Regeltjes

Hoe meer regels, hoe meer vlegels

De coronapandemie is allang geen louter epidemiologisch of virologisch probleem meer, schrijft psycholoog Vittorio Busato. De aanpak ervan is een gedragswetenschappelijk probleem geworden.

Dit is een artikel van:
Eos Psyche&Brein – 20.07.2020

‘Drie vrienden spreken met elkaar af bij een bankje in het park om bij te kletsen. Ze houden anderhalve meter afstand. Zijn ze dan in overtreding?’ Het goede antwoord: ja, want bij een afspraak van drie of meer personen is er sprake van een samenkomst.

Volgende vraag: ‘Twee vrienden lopen door het park. Ze komen toevallig een derde vriend tegen en gaan even samen op een bankje zitten om bij te kletsen. Zijn ze dan ook in overtreding?’ Het goede antwoord: nee, de drie vrienden zijn niet in overtreding, want het betreft hier geen georganiseerde afspraak.

Beide situaties komen uit een kennistestje met twaalf vragen over de coronamaatregelen dat De Volkskrant half mei publiceerde. Ik zakte glorieus.

Inmiddels zijn de gedragsmaatregelen in Nederland sinds juni enigszins versoepeld, maar dat wil niet zeggen dat die maatregelen er duidelijker op zijn geworden. Er klinkt alom kritiek op een Wet Tijdelijke Maatregelen Covid-19 die het kabinet op moment van schrijven van plan is vanaf juli in te stellen. Daarin staat onder meer dat het verboden is op straat geen veilige afstand tot anderen te houden en dat burgers bij noodverordeningen vooraf geen inspraak hebben via gemeenteraad of Tweede Kamer. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft al aangegeven dat deze wet een inbreuk kan betekenen op grondrechten van burgers. Eveneens maakt de orde zich zorgen dat er bij de handhaving en het opleggen van boetes willekeur en daarmee rechtsongelijkheid kan optreden, juist omdat regels onduidelijk zijn.

Wat het condoom is voor veilig vrijen, is de anderhalve meter voor veilig contact

Corona beperkt niet alleen onze bewegingsvrijheid, ik raak er steeds meer van overtuigd dat deze pandemie onze democratie in gevaar brengt. Boden de gedragsregels van de overheid aanvankelijk houvast en richting; de huidige, complexere regels geven extra onzekerheid. ‘Blijf binnen’ is bijvoorbeeld ‘vermijd drukte’ geworden. ‘Blijf binnen’ is duidelijk; maar ‘vermijd drukte’? Wat ís drukte? Wanneer is een betoging te druk? Wanneer is een strand, vliegtuig of touringcar te vol? Is er verschil tussen drukte binnen en buiten? En hoe vermijd je drukte in grote steden, waar trottoirs te smal en winkelstraten te vol zijn om anderhalve meter afstand te houden?

Als mensen zich voortdurend moeten afvragen wat wel en niet mag, is het volgen van gedragsregels moeilijk. De kans op weerstand en ernstige conflicten neemt dan toe. Aan buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) en politieagenten de taak deze ingewikkelde regels te handhaven. Maar als regels ambigu zijn, kan van hen niet worden verlangd dat ze de juiste inschattingen maken. De Wet van wijlen psycholoog Piet Vroon gaat dan gelden: hoe meer regels, hoe meer vlegels.

Vooral uit democratisch oogpunt is het cruciaal dat de overheid de regels zo simpel mogelijk maakt. Inzetten op procedurele rechtvaardigheid van preventieve maatregelen en daar volstrekt transparant over zijn, is daarbij een vereiste. Wetenschappelijke studies laten zien dat mensen beleid met een duidelijke rationale, ook al is die voor hen persoonlijk minder gunstig, rechtvaardiger vinden. Een heldere uitleg vergroot het draagvlak, stimuleert de naleving en maakt het makkelijker om elkaar aan te spreken op gedrag dat niet kan.

Eveneens uit democratisch oogpunt is het belangrijk dat bij de opstelling van regelgeving gedragswetenschappers betrokken worden. Zij moeten erop toezien dat nieuwe gedragsmaatregelen helder zijn en eenvoudig na te leven. Zo voorkom je burgerlijke ongehoorzaamheid en polarisatie in de samenleving.

De coronapandemie is allang geen louter epidemiologisch of virologisch probleem meer. De aanpak ervan is een gedragswetenschappelijk probleem geworden. Zolang er geen vaccin is, blijft ons gedrag het effectiefste medicijn tegen verspreiding van het virus. Wat het condoom is voor veilig vrijen, is de anderhalve meter voor veilig contact – vrijwel iedereen weet hoe verleidelijk het is daartegen te ‘zondigen’.

Het leven gaat verder…

Toekomstige generaties: zij hebben ons net zo hard nodig als wij hen

Brainwash – Ruben Jacobs – 26.06.2020

Mijn oud-docent sociologie Bart van Heerikhuizen is ongeneeslijk ziek. In een mooi en ontroerend interview in de podcast Brainwash sprak hij hier eerder dit jaar over. Het werd een gesprek over zijn carrière als docent, de sociologische structuur van de samenleving, maar vooral ook over zijn angst voor de dood. Of eerder: zijn angst voor het ‘er niet meer zijn’.

Om in het reine te komen met dit onvermijdelijke feit zoekt hij al jaren naar filosofische of spirituele aanknopingspunten: inzichten en wijsheden die hem troost kunnen bieden. Aan het eind van zijn carrière als docent kwam hij tot de conclusie dat zijn grootste troost simpelweg was te vinden in het vak waar hij altijd les in heeft gegeven: de sociologie.

Voor Van Heerikhuizen verschaft de sociologie ons het inzicht in de toenemende ‘interdependenties’, oftewel onze onderlinge afhankelijkheden. Niet alleen tussen mensen, natiestaten en werelddelen, maar ook tussen generaties:

Het is voor mij een troostrijk idee dat er al netwerken van interdependenties waren, nog voordat ik geboren werd. Daarin werd ik geparachuteerd. Ik ben er een tijdlang onderdeel van geweest, en na mijn dood blijven die netwerken bestaan. Als individu zal ik daar niet meer bij zijn, maar ik vind het een troostrijke gedachte dat er nog enige tijd mensen zullen zijn die zich mij herinneren. Ook als dat uitdooft, gaat de mensheid door. Daar zit een element van troost in.

Het is een mooie gedachte. Ik moest er weer aan denken bij het lezen van het essay Death & the Afterlife (2013) van de Amerikaanse analytische filosoof Samuel Scheffler. Hij plaatst de troost, die Van Heerikhuizen vindt in de wetenschap dat het leven na hem doorgaat, in een interessant filosofisch daglicht. Scheffler noemt dit het ‘collectieve hiernamaals’. Niet het hiernamaals in de hemel, maar heel letterlijk: het bestaan van andere mensen na onze eigen dood. Welke rol speelt de impliciete aanname dat er menselijk leven is na onze dood in ons huidige leven? Dat is de boeiende en originele filosofische vraag die Scheffler ons stelt.

“‘Life goes on’ is niet voor niets een gevleugelde uitspraak. We gaan ervan uit dat dit, zelfs na onze eigen dood, ook echt zo is.”Om deze vraag te onderzoeken zet Scheffler twee gedachte-experimenten op. In het eerste, het zogenaamde Doomsday scenario, leef je een normaal en volledig leven, maar sterft iedereen dertig dagen na je dood. Het tweede, ‘onvruchtbaarheids-scenario’ schetst een realiteit waarin geen baby’s meer worden geboren, zoals in de film Children of Men uit 2006. De mens sterft dus binnen een paar generaties uit.

Droevige scenario’s. Maar waarom eigenlijk? In het eerste scenario ga je niet vroegtijdig dood en in het tweede sterft in ieder geval niemand die je lief is, er komt alleen niemand meer bij. Kortom: iedereen kan in beide van deze scenario’s zijn leven gewoon leven en oud worden. Wat maakt deze scenario’s dan toch zo deprimerend?

Scheffler’s korte antwoord: omdat deze scenario’s het einde van de mensheid betekenen, het uitblijven van ‘nieuwe vreemden’ op deze aarde. We gaan er zo vanzelfsprekend vanuit dat het na ons allemaal zal doorgaan, dat we niet goed doorhebben hoeveel emotioneel belang we daar eigenlijk aan hechten. Want, zo redeneert Scheffler, veel van wat wij hier nu op aarde doen verliest aan betekenis als we weten dat alles snel vergaat nadat wij er niet meer zijn.

De zoektocht naar een medicijn voor kanker, de lange strijd voor sociale of raciale rechtvaardigheid, kunst, geschiedenis, filosofie, lange termijn infrastructurele plannen of publieke werken, maar ook lokale (sport)gemeenschappen, instituties, en tradities: veel activiteiten waarin we als mens in participeren, hebben als doel onze eigen leven te overstijgen en overleven. Ze zijn het resultaat van cumulatieve inspanning en maken een ‘keten van levens en generaties’.

Niets is voor eeuwig, en de mensheid zal ooit uitsterven. Dat weten we. Toch gaan we er volgens Scheffler impliciet vanuit dat het leven zich nog lange tijd zal voortzetten. Als het vooruitzicht van het uitsterven van de mensheid dichtbij komt, vormt dit een bedreiging voor diegenen die nu leven om een ​​goed en bevredigend leven te leiden. Dit heeft volgens Scheffler gevolgen voor de manier waarop we denken over klimaatverandering, nucleaire oorlog en andere existentiële bedreigingen.

1592917822.jpg

Jongeren tijdens een klimaatprotest in Nuremberg (foto: Markus Spiske).

Met name in het geval van klimaatverandering is dat zichtbaar. De hevige emoties die het oproept, zowel gedreven door activisme als door ontkenning, onthullen het feit dat het voortbestaan van de mensheid ons zeer dierbaar is. Zelfs zo dierbaar dat we de gedachte dat we binnenkort zouden ophouden te bestaan bijna ondragelijk vinden. Meer nog dan de angst voor onze eigen dood, is het uitsterven van de mensheid een bedreiging voor het hebben van een leven dat we de moeite waard vinden.

‘Society is a partnership of the dead, the living and the unborn’, luidt een beroemde uitspraak van ‘aartsvader van het conservatisme’ Edmund Burke. Voor Burke moest de relatie tussen de staat en samenleving worden gezien als een tuinman tot zijn tuin: de tuinman behoort de tuin te onderhouden, met als doel deze door te geven aan de volgende tuinman. Voor Burke betekende dit echter niet dat alles bij hetzelfde moet blijven, maar dat moet worden voortgebouwd op het best bestaande, en worden hervormd waar nodig. ‘A state without the means of some change, is without the means of its own conservation’, aldus Burke.

In die zin deelt de klimaatbeweging iets essentieels met het klassieke conservatisme (niet te verwarren met de huidige reactionaire vormen daarvan): beiden hechten veel waarde aan intergenerationele continuïteit; ze vragen van huidige generaties om over de horizon van hun eigen leven heen te kijken. Ze staan een estafette-cultuur voor, in plaats van een sprintcultuur waarin de korte termijn regeert.

Toekomstige generaties zijn niet alleen afhankelijk van ons en de keuzes die wij nu maken, maar wij zijn in zekere zin ook van hen afhankelijk: hun bestaan geeft ons leven diepgang en betekenis. Het plaatst ons in een groter plaatje, een eeuwenlang project; en verlengt ons eigen eindige leven in de cultuur, de geest en het vlees van anderen. ‘Life goes on’ is niet voor niets een gevleugelde uitspraak. We gaan ervan uit dat dit, zelfs na onze eigen dood, ook echt zo is.

Ouderen na corona

Leidraad voor 65-plussers na corona: schat zelf je risico in

Niet alle 65-plussers lopen evenveel risico om zwaar getroffen te worden door corona. Minister van Welzijn Wouter ­Beke (CD&V) pakt uit met een charter, dat houvast biedt.

Mogen oma en opa opnieuw op de kleinkinderen passen? Mag de ­familie elkaar in de armen ­vallen? De antwoorden op die ­vragen vind je níét in het nieuwe charter ‘Hoe veilig de draad opnemen als oudere in onze samenleving?’, dat Vlaams minister van Welzijn ­Wouter Beke (CD&V) schreef in overleg met de Vlaamse Ouderenraad en het Vlaams Mantelzorgplatform.

‘Er is niet één regel die voor ­iedereen geldt, omdat niet alle ­65-plussers over dezelfde kam kunnen worden geschoren’, zegt Steffen Van Roosbroeck, de woordvoerder van de minister. ‘Herinner u de storm van kritiek toen enkele weken geleden werd gesuggereerd om alle 65-plussers langer in quarantaine te houden. Een fitte 69-jarige die nog elke dag op zijn koersfiets zit, loopt niet hetzelfde risico als een 85-jarige met een hartkwaal of andere medische problemen.’

Afvinklijst

Het charter kiest dus niet voor een radicale breuk vanaf een zekere leeftijd. Het biedt een leidraad die ieder voor zichzelf moet interpreteren.

‘Er is niet één regel, want niet alle ­65-plussers kunnen over dezelfde kam worden geschoren’Steffen Van Roosbroeck Woordvoerder Wouter Beke

Elke oudere wordt opgeroepen om zelf de inschatting te maken. Ten eerste, hoe zit het met uw persoonlijke gezondheid? Hebt u een chronische aandoening? Zo ja, dan bent u kwetsbaarder. Ten tweede, hoe risicovol is de activiteit waaraan u wilt deelnemen? Er zit een handige afvinklijst bij, die kan helpen om de activiteit in te schatten. Die bevat vragen als: hoeveel mensen nemen eraan deel? Wordt de ­fysieke afstand tussen mensen ­gerespecteerd? Worden generaties met elkaar vermengd? Vindt het contact buiten of binnen plaats en duurt het lang of kort?

Als de activiteit niet veilig genoeg lijkt, durf dan de organisator ervan aan te spreken. Bij twijfel: overleg met uw huisarts .

Het charter is afgestemd met Gees-voorzitter Erika Vlieghe.

Hoe dan ook blijven de zes gouden regels belangrijk. Ze worden in het charter nog eens opgesomd: was vaak je handen met water en zeep en houd afstand. Beperk fysieke sociale contacten en draag een mondmasker in het openbaar vervoer of op drukke plaatsen, waar ­afstand houden niet mogelijk is. Kom liever buiten samen dan binnen. Wees extra voorzichtig bij mensen die tot een risicogroep behoren. Je mag tien extra mensen zien per week buiten je eigen bubbel. Ook groepsactiviteiten in ­privékring blijven beperkt tot tien mensen. Knuffelen mag, als je ­eigen risicoprofiel dat toelaat, ­binnen je eigen bubbel.

Het charter is belangrijk omdat ouderen heel wat taken in de samenleving vervullen: als oppas voor de kleinkinderen, als mantelzorger en als vrijwilliger.

Veerle Beel

De derde wereldoorlog

‘Het was oorlog. Maar we hadden geen kogels’

Terwijl iedereen naar de ziekenhuizen keek, reden de lijkwagens af en aan in de Vlaamse woonzorgcentra. Vier weken vochten ze daar om maskers, tests en aandacht. Een reconstructie.

De Standaard – Door Foto’s 

De overgebleven spullen van de overleden bewoners van woonzorgcentrum Westervier in Brugge worden in afwachting van ophaling opgeborgen in de ondergrondse parkeerruimte.

‘Ik heb alle begrafenisondernemers in de buurt leren kennen.’ Dirk Snauwaert zit op een bankje in de Brugse zon. Het is eind mei. De directeur van woonzorgcentrum Westervier herademt even na helse maanden. Op 1 april stierf zijn eerste bewoner. Op 15 april waren er al 25 overlijdens. Ondertussen staan er 36 kamers leeg. Bijna een derde van zijn 118 mensen sneuvelde aan covid-19. ‘Soms vertrokken hier drie lijkwagens op één dag’, vertelt Snauwaert. ‘We hebben bewoners gehad die ’s morgens nog in de leefzaal zaten te praten. Vervolgens werden ze kortademig. Daarna suf. En ’s avonds waren ze weg. Het ging razendsnel. Verschrikkelijk.’

Snauwaert is aangeslagen. Hij kampt, net als veel collega’s, met schuldgevoelens. Hij vraagt zich af wat er fout liep. Maar hij is ook boos. Snauwaert had het geluk dat hij via de groep waarvan zijn woonzorgcentrum deel uitmaakt – Curando – aan mondmaskers raakte. Voor het overige botste hij vooral op schaarste. Zijn vaste leverancier slaagde er niet langer in om zuurstof te bezorgen. Voor bleekwater moest hij naar een Brico-filiaal. En omdat er geen tests waren, moest hij zijn bewoners met dementie die covid-19-symptomen vertoonden op hun kamer isoleren. ‘Misschien was dát nog het moeilijkst’, zegt hij. ‘Die mensen hebben hun vrijheid nodig. Als je die afneemt, gaan ze heel snel achteruit.’

Snauwaert steekt niet weg dat ze zich in Westervier behoorlijk verlaten voelden. ‘Onze sector wordt al jaren stiefmoederlijk behandeld’, zegt hij. ‘Dat was deze keer niet anders. Het was oorlog. Ik moest mijn mensen naar het front sturen. Maar we hadden geen kogels. Iedereen focuste aanvankelijk op de ziekenhuizen. Men dacht: die woonzorgcentra, dat zijn toch al sterfhuizen, als ze daar iets vroeger gaan, dan is het maar zo.’

