeet

Boon en Van Rossum kwamen, toen ze begonnen als arts en onderzoeker, al snel in aanraking met de term DDD. ‘Een gangbare afkorting bij dokters voor Dikke Domme Diabeet. Het obesitasstigma tiert dus ook welig in de gezondheidszorg. Er wordt niet of nauwelijks rekening gehouden met genetische aanleg, stress, slaaptekort, verstoring van de hormonen, mogelijke foutjes in het DNA of andere dikmakende factoren.’

Daarnaast worden haast alle klachten van dikke mensen toegeschreven aan hun overgewicht. U bent moe, want u bent te dik. U hebt pijn aan uw gewrichten, want u eet te veel. Kim De Paep kan ervan meespreken. Ze kreeg intussen de diagnose fibromyalgie, maar het duurde acht jaar voor artsen haar klachten serieus namen en echt onderzochten wat er aan de hand was. Daarvoor klonk het: ‘Val af en alles komt goed.’

Diëten staat gelijk aan bezuinigen op wat erin gaat. Of het nu Atkins of Weight Watchers heet. Of de hippere sapvastenvakantie, waarbij mensen zichzelf uithongeren. Ze nemen 5 tot 21 dagen lang geen vast voedsel tot zich. ‘Crashdiëten draaien op langere termijn bijna altijd op een ontgoocheling uit’, vertelt Van Rossum. ‘Ons lichaam compenseert de verminderde voedselinname. Het zal het vet langer vasthouden. De verbranding gaat omlaag, van minder eten kom je dus meer bij. Bovendien hebben diëten een impact op onze hormoonhuishouding. Onder meer op het gehalte ghreline – dat is het hongerhormoon – en leptine – de stof die onze hersenen informeert dat we verzadigd te zijn. De hormonale veranderingen na een crashdieet blijven minstens een jaar na het gewichtsverlies meer trek en een verminderd verzadigingsgevoel veroorzaken.’

De ultieme tip van Boon en Van Rossum? ‘Gezond en gevarieerd eten, niet te veel geraffineerde producten – maar af en toe een punt appeltaart hoort wel bij het leven – en voldoende bewegen.’ Is het dan echt zo eenvoudig? ‘Nou, eenvoudig? De meerderheid van de mensen doet dat niet. Ook de meerderheid van de slanke mensen houdt zich niet aan de gezonde voedingsrichtlijn en de beweegnorm’, zegt Van Rossum. ‘Sommige mensen zijn nu eenmaal genetisch beschermd tegen overgewicht. Ons gewicht is voor 60 procent genetisch bepaald. Het is onkies dat slanke mensen oordelen over dikke mensen.’

De Standaard – 27.04.2019

Empathie

“De mens, empathischer geworden? Narcistischer, ja”
Vijf experts leggen ons inlevingsvermogen onder de loep

DE MORGEN – 31-03-2019 – Stef Selfslagh

We willen dieren niet langer onverdoofd slachten, beloven onze kinderen een schonere planeet en kijken schuldbewust in de #MeToo-spiegel. Wordt de westerse mens steeds empathischer? De wetenschap is niet echt eensgezind.

Ooit mepten we onze overtollige katjes tegen de dichtstbijzijnde muur. Vandaag richten we politieke partijen op die strijden voor dierenwelzijn. Ooit was ontbossing het laatste van onze maatschappelijke zorgen. Vandaag overwegen we om bomen een rechtspersoonlijkheid te geven. Ooit noemden we vrouwelijke mannen jeanetten. Vandaag houden we lezingen over de juridische besognes van transgenders.
De westerse mens lijkt er niet bepaald hardvochtiger op te worden. We herscholen ons van carnivoor tot veganist en bekeren ons massaal tot het feminisme. We volgen workshops ‘dialogerend leiderschap’ en kijken schuldbewust in de #MeToo-spiegel. We noemen kleine mensen ‘vertically challenged’ en vervangen het ouderlijk pak rammel door een goed gesprek.

Worden we met de jaren steeds empathischer? Eist ons inlevingsvermogen in ons brein een almaar grotere plaats op? En zo ja: gedragen we ons in moreel opzicht dan steeds voorbeeldiger? Of heeft empathie vervelende maatschappelijke neveneffecten?

Omdat de waarheid zich zelden in één persoon schuilhoudt, legden we onze vragen voor aan een psycholoog, een neuroloog, een bioloog, een filosoof en een antropoloog. Dat leverde een behoorlijk diffuus beeld op. De neuroloog zegt dat we ons steeds beter in anderen verplaatsen, de psycholoog dat we ons meer en meer op onszelf richten. De filosoof beweert dat empathie in de Westerse samenleving geïnstitutionaliseerd is, de antropoloog dat vreemde culturen ons qua meevoelendheid naar huis spelen.

Over twee dingen is echter iedereen het eens. Eén: het bereik van onze empathie is de voorbije eeuw exponentieel toegenomen. Was ons medeleven vroeger gereserveerd voor familieleden en de occasionele dorpsgek, dan hebben de media ons inlevingsvermogen talloze nieuwe afzetmarkten bezorgd. En twee: empathie is geen universeel medicijn dat alle maatschappelijke kwalen geneest. Sterker nog: zonder assistentie van onze ratio is ons empathisch vermogen een beetje zoals Winnie de Poeh: sympathiek, maar weinig performant.

De bioloog: Mark Nelissen
“Compassie is zelden een goeie raadgever”

Mark Nelissen, emeritus professor gedragsbiologie aan de Universiteit Antwerpen, is formeel: ons empathisch vermogen wordt noch groter, noch kleiner. “Empathie is een oeroud biologisch mechanisme”, zegt hij. “Het krimpt niet, het zet niet uit, het verandert nooit.

