Alcoholmisbruik bij jongeren

Happy hour in de zuipzone

De Standaard – 13.11.2018 – Ignaas Devisch

Onlangs bleek dat het alcohol­misbruik bij Leuvense studenten alarmerend fors is toegenomen (DS 31 oktober). Er zijn goeie redenen om te vooronderstellen dat het op andere plaatsen niet anders of misschien zelfs erger is. Neem nu de beruchte Overpoort in Gent, samen met het Glazen Straatje de beroemdste straat uit de Arteveldestad. Helaas staat ze vooral symbool voor geweld, drugs, verloedering en drankmisbruik. Dat is trouwens oud nieuws. Zowat tien jaar geleden verscheen in ­deze krant een alarmerend artikel met als titel ‘Overpoort is een zorgenkind’ (DS 10 oktober 2008). Toen ging het om onveiligheid, drankmisbruik en geweld en heette het dat er dringend een plan van aanpak zou worden opgesteld. We zijn tien jaar verder en nil novi sub sole. De klachten nemen zelfs toe: bendes die van buiten de stad komen om amok te maken, jonge meisjes die worden lastiggevallen.

De rode draad door dit alles? Bovenmatige alcoholconsumptie. Vorige week nog zag ik een, naar schatting, veertienjarige een volle maaginhoud naar buiten werken. Het was toen vijf uur in de namiddag. Dat is helaas geen uitzondering. Mijn observaties zijn anekdotisch, maar dagelijkse fietspassages tussen auditoria leveren aardig wat pijnlijke vaststellingen op. Met stip op nummer één: er wordt niet gedronken, maar gezopen. De vele bars en dansclubs trekken jongeren aan met maar één bedoeling: zo snel mogelijk iedereen het delirium injagen. Niet plezier maar geld is het doel en studenten zijn daartoe het middel. Met structureel drankmisbruik op jonge leeftijd tot gevolg. Dag na dag. Nacht op nacht. En de centen blijven rollen.

Tijdens piekmomenten zet de politie de buurt af met dranghekken, zodat de ergste uitwassen beperkt blijven tot deze moderne versie van The waste land zoals T.S. Eliot het beschreef. Dat zal ongetwijfeld goedbedoeld zijn, maar het heeft een averechts effect. Je creëert een zuipzone met spelregels die ergens anders niet gelden, waardoor je onwillekeurig alcoholmisbruik aanmoedigt. Want daar mag – of moet – het. Ambulances rijden ondertussen op en af om de ergste gevallen af te voeren. De dag erna ontwaken de slachtoffers uit hun alcoholcoma, een beetje zoals de echte Lazarus ooit door Jezus uit de dood zou zijn opgewekt. Tijdens het ochtendkrieken komt ondertussen de dagelijkse schoonmaakploeg langs die de goorste smeerlapperij wegpoetst. Waarna het feest (?) kan herbeginnen. Wie denkt dat ik overdrijf, nodig ik uit tot een vroege ochtendwandeling. Trek gerust stevig schoeisel aan om je door de kotsplassen en het vuilnis te waden.

De vraag is even eenvoudig als afgrondelijk: waarom tolereren we dit? Waarom sluiten we onze ogen voor een goor winstmodel dat jongeren het drankmisbruik induwt? Terwijl we op andere plaatsen affiches uithangen in het kader van preventiecampagnes ­tegen alcoholmisbruik organiseren we daar een collectieve zelfdestructie op de kap van mensen die letterlijk nog aan het groeien zijn. Uiteraard is die straat maar één triest voorbeeld van een breed gedeeld probleem: de aanmoediging van gezuip en de economische exploitatie ervan. We reageren haast panisch als jongeren wat jointjes rollen, twijfelen over hun seksuele identiteit of vaak naar porno kijken. Maar alcohol in sloten naar binnen werken, is blijkbaar geen probleem. Dat is behoorlijk inconsequent.

Natuurlijk mogen studenten feesten. Het liefst zo veel mogelijk zelfs. Student zijn is heerlijk. Zelf heb ik er met volle teugen van genoten en vrienden gemaakt voor het leven. Dus: proef de wereld, ga uit, dans, lach, vrij en zing. En een glas kan daar zeker bij. Laten we daarom vooral niet de fout maken om voortaan iedereen die wat wijn of bier drinkt scheef te bekijken. De moralisering van ons gedrag is al ver genoeg doorgeschoten. Jongeren moeten bovendien de kans krijgen om grenzen af te tasten en zich op het latere leven voor te bereiden. Kortom: lang leve het gefeest, de overdrijving en de gulzigheid. Niets mooiers dan je te verliezen in het leven.

Maar een zuipzone organiseren in een stad die zichzelf zo graag als gezellig omschrijft, heeft weinig tot geen uitstaan met het leven ontdekken. Veel jongeren die naar de Overpoort gaan, zijn al dronken door het gulzige ‘inpilsen’ vooraf. Of ze worden het snel door de vele happy hours die pronken op de ramen van de bars. Vaak verkopen die flessen sterkedrank tegen spotprijzen die vervolgens met hoge snelheid ad fundum naar binnen worden gewerkt. Waarna de nacht nog moet beginnen. Dan moet je kapot.

Bij deze mijn oproep aan de onderhandelaars van een nieuw stadsbestuur: mag het, zodra de posten verdeeld zijn, over dit soort problemen gaan? Er is niets progressiefs aan het laten voortbestaan van deze aberratie. Zoals die ene zin uit The waste land bloklettert: SCHIET ALSJEBLIEFT OP HET IS TIJD.

Ignaas Devisch doceert medische filosofie en ethiek aan de UGent en de Artevelde-hogeschool. Zijn column verschijnt tweewekelijks op dinsdag.

Boek: Intimiteit

Paul Verhaeghe over intimiteit: “Samen slapen is intiemer dan vrijen”
Hoogleraar psychologie Paul Verhaeghe pleit voor warmte, weerloosheid en imperfecte seks
De Morgen – 09-11-2018 – Barbara Debusschere

Hij hoort veel vrouwen en steeds meer mannen in zijn consultaties klagen: “Ik verlang naar intimiteit en het enige wat ik krijg, is seks”. In zijn nieuwe boek Intimiteit legt hoogleraar psychologie Paul Verhaeghe uit hoe we op dit vreemde punt beland zijn. “We willen vastgehouden worden, zodat we ons opnieuw beter in ons vel voelen.”

“Kijk, dit is ze.” Enthousiast toont Paul Verhaeghe op zijn smartphone een filmpje van zijn schattige kleindochter Edith, 2,5, aan wie zijn nieuwe boek Intimiteit is opgedragen. Haar armpje zit in het gips, maar het lijkt haar niet te deren. Vrolijk babbelt ze tegen haar mama. “Dit is toch fantastisch?”, zegt hij.

Wie is Paul Verhaeghe?
• Geboren op 5 november 1955 In Roeselare
• Studeerde klinische psychologie en psychoanalyse aan de Universiteit Gent
• Schreef twee doctoraten: het eerste over hysterie (1985), het tweede over psychodiagnostiek (1992)
• Verwierf in 1998 nationale en internationale faam met zijn spraakmakende bestseller Liefde in tijden van eenzaamheid
• Bestudeert sedert 2000 vooral de invloed van maatschappelijke veranderingen op psychologische en psychiatrische moeilijkheden
• Publiceerde ook de boeken Het einde van de psychotherapie (2009), Identiteit (2012) en Autoriteit (2015), die een groot publiek bereikten

De professor psychologie, die in 1998 faam verwierf met zijn boek Liefde in tijden van eenzaamheid, staat bekend als cerebrale academicus met strenge blik, maar nu staat hij glunderend naar het filmpje van zijn kleinkind te kijken. Het is een beeld dat we zelden van hem te zien krijgen. “Maar ja, alle clichés over grootouders blijken dus gewoon waar. Ik heb twee kleinkinderen en er is er een derde op komst. Ik geniet er heel erg van.”

Is dat nog meer zo omdat u als hoogleraar psychologie de ontwikkeling van kinderen erg goed kent?

(wuift de vraag weg) “Ach nee. Ik zit echt niet door mijn academische bril naar hen te kijken. Ik zie dat ze goed in hun vel zitten, maar ben gewoon een grootvader die smelt als ik hen bezig zie. Ik ben er geen fan van om mijn privéleven te delen met de buitenwereld, maar kijk, ik wilde nu toch heel graag dat filmpje van Edith laten zien. Dat zegt toch genoeg?”

Als u ziet dat Edith zo jong al goed in haar vel zit, dan weet u wel als geen ander dat dat de basis is voor duurzame intimiteit later?

“Als die basis in de eerste jaren gelegd wordt, is dat duidelijk een enorme boost om je ook later, als volwassene, goed in je vel te voelen. En dat is een voorwaarde voor intimiteit. Loopt het mis, dan kan dat wel rechtgetrokken worden, maar het is beter wanneer dat niet nodig is.”

Is niet vooral onze geliefde doorslaggevend voor kwaliteitsvolle intimiteit?

“Niet in de eerste plaats. We denken dat intimiteit vooral gaat over wat je met iemand anders doet en wat iemand anders jou biedt. We verwarren het ook met seks. De twee vallen wel vaak samen en net zoals seks is intimiteit wel lichamelijk. Maar het is niet per se seksueel. Je kunt een goed seksleven hebben zonder intimiteit. En als vrijen alleen maar neuken is, is het zelfs een manier om intimiteit te vermijden. Omgekeerd kun je ook intimiteit beleven zonder seks.”

Seks gaat meer over macht?

“Ja. Het bevreemdende is dat het van de man een noodzakelijk geweld vraagt, een overgang van het tedere naar het harde. Met een zachte erectie kun je niet veel aanvangen. Ook van de vrouw vraagt het een grensoverschrijding, passief omdat ze het binnendringen ‘toelaat’, actief omdat ze de man opslokt. Macht speelt dan een rol. De man kan fysiek geweld gebruiken om over die grens te gaan. De kans op misbruik is altijd reëel. Sommige vrouwen aarzelen dan weer niet om een man te verleiden tot het punt waarop hij niets liever wil dan over die grens heen te gaan, zelfs als hij dat aanvankelijk niet wou.”

Intimiteit is zachter?

“Het betekent ‘het meest naar binnen’. We laten iemand binnen in ons nest en eventueel in onszelf. Het is je overgeven aan iemand, psychologisch en lichamelijk. Samen slapen is bijvoorbeeld zachter en ook intiemer dan vrijen, want in onze slaap zijn we weerloos. Dat weerloze kan beangstigend zijn, maar we verlangen er wel sterk naar.”

Waarom een boek over intimiteit?

“Het is me in mijn consultatiekamer beginnen opvallen dat veel vrouwen, maar steeds vaker ook mannen, zeggen: ‘Ik verlang naar intimiteit en het enige wat ik krijg, is seks’. Hoe komt het toch dat we, in deze bevrijde, taboeloze tijd, met zo’n tekort zitten?”

Is er een verband met #MeToo?

“Dat is niet de oorzaak, maar dat debat is nu wel zo oververhit dat beide seksen straks zodanig angstig zullen zijn dat er enkel nog iets mogelijk wordt als alles op voorhand in een contract staat. Welke seks kan er, welke niet? Niet verbazend dat we steeds vaker over ‘bindingsangst’ horen.”

We hebben wel meer bedpartners dan ooit.

“Ja, Tinder-contacten met seks, maar zonder relatie. Het voorspelbare resultaat is dat velen alleen blijven. Daardoor neemt de behoefte aan contact, zelfs in de meest primaire vorm van huidcontact, alleen maar toe. We willen vastgehouden worden, zodat we ons opnieuw beter in ons vel voelen. Wij zijn huidhongerig. Patiënten die vol emoties zitten maar niet kunnen spreken, raad ik eerst massages aan.”

Psychotherapie gaat toch over gedachten en gevoelens?

“Het is een grote misvatting dat die niet fysiek zijn. De wetenschap weet al geruime tijd hoezeer de scheiding tussen lichaam en geest achterhaald is. Emoties zijn bewuste ervaringen van wat er zich in ons lichaam afspeelt, als reactie op anderen, de buitenwereld. Je bloost eerst, dan noem je dat schaamte. We gebruiken medicatie die inwerkt op ons lichaam om gevoelens te verzachten. Niet-lichamelijke zaken, zoals verwachtingen en uitspraken van anderen, hebben een op scans waarneembare fysieke impact, zoals placebo-onderzoek aantoont. Chronische stress, een psychische factor, maakt fysiek ziek. Negeren wat je lijf je vertelt, leidt zowel tot psychische klachten als tot ziekte.”

Waarom benadrukt u dat zo in een boek over intimiteit?

“Omdat intimiteit in de eerste plaats de verhouding met je lijf is. Kom je er goed mee overeen of niet? Intieme kennis van wat jouw lichaam beweegt en hoe het reageert op de buitenwereld, is de voorwaarde voor een goed intiem leven. De soms mooie maar vaak ook moeilijke verhouding die wij hebben met anderen, heeft te maken met de mooie maar vaak ook moeilijke verhouding met ons lichaam.”

Hoe komt dat?

“Omdat alles daar start. Tot ongeveer een jaar of drie zíjn wij ons lichaam. Daarna hébben we een lichaam, omdat we ons ervan bewust worden. Het kan ons genot en plezier, maar ook pijn verschaffen. De mensen met wie we onze eerste liefdesverhoudingen hebben, meestal onze ouders, bepalen mee hoe onze relatie met ons lichaam zal zijn. Zij helpen ons verwoorden wat we voelen via en in ons lichaam. Dat is de basis voor wie we zullen worden.”Concretiseer dat eens?

“Wie als kind altijd voelde hoe een ouder veel te dicht kwam, wordt vermijdend, zo’n volwassene die op recepties achteruit deinst wanneer er een omhelzing ‘dreigt’. Een dochter die van haar vader hoort dat ze mooi is, zal zich mooi voelen en zich daarnaar gedragen. Een kind dat systematisch negatieve reacties kreeg toen het huilde uit angst, zal angst onderdrukken en later onverklaarbare paniekaanvallen krijgen. We leren via anderen herkennen wat er in ons lichaam gebeurt en wat we mogen voelen. Daarop stoelt onze identiteit.”

Het lichaam is dus niet enkel de verpakking?

“Vergeet dat maar. Vanaf onze prille kindertijd bouwen we er een band mee op. We merken hoe het reageert op de buitenwereld, wat het bij anderen oproept, en geven daar een betekenis aan. Bijvoorbeeld: ‘Ik ben groot. Mensen vinden mij groot. Dat voelt goed. Ze kunnen niet naast me kijken.’ Ons hele leven hebben we zo een relatie met ons lichaam. We houden er in meer of minder mate van. Het is de meest intieme band die we ooit zullen hebben en die bepaalt onze intimiteit met anderen.”

En als het misloopt, is het schuld van de ouders?