Gezocht: crisisplan

Op maandag 23 maart arriveren er eindelijk 4,5 miljoen mondmaskers op de luchthaven van Bierset. Om 6 uur 22. Wouter Beke weet het nog precies. Hij heeft die nacht niet geslapen

Bijna nergens sloeg het coronavirus zo hard toe als in Vlaanderen. Dat had alles te maken met het gigantische drama dat zich in de rusthuizen voltrok. Volgens de laatste cijfers van Sciensano stierven er in deze regio, vermoedelijk, iets meer dan 4.700 mensen aan covid-19. Ruim 2.600 van die slachtoffers – of ongeveer 55 procent – kwamen aan hun eind in een Vlaams rusthuis. Daarnaast raakte een belangrijk deel van de coronapatiënten die in een ziekenhuis overleden, besmet in een woonzorgcentrum. Zo stijgt het aantal ‘woonzorgslachtoffers’ al snel richting 3.000, of naar ongeveer 65 procent van het totaal.

De afgelopen weken sprak De Standaard met meer dan 40 betrokkenen. Ze werden allemaal compleet overrompeld. In de woonzorgcentra ging men de crisis in met een gebrek aan beschermend materiaal. Bij de Vlaamse overheid stelden de ambtenaren al snel vast dat een aantal cruciale diensten onderbemand was. En ook op Vlaams politiek niveau holde men achter de feiten aan. Toen België geen maskers en geen tests in voorraad bleek te hebben, zat men klem.

Achteraf is het makkelijk. Niemand zat in januari al in pandemiemodus. En toch is het verwonderlijk dat niet meteen alle alarmbellen afgingen, toen covid-19 vooral oudere mensen bleek te treffen. De sector van de woonzorgcentra is sterk uitgebouwd in Vlaanderen, er verblijven ongeveer 85.000 ouderen. Omdat er de laatste jaren zo op thuiszorg werd ingezet, is het een steeds kwetsbaardere populatie. Bovendien lag er geen crisisdraaiboek klaar. In 2009, ten tijde van de Mexicaanse griep, schreven de ziekenhuizen een 58 pagina’s tellend pandemieplan. Voor de woonzorgcentra ontbrak zo’n scenario.

Om de veiligheid van de bewoners in Westervier, Brugge, te garanderen is een veiligheids­perimeter voorzien.

Puntje 22, varia

In januari maakt Dirk Dewolf zich nog geen grote zorgen. Dewolf is een ervaren vijftiger, gestaald op christendemocratische kabinetten. Sinds 2014 leidt hij het Agentschap Zorg en Gezondheid, dat verantwoordelijk is voor de woonzorgcentra. Op 20 januari haalt corona een eerste keer de vergadering van zijn directieteam. Het virus duikt in het verslag op als puntje 22, bij de varia: ‘De voorzitter (Dewolf dus, red.) vraagt aan de afdeling Preventie om de evolutie van deze problematiek nauwlettend op te volgen.’ Een paar dagen later brieft hij Wouter Beke, zijn voogdijminister. Zijn boodschap: er is geen reden tot ongerustheid.

Dat gevoel blijft nog een hele tijd hangen. Op 27 februari, twee weken voor de woonzorgcentra in lockdown gaan, stuurt Dewolfs Agentschap voor het eerst een nieuwsbrief over het virus uit. Die is niet alarmistisch. De richtlijnen voor woonzorgcentra zijn slechts zeven zinnen lang. Er wordt nergens gevraagd om uitbraakplannen op te maken. ‘Momenteel doen de meeste besmettingen zich voor in het buitenland’, schrijft het Agentschap. ‘Bewoners van woonzorgcentra lopen op dit moment bijgevolg een bijzonder klein risico op besmetting.’ En: ‘Het volstaat om met extra aandacht de adviezen toe te passen die ook andere virale infecties (bv. griep) helpen voorkomen.’ Vandaag tellen de richtlijnen meer dan veertig pagina’s.

De sfeer verandert pas echt aan het eind van de krokusvakantie. De berichten uit Italië zijn steeds onrustwekkender. Vanaf zondag 1 maart ziet Dewolf ook iets anders gebeuren, vanop de eerste lijn. Dat de terugkerende skiërs het virus ook in de Vlaamse samenleving injecteren. Zijn team Infectieziekten is bevoegd voor de contacttracing van wie positief test in Vlaanderen. Naarmate de week vordert, schiet het aantal besmettingen de hoogte in. Ze werken elke dag keihard, tot ’s avonds 10 uur. Maar ze staan voor een hopeloze opdracht. Op donderdag 5 maart moeten ze al achter 70 nieuwe gevallen aan. Terwijl er slechts een 15-tal mensen zit te bellen.

‘Waarom werden mondmaskers afgeraden in woonzorgcentra die een voorraad hadden? Zo vielen er meer doden’

Dominique RoodhoofdtCeo van Zorg-Saam

‘Mijn mensen zijn radeloos en overwerkt’, schrijft Dewolf die avond in zijn corona-notities. Hij beseft stilaan dat de containment-strategie onhoudbaar is en dat er een grotere crisis zit aan te komen. Al is het hem dan nog niet duidelijk dat die in zijn eigen achtertuin zal toeslaan. De berichten die uit Italië doorsijpelen, gaan vooral over de ziekenhuizen. Die kunnen de toevloed aan patiënten niet meer aan. Over de Italiaanse rusthuizen is er dan nauwelijks nieuws. Het vertroebelt de blik van de beleidsmakers. De woonzorgcentra lopen een achterstand op die niet meer goed te maken is.

Belgische crisismachine

Ondertussen gaat het federale niveau in krijgsmodus. Op maandag 2 maart schiet Pedro Facon in actie. De directeur-generaal van de FOD Volksgezondheid maakt zich grote zorgen. Hij belt onder meer naar Margot Cloet, gedelegeerd bestuurder van Zorgnet-Icuro: ‘Kijk naar Italië, Margot, het komt niet goed.’ Cloet heeft in haar koepel alle Vlaamse ziekenhuizen zitten. Facon wil die voorbereiden op een grote crisis. De dag nadien wordt er al een eerste keer vergaderd, samen met de experten Erika Vlieghe en Marc Van Ranst.

Kamer van een aan covid-19 overleden bewoner in woonzorgcentrum Atrium in Kraainem.

Cloet is onder de indruk van Facons aanpak. Er wordt dagelijks samengezeten, telkens op hetzelfde uur, met een strakke agenda. Het mondt op vrijdag 13 maart uit in de beslissing om alle Belgische ziekenhuizen om te bouwen tot coronaziekenhuizen. In een mum van tijd wordt het aantal intensive care-bedden opgetrokken. Van bij het begin is er ook flankerende steun. De eerste ‘prioriteitenlijstjes’ worden opgesteld. Daarin staan de ziekenhuizen steevast bovenaan.

‘Op 27 maart kwamen de ambulanciers binnen, keken de kamer in en zeiden: “Da’s covid”. Waarna ze weer weg waren’

Kathy Huybrechts

Directrice woonzorgcentrum Atrium

Maar Cloet begint zich ook zorgen te maken. Ze vraagt zich af hoe de woonzorgcentra, die sinds 2014 een bevoegdheid van de Vlaamse regering zijn, worden voorbereid. Ze kent de sector goed. Cloet heeft in haar koepel ook meer dan 300 rusthuizen. Ze was tot twee jaar geleden de kabinetschef van Jo Vandeurzen, de voorganger van Beke op het departement Welzijn. Cloet weet dat de woonzorgcentra kwetsbare organisaties zijn, met veel risicobewoners en met een managementcapaciteit die veel kleiner is dan die van de ziekenhuizen.

Haar punt is niet dat er niet vergaderd wordt in Vlaanderen. Op woensdag 4 maart roept ook Beke de troepen samen op zijn kabinet. Maar die Vlaamse vergaderingen missen focus en urgentie. Die woensdag aanhoort Cloet een vrijblijvende inleiding tot het coronavirus. Er worden, behalve de afgelasting van de Dag van de Zorg, geen knopen doorgehakt.

Slapeloze nacht

Wouter Beke onthoudt iets anders van die bijeenkomst. Hij hoort dat de koepels, ook die van Cloet, hun huiswerk niet hebben gemaakt. Ze blijken met een tekort aan mondmaskers te kampen. Dirk Dewolf noemt dat ‘het begin van mijn eerste nachtmerrie’. Het probleem blijkt immers niet eenvoudig op te lossen. Een paar dagen later laat de federale regering weten dat Vlaanderen geen beroep kan doen op de federale noodstock. Die is volledig vernietigd, tussen 2015 en 2018, een fatale beslissing van federaal minister Maggie De Block. Daardoor zit ook Vlaanderen in slechte papieren. Beke wijst naar de werkgevers en de koepels, die te weinig aan een eigen stock hebben gewerkt, en naar de federale overheid, die in tijden van pandemieën bevoegd is voor crisisbeheer. Even goed stelt zich de vraag of een deelstaat die ruim 800 rusthuizen bestiert niet over een eigen voorraad had moeten beschikken.

‘Mensen zeggen: zoveel doden! Het maakt je onzeker. Ben ik verantwoorde­lijk voor de dood van al die mensen?’

Leen Smits

Arts woonzorgcentrum Akapella

Daarover nadenken, daar is begin maart geen tijd voor. Vlaanderen begint aan een calvarietocht. Eerst besluit het zich aan te sluiten bij een mondmaskerbestelling van de federale regering. Dat loopt mis. Op zaterdag 14 maart wordt het Beke duidelijk dat de firma Mossa zijn belofte niet kan waarmaken. Vervolgens beslist Vlaanderen solo te gaan. Het gaat scheep met de firma Life. Ook dat wordt een thriller. Eerst is gemeld dat een vliegtuig met 4,5 miljoen maskers op vrijdag 20 maart zal arriveren. Vervolgens wordt het zaterdag. Beke wordt ongerust: vanuit de woonzorgcentra vangt hij signalen op dat ze ‘nog twee of drie dagen’ toekomen. Uiteindelijk landt het vliegtuig op maandag 23 maart. Om 6 uur 22. Beke en Dewolf weten het nog heel precies, ze sliepen die nacht niet. Hun zucht van verlichting was tot in Bierset te horen.

Zwaaien naar bewoners in Westervier, Brugge, die positief testten.

Dat wil niet zeggen dat die schaarste geen grote gevolgen heeft. Ze sijpelt volop door in de eerste richtlijnen die naar de woonzorgcentra worden gestuurd. Een algemene verplichting om mondmaskers te dragen binnen de muren van het rusthuis is wekenlang geen optie. Op 6 maart hamert het Agentschap, in een eerste mondmaskeradvies, al meteen op ‘rationeel’ gebruik: ‘Vermijd verspilling’. Later worden de richtlijnen geregeld aangescherpt. Op 11 maart, net voor de sluiting van de woonzorgcentra, schrijft het Agentschap: ‘Er moet verboden worden dat medewerkers die niet betrokken zijn bij de verzorging van bewoners routinematig mondmaskers dragen.’

‘Dat heeft verstrekkende gevolgen gehad’, zegt Dominique Roodhooft. Ze is de ceo van Zorg-Saam, een groep van 15 woonzorgcentra in Oost-Vlaanderen. Twee van die centra kregen al heel vroeg met een uitbraak te kampen. ‘Telkens was een medewerker besmet teruggekeerd van een skivakantie. Het enige wat toen had kunnen helpen, waren mondmaskers. Wij begrijpen dat ze de sector geen verplichting wilden opleggen. Er waren er niet genoeg. Maar waarom ook het gebruik ervan afraden in woonzorgcentra die wel maskers in voorraad hadden? Dat hebben we nooit begrepen. Zo raakten meer bewoners besmet. Zo vielen er meer doden.’

Waarom, Margot?

Het is duidelijk dat de woonzorgcentra niet in perfecte omstandigheden op hun lockdown afstevenen. De schaarste aan mondmaskers leidt tot waanzinnige toestanden. Iedereen probeert een lading op de kop te tikken, maar dat lukt de ene al beter dan de andere. Inge Vervotte, die vijf woonzorgcentra heeft in haar Emmaüs-groep, kan haar aankoopdienst activeren. Andere directies, vaak van kleinere instellingen, zitten met de handen in het haar. Bij de Belgische Federatie van Zorgkundigen lopen berichten binnen over personeel dat onbeschermd naar het front wordt gestuurd.

Het is exemplarisch voor de chaotische manier waarop de lockdown van de woonzorgcentra wordt doorgeduwd. Op woensdag 11 maart zegt Beke ’s ochtends op de radio nog dat er geen sluiting komt. Dat staat ook in de mail die het Agentschap Zorg en Gezondheid rond 8 uur naar alle directies stuurt. Even later laat Margot Cloet weten dat haar instellingen wél op slot gaan. Beke belt Cloet boos op: ‘Waarom zeg je dat, Margot?’ Hij werpt op dat hij niet tegen een sluiting is, maar dat hij ze eerst concreter wil plannen, om onrust te vermijden. Wat is Cloet bijvoorbeeld van plan met de mantelzorgers? Er komt geen antwoord. Maar Beke ziet zich een paar uur later wel gedwongen om Cloet te volgen. Het zet het beeld van een minister die moet achtervolgen.

Het leidt niet tot rust. De praktische richtlijnen waarin de ruim 800 woonzorgcentra wordt uitgelegd hoe ze vanaf 12 maart ’s ochtends dicht moeten, gaan pas om 11 maart na  10 uur ’s avonds de deur uit. In Kraainem, in woonzorgcentrum Atrium, hebben de 44 bewoners een paar uur voordien al afscheid genomen van hun familie. Directrice Kathy Huybrechts herinnert zich nog goed hoe innige omhelzingen die namiddag niet te vermijden waren.

‘De dag nadien viel onze hoofdverpleegster uit’, vertelt Huybrechts. ‘Op vrijdag bleek de kine ziek. Op zaterdag sneuvelde iemand van de onderhoudsploeg. En op zondag was er een zorgkundige met symptomen. Uiteindelijk bleken 14 van mijn 32 personeelsleden besmet. Ik heb toen een matras in mijn bureau gelegd om hier te blijven slapen. Anders kregen we het niet rond.’

Geconfisqueerde schorten

De woonzorgcentra hebben geen enkel overschot op personeelsvlak. Als er iets misloopt, zitten ze op hun tandvlees. Het is niet dat er de afgelopen jaren niet geïnvesteerd werd. Alleen gingen de extra middelen vooral naar nieuwe gebouwen. Zo werden de lange wachtlijsten weggewerkt. Voor menselijke omkadering bleef er minder geld over, terwijl de zorgprofielen steeds zwaarder werden. Bijkomend probleem: in woonzorgcentra werken veel minder verpleegkundigen dan in ziekenhuizen. Het merendeel van de personeelsleden is zorgkundige. Ze werken keihard, tegen een karig loon, maar zijn minder vertrouwd met handhygiëne of het gebruik van mondmaskers.

‘Bij ons in Kraainem vielen zes van de acht verpleegkundigen uit’, vertelt Kathy Huybrechts. ‘Op 20 maart overleed onze eerste bewoner. Er zijn 14 van onze 44 mensen gestorven. We voelden ons aan ons lot overgelaten. De huisartsen zagen we plots niet meer. Toen er drie mensen in één dag stierven, trok ik aan de alarmbel bij het Agentschap. Ze hebben toen iemand gestuurd. Die man is hier rondgewandeld en zei: “Jullie doen alles zoals het hoort”. Hij kon niet helpen. Bij zijn vertrek las ik in zijn ogen: je gaat er nog moeten afgeven. Het probleem was dat wij een van de eerste centra met een uitbraak waren. Het crisismanagement stond nog niet op punt. Er zat niets anders op dan te improviseren. En ja, we hebben dingen gedaan die niet toegelaten waren. We zijn wegwerpschorten beginnen te wassen. Anders hadden we er geen.’

Kraainem is niet het enige woonzorgcentrum waar het al snel fout gaat. Vanaf 20 maart komen er ook andere onheilsberichten. In Sint-Gillis-Waas is er een stevige uitbraak. In Sint-Truiden is het nog vroeger prijs. Tegelijk gaat het in de media alleen maar over de ziekenhuizen. Elke dag wordt meegegeven hoeveel mensen er op intensive care liggen. Tijdens haar beleidstoespraak in de Kamer, op dinsdag 17 maart, noemt premier Sophie Wilmès de ziekenhuizen de ‘eerste prioriteit’. Over de woonzorgcentra heeft ze het niet. Over de woonzorgcentra heeft ook Vlaams minister-president Jan Jambon, totaal afwezig in deze crisis, het niet. Over de woonzorgcentra heeft niemand het.

‘Op een dag kregen we orders van de wasserij’, vertelt Dominique Roodhooft van Zorg-Saam. ‘We moesten alle wasbare schorten inleveren. Ze werden geconfisqueerd, omdat de ziekenhuizen er heel veel nodig hadden.’ Het is niet de enige keer dat Roodhooft zich zal storen aan die hegemonie. Ze leest voor uit een mail van een naburig ziekenhuis. Daarin wordt benadrukt dat bewoners met een hoge frailty-score niet meer welkom zijn. ‘Letterlijk: bij gebrek aan zuurstof verwijzen we naar alternatieven, zoals morfine. Dat betekent dus dat je die mensen platspuit. Dat heeft er bij ons stevig ingehakt.’

‘Dit is fout’

Adviesraden stellen in die dagen richtlijnen op waarmee ze de indruk versterken dat de woonzorgcentra er alleen voor staan. Het ethisch comité van het UZ Leuven zegt op 18 maart dat er, in geval van hoge nood, eventueel op leeftijd getrieerd kan worden bij de intensive care-afdelingen. Een paar dagen later komt de Belgische Vereniging voor Geriatrie en Gerontologie met een advies. Ze wijst erop dat het niet zinvol is om elke oudere nog naar een ziekenhuis over te brengen. Soms is het beter mensen waardig te laten sterven in een woonzorgcentrum.

Het is een erg genuanceerde tekst, maar Beke vloekt als hij hem op 24 maart leest. ‘Dit is fout’, denkt de minister. Hij verstuurt een persbericht. Hij wil de indruk wegnemen dat woonzorgcentra geen mensen meer mogen doorsturen. Op het terrein komen de richtlijnen van zijn eigen Agentschap echter dubbelzinnig over. Daarin staat dat een opname in het ziekenhuis ‘aangewezen’ kan zijn. Maar de passus wordt, naarmate de crisis vordert, almaar langer en strenger. In die laatste week van maart wordt toegevoegd dat een overdracht ‘niet mogelijk’ is als er niet voorafgaand overlegd is met de behandelende arts van het ziekenhuis.

