Een late kerstboodschap

Dirk De Wachter & Paul Verhaeghe: ‘Het normale leven is waanzin geworden, maar we merken het niet eens’

HUMO – 31 december 2019

Paul Verhaeghe en Dirk De Wachter pikken de mensen op die de razende vaart van de samenleving niet meer kunnen volgen. Hun wachtkamers puilen uit van de opgevers, die vaak met de vinger worden nagewezen wegens een vermeend gebrek aan karakter en ijver. Maar in hun pas verschenen boeken ‘Over normaliteit en andere afwijkingen’ en ‘De kunst van het ongelukkig zijn’ vragen Verhaeghe en De Wachter zich af wie eigenlijk de gekken zijn: de afhakers, of de groep die succesvol meedraait aan de top. Een gesprek over liefde, egoïsme en bubbelbaden op de Kaaimaneilanden.

‘Mensen willen zoals Brad Pitt en Angelina Jolie zijn, maar ze vergeten dat die sterren rampzalige relaties hebben’

Dat het allemaal wat minder mag, zeggen ze vaak tegen de mensen. Minder perfect, minder snel, minder mooi. Maar hun eigen adviezen toepassen is voor de bekendste zielenknijpers van Vlaanderen nog een werkpuntje. Dit interview vindt plaats om halfnegen ’s avonds, in het Gentse Museum Dr. Guislain, waar Dirk De Wachter na halfelf nog een evenement heeft. Maar in een tijdspanne van drie weken was dit het enige gaatje in hun overvolle agenda’s. ‘We draaien mee in de mallemolen die we aanklagen,’ zegt Dirk De Wachter. ‘Maar wij hebben een job die ons tevredenstelt. Veel mensen hebben dat geluk niet.’

HUMO Uit het Nationaal Geluksonderzoek van professor Lieven Annemans bleek dit jaar dat 46 procent van de Belgen zich soms tot altijd eenzaam voelt, bij jongvolwassenen tussen 20 en 34 jaar is dat meer dan de helft. Eén op de vijf jongeren heeft psychische problemen en België scoort zeer hoog in de lijstjes met burn-outs, depressies en zelfdodingen. Wat is er aan de hand?

Paul VERHAEGHE «Onze neoliberale maatschappij is ziekmakend. De normen waaraan mensen moeten voldoen, liggen zo hoog dat velen die niet halen. En zelfs degenen die ze wel halen, voelen zich vaak niet lekker, omdat het maatschappelijke ideaalbeeld ons sterk op onszelf teruggooit.»

HUMO Wat is dat ideaalbeeld?
VERHAEGHE «Dat je succesvol moet zijn en voortdurend in competitie moet gaan met anderen: op het werk, in je vrije tijd, in je familie… Dat idee is eind jaren 80 ontstaan, en de digitalisering en de Instagramcultuur, waarin we onszelf als uniek merk in de markt moeten zetten, hebben daar nog een turbo op gezet. Het gevolg van die aanhoudende concurrentie met anderen is dat we niemand meer vertrouwen. Zelfs in koppels bestaat die rivaliteit: ‘Wie van ons is de strafste? Wie moet de meeste huishoudelijke klussen doen, zodat de andere meer tijd heeft om succes te boeken?’ Mensen voelen zich alleen, omdat ze merken dat ook de andere met zichzelf bezig is. Volgens de Franse schrijver Michel Houellebecq zijn we allemaal elementaire deeltjes geworden. We leven apart together, elk in onze bubbel.»

HUMO Is dat niet de natte droom van elke stamboekliberaal: de ultieme vrijheid en zelfontplooiing?

Dirk DE WACHTER «Het is vooral een illusie. Wij zijn een sociale diersoort, we hebben de anderen nodig. Zet ons allemaal apart en we worden ziek.»

HUMO Waarom hekelt u allebei de idee dat geluk maakbaar is?

DE WACHTER «Omdat geluk dan heel egocentrisch wordt: geluk als ‘iets van míj, waar ik zelf voor heb gezorgd, en wat de anderen doen, boeit me niet’. Dat is het recept voor een kille samenleving, waarin pech, lijden en verdriet als je eigen schuld worden beschouwd. Het gevolg is dat mensen de pijn verzwijgen in plaats van erover te praten. Verdriet dat niet naar buiten komt, gaat rotten. Het kan je ziek maken. Pas als we het uiten, wordt het draaglijk. Daarom is de kunst van het leven de aanvaarding dat moeilijkheden en tekortkomingen bij het leven horen, en dat je die deelt met anderen.»

VERHAEGHE «Als je die idee van maakbaar geluk doortrekt, is het nooit goed genoeg. Dan wordt jezelf beter maken een morele plicht, en elke mislukking een persoonlijk falen. In mijn praktijk zie ik veel perfectionisten die bang zijn om te mislukken of die al mislukt zijn. Uitblinken op alle terreinen is een must: op het werk, als partner, ouder, vriend, sportman… Ze zijn verwikkeld in een continue rechtszaak met zichzelf als beschuldigde én rechter, maar zonder verdediging: ‘Dit kan beter, dat heb ik niet goed gedaan, mijn kinderen presteren slecht op school…’ Hun faalangst drijft hen almaar verder, en zo branden ze op.»

DE WACHTER «Ofwel boek je succes en voel je je fantastisch, ofwel ben je een loser. Ook politiek is het wit of zwart. Waar zijn de vijftig tinten grijs gebleven?»

VERHAEGHE «Het normale leven is waanzin geworden, maar we merken het amper, omdat iedereen achter hetzelfde ideaal aanholt. Werk moet ons niet meer opgelegd worden, we moeten er bijna van weggehouden worden of we verliezen onszelf erin. En als het stopt, blijven we verweesd achter, omdat onze hele identiteit erop stoelt. De belangrijkste oorzaak voor eenzaamheid bij ouderen is het gevoel dat ze niet meer meetellen, omdat ze niet meer werken. Oudere collega’s die met emeritaat gegaan zijn, zeggen: ‘Van de ene dag op de andere ben je niets meer.’»

HUMO Dat lijkt me vooral het geval bij hoogopgeleiden en zelfstandigen.

VERHAEGHE «Juist. Daarnaast heb je een grote groep ambtenaren, arbeiders en mensen in onderbetaalde banen die nauwelijks erkenning krijgen. Ze worden geconfronteerd met besparingen en efficiëntie-oefeningen: ze moeten er steeds meer taken bij nemen. Daardoor vallen steeds meer mensen uit en stijgt de druk op de overblijvers.»

DE WACHTER «Ik ben ervan geschrokken hoeveel jonge werknemers, en zelfs studenten, bij mij komen met een burn-out. Vaak zeggen ze: ‘Dokter, eigenlijk zou mijn baas hier moeten zitten.’ Het grappige is dat die baas een week later óók bij mij komt en hetzelfde zegt over zíjn baas.»

HUMO Dat de Vlaamse regering in haar programma zo sterk de nadruk legt op excelleren, is dus geen goede zaak?

VERHAEGHE «Zoals de politiek het begrip excelleren invult, zul je onvermijdelijk nóg meer burn-outs zien. In het advies van de Gezondheidsraad staat letterlijk dat burn-out het gevolg is van een ziekmakende omgeving. Dat gaat lijnrecht in tegen de politieke visie.»

DE WACHTER «Ik vergelijk onze tijdgeest met een speedboot, TINA genaamd: There Is No Alternative. Die boot vaart heel snel, en vooraan staan blitse jongens in dure pakken met hun haren in de wind magnumflessen champagne leeg te spuiten, terwijl hun mooie vrouwen kirren van plezier. Maar achteraan vallen mensen uit de boot, omdat het zo snel gaat en er geen relingen zijn. Door het geraas horen de succesboys dat niet. En achter die speedboot varen wij, de psychiaters en de psychologen, in rubberbootjes. Wij vissen de overboord gevallen sukkelaars op en geven ze droge kleren.»

VERHAEGHE «Een schitterende metafoor!»

DE WACHTER «Maar onze rubberbootjes kunnen amper volgen, waardoor het heel moeilijk is om die patiënten weer op de speedboot te krijgen. De overheid zegt nu dat die boot nog harder mag gaan, en dat de rubberbootjes van de psychiaters te duur zijn: ‘Laten we de mensen zwemvesten geven, dan verdrinken ze ook niet.’ Néé, die speedboot moet trager varen, en achteraan moet er een stevige reling komen, een sterke sociale zekerheid, zodat minder mensen in het water vallen. Want vergis u niet: de meesten hebben geen psychiatrische afwijkingen, maar zijn gewone mensen die de ratrace niet meer aankunnen. Je zou kunnen zeggen dat degenen die wel succesvol zijn de gekken zijn, om het woord ‘psychopaten’ niet te gebruiken.»

‘Je zou kunnen zeggen dat degenen die wél succesvol zijn de gekken zijn, om het woord ‘psychopaten’ niet te gebruiken’

HUMO Een straffe uitspraak.

VERHAEGHE «Dirk heeft gelijk. Kijk naar de politiek, de grootbanken die de bankencrisis hebben veroorzaakt, of multinationals die excelleren door hun personeel uit te persen: aan de top zitten vaak succesvolle sociopaten die alleen met zichzelf bezig zijn.»

DE WACHTER «Uiteraard zijn er ook sociaal voelende bedrijfsleiders en politici, maar het lijkt er toch op dat gewetenloos doordrammen zonder rekening te houden met de medemens of de planeet de kortste weg is naar succes. Veel mensen zijn gelukkig ten koste van anderen. Ze vertrappelen hen en worden daar soms nog om bewonderd ook.»

HUMO U vindt dat de gelukkigen wat nederiger moeten zijn. Waarom is die Vlaamse bescheidenheid nodig?

DE WACHTER «Omdat het behalen van succes meer te maken heeft met geluk dan met je eigen verdienste. Dat ik psychiater ben, dank ik aan het feit dat ik geboren ben in een land zonder oorlog of hongersnood, met bijna gratis onderwijs en een goede gezondheidszorg. Ik had ook het geluk dat ik wat verstand meekreeg en geboren werd in een gezin waarin ik graag werd gezien. Ik zie dagelijks in mijn praktijk hoe belangrijk die liefdevolle omgeving is. Wij, westerlingen, beseffen niet hoeveel we krijgen.»

HUMO Is het dan geen verdienste dat je de geboden kansen ook grijpt?

DE WACHTER «Jawel, maar dat geeft je nog niet het recht om hoog van de toren te blazen. Schenk wat meer aandacht aan de mensen rondom je.
»Wie kansen heeft gekregen, heeft de verantwoordelijkheid om iets te doen voor wie door zijn ouders mishandeld of verwaarloosd is, die in oorlog is opgegroeid of door erfelijkheid een kwetsbaar brein heeft dat hem bij de minste stress door de knieën doet gaan. Als de gelukkigen voor de ongelukkigen zorgen, worden ze daar zelf ook gelukkiger van, want het geeft hun leven een diepere betekenis. Dat gevoel gaat dieper dan het oppervlakkige streven naar succes, genieten en steeds weer nieuwe kicks. Het idee dat het leven altijd leuk moet zijn, is de ziekte van deze tijd.»

‘Het idee dat het leven altijd leuk moet zijn, is de ziekte van deze tijd’

HUMO Wat is er mis met genieten?

DE WACHTER «Als dat het doel van het leven is, vind ik het nogal leeg.»

VERHAEGHE «Maar dat wordt ons wel opgedrongen door de consumptiemaatschappij.»

DE WACHTER «Op den duur voel je je bijna schuldig als je niet op reis gaat, maar gewoon in de tuin zit, want dat kost niets, en het oogt minder spectaculair op Instagram.»

VERHAEGHE «Tenzij je een zwembad laat aanleggen en nieuwe tuinmeubels koopt. En een poolhouse met een buitenkeuken (lacht).»

HUMO Mensen die elke zomer naar Ibiza willen, en elke winter naar Ischgl en Tenerife, zijn dus afgedwaald?

DE WACHTER «Mensen mogen reizen, dat doe ik zelf ook, maar waar houdt het op? Op den duur wordt Ibiza te saai en zijn we alleen nog tevreden als we ons in een wellnessresort op de Kaaimaneilanden in een bubbelbad kunnen laten zakken. Dan wordt geluk synoniem voor zelfgenoegzaam wegzinken in leegheid. Ik betwijfel of je daar fundamenteel gelukkig van wordt. De wonderlijkheid van het bestaan zit in doodgewone dingen: koken met je geliefde, je kind zien lachen, afspraakjes met vrienden, rustig genieten van een goed boek…»

VERHAEGHE «Maar dat gaat in tegen de heersende yolo-moraal: you only live once.»

DE WACHTER «Ja, leven tot op de bodem. Maar op de bodem van de pot is de pudding soms aangebrand. Als je te veel schraapt, wordt het minder lekker. Ik zie geregeld succesvolle mensen die jarenlang hebben geleefd alsof het hun laatste dag is, zoals André Hazes jr. zingt, tot ze instorten. Misschien is het dan beter om kleine hapjes pudding te eten en daar maximaal van te genieten.»

HUMO Er kwam ook kritiek op uw boek: het zou een pleidooi voor saaiheid zijn, je moet je schikken in je kleurloze lot. Bestaat het risico niet dat mensen die hun relatie of job beu zijn, zich daarbij neerleggen?