“Empathie wordt vaak verward met medeleven. Maar wetenschappelijk gesproken, betekent empathisch zijn: de emotie van een ander ervaren, zonder dat je weet waar die emotie vandaan komt.”

“Stel: wij zijn samen aan het jagen. Op een gegeven moment word ik bang omdat er een leeuw aankomt. Dankzij jouw empathisch vermogen zal jij mijn angstgevoelens overnemen nog vóór je weet wat mijn paniek veroorzaakt. Dat zal jou namelijk toelaten om sneller op het nakende gevaar te reageren.”

“Ons empathisch vermogen is door de eeuwen heen altijd hetzelfde gebleven: honderd jaar geleden waren we precies even empathisch als vandaag. Maar wat wél veranderd is, is het bereik van onze empathie. Vroeger voelden we enkel mee met de mensen in onze directe omgeving. De hongerende kinderen in Afrika zagen we immers niet. In onze huidige informatiemaatschappij worden we echter wel geconfronteerd met verre hulpbehoevenden. En dus richt ons empathisch vermogen zich ook op hen. Maar we hebben niet méér empathie; het blikveld van onze empathie is gewoon ruimer geworden.”

Over de maatschappelijke bruikbaarheid van empathie lopen de meningen uiteen. Volgens de Amerikaan Jeremy Rifkin, auteur van The Empathic Civilization, is empathie de motor van maatschappelijke vooruitgang. Maar volgens Yale-professor Paul Bloom, auteur van Against Empathy: The Case for Rational Compassion, nemen we vaak “wrede en irrationele beslissingen” als we voortgaan op onze empathie. “In India verminken sommige ouders hun kinderen om er efficiëntere bedelaars van te maken”, schrijft hij. “Laat je je leiden door je empathie, dan geef je die kinderen geld. Maar zo hou je ook dat gruwelijke verminkingsgebruik in stand. Niet slim, dus.”

Ook Mark Nelissen vindt dat een samenleving maar beter zuinig kan zijn op empathische oprispingen. “Empathie volstaat niet om morele beslissingen te nemen”, zegt hij. “Ik verkies rationeel medeleven.”

“Toen het lijkje van de driejarige Aylan Kurdi op het strand van Bodrum aanspoelde, werd dat beeld gebruikt om onze compassie voor vluchtelingen aan te wakkeren. Maar compassie – een emotioneel bijproduct van empathie – is zelden een goeie raadgever. Een complex onderwerp als de vluchtelingenproblematiek smeekt om een rationele analyse: ‘Wat is er precies aan de hand, wie moeten we prioritair helpen en wat is de beste manier om dat te doen?’ Emoties staan zo’n zorgvuldig denkproces in de weg.’

“In Japan leren steeds meer ouders hun kinderen dat ze hun empathische reacties moeten onderdrukken. Dat ze rationeel op gebeurtenissen moeten reageren. Ik vind dat niet per se een slechte zaak. We hebben er vaak alle baat bij om ons wat minder door onze emoties en wat meer door ons verstand te laten leiden. Kijk maar naar de brexit. Het lijkt erop dat het Leave-kamp geen doordachte, maar een impulsieve keuze heeft gemaakt. Alleen zitten de Britten er nu wel mee.”

De psycholoog: Jan Derksen
“Ons EQ is flink gedaald”

“De mens, empathischer geworden? Ik denk niet dat die hypothese gestut kan worden door historisch-wetenschappelijk onderzoek”, zegt de Nederlander Jan Derksen, emeritus hoogleraar klinische psychologie aan de VUB. “Wat we wél met empirische zekerheid kunnen zeggen, is dat we de laatste veertig jaar narcistischer zijn geworden. Onze emotionele intelligentie – en daar maakt empathie toch deel van uit – is flink gedaald. Een van de redenen daarvoor is dat we steeds vaker via sociale media communiceren. Dat heeft als nadeel dat we niet meer zien hoe anderen op onze communicatie reageren. En uitgerekend de feedback van anderen – zowel verbaal als non-verbaal – is essentieel voor het ontwikkelen van empathie.”

“Ik durf dus te betwijfelen of we vandaag zoveel empathischer zijn dan vroeger. Ik ben al veertig jaar actief in de geestelijke gezondheidszorg. En ik zie de laatste tijd veel mensen die juist hunkeren naar empathie. Naar aandacht, een luisterend oor, iemand die zich verdiept in wat er in hen omgaat. Alleen stellen ze vast dat hun naasten veel te druk met zichzelf bezig zijn om nog met anderen te kunnen meevoelen.”

We komen toch op voor de vluchtelingen in het Maximiliaanpark? We bevrijden mishandelde varkens toch uit slachthuizen? “Onze maatschappij is zeker gevoeliger geworden voor bepaalde thema’s”, zegt Derksen. “Maar dat is vaker een uiting van een ideologische overtuiging dan van oprecht gevoelde empathie. De mensen die in Nederland de Partij voor de Dieren (PvdD) hebben opgericht, hebben dat wellicht gedaan vanuit een ongeveinsd medeleven met dieren. Maar veel mensen die op de PvdD stemmen, doen dat met heel andere motieven dan het vergroten van het dierenwelzijn. Een stem op de PvdD is dus niet noodzakelijk een empathische stem.”

“Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau in Nederland omschrijft 40 procent van de Nederlanders zich als angstig. Dat cijfer geeft aan dat het menselijke inlevingsvermogen in Nederland wellicht geen overuren draait: waar het angstniveau hoog is, is het empathiepeil doorgaans laag. Zie ook: de recente verkiezingsoverwinning van het rechts-radicale Forum voor Democratie, een allesbehalve empathische partij.”