“Zeker niet. Parent blaming is een hardnekkige fout. De realiteit is veel complexer. Er zijn, naast de opvoeding, ook biologische en maatschappelijke redenen waarom het misloopt. De meeste ouders doen alles voor hun kroost en ze zijn ook ingebed in een maatschappijbeeld. Ik ben bijvoorbeeld streng opgevoed in een tijd waarin religie centraal stond en het lichaam zondig was. Maar dat neem ik mijn ouders niet kwalijk. De maatschappelijke norm kun je niemand verwijten.”

Heeft u onder die harde opvoeding geleden?

(grijnst) “Dat valt wel mee. Ik heb me uiteraard tegen dat religieuze verzet, maar ik kreeg zelfs te weinig weerwerk. Toen ik een jaar of vijftien was, ben ik gestopt met naar de kerk gaan en mijn ouders reageerden amper. ‘Doe maar’, zeiden ze.

“Zelfs toen ik al met mijn vrouw samen was en mijn eerste job had, eind jaren 70, woog het religieuze dictaat nog zwaar door. Ik herinner me hoe riskant het eigenlijk was dat ik met een gescheiden vrouw samenleefde terwijl ik in een katholieke instelling werkte. Was dat uitgekomen, dan riskeerde ik mijn baan. Dat is nu ondenkbaar.”

En hoe zit het met uw eigen verhouding met uw lichaam?

“Daarin ben ik geëvolueerd. Ik doe al zeker dertig jaar aan hardlopen met twee vrienden. Onze running gag is dat we ons afvragen: ‘Lopen we nu met of tegen onze opvoeding? Met of tegen ons lichaam?’ Want onze opvoeding was dus vrij hard. Pijn moest je negeren. Wie ziek was werd, zowel bij mij thuis als op het internaat, aan zijn lot overgelaten tot het over was. Wij drieën hebben marathons gelopen, een van ons behaalde een zwarte gordel in karate. Hardlopen was lange tijd iets om ons lichaam te harden. We liepen tégen ons lijf en pijn was een goed teken, alleen dan was de training goed geweest. Nu lopen we mét ons lichaam. Dat is veel plezieriger. Vroeger was het lichaam slecht, nu mag het er zijn.”

Maar ondanks de seksuele revolutie haperen onze intieme levens?

“Ja. Ik zie vanuit mijn praktijk wel vooral de problemen, natuurlijk. Maar die zijn vaak alleen maar een extremere vorm van wat breder speelt. Gelukkig is er sinds eind vorige eeuw dus een einde gekomen aan het eeuwenlange conflict met ons lichaam dat ‘bedwongen’ moest worden. Niemand dicteert ons nog van achter een altaar hoe we ermee moeten omgaan. Ik wil mensen echter wijzen op een nieuw, meer onzichtbaar dictaat dat onze intimiteit nu op andere manier verstoort.”

Een nieuwe Big Brother?

“Zoiets. Vanuit het monsterverbond tussen politiek, markt en samenleving worden ons heel specifieke beelden voorgehouden die ondertussen meer invloed dan onze ouders hebben op hoe we onze intimiteit en identiteit opbouwen. Het is een combinatie van maakbaarheid, wat op zich mooi is, en het idee dat je ‘nooit goed genoeg’ bent of genoeg hebt. Je lichaam kan vandaag niet mooi, strak, jong genoeg zijn. We moeten beantwoorden aan een ideaal waar we nooit aan kúnnen beantwoorden.

“Er is een permanente concurrentie met anderen én met jezelf. Dat zit in alle aspecten van onze levens. We wanen ons vrij van moralistische beperkingen, maar we zien niet dat alles in het teken staat van hedendaagse geboden: zo succesvol mogelijk zijn en dat zo veel mogelijk etaleren. Kinderen moeten ondernemers zijn van zichzelf. Talenten moet je te gelde maken, anders ben je een loser. Collega’s zijn concullega’s. Bescheidenheid is geen deugd, maar een reden om je op assertiviteitscursus te sturen. Zelfs mijn hardlopen zit nu via loopapps in een concurrentiemodel.”

Zijn competitie en prestatiedrang dan slecht?

“Zeker niet, en genieten van je succes ook niet. Wat wel nefast is, is de voortdurende dwang om dat te doen en het idee dat het nooit genoeg is. Er zijn nu volwassenen die in de put zitten wanneer ze te weinig likes hebben op Facebook. We moeten de anderen verslaan maar we hebben ze ook nodig om de hele tijd applaus te krijgen, wat van een enorme onzekerheid getuigt. En als we niet voldoen, als we zo niet gelukkig worden, falen of ziek zijn, is het onze eigen schuld en moeten we maar meer ons best doen. Maar van wie eigenlijk?”

We zijn toch meer bezig met zelfzorg, wellness?

“We staan stijf van de stress, dus zo vreemd is dat niet. Maar zelfs zelfzorg is door de commercie opgeslorpt. Onze bezorgdheid om ons lichaam is niet zorgzaam. Het is een bezorgdheid over de afstand die we nog moeten afleggen om dat ideale lijf te verwerven. Ongeveer iedere vrouw let op haar gewicht; gezondheid en schoonheid zijn een verplichting. En hoeveel stappen heb je vandaag gezet? Zelfs yoga en meditatie zijn consumptieproducten geworden om je imago op Instagram mee te boosten.

“De meest doortrapte list van de reclame is de boodschap om onze ‘individualiteit’ waar te maken. Resultaat: we kopen dezelfde, grotendeels overbodige spullen, doen aan dezelfde vormen van ontspanning, werken collectief steeds harder, gevolgd door hetzelfde soort vakantie dat we op hetzelfde soort Facebookpagina etaleren.”

U noemt die evolutie ziekmakend?

“Er is geen honger meer, maar er zijn wel meer eetproblemen en obesitas. Er is geen oorlog, maar we zitten de hele tijd in concurrentie met anderen en met onszelf. Mazelen en de pest zijn verleden tijd, maar het aantal diagnoses van depressie, burn-out, angststoornissen, auto-immuunaandoeningen, diabetes en bepaalde kankers nemen toe, allemaal aandoeningen die vaak verband houden met chronische stress. Ik zie ook veel schaamte. Zou dat allemaal toeval zijn? Zou het niet zeer goed kunnen dat die nieuwe normen de band met ons lichaam verstoren, ons vervreemden van onszelf, constant opjagen en dus ook ziek maken?”

Schaamte? In deze tijden?

“Wees maar gerust. Vroeger voelden we ons vooral schuldig want we hadden zondige verlangens, nu is er veel schaamte want we denken dat we falen. Ik hoor succesvolle hoogopgeleiden in mijn praktijk geregeld zeggen: ‘Op een dag gaan ze mij doorhebben en zien dat ik eigenlijk niets voorstel’. Die angst voor ontmaskering, voor falen is nieuw en alomtegenwoordig. Als perfectie de norm is, dan is elke fout een reden tot schaamte en angst voor ontmaskering.”

Heeft u zelf last van stress en schaamte?

“Toen er aan de Gentse universiteit een bikkelharde competitie was voor bevorderingen en fondsen, heb ik ervaren wat stress met je doet. Ik had al last gehad van lumbago en hernia door een verkeerde manier van spitten in mijn moestuin, en toen blokkeerde mijn rug helemaal. Nu heb ik veel minder last van stress. Ik leef bewuster en daardoor rustiger, ik draag meer zorg voor mijn lichaam en voor de mensen die ik graag zie.

“En omdat ik behoor tot de generatie die een schuldgevoel opgelepeld kreeg, zeker rond lichamelijkheid, heeft vooral daarvan loskomen mij zeer veel moeite gekost. Tot vandaag moet ik mij vaak verzetten tegen mijn inwendige, altijd strenge rechter.

Schaamte heeft vooral te maken met de beoordelende blik van anderen, vaak over je uiterlijk en daar heb ik minder last van dan de jongere generatie, ook al omdat ik mij ver verwijderd hou van sociale media.”

Zeg nu niet dat het vroeger beter was.

(met klem) “Absoluut niet. Toen waren lichamelijkheid in het algemeen en seksuele gevoelens in het bijzonder verboden. Daar wil niemand naar terug. Maar nu moeten we heel veel, zonder te weten van wie. Ik hoor geregeld: ‘Ik moet naar de sportles’. Hoe absurd is dat? Vroeger konden we ons verzetten tegen bisschoppen en rijkswachters, nu gaan we gebukt onder een anoniem dictaat dat we via de beeldcultuur geïnternaliseerd hebben zonder dat we het beseffen. Je daartegen afzetten is veel lastiger. Ik zie mensen die fysiek een puinhoop zijn, maar die geen idee hebben van wat er met hen gebeurt, die verlangens nastreven die niet echt van hen zijn. Ze zijn een intieme onbekende voor zichzelf. Het zijn er veel meer dan je vermoedt.”

Wat die nieuwe normen met ons doen verklaart dat gebrek aan intimiteit?

“Ja. Met al het gedoe om er aan de buitenkant zo verkoopbaar mogelijk uit te zien, zijn we steeds minder afgestemd op de binnenkant. Dan wordt intimiteit helemaal moeilijk. Wanneer seks perfect moet zijn, tussen twee het liefst zo strak mogelijke lijven, dan is een vrijpartij een opvoering met spelers die toeschouwer en beoordelaar zijn. Wanneer een interne criticus de hele tijd zegt dat we niet goed genoeg zijn, dan remt ons dat heel erg af om ons over te geven aan een ander. Wanneer anderen vooral beoordelaars, potentiële critici en concurrenten zijn, is intimiteit onmogelijk. Dat is ook zo wanneer de competitieve buitenwereld ons privéleven binnendringt, en we de strijd om ter best, snelst, meest, meenemen naar huis. Dat we elkaar steeds minder live zien, waardoor onze capaciteit voor empathie afneemt, helpt ook niet. Om elkaar graag te zien, moet je elkaar zien.”

We zien onszelf niet graag genoeg, maar waren we niet net individualistischer dan ooit?

“Er is een enorm verschil tussen het huidige narcisme en jezelf graag zien. Zie je jezelf onvoorwaardelijk graag, of hangt het af van het oordeel van anderen? Voldoe je aan allerlei eisen omdat je dat echt graag doet, of omdat het goed is voor je imago? Jezelf echt graag zien, is je goed in en met je lichaam voelen, zonder publiek dat een score geeft. Zoals in je eentje dansen, zonder dat iemand je ziet, en daarvan genieten. Dat is intimiteit. Je goed in je vel voelen en daardoor dicht bij de ander kunnen komen zonder dat je applaus nodig hebt. Dat zijn we aan het kwijtspelen.”

En? Hoe kunnen we onze intimiteit herstellen?

“Er zijn geen recepten, wel aanwijzingen. We kunnen eerst en vooral meer naar ons lichaam luisteren en er echt voor zorgen, niet in naam van een heersende norm. We kunnen meer stilstaan bij wat we van buitenaf opgedragen krijgen, en zien dat niets ons verplicht om die mallemolen te gehoorzamen. We kunnen uitzoeken wat we echt voelen, wat een goed leven echt voor ons betekent. Niet een beter leven of het beste leven, maar een goed leven dat bij jou past. Dat klinkt makkelijker dan het is. Ik zie hoe moeilijk mensen het vinden om hun werkelijke emoties en verlangens onder woorden te brengen.”

U put ook inspiratie uit uw eigen liefdesverdiet?

(glimlachend) “Ja. Ik was een prille twintiger. Het was zomer en ik voelde me doodongelukkig na een mislukte liefdesaffaire. De wereld was somber en leeg, mijn gedachten waren grijs en pijnlijk, goedbedoelde pogingen van vrienden om mij op te vrolijken maakten alles nog erger. Vanwaar het idee kwam, weet ik niet meer, maar ik besloot te gaan vissen. Avonden lang zat ik geconcentreerd te kijken naar het puntje van de dobber, dansend net boven het wateroppervlak. De zeldzame keren dat ik beet had, ergerde ik me blauw omdat het mijn gedachtestroom onderbrak. Op het einde van de zomer was mijn liefdesverdriet over. Ik voelde me zelfs stukken beter. Pas decennia later, toen ik praktijken zoals emdr (Eye Movement Desensitization and Reprocessing, een traumatherapie gebaseerd op oogbewegingen, red.) en meditatie leerde kennen, begreep ik waarom.”

Waarom?

“Omdat het een combinatie van die twee was, exact wat ik toen nodig had. We begrijpen niet hoe het werkt, maar de bewijzen voor de helende effecten van meditatie en emdr, yoga en aanverwanten stapelen zich op. Die meer fysieke methodes werken goed in combinatie met klassieke therapie en zijn zeer goeie manieren om van de vele spanningen in ons lichaam af te raken en beter met onszelf in contact te komen. Zelfs diehard wetenschapper Sam Harris publiceerde een boek met een pleidooi voor meditatie en spiritualiteit.”

Die zomer was u vooral ook alleen.

“Ja, ik wilde dat iedereen me met rust liet. Ook dat had ik toen niet door, maar om je beter in je vel te gaan voelen, is het cruciaal stilte toe te laten en te horen wat er dan komt over je angsten en verlangens, je kwaadheid en verveling, je pijn en genot.

“Ook daarvan krijgen we de aanzet al mee als kind, zoals Donald Winnicott dat in The Capacity to Be Alone beschrijft. Een peuter speelt in een hoekje, in zijn eigen wereld, en laat de ouder met rust. De ouder is er wel, maar is ook bezig en laat het kind met rust. Toch zijn ze samen. Ze zijn niet samen eenzaam. Bij de minste hapering reageren ze op elkaar. Ze zijn verbonden, zonder dat ze elkaar en elkaars applaus nodig hebben of elkaars afkeuring vrezen, zonder dat ze elkaar als een bedreiging ervaren. Die emotionele volwassenheid is nodig voor intimiteit. Maar dan moet je eerst met jezelf alleen kunnen zijn. En dat blijkt nu erg moeilijk.”

In welke zin?

“Ondanks de toenemende gevoelens van eenzaamheid zijn we nooit meer echt alleen en kunnen we het steeds minder goed. Onderzoekers ontdekten dat mensen nog nauwelijks in staat zijn gedurende een kwartier rustig alleen te zitten, met hun eigen gedachten. Na zes minuten waren velen zelfs bereid zichzelf een lichte elektrische schok toe te dienen om te ‘ontsnappen’. De vraag is aan wie of wat.”

Kunt u goed alleen zijn?

“Ik vind het niet onaangenaam en heb het ook nodig. Jarenlang sliep mijn vrouw al toen ik van mijn therapiesessies thuiskwam. Maar toen ze op pensioen ging, zat ze daar plots wel ’s avonds. Dat vond ik erg lastig na de intense gesprekken met mijn patiënten. Ik wilde toen echt even alleen zijn. Gelukkig begreep ze dat.”