DE WACHTER «Dat is een cynische interpretatie. Ik pleit voor een ambitieus en gelukkig leven met veel engagement, maar minder ikkigheid. Als mensen denken dat ze zich kunnen verbeteren, hou ik hen niet tegen. Maar niet iedereen heeft de kracht om op z’n 45ste nog van job te veranderen. Zo iemand kan zich wel buiten het werk engageren, in vrijwilligerswerk, als trainer in de voetbalclub, in de buurt of bij familie.»

HUMO Pijn en lijden als deel van het leven, bescheidenheid, je plicht doen: het doet een beetje aan de Kerk denken.

DE WACHTER «Je zou denken dat mensen die boodschappen al kennen, maar blijkbaar hebben ze, door het wegvallen van de Kerk, psychiaters nodig om hen eraan te herinneren. Toch word ik niet graag bestempeld als een pastoor. Het wekt de indruk dat ik niet meer van deze tijd ben. Ik zeg mijn patiënten niet hoe het moet, ik ga met hen in dialoog en hoop dat ze door dat gesprek zelf een oplossing vinden. Maar ik sta wel achter de christelijke waarden. Mijn familie was nogal ‘multicultureel’, met een liberale vader, een socialistische tante en ook enkele pastoors aan moederskant. Daar hoopte men dat ik ook pastoor zou worden, maar mijn moeder heeft me nooit gepusht: ze vond een gezin belangrijker. Vandaag ben ik niet meer zo gelovig, maar ik vind dat we de christelijke traditie, met haar zingeving en rituelen op belangrijke levensmomenten, moeten koesteren.»

Geen zin in seks

HUMO Veel mensen zijn ontgoocheld in de liefde. Merken jullie dat ook?

DE WACHTER «Zeker. Dat heeft vooral te maken met onrealistische, hollywoodiaanse verwachtingen. In zijn boek ‘Sapiens’ schreef Yuval Noah Harari: ‘Als je een ossenwagen wilt en je krijgt een ossenwagen, dan ben je tevreden. Als je een nieuwe Ferrari wilt, en je krijgt een tweedehandse Fiat, dan voel je je tekortgedaan.’ Mensen willen zoals Brad Pitt en Angelina Jolie zijn, maar ze vergeten dat die sterren rampzalige relaties hebben. De wonderlijkheid van de liefde zit in het gewone, duurzame samenleven, niet in altijd weer nieuwe prikkels en horizonten zoeken. Ik ben een romanticus, maar ik zoek die romantiek in innerlijke verdieping, niet in strandwandelingen op paradijselijke bestemmingen.»

HUMO Ik ken vrouwen die boos worden als therapeuten zeggen dat de liefde uit de Hollywoodfilms niet bestaat.

DE WACHTER «In uitzonderlijke, bijna miraculeuze gevallen zal dat wel bestaan, maar het is niet weggelegd voor 99,9 procent van de bevolking. Je kunt hopen op een partner met wie je perfect samenvalt, nooit ruziemaakt en steeds hogere romantische toppen bereikt, maar de kans op ontgoocheling is gigantisch. De perfecte liefde bestaat net zomin als de perfecte vriendschap.»

VERHAEGHE «Volgens psychoanalyticus Jacques Lacan bestaat er geen correct model voor een liefdesverhouding. Elk koppel moet dat opnieuw uitvinden.»

DE WACHTER «Je moet de imperfectie koesteren en elkaars verschillen aanvaarden. De motor van het verlangen is dat je de ander nooit helemaal kunt begrijpen. Daardoor blijf je geïnteresseerd en verwonderd: ‘We zijn nu al zo lang samen en ik begrijp haar nog altijd niet.’»

VERHAEGHE «Veel mensen beginnen aan een relatie met de rem op, vanuit de verwachting dat het toch zal mislukken, terwijl zo’n relatie een veilige haven zou moeten zijn.»

HUMO Joke Devynck had het laatst in De Morgen over een generatie emotioneel geconstipeerde mannen die zijn opgevoed door ouders die hen terechtwezen als ze huilden. Daardoor hebben ze nooit geleerd om hun emoties te uiten, tot frustratie van hun partners, die het gevoel hebben op een muur te botsen.

DE WACHTER «Dat is de nagel op de kop. Ik krijg veel vrouwen over de vloer die vragen of ik hun man niet op autisme kan testen (hilariteit).»

VERHAEGHE «Soms wordt het pijnlijk grappig. ‘Maar zég nu verdorie eens wat je voelt!’ Dan deinst die man natuurlijk nog wat verder achteruit.»

DE WACHTER «Ik ben niet voor zo’n autismetest, maar soms komt er wel een kleine autismestoornis aan het licht en blijkt dat voor de vrouw een geruststelling: ‘Ah, het ligt niet aan mij, hij is gewoon zo.’»

VERHAEGHE «Dat is de zoveelste illustratie van het negatieve effect van psychiatrische etiketjes. Niet mijn ding.»

DE WACHTER «Ik maak partners ook liever duidelijk dat ze elkaar niet al te zeer kunnen veranderen en dat het beter is liefdevol om te gaan met hun verschillen. Maar soms is die diagnose een manier om de situatie te aanvaarden en samen voort te leven. Al vrees ik dat zich dat op lange termijn toch kan wreken.»

HUMO In de NPO-documentaire ‘Mijn seks is stuk’ onderzocht de 34-jarige Lize Korpershoek waarom ze geen zin meer heeft in seks. Dat blijkt bij veel jonge koppels een probleem te zijn. Heeft dat u verrast?

VERHAEGHE «Absoluut. Dat fenomeen was tot voor kort typisch voor oudere koppels die lange tijd samen zijn, en dan vooral bij vrouwen. Dat het nu ook bij jongeren opduikt, was toch schrikken. Volgens het kenniscentrum Sensoa zijn de meest voorkomende oorzaken mentale problemen, stress, vermoeidheid, een laag zelfbeeld, relatieproblemen, medicatie, alcohol en drugs. Die factoren kun je bijna allemaal aan de ratrace linken. De jacht naar succes maakt ons niet alleen ziek, maar ook zo suf dat we geen zin in seks meer hebben. En het gebruik van medicatie of de pil fnuikt de sekshonger nog meer.»

HUMO Heeft het ook te maken met de prestatiesfeer waarin seks is beland?

VERHAEGHE «Ongetwijfeld. Als seks een perfect nummertje moet zijn tussen twee perfecte lijven, krijg je een opvoering met partijen die tegelijk acteur en beoordelaar zijn. Als je de hele tijd met een rechter in je hoofd rondloopt en je vreest de afkeuring van de ander, wordt het moeilijk om jezelf bloot te geven. In mijn praktijk hoor ik vaak: ‘Ik wil intimiteit, maar ik krijg alleen seks.’»

HUMO Is dat niet ongeveer hetzelfde?

VERHAEGHE «Intimiteit gaat veel breder. Het begint in de verhouding tussen moeder en kind: de lichamelijkheid, aandacht en zorg van de moeder. Die behoefte blijven we ons hele leven meedragen. Veel vrouwen missen dat in hun relatie, omdat hun man meer op seks is gericht, waardoor er een mismatch ontstaat.»

DE WACHTER «Toch hebben ook mannen nood aan intimiteit, maar ze drukken het niet zo uit, omdat ze dan denken dat ze mietjes zijn. De maatschappij geeft dubbele signalen: enerzijds heb je de groeiende gelijkheid tussen man en vrouw, anderzijds moet de man nog altijd de macho zijn die presteert, succesvol is, sportief, verleidelijk, slim… Maar thuis moet hij wel de afwas doen!»

Chemische dwangbuis

HUMO Meneer Verhaeghe, u schrijft in uw boek dat de psychiatrie moet aandringen op structurele hervormingen. U vergelijkt die taak zelfs met wat de geneeskunde heeft verwezenlijkt tussen 1850 en 1950.

VERHAEGHE «De voorbije 150 jaar hebben wij op medisch vlak grote vooruitgang geboekt. Dat we veel langer en gezonder leven, komt door een reeks gezondheidsmaatregelen zoals proper drinkwater, inentingen, betere hygiëne, betere rioleringen, betere voeding… Helaas is het accent verschoven naar de zorg voor de individuele patiënt. Dat moet veranderen. Als psychiaters en psychotherapeuten zien dat er te veel uitval is in de maatschappij, is het hun plicht om de overheid ervan te overtuigen dat ze moet ingrijpen.»

DE WACHTER «Daar is ze nog niet aan toe.»

VERHAEGHE «Zoiets vraagt tijd, maar elders wordt onze boodschap toch stilaan opgepikt.»

HUMO Wat moet er veranderen?

VERHAEGHE «Laten we beginnen met een betere kinderzorg. Jonge ouders die voor de opvang van hun kinderen niet op de grootouders kunnen rekenen, hebben van ’s morgens tot ’s avonds stress. Er is geen tijd om de dag rustig te beginnen en samen te ontbijten, wat nochtans het begin van de opvoeding is, en ’s avonds komen de ouders dolgedraaid thuis, waardoor ze zichzelf minder kunnen beheersen dan normaal. Als het kind dan vervelend doet, kunnen er spijtige dingen gebeuren.»

DE WACHTER «Het is dubbel: kinderen zijn koningen die alle geprojecteerde dromen van hun ouders moeten waarmaken, maar die ouders hebben steeds minder tijd voor hen omdat ze zo hard bezig zijn met het najagen van hun eigen succes. Toch mogen we hen niet met een schuldgevoel opzadelen.»

VERHAEGHE «Nee, hun gedrag is het gevolg van de maatschappelijke context. Díé moet veranderen. In de Scandinavische landen kunnen beide ouders een jaar thuisblijven na de geboorte van hun kind. Waarom kan dat hier niet? En het is bewezen dat kinderen die in kwaliteitsvolle crèches opgevangen worden, het even goed doen als peuters die thuis opgroeien. Maar sommige van mijn assistentes hadden een maand vóór de bevalling nog altijd geen crèche gevonden voor hun baby. Dat kan toch niet in één van de rijkste landen ter wereld?
»Als we willen dat iedereen werkt, moeten we veel meer investeren in kinderopvang en scholen, en moet er meer geluisterd worden naar de werknemers over hoe de combinatie tussen arbeid en gezin beter kan. Voor de nieuwbouw van onze faculteit heb ik gepleit voor een crèche in het gebouw. Als 70 procent van de werknemers jonge vrouwen zijn, lijkt me dat logisch, maar ze is er niet gekomen. Crèches zouden een standaardvoorziening moeten zijn in bedrijvencentra, zodat mensen minder tijd verliezen. Gezondheidseconomen hebben berekend dat zo’n beleid op korte termijn een enorme besparing zou opleveren, omdat er later minder jongeren uitvallen. Helaas doet de regering exact het tegenovergestelde.»

‘Vijf jaar geleden hadden we 344.000 langdurig zieken, vandaag zijn dat er al 420.000. En hun kwalen hebben bijna allemaal met het werk te maken’

HUMO Ze wil nog meer mensen aan de slag krijgen en zal de komende jaren de groeiende groep langdurig zieken achter de veren zitten.

VERHAEGHE «Dat men meer mensen aan de slag wil helpen, is niet verkeerd. Maar men moet stoppen met hen uit te persen in citroenloopbanen.»

DE WACHTER «Zolang de speedboot niet trager vaart, zal die groep niet krimpen. Vijf jaar geleden hadden we 344.000 langdurig zieken, vandaag zijn dat er al 420.000. En hun kwalen hebben bijna allemaal met het werk te maken.»

VERHAEGHE «Onze mentaliteit moet veranderen. In Scandinavië is het normaal dat een oncoloog ’s middags zijn kinderen van school gaat halen. In Nederland doen ze om vijf uur of halfzes ’s avonds de boeken dicht. Daar krijg je na zes uur geen specialist meer te pakken. In België werken we door. Wij zijn katholieker dan de paus.»

DE WACHTER «Wat mij ook zorgen baart, is dat de zorgsector en het onderwijs onder druk staan, terwijl dat de belangrijkste steunpilaren van onze maatschappij zijn. De stem van leerkrachten en zorgkundigen wordt te weinig gehoord. Alles is een product geworden dat moet renderen.»

VERHAEGHE «Het gevolg zijn lekkende schoolgebouwen, kleuterjuffen die in de lagere school moeten lesgeven en bachelors in de aardrijkskunde die wiskunde geven. En dan is men verwonderd dat de kwaliteit van het onderwijs achteruitgaat. Het is een wonder dat we het nog zo goed doen!»

HUMO U hebt ook kritiek op de vele labels die in de zorg op kinderen worden gekleefd. Als ik u goed begrijp, is ADHD eigenlijk een luchtbel?

VERHAEGHE «Juist. Alle gedragingen die van de norm afwijken, worden omschreven als psychiatrische stoornissen. Kinderen die niet opletten, te veel bewegen, vechten of pesten, worden gelabeld met een hersenziekte en krijgen medicijnen voorgeschreven die eigenlijk chemische dwangbuizen zijn, met vaak onomkeerbare neurologische effecten. Maar in werkelijkheid gaat het om psychosociale problemen, niet om ziektes.
»Het ergste is dat mensen zich met zo’n label gaan identificeren en het als een verontschuldiging gebruiken: ‘Ik slaag niet in het leven’ wordt omgedraaid tot ‘Ik ben de grootste ADHD’er van de klas’. Of: ‘Het lukt niet in de liefde, want ik heb asperger’.»