“Let wel: een samenleving heeft ook een dosis narcisme nodig. Een maatschappij die enkel bestaat uit mensen die overlopen van empathie is kwetsbaar. In Indonesië, bijvoorbeeld, zijn de mensen heel meevoelend: ze leven om het anderen naar de zin te maken. Dat is mooi, maar eigenlijk heeft Indonesië meer narcisten nodig. Mensen die ijdel genoeg zijn om bedrijven op te starten. Om te denken dat ze de nieuwe Steve Jobs kunnen worden. Vandaag ontbreekt het Indonesië aan dat soort mensen. Resultaat: het land heeft geen middenklasse, de Indonesiërs hinken economisch gezien achterop.”

De antropoloog: Rik Pinxten
“Hier is het competitie troef. Zelfs in de zorg”

Ook Rik Pinxten, cultureel antropoloog aan de Universiteit Gent, bestrijdt het idee dat de westerse mens anno 2019 een empathische modelburger is. Hij hoeft maar de krant open te slaan om nogal wat indicaties te zien van het tegendeel, zegt hij. “Onze sociale zekerheid wordt door sommige politici voortdurend aangevallen. De overtuiging dat de conventie van Genève herzien moet worden ‘omdat die vluchtelingen anders veel te veel noten op hun zang hebben’ wint nog steeds terrein. En na elke klimaatbetoging worden de manifestanten nog altijd met een zeker fanatisme verdacht gemaakt. Exemplarische uitingen van empathie kun je dat moeilijk noemen.”

“En als we ons wél eens meelevend tonen, is het omdat we er door de entertainmentindustrie toe aangepord worden. We zetten ons in voor Kom Op Tegen Kanker omdat het een mediashow is geworden. Een evenement waaraan we haast móéten meedoen. Maar net zoals je vroeger nog geen modelkatholiek was omdat je één uur per week in de kerk zat, ben je vandaag nog geen toonbeeld van empathie omdat je één keer per jaar kankerpatiënten helpt.”

“Wij hebben de neiging om onze westerse cultuur te zien als het summum van beschaving en fijngevoeligheid. Maar andere culturen scoren vaak een stuk hoger op de empathieschaal. In Algerije huldigen de Berbers het principe van ‘de vanzelfsprekende gastvrijheid’: ze zullen een mens in nood altijd helpen. Zonder dat die zichzelf moet verklaren of een tegenprestatie moet leveren. Dat is een vorm van empathie die in het Westen nauwelijks nog bestaat. Bij ons is competitie troef. Zelfs in de zorg. Hulpverleners klagen dat ze niet langer de tijd hebben om met hun cliënten te praten. De reden: ze moeten koste wat het kost hun targets halen.”

De filosoof: Ignaas Devisch
“Onze empathie wordt overbevraagd”

“Honderd jaar geleden spraken we niet over vrouwen- of dierenrechten”, zegt Ignaas Devisch, filosoof aan de Universiteit Gent en auteur van Het empathisch teveel. “Ons empathisch vermogen is de voorbije decennia dus wel degelijk toegenomen. Alleen mogen we niet denken dat dat empathische surplus een verworvenheid is. Als er morgen een oorlog uitbreekt, zal het rap gedaan zijn met onze bekommernis om het welzijn van de dieren. Dan zijn we enkel nog bezig met zelf te overleven. De maatschappelijke context waarin we ons bevinden, bepaalt in belangrijke mate of, wanneer en ten opzichte van wie we empathisch zijn.”

Floreert de menselijke empathie vooral in samenlevingen die we als democratisch kunnen bestempelen? “Het democratisch debat helpt ons om ons empathisch vermogen steeds fijner af te stellen. In de nasleep van de #MeToo-getuigenissen hebben we met z’n allen besloten dat een bepaald soort gedrag ten opzichte van vrouwen niet langer toelaatbaar is. Er is geen enkele politicus die ons daartoe verplicht heeft.”

“Maar dat wil nog niet zeggen dat elk maatschappelijk probleem verdwijnt zodra we het in empathie dompelen. Empathie is vooral nuttig in interpersoonlijke relaties. Het zorgt ervoor dat we elkaars gevoeligheden kennen en respecteren. En dat is goed: zo kunnen we veel relationele issues oplossen. Maar op maatschappelijk niveau is ons inlevingsvermogen minder performant: we kunnen ons onmogelijk ten opzichte van iedereen empathisch opstellen. Vandaar ook het belang van principes als solidariteit en rechtvaardigheid. Die zorgen ervoor dat ook mensen die we van haar noch pluim kennen van onze gezondheidszorg kunnen genieten. Enkel op basis van empathie zouden we nooit met miljoenen mensen kunnen samenleven.”

Volgens Devisch wordt onze empathie in deze gemediatiseerde tijden overbevraagd. “Als er honderd jaar geleden een overstroming was in Bangladesh, wisten we dat pas een half jaar later. Als er vandaag een walvis in ademnood komt, wordt dat op drie kanalen gelivestreamd en kunnen we meteen geld doneren. Dat er zo vaak een beroep gedaan wordt op onze empathie is voor goedmenende mensen best lastig. We kunnen ons nu eenmaal niet voor élk goed doel inzetten.”

Hoe bepalen we dan wie een deel van onze felbegeerde empathie in ontvangst mag nemen? “We leefden heel hard mee met de slachtoffers van de aanslagen van 22 maart 2016. Dat komt omdat die aanslagen zo uitzonderlijk waren. Als er om de twee dagen een bomaanslag zou plaatsvinden, zouden we er op den duur nauwelijks nog van opkijken. Gewenning doet ons empathisch vermogen afnemen.”