We hadden het over hoe kritisch we voor elkaar en anderen zijn. Hoe goed kunt u zelf tegen kritiek?

“Kritiek op de psychoanalyse waarin ik gespecialiseerd ben, is soms op de man en niet op de bal en daar ging ik wel eens onder gebukt. Maar meestal is de kritiek van een erg zwak niveau want gebaseerd op algemeenheden en achterhaalde clichés, en dan heb ik er weinig last van.

Bent u hoopvol over de toekomst van onze intimiteit?

“Hier ben ik een vooruitgangsoptimist: we zijn vrijer dan ooit om ons te verzetten tegen huidige dictaten en voorgehouden beelden, alleen beseffen we het nauwelijks, maar dat bewustzijn neemt toe. Ik ben ook hoopvoller dan tien jaar geleden omdat er nu steeds meer bottom-upbewegingen komen, van stRaten-generaal tot kleinere projecten, kinderopvang na school of stadstuintjes. Daarin gaat het niet over competitie, maar zoeken mensen weer naar verbondenheid. Ik denk ook dat we steeds gezonder zullen omgaan met digitale communicatie.

“En ik zie meer mensen, die vervreemd waren van zichzelf, echte veranderingen in hun leven aanbrengen, waardoor intimiteit meer mogelijk wordt. Het hoopvolle is dat het allemaal van onderuit komt, zowel uit ons lichaam als uit het ‘sociale lichaam’. En wat van onderuit komt, dat hou je niet tegen.”

Intimiteit van Paul Verhaeghe verschijnt op 15 november bij De Bezige Bij, 23,99 euro

De troost van de filosofie

De ene filosoof over de andere, de levende over de dode, en de levende is Alain de Botton, wiens meeste boeken ik gelezen heb, en waarvan “De troost van de filosofie” het boek is dat mij het leven beter heeft leren begrijpen en inderdaad ook troost geboden heeft. Ik vind het nog altijd het beste filosofieboek dat ik ooit gelezen heb, en heel toegankelijk voor iedereen.

De dode filosoof is Nietzsche, de meest omstreden filosoof ooit. Als Epicurus de filosoof  van het geluk is, is Nietzsche de filosoof van het lijden. Het lijden aankunnen is het lijden aanvaarden als iets positiefs: “Wat je niet doodt, maakt je sterker”, zegt Nietzsche. En gelijk heeft hij, en ook dat is een troost.

Alternatieve geneeskunde

Dossier alternatieve geneeskunde: waarom de miljardenbusiness van oosterse kruiden zo gevaarlijk is.

HUMO – Maandag 5 november 2018

De Wereldgezondheidsorganisatie wijdt in haar lijst met ziektebeelden voor het eerst een hoofdstuk aan de traditionele Chinese geneeskunde. Dat veroorzaakt veel opschudding in de medische wereld, want het nut van die eeuwenoude Chinese geneeswijzen blijft zeer twijfelachtig. Maar de Chinese kruidenindustrie is een miljardenbusiness, en die richt zich nu op de grote markt van de westerse patiënten. Dankzij Humo slikt u geen andere onzin.

’80 tot 90 procent van de lichte aandoeningen geneest vanzelf, maar dat zul je in het alternatieve circuit niet horen: die willen middeltjes en therapieën verkopen’

HUMO Wat is die lijst van de WHO eigenlijk?
Patrik Vankrunkelsven (docent huisartsengeneeskunde aan de KU Leuven en directeur van het Centrum voor Evidence-Based Medicine) «Die lijst, de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD), is een door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beheerd register van alle mogelijke aandoeningen en diagnoses, van astma en clusterhoofdpijn tot een longontsteking en een tenniselleboog. Die staan er gedetailleerd in beschreven en zijn van een code voorzien. Zo weten artsen wereldwijd dat ze het over dezelfde ziektebeelden hebben.

Bij ons is het een belangrijk instrument voor ziekenhuizen, het RIZIV en de ziekenfondsen. Zij baseren zich op die codes om behandelingen terug te betalen.»

HUMO Behandelingen zelf staan er dus niet in?
Vankrunkelsven «Nee. Dat wil dus zeggen dat de WHO niet heeft gezegd dat acupunctuur werkt.»

HUMO Voorstanders hopen dat de beslissing van de WHO zal helpen om de traditionele Chinese geneeskunde erkend te krijgen. Zit dat erin?
Vankrunkelsven «Het is niet omdat de traditionele Chinese geneeskunde in die lijst wordt opgenomen, dat onze ziekenfondsen ze als een ernstige vorm van geneeskunde zullen beschouwen. Maar indirect kan de opname wel een invloed hebben.

Acupuncturisten die voor de erkenning van hun geneeswijze lobbyen, zouden kunnen verwijzen naar de ICD, waar dan ziektebeelden in beschreven staan als ‘pijn in de leverstreek die het gevolg is van een onevenwicht van yin en yang in de lever, zodat het lichaam verhit raakt’. Want over dat soort formuleringen gaat het dus.

Ik heb niet het gevoel dat het in België enige invloed zal hebben op het terugbetalingssysteem, toch niet op korte termijn.»HUMO Wat houdt de traditionele Chinese geneeskunde eigenlijk precies in?
Norbert Fraeyman (emeritus hoogleraar farmacologie aan de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de UGent) «80 à 85 procent van de Chinese geneeskunde is gebaseerd op kruidengeneeskunde. Die is zeer onoverzichtelijk en maakt gebruik van een paar honderd planten.»

HUMO Is de werking van die kruiden bewezen?
Fraeyman «We weten dat veel planten geneeskrachtige stoffen bevatten. In de taxus, een heester die bij veel mensen in de tuin staat, zit bijvoorbeeld een stof waarmee je tumoren kunt behandelen. Maar je moet de werkzame stoffen uit die planten kunnen halen. De roze maagdenpalm bevat vinblastine en vincristine, die ook werkzaam zijn tegen kanker, maar het heeft bijna dertig jaar geduurd voor men van die stoffen een medicijn kon maken.

Vaak heb je geen idee van de samenstelling van Chinese kruidenextracten. In zo’n extract zitten duizenden ingrediënten. De concentratie van de actieve stoffen in een plant is ook in sterke mate afhankelijk van de bloeiwijze, de bodem en zelfs het tijdstip van de dag waarop de plant wordt geoogst. Maar daar wordt in China geen rekening mee gehouden. Je weet nooit wat je koopt en of het wel werkt. Dat is een belangrijk verschil met de klassieke geneesmiddelen. Die worden op een gestandaardiseerde manier geproduceerd en hun werking is bewezen.»

Vankrunkelsven «Het gebruik van Chinese kruidenextracten kan zelfs tot ongevallen leiden. Soms zitten er te veel actieve stoffen in, zodat ze giftig zijn, of zijn ze met insecticiden of andere troep vervuild.»

Fraeyman «Een ander probleem is dat ze een invloed kunnen hebben op de werking van klassieke medicijnen. Sommige kruiden verhinderen dat klassieke middelen in de lever worden afgebroken. Daardoor heeft die medicatie een sterkere werking en dat kan gevaarlijk zijn. Omgekeerd kunnen ze de werking van klassieke geneesmiddelen afremmen.»

HUMO In de jaren 70 werd in Beijing aan de Academie voor Traditionele Chinese Geneeskunde artemisinine ontdekt, een zeer goed middel tegen malaria. De ontdekker kreeg in 2015 de Nobelprijs voor Geneeskunde.
Vankrunkelsven «Een Nobelprijs is helaas niet altijd een garantie voor kwaliteit (lacht). Linus Pauling, een Amerikaanse scheikundige die beweerde dat hoge doses vitamine C goed waren tegen zowat alle ziektes, iets wat ondertussen door de wetenschap is weerlegd, heeft hem óók ooit gekregen. Maar artemisinine is wel een werkzame stof. Omdat bestaande medicijnen vaak niet meer helpen tegen malaria, is elk nieuw middel zeer welkom.

Ook andere Chinese kruiden kunnen nuttig zijn, maar de meeste zijn nog niet grondig getest. Van die duizenden kruiden zijn er vast tientallen bruikbaar, maar zijn er ook honderden potentieel zeer gevaarlijk. En duizenden zijn misschien minder onschuldig dan ze lijken.»

Fraeyman «We hebben daar al ervaring mee in ons land. Aan het eind van de jaren 90 werden in de Antwerpse regio een tiental vrouwen ernstig ziek. Ze hadden voor een vermageringskuur een Chinees kruidenmiddel geslikt dat de giftige plant aristolochia bevatte. Die vrouwen hebben daar onherstelbare nierschade aan overgehouden.»

Vankrunkelsven «Een populair ingrediënt in die preparaten is neushoornpoeder, dat de potentie van mannen zou verhogen – een neushoorn kan erg lang copuleren, vandaar. Wel, zo’n hoorn bestaat uit keratine, net zoals onze vingernagels. Je kunt dus evengoed je eigen nagels opeten. Maar ook uit kikkers, slangen en exotische dieren worden stoffen gedestilleerd.»HUMO Een ander veelgebruikt ingrediënt is berengal. In kwekerijen in China, Laos, Zuid-Korea, Myanmar en Vietnam zitten duizenden beren in krappe kooien opgesloten, en wordt de gal via een katheter afgetapt. Dat brengt veel geld op: het zou om een markt van 2 miljard dollar gaan.
Vankrunkelsven «Aan gal worden al lang geneeskrachtige kwaliteiten toegeschreven. De oude Grieken hadden het over de gele en zwarte gal die onze gemoedstoestand zouden bepalen. Samuel Hahnemann, de grondlegger van de homeopathie, heeft daarop voortgebouwd. Ook in de Chinese ziekteleer speelt het om de één of andere reden een rol. Nu, we weten heel goed wat er in gal zit: als medicijn draagt het niets bij aan je gezondheid.»

HUMO Eén van de populairste kruidengeneesmiddelen is ginseng. Werkt dat?
Vankrunkelsven «Ginseng wordt als een energierijk product beschouwd omdat de wortels meestal tweeledig zijn en daardoor op een menselijk wezen lijken. De plant bevat wel allerlei actieve stoffen, maar de geneeskrachtige werking is onvoldoende bewezen.»

Fraeyman «Ginseng zou zowel je immuunsysteem verstevigen als je bloeddruk verlagen, alsof je twee geneesmiddelen zou slikken. Medisch gezien is het zeer onwaarschijnlijk dat twee totaal verschillende aandoeningen met dezelfde stof kunnen worden behandeld.»

4 centimeter diep

HUMO De andere grote pijler van de Chinese geneeskunde is de acupunctuur. De grondbeginselen daarvan lijken meer met filosofie dan met geneeskunde te maken te hebben.
Fraeyman «Dat geldt voor de hele Chinese geneeskunde. De acupunctuur gaat ervan uit dat ons lichaam bedekt is met een netwerk van meridianen, waar de levensenergie of qi door stroomt. Je hebt een reeks kleinere meridianen en twaalf hoofdmeridianen, die telkens verbonden zijn met een orgaan. Als je een nierprobleem hebt, zal de acupuncturist op de niermeridiaan prikken. De dunne naalden kunnen tot 3 of 4 centimeter diep gaan. Het hangt er uiteraard van af waar de acupuncturist prikt: op plaatsen waar een stevige spier zit, kun je dieper steken dan op een plek waar een bot zit, zoals de pols. Acupuncturisten met voldoende opleiding weten dat ook, maar anderen hebben minder notie van anatomie. Als ze bij de behandeling van rugpijn in een zenuw prikken, ga je tegen het plafond (lacht).

Er bestaan verschillende varianten: soms wordt er elektriciteit door de naalden gejaagd, en bij luxopunctuur wordt de huid met een sterke lichtbundel gestimuleerd. Zo behandelen acupuncturisten kinderen of volwassenen die bang zijn van naalden. Een andere vorm is moxibustie of moxatherapie: dan gebruiken ze naalden met bovenaan een klein platformpje waarop smeulende kruiden liggen. De warmte komt via de naald in het lichaam en zou de qi-stroom bevorderen of herstellen.»

HUMO Als we het goed begrepen hebben, speelt die qi een essentiële rol in de acupunctuur.
Fraeyman «Het valt op dat elke alternatieve geneeswijze veel nadruk legt op het bestaan van die levensenergie. In de homeopathie spreekt men van aangeboren energie, de osteopathie en chiropraxie hebben het over de energy flow. Let wel, de klassieke geneeskunde erkent die inwendige energie ook: dat is de capaciteit die een patiënt heeft om zonder hulp te genezen. De mens heeft voldoende energie om lichte aandoeningen als een griep of een verkoudheid te overwinnen.

De meridianen en de qi zijn maar een deel van het verhaal. Diagnoses worden gesteld op basis van het yin en yang-principe, de shen, de geest, en de jing, de originele levenssubstantie. Ook de vijf elementen – water, vuur, aarde, hout en metaal – spelen een rol. Die elementen kunnen elkaar voeden of controleren – hout voedt bijvoorbeeld vuur, water controleert vuur – en zijn allemaal gekoppeld aan organen, kleuren, smaken, seizoenen, planeten, lichaamsvloeistoffen, emoties, enzovoort. Hun geneeskunde is gebaseerd op een filosofie, en je moet bijna Chinees zijn om die te kunnen snappen. Het is allemaal hopeloos ingewikkeld.»

HUMO De Chinese geneeskunde heeft ook een aparte manier om een diagnose te stellen.
Fraeyman «Dat gebeurt op basis van de kleur en het uitzicht van de tong. De diverse delen van de tong corresponderen met verschillende organen. De Chinezen voelen de twee polsen ook niet op één plek, maar op drie verschillende punten, en elk punt levert andere informatie op. Maar door de pols loopt één slagader waarop je je vinger kunt leggen, en die geeft informatie over het hartritme. Als je nog iets anders voelt, is dat wishful thinking.»

HUMO Met solide wetenschap lijkt het allemaal weinig te maken te hebben.
Fraeyman «We moeten medisch-wetenschappelijk eerlijk blijven. De interactie tussen organen is in de westerse geneeskunde ook bekend, maar dan onder de naam comorbiditeit. Iemand kan bijvoorbeeld eczeem hebben en korte tijd later darmproblemen krijgen. De huid en de darmen staan met elkaar in verbinding, en ze kunnen allebei allergisch reageren op een stof. Het kan dus best zijn dat bepaalde organen met elkaar verbonden zijn, zoals de Chinese geneeskunde zegt. Maar diagnoses stellen op basis van hun filosofie is een brug te ver.»
HUMO Is de werking van acupunctuur ooit bewezen?
Vankrunkelsven «Men heeft het vaak geprobeerd, maar het is nog nooit wetenschappelijk aangetoond. We weten wel dat een naald inbrengen een groot effect heeft, ook in de klassieke geneeskunde: mensen zullen zich beter voelen als je een medicijn inspuit in plaats van het oraal toe te dienen, zelfs al is het geneeskrachtige effect hetzelfde. Het zit overigens niet alleen tussen de oren. Het placeboeffect zet in ons lichaam chemische processen in gang die pijnstillend kunnen werken. Dat effect is heel sterk aanwezig bij acupunctuur.»