DE WACHTER (sussend) «Maar de patiënt die bij mij komt, heeft het recht om serieus genomen te worden. Ik zal nooit zeggen: ‘ADHD bestaat niet, vriend. Stap het af.’»

VERHAEGHE «Uiteraard moet je die helpen. Maar zulke etiketten zetten mensen vast, er zijn betere manieren om te helpen.»

HUMO U klaagt allebei over te veel werk.

DE WACHTER «De wachtlijsten in de zorg spreken voor zich.»

HUMO Stuurt u soms patiënten door die maar een beetje ongelukkig zijn?

DE WACHTER «Nee, iedereen is welkom. Je hoeft niet schizofreen te zijn om bij mij een afspraak te krijgen. Maar we moeten opletten dat we niet alles psychiatriseren. Het zou goed zijn als mensen hun vrienden en familieleden wat meer in vertrouwen nemen, zodat ik niet de enige ben met wie ze nog over verdriet durven te praten. Pas als we goed omringd zijn, kunnen we weer opveren. Daarom vraag ik nieuwe patiënten altijd wie ze rond zich hebben. Heel vaak is het antwoord: ‘Ik heb niemand.’ De toenemende eenzaamheid is de rode draad in alle psychiatrische ziektebeelden. Wie zich vaak alleen voelt, geneest niet.
»Ik heb een patiënte die al dertig jaar bij mij komt, een lieve dame met een traumatische ervaring die haar vertrouwen in de wereld heeft weggevaagd. Ik ben de enige met wie ze spreekt. Dat ene uur per week is het enige moment waarop ze echt bestaat. En zo zijn er veel mensen.»

VERHAEGHE «Daarom was ik blij met de reeks ‘Eenzaam’ van Xavier Taveirne op Eén. Die geïnterviewden zijn de signaalgevers van onze tijd.»

HUMO Zien jullie het soms niet te zwart in, omdat jullie elke dag met pijn en verdriet geconfronteerd worden?

DE WACHTER «Ik krijg weleens het verwijt dat ik alleen de losers en de zieken zie, maar mijn patiënten komen uit alle lagen van de bevolking. In het psychiatrisch ziekenhuis in Kortenberg werk ik met mensen die aan chronische psychoses lijden en medicatie nodig hebben om te kunnen functioneren. Maar in mijn thuispraktijk ontvang ik zeer succesvolle mensen die het plots niet meer zien zitten. Ons bestaan is broos: één tegenslag kan ons uit het lood slaan.
»Het verrassende is dat die twee uiteenlopende groepen sterk op elkaar lijken. Ze worstelen met dezelfde vragen. Hoe moet ik leven? Wat is de zin van mijn bestaan? Ook de succesvolle mens kan een zelfmoordkandidaat worden, en ook de zieke kan een liefdevolle relatie uitbouwen.»

VERHAEGHE «Ik herken die twee groepen, maar voor mij verschillen ze compleet van elkaar. De ene groep functioneert ogenschijnlijk normaal, heeft een goed inkomen, lijdt onder de maatschappelijke druk en betaalt een privépsycholoog om daarmee om te gaan. Daarnaast heb je de vuilnisbak van de maatschappij: eenoudergezinnen met veel armoede, en gezinnen met zware verslavingen, seksueel misbruik, porno op tv, lege brooddozen, vier kinderen van drie verschillende vaders… Die groep is oververtegenwoordigd in de kinderpsychiatrie en daar weet men niet waar eerst te beginnen. Collega’s zeggen me dat ze niet eens aan therapie toekomen. Het zijn voortdurend crisisinterventies.»

HUMO Een pleegmoeder vroeg zich in een open brief in De Morgen af of de maatschappij niet moet verhinderen dat zulke kinderen geboren worden. Ook SP.A-kopstuk John Crombez liet een ballonnetje op over tijdelijke geboortebeperking in extreme marginaliteit.

VERHAEGHE «Ik snap de frustratie: ik heb zelf gezien welke schade kinderen van drugsverslaafde ouders oplopen. Maar als het antwoord is dat ze een spuitje moeten krijgen, pas ik. Men begint met het uitschakelen van die moeders, en voor je het weet, doet men hetzelfde met homoseksuelen, gehandicapten, geesteszieken, zigeuners, vrijmetselaars en getuigen van Jehova. De nazi’s baseerden zich daarvoor op het sociaal darwinisme en the survival of the fittest. In het neoliberalisme is dat veranderd in een survival of the strongest:wie niet meekan, vliegt eruit. Ze krijgen geen spuitjes, maar ontslagbrieven, beschuldigende vingers en een maatschappij die zich van hen afkeert, behalve tijdens de feelgoodshow van de Warmste Week.»

DE WACHTER «Een warme maatschappij zorgt voor de zwaksten en zorgt ervoor dat er zo weinig mogelijk zwakken zijn, maar niet door hen te elimineren. Zullen we met die late kerstboodschap afsluiten?»

Als ons lichaam protesteert

Psychoanalyticus Paul Verhaeghe: als je lichaam begint te protesteren

Brainwash – Paul Verhaeghe

In Brainwash Talks van Human delen invloedrijke denkers, schrijvers, kunstenaars en wetenschappers verrassende ideeën voor persoonlijke en maatschappelijke problemen. Deze keer psychoanalyticus Paul Verhaeghe over vervreemding van het eigen lichaam.

Wij leven in een paradijs. Het is goed dat we dat beseffen. We leven in een paradijs in de zin dat we nog nooit zo lang geleefd hebben. We hebben nog nooit zo’n lange periode gehad zonder oorlog. En we zijn nog nooit zo hoog opgeleid geweest als vandaag. Als je de onderzoeksgegevens van geluk bekijkt, dan blijkt telkens opnieuw dat de Nederlanders tot de gelukkigste mensen ter wereld behoren. De Belgen ook, maar net iets minder.

Aan de andere kant moeten we vaststellen dat depressie volgens de World Health Organization straks ziekte nummer-1 is. Ook in Nederland en in België. We hebben nog nooit zoveel mensen gehad die uitvallen met langdurige ziekte. En we moeten vastellen dat we straks op zoek moeten gaan naar een kind dat geen stoornis opgespeld gekregen heeft.

Hoe rijm je die twee zaken? Als we zo gelukkig zijn, waarom zijn we dan zo ongelukkig? Er klopt ergens iets niet. Er is een fundamentele discrepantie tussen die ene vaststelling, die juist is, en die andere vaststelling, die ook juist is. Om dat proberen te begrijpen zal ik drie zaken koppelen. Identiteit, vervreemding en pleonexia. Dat laatste klinkt een beetje vreemd, maar dat wordt straks duidelijk.

Als ik het heb over identiteit, start ik met het corrigeren van twee vooronderstellingen waar we allemaal bij vertrekken, ikzelf inbegrepen. Ten eerste het idee dat onze identiteit redelijk vroeg in de kindertijd, rond de leeftijd van 10, gevormd is. Dat-ie er simpelweg is. Je identiteit verandert nog wel een beetje, we worden intelligenter. We doen kennis op, ervaring. Maar in de kern blijven wij eigenlijk dezelfde.

De twee aannames die daaraan ten grondslag liggen, zijn dus dat identiteit onveranderlijk is, en diep van binnen zit. In werkelijkheid is exact het tegenovergestelde het geval. Identiteit is een constructie die van buitenaf aangereikt wordt en die heel ons leven lang verandert. Soms zeer ingrijpend kan veranderen. Ik kan dat wetenschappelijk gezien goed onderbouwen, maar ik ga een overtuigend voorbeeld geven, dat is makkelijker. Een voorbeeld dat overtuigend is omdat het alle kenmerken vertoont van een wetenschappelijk experiment. En bovendien is het een voorbeeld waar je zelf ook voorbeelden van kent: adoptie.

Een baby’tje dat geboren wordt in India en hier in Nederland geadopteerd wordt door Amsterdamse ouders die hier al zeven generaties lang wonen, wordt een Amsterdamse mevrouw met alles erop en eraan. Was datzelfde baby’tje geadopteerd door Amerikaanse ouders in de Midwest, dan was zij nu een Amerikaanse mevrouw die op de Republikeinen zou stemmen en voor Trump zou staan juichen. Een compleet ander iemand.

Hoe komt dat? Door de input van buitenaf. Onze identiteit wordt geconstrueerd door de interactie die we hebben met onze omgeving. En die omgeving houdt ons voor wat we kunnen worden en wat we moeten worden. Dat gebeurt via woorden en beelden: die nemen we over, slikken we in. En als we volwassen worden kunnen we zelf keuzes maken. Kunnen we dingen opnemen en andere dingen laten vallen. Maar hoe jonger we zijn, hoe minder keuze we hebben. Dat gaat eigenlijk onmiddellijk na de geboorte al van start. Onze ouders zullen ons vertellen wat we voelen, waarom we dat voelen, hoe we daarmee kunnen omgaan. Hoe we daarmee het beste niet omgaan. Ruimer: wie we zijn.

Al die zaken nemen we over, en daarmee wordt onze identiteit geleidelijk geconstrueerd. Het is natuurlijk ook duidelijk dat die boodschappen, die beelden en woorden die op ons afkomen, zich niet beperken tot de ouders en de onmiddellijke omgeving. Die invloedssfeer wordt alleen maar ruimer en ruimer.

We groeien op in een cultuur, een maatschappij en samenleving, die ons beelden en woorden aanbieden, die we vervolgens overnemen. Volwassenheid betekent onder andere dat wij ons bewust zijn van wat wij kunnen overnemen en van wat wij beter niet overnemen. Op dat vlak hebben wij de laatste vijftien tot twintig jaar een ingrijpende wijziging doorgemaakt. We zijn terechtgekomen in een beeldcultuur. Digitale beelden. Er zijn overal schermen en we kijken voortdurend naar beelden. Er is heel veel onderzoek dat nadrukkelijk aantoont hoezeer die beelden ons beïnvloeden.

Bovendien toont dat onderzoek ook aan dat we die beelden overnemen zonder het te beseffen. Dus de bewustwording ontbreekt daarbij. En daarmee kom ik bij mijn tweede begrip: vervreemding. Dat is een begrip dat we allemaal wel kennen vanuit een politieke invalshoek. Dan denken we aan de totalitaire regimes van Stalinistisch Rusland, de DDR en Korea. Totalitaire regimes die een systeem georganiseerd hadden waardoor de mensen die eronder gebukt gingen hun denken volledig moesten modelleren naar datgene dat voorgehouden werd. Niet alleen hun denken, maar zelfs ook hun uiterlijk. Als we die landen bekijken, zien de mensen er allemaal hetzelfde uit.

Daar zien we hoe die constructieprocessen – identificatie en mirroring in psychologische termen – vervreemding worden. Uiteindelijk is vervreemding hetzelfde proces als identificatie, met één belangrijk verschil: de beelden en woorden die voorgehouden en opgelegd worden gaan eigenlijk in tegen het wezen van die mensen. Wat dat wezen is, is moeilijk te definiëren. Maar laten we zeggen dat de kern zeker het lichaam is, het lijf.

Als je beelden en woorden moet overnemen die ingaan tegen het wezenlijke van je lichaam, dan is de uitkomst daarvan vrij duidelijk. Dan word je ziek. Vervreemding zorgt voor stoornissen: psychologische stoornissen, psychiatrische problemen en simpelweg organische ziektes.

Die term, vervreemding, en de mechanismen daarvan, werden heel mooi beschreven door George Orwell in zijn roman 1984. Hij laat zien hoe het manipuleren van de taal het denken stuurt, bijvoorbeeld door het wegnemen van bepaalde woorden, het nieuw introduceren van bepaalde woorden, of het opleggen van bepaalde woorden. En hij had ook al door dat een beeldcultuur daar een heel sterke rol in speelt.

Als ik die twee dingen nu samenbreng, dan is mijn stelling de volgende: wij zijn allemaal, zonder dat we het beseffen, vervreemd. Beetje bij beetje, dag na dag, maand na maand, jaar na jaar. Door de beelden die op ons afkomen, en die wij opnemen zonder dat wij het beseffen. Deze beelden sturen ons in een bepaalde richting, en bepalen onze identiteit. Onze identiteit in de betekenis van denkpatronen, en ook in de betekenis van ons lichaam. Hoe we eruitzien en hoe wij met ons lichaam omgaan.

En daarmee kom ik bij het derde begrip: pleonexia. Pleonexia is het volgende: de onweerstaanbare aandrang die in ons zit om altijd meer te willen hebben. Meer bezit, maar ook meer roem en eer. En ook meer veiligheid. Aristoteles zegt dat dit een zeer gevaarlijk kenmerk is. De samenleving bij monde van de overheid en bij monde van ons, burgers, moet erop gericht zijn om de pleonexia in te perken. Want als dat niet gebeurt en zeker als mensen in een onderlinge concurrentie gaan treden, dan wordt het zeer gevaarlijk.

https://www.brainwash.nl/bijdrage/hoe-deze-maatschappij-eenzame-individuen-creert

Hij beschrijft hoe dat spiraalsgewijs effecten heeft. Het begint met onrust, een maatschappij vol onrust. De volgende stap is: conflicten die overal ontstaan. En de volgende stap is oorlog. Dus, zegt Aristoteles: één van de zaken waar we beslist aandachtig voor moeten zijn, is dat kenmerk van de pleonexia. We moeten dat zoveel mogelijk proberen in te perken en zoveel mogelijk proberen bewust te maken, zodat we daar op een verstandige manier mee omgaan.