“Voorts reageren we veel empathischer op concrete dan op veeleer abstracte gebeurtenissen. De eenmalige aanslag in de moskee in Nieuw-Zeeland heeft ons meer getroffen dan de langdurige oorlog in Syrië. Van die moskee kan ons verstand zich een duidelijke voorstelling maken. De oorlog in Syrië is veel minder afgelijnd en bijgevolg ook moeilijker te vatten.”

De neuroloog: Frank Van Overwalle
“Empathie wordt evolutionair beloond”

“De mens is de laatste 200.000 jaar steeds empathischer geworden”, zegt Frank Van Overwalle, neurowetenschapper aan de VUB. “Dat komt omdat empathie evolutionair beloond wordt. Als we erin slagen om onze soortgenoten te begrijpen en op hun gedragingen en emoties in te spelen, kunnen we beter met hen samenwerken en vergroten we onze overlevingskansen.”

“Volgens de Engelse evolutiebioloog Robin Dunbar is het zeer waarschijnlijk dat onze mediale prefrontale cortex – het deel van onze hersenen waar onze empathie gefabriceerd wordt – door de eeuwen heen steeds groter is geworden. Dunbar is een van de grondleggers van de ‘sociale-breinhypothese’. Volgens die theorie wordt het volume van ons brein groter naarmate er meer soortgenoten in onze groep zijn. Om in een grotere groep succesvol te zijn, moeten we immers meer en complexere relaties aangaan. En daarvoor hebben we extra hersencapaciteit nodig.”

“We kunnen ons brein niet vergelijken met dat van onze voorgangers. De homo erectus en de neanderthaler zijn al veel te lang geleden uitgestorven, hun hersenen zijn nooit bewaard. Maar we weten wel dat onze mediale prefrontale cortex veel groter is dan die van de aap. En we weten ook dat het deel van de hersenen dat zich bezighoudt met sociale oordelen bij autisten minder goed functioneert dan bij niet-autisten, en zelfs kleiner is bij psychopaten. Dat geeft aan dat de grootte van onze hersenen wel degelijk mee bepaald wordt door onze sociale vermogens.”

Heeft ook ons gestegen welvaartspeil ons empathischer gemaakt? Zijn we ontvankelijker voor de behoeften van anderen als we zelf niet in ‘survival of the fittest’-modus staan? “Nee. Ook mensen die het niet breed hebben, leven mee met de andere leden van hun groep. Wat je wél ziet, is dat empathie in een welvaartsmaatschappij geïnstitutionaliseerd wordt. Onze sociale zekerheid is in zekere zin een maatschappelijk verankerde vorm van empathie: iedereen helpt iedereen. In ontwikkelingslanden ontbreekt dat vangnet. Daar blijft familiale empathie het belangrijkst.”

Waarom is ons inlevingsvermogen voor de wetenschap zo’n geliefd onderzoeksterrein geworden? Hopen we te ontdekken hoe we als soort méér empathie kunnen produceren? “We hopen vooral te achterhalen hoe we iets kunnen doen aan onze sociale-breindefecten. Aandoeningen zoals autisme en schizofrenie zijn het gevolg van storingen in ons sociale brein. Door dat deel van ons brein te onderzoeken, proberen we die storingen beter te begrijpen en te behandelen.”

THERAPIE: De ouderenpsycholoog

‘Tot op je sterfbed vasthouden aan je grote gelijk is voor sukkelaars’

Sterf je met het gevoel dat je leven vervuld is, of dat je het verspild hebt? ‘Vaak moet ik mensen helpen om zichzelf te begrijpen en zo het zelfverwijt op te heffen’, zegt ouderenpsycholoog Luc Van de Ven, dezer dagen te zien in het tv-programma Therapie.

De Standaard – 30.03.2019 – Eva Berghmans

Of ze nu met een depressie, vage angsten of een verslaving bij hem aankloppen, de meeste mensen die ouderenpsycholoog Luc Van de Ven in zijn spreekruimte ontvangt, komen zonder het te beseffen voor een ‘life review’, een recensie van het eigen leven en van zichzelf. ‘Vanaf 70 kijken mensen terug op hoe ze de dingen aangepakt hebben’, zegt Van de Ven, zelf 65, maar consequent sprekend over ‘ouderen’, alsof het een leeftijdsgroep is die hij met een zekere afstand bestudeert. ‘Ze zouden willen dat ze anders waren omgegaan met hun kinderen of partner, dat ze niet in conflict waren geraakt met hun dochter die per se met een ongeschikte man wou trouwen. Ze weten dat ik de klok niet kan terugdraaien, maar ze willen af van de storende emoties die hun verleden bij hen oproept. De zaak is al half gewonnen als mensen beseffen dat ze moeten komen praten over wat hen dwarszit. Veel ouderen herkennen hun gevoelens van spijt of schuld niet. Die gevoelens kunnen dan leiden tot vage angsten, die mensen proberen remediëren met kalmeermiddelen of alcohol. Dan creëren ze een nieuw probleem.’

Welke negatieve emoties zitten mensen het meest in de weg?

‘Bij de ene overheerst spijt, dat is een negatief gevoel over dingen die iemand overkomen zijn. Spijt kan er zijn om gemiste kansen bijvoorbeeld. Bij anderen speelt dan weer vooral schuldgevoel, dan gaat het over wat je zelf hebt aangericht.’
Hoe kunt u gevoelens van spijt om een gemiste kans nog rechttrekken, als mensen niet meer de leeftijd hebben om nog andere kansen te grijpen?