HUMO Er zijn in ieder geval mensen die zich door acupunctuur geholpen voelen.
Fraeyman «Er is één prikpunt dat vrij goed werkt bij misselijkheid en maagproblemen. Kankerpatiënten hebben door hun medicatie vaak maag- en darmklachten. Zij kunnen er dus zeker baat bij hebben. Bij zwangere vrouwen kan het ook helpen tegen ochtendmisselijkheid.»

Vankrunkelsven «We weten niet waarom acupunctuur bij sommige lichte aandoeningen werkt, maar ook bij chronische pijn werkt het soms. Of dat te verklaren valt door het placebo-effect, zullen we nooit weten. Maar we weten wel zeker dat er nog nooit iemand van borstkanker is genezen door acupunctuur. Toen ik in de jaren 80 als arts begon, wist ik dat een patiënt met borstkanker binnen de vijf jaar bijna zeker overleden zou zijn. Nu kan zo’n patiënt genezen of nog heel lang leven. Dat hebben we aan de klassieke geneeskunde te danken. Als ernstig zieke mensen te lang bij acupunctuur of andere alternatieve geneeswijzen blijven hangen, kunnen ze wél snel overlijden. Ik verwijs patiënten nooit door naar een acupuncturist.»

HUMO Acupuncturisten behandelen mensen met slaapproblemen, stress, migraine, zwangerschapskwalen, menstruatieklachten, vruchtbaarheidsproblemen, ADHD en zelfs mensen die willen stoppen met roken.
Vankrunkelsven «Alles wat duur genoeg is, helpt om te stoppen met roken. Naarmate iets duurder is, hebben mensen de indruk dat het beter werkt. Als ik een handoplegging zou doen tijdens een gewone consultatie, zal die veel minder effect hebben dan die van één of andere goeroe die er 1.000 euro voor vraagt en je verzekert dat je dan zult stoppen met roken. Of het na drie jaar nog werkt, durf ik wel te betwijfelen.»

HUMO Er bestaat ook een westerse versie van de klassieke acupunctuur: dry needling. Werkt die?
Fraeyman «Dry needling laat de Chinese filosofie achterwege en heeft het niet over acupunctuurpunten, maar over trigger points. Dat zijn knooppunten tussen spierweefsel, zenuwen en pezen die gevoeliger zijn voor pijn en die je kunt aanprikken. Je kunt ze ook stimuleren met warmte of trillingen. Over hoe je die triggerpunten moet omschrijven, bestaat nog discussie in de medische wereld, maar dat het in sommige gevallen werkt, is zeker.»

Vankrunkelsven «Ik ben er niet zo’n voorstander van. Kinesitherapeuten passen dry needling soms toe bij aandoeningen waarvoor al een goede klassieke behandeling bestaat. Het wordt nog verder onderzocht, maar veel overtuigende studies over het nut zijn er niet.»

HUMO Ook voetreflexologie of reflexzonetherapie is een onderdeel van de traditionele Chinese geneeskunde.
Vankrunkelsven «In die discipline wordt de voetzool ingedeeld in zones die corresponderen met delen van het lichaam, bijvoorbeeld het brein, de lever of de maag. Aan de voetzool kun je zogezegd voelen met welk orgaan of lichaamsdeel er iets mis is. Door bepaalde punten op de voet te masseren kan je de energiedoorstroming herstellen en zo het zieke orgaan genezen. Een goede voetmassage kan ongetwijfeld deugd doen, maar ook voor het medische nut van die behandeling is er geen enkel wetenschappelijk bewijs.»

Netjes terugbetaald

HUMO Hoe is te verklaren dat veel mensen hun heil blijven zoeken in de Chinese geneeskunde en andere alternatieve geneeswijzen?
Fraeyman «Vaak gaat het om patiënten met chronische ziekten die de klassieke geneeskunde niet zo goed kan genezen. Die zoeken dan een alternatieve behandeling, en therapeuten spelen daar maar al te graag op in. In de klassieke geneeskunde is één van de opties niets doen, want 80 tot 90 procent van de lichte aandoeningen geneest vanzelf. Iemand met griep kun je bijvoorbeeld beter laten uitzieken. Die optie zul je in het alternatieve circuit niet snel horen. Elke kruidendokter of homeopaat vindt dat hij een middel móét geven. Ze spelen ook in op de kwetsbaarheid van de patiënt: ze geven hem aandacht, waardoor hij zich aanvaard en veilig voelt, en alleen al daardoor schat hij de therapeut hoog in. Een alternatieve behandeling kan ook een licht placebo-effect hebben. Mensen denken dan dat ze genezen zijn door de behandeling, terwijl ze anders óók weer gezond waren geworden.

Als het gaat over levensbedreigende aandoeningen, is het een ander verhaal: dan is de kans op spontane genezing zo goed als nul. Kankerpatiënten voelen zich doodziek, niet door de tumor, maar door de bijwerkingen van de medicatie. Op een bepaald moment zoeken ze hun heil bij een alternatieve therapeut. Als die zegt dat de patiënt moet stoppen met de medicatie, voelt die zich na veertien dagen genezen. Niet omdat de tumor verdwenen is, maar omdat de bijwerkingen weg zijn. Als hij een jaar later overlijdt, is hij al vergeten dat hij de enige manier om te genezen heeft laten vallen. Gelukkig komt dat minder voor dan vroeger.»

HUMO Acupunctuur en andere alternatieve geneeswijzen hebben bij ons een dubbelzinnig statuut. Ze zijn als geneeswijze niet helemaal officieel erkend, maar het RIZIV betaalt de behandelingen wel onder voorwaarden terug.
Fraeyman «Een ziekteverzekering is gebaseerd op solidariteit. Je kunt je afvragen of iedereen moet meebetalen voor een behandeling waarvan bekend is dat ze niet helpt. Minister van Volksgezondheid Maggie De Block beklemtoont graag dat ze elke euro twee keer moet omdraaien. Wel, er bestaan goede geneesmiddelen tegen kanker die nu weinig worden gebruikt, omdat ze zeer duur zijn. Is het dan verantwoord om behandelingen met alternatieve geneeswijzen terug te betalen, als het nut daarvan op zijn minst twijfelachtig is? Daar zouden we ons toch over moeten bezinnen.»

HUMO Waarom neemt de WHO een vorm van geneeskunde op in de ICD-lijst als het nut ervan omstreden is? Is het een eerste stap om, onder druk van Beijing, de traditionele Chinese geneeskunde wereldwijd aanvaardbaar te maken?
Vankrunkelsven «Dat is de vrees van veel waarnemers. Het vorige hoofd van de WHO, de Chinees-Canadese Margaret Chan, was een groot voorstander van de traditionele Chinese geneeskunde. Zij heeft de organisatie van 2006 tot 2017 geleid en ze heeft hard haar best gedaan om de Chinese geneeswijzen in de klassieke geneeskunde te integreren.»

Fraeyman «De WHO heeft al herhaaldelijk haar voorkeur voor Chinese geneeskunde en andere alternatieve geneeswijzen geuit. In 2000 heeft ze een publicatie pro acupunctuur uitgebracht, maar die moest ze na luid wetenschappelijk protest weer intrekken.

Deze nieuwe stap vind ik in ieder geval geen goede zaak. Volgens de Chinese geneeskunde is er bijvoorbeeld een orgaan dat ‘de drievoudige verwarmer’ heet. Ze hebben het ook over ‘de acht principes’, ‘de drie schatten’ en ‘de vijf elementen’. Ik zie niet in hoe je die begrippen in de westerse geneeskunde kunt inpassen.

Het idee om de traditionele Chinese geneeskunde in kaart te brengen en te uniformiseren is op zich niet verkeerd, maar het is vooral zinvol voor de regio waar die wordt beoefend. Het lijkt me niet nuttig om ze te willen mengen met onze westerse geneeskunde. De WHO maakt beter twee aparte lijsten.»

HUMO Het zou volgens sommigen ook passen in de strategie van de Chinese president Xi Jinping, die in de traditionele Chinese geneeskunde een grote bron van inkomsten ziet. Nu al lokken centra voor Chinese geneeskunde in het buitenland massa’s klanten. Een erkenning door de WHO is dan mooi meegenomen.
Vankrunkelsven «Het zou me niet verbazen dat er een verborgen economische agenda achter zit. De uitvoer van Chinese kruiden is een miljardenbusiness. Ik wil Xi Jinping geen dictator noemen, maar het valt wel op dat dictatoriale regimes zich vaker aangetrokken voelen tot alternatieve geneeswijzen. De homeopathie was in het begin van de 20ste eeuw bijna verdwenen in Duitsland, maar nazibonzen Albert Speer en Rudolf Hess hebben ze weer op de kaart gezet. Er zijn ook heel wat experimenten mee gedaan in de concentratiekampen.

Mao is op een bepaald moment ook de Chinese kruidengeneeskunde beginnen te promoten. Hij geloofde er zelf niet in, maar hij zag het als een voor alle Chinezen toegankelijke vorm van geneeskunde en een goedkoop alternatief voor degelijke medische zorg. De huidige Chinese leiders beschouwen die traditionele geneeskunde als een belangrijke economische activiteit. En mensen willen bedrogen worden, hè. Als rijke Saudi’s en Russen in dure kuuroorden hun geld willen vergooien, vind ik dat nog niet eens zo erg. Maar dat de WHO en ernstige wetenschappers dat spel meespelen, vind ik zorgwekkend.»

HUMO Kortom, voorlopig hoeven we de huisarts niet te verruilen voor de kruidendokter of voetreflexoloog?
Vankrunkelsven «Zolang serieuze mensen het hier voor het zeggen hebben en zolang ik argumenten kan aanbrengen, zal dat niet gebeuren. Over mijn lijk!»

 

Polyamorie

Polyamorie

Waarom steeds meer koppels buiten de monogame lijntjes kleuren
Wat monogame koppels kunnen leren van polyamoristen

De Morgn – 02-11-2018 – Eline Delrue

Steeds meer koppels breken hun relatie open voor een extra romance erbovenop. Monogamie als norm is voorbijgestreefd, vinden ze. ‘Een bestaande liefde brandt niet op als er een nieuwe bijkomt.’

Een avond op café, zo’n half jaar geleden. “Fuck, wat een lekker dier is dat.” Nima (37), wild van een vrouw aan de bar, port zijn vriend in zijn zij. “Mij moet je het niet vertellen”, lacht zijn compagnon. Hij en de schone aan de toog hebben een relatie, al dertien jaar lang. Alleen: dat weet Nima nog niet. “Achteraf bekeken was dat hilarisch. Zelfs toen ik haar die nacht vroeg om met me mee te gaan, maar ze – half tegen hem aangevlijd – weigerde, had ik het nog niet door. (lacht)”

De toon was gezet en niet veel later sloeg de vlam in de pan. De vriend – ‘het lief’ – vond het allemaal best. Voor Nima werd het zijn entree in “een polyamoreuze formule”. Ook híj is nu ‘het lief’.

Nima: “Ook in mijn vorige, monogame relaties had ik die nood om nog met anderen te connecteren. Niet dat ik puur uit was op meer seks. Ik wilde eerder op zoek naar een affectieve, romantische verbinding. Maar ik zat zelf nog hard vast in die traditionele liefdesethiek. Ik ging ervan uit: een koppel is met twee, en je moet het maar doen zoals je ouders en grootouders het hebben voorgetoond. Om dan eerder heimelijk je goesting te doen. Zo heb ik meer dan eens een scheve schaats gereden. Al hoefde dat voor mij niet het einde van mijn bestaande relatie te betekenen. Nu ja, krijg dat maar eens uitgelegd.”

Polyamorie, een draak van een woord uit het Grieks en het Latijn, betekent zoveel als: ‘houden van velen’. Polyamoristen geloven dat liefde zich niet tot één partner moet beperken, en gaan, in alle openheid, meerdere diepzinnige relaties ­tegelijk aan.
Opvallend: seksuologen begeleiden de jongste tijd steeds meer monogame koppels en singles die de meerminnende toer op willen. “Het taboe is verminderd”, merkt Wim Slabbinck op. “Polyamorie is niet langer de olifant in de kamer bij seksuele zorgen.”

Ook seksuologe Nina Callens, verbonden aan de UGent, ziet in haar praktijk meer koppels met hoofdbrekens hierover. “Het zijn mensen die het silhouet van de liefde aan het hertekenen zijn. Ze stellen zich vragen als: ‘Hoe kunnen we tot een nieuwe relatievorm komen die ons niet afsluit van anderen, of van onszelf?’ ‘Hoe kunnen we elkaar toch ‘trouw’ blijven, zelfs als seksuele exclusiviteit niet langer hét criterium is?’ ‘En hoe vaak kunnen we die anderen dan zien?’”

Buiten de monogame lijntjes kleuren, is ­aanlokkelijk, bevestigen de cijfers. Een rondvraag van Charlie Magazine en Het Nieuwsblad toonde vorig jaar nog aan dat 35 procent van de Vlamingen weleens nadenkt over alternatieve relatievormen. Zo’n 8 procent heeft ervaring met een open relatie – dus met instemming van alle partners –, onder wie 3 procent met polyamorie.

Ook bij Polyamory Belgium, vijf jaar geleden opgericht, spreekt coördinator Bo Standaert van een “exponentiële groei”. De groep telt intussen 980 leden en ruim 1.300 likes. “Stellen buitenstaanders er vragen over, dan kijken ze tegenwoordig ook vaker nieuwsgierig dan veroordelend”, ondervindt Standaert.

‘Gedoemd om te falen’

Al bots je soms nog tegen een muur van ­clichés, vertelt Nima. “‘Dat is vragen om ­problemen’, zeggen ze dan. Of: ‘Het is een recept gedoemd om te falen.’ Tja, alsof de klassieke monogamie nooit bewezen heeft dat ze faalt.” (lachje)

Waarheid, beamen experts. Kijk naar het torenhoge aantal echtscheidingen: een op de drie huwelijken in ons land loopt op de klippen. En kijk naar alle schuinsmarcheerders: een op de vier Vlamingen gaat vreemd, zo legde de Seksenquête van Telefacts bloot.
“Anno 2018 kunnen we niet zeggen dat ­monogamie de enige plausibele relatievorm is”, stelt seksuologe Goedele Liekens. “Het is geen universeel model dat voor iedereen werkt. Vergeet ook niet dat de meervoudige liefde in heel wat culturen ingebakken zit. Maar dan in de vorm van polygamie of polyandrie, waarbij je met verschillende vrouwen of mannen huwt.”