Als we nu naar ons tijdperk en onze maatschappij kijken, zien we dat wij exact het tegenovergestelde doen. Wat vertelt de vervreemding die we ervaren ons? Wat zijn de beelden die ons voorgehouden worden? Het zijn beelden die ons zeggen dat wij steeds meer moeten hebben. En steeds meer moeten zijn. Binnen de economie spreken we over groei. Dat is de fetisj van deze markteconomie: alles moet groeien. Ik snap dat niet goed. Je kunt toch niet blijven groeien? En die groei beperkt zich al lang niet meer tot de effectieve productie van dingen. Nee, het gaat ook over ons. Wij moeten excelleren. Wij moeten beantwoorden aan een ideaal.

Dat ideaal is een soort verschuivend doelwit. We raken er nooit bij, maar we moeten het wel blijven proberen. Daarvoor moeten wij ons ontzettend hard gaan inspannen en bovendien de voortdurende concurrentie met anderen aangaan. Sociale media zijn daar natuurlijk helaas een instrument bij, waardoor we de concurrentie niet alleen met anderen, maar ook met onszelf aangaan.

Zoals ik zei leven we in een paradijs. Eén van de kenmerken van het paradijs waarin wij nu leven, is dat wij nog nooit zo vrij geweest zijn. In Nederland en België zijn wij vrijer dan elders. Maar er is wel een belangrijke voorwaarde aan gekoppeld. Vrijheid betekent dat je kunt kiezen. Maar om te kunnen kiezen moeten we ons bewust zijn van een aantal dingen. Van de vervreemding zijn we ons nou net niet bewust.

Ik eindig met een pleidooi voor bewustwording. Wij hebben daar een zeer goede aanwijzing voor: ons lichaam. Als ons lichaam begint te protesteren, als ons lichaam de effecten van die vervreemding letterlijk begint te tonen, dan is er iets dat niet klopt. Via deze bewustwording kunnen we dan gebruik maken van de vrijheid die ons paradijs ons biedt. En andere keuzes gaan maken.

Paul Verhaeghe

Slaaphygiëne

Veel slaapproblemen zijn deels te wijten aan een slechte slaaphygiëne of worden er erger door. Enkele kleine ingrepen in je dagelijkse slaaproutine kunnen al een wereld van verschil maken. De meeste daarvan hebben te maken met het wegnemen van prikkels, zodat we makkelijker ons waaksysteem kunnen uitzetten en overgaan naar ons slaapsysteem.

Zorg voor een verduisterde en rustige omgeving

Alle vormen van licht en lawaai zijn prikkels die ons waaksysteem aan de gang houden en het inslapen verhinderen. Hetzelfde geldt voor extreme koude en warmte in de slaapkamer, een temperatuur rond 18°C is ideaal. Tijdens het micro-ontwaken tussen twee slaapcycli in word je wakker als je zulke prikkels waarneemt.

Draai je wekker om

Een wekker of klok waar je voortdurend op kijkt is telkens een prikkel en groeit als je niet kan slapen vaak uit tot een bron van ergernis. Je draait hem best om. Tussen verschillende slaapcycli word je heel even wakker om te controleren of alles in orde is. Staat er een klok in de kamer dan is de kans groter dat je ook even zal willen kijken hoe laat het is, met als gevolg dat je volledig wakker wordt en misschien moeilijker terug zal inslapen.

Reserveer je slaapkamer voor slapen en seks

Andere activiteiten, zoals televisiekijken en lezen, leiden af en zorgen er voor dat je je slaapkamer met zaken gaat associëren die niets met slapen te maken hebben.

Sta op als je niet kan slapen

Als je al een half uur of langer wakker ligt, sta je best even op. Het haalt je uit de negatieve spiraal van ergernis en voorkomt dat je slaapkamer negatieve associaties oproept.

Las overdag een piekermomentje in

Je gedachten houden je waaksysteem aan de gang. Als je hier veel last van hebt, kan een piekermomentje overdag om je gedachten op een rijtje te zetten er voor zorgen dat je ze in bed sneller kan loslaten. Het kan ook helpen om de zaken waarmee je worstelt uit te schrijven.

Zorg overdag voor een goed evenwicht tussen inspanning en rust

Op deze manier kan je moe maar ontspannen naar bed gaan.

Zorg voor regelmaat in je slaap

Vooral het uur van opstaan is hiervoor belangrijk en mag niet te veel variëren. Probeer dit ook in het weekend te doen. Lang uitslapen heeft zelfs een averechts effect en maakt je alleen vermoeider. Gaan slapen doe je best ook op een vast tijdstip of als je moe wordt.

Slaap niet overdag

Slapen overdag zorgt er voor dat je ’s nachts minder goed kan slapen. Dutjes bouwen immers je slaapschuld af, waardoor die ’s avonds niet hoog genoeg gaat zijn en je mogelijk de slaap niet zal kunnen vatten. Enkel korte powernaps van maximaal 20 minuten hebben een positief effect op je concentratievermogen nadien.

Slaapschuld
Als je lange tijd niets meer hebt gegeten, krijg je zin om te eten. Hetzelfde geldt voor slaap. Als je lang wakker bent, krijg je de behoefte om te slapen.

Vermijd beeldschermen

Televisie, computers en andere vormen van multimedia zijn vooral inspannend. Ze zorgen dus niet voor rust en het licht ervan houdt ook je melatonineproductie tegen. Dit is de stof die er voor zorgt dat we langzaam moe worden. Vermijd daarom het gebruik van beeldschermen vlak voor het slapengaan, zeker in de slaapkamer zelf, maar ook daarbuiten.

Vermijd opwekkende middelen

Middelen zoals cafeïne, nicotine, suikers en chocolade wekken energie op, wat het moeilijker maakt om in slaap te vallen. Je vermijdt ze dan ook best de laatste uren voor het slapen gaan.

Vermijd alcohol

Alcohol verhindert het inslapen niet, maar maakt je slaap wel onrustiger en minder diep. Je gaat ’s ochtends dus minder uitgerust zijn.

Ga niet slapen met een volle of lege maag

Zowel een volle maag als een hongergevoel kunnen je uit je slaap houden. Probeer beiden te vermijden.

Ga niet sporten in de uren voor je gaat slapen

Lichaamsbeweging heeft een positief effect op je nachtrust, maar niet in de laatste uren voor het slapen gaan. Sport stimuleert je immers en maakt je net wakker.

Zorg voor een slaapritueel

Je lichaam herkent de routine van een slaapritueel en zal makkelijker in ‘slaapmodus’ komen. Je kunt bijvoorbeeld een ontspannend stukje lezen of je kledij voor de volgende dag klaar leggen.

Bron: De Maakbare Mens

 

Vriendschap

Hoe onze vriendschappen intiemer werden
En ze waren nog lang en gelukkig bevriend

Het zijn wankele tijden voor het huwelijk, die oude hoeksteen: we trouwen minder en later, en we gaan ook vaker uit elkaar. Zou het kunnen dat vriendschap daardoor veel meer wordt dan het siersteentje van de samenleving?

Charlotte: Ik ben aan het daten sinds mijn vijftiende. Ik ben uitgeput! Waar is hij?
Miranda: Wie? De prins op het witte paard?
Samantha: Die bestaat alleen in sprookjes.
Charlotte: (kreunt) Mijn haar doet pijn.
Carrie: Schat, is het ooit in je opgekomen dat wij je witte prins zijn? En dat wij degenen zijn die onszelf moeten redden?
Charlotte: Dat is zo deprimerend.

Zo ging dat nog in het jaar 2000, in het universum van Sex and the city. Singles waren eeuwig op zwier – altijd cocktails, altijd plezier – maar het échte werk, dat bleef toch de verovering van de ware. Misschien is het omdat we die vriendschap voor het eerst hebben beleefd toen we nog in sponsen broekjes door een springtouw dansten. Of omdat we ze te vaak als troostprijs hebben aangeboden in de liefde (‘We kunnen altijd nog vrienden blijven’). Hoe dan ook gaven we ze zelden het gewicht dat ze verdiende.
Toch lijkt er stilaan iets te verschuiven. In cafés en koffiehuizen zie je hoe vrienden elkaar eens goed vastpakken. Ze gaan samenwonen en cohousen, of plannen om dat op hun oude dag te doen. Ze zijn elkaars contactpersoon bij de dokter en elkaars date voor feesten. Op VRT Nu kun je de filmpjes herbekijken waarin bekende beste vrienden getuigen over hun vriendschap. Al die knuffels en verstrengelde handen, al die lieve woorden: het voelt haast alsof je zit te gluren naar een te intiem moment.

De filmpjes kwamen er dan weer naar aanleiding van de tv-serie My brilliant friend, en Elena Ferrante – pseudoniem voor de auteur van het gelijknamige boek – noemde vriendschap eerder al een vorm van liefde. ‘Een vriendin is even zeldzaam als ware liefde’, schreef ze in The Guardian. ‘In het Italiaans heeft het woord voor vriendschap, “amicizia”, dezelfde wortel als het woord voor liefhebben, “amare”, en een relatie tussen vrienden heeft de rijkdom, de complexiteit, tegenstellingen en inconsequenties van liefde.’

Zelfbewuste singles

‘Vriendschap heeft een andere betekenis gekregen’, zegt relatie-expert Rika Ponnet. ‘Dat kan ook niet anders in een periode waarin liefdesrelaties zo vluchtig zijn als vandaag. Mensen gaan vaker uit elkaar, of ze beginnen later aan een vaste relatie: daardoor beseffen we nu beter hoe belangrijk onze andere relaties zijn. Singles, voor wie vriendschappen vaak de primaire relatie zijn, gaan ook veel zelfbewuster door het leven. Ze durven klassieke relaties in vraag te stellen, en in onderzoek omschrijven ze hun levenskwaliteit vaak als erg goed, meer dan koppels voor wie de relatie “redelijk” loopt.’

Maar het zijn niet alleen de singles die hun vrienden weer inniger omarmen. Ponnet ziet het overal gebeuren, bij mannen en vrouwen, van alle generaties. Ze merkt hoe vooral de jongere generatie weer op zoek is naar een evenwicht tussen carrière, zelfontplooiing, het gezin en de relaties met anderen. ‘Onze ouders en grootouders maakten wel nog meer tijd voor vrienden, maar mijn generatie – de vijftigers van nu – is toch wat doorgeslagen in individualisme’, zegt ze. ‘Wij wilden vooral alle kansen waarmaken die we kregen en die de generatie voor ons niet had. Voor die carrière gaan, in je eentje reizen, alleen wonen: dat vonden wij het ultieme bewijs van zelfontplooiing. Jonge mensen staan echt niet stijf van bewondering voor ons (lacht). Ze zeggen: “Wat? Zo hard werken, dat doe ik niet, hoor!” Ze willen tijd voor hun vrienden en ze willen dingen delen – ook de minder plezante momenten. Dan denk ik: ja, toch mooi.’

Kind aan huis

Het is voor elke generatie verleidelijk om alles wat nu gebeurt te zien als een unieke trend, maar nee, dus: we hebben de hechte vriendschap niet uitgevonden. De periode waarin we hoopten de complete emotionele vervulling bij één partner te vinden, was al bij al relatief kort. Beate Volker, hoogleraar sociologie aan de universiteit van Amsterdam en onderzoeker naar sociale netwerken, wijst erop hoe vrienden vroeger misschien zelfs nog dichter bij ons leven stonden.

‘Er zijn weinig wetenschappelijke gegevens over hoe vriendschapsnetwerken er vroeger exact uitzagen, zeg maar rond 1850 of 1900. We hebben wel aanwijzingen dat mensen veel meer in- en uitliepen bij gezinnen. De uitdrukking “kind aan huis” verwijst daar nog naar. Nu spreken we sneller buitenshuis af, maar toen aten vrienden thuis geregeld mee, en ze kwamen ook op zondagochtend langs. De grens tussen vriendschap en familie was dunner. Nu heb je wel fenomenen als framily en urban tribes, vriendschapsnetwerken die als familie aanvoelen – maar daar is net wat meer afstand tussen familie en vrienden. Ze nemen de functie van familie ook nooit helemaal over. Als we ziek worden, zullen vrienden heus wel langskomen en helpen. Maar uit onderzoek weten we dat mensen voor langdurige hulp toch weer op familie aangewezen zijn.’

Wat ook veranderde: we kunnen onze klussen uitbesteden. Een dak herstellen, het onderhoud van de tuin, de grote schoonmaak: daar kun je iemand voor inhuren – waardoor we dat minder vaak zelf doen en ook niet zo snel hulp aan vrienden vragen. ‘Vrienden steunden elkaar vroeger meer in praktische zin. Ze zorgden ervoor dat iemand werk had, een dak boven z’n hoofd had, een partner vond. Dat soort zaken wordt vandaag niet meer genoemd als we vragen naar de functie van vriendschap. Nu draait het meer om onze emoties, om hoe het met ons gaat en hoe wij in het leven staan. Vriendschappen zijn ook belangrijk om een mening te vormen. De wereld is complexer geworden en vrienden helpen je om te bepalen hoe je over iets moet denken.’