De ziekenhuizen zijn nooit gestopt met patiënten uit woonzorgcentra op te nemen. Dat bewijzen de cijfers van Sciensano. Maar heel wat mensen, zoals Margot Cloet, zijn ervan overtuigd dat adviezen zoals die van de geriaters op sommige plekken een rol hebben gespeeld. Ook het Agentschap lijkt op 31 maart iets te willen rechtzetten. ‘Het gebruik van een flowchart mag niet misbruikt worden door ziekenhuizen om geen bewoners van woonzorgcentra meer op te nemen’, klinkt het plots. Misschien heeft dat te maken met een incident in Kraainem?

‘We hebben twee keer een probleem gehad’, vertelt Kathy Huybrechts, de directrice van woonzorgcentrum Atrium. ‘Op 27 en 28 maart. De ambulanciers kwamen binnen, keken de kamer in en zeiden: “Da’s covid”. Waarna ze weer weg waren. Een andere keer werd een bewoner pas meegenomen na een pijnlijke discussie. Wie het niet heeft meegemaakt, kan niet bevatten wat er in de woonzorgcentra is gebeurd. Hoe wij moesten ploeteren! Hoelang we op tests moesten wachten!’

Eigenaardig momentje

Zeg dat eind maart niet tegen federaal minister Philippe De Backer. De liberaal is een week voordien op het coronatapijt verschenen. Hij moet de testcapaciteit optrekken. Dat is niet alleen belangrijk om de lockdown van het land te lossen. Het is ook cruciaal voor de woonzorgcentra die met een uitbraak kampen. Zij moeten hun bewoners die met covid-19 besmet zijn, kunnen isoleren van de gezonde bewoners. Om te kunnen ‘cohorteren’ moeten ze natuurlijk wel eerst weten wie tot welke groep behoort. Helaas sukkelt ons land ook met een acuut tekort aan reagentia en wissers. Daarom heeft de Risk Management Group, het orgaan dat de volksgezondheid moet beschermen in crisistijd, op 12 maart beslist dat enkel mensen met ernstige symptomen nog getest kunnen worden.

In de laatste dagen van maart maakt De Backer zich echter sterk dat hij breder kan beginnen te testen in de woonzorgcentra. Daarvoor heeft hij de volle steun van Wouter Beke. Het is een van de weinige onderwerpen waarover de twee excellenties het in deze crisis eens zijn. Maar de Risk Management Group staat op de rem. Dat is te wijten aan de houding van Sciensano, voorheen het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, maar ook aan die van de huisartsen. Die vrezen dat de capaciteit nog altijd niet voldoende groot is.

Het verhit de gemoederen. Uiteindelijk beslissen de politici op 1 april, tijdens een Interministeriële Conferentie, om het oordeel van het crisisorgaan gewoon te negeren. Dat gebeurt niet op tactvolle wijze. De Backer vraagt de inloggegevens van de Zoom-meeting van de RMG die aan de gang is. Hij verschijnt in beeld en zegt: ‘Jullie kunnen stoppen met discussiëren over die tests in de woonzorgcentra, we hebben dat al beslist, we gaan dat doen.’ ‘Een eigenaardig momentje’, geeft een lid van de RMG toe.

Door die hele discussie gaan er opnieuw enkele cruciale dagen verloren. Dat ergert ook Dirk Dewolf, de topman van het Agentschap. Hij ziet de crisis elke dag groter worden. Dewolf heeft al weken geen rust meer genomen. Een paar dagen voordien, op zondag 29 maart, is hij voor het eerst nog eens gaan wandelen met zijn vrouw. Even ontspannen. Tot Wouter Beke belt: ‘Het gaat de slechte kant uit in Sint-Truiden, Dirk, de begrafenisondernemers kunnen niet meer volgen.’ De twee heren zien de beelden van Bergamo op hun netvlies passeren. Ze zijn een paar dagen later dus héél erg opgelucht dat er eindelijk getest kan worden in een aantal van hun instellingen.

Voor vroeg getroffen centra, zoals woonzorgcentrum Akapella in Kapelle-op-den-Bos, komt de beslissing niets te vroeg. Daar zijn de eerste besmette bewoners opgedoken rond 20 maart. Op 28 maart overleed er een eerste bejaarde. Maar testen en vervolgens cohorteren, dát zat er niet in. ‘Op 9 april waren er al 12 mensen gestorven’, vertelt directeur Yves Peleman. ‘Maar de tests arriveerden pas op 10 april, om kwart voor 11 ’s avonds. Vervolgens duurde het nog dagen voor ze weer werden opgehaald. Zo ging het met alles. We schreeuwden om hulp, maar moesten wachten, wachten, wachten.’

Bom

In het weekend van 4 en 5 april barst de bom pas echt, toch bij het grote publiek. In Humbeek loopt het helemaal mis in woonzorgcentrum Den Bogaet. Daar zwaait Bernard Deryckere de plak, hij heeft een vijftal rusthuizen in zijn portefeuille. Het rusthuis heeft al een hele tijd een ‘reputatie’. Toch zijn enkele huisartsen uit de buurt die er gaan bijspringen in shock. Ze treffen er uitwerpselen aan op de gang. Bewoners krijgen te weinig drank, uit vieze, plastieken bekertjes. Mismanagement en personeelsuitval hebben van Den Bogaet een slagveld gemaakt.

Dat haalt ook de nationale tv-journaals. Het katapulteert de woonzorgcentra naar het middelpunt van de aandacht. Ook Margot Cloet, de gedelegeerd bestuurder van Zorgnet-Icuro, is aangedaan, ook is al Den Bogaet geen lid van haar koepel. Ze woont in de buurt, haar huisarts is er gaan helpen. Cloet contacteert Beke: ‘Het loopt compleet mis, Wouter.’ Ze heeft het gehad. Twee dagen later gooit ze, als gast in Het journaal van 19 uur op de VRT, ook een mediatiek bommetje. Haar boodschap, kort samengevat: ‘Het is genoeg geweest.’ Ze vindt dat er eenheid van commando nodig is in Vlaanderen, naar Belgisch voorbeeld.

Wouter Beke vloekt, alweer. Hij heeft Cloet vooraf gebrieft over het tienpuntenplan waaraan hij aan het sleutelen is. Hij vindt de vergelijking met de federale aanpak onrechtvaardig. Als Vlaanderen geen mondmaskers heeft en niet kan testen, dan vooral omdat België het zo heeft laten afweten. Hij ergert zich, algemener, aan al het communicatiegeweld om zich heen, van Cloet maar ook van Philippe De Backer. Hij zegt dat hij niet moet opkomen voor een sector, zoals Cloet, maar oplossingen moet zien te vinden. Véél moeilijker.

Beke is niet de enige die een wrang gevoel overhoudt aan de klokkenluidersrol van de topvrouw van Zorgnet-Icuro. Er zijn nog wel wat mensen die erop wijzen dat Cloet, als ex-kabinetschef van Vandeurzen, mee verantwoordelijk is voor een beleid dat de afgelopen maanden stevige gebreken bleek te vertonen. Dan wordt er gewezen op het tekort aan personeel. Op de normen voor leidinggevenden die niet streng genoeg werden gemaakt. Op de controlerende en raadgevende artsen die een beter statuut hadden moeten krijgen. Op de schaalvergroting en de privatisering. ‘Waar was Cloet toen?’

Het belet niet dat minister Beke een probleem heeft. In de kranten begint het kritische stukken te regenen. De sector schreeuwt om hulp. Maar Beke krijgt de crisis niet onder controle. Zijn ploeg mist ervaring. Zijn kabinetschef is pas sinds nieuwjaar aan de slag. Het is tijd voor een hulplijn, beseft de minister. Hij weet dat er twaalf verdiepingen lager iemand kantoor houdt die net verkozen is tot ‘Overheidsmanager van het Jaar’. Hij neemt zijn telefoon. Het is dinsdag 7 april. Hij vraagt Karine Moykens om even in de lift te stappen.

Moykens’ move

Moykens is de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Gezondheid en Gezin. Tot nu toe heeft ze de coronacrisis vanop afstand gevolgd. Ze heeft Dirk Dewolf bijvoorbeeld geholpen toen zijn Agentschap in personeelsnood terechtkwam. Maar nu vraagt Beke haar om midden in het gewoel te gaan staan, als voorzitster van een nog op te richten taskforce. Moykens formuleert slechts één voorwaarde: ze wil dat die taskforce zich niet alleen met de woonzorgcentra maar met álle voorzieningen in de zorg bezighoudt. Beke vindt dat geen probleem: ‘Ik leg mijn lot in jouw handen, Karine.’

Zoals veel andere hoofdrolspelers in dit verhaal heeft Moykens een verleden op christendemocratische kabinetten. Als ex-kabinetschef van Vandeurzen kent ze de zorgsector als haar broekzak. Ze activeert haar hele netwerk. En ze beslist om dagelijks te vergaderen, telkens op hetzelfde uur, behalve op zondag. Ze resumeert aan het eind van elke vergadering wat beslist is. Er komt structuur, rust, vooruitgang.

Al botst ook Moykens op de twee structurele problemen waarvan deze woonzorgcrisis doordrongen is: schaarste en institutionele wirwar. Neem nu die mondmaskers. Op 15 april blijkt uit een analyse van de testresultaten in de woonzorgcentra dat ook heel wat personeelsleden zónder covid-19-symptomen besmet zijn. De taskforce vindt dat belangrijke info. Ze wil alle personeel, ook de onderhoudsmensen, aanraden om een mondmasker te dragen. Het lijkt de logica zelve. Eind maart berichtte De Standaard al over een studie van professor Gabriel Leung. Daarin stond dat patiënten het virus al dagen voor ze symptomen hebben kunnen verspreiden.

Alleen staat in de richtlijnen van het Agentschap Zorg en Gezondheid op 10 april nog steeds dat zorgverleners zonder luchtwegklachten en zonder koorts alleen persoonlijke beschermingsmiddelen mogen dragen tijdens risicovolle contacten. Dat krijgt Moykens bijzonder moeilijk aangepast. Alweer gaat de Risk Management Group niet zomaar overstag. Alweer vreest een aantal mensen daar dat er tekorten zullen ontstaan. En zo duurt het uiteindelijk nog tot… 28 april voor het Agentschap kan melden dat iedereen zijn gezicht moet beschermen.

Nooit meer!

Moykens brengt vanaf 8 april rust in Brussel, maar op het terrein is daar aanvankelijk niets van te merken. Integendeel, de tweede week van april is de meest dodelijke week van de crisis. Elke dag vallen er honderden slachtoffers. De Vlaamse regering heeft beslist dat er op plekken waar het echt uit de hand loopt, zoals Humbeek, crisismanagers worden ingeschakeld. Een van hen is Patrick Laisnez. Hij werkt bij Probis, een consultancybedrijf dat door het Agentschap Zorg en Gezondheid is ingehuurd. Met zijn team stapt hij uiteindelijk op twaalf plekken af.

‘Ik zie één rode draad’, zegt Laisnez. ‘Er was véél te weinig aandacht voor hygiëne. We hebben de gekste dingen gezien: mensen die twee paar handschoenen over mekaar aan trokken of overschoenen droegen. Maar daarmee gingen ze dan wel van de ene naar de andere kamer. Zo strooiden ze het virus rond. We zagen lange gangen zonder één handpomp met alcoholgel.’ Laisnez verwijt het niemand. Hij is onder de indruk van het zorgpersoneel. ‘Maar in opleidingen moet daar veel meer aandacht naartoe.’

Laisnez draait al lang mee, maar verbergt niet dat de afgelopen maanden er stevig inhakten. Hij kwam in rusthuizen waar 45 procent van de bewoners het niet haalde. Waar oudjes lagen die zowel hun linker- als hun rechterbuurman waren verloren. ‘Ik had het zelf ontzettend moeilijk als ik nóg een zak met persoonlijke spullen naar de kelder van zo’n woonzorgcentrum moest dragen’, vertelt hij. ‘Voor het personeel was het natuurlijk nog veel emotioneler. Zij kenden die mensen persoonlijk. Ik verzeker u: dat gaat nog veel posttraumatische stress geven.’

Het is ook iets dat Johan Matthijs opmerkt, nog zo’n ervaren krijger. Matthijs werkt als coördinerend en raadgevend arts (CRA) in woonzorgcentrum Ter Venne in Sint-Martens-Latem. Daar was er, kort na Pasen, een uitbraak op de afdeling voor personen met dementie. Er zat niets anders op dan de mensen van elkaar te scheiden.

‘Verschrikkelijk’, herinnert Matthijs zich. ‘Ik zal de angst in hun ogen nooit vergeten toen ik in zo’n astronautenpak de kamer binnenwandelde. En dan die pijnlijke manier van afscheid nemen. Ik moest tegen een vrouw die haar man net had zien sterven na een paar minuten zeggen dat het afscheid erop zat. Dat schreven de regels voor. Ik heb mensen met dementie moeten testen, met zo’n neusswap. Ze begonnen me te krabben en te slaan, omdat ze niet begrepen waarmee ik bezig was. Die nacht heb ik niet geslapen. Dat wil ik nooit meer moeten doen.’

Stille autorit

Ook voor Beke volgt er nog een slapeloze nacht. Op 15 april beslist de Nationale Veiligheidsraad, in aanwezigheid van Jan Jambon, plotsklaps dat de woonzorgcentra één bezoeker mogen ontvangen. Zijn telefoon ontploft. De hele sector staat op stelten. Cloet gaat nog eens vol op het orgel, deze keer in De afspraak. En Beke blaast de operatie, waarvan hij niet op de hoogte was, meteen af. Hij stelt de bezoekregeling uit. Waarna er een telefoontje binnenloopt op zijn kabinet. Een vrouw is razend op de minister. Ze laat weten dat ze haar gehandicapt kind absoluut wil bezoeken. Als dat niet mag, pleegt ze zelfmoord. Het onheil kan worden afgewend, maar het is die avond heel stil in de dienstwagen van de minister.

Voor Beke zit er geen goede kant aan deze crisis. Hij speelde met slechte kaarten, kaarten die vaak door anderen waren uitgedeeld. Maar hij slaagde er ook niet in om de zaken in handen te nemen. Bovendien is er geen eenvoudige zondebok te vinden. Een aantal commerciële spelers kreeg zware klappen, zeker. In Halle overleed ongeveer een derde van de bewoners van een rusthuis van de Senior Living Group. Burgemeester Marc Snoeck ergerde zich geweldig aan de lethargie van de grote Franse groep. In Geel was de dodentol dan weer bijzonder hoog bij een instelling van Armonea, ook een groot Frans bedrijf.

De cijferaars in de administratie kunnen voorlopig geen groot patroon vinden. De commerciëlen, die ondertussen ongeveer een kwart van de sector controleren, werken vaak met minder personeel dan de openbare of de vzw-rusthuizen. Ze zijn oververtegenwoordigd op de lijst van voorzieningen die onder verhoogd toezicht van de Zorginspectie staan. Maar het valt niet te bewijzen dat het coronavirus bij hen harder heeft toegeslagen.

Wat valt dan wel op? Dat rusthuizen die intens samenwerkten met een ziekenhuis, wellicht beter gewapend zijn tegen onheil. En dat sterk management een troef is. Het zijn minder spectaculaire conclusies. Sowieso wordt het voor Beke niet evident om de sector een kwalitatieve stap voorwaarts te laten zetten met het half miljardje extra dat hij tijdens deze legislatuur kan besteden.

Rechtkrabbelen

Op haar terras in Leest probeert Leen Smits weer overeind te krabbelen. Ze heeft, als controlerend en raadgevend arts in woonzorgcentrum Akapella, waanzinnige weken achter de rug. Een aantal huisartsen van bewoners liet weten liever niet meer te komen. Daarop nam Smits de zorg in Kapelle-op-den-Bos volledig over. Er stierven uiteindelijk 23 van de 119 bewoners. Ze vertelt over de stress, de verscheurende beslissingen, de oververmoeidheid, de twijfels, het verdriet. Hoe ze begon te vermageren. Hoe ze op de duur aan niets anders meer kon denken. Hoe ze haar hoofd leeg probeerde te maken, even de radio aanzette en dan weer slechts één ding hoorde. Corona. Corona. Corona.

En dan dat knagende schuldgevoel. ‘Mensen stappen je praktijk binnen en zeggen: Akapella, zoveel doden! Dan weet je niet meer wat te zeggen. Het maakt je onzeker. Ben ik daar dan mee verantwoordelijk voor? Ben ik verantwoordelijk voor de dood van al die mensen? Tegelijk weet ik: zoveel slachtoffers waren al erg kwetsbaar, ze wilden niet meer naar het ziekenhuis. We hebben alles gedaan om zo goed mogelijk gevolg te geven aan hun wensen.’

Ze zucht. ‘Cijfers vertellen niets over de kwaliteit van het leven. Ze vertellen niets over de bewoner met gevorderde dementie die covid overleefd heeft, en van wie de dochter bijna niet hardop durft te zeggen: jammer. Maar we hebben die bewoner wél gered.’


Toen ik na een maand coronacrisis op Facebook schreef dat men van rusthuizen sterfhuizen had gemaakt, was menigeen verontwaardigd, maar ik wist toen al dat mijn gevoel juist zat.
Het is ook vanaf dan dat ik aan elke maatregel ben beginnen twijfelen en besloten heb om mijn eigen keuzes te maken. Mijn argwaan is nooit meer weggegaan.

De derde wereldoorlog

De derde wereldoorlog
is voorbij,
en onze vijanden
worden terug
onze familie
en vrienden.

Het verzet is opgerukt,
en de geallieerden
die vrede en welzijn
brengen,
strooien hoop en inzicht
om zich heen.