Polyamoristen zijn immatuur, zo spuwen ­kwatongen. Het zijn eeuwige twijfelaars, ze ­hebben bindingsangst en gaan het liefst zo veel mogelijk van bil. Nogal wat kwalijke misvattingen doen de ronde, betreurt Nina Callens. “En dat ­terwijl polyamoristen er helemaal niet lichtzinnig mee omspringen. Hun communicatie getuigt van een openheid en eerlijkheid die vaak groter is dan bij monogame koppels. Bij die laatsten moet het dikwijls eerst tot een crisis komen vooraleer je tot een eerlijke discussie kunt overgaan: ‘Wat zijn jouw grenzen, wat betekent exclusiviteit voor jou?’ Polyamoristen klaren dat allemaal van ­tevoren uit. Bij hen staat communicatie voorop. Zelf maken ze daar weleens het grapje over: ‘Swingers hebben seks, wij hebben gesprekken.’”

Maar hoe doe je dat, verspreid beminnen? Voorgekauwde scenario’s zijn er niet, klinkt het. Ieder stel schrijft zijn script. Zo vind je koppels waarvan elke partner nog één liefje heeft – ­seksueel of platonisch. Je hebt er die een driehoek maken, of een vierkant. Bij sommigen geldt: ‘Alleen als je elders bent, kan het. Op congres, maar niet hier.’ Anderen kiezen een liefje uit voor elkaar: ‘Alleen met haar mag het.’

Nina Callens: “You name it, en het bestaat. Maar er zijn wel degelijk afspraken. Je slaapt niet zomaar met Jan en alleman, zoals weleens verkeerdelijk wordt gedacht. Het gaat altijd over een gedeelde ‘constructie’, een gedeeld ­zeggenschap. Dat staat haaks op overspel, waar het om een eenzijdige beslissing gaat. Op dat vlak zou je kunnen zeggen: polyamorie is de nieuwe ­monogamie.”

Ethisch slettebakken

Consensuele non-monogamie, zo wordt het ook wel genoemd. De term dook voor het eerst op in het Amerikaanse boek The Ethical Slut uit 1997, de Bijbel voor al wie polyamoreus in het leven staat. Schrijfsters Dossie Easton en Janet W. Hardy gebruikten het woord ‘slet’ als een ­geuzennaam. Volgens hen was het voor vrouwen perfect mogelijk om meerdere liefdesrelaties tegelijk te onderhouden, zonder dat we dat per se als ‘hoerig’ moeten afschilderen. Kortom: ­verantwoord ‘slettebakken’ kan, zolang je het doet met instemming van alle partners.

Is het heet in de VS, dan lopen wij warm. Zo kwam de polyamorie eind jaren 90 ook naar onze contreien overgewaaid. Dat de voortrekkers van verspreide vrijerijen vaak vrouwen zijn, mag niet verbazen, stelt schrijfster Heleen Debruyne, die onder meer in Vuile lakens over het onderwerp publiceerde. “Voor vrouwen kan polyamorie absoluut een bevrijding zijn. Oké, ze hebben de emancipatie gehad, de anticonceptie, ze kunnen buitenshuis werken. Maar als je kijkt hoe de zorg wordt verdeeld – de kinderen, het huishouden –, dan ligt het grootste deel van het werk nog altijd bij hen. Zij ondervinden nog altijd het meeste nadeel van het strikt monogame kerngezin. Veel polyamoristen richten hun leven zodanig in dat ook hun zorgnetwerk groter wordt. Een ziek kind, een emotionele dip: ze hebben dan niet alleen hun partner om op terug te vallen.”

Op dat vlak kunnen we als samenleving nog wat opsteken van de polyamorie, meent Debruyne. “Het is een manier om niet al je ­verwachtingen bij die ene andere te leggen. Nu is je geliefde én beste vriend(in), én vader/moeder van je kroost én moet hij/zij je ook nog eens in hogere sferen brengen in bed. Op die enorme ­verwachtingen lopen veel huwelijken stuk. Zonder daarom zelf polyamorist te worden, kan het wel ons besef doen groeien: wow, misschien moet ik die eisen toch wat bijstellen.”

Polyamorie is een dagtaak, hoor je weleens. Meer zelfs: een carrière. Want iedereen wil ­aandacht, en elke bijkomende relatie vergt tijd en energie. Daarin staat het meerminnen mijlenver af van de vrije liefde in de jaren 60, waar ­wildwippen zonder meer was toegestaan, en ­vrijheid-blijheid het hoogste goed. “Polyamorie is geen hof van Eden”, vertelt Isabelle* (43), die er als twintiger een tijdlang mee experimenteerde. “Het is een kunst die nogal wat mentale ­veerkracht en een aardige dosis emotionele ­intelligentie vereist.”

Aanvulrelaties

Isabelle was nog jong en onbeschreven toen ze haar man leerde kennen. “Ik wist: hij is het. Maar ik dacht ook: ‘Shit, mag ik nu de komende zestig jaar met geen enkele andere man een verbintenis aangaan?’ Erg beklemmend vond ik dat. Toen hebben we allebei een tijdlang een aanvulrelatie gehad – of hoe noem je zoiets? Tussen ons als koppel ging dat prima. Maar na verloop van tijd konden onze liefjes niet meer aanvaarden dat zij niet op de eerste plaats kwamen. Voor ons was dat best lollig, wij hadden onze pleziertjes. Maar in de liefde draait het niet alleen om plezier, wij deden hen op die manier ook wel pijn. Daarop zijn die relaties dan gestrand. Al bij al zijn er maar weinigen die het lang volhouden, denk ik.”

Heel wat polyamoristen worstelen daarmee, erkent Goedele Liekens. “Velen haken af. Niet per se vanuit een teleurstelling, vaak zijn de uitdagingen gewoon te groot. Eerlijk gezegd, het lijkt mij ook ontzettend vermoeiend. My god! (slaakt een speelse zucht) Ik vind het al zo moeilijk om met één iemand een relatie te hebben. Nochtans, ­ polyamoristen vertellen me net dat ze er zoveel energie van krijgen, omdat ze bij elk van hun ­partners een ander deel van hun behoeftes ­ingevuld krijgen. Maar dan maak ik me de ­bedenking: hoe veeleisend kunnen we zijn? Moeten al onze verlangens beantwoord worden? Dat is ook weer de tijdsgeest. We nemen geen genoegen meer met één keer per jaar naar de zee te rijden, zoals vroeger. We willen ook op citytrip én op skiverlof. Dat uit zich ook in de liefde.”

Verandering van spijs doet eten? Daar is ­helemaal niks gulzig aan, vindt de Nederlandse schrijfster-filosofe Simon(e) van Saarloos (28). Als “eeuwige single in verbinding” onderhoudt ze meerdere open relaties met mannen en vrouwen. “Denk aan het bekende gezegde: ‘It takes a village to raise a child’. In onze kindertijd worden de liefde en de lessen van verschillende mensen als een noodzakelijke verrijking gezien. Waarom zou dat belang op latere leeftijd zomaar wegvallen? Waarom staat daar de onuitgesproken overtuiging tegenover dat er maar één partner nodig is om ons als volwassene compleet te maken?”

In haar boek Het monogame drama pende Van Saarloos een pleidooi neer voor meer multi-intimiteit. “Kijk naar Facebook, waar je drie opties hebt”, vertelt ze. “Je bent single, je hebt een relatie of ‘it’s complicated’. Ik zou willen zeggen: het is altijd ingewikkeld. Niet dat we de romantiek ­moeten verwerpen, we moeten haar alleen meer delen. De gehamsterde vorm ervan zoals we die nu zien – exclusief beleefd en geuit tussen twee mensen – moet verdwijnen.”

Maar toch: een relatie openstellen, het gebeurt niet zelden met een klein hartje. ‘Hoe groot is het risico dat mijn partner het met die ander zal afbollen?’ Het is een vraag die seksuologen wel vaker voorgeschoteld krijgen van wie het ­polyamoreuze pad op wil. “Open grenzen zullen de intimiteit binnen het koppel niet noodzakelijk uithollen”, stelt Nina Callens gerust. “Integendeel, het kan versterkend werken. Ga het maar eens na bij jezelf: wanneer voel jij je het meest aangetrokken tot je partner? Het antwoord is dikwijls: ‘Wanneer een ander zich tot mijn lief aangetrokken voelt.’ De triangulaire blik heet dat. Niks zo erotisch als je partner door de ogen van een derde te zien.”

Maar als die ander zo leuk is, ben ik dan ­minder tof? Krijg ik dan minder liefde? Het idee alleen al jaagt ons makkelijk de daver op het lijf. ‘We leven in een starvation economy’, schrijven Dossie Easton en Janet W. Hardy in The Ethical Slut. ‘We zijn bang om uit te hongeren: hoe meer liefde mijn partner voor een ander voelt, hoe ­minder er voor mij overblijft.’ Maar, zo sussen ze, kijk naar ouders met twee kinderen: zij houden toch niet minder van hun tweede kind dan van hun eerstgeborene?

Klopt, zo maakt Simon(e) van Saarloos zich sterk: “Als niet-monogaam persoon ervaar je waarschijnlijk net méér liefde. Want een bestaande liefde brandt niet per se op wanneer er een nieuwe bij komt.”

Veel buitenstaanders zien de liefde als een taart, vertelt Peter* (37), bijna een jaar ingewijd in de polyamorie. “Verdeel je die taart in tweeën, dan heeft iedereen minder. Zo zit er altijd verlies op. Terwijl wij net het gevoel hebben dat de taart alleen maar groter wordt.”

De vrouw met wie Peter lief, lijf en leed deelt, is al acht jaar getrouwd. Een huwelijk bezegeld met twee jonge kinderen. Als we Peter spreken, heeft hij net de oudste zwemles gegeven. “De kinderen vragen me soms ook om een verhaaltje voor te lezen. Eerst had ik dat niet verwacht, maar die band is geleidelijk gegroeid.”

Dat Peter met mama de lakens deelt, weten ze niet. Nog niet. “We wachten op het juiste moment. Mijn lief heeft wel al in bedekte termen gepolst. Of het oké zou zijn als mama met andere mensen zou kussen? ‘Nee’, antwoordden ze ­stellig. (lacht) Maar zodra ze eraan toevoegde: ‘En wat als papa ermee akkoord zou gaan?’ ‘Ha ja, dán wel.’”

Jaloezie

Opgroeien in een polyamoreuze setting is “onschadelijk” voor kinderen, zo gaf de Amerikaanse expert Elisabeth Sheff al aan. Ja, ze botsen soms op niet-begrijpende blikken van ­buitenaf. Maar ze hebben wel meer figuren rondom zich voor een veilige hechting. “Ook wij zien het als een win-win-winsituatie”, zegt Peter. “De man van mijn lief werkt vaak in het ­buitenland. Voor hem is dat een pluspunt: weten dat ik thuis kan bijspringen, zonder een extra papa te zijn.”

Zowat een jaar geleden gebeurde het, op ­teamweekend met het werk: zij was ziek, Peter bezorgd. Op het terras van het hotel spraken ze ook hun gevoelens uit. “Daar hebben we meteen beslist: hier gebeurt niks, zonder dat haar man er oké mee is. Daar zit het grote verschil met wat we in onze omgeving weleens zien: wij wilden niet in een situatie terechtkomen van leugens en bedrog. Vrienden hebben me al gezegd: ‘Maak je geen ­illusies, ze zal nooit met haar man breken voor jou.’ Maar dat is ook helemaal mijn bedoeling niet. Meer nog: het zou voor mij bijna een falen zijn mocht hun relatie niet standhouden.”

Tuurlijk is polyamorie geen hoeraverhaal. Ja, er is verdriet. En ja, de jaloezie sluipt er weleens in als een gif. “Maar terwijl die jaloezie bij monogame koppels vaak tot een afschuwelijke crisis leidt, zal ze bij polyamoristen eerder de basis vormen voor een goed gesprek”, vergelijkt Heleen Debruyne fijntjes.

Isabelle, ondertussen weer jaren monogaam, moet er smakelijk om lachen: “Eerlijk waar, nu is er veel meer jaloezie tussen ons dan toen. (lacht) De context was helemaal anders. Als mijn man nu nog maar met een andere vrouw afspreekt, denk ik al: hela, wat krijgen we nu? Omgekeerd ook: je zou zijn blik moeten zien als een andere man mij nog maar een compliment geeft. ­(schatert)”

Maar hoe groen lach je dan als je, zoals Nima, te slikken krijgt hoe fijn die stomende seks met de ander was? “Er kan zeker jaloezie opspelen”, bekent hij. “Maar ik voelde het nog nooit ­tegenover haar lief. In het begin van onze relatie had ik het wel lastig, toen ze me op een keer ­doodleuk vertelde dat ze met nog een ander naar bed was geweest. Dat maakte me erg onzeker: zal híj mijn plaats nu innemen?”

Veel belangrijker dan jaloezie, zo benadrukken kenners, is het haast tegenovergestelde gevoel: dat van compersie. Ook bekend als het ‘jalief-gevoel’. Je bent oprecht blij voor je partner omdat die het naar zijn zin heeft met die ander, hoe ­hitsig het er ook aan toegaat.

Peter: “Voor sommigen is dat moeilijk te ­vatten. Een vriend van mijn lief gaf ooit aan dat hij zijn vrouw dat nooit zou kunnen toelaten. Hij moet haar enige provider van liefde zijn. Maar hoe bezitterig is dat? Hoe romantisch is die ­exclusiviteit?”

Niet voor binnenvetters

Volgens een recent grootschalig onderzoek in de VS, afgedrukt in The Journal of Sex & Marital Therapy, had een op de vijf Amerikanen al ­ervaring met non-monogamie. Niet zo’n ­zeldzaam fenomeen meer dus. Zullen ook wij hier meer naar evolueren? “Graag”, hoopt Heleen Debruyne. “Nu zijn we vooral naar seriële ­monogamie geëvolueerd. Zijn we klaar met de ene, dan gaan we – hop – naar de volgende partner. Nogal deprimerend, niet? Polyamorie kan daar een uitweg uit zijn. Je zou dan met die ene partner een huis en diepe vriendschap kunnen delen, om daarnaast andere romances aan te gaan. In plaats van, zoals nu vaak gebeurt, ­meteen alles overboord te gooien.”

Al is de polyamorie niet voor iedereen ­weggelegd, benadrukt Goedele Liekens. Al zeker niet voor de binnenvetters onder ons. “Het kan alleen maar slagen als je bijzonder goed met je partner kunt praten, ook over de moeilijke ­gevoelens. Je moet toch sterk in je schoenen staan. Als je ziet dat je partner de hele tijd loopt te whatsappen met zijn lief, om dan een romantisch weekendje Parijs te boeken. Dan denk je: ­verdorie, dat heeft hij met mij de voorbije vijf jaar niet gedaan. Maar laten we wel wezen: dat gebeurt in monogame relaties ook, maar dan achter het gat.”