Intieme emoticons

Toen actrice Michelle Williams eind september een Emmy in ontvangst nam en vurig speechte over gelijke rechten, zoomden de camera’s in op een diep ontroerde vrouw in de zaal: dat was Busy Philipps, al twintig jaar de beste vriendin van Williams. Na de uitreiking gaven de twee een tv-interview over onbenulligheden als hun favoriete pizzasmaak, maar hun lichaamstaal sprak boekdelen. Hoe ze elkaar vasthielden en in de ogen keken: ze leken eigenlijk closer dan geliefden.

‘Ik denk dat we over het algemeen lijfelijker met elkaar omgaan’, zegt Rika Ponnet. ‘In de opvoeding van onze kinderen hebben we sterk de nadruk gelegd op het belang van affectie en knuffelen. De nieuwe generatie is daar dan ook veel ontvankelijker voor, en het is ongelooflijk mooi om te zien hoe vrienden elkaar nu ook fysiek nabij zijn. Dat huidcontact is wezenlijk. Vandaag kunnen we dat ook neurologisch verklaren. Het helpt om te ontstressen, zorgt ervoor dat we mensen als aangenaam ervaren, het is de meest directe weg naar elkaar. We weten dat van liefdesrelaties, maar het geldt dus ook voor vriendschappen.’

Die intimiteit lees je trouwens ook af aan de berichten via Whatsapp of sms: daar vliegen vaak behoorlijk wat hartjes en knuffels heen en weer tussen vrienden. ‘Ik ben erg door die emoticon-cultuur geïntrigeerd. Een hartje sturen naar een vriendin die het moeilijk heeft, gaat ons soms beter af dan te zeggen: “Ik zie u graag.” Vaak is het ook een voorzet om een aantal gevoelens daarna toch uit te spreken. Als je iets hoort als “ik ben zo blij dat je mijn vriendin bent”, is dat fantastisch. Dat geeft je bestaansrecht, het krachtige gevoel dat je ertoe doet – allemaal dingen die we ook in een partnerrelatie zoeken, maar niet altijd vinden.’

Getrouwd – nog niet getrouwd

Aan het begin van de jaren 90 kreeg ik van de administratie van een middelbare school een invulformulier met als mogelijkheden: getrouwd – nog niet getrouwd. Zo, dat waren nog eens duidelijke tijden. Ook vandaag zijn de officiële opties voor de burgerlijke staat nog altijd mooi geschikt rond het huwelijk (ongehuwd – gehuwd – gescheiden – verweduwd) terwijl de realiteit een stuk complexer is geworden. Zelfs de grens tussen vriendschap en liefde is soms nauwelijks nog te trekken, zegt Rika Ponnet. ‘Niet dat iedereen nu aan polyamorie moet doen, maar al die nieuwe relatievormen maken dat we vriendschap als een vorm van liefde kunnen zien. Want hoe scherp is nog het verschil tussen een latrelatie, een friend with benefits met een belangrijk vriendschappelijk luik, en de vriendinnen met wie we misschien veel intiemer omgaan dan met die ene met wie we wel seks hebben?’

Beate Volker ziet die overlap tussen vriendschap en liefde ook. Zeker van de twee, drie beste vrienden die we gemiddeld hebben, verwachten we dat ze ons, net als onze geliefden, feedback geven en ons laten voelen dat we oké zijn. Maar ze nuanceert: uit onderzoek blijkt ook dat partnerrelaties vandaag net iets hoger scoren als het gaat over intimiteit, vertrouwen en gehechtheid. ‘Je deelt nog altijd meer met je partner. Over het algemeen zijn partnerrelaties ook exclusief, terwijl je wel meerdere vrienden kunt hebben: dat maakt die relatie toch wezenlijk anders. Tegelijk leven we in een tijd waarin je heel goede vrienden vaak minder snel kwijtraakt en langer kent dan je partner, waardoor die ontzettend belangrijk zijn.’

Die vaststelling – dat vrienden soms meer voor het leven zijn dan partners – doet ook geregeld de vraag rijzen of we vriendschap juridisch moeten omkaderen. De Vlaamse regering heeft al een best friends-regeling uitgewerkt, waarbij je een vriend kunt aanduiden om te erven tegen het laagste tarief. Maar misschien moet het nog verder gaan? Volker is geen voorstander. ‘Ik krijg de vraag geregeld, of we niet zoals bij een huwelijk officiële afspraken moeten maken. Dat je bij de notaris zegt: “Wij verklaren elkaar tot vrienden.” Maar het mooie aan vriendschap is net dat die relatie zo vrij is. Dat je elkaar kunt loslaten, een andere afslag neemt in het leven, maar op een dag misschien ook terug kunt naar elkaar. Die dynamiek verdraagt niet dat je daar een document en een zegel bij haalt, want dan moet je ook een instituut hebben dat verklaart dat je geen vrienden meer bent.’

Ponnet aarzelt. Er is in de maatschappij een andere realiteit ontstaan waarin het huwelijk niet langer de hoeksteen is. Daar moeten we op zijn minst over nadenken, vindt ze. ‘Waarom zouden we geen sterkere rechtsvorm kunnen creëren rond twee singles die samenleven? Het is zo’n verrijking van onze mogelijkheden als we loskomen van dat inperkende model met het huwelijk als norm. Maar wat ik vooral belangrijk vind, is dat we vriendschap als samenleving echt leren waarderen: anders blijf je er toch altijd naar kijken als naar een kaduke vervanging van het origineel.’

Door Kaat Schaubroeck
Illustratie Debora Lauwers

De Standaard – 08.12.2019

Verleidingen

Hoe je verleidingen kunt weerstaan (zonder wilskracht)

Brainwash – Suzanne Weusten – 15.11.2019

De meeste mensen denken dat je met wilskracht slechte gewoontes kunt doorbreken. Maar het effect van deze mentale spierbal is overschat. Je kunt beter een nieuwe routine leren, volgens psycholoog Suzanne Weusten.

Sinds de Amerikaanse psycholoog Walter Mischel de wereld schokte met zijn beroemde marshmallowexperiment, staan zelfbeheersing, wilskracht en doorzettingsvermogen in de top-3 van cognitieve vaardigheden. Mischel zette kinderen een schaaltje met snoepjes voor. Ze mochten er meteen eentje pakken, maar als ze een kwartiertje zouden wachten, kregen ze er twee. Jaren later, toen hij de inmiddels volwassen geworden kinderen weer opzocht, bleek dat degenen die destijds hun directe behoeftebevrediging konden uitstellen, in veel opzichten succesvoller waren dan hun leeftijdgenootjes die het snoepje meteen hadden gepakt. Ze waren hoger opgeleid, minder vaak gescheiden en hadden een lagere BMI.

Eigen schuld, dikke bult, was de conclusie. Wie ongezond eet, te veel drinkt, of rookt, heeft dat aan zijn eigen lamlendigheid te danken. En nog steeds is dit de heersende opinie. Uit een recent onderzoek blijkt dat de meeste mensen denken dat obesitas veroorzaakt wordt door een gebrek aan wilskracht, terwijl we inmiddels weten dat dit onzin is. Je krijgt geen overgewicht door een zwakke wil, maar door een combinatie van genetische – en omgevingsfactoren.

Het is niet zo vreemd dat er zoveel waarde wordt gehecht aan zelfbeheersing en wilskracht. Het past bij het idee dat succes maakbaar is. Wie gelooft dat mentale spierkracht tot een gezond en gelukkig leven leidt, heeft de illusie dat hij daar zelf grip op heeft, en dat is prettiger dan maar te moeten afwachten. Ook in onze cultuur wordt wilskracht verheerlijkt. Eva kon zich in het paradijs al niet beheersen en at van de verboden vruchten, met alle gevolgen van dien. En uit de mythologie kennen we de geschiedenis van Odysseus, die langs de verleidelijke en gevaarlijke Sirenen moest varen. Maar de slimme Griekse held kende zijn eigen zwaktes en liet zich vastbinden aan de mast, zodat hij hun gezang wel hoorde, maar er niet voor kon bezwijken.

Wilskracht mag dan een handige cognitieve vaardigheid zijn, ze is ook schromelijk overschat, vindt een nieuwe generatie psychologen. Ten eerste is wilskracht moeilijker als je opgroeit in armoede zo bleek na herhaling van het marshmallowexperiment. Niet de wilskracht van de kinderen was een voorspeller van succes in hun latere leven, maar hun sociaaleconomische achtergrond. Waarom zou je je beheersen als je niet weet wat de dag van morgen brengt?

Ten tweede is wilskracht niet voor iedereen hetzelfde. Sommigen vinden het heerlijk om zich uit te sloven in de sportschool en eten echt liever een appel dan een zak chips. Dan lijkt het alsof ze zichzelf beter kunnen beheersen en meer wilskracht hebben dan degenen die een hekel hebben aan sporten en dol zijn op snacks, maar in feite hoeven ze zich niet te beheersen.

Ten derde blijkt wilskracht niet zozeer een mentale krachtbron te zijn, alswel een gewoonte, zo blijkt uit een meta-onderzoek van twee psychologen. Mensen met ogenschijnlijk veel wilskracht hebben vaak goede gewoontes: ze bewegen regelmatig, eten gezond en studeren op tijd. Ze kunnen hun leven goed structureren: bijvoorbeeld elke dag op dezelfde tijd yoga-oefeningen doen, hardlopen of mediteren. Ze hoeven nauwelijks een beroep op hun wilskracht te doen, ze hebben hun routines.

Wie dus wil afvallen, meer wil bewegen of meer wil studeren, moet ervoor zorgen dat het een routine wordt, dan heb je geen wilskracht meer nodig. Volgens de Amerikaanse journalist Charles Duhigg, auteur van The Power of Habit moet je een gewoonte voordat je haar kunt veranderen, eerst analyseren: waardoor wordt ze geactiveerd? En wat is de beloning?

Zo kun je – om een voorbeeld te geven van een nieuwe, gezonde gewoonte – met de fiets naar je werk gaan, in plaats van met de auto. Zorg dat de fiets klaarstaat – dat is de activering – en geef jezelf een beloning als het je vandaag weer gelukt is: dat kan een compliment zijn, maar ook het bewust genieten van het voldane gevoel van de fietstocht. Naarmate je vaker fietst, ga je vanzelf verlangen naar de beloning, en voor je het weet, komt het niet eens meer in je op om in de auto te stappen. Alleen het installeren van de nieuwe routine kost wilskracht. Daarna gaat het vanzelf.

Zo kun je voor allerlei slechte gewoontes nieuwe routines maken. Ben je gewend om ’s middags iets zoets te nemen bij de thee? Vervang het door iets gezonders en beloon jezelf ervoor. Het kost je slechts een klein beetje wilskracht.

Tot slot: wat we wél hebben geleerd van het marshmallowexperiment is dat kinderen al vroeg strategieën hebben om met verleidingen om te gaan. Om niet te bezwijken voor het lekkers, hielden sommige kinderen namelijk hun handen voor de ogen of keken ze langdurig naar het plafond. Zo lang ze het snoepje niet zagen, hielden ze makkelijker vol. Het is een doeltreffende manier om verleidingen te weerstaan: je zorgt gewoon dat je de chocola, koekjes of nootjes niet ziet. Of liever nog: dat je ze niet in huis hebt.

Kinderen rouwen ook

Hoe rouwt een kind en hoe ga je daar best mee om?

Bron: Gezondheid.be

In dit artikel:
Hoe rouwt een kind en hoe ga je daar best mee om?
Het overlijden van een geliefd persoon: hoe breng je zo’n vreselijk nieuws over aan je kind?
Rouwt een kind op een andere manier dan een volwassene?
Hoe verloopt het verwerkingsproces?
Hoe ervaren kinderen en jongeren de dood van een geliefde en hoe help je hen daarbij?

Het woord ‘rouwen’ stamt uit het Germaanse woord ‘hreuwan’ en de definitie ervan wordt omschreven als: ‘een emotionele reactie als gevolg van een verlies, in het bijzonder het verlies van een naaste. Normaal gesproken zal de intensiteit van de reactie in de loop van de tijd afnemen, de rouw kan echter zo heftig zijn, dat de levenslust verloren gaat’. Bij een kind komt het echter vaak voor dat een emotionele reactie in eerste instantie uitblijft en pas veel later naar boven borrelt. In dat geval parkeert het kind zijn gevoelens tot het zich veilig voelt om zijn verdriet te uiten.

Het overlijden van een geliefd persoon: hoe breng je zo’n vreselijk nieuws over aan je kind?

De dood hoort helaas bij het leven. Dat is een realiteit die we niet kunnen wegcijferen. Als je afscheid moet nemen van een dierbare, dan wil je je kind dit verdriet het liefste besparen. Maar tegelijk weet je dat het geen zin heeft om dat uit te stellen. Je kind ziet of voelt immers dat jij zelf ook in rouw bent, dat er iets is gebeurd. De realiteit onder ogen zien, is de eerste fase van een rouwproces en dat geldt ook voor kinderen.

Hoe pak je dat aan?

Geef duidelijke info over wat er gebeurd is en in welke omstandigheden, zelfs al zijn die dramatisch. Onderschat de fantasie van een kind niet, die is vaak erger dan de werkelijkheid. Hou daarbij rekening met de leeftijd van het kind en gebruik enkel begrippen die het kind kan kaderen.