Werp dus
jullie maskers weg
en adem weer
volop vrij,
want de derde wereldoorlog
is voorgoed voorbij!

Micheline Baetens – 28.05.2020
(Met dank aan corona voor de inspiratie)

 

De begrafenisondernemer

‘Je kunt al die regels niet consequent handhaven. Ik wil een mens zijn, niet een robot’

‘Het is ne covid.’ Of: ‘Het is gene covid.’ Zo klinkt het dagelijks door de telefoon van Gert Verhaert (42). De Antwerpse begrafenisondernemer kent het sterven: hij staat dagelijks kniehoog in het coronaverdriet. Dezer dagen is Verhaert op Eén te zien in drie nieuwe afleveringen van ‘Komen te gaan’, dat mooie document over mensen die om den brode een put graven voor een ander. Zelden vallen ze er zelf in.

HUMO – Jeroen Maris – 25.05.2020

GERT VERHAERT (Rustpunt Begrafenissen) «Het is soms het eerste wat je als begrafenisondernemer te horen krijgt van het ziekenhuis of het woon-zorgcentrum: gaat het om een coronadode of niet? Ik vind dat verschrikkelijk. Kun je mij niet eerst vertellen wie gestorven is? Hoe die man of vrouw geleefd heeft? Wie de geliefden zijn die achterblijven?

»Zoals iedereen zie ik elke dag de coronacijfers. Ik begrijp dat dat turven belangrijk is – natúúrlijk begrijp ik dat – maar ik hoop dat we een generatie doden niet gaan reduceren tot ‘de covids’. Mensen zijn meer dan het virus waaraan ze sterven, toch?

»Bovendien: hoe graag we de dingen ook in overzichtelijke tabellen gieten, in dit geval lukt dat gewoon niet. Stel: iemand sterft nu in een verkeersongeval. Dan wordt het lichaam niet getest op corona, en wordt die dood als een klassiek overlijden genoteerd. Maar dat sluit niet uit dat die persoon misschien wél besmet was, hè. Ik merk ook dat er veel meer thuisoverlijdens zijn dan gewoonlijk. Vermoedelijk zijn er veel mensen die zich niet lekker voelen, maar niet naar het ziekenhuis durven te gaan. En: ouderen die vermoedelijk corona hebben, maar bang zijn voor de isolatie en dus zwijgen. Als huisartsen daaraan meewerken, vind ik dat eerlijk gezegd alleen maar van menselijkheid getuigen. Als de bomma van 87 longproblemen en koorts heeft, ga jij haar dan doorverwijzen naar het ziekenhuis, in de wetenschap dat ze daar allicht in quarantaine moet, en de kans dus groot is dat ze in totale eenzaamheid sterft?

»Enfin, ik denk dat we rustig kunnen stellen dat er behoorlijk wat coronadoden níét in de statistieken zitten.»

HUMO Het zijn veelal snelle overlijdens: een corona-ziekbed duurt doorgaans niet lang.

VERHAERT «Onlangs belde een man me om alvast eens te informeren hoe het praktisch allemaal in z’n werk gaat na een coronaoverlijden. Zijn vader had net positief getest, en de vooruitzichten waren somber – de kans was reëel dat hij een paar weken later zou sterven. Een kwartier later belde de man me al terug: zijn vader was overleden.

»We behandelen een coronadode als een onverwacht overlijden. Het is nog het best te vergelijken met een dodelijk verkeersongeval: het komt snel en onverwacht. In zo’n geval is het belangrijk dat de begrafenisondernemer zijn tijd neemt. Want net na het overlijden zijn de nabestaanden in shock. Verder dan ‘Doe maar, meneer’ komen ze doorgaans niet. Ik geef de familie dan twee dagen de tijd om enigszins te bekomen. Want daarna zijn mensen wél in staat om uit te drukken hoe zij afscheid willen nemen.»

BRICO-BEGRAFENIS

Het sterven ontsnapt niet aan regels en reglementen. Tussen het gedroomde afscheid en de werkelijkheid staan wetten in de weg en praktische bezwaren – om eens een niet-coronadode te citeren.

VERHAERT «Er is een omslachtig protocol dat we moeten volgen. Als we coronadoden gaan ophalen in een ziekenhuis of een woon-zorgcentrum, moeten we een beschermingspak en een chirurgisch mondmasker dragen. En het draaiboek is heel strikt en klinisch. Binnengaan in het mortuarium. Het lichaam meteen in de kist leggen, in een dubbele lijkwade. De kist ontsmetten. En bij het buitengaan: al het beschermingsmateriaal weggooien. In theorie is dat logisch en verstandig, maar de praktijk laat zich moeilijker hanteren. We horen ons FFP2-masker na eenmalig gebruik weg te gooien, maar onze voorraad is klein. (Cynisch) En we weten allemaal dat je die chirurgische mondmaskers overal vlotjes kunt bestellen.

»Hoe logisch ook, iets in me revolteert tegen die maniakale voorzichtigheid. Je wordt verplicht om zo’n lichaam als een bacteriehaard te zien, in plaats van als een mens die net opgehouden is met denken, voelen en herinneren. In het crematorium sta ik vaak tussen een hoop kisten met een grote sticker erop: ‘Biohazard!’ Vanuit praktisch opzicht begrijp ik dat, maar moeten we dat écht doen? ‘Gevaarlijk biologisch afval’: dat is niet hoe ík iemand die net gestorven is wil noemen.»

HUMO De gesprekken met de familie horen jullie vervolgens op kantoor te voeren, en liever nog online.

VERHAERT «Er zijn collega’s die dat effectief doen, met de nabestaanden praten via Skype. (Schudt het hoofd) Ik kan me dat echt niet voorstellen.
»In het begin volgden we de maatregelen strikt op en vroegen we de mensen dus om naar ons rouwcentrum te komen. Dat heeft maar standgehouden tot het eerste thuisoverlijden. Toen moesten we dus het lichaam gaan ophalen en vervolgens zeggen: ‘Kom maar naar ons kantoor om daar alles te regelen.’ Volkomen absurd. Dus ja, wij gaan nog naar de mensen thuis. Maar we houden afstand, we nemen alcoholgel mee, we zorgen ervoor dat balpennen en foto’s niet van hand tot hand gaan. Opnieuw: heel logisch allemaal, maar het kost veel energie – energie die ik liever in de familie zou steken.»

HUMO Kan er nog een laatste groet gebracht worden aan een coronadode?

VERHAERT «Dat laten we over aan het ziekenhuis, want we hebben hier in ons rouwcentrum simpelweg de middelen niet om het protocol te volgen. Iedereen moet een beschermingspak aantrekken, en handschoenen en een mondmasker dragen. Het groeten hoort snel te gebeuren en vanop anderhalve meter afstand. Dat heeft niets meer te maken met hoe ik zo’n laatste groet zie: als nog één keer dichtbij komen. In een marsmannetjespak een geliefde dag zeggen: dat gaat niet, hè. Zeker als je dan ook nog eens te horen krijgt dat je je tranen maar moet laten lopen, ‘want je mag absoluut niet aan je gezicht komen’.

»Mensen die niet aan corona gestorven zijn, kunnen we wel nog steeds opbaren in het rouwcentrum. Maar ook dat is niet evident. Onlangs belde een man me huilend op: hij was besmet met corona, en dus kon hij zijn gestorven schoonvader niet komen groeten. Ik heb hem meteen geantwoord dat dat wél kon. We spraken een moment af waarop we zelf even niet aanwezig waren, lieten de deur openstaan en vroegen de man om niets aan te raken. En voilà: zo kon hij toch nog die laatste groet brengen.»

HUMO Misschien wel de droevigst stemmende maatregel: er werden aanvankelijk maar vijftien mensen toegelaten op een afscheidsplechtigheid – intussen zijn het er dertig.

VERHAERT «’We kunnen het afscheid beter in de Brico organiseren,’ zei een vrouw van wie de moeder gestorven was aan corona. ‘Want daar mag je met vijftig mensen komen binnenlopen.’ Je krijgt het niet uitgelegd aan mensen: in de IKEA ben je welkom, voor de Action staan lange rijen, in de kledingboetieks mag je vrolijk een nieuwe outfit kiezen. Maar in een gigantische kathedraal moet je met vijftien mensen afscheid nemen van iemand die gestorven is. Ik had een uitvaart in de Sint-Lambertuskerk in Ekeren: daar kunnen bijna vijfhonderd mensen binnen. Er zaten er zeven – want omdat de nabestaanden geen onmogelijke keuzes wilden maken, hadden ze alleen de allerdichtste familie uitgenodigd. Het was even onthutsend als surrealistisch: de dochter van de overleden vrouw las een tekst voor waar ze dagenlang op gezwoegd had – haar hele ziel zat erin, uit elk woord stroomde ontroering – in een galmende, lege kerk. Dat heb je met algemene regels: ze zijn nodig, maar ze leiden ook tot absurde toestanden.

»Het is telkens weer zo’n moeilijke, pijnlijke vraag: wie mag komen, en wie niet? En ik ben er niet van overtuigd dat het makkelijker wordt nu er dertig mensen toegelaten worden. In zekere zin is dat moeilijker dan vijftien, want dat komt in de praktijk meestal neer op de kinderen en de kleinkinderen. Bij dertig moet je kiezen uit de kring daarrond. Het was beter geweest om gewoon de graad van verwantschap te definiëren, in plaats van er een concreet getal op te plakken. Bijvoorbeeld: alleen de kinderen en de kleinkinderen, en – als die er zijn – de partner en de ouders.

»We raden aan om op de rouwbrief het tijdstip van het afscheid te vermelden. Zo kunnen mensen er tenminste toch in gedachten bij zijn. Soms staat er zelfs expliciet de vraag bij om op dat moment een kaarsje te branden, of op een andere manier de overledene te herdenken. Bij de kist of de urne leggen we ook altijd bloemen die de mensen symboliseren die er niet bij mogen zijn.»

HUMO Wat als er toch meer mensen dan toegelaten naar een afscheidsplechtigheid komen?

VERHAERT «Goh, hoe zal ik hierop antwoorden zonder mezelf in de nesten te werken? Laat ik het zo zeggen: wat doe ik als nonkel Luc ook absoluut binnen wil, terwijl dat niet de bedoeling is? De politie bellen? Nee, hè.»

HUMO Kan zo’n kleine kring ook een voordeel zijn? Er zijn op een afscheidsplechtigheid ook altijd mensen die uit beleefdheid komen, bij wijze van sociale verplichting, maar het grote verdriet van de nabestaanden niet delen. Of mensen die de overledene helemaal niet konden luchten.

VERHAERT «Inderdaad: het helpt soms dat er mensen níét bij zijn. We kennen in onze samenleving geen sociaal verband waarbinnen er zoveel suddert, sluimert en schuurt als in een familie. Er zijn altijd spanningen, nooit verteerde ruzies en ongemakkelijke relaties. Door de maatregelen is er nu een excuus om die ene tante niet uit te nodigen die al jaren niets meer met de familie te maken wil hebben, of die broer met wie de band volkomen verzuurd was.

»Nog een voordeel: kleiner betekent vaak persoonlijker. Onlangs stierf er iemand uit een grote familie die ik goed ken. In normale omstandigheden zou dat een barokke plechtigheid worden, wist ik, volgens de klassieke regels en met de gekende rituelen, en zonder eigen inbreng. Maar nu, in die kleine kring, was beslist dat iedereen foto’s van de overledene zou meebrengen naar de plechtigheid. En er was afgesproken dat ze die niet op voorhand aan elkaar zouden tonen. Dat leverde een heel spontaan, ontroerend afscheid op, ver weg van het klassieke protocol.»

HUMO ‘Gij zult anderhalve meter afstand houden’ geldt ook in de kerk of de aula.

VERHAERT «In het begin was ik daar ook heel strikt in. Altijd waken over die anderhalve meter, géén contact. Mensen waren daar soms zelfs té flink in. Dan kwam een gezin samen in de auto aan, en ging iedereen vervolgens netjes op anderhalve meter van elkaar zitten (lacht).

»De rauwe wreedheid van dat centimeters tellen zit voor mij vervat in één beeld: dat van een tachtiger die onlangs zijn vrouw moest begraven. In de kerk zat hij helemaal alleen – links en rechts van hem waren drie stoelen leeg gelaten. Dan wordt verdriet iets héél eenzaams, hè. Op het kerkhof zag ik hem moeizaam zijn rollator voortduwen, de familie op anderhalve meter achter hem. Plots stopte hij: het lúkte niet meer. Hij kon alleen nog hartstochtelijk huilen, maar niemand durfde te bewegen. Op zo’n moment wil ik een mens zijn, niet een robot die een paragraafje uit een protocol keurig volgt. En dus heb ik die man bij de arm gepakt. (Schudt het hoofd) Je kúnt al die regels niet consequent handhaven. Het is onmenselijk: je vraagt te veel van mensen met verdriet. Afstandelijkheid druist fundamenteel in tegen hoe ik een afscheid zie.»

HUMO Ook de koffietafel is nu verboden. Dat lijkt een detail, maar ik vind het telkens weer de enig denkbare manier om van stilstaan naar weer voortgaan te kunnen.

VERHAERT «Ik ben blij dat je dat opmerkt. Nu komen we op de begraafplaats, houden we daar nog een kleine ceremonie, en dan is het gedaan. Hop, iedereen naar huis! De auto in, alleen met je verdriet! Dat is hartverscheurend.

»Het is zo’n cruciaal ritueel, die koffietafel. Ik hou van het moment waarop de sfeer kantelt: de tranen zijn gedroogd, de stropdassen worden wat losser geknoopt, aan elke tafel hoor je het geroezemoes van de grote familieverhalen die verteld worden. Een koffietafel verzacht de dingen. Dat is nu bruutweg geschrapt.»

DE HEILIGE GRAAL

De dood is altijd weer een inbreker die met beschimmelde handschoenen een stuk van je geluk komt jatten. Corona heeft het allemaal nog zwaarder en zwarter gemaakt, ziet Verhaert.

VERHAERT «Het zijn onbehaaglijke tijden. Je mag niet onderschatten hoe bang mensen zijn. Angst regeert: angst voor het virus, angst voor een boete, angst voor een ontslag. Angst voor een toekomst die even geleden nog zo vanzelfsprekend leek. Als je dan ook nog eens met verlies geconfronteerd wordt, is dat van een haast ondraaglijke zwaarte.

»Voor de plechtigheid vraag ik nu altijd of iedereen comfortabel zit. Of er niemand is die zich op z’n ongemak voelt omdat er iemand te dichtbij zit. En daarna zeg ik dat ik het de rest van de dag niet meer over het c-woord zal hebben. Telkens weer zie ik dan een dankbare glimlach bij iedereen. Want zo’n virus is er te veel aan op een afscheid. Je wilt je verdriet, en alleen je verdriet.»

HUMO Door de quarantainemaatregelen hebben de nabestaanden de overledene vaak al lang niet meer gezien. En hebben ze dus ook geen afscheid kunnen nemen.

VERHAERT «Onlangs stierf een vrouw van wie de man ook besmet was met corona. Ze lagen beiden in het ziekenhuis, en mochten hun kinderen dus niet zien. Toen de mama stierf, mocht de papa geen laatste groet brengen, omdat een coronapatiënt niet in een andere afdeling van het ziekenhuis mag komen. Dat levert littekens op, hè. De doden zijn niet de enige slachtoffers van corona: ook van de achterblijvers wordt een stukje leven verwoest.

»Wie iemand verliest aan corona, krijgt te kampen met iets dat neigt naar het posttraumatisch stresssyndroom. Dat meen ik: die mensen maken iets mee dat én keihard én volkomen onverwacht én ontzettend bevreemdend is. En dan moet je hun een uitvaart aanbieden waarbij ze hun verdriet nauwelijks mogen ventileren, en al helemaal niet kunnen delen. Terwijl er maar één manier is om een trauma van je af te schoppen: erover vertellen – tientallen keren, honderden keren – en elkaar vastpakken. Dat kan nu allemaal niet, en ik verwacht dat de weerslag groot zal zijn.

»Om die reden leg ik de nadruk vooral op wat wél nog kan. Ik probeer mensen uit te leggen dat aan hun eigen grote verdriet, aan hun eigen verwerkingsproces, niet zo gek veel verandert. Een lege of een gevulde kerk: voor de eerste drie rijen maakt dat eigenlijk niet uit. Want pijn is pijn als je moeder sterft. Daarom blijft het belangrijk om van die plechtigheid iets moois te maken.»

HUMO Mensen kiezen er soms voor om het afscheid uit te stellen.

VERHAERT «Vooral in het begin van de crisis, toen we allemaal nog dachten dat het iets van een paar weken zou zijn, gebeurde dat. We hebben nog een aantal urnen bij ons staan van mensen die in de eerste week van de lockdown gestorven zijn. Ik vrees dat van uitstel afstel komt: ik denk niet dat je na pakweg een halfjaar nog de behoefte voelt om zo’n plechtigheid te organiseren.»

HUMO Je praat heel bevlogen over je vak. Is elke begrafenisondernemer zo betrokken bij het verdriet van z’n – opgepast: cynische term in aantocht – klanten?

VERHAERT «Helaas niet. Corona wordt soms zelfs misbruikt om te zeggen dat niets nog mogelijk is. ‘De maatregelen, meneer.’ En los van het virus zie ik al een poos een kwalijke tendens: grote ketens kopen zowat alle familieondernemingen op, en installeren daar hun koele, zakelijke manier van werken. Het gaat er ook allemaal zo snel: lichaam binnen, lichaam zo snel mogelijk weer buiten. Als zelfstandige begrafenisondernemer kun je daarentegen echt je ziel in je werk steken. Dat is gewoon anders. Een supermarkt is geen speciaalzaak.

»Ik krijg gigantisch veel families over de vloer die die afstandelijkheid niet willen, die een mens willen begraven in plaats van een factuur.»