Ontrouw

Al zal de meervoudige liefde het overspel nog niet uit de wereld helpen, voegt Nina Callens eraan toe. “Ook binnen de polyamorie kan ontrouw bestaan. Cru gezegd: er zullen er altijd over het hek klimmen, zelfs al staan de deuren wagenwijd open.”

Afgelopen zaterdagavond, op café. Op Nima’s telefoon flitst een foto binnen. Zijn lief. Een luide lach: “Heeft ze die nu vanuit een toilet verstuurd?” (verliefde grijns) “We lijken wel pubers die berichten sturen.” Dat hij haar best wel vaker zou willen zien, vertelt hij. Maar ook: dat hij die ruimte nodig heeft, het kúnnen missen. Het kúnnen opgaan in vrijerijen met anderen. Nima: “Al heb ik daar niet veel nood aan nu. Ik ben zo hard aan het flashen op haar, niet normaal. Weet je, mijn hele leven al heb ik het gevoel dat er niet zoiets bestaat als dé juiste. Tot nu.”

(*) Omwille van de privacy zijn de namen van sommige getuigen veranderd.

 

Boek: Diagnosedrift

Essay Diagnosedrift

Laat die diagnose eens zitten en kijk hoe een kind wél tot bloei komt

Dat kinderen vaak diagnoses krijgen als adhd en autisme heeft ermee te maken dat onze samenleving zo individualistisch is geworden, betoogt Sanne Bloemink. Niemand is bij zulke labels gebaat, het kind niet, maar de gemeenschap zeker ook niet.

De Volkskrant – Sanne Bloemink – 26 oktober 2018

‘Nou, ga zitten’, zegt de juf als Eva binnenkomt op de ouderavond van haar zoontje Roemer.

De juf zit tegenover haar met de armen over elkaar en slaakt een diepe zucht: ‘Tja, wat is er nou mis met die jongen?’ Eva voelt zich overrompeld door haar vraag. ‘Ja, ik weet het niet precies,’ zegt ze. ‘Ik probeer er ook achter te komen.’

Eva en haar man hebben veel vragen over de 6-jarige Roemer, hun enige kind. Roemer is sociaal soms onhandig, onzeker ook. Hij houdt van tekenen, zit niet op allemaal clubjes, draagt geen merkkleding. Hij wil anders zijn, maar kan er tegelijkertijd niet goed mee omgaan als daar dan op wordt gereageerd. Misschien is hij gewoon niet zo ‘Goois’ als de andere jongetjes hier.

Roemer lijkt ontzettend op zijn vader, zegt Eva tegen de juf: ook niet iemand die gelijk het achterste van zijn tong laat zien. En dan, in dat gesprek met de juf, valt de term Asperger. ‘Ik weet niet meer of die juf dat nou gezegd heeft of dat ik daar zelf mee kwam’, zal Eva later vertellen. ‘Het voelde in ieder geval alsof er hoognodig een diagnose moest worden gesteld. Omdat dit gedrag niet normaal was.’

Eva is een van de ouders die ik sprak voor mijn boek Diagnosedrift. En het gesprek tussen de juf en Eva is exemplarisch voor een zorgelijke trend: steeds meer kinderen in Nederland krijgen een label opgeplakt, van psychiatrische diagnoses als adhd en autisme, tot etiketten als hoogbegaafdheid en dyslexie. Het aantal recepten voor adhd-medicatie (methylfenidaat) voor jeugdigen van 4 tot 18 jaar is in een periode van tien jaar (2003-2013) verviervoudigd (Gezondheidsraad, 2014). In 2016 zei 3,5 procent van de ouders van kinderen tussen de vier en twaalf jaar dat hun kind autisme heeft – terwijl wereldwijd de prevalentie van autisme tussen de 0,6 en 1 procent ligt. Uit onderzoek blijkt dat op een aanzienlijk deel van de scholen tussen de 10 en 19 procent van de leerlingen een dyslexieverklaring krijgt voor de eindtoets. En dat terwijl dyslexie volgens wetenschappers maar bij 3 tot 5 procent van van de leerlingen voorkomt.

Veel van deze ‘gelabelde’ kinderen vinden hun weg naar de professionele jeugdzorg. In 2015 kregen bijna 366 duizend jongeren jeugdzorg, vorig jaar waren dat er 405 duizend, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek in april. Gemeenten komen door deze toename steeds vaker in de rode cijfers. Vorige week nog bleek dat negentig gemeenten zelfs een beroep doen op een noodfonds voor het aanvullen van tekorten die zijn ontstaan door de uitdijende jeugdzorg. Tegelijkertijd lees ik keer op keer dat kinderen in Nederland tot de gelukkigste ter wereld behoren. Wat is er toch met onze kinderen aan de hand? Of liever: wat is er met ons aan de hand?

Terug naar Eva. Die is in dat gesprek met de juf helemaal niet uit op een diagnose. Maar de juf brengt het ‘probleem’ met Roemer ter sprake, en raakt daarbij een gevoelige snaar. Vanaf Roemers geboorte heeft Eva zijn ontwikkeling gevolgd met behulp van groeicurves en gemiddelden, via Google-zoekopdrachten en opvoedbladen. Ze is een toegewijde moeder. Als blijkt dat er iets ‘mis’ is, dan moet ze hem toch helpen? Stel dat het zijn schoolprestaties gaat beïnvloeden?

Ook de juf doet precies wat er van haar wordt verwacht. Zij hoort psychische problemen te signaleren en ouders over haar bevindingen te informeren. Waar we vroeger veelal zochten naar pedagogische en onderwijskundige oplossingen voor problemen van kinderen, vestigen we de aandacht nu op het individuele kind, en dan vooral op het brein. Historisch onderzoek laat zien dat er altijd al drukke, ongeconcentreerde of minder sociale kinderen zijn geweest, maar dat we in het verleden sneller genoegen namen met andere oplossingen. We zeiden bijvoorbeeld: ga maar een vak leren. Nu wordt bijna de helft van de kinderen hoger opgeleid. Terwijl er nog steeds veel kinderen zijn die beter tot hun recht zouden komen als ze niet verplicht een theoretische leerweg zouden moeten volgen.

Schuld

Zowel juf als moeder willen Roemer helpen en in hun ijver komen ze al snel uit bij een diagnose als de beste oplossing. Dan krijgt immers niemand de ‘schuld’, want de problemen zitten in de hersenen van Roemer. Het is makkelijker om het kind van een diagnose te voorzien dan je als school of als gezin af te vragen wat je kunt doen om meer ruimte te geven aan kinderen die anders zijn.

En dus horen we op het schoolplein dat de juf haar handen vol heeft aan die klas vol ‘probleemkinderen’. Dat die ouders om de hoek op hun laatste tandvlees lopen met het drukke gedrag van hun adhd-zoontje en dat we meisjes veel vaker moeten testen op autisme, want wisten we eigenlijk wel dat die diagnose bij meisjes vaak over het hoofd wordt gezien? Het gesprek gaat over de diagnose en niet over ons. Want waarom kan het drukke jongetje niet af en toe een rondje om het schoolplein rennen? Waarom heeft dat jongetje eigenlijk alleen maar last van zijn ‘symptomen’ als hij op school stil moet zitten? Waarom kan het moeilijk lezende meisje niet meer tijd krijgen voor toetsen?
Waarom is daar eigenlijk een officiële diagnose voor nodig? En waarom komt niemand erachter dat het meisje dat eindeloos getest wordt op autisme ernstig wordt verwaarloosd door haar ouders?

Ik sprak voor mijn boek niet alleen ouders en verzorgers, maar ook leerkrachten, psychologen, psychiaters en andere experts. En ik raakte ervan overtuigd dat vrijwel niemand gelukkig is met het groeiende aantal diagnoses onder kinderen. Het is een situatie die we met ons allen, als collectief, veroorzaken. Het ligt niet aan de ouders die te veel eisen van hun kinderen (of ze juist te veel vertroetelen), het ligt niet aan de leerkrachten die te veel op de stoel van de psychiater gaan zitten. En natuurlijk kunnen psychiaters minder pillen voorschrijven. Maar er is niet één schuldige, het is een complex systeem waar iedereen aan bijdraagt. Een logge tanker die moeilijk valt te keren.

Excellent

Een belangrijke achterliggende oorzaak van al die labels is de grote nadruk op de individuele, cognitieve vermogens van kinderen in onze maatschappij. Zo lijkt het hoogst haalbare voor een kind op dit moment het predikaat ‘excellent’. Maar de vraag is: excellent waarin? De ongeschreven regel luidt dat excellentie vooral tot uiting komt in cognitieve vaardigheden: Cito-toets, vwo, University College. Een neurowetenschapper die een bepaald gen in de hersenen heeft onderzocht, noemen we ‘excellent’, maar een verpleegkundige die talloze mensen heeft geholpen wordt hooguit ‘medewerker van de maand’.

Misschien horen kinderen op school dat aardig zijn en samenwerken goed is en verstandig, dat iedereen ‘zichzelf mag zijn’ en mag ‘groeien’ in zijn ‘eigen tempo’, maar in de praktijk leren kinderen snel genoeg dat het uiteindelijk gaat om de individuele, cognitieve schoolresultaten. En die gaan nu eenmaal niet omhoog door vriendelijkheid, maar door testscores.

Als een kind een klasgenoot helpt met rekenen, dan is er al snel de vrees: wordt hij voldoende uitgedaagd, verveelt hij zich niet? Is de plusklas misschien een optie? We denken daarmee vanuit het ‘eigen kind eerst’-principe. Maar zouden we dit gedrag niet juist moeten zien als een boost voor de ontwikkeling van het kind én van de groep?

Zolang onze benadering van kinderen binnen opvoeding en onderwijs zich blijft richten op individueel en cognitief presteren, op basis van rendementsdenken, zonder visie op samenleven en zonder collectieve doelen, ontwikkelen kinderen geen empathie en worden ze louter afgerekend op hun scores. De kinderen die niet passen in de steeds smaller wordende mal van ‘normaliteit’, vallen buiten de boot. Hun rest thuisblijven of particulier onderwijs. Of doorgaan op de reguliere school. Mét een diagnose.

Sommige ouders vroegen mij wat het probleem nu precies was. So what als mijn kind dat stempeltje heeft? Is het niet fantastisch dat Jip zich met zijn pilletjes nu veel beter kan concentreren op school?

Maar zelfs als we de chronische tekorten in de jeugdzorg negeren, zijn ook kinderen zelf vaak niet gebaat bij een diagnose. Een diagnose kan via een self fulfilling prophecy namelijk juist leiden tot het gediagnosticeerde gedrag. If men define situations as real, they are real in their consequences, zo luidt het zogeheten Thomas-theorema. Als bepaald gedrag eenmaal is geclassificeerd als een officieel erkend ‘hersenprobleem’, zal het kind zich gaan aanpassen aan deze definitie: ‘Nee, ik kan niet zo goed met anderen rekening houden, want ik heb autisme.’

Het Pygmalion-effect zorgt er bovendien voor dat ook de omgeving de verwachtingen van kinderen met een diagnose bijstelt: ‘Dat kan Tim niet, want hij heeft adhd.’ Dit kan leiden tot een neerwaartse spiraal met serieuze gevolgen. Zo lees ik dat 85 procent van de arbeidsongeschikte jongeren onder de 25 jaar thuiszit om psychische redenen. Hoe oud waren deze jongeren toen ze hun eerste diagnose ontvingen?

Een van de meest ingrijpende gevolgen van de eenzijdige focus op individuele symptomen is dat we het zicht op ernstige gevallen van kindermishandeling kwijtraken. Diagnosedrift leidt tot overdiagnose van individuele hersenproblemen van een grote groep kinderen, terwijl er tegelijkertijd sprake is van onderdiagnose van omgevingsproblemen als kindermishandeling en verwaarlozing. Signalen uit de psychiatrie wijzen erop dat deze ernstige problemen juist op grote schaal worden gemist en daarmee doen we deze groep kinderen ernstig tekort.

Klimaatverandering

De nadruk op individualiteit en cognitie doet niet alleen kinderen tekort; het is ook helemaal niet waar de wereld op zit te wachten. De grote uitdagingen van onze tijd – klimaatverandering, onze relatie met technologie – kunnen niet alleen worden opgelost door dat ene individuele genie dat zo hoog scoorde op de Cito-toets; daarvoor hebben we juist meer samenwerking nodig tussen mensen die grondig van elkaar verschillen en elkaar kunnen aanvullen. De collectieve ‘scenius’, de intelligentie van een ‘scene’, een omgeving, een netwerk, kan hele andere problemen oplossen dan het enkelvoudige, individueel briljante ‘genius’. In de kunst, wetenschap en technologie dringt dit al steeds meer door. Zo wordt momenteel veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar collectieve intelligentie van mierenkolonies, bijen en vogelzwermen, terwijl dergelijke voorbeelden uit de natuur weer een grote inspiratiebron vormen voor nieuwe technologie.

Collectieve intelligentie groeit niet door steeds meer kinderen van een diagnose te voorzien, maar juist door ze te leren wat de waarde is van verschil. Zodat Eva en de juf niet meer samen op zoek hoeven te gaan naar een diagnose voor een stoornis, maar met elkaar bespreken hoe Roemer zowel thuis als op school het best tot bloei kan komen.

Journalist en schrijver

Journalist Sanne Bloemink verruilde een loopbaan in de advocatuur voor het schrijverschap. Haar nieuwe boek Diagnosedrift. Hoe onze labelcultuur kinderen tekort doet verschijnt op 31 oktober bij Amsterdam University Press.

Levensadvies

“Levensadvies nummer één: zorg ervoor dat je je altijd blijft wassen”

De Morgen – 29-10-2018 – Stef Selslagh

Op vrijdag 21 september overleed Pierre Janssens (78): echtgenoot van Christa, vader van Philippe. Pierre was een optimist: zelfs in modderige stadsbouwwerven zag hij potentiële schoonheid. Drie weken voor zijn dood noteerden we zijn boodschap voor de toekomstige generaties: “Alles is mooi. Zelfs wat lelijk is.”

Pierre Janssens had kanker. Al vier jaar. Eerst bevonden de kankercellen van Pierre zich ter hoogte van zijn buikvlies. Maar toen het daar wat te krap werd, weken ze ook uit naar andere delen van zijn lichaam. Gedurende acht maanden probeerden de dokters van de Stuyvenbergkliniek Pierres kankercellen met geneeskundig artilleriegeschut te verjagen. Tot hun medische munitie op was en hen niets anders restte dan Pierre te vertellen dat hij zou sterven. Ze zeiden het niet letterlijk. Ze zeiden: ‘Er is een plaats vrijgekomen op de palliatieve afdeling van het Sint-Erasmusziekenhuis.’ Sommige woorden stel je liever nog even uit.