Creëer een klimaat waarbij je kind zich veilig voelt om de feiten onder ogen te zien. Dat is een sfeer van aandacht en liefde. Een attitude waarbij jij of een andere verzorger (en eventueel ook de leerkracht) zelf vragen uitlokt en ze daarna beantwoordt, is daarbij zeer belangrijk. Kinderen gaan niet altijd spontaan vragen stellen maar zitten er wel mee.

Rouwt een kind op een andere manier dan een volwassene?

Net zoals een volwassene rouwt ook een kind op zijn eigen manier. Het rouwproces wordt beïnvloed door zijn leeftijd en zijn karakter, maar vaak ook door zijn omgeving.

Een aantal symptomen of gedragspatronen die vaak voorkomen:

Op vlak van gedrag: driftbuien of woede-uitvallen, huilbuien, stil en lusteloos zijn, afzondering, ongehoorzaamheid, of zelfs schijnbare onverschilligheid.

Schrik niet als je kind in eerste instantie enkel bezorgd lijkt om zijn eigen behoeften en egocentrisch overkomt (bv. Wie zal mij nu opvangen tijdens de vakantie, of wie zal mij nu voeren naar de muziekschool…). Deze vragen rond de eigen comfortzone zijn een normale reactie en hebben niets met gevoelloosheid te maken.

Ook spelletjes met de dood als thema horen bij het verwerkingsproces en zijn een manier om grip te krijgen op de situatie.

Gevoelsmatig: angst, schuldgevoel.

Problemen van allerlei aard: slaapproblemen, bedplassen, stemmingswisselingen, diverse lichamelijke klachten zonder duidelijke oorzaak.

Vaak wordt het rouwproces uitgesteld tot er daarvoor ruimte is. Tot het kind zich veilig voelt om zijn verdriet te uiten, namelijk wanneer thuis alles weer wat op zijn normale plooi is en de rust is teruggekeerd. Een schijnbaar onbelangrijk incident kan dan een trigger zijn om het rouwproces van het kind in gang te zetten.

Hoe verloopt het verwerkingsproces?

Volgens Prof. dr. Manu Keirse (klinisch psycholoog, doctor in de geneeskunde en dé specialist in België en Nederland als het over rouwverwerking en de laatste levensfase gaat) moeten we spreken van ‘rouwarbeid’ in plaats van rouwfases omdat het rouwen niet vanzelf gebeurt. Er moet aan gewerkt worden. Zowel voor een volwassene als voor een kind bestaat de rouwarbeid uit vier taken.

1. Het verlies onder ogen zien

Zoals in de eerste alinea al werd uitgelegd heeft het geen zin om kinderen of jongeren te beschermen voor de realiteit. Om de feiten te kunnen verwerken, moeten ze met de werkelijkheid geconfronteerd worden.

2. De pijn voelen en verwerken

Een groot verlies verwerken, kan alleen als je de pijn voelt en erdoorheen geraakt, ook voor een kind. Gebeurt dat niet, dan ontstaan er later meestal problemen in de vorm van psychosomatische klachten zoals hoofdpijn of slapeloosheid, of ontstaat er probleemgedrag zoals onverklaarbare agressie of slechte schoolresultaten. Het is dus geen goed idee om een kind voor leed of pijn te behoeden.

Veel mensen voelen zich onwennig of zelfs zeer oncomfortabel bij het waarnemen van een uiting van pijn. We zijn niet altijd goed in het omgaan met verdriet en weten niet hoe we daarop moeten reageren.

Hoe help je je kind als het verdriet heeft om de dood van een geliefde persoon?

Ga de emoties niet uit de weg maar praat erover met je kind. Maak duidelijk dat reacties van boosheid of schuldgevoel of angst of concentratiegebrek… normaal zijn en horen bij het verwerkingsproces. Leg uit dat die emoties met golven komen en afgewisseld worden met periodes waarbij het zich beter zal voelen, steeds meer.

3. De draad weer oppikken

Het vraagt tijd om je aan te passen aan je nieuwe leven waar de overledene een leegte nalaat. Het is belangrijk om erover te praten en je gevoelens te uiten. Rouwen is het verlies en het verdriet dat ermee gepaard gaat een plaats geven in je leven zodat je weer verder kunt functioneren. Dat geldt ook voor een kind.

4. Opnieuw leren genieten

Een groot verlies vergeet je nooit. Je hele verdere leven draag je een stukje van dat verdriet met je mee. Maar dat betekent niet dat je je niet beetje bij beetje weer goed in je vel mag voelen. Je mag genieten en het is normaal dat je het verdriet af en toe en steeds vaker vergeet.

Je doet de dode ook geen oneer aan door te investeren in een andere relatie of vriendschap.

Zo komen we bij de laatste taak en dat is vaak een moeilijke: een rouwende (kind of volwassene) moet de angst overwinnen om zich emotioneel te binden. Vaak zondert een kind zich wat af en wil het bijvoorbeeld geen nieuw vriendje meer uit schrik dat die band opnieuw in afscheid of verdriet zou kunnen eindigen.

Hoe ervaren kinderen en jongeren de dood van een geliefde en hoe help je hen daarbij?

Als algemene regel kan je stellen dat een luisterend oor, begrip en een lief woord vaak de belangrijkste ‘eerste hulp’ zijn. Let op de signalen die je kind geeft en vraag regelmatig hoe het gaat ook als het geen signalen geeft. Soms laat een kind niets merken van zijn emoties, ook al voelt het pijn of verlies. Zijn de reacties daarentegen zeer hevig, veroordeel het gedrag dan zeker niet. Bied het kind een omgeving die aanvoelt als een veilige cocon waarin het zijn verdriet kan uiten op zijn manier.

Tot drie jaar voelen kinderen dat er iets mis is en dat uiten ze door te huilen, zich terug te trekken of net abnormaal uitbundig te doen. Zelfs een baby van 4 à 5 maanden voelt een intens verdriet aan bij een ouder (of verzorger). Het herkent de ouder via de geur, het stem timbre, het lichaamscontact. En die veranderen in geval van diepe rouw, vaak zonder dat de ouder het zelf beseft. De reactie van de baby zal merkbaar zijn in zijn slaap- of eetpatroon.

Tussen de drie en de vijf jaar weten kinderen dat er een verlies is, maar ze begrijpen nog niet dat de dood een blijvend karakter heeft. Dood is voor hen hetzelfde als slapen: even weg zijn en niet bewegen. Wanneer ze gaan beseffen dat de overledene niet meer terugkomt, is woede een veel voorkomende emotie. Dan hebben ze meer dan ooit behoefte aan een vertrouwde omgeving en een vast ritme.

Vanaf een jaar of zes beseffen kinderen het concept dood en weten ze dat ze zelf ook kunnen doodgaan. Dat kan een onveilig gevoel en angst veroorzaken. Stimuleer het kind om afscheid te nemen van de overledene maar dwing het niet. Gaat het over een dicht familielid, zoals een opa of oma, dan wordt er aangeraden om het kind mee te nemen naar de begrafenis, zeker wanneer de plechtigheid daaraan is aangepast. Zorg er ook voor dat de overledene achteraf regelmatig genoemd wordt en laat enkele van zijn/haar spullen staan als herinnering. Bedenk ook een ritueel om de overledene samen te herdenken: op Allerheiligen, bij zijn/haar verjaardag, bij de sterfdatum …

Vanaf de leeftijd van tien jaar ongeveer uit een kind vaak zelf de behoefte om aanwezig te zijn bij de begrafenis of het afscheid. Vaak onderdrukken kinderen op die leeftijd hun eigen verdriet om anderen te sparen. Toch hebben ze hulp nodig om hun gevoelens te uiten en willen ze ook graag betrokken worden bij de zaken die moeten worden geregeld. Door ze bepaalde taken op zich te laten nemen, bijvoorbeeld een kaarsje aansteken of een tekstje voorlezen, voelen ze zich betrokken.

Vanaf dertien jaar praten ze er meestal liever over met hun vrienden. Ten opzichte van hun ouders of een volwassene geven teeners de indruk dat ze het zelf wel aankunnen, maar tegelijk zoeken ze ook bescherming en veiligheid.

Bronnen:
Prof. Dr. Manu Keirse
www.kindengezin.be
www.klasse.be
www.in-de-wolken.nl

De buitenstaander

Er is niets mis met jou, er is iets mis met de wereld

Brainwash – Marian Donner(schrijfster)

In Brainwash Talks van Human buigen journalisten, schrijvers, wetenschappers, theatermakers en filosofen zich over de grote persoonlijke en maatschappelijke vragen van nu. Deze keer schrijver Marian Donner over maakbaarheid en zelfhulpboeken.

Ik ben een roker. Echt, daar wil ik niemand mee lastig vallen. Tegenwoordig mag ik zelfs niet meer roken in een afgesloten hok waar ik alleen nog met soortgenoten zit. In Amerika mag ik in sommige staten niet eens meer roken in mijn eigen auto. Of in mijn eigen huis. Ik mag ook niet meer drinken. Nul glazen per dag is het advies van de Gezondheidsraad. Alcohol is vloeibaar gif, kopte HP/De Tijd onlangs. Ik dacht: echt waar? Voor mij is alcohol vooral vloeibare vrolijkheid.

Ik houd van de roes. Ik neem de woorden van Charles Baudelaire ter harte. ‘Wees altijd dronken’, dichtte hij 200 jaar geleden. ‘Wees altijd dronken, want alleen zo voel je niet de helse last van de tijd, die je schouders breekt en je naar de aarde trekt. Alleen in dronkenschap ben je geen gemartelde slaaf van de tijd.’ Volgens Baudelaire kon die dronkenschap ook op andere manieren. Bijvoorbeeld door het lezen van gedichten. Maar dat doen mensen nu nóg minder dan drinken.

Een gemartelde slaaf van de tijd. Dat vind ik zo mooi gezegd. Als we íets tegenwoordig zijn, is dat het wel. Gemartelde slaven van de tijd. Alsmaar doorrennend en ploeterend als muizen in een rad. Altijd haast en altijd druk. Maar met wat? En waarvoor?

Ik mag geen vet meer eten. Suiker? Weet ik niet precies. Ik moet in ieder geval avocado’s eten, quinoa eten en groene smoothies drinken. Ik moet sporten. Ik moet yoga doen en mindfulness. Ik moet gezond zijn, vandaar. Strak en fit moet ik zijn, en ook mijn geest moet strak en fit zijn. Want ik moet gelukkig zijn en succesvol. Hoe? Daar zijn duizenden artikelen, zelfhulpboeken en cursussen voor. Het advies komt meestal op hetzelfde neer.

Ik moet positief zijn. Ik moet mijn comfortzone verlaten, rechtop lopen, mijn huis en ziel Marie Kondo’en, niet uitstellen wat ik vandaag nog kan doen en ik moet leren dat al mijn falen tot nu toe, eigenlijk een les is om het de volgende keer beter te doen. Ik moet lachen, maar dan wel een echte lach, waarbij ook mijn ogen meedoen. Dan vinden mensen me aardig en gunnen ze me dingen. Bovendien reduceert het mijn stress. Ik moet de beste en vrolijkste versie van mezelf worden. Ik moet me door niets en niemand tegen laten houden. Ik moet gaan, gaan, gaan… Mijn dromen achterna. En vooral: ik moet nooit, maar dan ook nooit opgeven. Ook al val ik erbij neer. Ik moet, ik moet… Je wordt gek gemaakt.

Want waarom moet ik dat allemaal? Oke, om gezond, succesvol en gelukkig te zijn. Maar als ik al die zelfhulpboeken en -artikelen bekijk, gaat er iets anders onder schuil. Waar die adviezen toe dienen, is me nog meer een gemartelde slaaf van de tijd te maken. En om me nog harder mee te laten draaien in dat rad. Dit is hoe het tegenwoordig werkt. Eén op de zeven werknemers heeft een burn-out. Net als één op de zeven studenten. Driekwart van de Nederlandse bevolking heeft last van stress, of van andere vormen van uitputting. Misschien is dat ook geen wonder.

Onlangs werd bekend dat zelfs een deel van de middenklasse moeite heeft om rond te komen. Dat is een teken. Als zó veel mensen zich zorgen maken of ze het redden, dan is er iets mis in de wereld waarin we leven. Dan is de werkdruk kennelijk te hoog. De studiedruk en de levensdruk. Dan is er te weinig zekerheid. Lonen zijn kennelijk te laag, huren te hoog en dagen te lang. En heel veel werk is ook echt helemaal niet leuk.

Veertig procent van de mensen vindt zelf dat ze een bullshit-baan hebben: een baan die op geen enkele manier iets toevoegt. Daar word je echt niet gelukkig van.

Waar voortdurend op wordt gehamerd, is dat het aan die mensen zelf ligt. Wie een burn-out krijgt, heeft zijn grenzen niet goed aangegeven, en zelf de lat te hoog gelegd. Wie zich zorgen maakt of hij de huur wel kan betalen, die moet gewoon leren relaxen. ‘Weet je wat je moet doen?’, klinkt het dan. ‘Yoga.’ Zet je telefoon eens uit, zit wat minder op sociale media, ga eens op een bankje in het park zitten, en luister naar de ruis in de bomen.