‘Spijt mag niet ontaarden in agressieve beschuldiging, dan word je bitter. Je hebt mensen die gemakkelijk klagen en zagen, en altijd maar de anderen met de vinger wijzen. Zolang mensen blijven hangen in “waarom doet hij/zij me dit aan?”, raken ze geen stap vooruit. Ik probeer mensen te laten nadenken over hun eigen aandeel en attitude. Dat ze zich afvragen waarom ze het bijvoorbeeld toegelaten hebben, waarom ze er zo erg onder lijden, waarom ze niet anders omgaan met wat hen overkomt.
Mensen moeten het jammeren overstijgen. Aan de anderen kun je niets veranderen, aan jezelf wel.’

De generatie mensen die bij u aanklopt, is opgegroeid in een tijdperk waarin de eigen noden en verlangens nog erg ondergeschikt gemaakt werden aan sociale verplichtingen. Is het dan niet logisch dat sommige mensen enigszins bitter op hun leven terugkijken?

‘Het is niet omdat mensen hun leven voor een groot stuk ten dienste van anderen gesteld hebben, dat ze per se bitter zijn. Er zijn voor de anderen is voor veel mensen een belangrijke waarde, die hen vervult. Als het een opoffering wordt, is het natuurlijk iets anders. Veel vrouwen van de naoorlogse generatie, die hun leven ten dienste hebben gesteld van man en kinderen, ervaren spijt, omdat ze verwachten iets terug te zullen krijgen voor hun opofferingen. Zo werkt het natuurlijk niet. Volwassen kinderen hebben hun agenda, moeten hun leven uitbouwen. Geen enkel kind heeft erom gevraagd geboren te worden. Jij hebt kinderen gewild, en je moet voor hen zorgen. En het is leuk als ze nadien iets teruggeven, maar je moet dat niet willen of eisen. Het is zoals het is. Relaties zijn zoals ze zijn.’

Kunt u zo’n vrouw helpen om het gevoel te krijgen dat het niet allemaal voor niets is geweest, dat haar opoffering tot tevredenheid leidt?

‘Met die cliënten ga ik op zoek naar de positieve dingen, in het verleden en in het nu. En we zoeken uit welke waarden nog altijd voor hen gelden. Ook al ben je tachtig, je hebt dingen waarvoor je wilt gaan, en die je nog altijd kunt bereiken. Een rol spelen in het leven van kleinkinderen en achterkleinkinderen kan zoiets zijn. Dat kan ook zijn: met vrienden en vriendinnen dingen doen en elkaar ondersteunen. Mensen die niet meer zien hoe ze het leven kunnen leiden dat ze willen, geef ik geregeld opdrachten. Dat zijn vaak heel concrete dingen – gaan fietsen met vrienden, opnieuw naar het voetbal gaan kijken, vrijwilligerswerk doen. Je moet mensen uit hun comfortzone duwen, maar niet zo ver dat ze faalangst krijgen, en zich schuldig gaan voelen over het eigen gebrek aan daadkracht. Zodra mensen voelen dat niet alles negatief is, dat ze best in staat zijn om dingen te ondernemen, is de eerste stap gezet.’

‘Het leven van iemand die in de jaren 50 is opgegroeid, moet je ook niet bekijken met de bril van 2019. Tegen een vrouw die spijt heeft omdat ze niet gestudeerd heeft, hoewel ze even slim was als haar broer, moet je niet zeggen dat ze maar op haar strepen had moeten staan. Een vrouw die niet rouwt om haar overleden man, en bedenkt dat ze beter 40 jaar eerder gescheiden was, moet je helpen om haar verhaal in de bredere context te zien. In die zin moet ik die vrouw ontschuldigen: zeggen dat het niet simpel was om weg te gaan, haar erop wijzen dat ze vier kinderen hadden, en dat het haar ook siert dat ze die in een intact gezin heeft opgevoed. Vaak help ik mensen om zichzelf te begrijpen, en zo het zelfverwijt op te heffen.’

Kunt u ook mensen die schade aangericht hebben en zich schuldig voelen, helpen op een andere manier naar hun eigen verhaal te kijken?

‘Ja, ook hen kan ik helpen ontschuldigen door te kijken naar de context en naar de positieve dingen in hun leven. Soms hebben mensen anderen, zoals hun kinderen, echt kwaad gedaan, of hebben ze zo hard vastgehouden aan hun eigen grote gelijk dat ze al 50 jaar in onmin leven met anderen. Dan heb je de anderen ook nodig om in schoonheid af te ronden, finishing well noem ik dat.’

‘Vaak doe ik familiegesprekken – die zul je in het tv-programma Therapie helaas niet te zien krijgen, omdat het te ingewikkeld is om een bureau vol mensen op te nemen. Daarin zoek ik naar een combinatie van erkenning van het lijden van iedereen, en het zoeken naar het positieve. Oude kwetsuren kunnen maar verwerkt worden als ze erkend worden. Als ik me dan in zo’n therapie geconfronteerd zie met een man die zegt: “Het is toch niet aan den ouwe om zijn hand uit te steken?”, dan denk ik: “Gij, sukkelaar”. Als je aan het eind van je leven de verzoening nog altijd niet centraal kunt stellen, omdat je nog liever begraven wordt in je eigen grote gelijk, dan doe je iedereen kwaad, ook jezelf. Let wel: verzoening is niet hetzelfde als vergiffenis. Wie zegt: “Ik vergeef u”, wrijft de andere nog eens in dat hij een fout gemaakt heeft. Waar het om gaat, is opnieuw on speaking terms te ­komen, voorbij de clichés, dat je opnieuw met elkaar kunt omgaan op een persoonlijke manier.’

Zijn er persoonlijkheidskenmerken die maken dat mensen een grotere kans hebben om tevreden te zijn over hun eigen leven?