HUMO Je ziet het ook aan de prioriteiten bij het versoepelen van de lockdown: alles is economie.

VERHAERT «Ja. En er is nog iets wat me stoort: we leven in een overwetenschappelijke maatschappij. Harde feiten zijn de heilige graal. Kennis en controle. Alleen wat bewezen is, is waar, en iets bestaat pas als het een plaats kan krijgen in grafieken en tabellen. Ik voel me daar heel onbehaaglijk bij. Waarom moeten we alles absoluut kunnen meten? Waarom is er geen plaats meer voor wat we niet kunnen verklaren, voor verbeelding en intuïtie? Je merkt het aan de stelligheid waarmee de mogelijkheid van een leven na de dood weggelachen wordt. Ik durf niet zeggen dat er hierna niets meer volgt, hoor. Want ik wéét dat simpelweg niet. Zomaar zeggen dat er niets is, dat vind ik pretentieus.

»Enfin, dat is een voorbeeld, maar het gaat nog veel verder. In zo’n maatschappij van de feiten moet alles clean en comfortabel zijn. Wat groter is dan de wetenschap, wat ons uit evenwicht zou kunnen brengen omdat het niet te vatten is in een wiskundig bewijs, stoppen we weg. De dood is daar het beste voorbeeld van. We negeren die, we doen alsof ze niet bestaat. Vroeger was dat anders: zestig jaar geleden stierven mensen thuis, en schoten familie, buren en vrienden je een week lang te hulp. De dode werd gewassen, er was plaats voor rouw, mensen dronken samen koffie – zo is trouwens de koffietafel ontstaan. De dood was zichtbaar en aanwezig. Letterlijk: iedereen in het dorp zag weleens een dood lichaam. Nu sterven de meeste mensen in een ziekenhuis of een woon-zorgcentrum. En hoe reageren we – vooral dan de mensen van mijn generatie? We maken het einde liever niet mee. We willen de bomma niet zien in haar laatste uren. En we vinden het te confronterend om een laatste groet te brengen.

»Ik heb zelf al vier keer de hand vastgehouden van iemand die stierf: dat is iets móóis. Maar als je je afwendt van verval en vergankelijkheid, als je je terugtrekt in je leven van zakelijkheid, competitie en succes, dan wordt de dood plots iets lelijks. Ik zie vaak een soort van boosheid: mensen zijn gechoqueerd omdat uitgerekend in hún familie iemand doodgaat. Want ze weten niet meer dat dat de natuurlijke gang van zaken is, dat elke familie z’n verliezen telt. De dood is een vergissing geworden, of erger nog: een nederlaag.»

BLOEMEN EN KRANSEN

Zes jaar zit Verhaert intussen in het vak, en hij praat erover met een kristallen enthousiasme. Bijzonder is dat, want ‘Later wil ik begrafenisondernemer worden’ treft men eerder zelden aan in poëziealbums van lagereschoolkinderen.

VERHAERT «Het is een roeping. Een late roeping, weliswaar: mijn ogen zijn opengegaan toen mijn schoonvader stierf. De schoonheid van de stiel van begrafenisondernemer trof me. Ik heb toegepaste psychologie gestudeerd, en ik zocht naar een manier om van betekenis te zijn voor mensen. En plots zag ik het: dat kon ik het best als begrafenisondernemer.

»Een uitvaart is een middel om verlies te verwerken. Geen doel op zich. Dat is niet gewoon een nuance, wel een cruciaal verschil.»

HUMO Leg ’s uit?

VERHAERT «Drie generaties geleden waren begrafenisondernemers timmermannen. Ze maakten een kist en droegen die naar de kerk. Al de rest was voor de pastoor. Zo eenvoudig zat de maatschappij zestig jaar geleden in elkaar. De volgende generatie dacht: we doen er wat bloemekes bij. En de generatie daarna begon oog te hebben voor de kracht van mooie woorden. Zo is alles beginnen te schuiven, maar nog steeds zijn er veel begrafenisondernemers die vinden dat ze gewoon voor een mooie uitvaartplechtigheid moeten zorgen: een geschikte kist, voldoende bloemen en een troostend muziekje. Alleen: dat volstaat niet meer. De seculiere samenleving rekent niet meer op de pastoor, die vroeger het hele menselijke aspect op zich nam – de nabestaanden laten praten, mensen troosten, verdriet omarmen. Nu is daar een leegte. Mensen verliezen iemand en weten niet hoe ze vervolgens voort moeten.

»De afscheidsplechtigheid moet uiteraard onberispelijk zijn, maar voor mij zit de essentie van mijn werk in de week die daaraan voorafgaat. In die dagen moet iedereen het gevoel hebben dat hij of zij op een persoonlijke manier kan bijdragen aan een mooi afscheid. Dat staat haaks op hoe het in dit vak lang ging, en soms nog gaat. ‘Oei, er is iemand gestorven? Wij zullen het allemaal wel regelen.’ Daar help je mensen niet mee. Je moet ze vragen wat ze willen, wat ze zelf kunnen doen, waar de gevoeligheden liggen. En wat er nog allemaal gezegd moet worden. Want het gebeurt zo vaak dat mensen vinden dat hun relatie met de overledene niet klaar was. Dat er nog een gesprek had moeten zijn, dat er dingen niet uitgeklaard werden, dat de grote verzoening er niet gekomen was. Hol je daar als begrafenisondernemer gewoon overheen, dan zal de plechtigheid geen groot louterend effect hebben op die mensen. Dan laat je ze achter met spijt of rancune.»

DE KOLIBRIE

Ik vertel Verhaert over de mooiste mensen die ik ken. Hilda en Jozef, Rosa en Frans, mijn grootouders, gestorven vóór corona, die ik zo erg mis. Van die vier begrafenisplechtigheden herinner ik me telkens het einde: het schuifelen over de koude plavuizen in de kerk, dan weer de deur naar de wereld door. En het warme zonlicht dat buiten zonder waarschuwen op me regende, en riep dat alles voortaan anders zou zijn, en toch hetzelfde.

VERHAERT (knikt) «Heel herkenbaar. Een mooie uitvaart is een cadeau: we komen als andere mensen terug van een begrafenis. Het is de beste cursus mindfulness die er bestaat. Zelf heb ik ook al ervaren hoe ingrijpend het kan zijn: mijn vader en ik werden veel fysieker met elkaar na de dood van mijn grootouders. Op de begrafenis hebben we elkaar eens goed vastgepakt, terwijl we voorheen elkaar nooit meer dan een hand gaven.

»(Denkt na) Ik kom mezelf heel erg tegen in deze periode. Ik besef nu hoe hard ik dat nodig heb, iets betekenen voor mensen die net de grond onder hun voeten voelden openscheuren.»

HUMO Dat begrijp ik. Maar de consequentie is wel dat je voortdurend omgeven bent door de dood.

VERHAERT «Eerlijk: ik heb nauwelijks behoefte aan iets anders. Het vervult me helemaal. Dit is één van de enige sectoren waarin je de naakte mens te zien krijgt. Je wordt binnengelaten in families, in mensenlevens, en niemand doet zich anders voor dan hij is.»

HUMO Betekent die passie dat je heel gevoelig bent? Of net het omgekeerde: dat je een vaccin tegen verdriet hebt?

VERHAERT «Het eerste: als je het goed wilt doen, móét je gevoelig zijn. De helft van de tijd sta ik mijn tranen te verbijten. Het gaat over inleving. Over dingen – in weerwil van het cliché – wél mee naar huis nemen. Als je na de uitvaart van een kind niet huilend in je auto zit, moet je iets anders gaan doen. In heel drukke periodes gebeurt het soms dat ik het allemaal niet meer zo intens voel. Zodra ik dat merk, ga ik een eindje wandelen. Een afgestompte begrafenisondernemer is een slechte begrafenisondernemer.

»Ken je dat Japanse verhaal van de kolibrie? Een groot bos staat in brand, en alle dieren staan aan de rand te kijken naar het vuur dat hun huis vernietigt. De kolibrie vliegt naar een nabijgelegen beekje, pikt daar een druppel water op, en laat die los boven het bos. En dat herhaalt hij de hele tijd. De andere dieren vragen wat hij in hemelsnaam aan het doen is. En de kolibrie antwoordt: ‘Ik doe wat ik kan.’ Dat is wat wij doen: wat we kunnen.»

https://www.humo.be/meningen/waarom-moet-de-hele-economie-stilgelegd-worden-als-de-ouderen-spijtig-genoeg-toch-het-slachtoffer-van-corona-worden~b84926c8/?utm_medium=Social&utm_source=Facebook&fbclid=IwAR2MTdOUlDPzpkIZ8ShcpTaTwnGGSwudW2DbLk7ek3PpZLAmNh279R–ae8#Echobox=1590428145

https://www.humo.be/meningen/de-psychiatrische-patient-wordt-opnieuw-de-dupe-van-een-maatschappelijke-crisis~b1ba37e8/?utm_source=messagent&utm_medium=email&utm_campaign=Humo%20Vandaag-2020-05-25-1721&utm_content=artikel&ctm_ctid=a57e40ae9feefc6f3d4cf29b9a49158e

 

BOEK: Rust voor je brein

‘Elk halfuur door het raam turen, voorkomt stress en burn-outs’

Rust voor je brein. Wie wil dat nu niet in deze tijden? Stresscoach Luc Swinnen zag het coronavirus op tijd aankomen en mikte zijn gelijknamige boek perfect getimed in de winkelrekken. Met Swinnens tips en tricks fietst u gezwind door deze angstige of slapeloze periode.

HUMO: Katrien Depecker – 18.05.2020

Swinnen, van opleiding geneesheer, buigt zich al twee decennia over de impact van emoties op het functioneren van de mens, en coacht hem rustig een weg uit burn-out en stress.

LUC SWINNEN «Vroeger nam de wetenschap aan dat alles in ons brein een vaste plaats had, maar dat klopt niet: alle gebieden zijn op de één of andere manier met elkaar verbonden. Als je brein zijn netwerken moeizaam synchroniseert, raak je in de problemen: dan slaap je slecht, ben je slechtgehumeurd en nauwelijks nog creatief. Dan loert een burn-out om de hoek.»

HUMO Uw boek is een betoog voor de opwaardering van ons offlinebrein.

SWINNEN «Zo noem ik dat: de geleerde term is default mode network, het rustnetwerk van je brein. Dat deel wordt pas erg actief als we niets doen. Het aandachtsnetwerk of central executive network – zeg maar het onlinenetwerk – is actief als we taken uitvoeren, piekeren, slapen en deelnemen aan de ratrace: dan valt het offlinebrein stil. Het is een of-ofverhaal: als het ene netwerk actief is, valt het andere uit. Om het offlinenetwerk in gang te zetten, moet je bijvoorbeeld mijmeren. Ik heb dat mezelf aangeleerd: elk halfuur kijk ik eens twee minuten door het raam of naar het aquarium. Daar word je op den duur creatiever, empathischer, veerkrachtiger en rustiger van. De laatste decennia werd dat netwerk verwaarloosd. Alles staat in functie van werken en bezig zijn, met de burn-outepidemie tot gevolg.»

MODERN FOLTERTUIG

HUMO We moeten ons meer vervelen?

SWINNEN «Ja, want dan is het offlinenetwerk aan zet en word je creatiever. Denk maar aan hoe J.K. Rowling Harry Potter bedacht: op een trein van Manchester naar Londen terwijl ze naar het voorbijglijdende landschap keek, in plaats van te telefoneren of op haar laptop te werken. Of aan Archimedes, die in bad zijn eurekamoment beleefde en de wet van het soortelijk gewicht bedacht.

»Wie mijmert, kan ook empathischer zijn. Toen we ‘in ons kot’ moesten blijven, hoorde je overal: ‘Zorg voor jezelf en voor anderen’ – je onlinebrein redeneert: ieder voor zich. Mensen gingen pluchen beertjes voor hun raam zetten, zodat kinderen op ‘berenjacht’ konden gaan: je komt vaker op dat soort ideeën als je hoofd niet vol to-dolijstjes zit. Tenminste, als je niet continu op de sociale media zit. Je telefoon is een modern foltertuig: hij houdt je in je onlinebrein.»

HUMO Het smartphonegebruik nam net toe. Eenzaamheid is toch ook niet goed voor het offlinebrein?

SWINNEN «Het is niet omdat je je smartphone gebruikt, dat je niet eenzaam bent. Mensen willen lijfelijk contact, écht contact. Ik denk ook niet dat het telewerken na deze crisis zal toenemen: mensen zullen eerder blij zijn dat ze ervan af zijn.

»In het begin belde ik mijn vrienden vaak op, maar dat nam sterk af. Wat viel er nog te zeggen? Soms verplicht ik mezelf een dagje rond te bellen om te horen of iedereen nog leeft, maar als je een lijstje met namen voor je liggen hebt, wordt ook dat weer een taak.

»Weet je waarom kleurboeken voor volwassenen een tijdje populair waren? Omdat je tijdens het kleuren kunt mijmeren en naar je offlinebrein kunt gaan. Puzzelen of kruiswoordraadsels invullen kan ook, zolang je ze maar niet per se goed wilt oplossen – dan ben je weer gericht op presteren.

»Ook boeken lezen is een goed tijdverdrijf. Momenteel ben ik bezig in de drie joekels van Yuval Noah Harari: tijdens het lezen droom ik dan weg naar hoe het eraan toeging in de oertijd. Ik wil het niet allemaal exact weten.

»Een powernap van twintig minuutjes ’s middags werkt ook zeer goed voor mij. Belangrijk is dat je niet écht in slaap valt, want dan wordt je brein weer actief: het activeert zijn opkuisfunctie. Tijdens de slaap krimpen je hersenen lichtjes, zodat de giftige eiwitten – die zich doorheen de dag hebben opgehoopt wanneer het brein maximaal aan het werk was – worden verwijderd. Door die inkrimping komt dat ‘afval’ makkelijker via het bloed bij de lever terecht, waar het wordt verbrand. Tijdens een powernap houd ik een bos sleutels in mijn handen, zodat ik wakker schiet als die op de grond valt.

»Eén van de beste dingen die je kunt doen, is wandelen. Weet je waarom je idealiter 10.000 stappen per dag zet? Omdat je dan nieuwe hersencellen aanmaakt. Het brein is plastisch: nieuwe ervaringen leiden tot nieuwe verbindingen, en oude verbindingen zonder nut worden opgeruimd. Het is niet de bedoeling dat je jezelf een aantal kilometers oplegt. Ga gewoon wandelen zonder verplichting: straatje in, straatje uit, op goed geluk. Dan ben je aan het mijmeren en zit je in je offlinebrein. Als je daarnaast ook nog eens voldoende en regelmatig slaapt – wat belangrijk is voor een optimale opkuisfunctie – en gezond eet, ben je al goed bezig.»

HUMO Wat raadt u de slapelozen aan?

SWINNEN «Een piekerkwartiertje. Mensen piekeren nu eenmaal, en er zíjn nu ook veel redenen toe. Maar als je de hele dag piekert, kun je ’s avonds niet slapen. Het is beter een kwartiertje in te lassen waarin je je afzondert en jezelf verplicht te piekeren over alles waarover te piekeren valt. Daarna mag je niet meer piekeren. Merk je dat je dat toch doet, dan moet je jezelf luidop een halt toeroepen: ‘Stop!’

»Ademhalingsgericht inslapen werkt ook goed. Zelf gebruik ik de 4-7-8-methode: je ademt met gesloten mond 4 seconden rustig in door je neus, houd dan je adem 7 seconden vast, en ademt ten slotte 8 seconden via de mond uit. Je moet je die techniek wel aanleren en tweemaal per dag oefenen, maar nooit meer dan vier keer na elkaar. Met 4-7-8 adem je dubbel zoveel uit als in, waardoor je automatisch tot rust komt – mensen die hyperventileren als ze erg gestresseerd of angstig zijn, doen dat net omdat ze meer in- dan uitademen. Wie in bed ligt en deze methode toepast, valt meteen in slaap. Maar je moet oefenen: ze werkt pas na veertien dagen.

»Ik pas dit ook toe als ik in een saaie vergadering zit waarin iedereen zijn eigen waarheid zit te verkondigen. Niemand merkt dat aan mij, maar ik ben dan doodkalm en hoor bijna niet meer wat er gezegd wordt. Win-winsituatie: zo ben ik creatief met iets anders bezig én van die zeveraars verlost.»

CTRL-ALT-DELETE

HUMO Zelfs wie niet van nature angstig is, ervaart nu meer angst. Met welke klachten bellen uw angstpatiënten zoal?

SWINNEN «Sommigen hebben angst voor de dood: ‘Als ik op intensieve zorgen terechtkom, ben ik er geweest. Zou ik mijn familie al verwittigen? Zal ik al een testament opmaken?’ Ik raad dan altijd aan je alleen bezig te houden met wat je zelf kunt veranderen: de richtlijnen opvolgen – dus niet de rebel uithangen die feestjes geeft. Als je doet wat je kúnt doen, geeft dat je een zekere vorm van autonomie. Als je ondanks alle voorzorgen toch besmet raakt, dan heb je tegenslag. Maar daar hoef je niet over te piekeren, want je kunt daar niets aan veranderen. Schuif dat door naar het piekerkwartier.

»Ik stel ook samen met mijn patiënten een duidelijk dagschema op: om rustig te kunnen leven, moet je gestructureerd leven. Onlangs was er een tijdssocioloog te gast in ‘De afspraak’, iemand die zich bezighoudt met hoe mensen hun tijd indelen. We hebben voor alles een uur: om op te staan, om te gaan slapen, tijd om te werken, tijd om te ontspannen of om met vakantie te gaan. Doorbreek dat eens, en maak er een tijdschema van dat meer gericht is op je gezondheid. Dat valt niet allemaal te regelen, maar je kunt het opstellen in samenspraak met je gezin. Ik wil bijvoorbeeld voor tien uur ’s ochtends geen enkele telefoon meer, zodat ik de tijd heb om te praten met mijn partner. De kinderen zijn de deur uit: met hen plan ik dan wanneer ik ga bellen – zo hoef ik me niet op te jagen als ze niet opnemen.