Oke, maar dan? Als ik dat dan allemaal heb gedaan, moet ik weer terug een wereld in die precies hetzelfde is gebleven. Een wereld waarin teveel van me wordt gevraagd en waarin ik te hard moet rennen. Waar al die adviezen uiteindelijk toe dienen – al die yoga, waardoor ik mijn problemen op een lelieblad aan me voorbij zie trekken – is om me het spel mee te laten blijven spelen en om me nog harder te laten kunnen rennen.
Als kinderen nu niet stil kunnen zitten in de klas, of niet goed luisteren, dan ligt dat niet aan overvolle klassen, niet aan veel teveel toetsen, of aan te weinig tijd buiten, maar aan hun hersenen. We geven ze Ritalin, een middel dat ik persoonlijk vooral ken van mensen die dat als vervanging van coke gebruiken. Dat geven we kinderen om ze te laten functioneren in het schoolsysteem. Gek genoeg hebben de meeste kinderen die medicatie niet nodig in het weekend of tijdens de vakanties.

Dit is hoe het tegenwoordig werkt. De oorzaak van al onze problemen en zorgen wordt bij onszelf gelegd, bij het individu. Alsof het aan onze hersenen ligt. Een gebrek aan daadkracht, wilskracht en positiviteit, dat we uitgeput zijn. Alsof we geen gemartelde slaven zijn.

Ik hou van roken. Ik hou van drinken. Ik weet dat het mijn leven waarschijnlijk verkort. Belangrijker dan zo lang mogelijk te leven, vind ik de vraag hoe je moet leven. En wat een goed leven is. Ik vind dat iedereen dat voor zichzelf zou mogen uitmaken. Niet als slaaf, maar als meester. Ik hou van schaduw, duisternis en rafelranden. Ik hou van lelijkheid. Ik hou van mensen die falen en honderd keer tegen dezelfde steen lopen. Ik hou van mensen die niet meedraaien in het rad. De buitenstaanders, de vrijbuiters, de mensen die zich niet conformeren aan de heersende norm. Voor mij vertegenwoordigen dat soort mensen vrijheid. Een vrijheid die vroeger veel groter was. In films of literatuur, bijvoorbeeld, zien we de easy riders op hun motoren, of de tramps van Charlie Chaplin. Of de dronkenlappen in de verhalen van Charles Bukowski. Het was fictie, maar dat soort mensen bestaan echt. Alleen noemen we dat soort mensen tegenwoordig losers.

Tegenwoordig is het leven veel te duur geworden om nog maanden op je motor rond te rijden. Je krijgt een boete als je op straat een biertje drinkt. Die vrijheid van vroeger om buiten het systeem te leven bestaat bijna niet meer. De enige manier waarop je tegenwoordig nog vrij lijkt te zijn, is binnen het systeem. Als je zo rijk bent geworden dat je alles kunt kopen wat je hartje begeert. Er zijn mensen die dat lukt. Ze eten vast héél gezond. Ze werken altijd hun to do-lijst af. En ze yoga-en zich suf, maar dat is niet de vrijheid waar ik van droom.

Waar ik van droom, is van ontsnapping. Ik kan de wereld niet veranderen. Ik kan wel een idee meegeven. Dus vanavond, bij deze, een idee, met dank aan Virginia Woolf. Ze verwoordde het bijna honderd jaar geleden. In haar tijd was het voor een vrouw nog verboden om zonder mannelijke begeleiding naar een bibliotheek te gaan. Woolf had met andere woorden een man nodig om de boeken die ze zelf geschreven had, in te mogen kijken. Wat doe je in zo’n geval?

Woolf had zich een weg naar binnen kunnen vechten. À la Lean In van Sheryl Sandberg. Ze had kunnen leren denken en handelen als een man, zoals Sandberg aanraadt. Ze had zich aan kunnen passen aan het systeem. Ze had zelfhulpboeken kunnen schrijven over hoe je dat doet. Hoe je een plekje aan tafel of in de bieb bemachtigd, waar je dan vervolgens de uitzondering mag zijn. Godzijdank deed ze dat niet.

In plaats daarvan draaide ze het om. Ze zei: Als je het gevoel hebt dat er in deze wereld geen plek voor je is, dan moet je je niet afvragen wat er mis is met jou, maar wat mis is met de wereld. Als je denkt dat het beter kan, dat er meer moet zijn in dit leven, maar dat de wereld jou geen ruimte biedt en jou je vrijheid ontneemt. Oftewel: de volgende keer dat je je te lui, lelijk, ongezond of een loser voelt, of dat iemand je zo noemt, denk dan aan Virginia Woolf. Denk aan Woolf als je, zoals ik, stug door blijft roken, stug door blijft drinken en in geen honderd jaar naar een sportschool zal gaan. Want er is echt niets mis met mij. Er is ook niks mis met de zogenaamde losers. Er is iets mis met de wereld om ons heen.

Vooroordelen over depressie

“Je hebt toch alles om gelukkig te zijn?” Dit zijn de grootste vooroordelen over depressie.
Libelle – Door Charlotte Teugels

Één op de vijf Vlamingen krijgt ooit te maken met een depressie, en toch is er niet altijd evenveel begrip. Deze lezeressen en deskundige reageren er graag op.

Vooroordeel 1: Depressie zit tussen de oren
Psychiater dr. Hannelore Tandt: “Een depressie is een psychiatrische aandoening, waarbij daadwerkelijk dingen gebeuren in je hersenen en lichaam. Er kan bijvoorbeeld een onevenwicht zijn in je neurotransmitters of hormonen, waardoor je te weinig serotonine aanmaakt of te veel stresshormonen. Het kan ook zijn dat je immuunsysteem verstoord is, of dat de informatieverwerking in je hersenen niet goed verloopt. We zien zelfs dat een depressie een soort litteken achterlaat in de hersenen: veranderingen in de zenuwbanen, die ervoor zorgen dat je nadien gevoeliger bent om opnieuw depressief te worden.

Daarnaast is er vaak sprake van een genetische aanleg: als depressie voorkomt in de familie, heb je tot drie keer meer kans om zelf ook depressief te worden. In feite is een depressie dus een heel complexe combinatie van neurobiologische en genetische factoren. Dat afdoen als ‘inbeelding’ is absoluut onjuist.”

Psychiater Hannelore Tandt
“Een depressie is geen inbeelding. We zien zelfs dat het een soort litteken achterlaat in de zenuwbanen, waardoor je nadien gevoeliger bent om weer depressief te worden”

Vooroordeel 2: Iemand met een depressie is gewoon niet zo’n goeie vechter
Lezeres Lien (24): “Mensen met een depressie zwak? Integendeel. Als je een depressie hebt, vecht je net kéihard. Elke dag opnieuw. Ik weet waarover ik spreek, ik vecht al bijna tien jaar. Ik was amper 15 toen het begon. Ik voelde me apatisch, gevoelloos, alsof ik overal buiten stond. Ik begon mezelf te snijden om toch maar iéts te voelen. Ik kreeg medicatie en therapie voorgeschreven, maar ik voelde me steeds slechter. Op een keer sneed ik mezelf zo hard dat ik in het ziekenhuis belandde. Ik werd opgenomen op de psychiatrische afdeling, waar ik nog dieper leek weg te zinken. Op een dag werd het me allemaal te veel, ik kon niet meer. Heel even gaf ik het gevecht op, ik wilde er een einde aan te maken, maar een verpleegster vond me net op tijd. Is dat zwak? Ik vind van niet. Ik was op dat moment gewoon moe gestreden van te lang sterk te willen zijn.

Ik was niet blij dat ze me op tijd hadden gevonden, nee, dat ben ik nog altijd niet. Ik heb sindsdien niets anders gekend dan pijn. Geen enkele arts kan verklaren wat er aan de hand is. Waarom ik zo ongelukkig ben. Ook zelf weet ik het niet. Het is niet dat ik niet wil leven. Dat wil ik wél. Maar niet op deze manier. Niet in deze depressie. Mijn gedachten gaan er regelmatig met mij vandoor. Dan denk ik: wat doe ik hier nog? Ik kijk naar mezelf in de spiegel, en vraag me af: wat is mijn toekomst? Ik volg therapie, en neem nog steeds medicatie, maar het lijkt niet te helpen.

Het enige dat ik doe, is vechten. Vechten, vechten, vechten. Vechten tegen het mes om mezelf te snijden. Vechten tegen mijn eigen gedachten. Vechten om te overleven. Vierentwintig uur per dag woedt die strijd in mijn hoofd: haak ik af, of ga ik door? Zeg me dus alsjeblieft niet dat mensen met een depressie zwak zijn. Geloof me, als ik niet zo sterk was als ik ben, dan was ik hier al lang niet meer…”

Vooroordeel 3: Een avondje met je vrienden zal je deugd doen
Caroline (57): “Voor de meeste mensen is een avondje met vrienden ontspannend. Ik begrijp dus wel waar dit misverstand vandaan komt. Maar voor mensen met een depressie is het verschrikkelijk. Sociale contacten vragen heel veel energie, zeker in een groep, en die energie heb je gewoon niet als je depressief bent. Ik heb het de eerste jaren nog geprobeerd. Ik wilde niet altijd ‘nee’ zeggen als vriendinnen me meevroegen, ik was bang dat ik op den duur niemand zou overhouden. Maar het waren telkens vreselijke avonden. Uiterlijk lachtte ik, praatte ik mee.

‘Ze heeft er deugd van’, dachten de mensen dan. Maar vanbinnen ging ik kapot. Het kostte me zoveel energie om dat masker op te houden, en na zo’n avond was ik meestal zó leeg, dat ik nadien dagenlang m’n bed niet uitkwam. Intussen ga ik nog maar zelden weg in groep. Wat wel deugd kan doen, is afspreken met één vriendin. Dat doe ik af en toe. Ik ken mijn beste vriendin al meer dan dertig jaar, en bij haar kan ik mezelf zijn en tonen wat ik voel. Dat geeft rust. Ergens klopt het dus wel, dat sociale contacten goed doen als je depressief bent. Maar – althans toch in mijn geval – dan enkel als je afspreekt met één vriendin, niet met een hele groep.”

Vooroordeel 4: Je hebt toch alles om gelukkig te zijn?
Nancy: “Ik heb het vaak moeten horen: ‘Je hebt een man, gezonde kinderen, een mooi huis en een goede job. Waarom zou jij depressief zijn?’ Ik snap die redenering niet. Alsof je ervoor kiest om je slecht te voelen?”

Anneleen: “Depressie is een ziekte. Dat je – in de ogen van anderen – alles hebt om gelukkig te zijn, betekent niet dat je de ziekte niet kunt krijgen.”

Sofie: “Sommige mensen durven niet te zeggen hoe slecht ze zich voelen, uit angst om deze reactie te krijgen.”

Sandra: “Ik kreeg dit van mijn eigen moeder te horen. Wat een klap in mijn gezicht.”

Lieve: “Er wordt soms geprofiteerd van de ziekte om niet te hoeven werken. Dat maakt mensen achterdochtig. Heel jammer voor wie er écht in zit, en daardoor minder begrip krijgt.”

Annick: “Nog zo’n dooddoener: ’Je moet de knop omdraaien’. Elke keer zou ik het wel willen uitschreeuwen: ik héb geen knop!”

Sanne: “Soms zou je hopen dat mensen met deze vooroordelen het zelf eens meemaken. Maar eigenlijk wens ik het niemand toe.”

Carine: “’Je bent nog zo jong, je hebt nog een heel leven voor jou, denk aan de goede dingen…’ Goed bedoeld, maar er is maar één iemand die weet hoe jij je voelt, en dat ben je zelf.”

Vooroordeel 5: Iedereen heeft weleens een dip
Psychiater dr. H. Tandt: “We hebben inderdaad allemaal wel eens een mindere dag, maar zo’n dipje is niet te verwarren met een depressie. Van een depressie spreken we pas als aan drie voorwaarden is voldaan:

Je hebt minstens vijf van de negen symptomen van een depressieve stoornis: de hele dag door een depressieve stemming hebben, geen of minder plezier in iets hebben, gewichtstoename of –verlies, slaapklachten, een gejaagd gevoel, vermoeidheid, schuldgevoelens, concentratieverlies en terugkerende gedachten aan zelfmoord.
Het sombere gevoel, het interesseverlies of de verminderde plezierbeleving duurt langer dan veertien dagen.

De sombere stemming heeft een duidelijke impact op het functioneren, bijvoorbeeld thuis of op het werk.”

Vooroordeel 6: Mij overkomt het niet
Myrthe (33): “Drie jaar geleden had ik een postnatale depressie, en het heeft maanden geduurd voor ik dat zelf inzag. Ik voelde wel dat ik slecht in m’n vel zat, maar daar had ik zoveel redenen voor. De zwangerschap was sneller gekomen dan verwacht, mijn relatie liep niet goed, ik had een heel zware bevalling gehad, het prille moederschap viel me zwaar… Bovendien was ik meteen weer voltijds aan de slag gegaan, en had ik weinig hulp van mijn (intussen ex-) partner, waardoor ik de zorg voor ons zoontje haast helemaal alleen droeg. Dat ik wat moe en prikkelbaar was, leek me dus niet meer dan normaal. Zelfs toen vriendinnen voorzichtig polsten of er toch niet meer aan de hand was, had ik niks door.