‘Ja, natuurlijk. Als je flexibel bent, is het makkelijker om met het leven om te gaan dan wanneer je rigide bent. Ook wie van nature angstig is, heeft het moeilijk, omdat je door die angst kansen mist. Iedereen kent daarnaast mensen voor wie het glas altijd halfleeg is. Dat zijn allemaal basiskwaliteiten die in het leven vrij vroeg vastliggen, door je genetische aanleg en de eerste jaren van je leven. De breedte van de plank die je in je levensloop kunt bewandelen, ligt min of meer vast.’

Betekent het dat u fundamenteel weinig voor mensen kan veranderen?

‘Toch wel, want een therapeut wordt geconfronteerd met mensen die niet de volledige breedte van hun plank gebruiken. We moeten eruit halen wat erin zit. Iedereen heeft meer kwaliteiten dan hij of zij, zeker in depressieve of angstige toestand, zelf in de gaten heeft.’

Zijn er parallellen te vinden in de levens van mensen die tevreden terugblikken?

(aarzelt) ‘Goh. Ik kan vaststellen dat ze bestaan, de mensen die tevreden zijn over hun leven. Wat ze dan juist gedaan hebben? Als er één gemene deler is, dan is het dat het mensen zijn die hun intieme relaties – niet alleen met hun partner, maar ook met kinderen, familie, vrienden – positief evalueren.’

‘Wat ook helpt, is dat mensen een vertrouwenspersoon hebben. Met een vertrouwenspersoon bedoel ik: iemand tegen wie je alles kunt vertellen, ook de dingen waarover je je schaamt. Een klankbord dat je nooit verwerpt, maar je wel durft tegen te spreken. Als je in je leven één iemand hebt met wie je in veiligheid kunt praten, sta je sterker tegenover de moeilijkheden van het leven, en relativeer je meer. Je wordt wijzer als je een intimus hebt die je tegenspreekt.’

Luc Van de Ven is een van de therapeuten die een inkijk in hun praktijk geven in het Canvas-programma ‘Therapie’ (woensdag, 21.20 uur).

Obstakels

Een artikel gevonden op Facebook over welke obstakels ons geluk in de weg kan staan. Ikzelf heb vooral last van obstakel nummer drie, maar het mindert met de jaren.

Gelukkig zijn is niet altijd vanzelfsprekend. In dit artikel vind je acht veelvoorkomende obstakels die jouw geluk in de weg kunnen staan. In welke obstakels herken jij je?

1. Vinden dat de wereld eerlijk moet zijn

Het leven is niet eerlijk. Dat is het nooit geweest. En hoogstwaarschijnlijk zal het dat ook nooit kunnen worden, gezien alle verschillende omstandigheden waarin mensen terecht kunnen komen.
Er gebeuren dingen die niet eerlijk zijn, waarbij gerechtigheid ver te zoeken is. Dat is het leven. Ja, dat voelt soms verschrikkelijk. Het geeft je een gevoel van machteloosheid.
Ja, je kunt je inzetten om de wereld eerlijker te maken. Door ervoor te zorgen dat alle mensen gelijke kansen en gelijke rechten krijgen en gaandeweg een spoor van goede daden achterlaten. Maar weet dat de wereld nooit eerlijk zal zijn. Hoe hard je je er ook voor inzet.

2. Denken dat de veilige weg minder pijn doet

De veilige weg doet op de korte termijn meestal minder pijn. Het is namelijk vaak de makkelijkste weg. Maar besef dat het ook de weg is die je in veel gevallen uiteindelijk de meeste pijn zal bezorgen.
Bij een partner blijven die je verbaal, geestelijk of fysiek mishandelt voelt nu veilig omdat je weet wat je hebt. Toch is het op de lange termijn duidelijk dat je meer en meer pijn zult voelen.
Toch maar weer dat sigaretje opsteken terwijl je gestopt was. Dat voelt nu fijn en veilig. Op de lange termijn beroof je jezelf van je gezondheid én van je financiële veerkracht.
Niet durven uitkomen voor je mening, waardoor je een grijze muis wordt waar niemand aandacht aan besteedt. Dat is veilig, maar niet de weg naar het leven dat je voor ogen had. Je wordt pas opvallend en opmerkelijk zodra je je eigen stem volgt.
Blijven hangen op een werkplek die je ongelukkig maakt. Het is makkelijker om je hoofd te buigen en toch maar weer aan te schuiven op kantoor. Maar besef dat deze situatie je op de lange termijn een bore-out, burn-out of depressie kan bezorgen.
Weeg de lange termijn vaker mee in belangrijke beslissingen. Dan zul je tot de conclusie komen dat de veilige weg op de lange termijn vaak de pijnlijkste weg is.

3. Geloven dat je de controle hebt

Het is prima om een gevoel van controle op te roepen. Bijvoorbeeld door je leven georganiseerd te houden, door te plannen en vooruit te denken. Op die manier kun je de loop van je leven flink beïnvloeden.
Maar meer dan een gevoel van controle zul je nooit bereiken. Je hebt namelijk geen controle. En dat zul je nooit hebben. En dat is soms een van de moeilijkste lessen die we te verwerken krijgen. Bijvoorbeeld wanneer een dierbare die altijd gezond heeft geleefd een ernstige ziekte krijgt.
Je kunt het leven beïnvloeden, maar je kunt de loop van het leven niet controleren.