»Beperk ook het aantal prikkels: in plaats van continu nieuwssites te refreshen en informatieve programma’s te volgen, kies je beter één bron. Ik organiseer mijn leven ook zo dat ik niet de hele dag met mails of telefoons hoef bezig te zijn. Ik zie nu dat ik 22 mails en 82 berichten heb, maar ik weiger ernaar te kijken.»

HUMO Die aantallen zien geeft u geen stress?

SWINNEN «Dat doet mij niks meer. Ja, op maandagmorgen zitten er inderdaad tot 150 mails in mijn inbox, maar als ik me daarmee moet bezighouden, is mijn week voorbij voor ze goed en wel begonnen is. Wat doe ik dus op maandagmorgen? Control-alt-delete van de inbox. Als het dringend is, bellen mensen wel of mailen ze opnieuw. En als ik offline wil gaan, zet ik mijn telefoon op vliegtuigstand. Het geluid van een binnenkomende mail of een bericht activeert je stress-hormoon.

»Ook belangrijk: pauzéér in je pauze. Ik heb een school voor burn-outcoaching, waar elke dag in twee pauzes voorzien is. ’s Morgens zeg ik: ‘Je kunt twee dingen doen: ofwel laten we die pauze bestaan en dan wil ik geen enkele telefoon zien, ofwel schaffen we ze af, want anders ga je toch aan het werk.’ De meesten kiezen voor die pauze en slaan dan een praatje.»

HUMO Ik heb de schaal van Holmes en Rahe uit je boek, die de hoeveelheid stress berekent, eens toegepast op deze coronatijden: gevangenschap; verandering in financiële toestand, in werkuren en werkomstandigheden; een herziening van persoonlijke gewoontes; verandering in vrijetijdsbesteding, in sociale activiteiten en in slaapgewoontes… Alles samen goed voor 213 punten.

SWINNEN «Dan zit je al hoog, hè. Een score van 150 tot 299 geeft een matig risico op ziekte, een score van boven de 300 betekent een ontegensprekelijk risico op ziekte. Na deze periode gaan er heel veel psychische klachten naar boven komen. Wie van nature al angstig is en nu een angstaanval krijgt, contacteert beter meteen een psychiater. Maar de angsten van de doorsneemens zijn aan te pakken met de tips en tricks in het boek – het kon op geen beter moment uitkomen, al was het natuurlijk al geschreven voor de corona-uitbraak.»

Luc Swinnen, ‘Rust voor je brein’, Lannoo

https://stressmanagement.be/luc_swinnen_stress_management-nieuws.asp?taal=nl&rubriekID=JMMMNPGRG4

 

Vlaamse Ouderenraad klaagt leeftijdsdiscriminatie grootouders aan

Vlaamse Ouderenraad klaagt leeftijdsdiscriminatie grootouders aan

Afgelopen weekend maakte de Nationale Veiligheidsraad bekend dat grootouders onder strikte voorwaarden opnieuw op hun kleinkinderen mogen passen. Echter, een grote groep grootouders werd na de hoerastemming meteen weer met de voeten op de grond geplaatst. Alle oma’s en opa’s die ouder zijn dan 65 jaar worden uitgesloten van deze versoepeling, ongeacht hun reële gezondheidstoestand. De Vlaamse Ouderenraad klaagt het discriminerende karakter van de maatregel aan, en waarschuwt voor het mogelijke precedent.

Hoewel de Vlaamse Ouderenraad zich verheugt voor alle jonge grootouders die weldra terug de zorg voor hun kleinkinderen kunnen opnemen, is de ingevoerde leeftijdsgrens onacceptabel voor de organisatie.

In strijd met de antidiscriminatiewet

Wie kwetsbaar is, moeten we beschermen. Ook de Vlaamse Ouderenraad is daarvan overtuigd. Alleen moeten de maatregelen daartoe voldoende onderbouwd zijn, en de toets van de discriminatiewetgeving kunnen doorstaan. Volgens die wetgeving moet zo’n maatregel niet alleen een legitiem doel hebben, maar ook ‘passend’ en ‘noodzakelijk’ zijn. En daarin gaat de maatregel te ver.

Er is immers onvoldoende aangetoond dat een grootouder van 65 jaar significant meer risico loopt dan een grootouder van 64 jaar. Een grote groep grootouders van 65 jaar en ouder wordt daardoor disproportioneel benadeeld. Dit terwijl hetzelfde doel ook bereikt kan worden met richtlijnen die meer toegespitst zijn op ouderen met onderliggende gezondheidsproblemen. Voor de Vlaamse Ouderenraad komt de richtlijn dan ook duidelijk neer op leeftijdsdiscriminatie.

De raad staat niet alleen in deze overtuiging. De organisatie beroept zich onder meer op een recent advies van Unia, het interfederaal gelijkekansencentrum. Daarin onderschrijft Unia het belang van veiligheidsmaatregelen tegen de gezondheidsrisico’s, maar ziet het een leeftijdsgrens niet als een passende maatregel.

“Een grens op 65+ zetten, streeft zijn doel voorbij en is bijgevolg strijdig met het Decreet houdende een kader voor het Vlaams gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid van 10 juli 2008.”
Unia, interfederaal gelijkekansencentrum

Leeftijdsdiscriminatie als algemene norm

De Vlaamse Ouderenraad vreest dat deze stigmatiserende richtlijn aanleiding kan geven tot een ruimere versoepelingsstrategie waarbij 65-plussers systematisch uitgesloten worden. In andere landen gingen al stemmen op die daarvoor pleiten. “Als men dit verder doorvoert, zou dit betekenen dat tal van mensen de komende maanden op verschillende vlakken in hun leven worden uitgesloten, louter op basis van hun geboortejaar” stelt Nils Vandenweghe, directeur van de Vlaamse Ouderenraad.
Bovendien riskeren we hiermee leeftijdsdiscriminatie te normaliseren in onze samenleving. Welk signaal geeft dit bijvoorbeeld aan werkgevers die 60-plussers in dienst hebben? Waarom zou je nog iemand laten doorwerken na zijn 65e, als die schijnbaar zo kwetsbaar is?

“Jaren aan sensibilisering rond leeftijdsdiscriminatie en werk rond genuanceerde beeldvorming over ouder worden, worden daarmee ongedaan gemaakt”, concludeert Vandenweghe, “nota bene door onze eigen beleidsmakers.”

Vertrouw op gezond verstand

De situatie is ook absurd voor alle jonge grootouders die de komende weken 65 jaar worden en in goede gezondheid verkeren.

“Moeten zij zich nu halsoverkop naar hun kleinkinderen haasten, omdat ze na hun verjaardag plots in levensgevaar zijn en niet meer voor de kleinkinderen mogen zorgen?”, vraagt de organisatie zich af. “Dat is toch te gek voor woorden?”
Doorheen de richtlijnen die de Nationale Veiligheidsraad de afgelopen weken communiceerde, wordt beroep gedaan op het gezond verstand van mensen. De Vlaamse Ouderenraad merkt dat ouderen meer dan ooit voorzichtig zijn en maant beleidsmakers aan om ook te vertrouwen op het gezond verstand van 65-plussers. En hen dus niet bij voorbaat al uit te sluiten van enig perspectief.

Mogelijkheid om leeftijdsdiscriminatie te melden
De Vlaamse Ouderenraad wijst er op dat grootouders van 65 jaar en ouder deze leeftijdsdiscriminatie kunnen melden bij Unia. Dat kan via het gratis nummer 0800 12 800 of online via de website van Unia.

Het is een tijdbom

‘Het is een tijdbom: zes maanden na de quarantaine zullen véél werknemers door de knieën gaan’

Elke Van Hoof: ‘De crisiscommunicatie van onze regering was over de hele lijn abominabel. Het gevolg: bij een volgende uitbraak zal ze een geloofwaardigheidsprobleem hebben.

Dat we morgen Moederdag kunnen vieren met taartjes, bloemen en een écht bezoek aan onze mama’s, hebben we mede te danken aan het advies van klinisch psychologe Elke Van Hoof. Samen met haar werkgroep waakt ze over het mentale welzijn van de bevolking. De impact van de lockdown is te lang verwaarloosd, waarschuwt ze, en dat zal zich nog lang laten voelen. ‘Wie op een ziekenhuisgang afscheid heeft moeten nemen van een dierbare, komt dat misschien nooit meer te boven.’

HUMO – Annemie Bulté – 09.05.2020

‘Er moest íéts gebeuren,’ zegt Elke Van Hoof, die met haar werkgroep ‘Geestelijke gezondheidszorg’ al wekenlang advies verleent aan de expertengroep van Erika Vlieghe, die de exitstrategie voor ons land uitstippelt. Daarnaast is ze ook voorzitter van de werkgroep bij de Hoge Gezondheidsraad die de psychosociale impact van de coronacrisis onderzoekt. En die impact is zwaar, zegt ze.

ELKE VAN HOOF «De cijfers over angst, depressie en vereenzaming bij de bevolking zijn verontrustend. Uit de onderzoeken van de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Hasselt zie je dat bijna 40 procent van de bevolking last heeft van stress, slapeloosheid, emotionele uitputting, prikkelbaarheid en negatieve stemmingen. Mensen verliezen hun motivatie om de maatregelen op te volgen. Ze missen het contact met hun familie en vrienden. Er was een opsteker nodig. Moederdag is dan een mooi, symbolisch moment.»

HUMO Het optimisme van de eerste weken, toen er nog berenjachten, voorleesacties en concerten voor de woon-zorgcentra werden georganiseerd, is uitgedoofd.

VAN HOOF «Zo gaat het altijd in noodsituaties. Eerst heb je de wittebroodsweken. Iedereen denkt: we zitten allemaal in hetzelfde schuitje, we komen hier samen doorheen. Overal zag je goedbedoelde acties, maar de meeste initiatieven zijn intussen gestopt. Zoiets hou je maar een paar weken vol. Mensen raken gedesillusioneerd. Sommigen worden cynisch en opstandig.

We kijken veel kritischer naar de overheid, die we in het begin nog wilden steunen. »De zorg­ en welzijnssector draait wél nog steeds op adre naline, maar dat kan ook niet blijven duren. En er komt ook een moment dat de begrafenis ondernemers gaan beseffen dat ze geen waardering zullen krijgen voor hun zware werk in extreme omstandigheden. Dan zal ook daar het moreel zakken.»

HUMO Zal die kleine versoepeling rond het sociaal contact een groot verschil maken?

VAN HOOF «Ja. Angsten en depressies zullen misschien niet direct verdwijnen, maar mensen zullen opnieuw positieve emoties ervaren. Dat is belangrijk om jezelf opnieuw op te laden, want isolatie vreet energie. Bovendien is het logischer dat je eerst je familie en je vrienden ziet, vóór je terugkeert naar de werkvloer. Mensen begrepen dat niet: ‘Ik mag wel mensen zien op het werk, maar mijn eigen familie mag ik niet bezoeken.’»

HUMO De premier bracht een bitterzoete boodschap: je mag weer op bezoek bij elkaar, maar niet met meer dan vier personen. Heeft ze het goed gedaan, ditmaal?

VAN HOOF «Het was een grote stap vooruit, ja. Premier Wilmès had het over een contract met de burger, ze sprak de mensen aan op hun verantwoordelijkheidsgevoel. Op zich is dat positief, alleen zei ze er niet bij hóé de mensen het precies moesten aanpakken met die nieuwe bezoekregels. Dat zorgde voor verwarring. Ik heb na de persconferentie waanzinnig veel berichten gekregen van mensen die het niet begrepen. ‘Wij zijn een gezin van zes, moet ik dan twee kinderen thuislaten?’ ‘Mogen we met vier verschillende gezinnen bij elkaar op bezoek?’ Ik ben er zeker van dat zondag hele families bij elkaar gaan zitten, met veel meer dan vier bezoekers — met alle risico’s van dien. Maar zo werkt gedrag: als de regels niet duidelijk zijn, kleuren de mensen ze zelf in.

»Wat ze wél hadden moeten doen? Een rollenspel. Tonen hoe het moet. Ze hadden filmpjes kunnen tonen, met scenario’s voor verschillende profielen, van alleenstaanden over eenoudergezinnen tot grote families. Dan waren de krijtlijnen voor elke doelgroep duidelijk geweest. Ik heb straks een videomeeting met Erika Vlieghe, dat is wat ik haar ga vertellen. Maar uiteindelijk zijn wij maar adviseurs. Het is de politiek die beslist.»

LEEUW IN EEN KOOI

HUMO Veel mensen gingen vorige week opnieuw aan de slag, maar iedereen bleef heel voorzichtig. Ook in ons bedrijf bleef zowat iedereen thuiswerken. Verbaast u dat?

VAN HOOF «Nee, de meeste mensen staan niet te springen om de wereld nu opnieuw te gaan verkennen. Kijk naar wat er gebeurt als je een dier vrijlaat in het wild. Dat blijft eerst nog een tijdje in zijn kooi zitten, ook al is de deur open. Het wacht af, en kijkt goed rond of er nergens gevaar dreigt. Daarin zijn wij niet anders: onze hersenen zijn enorm gevoelig voor dreiging.

»Er is zoveel angst gecreeerd om ons in ons kot te krijgen, en die angst verdwijnt niet zomaar als je de deur weer openzet. Je mag niet onderschatten hoeveel mensen al wekenlang niet buitenkomen. Of snel trip­trip­trip naar de winkel en terug. Ook kinderen zijn vaak erg bang, omdat ze telkens weer hebben gehoord hoe gevaarlijk het virus is, en dat je eraan kunt sterven als je naar buiten gaat.

»Onze terughoudendheid zal niet zomaar verdwijnen, en dat ligt ook aan de manier waarop de overheid communiceert. Ze moet mensen bij de hand nemen en hen verleiden om opnieuw buiten te komen. Om zo, stapje voor stapje opnieuw de dagelijkse routine op te nemen. Bij dieren leggen ze voedsel voor de kooi om ze naar buiten te lokken. Maar onze regering zei: ‘Voilà, de deur van de kooi staat open!’ En dat was het dan.»

HUMO Dan zal het deze week nog niet stormlopen in de winkelstraten?

VAN HOOF «Ach nee. We hebben allemaal online geshopt. En opnieuw: mensen zullen een afwachtende houding aannemen. Eigenlijk zou de regering ook hier een rollenspel moeten opzetten: film de eerste mensen die wel al durven te gaan winkelen. Want hoe werkt het allemaal, met die anderhalve meter afstand? Mag je boeken aanraken, kun je kleren passen? Maak filmpjes van rolmodellen die tonen hoe winkelen toch nog leuk kan zijn. Dat is een gemiste kans.»

HUMO Minister De Crem zei: ‘Het wordt geen ‘funshoppen’ maar ‘runshoppen’.

VAN HOOF «De Crem heeft het nog niet goed begrepen hè, hoe dat systeem om mensen te verleiden werkt.»

HUMO Had men de mensen dan mee in die keuzes moeten betrekken, zoals sommige psychologen suggereren?

VAN HOOF «Welnee, want dan wordt het een oeverloze praatbarak en heb je in oktober nóg geen sociaal contact. Uit de gezondheidspsychologie weten we dat mensen die angstig zijn niet graag zelf beslissingen nemen. In zo’n situatie heb je dus een leider nodig met een visie, die uitlegt wat, hoe en waarom.

»In Nederland heeft Mark Rutte het veel beter gedaan, en ook van Canada en Nieuw­Zeeland kunnen we lessen leren. De vrouwelijke premier van Nieuw­Zeeland, Jacinda Ardern, brengt dezelfde boodschap, maar ze geeft iedereen het gevoel dat hij of zij persoonlijk wordt aangesproken. Zonder onbegrijpelijke Powerpoint.

»Gelukkig heeft de regering intussen zelf beseft hoe problematisch die beruchte persconferentie was. Hoe slechter de beleidsmakers communiceren, hoe minder de mensen hun vertrouwen schenken en hoe minder gemotiveerd ze zijn om de maatregelen op te volgen. En dan vallen er onnodige slachtoffers. Kijk naar Limburg: een waar slagveld. Daar wonen natuurlijk veel mensen die al kwetsbaarder waren, omdat ze vroeger in ongezonde omstandigheden in de mijnen hebben gewerkt. Maar ook de cultuur speelt een rol. De eerste boodschappen over social distancing hebben veel Turken niet bereikt, omdat ze op een andere manier communiceren en zich via andere kanalen informeren.

»De crisiscommunicatie van onze regering was over de hele lijn abominabel. Dat zal perverse effecten hebben op de geloofwaardigheid van de regering als er een nieuwe corona­uitbraak komt. De volgende keer zal Maggie De Block met haar geweldige oneliner ‘Blijf in uw kot’ niet meer zo veel impact hebben. ‘Daar zijn ze weer,’ zullen de mensen denken.»

‘Er is zoveel angst gecreëerd om ons ín ons kot te krijgen. Die angst verdwijnt niet zomaar als je de deur van het kooitje weer openzet.

HUMO Waar liep het dan fout?

VAN HOOF «Ik begrijp nog altijd niet waarom ze geen gezondheidspsycholoog hebben opgenomen in de expertenteams die de regering adviseren. Die had de communicatie kunnen bijsturen om de mensen beter te bereiken, en de psychosociale impact van de quarantaine kunnen monitoren. Ik heb Maggie De Block daar van in het begin op aangesproken – ik heb een goeie relatie met haar. Maar ik geef ook alleen maar advies, en de beleidsmaker kiest. Maggie heeft toen gekozen: ‘Ik moet zorgen dat er zo weinig mogelijk doden vallen.’ Daar valt iets voor te zeggen, maar nadien is het psychosociale luik ook niet meer opgepikt. Ze heeft beslist om de videoconsultaties van psychologen terug te betalen, maar meer ook niet. Dat is geen gecoördineerde psychologische zorg. In crisissituaties leer je de werkelijke overtuigingen kennen en voor de regering was het mentale welzijn geen prioriteit. ‘Daar zullen we naar kijken als we eens 5 minuten tijd hebben.’ Ik heb lang geroepen in de woestijn, maar nu beginnen ze eindelijk te luisteren.»