Toen ik de kamer van Pierre binnenkwam, zat hij kaarsrecht in zijn zetel. Hij droeg een zwarte bolhoed: een van de twee exemplaren die hij van een ex-collega had gekregen. ‘Dan kunt ge hier af en toe Jansen en Janssen spelen’, had de ex-collega gezegd, refererend aan de jolige tweelingdetectives uit Kuifje. Pierre was blij met het cadeau. “Ik vind dat ik er goed uitzie met mijn bolhoed. En aangezien ik er twee heb, kan ik er ook andere hoofden een plezier mee doen. Een paar dagen geleden zat ik hier met vier mensen, waarvan er drie Janssens heten. We hadden nog een bolhoed te weinig.” (lacht)

Sinds Magritte is de bolhoed een symbool van surrealisme en zelfrelativering. Het zijn twee begrippen die wonderwel bij Pierre pasten: hij sidderde niet voor de dood, hij hield haar spottend op een afstand. “Het is niet omdat ik aan het sterven ben dat iedereen al moet beginnen te rouwen”, zei hij. “Ik heb niet graag dat de mensen zeggen: ‘Ocharme toch’. Ik weet wat mij wat te wachten staat. Maar ik hoef er niet voortdurend aan herinnerd te worden. Ik zou graag nog een tijdje het zotteke uithangen.”Liefde in de soep

Toch was Pierre bij het inchecken op de palliatieve afdeling een wrak, zei hij. “Ik zag er zo wit uit als een blad papier. Alsof mijn bloed al uit mijn lichaam was weggetrokken. Had je mij toen gezien, je zou gezegd hebben: ‘Die mens houdt het geen week meer vol.’ Maar de verzorgers hebben mij er weer bovenop geholpen. Ik ben hier geen patiënt, maar een gast. In een vijfsterrenhotel. Vandaag kreeg ik tomatensoep met ballekes. Ik zweer je: er zat liefde in die soep. “

“Een maand geleden dacht ik nog: ik ben er klaar mee, het licht mag uit. Maar nu moet het licht vooral blijven branden. In ieder geval nog tot de 29ste november. Dan zijn mijn vrouw en ik 60 jaar samen. Als ik die dag haal, hang ik de vlag uit.”

Pierre groeide op in het Antwerpse Schipperskwartier, toen dat nog een volkswijk was waarin scheepslieden, hangjongeren en straatprostituées over de trottoirs heersten. Zijn vader was schoenmaker, zijn moeder huisvrouw. Op zijn vijftiende verruilde hij zijn statuut van scholier voor dat van helper-electricien. ‘Een man van eenvoudige komaf’, mag ik hem met zijn goedvinden noemen. ‘Maar allesbehalve een simpele geest’, voeg ik daar met enige nadruk aan toe.

Nadat we elkaar een kwartier verbaal besnuffeld hadden, zei ik Pierre dat de notaris in mezelf klaar was om zijn geestelijke testament op te stellen: zijn levensbeschouwelijke erfenis, zijn adviezen voor de mensheid, zijn hoogstpersoonlijke antwoord op de vraag: wat moeten de toekomstige generaties weten om een goed leven te leiden? Hij kwam niet aanzetten met dure oneliners, maar met eenvoudige, bruikbare levenstips. Soms heb je meer aan een praktische handleiding dan aan een diepzinnig traktaat.

“Levensadvies nummer één: zorg ervoor dat je je altijd blijft wassen”, zei Pierre. “En dat je elke dag propere kleren aantrekt. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar toch leg ik er de nadruk op. Ik ben in mijn leven dikwijls moe opgestaan, maar zodra ik mij gewassen en geschoren had, voelde ik mij telkens als herboren. Zelfs nu heb ik dat nog. Ik lig in een palliatief centrum, ik zou mij gemakkelijk kunnen laten gaan. Maar ik doe het niet. Ik heb geen zin om er als een sukkelaar bij te lopen. Jezelf verzorgen, is een noodzakelijke vorm van eigenliefde: andere mensen zullen je maar graag zien als jij jezelf graag ziet.”
“Advies nummer twee: leer jezelf te uiten. Als het niet goed met je gaat, zeg dan: ‘Het gaat niet goed met mij.’ Als je een probleem hebt met iemand, zeg dan: ‘Ik heb een probleem met jou.’ Je moeilijkheden benoemen, helpt om ze te overwinnen. Je mag nooit ergens mee blijven zitten. Of toch niet langer dan nodig.”

Hij maakte een zijsprongetje naar zijn huwelijk met Christa, een Duitse schone die hij al 54 jaar zijn wettige one and only mocht noemen. “Het heeft in ons huwelijk – zoals in alle huwelijken – nu en dan gestormd. Maar Christa en ik zijn altijd met een kuske gaan slapen. Ruzies werden de dag zelf nog bijgelegd. En we stonden er de dag nadien niet meer mee op. Belangrijk, geloof mij.”

“Ook cruciaal in het leven: het gezelschap van anderen opzoeken. Vooral op het werk. Verstop je niet achter je bureau, maar praat met je collega’s. Je ziet hen vaker dan je vrouw, je kan er dus maar beter goed mee opschieten. En als je niet weet waarover je met hen moet babbelen, vraag dan naar hun kinderen. Dat werkt altijd. Ik bleef na het werk regelmatig plakken. Om nog wat na te praten en een borreltje te drinken. Maar ik ben nooit zat naar huis gegaan. Anders werden er thuis patatten met ambras geserveerd.” (lacht)Plichtsbewust

“Ik ben 37 jaar klerk geweest bij de stad Antwerpen. Ik heb mijn werk altijd plichtsbewust gedaan, maar ook veel plezier gemaakt. Ooit vroeg een collega mij: ‘Pierre, kan ik op u rekenen?’ Ik antwoordde: ‘Natuurlijk.’ Waarop hij op mijn kale kop met een stift een rekensommetje begon te maken. ‘Zit stil’, zei hij. (lacht) Ik kon daar om lachen, ja. Het is belangrijk om nu en dan de clown uit te hangen. We zouden dat met z’n allen zelfs wat vaker moeten doen. Het leven is te kort om een zuurpruim te zijn.”

Twee woorden mochten in de morele erfenis van Pierre niet ontbreken: denk positief. Alles is mooi, zei hij. Zelfs wat lelijk is. “Als het regent, kan je op twee manieren reageren. Ofwel zeg je: ‘Het regent. We kunnen weer niet in de tuin zitten.’ Ofwel zeg je: ‘Het regent. Dat is goed voor de plantjes.’ Ik kies voor het laatste. Ik kan het toch niet doen stoppen met regenen. Waarom zou ik er dan over zagen? Antwerpen is momenteel één grote werf: overal zijn er wegomleidingen, er zijn nauwelijks straten die niet opgebroken zijn. En toch denk ik niet: wat een ellende. Ik denk: de stad gaat prachtig zijn als dat hier allemaal klaar is. Alles komt altijd goed, daar ben ik van overtuigd. Ik denk dat we zelfs de opwarming van de aarde nog op tijd gaan tegenhouden. Er zal wel eens iemand elektrische Boeings uitvinden, zeker?” (lacht)

Is een optimistische inborst een cadeau van de schepper of kan je goedgemutstheid kweken, vroeg ik. “Je kan er aan werken. Door niet altijd te denken dat vroeger alles beter was, bijvoorbeeld. Er wordt vaak geklaagd over de hangjongeren in de stad. Maar denk je dat die er vroeger niet waren? Natuurlijk wel. De wereld is echt niet naar de haaien aan het gaan. Integendeel zelfs.”

“Over Donald Trump maak ik me wel zorgen. Ik denk dat hij op oorlog uit is. Dat hij met zijn kapitaal in allerlei wapenbedrijven zit en zijn presidentschap zal misbruiken om de waarde van die bedrijven op te krikken. Maar goed. Ook Trump zullen we wel te boven komen. Ik zei het al: ik ben een optimist. Tot in de …” (glimlacht)

Er nestelde zich een brok in zijn keel, ik pakte zijn hand vast tot hij zijn droefheid had weggeslikt. “Er moet nog iets anders in mijn testament: dat iedereen die er de middelen voor heeft zoveel mogelijk moet reizen.” Hij hield een wanderlust-pleidooi dat me deed denken aan een citaat van de Amerikaanse schrijver T.S. Eliot: ‘We shall not cease from exploration, and the end of all our exploring will be to arrive where we started and know the place for the first time.’ Alleen formuleerde Pierre het als volgt: “Reizen is zoals veranderen van behangpapier: het doet je anders kijken naar wat je thuis hebt. Ik ben met Christa onder meer naar Rusland, China, Cambodja, Myanmar, Ethiopië en Peru geweest. Die reizen hebben mij geleerd dat het hier verdomd goed leven is. In Ethiopië moeten de mensen een hele dag wandelen om een emmer met water te kunnen vullen. Wij hoeven maar aan een kraantje te draaien en klaar. Veel mensen beseffen dat niet. Daarom zeg ik: zorg regelmatig voor un changement de décor. Ga eens kijken hoe andere mensen leven. Het zal je leven in België in een duidelijker perspectief plaatsen.”

Vaderschap

Ik informeerde of er in zijn testament nog plaats was voor goedbedoeld advies ter attentie van debuterende papa’s. Per slot van rekening had hij zelf al 56 jaar ervaring met het vaderschap. “Sta open voor je kinderen”, zei hij. “Praat ermee. Maar verwen ze niet. Als ze je iets vragen, weiger dan regelmatig. Daar doe je hen op termijn een groter plezier mee dan met altijd maar toe te geven. Kinderen moeten leren dat niks vanzelf gaat. Philippe, mijn zoon van 56, heeft rechten gestudeerd. Om zijn studies te kunnen betalen, heb ik jarenlang bijgeklust in de bibliotheek. Ik wilde hem tonen dat je moet werken om ergens te geraken. Die boodschap heeft hij opgepikt: hij heeft vandaag zijn eigen advocatenpraktijk in de Duboisstraat. En hij is geweldig goed bezig. Ik mag toch efkens reclame maken, hè?”

Er viel een stilte. Ik zag aan het gezicht van Pierre dat zijn gedachten alle kanten opgingen. Toen hij opnieuw begon te praten, klonk zijn stem heser dan voorheen. “Ik hoop dat mijn vrouw de moed erin houdt als ik er niet meer ben. Dat ze zichzelf niet opsluit. Volgende week is er in onze straat een feest. Maar ze wil er niet naartoe. ‘Ik moet hier bij jou zijn’, zegt ze. Maar ze moet helemaal niet bij mij zijn, ze moet naar dat straatfeest gaan. Ik wil dat ze onder de mensen blijft komen.”

En toen wonnen de tranen van Pierre het alsnog van zijn glimlach. “Ik vind het verschrikkelijk dat mijn vrouw straks alleen achterblijft. Als ik verdriet heb, is het omwille van haar. We proberen wel te praten over haar toekomstige leven als weduwe, maar dat houden we nooit lang vol: binnen de kortste keren zijn we allebei aan het wenen.”

We schoven de bandopnemer aan de kant en bladerden samen in het foto-album waarmee hij en Christa hun reis naar Ethiopië al honderd keer hadden overgedaan. Het ophalen van herinneringen uit verre continenten deed hem deugd. “De aarde is zo’n mooie blauwe bol”, zei hij. “We moeten er zuinig op zijn. Zet dat ook maar in mijn testament: dat mijn opvolgers onze planeet moeten soigneren.”

Hij nam een slok water en zette zijn bolhoed recht. “Vroeger blikte ik nooit terug op mijn leven. Geen tijd voor. Maar tegenwoordig doe ik bijna niks anders. (lachje) Gelukkig is de balans positief. Ik heb veel kunnen reizen, ben altijd graag gaan werken en heb bij mijn weten nooit iemand pijn gedaan.”

Ik vroeg Pierre of we zijn geestelijk testament als voltooid konden beschouwen. Hij knikte. “Hoe lang hebben wij nu gebabbeld? Twee uur? Dat is voorbijgevlogen.”

Dat die laatste zin wellicht op zijn hele leven van toepassing is, zei ik maar niét. Christa was onderweg. Er was op dat moment alleen maar toekomst.

Met dank aan Guy Davidson en Dominique Daemen, respectievelijk diensthoofd en verpleegkundige op de palliatieve afdeling van het Sint-Erasmusziekenhuis in Antwerpen.

Durf te twijfelen

Durf te twijfelen, en je wereld wordt zoveel groter
Brainwash – Maartje Wortel

Als ik een verhaal begin, dwaal ik meestal nogal af. Gelukkig hoort dat bij dit onderwerp; de schrijver die mijn denken heeft beïnvloed dwaalt in haar werk voortdurend af en laat de lezer ook zoekend achter. Haar naam is Clarice Lispector. De Groene Amsterdammer omschrijft haar als iemand met een intelligent hart. Een aantal jaar geleden kreeg ik haar boek Het uur van de ster voor mijn verjaardag cadeau en sindsdien ben ik onbedaarlijk verliefd op haar. Ik zal je niet te veel vermoeien met mijn verliefdheden, maar ik wil je wel graag vertellen waarom Clarice Lispector zo’n groot schrijver is en waarom ik het specifiek over haar en haar werk wil hebben.

Allereerst even de feiten: Clarice Lispector werd op 10 december 1954 in de Oekraïne geboren. Haar ouders vluchtten met haar naar Brazilië toen ze twee maanden oud was. In Brazilië schreef ze dagelijks stukjes voor de krant (die overigens zijn gebundeld in het boek De ontdekking van de wereld). Ze geniet een heldenstatus in dat land. Fans brachten haar octopussen, borden rijst, zelfgebreide truien, belden aan met huwelijksaanzoeken. Ze viel ooit in bed in slaap met een brandende sigaret in haar handen, waardoor ze haar rechterhand bijna niet meer kon gebruiken. In 1977 stierf Lispector één dag voor haar 57e verjaardag aan de gevolgen van kanker.

Ze zei eens over zichzelf: ‘Ik ben zo mysterieus dat ik mezelf niet begrijp.’ En dat typeert haar en haar werk volledig. Er is weinig over haar bekend. Zelfs haar vertaler en biograaf vinden haar raadselachtig. Dit jaar verscheen De passie volgens G.H., een wonderlijk boek over lijden en passie in de Nederlandse vertaling.

Voorin het boek staat een leesinstructie van Lispector:

‘Dit boek is als ieder ander boek. Maar ik zou blij zijn als het alleen zou worden gelezen door mensen met een volwassen ziel. Degenen die weten dat je alles, wat dan ook, stapsgewijs en moeizaam benadert – waarbij je ook door het tegendeel van wat je wil heen moet.’