4. Geloven dat de toekomst slechter wordt

Als je gelooft dat de toekomst slechter wordt dan doe je jezelf waarschijnlijk tekort. Deze overtuiging werkt niet alleen verlammend. Het zorgt namelijk ook nog eens voor een self fulfilling prophecy.
Want waarom zou je inzetten voor een betere toekomst als je gelooft dat het toch geen zin heeft? Waarom zou je vechten voor een verloren zaak? Precies, dat doe je niet.
Niemand kan de toekomst voorspellen. En niemand heeft een duidelijk beeld van hoe onze wereld werkt. De wereld is voor mensen veel te complex om echt te begrijpen. We doen wel pogingen. Sommige mensen komen dan uit bij een positief beeld, anderen bij een pessimistisch beeld. En ze zijn waarschijnlijk beiden onjuist.
En bovendien zijn er een aantal belangrijke trends die in ons voordeel werken. De toekomst is waarschijnlijk mooier dan je denkt. Nog genoeg reden om je in te zetten voor een betere wereld dus!

5. Het idee dat anderen beter af zijn dan jij

Ja, anderen zijn rijker dan jij. Ja, anderen zijn slimmer dan jij. Ja, anderen zijn aantrekkelijker dan jij volgens de reclame maatstaven. Nou en?
Wist je dat die ontevredenheid die je voelt er automatisch voor zorgt dat anderen beter af zijn dan jij? Het maakt niet uit hoe knap, rijk, succesvol, slim of populair je bent. Het gaat erom of je tevreden kunt zijn. Of je tevreden kunt zijn met jezelf en met je leven.
Als het je lukt om tevreden te zijn (en dat lukt je), dan ben je het beste af. Er zijn maar weinig mensen tevreden. Als het jou lukt, dan behoor jij tot de gelukkigste mensen op de planeet. Dan ben jij het beste af, ongeacht alle andere zaken.

6. Geloven dat mensen van je moeten houden

Mensen moeten niets. Sterker nog, deze instelling zorgt er waarschijnlijk voor dat je mensen afstoot. Je zult merken dat het je niet lukt om mensen van je te laten houden, ook al doe je nog zo je best.
Liefde moet stromen. Het houdt niet van ‘eindstations’. En als jij merkt dat je een gebrek aan liefde ervaart, dan is het tijd om jezelf om te toveren tot een doorgaande weg.
Met andere woorden: jij moet beginnen met het geven van liefde. En dat wil niet zeggen dat je constant moet zoenen en knuffelen. Het begint eerder bij jezelf. Je zult moeten leren houden van jezelf. Zoals je bent, met al je (in jouw ogen) mindere kanten.
Zodra jij echt van jezelf kunt houden, kun je je liefde verspreiden onder de mensen in je leven. Dan kun je geven. En zodra jij begint te delen, zul je merken dat het verkeer weer op gang komt. Dan zal liefde gaan stromen in je leven, en zullen mensen in je omgeving hun liefde voor jou tonen.
Liefde begint bij jezelf. Zorg dat je ervan overloopt, dan gaat de rest vanzelf.

7. Het idee dat lijden slecht is

Lijden is op zichzelf een nuttig aspect van de menselijke ervaring. Door te lijden worden we sterker. Leren we meer over onszelf, over onze plek in de wereld en onze sterke en zwakke kanten.
Het zijn de moeilijke periodes die ervoor zorgen dat je de moeilijke keuzes maakt. Dat je knopen doorhakt en je leven op een nieuwe koers zet. Pas wanneer het lijden ondraaglijk wordt onderneem je actie. En die actie maakt vaak het verschil.
Hoeveel mensen komen er niet beter uit een burn-out? Of gebruiken de lessen die zij hebben geleerd om andere mensen te helpen, om de wereld mooier te maken?
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we al het lijden moeten goedkeuren. Veel lijden is onnodig en niet nuttig (zoals mensen die worden gemarteld of die sterven van de honger). Het wil wel zeggen dat je jezelf mag observeren in een moeilijke periode. Dat je mag beseffen dat de pijn niet alleen slecht is. Dat het er mag zijn, en dat de pijn je kan helpen groeien.
En zodra het je lukt om je pijn te ‘observeren’, ontdek je tegelijkertijd dat jij en je pijn twee losse dingen zijn. Jij ervaart gevoelens, jij bent niet je gevoel. En dat is een wereld van verschil.

8. Denken dat anderen verantwoordelijk zijn voor jouw geluk

Dat zijn ze niet. Simpel zat. Als je dit gelooft, dan zal je leven getekend worden door teleurstelling en frustratie. Ieder mens is verantwoordelijk voor zijn eigen geluk. Dat klinkt egocentrisch, maar het is simpelweg hoe de wereld in elkaar steekt.
Jij kunt mij niet volledig gelukkig maken. En ik jou ook niet. We moeten het allebei zelf doen. Het leven is een strijd met jezelf. Ja, natuurlijk dragen goede relaties bij aan een gelukkig leven. Maar ook die relaties moet jij zelf opbouwen, met de juiste mensen die bijdragen aan jouw geluk.
Ieder mens bewandelt zijn eigen pad. En als jij meer uit je leven wilt halen, dan wordt het tijd dat je zelf de route gaat uitstippelen. Je kunt iemand anders niet blijven volgen, aangezien jullie paden nooit hetzelfde zullen lopen. Als je toch blijft volgen, dan zul je jezelf tekort doen. Dan zul je merken dat je niet echt gelukkig kunt zijn.
Jouw geluk is jouw zaak. En als je merkt dat er op dit moment iets in de weg staat van jouw geluk, dan is het jouw verantwoordelijkheid om daar iets aan te veranderen. Ja, soms krijg je hulp. En soms niet. Soms is het even slikken om vooruit te komen. Maar so be it. Het leven is niet altijd eerlijk, niet altijd leuk, niet altijd pijnloos.
We hebben het allemaal moeilijk van tijd tot tijd. En dat is prima. Dat hoort bij het proces van groei. Groei doet pijn. En die pijn blijkt achteraf vaak de moeite waard. Zo ben je tenslotte ter wereld gekomen. Je (biologische) moeder heeft pijn gehad vanwege jouw groei, vooral tijdens het baren. En ik kan me zo voorstellen dat jij vindt dat die pijn de moeite waard is geweest.
Als jij je leven beter wilt maken, moet jij je leven beter maken. Dan moet jij de boel in beweging zetten, hulp vragen, dingen leren, dingen regelen. Zodra je dat idee koestert, zul je merken dat gelukkig zijn een stuk makkelijker wordt.