Een depressie, dat was iets voor anderen, voor mensen met een melancholisch karakter. Toch zeker niet voor mij? Ik, die normaal gezien altijd zo vrolijk en actief van aard ben? Het besef kwam pas toen ik enkele weken later besloot om toch eens met iemand te gaan praten, en op advies van een vriendin een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg binnen stapte. Ik las er een folder over depressie, en toen ik het lijstje met symptomen afging, kon ik niet anders zeggen dan: check, check en check. Ik had ze allemaal. Eindelijk zag ik in wat er met me aan de hand was. Sindsdien praat ik heel open over wat ik toen voelde. Postnatale depressie is nog steeds een beetje taboe, en dat is jammer, want ik heb zelf gemerkt dat het iederéén kan overkomen.

Het heeft helemaal niks te maken met je karakter, wél met wat je meemaakt en hoe je lichaam en brein daarop reageren. Dat wil ik graag meegeven aan andere jonge mama’s, die het, net als ik toen, moeilijk hebben. Want het is pas als je beseft wat er écht aan de hand is, dat je ook gepaste hulp kunt zoeken.”

Vooroordeel 7: Depressie is iets voor vrouwen
In Vlaanderen krijgt ongeveer 20 procent van de vrouwen en 10 procent van de mannen ooit in hun leven te maken met een vorm van depressie. Het komt dus inderdaad vaker voor bij vrouwen, maar dat het mannen niet kan overkomen, is onjuist.
“‘Ah, genezen?’ zeiden de mensen als ze me op straat zagen. Niemand begreep dat buitenkomen bij de therapie hoorde. Dat ik eigenlijk veel liever in bed lag met de gordijnen dicht”

Vooroordeel 8: Als je op een terras kunt zitten, kun je ook gaan werken
Christel (55): “Toen de diagnose depressie viel, en de arts me voor het eerst ziekteverlof voorschreef, zei hij heel nadrukkelijk: ‘Sluit je vooral niet op’. Hij raadde me aan om elke dag naar buiten te gaan, al was het maar voor een korte wandeling. Zo zou ik mensen tegenkomen, een praatje maken, mijn gedachten verzetten…

‘Als je tussen die vier muren blijft, ga je alleen maar meer piekeren’, zei hij. Natuurlijk wilde ik zijn raad opvolgen, maar makkelijk was het niet. Als je depressief bent, heb je heel sterk de neiging om je te verstoppen, wil je het liefst de hele dag met de gordijnen dicht in bed liggen. Toch probeerde ik het. Zo vaak ik kon, ging ik naar buiten. Het trof me hoe snel ik reactie kreeg. Hoe snel mensen hun conclusies trokken.

‘Ah, weer op de been!’ zeiden ze dan. Alsof het feit dat je buitenkomt, meteen ook betekent dat je ‘genezen’ bent. Dat is natuurlijk niet zo. Het betekent enkel dat je aan je genezing werkt, dat je al je moed bij elkaar hebt geschraapt om door die deur te gaan, gewoon omdat je zo graag beter wilt worden. Nog erger werd het toen collega’s me een keer op een terras een kop koffie zagen drinken. Mijn mama had me overtuigd om het te proberen, en voor het eerst in lange tijd voelde ik inderdaad dat iets me deugd deed. Tot ik ’s avonds van mijn man, die in hetzelfde bedrijf werkt, hoorde hoe ze over mij hadden geroddeld.

‘Werken kan ze niet, maar op een terras zitten lukt wél.’ Ik kan je niet zeggen hoe hard dat aankwam. Ik was zo trots geweest op het feit dat het me was gelukt, dat ik daadwerkelijk op dat terras had gezeten. Het had me meer energie gekost dan ik had, en ik voelde al dat ik het de dagen nadien zou bekopen. Maar tegelijk beschouwde ik het als een kleine overwinning, een stapje in de goede richting. En dan kreeg ik zo’n reactie? Dat deed pijn. Ik begreep het ook niet. Op een terras hoef je eigenlijk niets te doen, je zit er gewoon. Dat is toch iets helemaal anders dan aan het werk gaan, achter de computer gaan zitten, en je acht uur lang concentreren? Dat moesten de collega’s toch ook begrijpen?

Ik ben na die dag een tijdlang niet buiten geweest, gewoon uit angst om bekenden tegen het lijf te lopen en weer op dat onbegrip te botsen. Gelukkig is mijn mama altijd blijven proberen om me mee te trekken. Eerst samen tot aan de bakker, dan een korte wandeling… Ik ben haar daar nog steeds dankbaar voor, want alleen was het me misschien niet gelukt. Na enkele weken merkte ik wel dat de opmerkingen minder werden. Dat mensen zelfs begonnen te vragen hoe het met me ging. Blijkbaar moet je langere tijd thuis zitten, voor anderen geloven dat er écht iets mis is, en je niet zomaar wat wilt ‘profiteren’.”

Bron: Libelle –  Evelien Roels

Curlingouders

Een kinderleven zonder hindernissen is geen leven

Hoe overleeft een kind van curlingouders in de echte wereld?

Ouders die alles voor hun kinderen gladstrijken, kweken afhankelijke, onzekere volwassenen. ‘Het leven zit vol tegenslag.’

De Standaard – Anna Herter – 10.10.2019

Mijn oom ging als kind geregeld naar een paardrij­kamp. Ze droegen daar geen caps maar cowboyhoeden. Wanneer iemand zo onhandig was zijn hoed te laten vallen, gingen de andere kinderen er als een speer achteraan: degene die ’m wist te bemachtigen, zou die avond het toetje van de ongelukkige krijgen. De gemiddelde ouder van tegenwoordig sterft bijna als een kind met zo’n verhaal thuiskomt. Anno 2019 is zo’n praktijk ondenkbaar in de westerse wereld.

Bij curling laten mensen stenen over een ijsbaan glijden door het ijs met een bezem driftig schoon te poetsen. De Deense psycholoog Bent Hougaard zag de overeenkomst met de heersende manier van opvoeden: ouders vegen als curlers alle problemen van hun kinderen weg. Als een kind in de klas niet naast zijn beste vriendje of vriendinnetje zit, regelt de ouder dat wel door een pittig gesprek met de leerkracht. Of ze stappen naar de rechter als hun kind niet mag meedoen aan een schoolgala of eindmusical nadat het zich misdragen heeft, of wanneer ze het niet eens zijn met een schoolrapport.

Ik ben een twintiger, en ook opgegroeid als curlingkind. Toen ik op paardrijkamp ging, droeg ik naast een cap een driedelige bodyprotector. Niet dat de kans groot was dat ik hard op de grond zou belanden: mijn moeder regelde het wel dat mij de tamste pony werd toegewezen. Mijn moeders hulp bestond ook uit het herschrijven van mijn werkstukken, het oplossen van mijn ruzies met vriendinnen en het verwijderen van de ‘witte draadjes’ van mijn mandarijnen.

Geen teleurstellingen, geen tegenslagen, geen verdriet of pijn. Maar wel: moeten presteren. De ijsbaan is gladgestreken dus is er geen excuus meer om te mislukken. Op de basisschool moet je op het hoogste niveau lezen, daarna doe je aso en in je vrije tijd word je geselecteerd voor het hockeyteam. En je bent blij, gelukkig en vrolijk. Want er is geen reden om dat niet te zijn.

Tropische visjes

De realiteit is anders. Burn-out bij jongeren is al lang geen zeldzaamheid meer. Integendeel. Hoe komt het dat de beoogde excellentie uitblijft en in plaats daarvan problemen ontstaan? Eén van de verklaringen is dat het curlingouderschap watjes kweekt. De mentale instabiliteit van de millennials houdt verband met een gebrek aan zelfredzaamheid, meent Jan Derksen, hoogleraar psychologie aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij spreekt over de jongeren als tropische visjes in de Noordzee.

‘Overbeschermende ouders ­creëren een tropische watertemperatuur voor hun kroost. Als de kinderen in de echte samenleving terechtkomen, is het water ijskoud. Daar zijn ze niet op voorbereid en dan worden ze inderdaad ziek.’ Behalve zelfredzaamheid creëert het curlingouderschap ook een gebrek aan weerbaarheid, zelfvertrouwen, veerkracht en emotionele intelligentie, meent Derksen. ‘Dat maakt dat ze op hun 23ste al over een burn-out praten, nadat ze hun eerste functioneringsgesprek hebben gehad en wat negatieve feedback hebben gekregen.’

Andere experts stellen dat er niet zozeer iets schort aan de millennial, maar aan wat van hen wordt verwacht. Zo ziet pedagoge Liesbeth Groenhuijsen kinderen bezwijken onder de druk van verwachtingen en eigen verantwoordelijkheid. In een wereld waarin geluk en succes als maakbaar worden gezien, willen ouders koste wat het kost dat hun kind dit ook is, zegt ze. Als een kind daar niet aan voldoet, heeft het dubbel pech: het schiet én tekort én is een sufferd omdat het zijn of haar eigen schuld is. Er is weinig ruimte voor een misstap. ‘Af en toe ongelukkig zijn of het aanmoedigen van teleurstelling, gaat in tegen de tijdgeest. In deze tendens van succesvol zijn worden behoorlijk wat kinderen vermalen. Het leven barst namelijk van tegenslag, dus ieder kind faalt.’

Excellentie is normaal

Het streven naar perfectie kijken kinderen af van de volwassenen naar wie zij opkijken. Ook ouders hebben steeds meer de neiging om naadloos te passen in het plaatje, op het schoolplein, bij familie of op sociale media, zegt Groenhuijsen. ‘Van kinderfeestjes tot kerstontbijt, de standaard is dat het tot in de puntjes geregeld is.’ In deze optiek zijn ouders niet alleen de aanstichters maar ook de slachtoffers van die prestatiedruk. Pedagoog Stijn Sieckelinck beaamt dat. ‘Excellentie wordt steeds normaler. Het is lastig om je er als ouder niets van aan te trekken.’

Door obstakels weg te vegen en ook zelf de schijn op te houden, verdoezelen ouders de manco’s van het echte leven, dat niet altijd vlekkeloos verloopt. Je kunt niet overal de beste in zijn. En je hebt niet alles in de hand. Ik word naar links geswipet op Tinder en afgewezen bij sollicitaties. Ondanks ontgiftende gembershotjes krijg ik zo nu en dan de griep en ondanks de cursus mediteren heb ik ruzie met mijn lawaaierige bovenbuurvrouw. Soms heb ik geluk, soms heb ik pech. Soms voel ik me dolgelukkig, soms voel ik me down of lusteloos.

Op je bek gaan is oké

Ik probeer mijzelf voor te houden dat zulke tegenslagen eigen zijn aan het leven. Sinds ik inzie dat ik geen mislukking ben maar het leven een hindernisbaan is, lukt het zo nu en dan zelfs hiervan te genieten. Als je het zo bekijkt, is het leven immers een uitdagend speelparadijs. Op mijn bek gaan hoort erbij en is geen reden voor paniek. Dat overkomt al die perfecte influencers op Instagram ook.

Of de Duitse hoogleraar Johannes Haushofer, die summa cum laude promoveerde als neuropsycholoog en econoom. In 2016 publiceerde hij een cv met daarop al zijn mislukkingen. Hij wilde mensen erop attenderen dat wij bij anderen vaak alleen maar de successen zien, en niet de vele mislukkingen die daaraan vooraf zijn gegaan.
Sieckelinck beaamt het idee dat obstakels niet alleen onontkoombaar zijn, maar ook iets om te omarmen. Hij stelt dat ze een voorwaarde zijn om te leren en te groeien. ‘Een mens heeft weerstand nodig in zijn omgeving. Het is eigen aan elk leerproces om iets dat je nog niet weet of kan te lijf te gaan.’ Groenhuijsen sluit zich hierbij aan: ‘Je wordt een vollediger mens als je je eigen schaduwkanten bent tegengekomen. Als je je daar doorheen weet te ploegen, maakt dat je groter, sterker, beter. Het geeft bovendien betekenis en zin aan het leven.’

Maar hoe laat je je kind dan op zijn of haar bek gaan? Volgens Groen­huijsen is dat simpel. Teleurstelling hoef je niet te creëren, want het zit overal. Het begint al op de crèche waar peuters elkaars speelgoed afpakken. ‘We hoeven onze kinderen niet van een klimrek te duwen, maar we moeten ze wel de kans geven om zelf tegenslag tegen te komen.’ Volgens Sieckelinck betekent dit ook iets minder computerspelletjes en meer buiten spelen. ‘Hoewel Fortnite ook vol teleurstellingen zit, bereidt het je niet voor op functioneren buiten je kamer.’

Netwerk van volwassenen

Sieckelinck raadt aan om niet zozeer minder tijd in kinderen te steken, maar wel om de focus te verschuiven. ‘In plaats van te voorkomen dat er heftige dingen gebeuren, moet een kind een goed netwerk van volwassenen hebben dat hem of haar bij tegenslagen kan steunen. Laat ze die enge stap zetten, maar wees er voor hen als dit anders dan verwacht uitpakt.’ De wetenschap dat zij er niet alleen voorstaan, geeft kinderen het zelfvertrouwen dat zij nodig hebben om de obstakels van het leven tegemoet te treden.
Misschien moeten wij onze kinderen zo af en toe van een paard laten vallen en zelfs een dessert afpakken. Niet alleen om ze goed hard en weerbaar te maken, maar om ze een volledig leven te schenken. Een leven waarin het nu eenmaal niet altijd meezit. En ze moeten leren dat dit aan het leven ligt, niet aan henzelf.