SCHAAMTE EN FRUSTRATIE

HUMO Is het nog op tijd, dat ze luisteren?

VAN HOOF «We gaan een prijs betalen voor al dat getalm, ook op de werkvloer. We zien nu al een stijging van het absenteïsme bij bedrijven in de lockdownlanden. In de tweede week van de lockdown heb ik samengewerkt met een firma die op dat ogenblik al een uitval had van 40 procent bij de werknemers. Mensen die ziek waren, of bang, of die zich thuis moeilijk konden organiseren. Andere bedrijven zeggen me dat ze de productiviteit van hun mensen zien dalen tot 35 à 40 procent. Dat zijn serieuze alarmbellen. Over drie tot zes maanden kunnen we nog een tweede golf verwachten van wat ik ‘coronaburn­outs’ noem. In sommige sectoren zullen 40 tot 70 procent van de werknemers uitvallen door chronische stressklachten. Op lange termijn zal 10 procent van die mensen blijvend arbeidsongeschikt zijn, door depressies, alcoholmisbruik en posttraumatische stress. Tot jaren na de quarantaine.

»Veel mensen steken tijdens de quarantaine een tandje bij om alles te kunnen bolwerken. Als dan de routine terugkeert en het werk zijn normale ritme hervat, zullen ze opnieuw het beste van zichzelf geven om de economie op gang te trappen. Na drie tot zes maanden gaan ze door de knieën, omdat ze uiteindelijk toch de rekening krijgen gepresenteerd. Het is als een vertraagde tijdbom. We zien hetzelfde gebeuren bij reorganisaties van bedrijven: de eerste maanden vallen weinig werknemers uit, hoewel ze enorm onder druk staan. Na zes maanden vallen er plots wél veel mensen uit met een burn­out, omdat ze lang op adrenaline zijn doorgegaan.»

HUMO Een uitval van 40 tot 70 procent van de werknemers is wel erg veel. Waarop baseert u dat?

VAN HOOF «Die 70 procent gaat natuurlijk over het personeel in de zorg­ en welzijnssector. We baseren die cijfers op eerdere ervaringen met quarantaine. Er zijn verschillende studies gedaan naar de impact van isolatie, onder meer na uitbraken van SARS en ebola. Ook bij bedrijven die dicht bij Ground Zero lagen, zag men na de aanslagen van 9/11 het absenteïsme de hoogte in schieten, tot 70 procent. Nu, dat waren telkens studies naar het effect van een lockdown in kleinere gebieden. Dit keer is Ground Zero geen dorp of stad in quarantaine: een derde van de wereldbevolking zit in zijn kot. In China, waar de uitbraak begon, zie je vandaag al dat 50 procent van de bevolking last heeft van een acute stressstoornis.»

HUMO Wat is het verschil tussen een coronaburn-out en een gewone burn-out?

VAN HOOF «Normaal heeft een burn­out alleen met het werk te maken. Je haalt geen voldoening meer uit je job, je kunt je talenten niet inzetten, je hebt een slecht contact met je leidinggevende, en die drie uur per dag in de file is er ook te veel aan. Stilaan raak je mentaal uitgeput, en als dat te lang duurt, word je ziek.

»Een coronaburn­out gaat ook over mentale uitputting, maar dan vooral omdat je emotionele brein te lang onder spanning heeft gestaan; omdat je te veel dreiging, onzekerheid, of traumatiserende ervaringen te verwerken hebt gekregen. In ziekenhuizen en woon­zorgcentra hebben zich vreselijke taferelen afgespeeld. Denk aan een begrafenisondernemer die een kist tot aan het ziekbed van een overledene moet rollen, vervolgens voor de ogen van de andere coronazieken die liggen te vechten voor hun leven de dode in de kist moet leggen, en ze dan weer langs alle andere patiënten naar buiten moet rollen. Dat zijn beelden die je moet verwerken.

»Er is veel schuldgevoel en schaamte bij de mensen in de zorgsector. Ze schamen zich voor de manier waarop ze zorg moeten bieden. In de rusthuizen zorgen ze voorandermans ouders op een manier die ze zelf helemaal niet oké vinden. Dat is traumatiserend, ook al omdat je er zelf geen controle over hebt. Artsen en verpleegkundigen zijn gefrustreerd omdat ze hun patiënten willen helpen, maar niet de juiste beschermingsmiddelen krijgen om dat te doen, of omdat ze bandwerk moeten verrichten. ‘Waar ben ik mee bezig?’ vragen ze zich af. Mensen in de zorg mogen hun kinderen laten opvangen op school, maar voelen zich schuldig wegens de reacties van de scholen in de media: ‘Wij moeten het oplossen voor de rest.’ En ze voelen zich schuldig omdat ze de besmetting van het ziekenhuis mee naar huis kunnen nemen, naar hun gezin.»

HUMO Welke andere sectoren zijn gevoelig voor coronaburn-outs?

VAN HOOF «Je hebt een aantal risicoprofielen, over de beroepsgroepen heen. In de eerste plaats de mensen die zelf ziek zijn geworden, of dierbaren hebben verloren. Uiteraard ook de mensen die vóór de coronacrisis al niet zo goed in hun vel zaten, een psychisch probleem hadden of sociaal kwetsbaar waren.

»Een andere belangrijke groep zijn de mensen die bang zijn voor een besmetting met Covid­19. 80 procent van de burgers bevriest bij het idee dat ze besmet zouden kunnen raken.»

HUMO 80 procent?

VAN HOOF «Kijk om je heen: mensen zijn báng, ook kinderen en jongeren. Dat komt ook door de massale berichtgeving in de media. Je kunt je televisie niet meer aanzetten of het gaat erover. Op het nieuws tonen ze expliciete beelden vanop intensive care, hoe je mensen intubeert bijvoorbeeld. Bij iemand die daar niet mee vertrouwd is, komt dat hard binnen. »

Een andere grote risicogroep zijn de ouders met kinderen jonger dan 16, voor wie het schipperen is om elke dag door te komen. Ik heb zelf twee kinderen, van 10 en 11 jaar, en ik weet hoe moeilijk het is om je werk te combineren met je rol van ouder. En dan zijn er ook de alleenstaanden die vereenzamen. Hoe je op zo’n crisis reageert, hangt af van je aanpassingsvermogen.»

HUMO En hoe hard de economische crisis toeslaat in je gezin.

VAN HOOF «Veel werknemers zijn onzeker of ze hun job zullen kunnen behouden. En met reden, want het wordt een waar economisch slagveld. De regering heeft de tijdelijke werkloosheid in het leven geroepen om de eerste schok op te vangen. Maar we weten uit het rapport van de OESO dat die maatregel tijdens de financiële crisis van 2008 maar 40 procent van de banen heeft kunnen redden. Er wordt nu al over een verlies van 1 miljoen banen gesproken. En in een recessie wordt het risico op zelfdoding groter. Bij de economische crisis van 2008 stegen de suïcidecijfers wereldwijd met 4 tot 5 procent, vooral in ondernemersmiddens. Mensen die hun levenswerk kapot zien gaan; een familiebedrijf dat al tachtig jaar bestaat en onder jouw bewind de dieperik in gaat; de schaamte voor je medewerkers omdat die ook allemaal hun job verliezen… Bij ondernemers ligt dat heel gevoelig. Ik begeleid nu al mensen uit de horeca, waar veel zaken over de kop zullen gaan. »Als je al die dingen naast elkaar legt, is 40 tot 70 procent uitval echt niet overdreven. Ik vind dat er heel licht over de mentale impact wordt gegaan.»

‘Depressie, alcohol, stress… Op lange termijn zal 10 procent van de mensen met burn-out blijvend arbeidsongeschikt blijven. Tot jaren na de quarantaine.

HUMO Hoe kun je zorgen dat je fluks door de quarantaine fietst?

VAN HOOF «Structuur in je dag brengen, gezond eten, bewegen en genoeg slapen. Je ’s morgens aankleden, de keuken op orde houden, water drinken. Het allerbelangrijkste in die structuur is dat je genoeg herstelmomenten inbouwt, dat je dingen doet waar je energie van krijgt: wandelen, schilderen, een boek lezen… Zelf ben ik de saaie zaken waar ik tegenop kijk opzij aan het schuiven, zoals facturen maken of lijsten met publicaties updaten. Onder sommige dingen kun je niet uit, maar probeer de vervelende dingen tot 10 procent van je werktijd te beperken. Doe zoveel mogelijk dingen waar je ogen van gaan blinken, want dat zijn de momenten waarop je lichaam recupereert. Kies voor jezelf, niet op een egoïstische manier, maar vanuit zelfzorg. Ik heb keihard gewerkt, maar aan mijn zelfzorg op vlak van slaap, voeding en beweging raakt niemand. Anders zou ik het gewoon niet volhouden.»

POLITIECONTROLE

HUMO Toch zagen veel psychologen hun aanvragen dalen.

VAN HOOF «Het belangrijkste dat we hebben geleerd, is dat mensen in dit soort crisis tijden niet zelf om hulp vragen. Ze willen zich niet kwetsbaar tonen.»

HUMO Omdat ze vinden dat hun eigen probleem ondergeschikt is aan de wereldwijde pandemie?

VAN HOOF «Ja, maar ook omdat ze vinden dat ze een rots in de branding moeten zijn. Als ouder voor hun kinderen, of als baas voor hun werknemers. Nu veel mensen terugkeren naar de werkvloer, zullen ze ook niet zelf aangeven dat ze het moeilijk hebben, uit angst om op de zwarte lijst te komen wanneer hun bedrijf moet reorganiseren. Die psychosociale hulp mag dus niet afwachtend zijn. Mozes moet niet naar de berg komen, de berg moet naar Mozes komen. Maar dat is dus níét gebeurd. Mijn eigen beroepsvereniging heeft beslist dat we alleen nog online mochten werken. Terwijl dat nérgens zo is beslist.»

HUMO Psychiater Kris Goethals maakte zich vorige week boos op jullie eigen sector: ‘Slimme psychologen zeggen dat er een tsunami aan psychologische problemen aankomt, en vervolgens gooien ze de boel dicht en gaan ze mee in lockdown.’

VAN HOOF «Ik volg hem daar helemaal in. Drie op de vijf lopende therapieën zijn onderbroken, omdat de begeleidende psycholoog of psychiater de deuren sloot. Dat had nooit mogen gebeuren. Ik heb dat niet gedaan: ik vond dat ik mijn patiënten niet zomaar kon loslaten en ben zelf naar mondmaskers en ontsmettingsmiddel op zoek gegaan.»

HUMO Doen ze het in andere landen beter met die psychosociale zorg?

VAN HOOF «In Frankrijk hebben ze na de terreuraanslagen voor een revolutionaire aanpak gekozen. Naast de ziekenhuizen en de medische triage posten zetten ze nog een derde post op, voor de psycho sociale zorg. Sindsdien doen ze het zo bij elke crisis. Ze hebben mobiele ploegen die psychische ondersteuning en traumatherapie bieden. Zo verkleinen ze het risico op langdurige problemen.

»Na de terreuraanslagen in Brussel heb ik als trauma­ expert samen met anderen een psychosociaal rampenplan mogen voorstellen voor crisissen op grote schaal. Daar zat ook zo’n triagesysteem bij voor mensen die nood hebben aan psychologische ondersteuning. Maar het is er nooit van gekomen, terwijl de psychologische schade in deze crisis nog veel grootschaliger is dan bij de aanslag van 22 maart, omdat iederéén geraakt wordt.»

HUMO Een groep die wellicht erg getraumatiseerd zal blijven, zijn de nabestaanden van coronapatiënten die alleen moesten sterven.

VAN HOOF «Al die drama’s zullen voor veel onverwerkte rouw zorgen. Ik heb een verhaal gehoord van mensen die onderweg waren naar hun dierbare op een sterfbed, en te laat kwamen omdat ze tegengehouden werden door de politie; ze waren zo snel vertrokken dat ze hun document van essentiële verplaatsing niet bijhadden. Als iemand op intensive care overlijdt aan Covid­19, wordt die met tube en al in een lijkzak gestoken. Zo’n zak wordt ontsmet en onmiddellijk gecremeerd. Sommige mensen zijn al gecremeerd nog voor de familie in het ziekenhuis is geraakt. Afscheid nemen in het ziekenhuis gebeurt in de gang: de familie moet tegen de muur gaan staan terwijl het bed voorbijrolt. Je mag niets aanraken, alleen oogcontact maken. Dat zijn geen normale afscheidsrituelen, en sommige mensen zullen dat niet te boven komen.»

HUMO Geen enkele politicus piept over dat soort drama’s.

VAN HOOF «Nogmaals, in dit soort crisissen komen de ware overtuigingen naar boven, en de dood, die is onbespreekbaar. Geen enkele politicus wil zich daaraan wagen. Maar net nu er zoveel mensen sterven in extreme omstandigheden, mogen we daar niet over zwijgen. Al die families hebben het gevoel dat ze er helemaal alleen voor staan. We applaudisseren elke avond om acht uur, maar de mensen die iemand verloren hebben, krijgen hoogstens een knikje als ze iemand passeren op straat. Dat mogen we niet laten gebeuren. Die mensen hebben nood aan een gevoel dat ze collectief gesteund worden. Voor de doden die vielen tijdens de aanslagen organiseren we ook een herdenking. Waarom niet elke middag een lied spelen op alle radiozenders, ter ere van de coronadoden en hun familie?»

GRAAG TRAAG

HUMO Er zijn ook mensen die zich in deze quarantaine net beter voelen. In de hulpverlening zeggen sommige patiënten dat ze voor het eerst niet alleen getroffen zijn en zich verbonden voelen met anderen.

VAN HOOF «Waar ze vroeger het gevoel hadden dat de wereld maar doordraaide en dat niemand op hen wachtte, is alles nu vertraagd. Iedereen zit in hetzelfde schuitje, dus is het makkelijker om je wagentje weer aan te haken. Het is een gezamenlijk trauma.»

HUMO Zelf ben ik vorige zomer vier maanden out geweest met rugproblemen. Nu denk ik over de quarantaine: been there, done that.

VAN HOOF «Dat komt omdat je het al eens hebt meegemaakt. Je weet wat het is om ‘gevangen’ te zitten. Je hersenen kennen dit gevoel en dat maakt het voor jou makkelijker om je aan te passen. Maar voor de meerderheid van de mensen is dit de eerste keer.

»Er verschijnen nu overal doemberichten dat we vanaf nu veel vaker in quarantaine zullen moeten gaan, omdat pandemieën vaker zullen voorkomen. Gelukkig kun je mensen daarin trainen, en dan wordt het de volgende keer minder erg.»

HUMO De volgende lockdown zal voor iedereen veel makkelijker zijn?

VAN HOOF «Zeker weten. De burger zal veel beter voorbereid zijn, en de overheid ook. Dit is inderdaad een nieuwe realiteit, maar we hoeven er niet bang voor te zijn. De grootste barrière om ons aan te passen, is de schuld bij anderen leggen. Hoe sneller we ons erbij neerleggen dat dit type virussen in de wereld leeft en ons in de toekomst dus nog zal besmetten, hoe sneller we onze manier van werken en leven kunnen heruitvinden.»

De patiënt centraal

Pyschiater Jim van Os: laten we de patiënt eindelijk weer centraal stellen

Brainwash – Jim van Os

In Brainwash Talks van Human buigen journalisten, schrijvers, wetenschappers, theatermakers en filosofen zich over de grote persoonlijke en maatschappelijke vragen van nu. Deze keer psychiater Jim van Os met de oproep om de patiënt weer centraal te stellen.

Je kent ze wel: de diagnosen uit de DSM-5, de psychiatrische bijbel. Depressie, ADHD en autismespectrum-stoornis. Denk ook aan de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis, disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis, dissociatieve identiteitsstoornis en schizo-affectieve stoornis. 160 psychische diagnosen, samengesteld door psychiaters en psychologen. Mea culpa. Over de jaren zijn er steeds meer diagnosen bij gekomen. Dat was met goede intenties, want we dachten: we hebben steeds meer evidence-based diagnosen en specialistische behandelingen.
Dus we kunnen steeds meer.

Die superspecialisatie heeft een enorm effect gehad op onze geestelijke gezondheidszorg. Want met die specialisatie is onze geestelijke gezondheidszorg als het ware mee gaan verkokeren in die specialisatie. In Nederland is daar nog het idee overheen gekomen van commercialisering in de marktwerking. Dus het idee dat ik geld krijg om u te diagnosticeren. En dat ik meer geld krijg als ik u twee diagnoses geef. Er zijn zelfs een soort diagnostische wervingscampagnes aan de gang. U kent ze wel: die manshoge posters die je ziet in Amsterdam van: ‘Doe de online zelftest, kijk of je verslaafd bent. Behandeling wordt volledig vergoed.’ En de gevolgen daarvan, van dat onheilige huwelijk tussen superspecialisatie en commercialisatie heeft geleid tot een enorme explosie van GGZ.

“In Nederland zitten we met marktwerking in de GGZ. Ik krijg geld om u te diagnosticeren. En meer geld als ik u twee diagnoses geef.”

In de laatste 15 jaar is er een 300 procent toename in GGZ-activiteiten en zijn er in Nederland 10.000 GGZ-aanbieders. Maar het rare is dat hoe meer GGZ-activiteiten we ontwikkelen, hoe groter de vraag wordt en hoe langer de wachtrij. En ook iets raars is de onevenwichtigheid. Dat we zien dat met die uitbreiding van GGZ, de mensen die de ernstigste zorgbehoefte hebben op de een of andere manier niet binnenkomen en op wachtlijsten belanden die soms jaren duren.