Een burn-out voorkomen

Hoe het risico op een burn-out verlagen?

Een burn-out voorkomen. Dat doe je niet door een pilletje voor te schrijven, wel door medewerkers aan te moedigen hun veerkracht op peil te houden. Maar hoe pakken bedrijven dat aan?

De Standaard – 20.03.2019

Marleen Gillis is adviseur bedrijfsprocessen bij waterzuiveraar Aquafin. Daarnaast neemt ze de rol van vertrouwenspersoon op zich. Meer dan duizend collega’s kunnen bij haar terecht voor allerlei soorten vragen rond psychosociale risico’s zoals stress, burn-out, pesterijen of conflicten.

“Het klinkt evident dat ik als vertrouwenspersoon heel veel belang hecht aan vertrouwen. Wil je een onderwerp als stress en burn-out bespreekbaar maken, dan heb je een kader nodig waarbinnen mensen in alle vertrouwen kunnen zeggen wat er op hun hart ligt. Dan wil je mensen de garantie geven dat wat ze zeggen als vertrouwelijke informatie behandeld wordt. Pas als die garantie er is, kun je een open gesprek hebben.

Mijn rol binnen zo’n gesprek? Dat is in de eerste plaats met oprechte aandacht en een open geest naar het verhaal van de betrokkene luisteren. Het is me al vaak opgevallen dat alleen nog maar het verwoorden van bepaalde gedachten en gevoelens, zeer verhelderend en probleemoplossend kan werken.

Hoge druk

Ik stel vast dat er vandaag heel veel druk op de schouders van mensen rust. Ik heb het niet alleen over een hoge werkdruk, maar ook over een hoge maatschappelijke druk. We willen toch zo veel. Voor onszelf en onze kinderen. En dan heb ik het nog niet over de stress die digitale en sociale media kunnen veroorzaken. Technologie maakt het mogelijk dat we continu bereikbaar en beschikbaar zijn. Mooi, maar als we daar niet verstandig mee omgaan, raakt onze work-life balance helemaal verstoord.

Wat me ook opvalt, is dat vooral mensen die heel perfectionistisch ingesteld zijn het slachtoffer van een burn-out kunnen worden. De knop leren omdraaien en je verantwoordelijkheden even durven los te laten, het is niet eenvoudig voor iemand die steeds het beste wil. Als zo iemand symptomen van een nakende burn-out vertoont, willen wij tijdig ingrijpen.

Voorkomen is beter dan genezen

Voorkomen betekent soms dat er een gesprek met de leidinggevende aangegaan wordt. Maar dat gesprek vindt alleen plaats als de betrokkene dat wil. De voorbije jaren heeft Aquafin geïnvesteerd in specifieke opleidingen voor leidinggevenden rond welzijn en stresspreventie. We vinden het belangrijk dat zij signalen die op een burn-out wijzen, herkennen en hun medewerkers helpen om niet opgebrand te raken.

Hoe doe je dat? Door bijvoorbeeld je medewerkers te helpen met prioriteiten te stellen. Niet alles is even belangrijk of even dringend. Je kunt ook samen met je team kijken hoe bepaalde taken kunnen herschikt worden, zodat ze zo goed mogelijk aansluiten bij de talenten van je medewerkers. Soms kan een jobrotatie of -mutatie een oplossing bieden. Want hoe beter het takenpakket van iemand aansluit bij z’n talenten en vaardigheden, hoe kleiner het risico op een burn-out.

Werkklimaat

Wij bieden onze medewerkers de kans om tijds- en plaatsonafhankelijk of vanuit de decentrale kantoren van Aquafin te werken. Dit kan helpen om de werkdruk te verminderen. Zelf geloof ik ook in de positieve effecten van een werkklimaat waar elkaar feedback geven een continu proces is. Want met die benadering hou je de dialoog open en kun je tijdig situaties aanpakken die het welzijn op de werkvloer kunnen verbeteren.

Het is fijn om te zien hoe ook onze medewerkers initiatieven nemen die bijdragen tot het algemeen welzijn binnen Aquafin. Zo worden er regelmatig yogasessies, wandelingen en andere ontspannende activiteiten georganiseerd. Die momenten zorgen voor een sfeer waarin mensen dichter bij elkaar komen en zich geroepen voelen om voor elkaar te zorgen. Ik geloof er dan ook sterk in dat het voorkomen van burn-outs een zaak van ons allemaal is.”

11 tips voor veerkracht

Klinkt bovenstaande voor jou te goed om waar te zijn? Probeer eens enkele tips van coach en trainer Joke Adins, die opleidingen geeft aan bedrijven zoals UNILIN.

Schrap het woord ‘moeten’.
Luister naar je lichaam.
Blijf in beweging.
Plan off-linemomenten in je agenda.
Stel elke dag kleine acties die je energie geven.
Hou een energiedagboek bij.
Bewaak de balans tussen geven en nemen.
Besef dat je niet altijd sterk hoeft te zijn.
Geef tijdig aan wanneer je hulp nodig hebt.
Kijk naar problemen als uitdagingen die je de kans geven om te groeien.
Zorg ervoor dat jij meester blijft van stress en niet omgekeerd.

https://markmagazine.be/tips-voor-meer-veekracht/