Ik werd laatst gebeld door een journalist en die vroeg mij: ‘Wat is nu eigenlijk de analyse? Is het nu zo dat met die uitbreidende GGZ-activiteiten de psychische gezondheid van de Nederlanders steeds beter wordt? Of is het eigenlijk andersom? Dat we met die uitbreidende GGZ-activiteiten steeds ongezonder worden?Wat is uw analyse?’Ik had het antwoord eigenlijk niet klaar. Want we hebben weinig tijd voor de analyse. In Nederland hebben we een andere methode en dat is de methode van het polderen. Dan gaan we de belangen afwegen van al die verschillende partijen die in de GGZ werken. Maar de analyse dááronder, daar komen we niet aan toe. Maar gelukkig wel in ons zuidelijk buurland, in België. Want in België, heel bijzonder, zei de Hoge Gezondheidsraad: ‘Wij willen een commissie samenstellen die zich buigt over de vraag: Hoe zit het nou met die DSM-5 en al die diagnosen en wat is de impact daarvan op de GGZ en op de samenleving?’

De commissie die zij samenstelden waren niet alleen psychiaters en psychologen, maar zij nodigden breed uit: sociologen, filosofen, huisartsen. Maar, heel belangrijk, ook patiënten en hun familieleden. Dus als het ware werd er een analyse gedaan vanuit wetenschappelijke kennis en ervaringskennis. Wat kwam daaruit? Wat betreft die specialistische diagnose was eigenlijk de conclusie dat er weliswaar 160 diagnoses zijn, maar het wetenschappelijk gehalte van die diagnoses heel erg laag is. Al die criteria van die diagnosen passen niet goed op de ervaringen van de mensen. En de diagnosen veranderen de hele tijd, over de tijd. Hulpverleners zijn het vaak niet eens over de diagnose. En het belangrijkste misschien nog wel is dat een bepaalde diagnose helemaal niet voorspelt of er een bepaalde specialistische behandeling moet zijn.

Eigenlijk was de conclusie: Ieder persoon met psychisch lijden is uniek in zijn psychische variatie. Dus als je logisch nadenkt, zou iedereen zijn eigen persoonlijke diagnose moeten hebben. Dat is een veel beter systeem. De patiënten zeiden: ‘Wij willen geen hulpverleners die beginnen met te kijken naar ons door een soort diagnostische bril van: waar moet ik jou zetten, in welk hokje? Wij willen iemand die heeft geleerd om met verwondering te kijken naar elk nieuw mens dat bij hem of haar komt.’

Vervolgens het idee van de specialistische behandelingen. De analyse daarvan is dat er drie partijen zijn, drie elementen. Namelijk, je hebt de behandelaar, je hebt de patiënten je hebt de behandelmethode. En in die behandelmethode hebben we tweehonderd verschillende praattherapieën en we hebben honderd verschillende medicamenten die we kunnen inzetten. De vraag was: ‘Wat is nou het element van die drie die het meeste bijdraagt aan het behandelsucces?’ En verrassend was de analyse; dat is de patiënt. Niet de behandelaar, niet de behandelmethode. Het is de patiënt. En als je iets weet van psychisch lijden, is dat natuurlijk logisch. Want beter worden van psychisch lijden is niet zoals bij de chirurg met een gebroken been. Dat wordt gefixt terwijl jij wacht, bij wijze van spreken. Beter worden bij psychisch lijden is heel actief werken aan moeilijke veranderingen en terug proberen te komen bij zelfregulatie. De behandelaar speelt natuurlijk een belangrijke rol, maar zijn rol is indirect. De rol van de behandelaar is een relatie vormen. Een sterkte, betrokken, waarachtige relatie met de ander. Waarom? Omdat dat de manier is om de ander te inspireren naar hoop, vertrouwen en motivatie, om die moeilijke veranderingen aan te gaan.
Psychisch lijden gaat over een verstoring van het mentale evenwicht .

De behandelaar, als hij al een specialist is, is een specialist in relaties. De relatie is de smeerolie onder de behandelingen. En dan hebben we de behandelmethode. Onze tweehonderd psychotherapieen en onze honderd medicamenten. Wat doen ze? Uit de analyse bleek: je hebt wel een behandelmethode nodig, maar welke behandelmethode dat is, maakt eigenlijk niet zoveel uit. Ze zijn uitwisselbaar. Wat je nodig hebt, is een therapeutisch ritueel met daarin een behandelmethode, waarvan het vooral belangrijk is dat het aansluit bij de voorkeuren en de waarden van de patiënt. Dus je moet het samen doen.

Nou, toen waren we klaar dachten we. Maar toen zeiden patiënten: ‘We zijn het belangrijkste vergeten. Jullie, wetenschappers, die zoveel weten. Wat wij nodig hebben bij het diagnostische proces is vooral een model dat ons uitlegt wat er eigenlijk aan de hand is. Zodat wij het kunnen begrijpen, het mechanisme. En dat we ook kunnen uitleggen aan andere mensen.’

En dat bleek goed mogelijk. Toen we erover na gingen denken, was het eigenlijk heel logisch. Alle psychisch lijden gaat uiteindelijk over een verstoring van het mentale evenwicht. Ons bewustzijn is voortdurend in balans. Maar er zijn ups en downs en het evenwicht moet voortdurend opnieuw ingesteld worden. En het is mogelijk dat je door een ontwrichtende gebeurtenis voorbij een kantelpunt komt waarbij je in niemandsland beland. Een negatieve staat die iets van je wil waar je je tegen verzet en wat je ervaart als psychisch lijden. Maar het is bij iedereen anders. Het kan angst zijn, die je wil verlammen. Of het kunnen intrusies zijn, die je bewustzijn inbreken en die je willen terugnemen naar het trauma. Het kan zuchtigheid zijn, die dwingt het volgende glas alcohol te pakken. Of somberheid die dwingt om alleen maar aan suïcide te kunnen denken. Het ziet er bij iedereen anders uit.

Het onderliggende principe dat je kunt begrijpen en uitleggen aan je omgeving is dat van psychisch uit balans zijn. Nou, ons rapport was klaar. En de conclusie was: alles welbeschouwd is het eigenlijk zo dat die DSM-5 helemaal geen belangrijke plaats hoeft te hebben in de GGZ. Al die 160 diagnosen. Het rapport werd volledig genegeerd. Zoals dat gaat. Maar, ik heb hoop. Want ik denk dat hier een belangrijke les uit te halen is voor ons allemaal. En die les is ten eerste dat het veel beter is om de analyse te doen in plaats van te polderen. En als je dan de analyse doet, denk ik dat je dat niet aan psychiaters en psychologen moet overlaten. Want die zitten natuurlijk in hun eigen bubbel. Je moet aanpalende wetenschappen uitnodigen: sociologen, filosofen, huisartsen. Maar vooral moet je de mensen uitnodigen die ervaringskennis hebben. En hun familieleden. Dan krijg je een veel beter product. Want als je dat doet, kom je eigenlijk tot de conclusie, dat dat hele diagnostische, specialistische behandelmodel ons volledig op het verkeerde been heeft gezet.

Het heeft geleid tot afhankelijkheid, medicalisering, en het speelt de commercialisering van de zorg enorm in de kaart. Er is een veel simpeler model. Dat is dat iedereen in een staat van verstoord psychisch evenwicht kan komen door een ontwrichtende gebeurtenis die je in een negatieve staat doet belanden die je ergens naartoe wil hebben waar jij niet naartoe wilt gaan. En dat dat een persoonlijke diagnose vraagt, en dat de behandeling het aanbieden is van een krachtig, relationistisch, therapeutisch ritueel zodat de persoon het moeilijke, actieve werk kan doen van verandering en zoeken naar zelfregulatie.

Jim van Os

Een andere klok

Psychiater Damiaan Denys: het zou óók moeten gaan over gezondheid op lange termijn

Brainwash – Damiaan Denys – 01.05.2020

Nederland is tot stilstand gekomen. Terwijl we dagelijks updates ontvangen over de capaciteit van de Intensive Care-afdelingen en het aantal zieken en overledenen door het coronavirus, kwam de overige zorg, het recht, onderwijs, de cultuur, economie en het maatschappelijk leven grotendeels stil te liggen. Wat betekent de crisis voor deze sectoren? Wegen de maatregelen om het virus te bestrijden op tegen de sociaal-maatschappelijke kosten? Een gesprek met psychiater en filosoof Damiaan Denys.

Hoe heeft u de crisis zelf beleefd?

‘Ik vond het indrukwekkend om te zien hoe het leven in één klap zo kan veranderen. Ik beschouw mezelf als een redelijk stabiel persoon, maar je merkt nu hoeveel van je bestaan bepaald wordt door de context waarin je leeft, door de samenleving. Hoe je meegenomen wordt in een nieuwe dimensie. Je moet jezelf opnieuw gaan verhouden tot de wereld. Er treedt wat rust op, omdat heel veel afspraken werden geschrapt, maar je ziet ook de paniek en de angst. Bij ons in het ziekenhuis werden we verplicht om onze telefoonnummers af te geven, zodat we opgeroepen konden worden om op de covid-afdeling te komen werken. De zorg voor mijn patiënten verloopt nu via videobellen. Voor sommigen werkt dat goed, is het in elk geval beter dan geen zorg. Anderen moet je echt zien. Deze tijd zorgt ervoor dat heel veel zaken bevraagd worden, waar je anders nauwelijks over na hoeft te denken.’

Samen met Laurens Knoop van The School of Life nam Damiaan Denys het initiatief voor een breed gesprek over de coronacrisis. Met econoom Barbara Baarsma, jurist en raadsheer bij de Hoge Raad Ybo Buruma, landbouw- en voedseldeskundige Louise Fresco, rector magnificus van de Universiteit Maastricht Rianne Letschert en acteur Gijs Scholten van Aschat. De discussie, een Brainwash Special onder leiding van presentator Coen Verbraak wordt aanstaande zondag uitgezonden door Human op NPO 2.

Vanwaar het initiatief tot dit gesprek?

‘Er is plotseling en onverwacht een virus in ons leven gekomen. Dat, en met name de maatregelen die daartegen werden genomen, hebben de samenleving veranderd. Die hebben heel concreet tot een andere levenswijze geleid: van de ene op de andere dag kunnen we niet meer werken, niet meer naar school gaan, niet meer sporten, niet meer samenzijn. De impact van die maatregelen is immens, op het individuele leven, op de samenleving, op ons bestaan. Het is frappant dat daar nauwelijks gesprek over mogelijk was, de afgelopen weken. De domeinen waarbinnen dat leven zich afspeelt en waarbinnen wij ons bevinden, zijn maar mondjesmaat aan bod gekomen. En het lijkt heel lastig om de discussie wél te voeren, omdat je dan heel snel verwijten krijgt, dat het wel om de gezondheid van anderen gaat. Het gesprek is er niet, omdat alle aandacht moet gaan naar het overleven van de slachtoffers van het virus.’

Controle is onze obsessie geworden, heeft u eerder gezegd.

‘Ik zeg het maar heel hard: mijn idee is dat onze huidige omgang met het virus onredelijk is. Dat de aanpak gestoeld is op de angst om controle te verliezen, nu we geconfronteerd worden met een werkelijkheid die we niet kunnen controleren. Het virus is een onbekend ding, en er zijn niet meer zoveel onbekende dingen. Bijna alles in onze wereld is geëxploreerd, verklaard en begrepen. De confrontatie met het onbekende maakt ons bang en het is die angst die ons nu aanzet om te handelen, op macro- en op microniveau. Je ziet dat mensen rare dingen gaan doen. Ze gaan hamsteren en toiletpapier kopen. Dat is volstrekt onredelijk, maar mensen doen het om in elk geval weer het gevoel van controle over de werkelijkheid terug te krijgen.’

‘De vraag is of je dat niet ook op een macroniveau ziet. Kijk naar de discussie over scholen, of die open moesten blijven of dicht moesten gaan, aan het begin van de crisis. Je kunt je afvragen of de afweging die gemaakt is het gevolg is van wetenschappelijke feiten en adequate voorspellingen, of van tegemoet te willen komen aan een bange samenleving. Oorspronkelijk leek het advies van deskundigen dat scholen open mochten blijven omdat jongeren niet echt vatbaar zijn voor het virus, maar onder druk van een bange samenleving is besloten de scholen toch te sluiten. Als je heel nuchter naar dat virus kijkt, dan blijkt dat het voor een groot deel van de bevolking een ernstige griep is. Tot veertig of vijftig jaar zijn er weinig slachtoffers. Er zijn slachtoffers, ook met langdurige schade, maar het blijft binnen de perken. Ik heb het idee dat we zo geobsedeerd zijn door het virus dat de maatregelen niet meer in proportie zijn met gevaar.’

Welke gevolgen heeft dat voor het maatschappelijk leven?

‘Het interessante is dat we op de millimeter nauwkeurig weten hoe het met de coronazorg gesteld is. Elke dag horen we hoeveel mensen er zijn opgenomen, hoeveel er op de intensive cares liggen, hoeveel mensen er gestorven zijn. Al wekenlang zien we dagelijks die cijfers. De andere kant van de balans, de maatschappelijke kosten, die wordt niet voor het voetlicht gebracht. Heldere cijfers daarover heb ik nog niet op het nieuws gezien. En je zou de balans moeten opmaken: links de coronadoden, rechts de impact van het stilzetten van de samenleving. Zoveel werklozen zijn er, zoveel faillissementen, zoveel mensen met kanker die niet behandeld kunnen worden, zoveel mensen die onderwijs volgen en achterblijven. Dat totaalplaatje ontbreekt.’

Is het voor u een kostenbaten-analyse, of ook juist een morele discussie?

‘Het is allebei. Ik vind het jammer dat men heel snel gezondheid afweegt tegen economie. Want economie is onderdeel van gezondheid. Als mensen werkloos raken en er zijn faillissementen, dan krijg je ook een toename in mensen die kampen met mentale en lichamelijke klachten. Mensen worden depressief, angstiger, sommige gaan meer drinken, gebruiken meer drugs, blijven meer thuis. De indirecte effecten van economisch verlies en armoede zijn heel groot. Het gaat niet om geld tegenover gezondheid, maar om gezondheid op korte termijn en gezondheid op lange termijn. En het ontbreekt aan een langetermijnvisie waarin dat afgewogen wordt.’

“Het zou moeten gaan om gezondheid op korte termijn tegenover gezondheid op lange termijn. Het ontbreekt aan een langetermijnvisie waarin dat afgewogen wordt.”

Welke kosten kunnen we verwachten op de lange termijn?

‘Dat is moeilijk te overzien voor mij als individu, maar als je kijkt naar de voorspellingen, dan zijn die redelijk somber. De beurswaarde die met 30 procent afneemt, honderden miljoenen banen die wereldwijd zullen verdwijnen, hele productieketens die stil dreigen te vallen, de enorme impact die het heeft op de entertainmentindustrie, onderwijs dat schade zal ondervinden, wetenschappelijk onderzoek dat niet meer uitgevoerd kan worden.’

En de rekening komt bij toekomstige generaties te liggen?

‘Die komt sowieso bij toekomstige generaties te liggen. Het is natuurlijk lastig te voorspellen hoe lang de effecten zullen doorlopen. Maar als je ervan uitgaat dat het nog twee jaar zal duren voor er een vaccin is, en je blijft die tijd min of meer op dezelfde voet doorgaan, dan zullen de kosten nog tien, vijftien jaar blijven na-ijlen. Dat betekent dat een jongere generatie nu ervoor op zal moeten draaien. Die zal een langere levensstandaard hebben, minder kwaliteit van leven.’

Wat stelt u tegenover die illusie van controle?

‘Er zijn drie oproepen die ik wil doen. De eerste is een verbreding van het debat van alleen de virologie naar een maatschappelijk debat, waarin je verschillende domeinen belicht. En neem dat ook mee in de maatregelen. Het tweede is, en dat is een ethische oproep: durf op de lange termijn te denken, en durf ook je verlies te nemen. Die discussie is nu bijna onmogelijk, omdat we ervan uitgaan dat iedereen gered moet worden. Durf slachtoffers te maken. Dat klinkt keihard, maar dat komt in een ander daglicht te staan als je helder hebt wat de consequenties zijn als je dat niet doet. Een derde punt is dat als je die brede overweging maakt, dat je dan ook op een veel flexibelere manier een lockdown kunt ontwerpen, op zo’n manier dat de samenleving er ook mee kan omgaan. Want het lijkt erop dat we nu af en toe de rand van de menselijkheid raken. Dat het vanuit medisch oogpunt heel goed is om in lockdown te gaan, maar dat het voor mensen niet meer verdraagzaam is. Omdat het niet meer kan.’

Dus accepteren dat mensen sterven in plaats van de maatschappelijke kosten vooruitschuiven?

‘Ja, dat is een beetje wat ik zeg. Het klinkt heel hard, maar misschien moeten we een aantal mensen laten gaan, om op langere termijn anderen te redden. Die nu onzichtbaar zijn omdat we alleen maar geconfronteerd worden met het aantal coronadoden en de bezettingsgraad van de intensive cares. En omdat het lastig is om een voorstelling te maken van het aantal mensen dat op lange termijn zal overlijden of tekort zal schieten aan de gevolgen van de maatregelen die we nu nemen.’

Brainwash Special: overleven na corona wordt zondag 3 mei om 19:20 uur uitgezonden door Human op NPO 2.


—————————————————————————————————————————————————————————————————————————————-

Mensen lezen over het algemeen alleen maar dingen die hun interesseren en waar ze het in grote lijnen mee eens zijn.

Ja maar, zo leer je niets hé! Wel door af en toe eens een andere klok laten luiden. Want zo kan je kritisch denken en argumenteren…

Net zoals je vijanden, moet je wat je niet weet of bedreigend vindt, het beste leren kennen en onderzoeken, dan ben je beter gewapend tegen alles wat in het leven op je afkomt.

Ik ga in elk geval kijken!

Micheline