In mijn Brainwash Talk sta ik door het tegendeel van wat ik wil heen te gaan. Want als je over een schrijver of filosoof komt vertellen, moet je dat heel precies en helder aanpakken. Je moet bepaalde kennis bezitten. Eventueel wat arrogantie. Ik denk altijd – en dat is wellicht mijn eigen denkfout – dat je een rasintellectueel moet zijn om kennis over te kunnen brengen, dat je zonder twijfel met keiharde feiten op de proppen moet komen. Mijn zwakte zijn keiharde feiten, mijn kracht is twijfel. Ik heb mezelf lang proberen te troosten met een uitspraak van Frank Lloyd Wright: ‘Een expert is iemand die is opgehouden met denken.’ Maar dankzij Lispector – uiteraard zelf een intellectueel – ben ik pas werkelijk vergroeid geraakt met het idee dat er verschillende manieren van weten bestaan, dat lang niet al het weten berust op feitelijke kennis, sterker nog: dat feitelijke kennis uiteindelijk – hoe handig en waardevol het ook kan zijn – de minst interessante of dan toch zeker de minst elegante manier van weten is. Het weten moet vrij zijn van weten. Dat is misschien wat leven is. Lispector schreef in haar kronieken onder de veelzeggende titel: Intellectueel? Nee. ‘Intellectueel zijn is vooral je intelligentie gebruiken, wat ik niet doe. Ik gebruik mijn intuïtie, mijn instinct.’

Als je op je intuïtie durft af te gaan, durf je ook toe te geven dat er maar weinig in de wereld echt te begrijpen valt. En op die manier rek je de grenzen van je begrip op.

Of zoals Lispector schrijft:

‘Ik begrijp niet. In die woorden zit zoveel vervat, dat het elk begrip te boven gaat. Begrijpen is altijd beperkt, maar niet begrijpen kan simpelweg geen grenzen kennen. Ik voel me completer wanneer ik niet begrijp. Niet begrijpen zoals ik hier bedoel is een gave. Niet begrijpen, maar niet als eenvoudige van geest. Intelligent zijn en niet begrijpen. Alleen word ik soms onrustig omdat ik toch ook wel wat wil begrijpen. Niet te veel, maar in elk geval dat ik niet begrijp.’

Zoals je inmiddels waarschijnlijk al doorhebt, is het dankzij Clarice Lispector en ook voor haar dat ik mijn niet-weten ben gaan begrijpen. Ik zal zo precies mogelijk proberen uit te leggen hoe zij mijn grenzen heeft opgerekt.

Ik ben opgegroeid in een boerendorp in een nogal wild gezin. Ik ben er nog steeds niet precies achter wat voor werk mijn vader en moeder deden, want werk en status vonden ze niet zo belangrijk. Er werd bij ons thuis veel geschreeuwd, veel gedronken, veel gelachen, veel weggelopen en veel met van alles – het liefst gehaktballen – gegooid. Er kwam een gezin bij ons in de straat wonen met drie keurige kinderen. De vader van de kinderen is huisarts. De moeder is hoogleraar. Ze zijn bevriend met andere artsen en advocaten. De drie kinderen zijn hyperintelligent. Ze speelden allemaal een muziekinstrument. Ze hadden een Foster Parents-broertje. Ze lazen de Bijbel, niet omdat ze in God geloofden, maar omdat dat cultuurhistorisch verantwoord was. Uiteindelijk zijn de kinderen zelf ook huisarts, rechter en advocaat geworden.
De dochter uit dat gezin werd mijn beste vriendin. Op zaterdagavond speelden we bij hen thuis met hun hele gezin Triviant. Ik wist vaak het juiste antwoord niet op de vraag. Dan werd ik door hen allemaal uitgelachen. En ze zeiden: ‘Dat je dat niet weet!’ Of: ‘Dat hoor je echt te weten, hoor Maart!’

Met elke vraag werd ik onzekerder. En met elke vraag groeide mijn schaamte en met elke vraag raakte ik er meer en meer van overtuigd dat ik dom was omdat ik niet over de juiste kennis beschikte. In de wereld van de literatuur en de wetenschap gaat het niet zelden over wat iemand weet. Vaak is wat iemand weet een reproductie van iets wat iemand anders weet. Het maakt daarbij niet zoveel uit of je doorleeft en doorvoelt wat je weet. Ik heb me daar altijd geïntimideerd (en in zeker zin dus onvrij) door gevoeld, tot ik Lispector las. Er is te weinig tijd om haar boeken uit te leggen. Ze vallen ook niet uit te leggen. Je moet ze lezen.

Ik heb bij niemand zo het idee dat ze het leven begrijpt als bij Clarice Lispector. Juist omdat zij iemand is geweest die vragen heeft durven stellen zonder per definitie antwoorden te verwachten. Iedere vraag roept een nieuwe vraag op. Als je haar boeken leest snap je vaak niet precies wat je leest, maar gek genoeg wel dat het waar is.

Lispector daalt af in de menselijke ziel en raakt daarbij af en toe ook aan het goddelijke, het lezen van haar werk is wat mij betreft ook een intuïtieve aangelegenheid. Benjamin Moser die de biografie Waarom deze wereld? over Clarice Lispector schreef, zegt in een Kunststof-interview op NPO Radio 1 dat Lispector zichzelf altijd vragen is blijven stellen die adolescenten zich stellen.

Wie ben ik?
Waarom ben ik hier?
Wat is God?
Wat is het leven?

Op een gegeven moment worden die vragen afgedaan als naïef; er is geen antwoord op, een onbegonnen werk. Mensen gaan simpelweg door met leven. Proberen makkelijkere vragen en antwoorden uit. Scheppen heldere kaders om binnen te kunnen overleven. Maar Lispector bleef zichzelf deze onuitputtelijke vragen continu stellen. Dat moet je durven. En willen. En kunnen. Want je weet nooit waar je uit zult komen. Er zal nooit iets zijn om aan vast te houden. Je hebt geen zekerheden. Alleen dat je niets weet.

Precies dat is er natuurlijk zo fantastisch aan. Want wie in het leven weet waar hij uit zal komen? En waarom spelen we graag alsof we dat wel weten?

Even los van de feitelijke kennis, begint het bouwen van zekerheden al vroeg. Mijn nichtje van vier was onlangs jarig. Ik vroeg haar wat ze voor haar verjaardag wilde hebben. Ze had bij de speelgoedwinkel in het dorp een mand gevuld, en de genodigden van het feest konden langs die winkel om de kado’s te kopen die zij van tevoren had uitgezocht. Zo zou ze op haar verjaardag krijgen waarnaar ze verlangde. Omdat ik mijn nichtje alles gun wat ze wil, was ik al ongeveer onderweg naar die winkel tot een vriendin zei: ‘Dat moet je niet doen. Je moet haar om leren gaan met verrassingen. Anders raakt ze nu al gewend dat alles gaat zoals zij het heeft bedacht. Zo werkt het leven niet. Ze moet om leren gaan met het onverwachte. Bovendien creëert een cadeau dat jij haar zelf wil geven een vertrouwensband. Zij leert omgaan iets te krijgen wat ze niet per se wilde en ook dat jij geeft wat je te geven hebt.’

Ik dacht aan mijn eigen kindertijd en dat ik mijn beste vriendin altijd een cadeau gaf dat ik zelf zou willen hebben. Ik mocht geen plastic van mijn vader en moeder. Al mijn speelgoed was van hout. Ik gaf de vriendin wat ik zelf graag zou willen hebben: G.I. Joe-poppen, robots en vrachtwagens.

Pas later heb ik begrepen dat die vriendin die cadeaus niets aan vond, maar zag dat ik zo gelukkig werd van het feit dat ik haar kon geven waar ik zelf naar verlangde dat ze er niets van durfde te zeggen. En dat ze het later als liefde is gaan zien. Omdat ik haar gaf wat ik zelf wilde hebben is ze me bovendien beter gaan begrijpen; het bracht haar dichter bij mijn belevingswereld.

Dus laatst gaf ik de hoogleraar, de moeder van die vriendin waarbij ik me zo’n idioot voel, een boek van Clarice Lispector. Ze nemen me in dat gezin inmiddels iets serieuzer omdat ik weleens in de krant sta. Ze zei dat ze het zou lezen met haar leesclub die geheel bestaat uit Neerlandici. Belezen mensen. Mensen die dan toch in ieder geval van zichzelf zouden zeggen dat ze het leven wel onder de knie hebben.
Niet veel later ontving ik een mail van haar met een leesrapport. Niemand uit de leesclub had ook maar iets van Clarice Lispector begrepen. Ze hadden haar cijfers gegeven. En die cijfers waren niet best. Aan de toon van de mail te lezen nam die moeder mij het zelfs kwalijk haar met Lispector opgescheept te hebben.

En voor het eerst in mijn leven voelde ik dat ik iets was ontstegen: dat de wereld van de kennis en de feiten en de cijfers een platte begrensde wereld is. En dat ik niets heb om me voor te schamen. Dat mijn niet-weten een veel groter gebied omvat dan ik ooit had gedacht. Of zoals G.H., het hoofdpersonage uit De Passie volgens G.H., met een schok beseft als ze een kakkerlak doodplet tussen de deur: ik ben van dezelfde drabbige stof. En die is even goddelijk of hels als die van een kakkerlak. Als je alle kennis weghaalt is iedereen gelukkig gelijk. En als je dat weet, weet je alles.

Seks in het rusthuis

De behoefte aan lichamelijkheid en seksualiteit slijt niet met ouder worden. Verzorgers en verpleegkundigen in woonzorgcentra hebben het er lastig mee.
‘Ineens streelde hij mijn gezicht’

De Standaard – 25.10.2018 – Veerle Beel

‘Ik vind het oké als een bewoner mijn hand aanraakt of mij een kus op de wang wil geven. Maar toen raakte hij ineens mijn gezicht aan en streelde mijn wangen. Ik voelde me hoogst oncomfortabel. Voor mij gaat dat te ver.’

Verpleegkundigen en verzorgenden in woonzorgcentra worden wel vaker geconfronteerd met uitingen van lichamelijk verlangen bij bewoners. Ze vinden dat niet altijd prettig, blijkt uit een kwalitatieve studie van ethici en verpleegkundigen aan de KU Leuven. De resultaten zijn verschenen in het Journal of Clinical Nursing. Het betreft het eerste onderzoek hierover ooit in Vlaanderen.

Zestien zorgvuldig geselecteerde verpleegkundigen en verzorgenden – jong en ouder, vrouwen en ook twee mannen – vertelden twintig verhalen die ze zelf meemaakten. De meeste daarvan werden veeleer negatief gepercipieerd. Bijvoorbeeld: een bewoner die intieme lichaamsdelen van een verzorger aanraakt – dit overkwam ook een mannelijke verpleger bij een vrouwelijke bewoner.

Meerdere verhalen betroffen een mannelijke bewoner die tijdens het wassen een erectie kreeg. Of een man met gevorderde dementie, die obsessief vaak masturbeerde.

Te kijk gezet

Evengoed voelden verpleegkundigen zich gegeneerd als ze een kamer binnenstapten en daar onverwacht twee bewoners samen in bed aantroffen, of als twee bewoners in de gemeenschappelijke living aan het vrijen sloegen.

‘Een dergelijke situatie is gênant voor beide partijen’, zegt Chris Gastmans, professor ethiek aan de KU Leuven. ‘Soms is er niet voldoende ruimte voor een stel dat iets met elkaar wil, en kunnen ze daarvoor alleen in de gemeenschappelijke ruimte terecht. Ze worden daardoor te kijk gezet.’

‘Feit is dat de behoefte aan lichamelijkheid en seksualiteit niet verdwijnt met het ouder worden. Al het onderzoek dat we daarover kennen, spreekt dit tegen. Bij een groot deel van de oudere bevolking blijft dit erg belangrijk’, zegt Gastmans. ‘Ook bij mensen met dementie. Het is vaak de enige manier waarop ze nog kunnen communiceren.’

‘In de maatschappij leeft daarover een ander idee, namelijk dat seks voorbehouden is voor de jeugd. Dat is natuurlijk een erg discriminerende gedachte. Ze kleurt mogelijk ook de reacties van verpleegkundigen en verzorgenden. Normale seksuele expressie wordt dan al sneller geproblematiseerd.’

Verpleegkundigen die al wat ouder waren, hadden hier over het algemeen minder problemen mee. Net als verpleegkundigen die de bewoner al langer kenden, en daardoor beter konden inschatten dat de vraag om een zoen of knuffel vriendschappelijk bedoeld is, en niet seksueel.

Gastmans: ‘De persoonlijke ervaringen van de verpleegkundige spelen zeker mee. Wie opgegroeid is in een warm gezin waar veel geknuffeld en gekust werd, zal minder problemen hebben als een bewoner daar behoefte aan heeft, dan iemand die opgroeide in een omgeving waar nooit over zulke dingen werd gepraat.’

Roddelcircuit

In veel gevallen vertelde de hulpverlener zijn of haar verhaal voor het eerst. Op het werk was daar geen ruimte voor. Deze verhalen behoren er tot het roddelcircuit. Er leeft veel schaamte rond, ook bij de betrokken verpleegkundigen.

Om dat patroon te doorbreken, pleiten de onderzoekers niet alleen voor een beleid, maar voor voortdurende opleiding en bijscholing van het personeel. Er kan ook werk worden gemaakt van bijkomende ruimte voor koppels, en van een ‘klop-op-de-deur én wacht-dan-even’-beleid.

Gastmans: ‘Men vergeet vaak dat je pas binnen mag als je daarvoor de toestemming krijgt. Tegelijk moet men erover waken niet té afstandelijk om te gaan met de bewoners: in een koele, afstandelijke omgeving doen zich meer “incidenten” met obsessief seksueel gedrag voor. In woonzorgcentra met een warme sfeer wordt vaak al op eenvoudige manieren aan de behoefte aan lichamelijkheid voldaan.’

Verzorgers reageren op drie manieren
1. Faciliteren
Verpleegkundige geeft de bewoner telkens een knuffel of een zoen, of wisselt seksueel getinte mopjes uit. In één geval werd een bewoner maandelijks naar een bordeel begeleid.

2. Tolerant maar
vermijdend
Veel verzorgers nemen afstand als de bewoner te handtastelijk wordt, of ze verlaten de kamer bij een erectie. Medicatie wordt onder de deur geschoven ‘om niet te storen’.

3. Het gedrag stoppen
Een bewoner die zich erg aanklampend gedraagt of altijd en overal masturbeert, wordt afgezonderd, moet een pyjama uit één stuk dragen (soms ook overdag) of wordt zelfs met medicatie gesedeerd. Problematisch, zeggen de onderzoekers: ‘Uit de verhalen blijkt niet dat er eerst naar een minder ingrijpende oplossing is gezocht.’

De verdrietdokter

Psychiater Dirk De Wachter: in de ongelukkigheid komen de grootste verbindingen tot stand

Bron: Brainwash

Een verdrietdokter, noemt hij zichzelf. Eén die oproept om juist niet het grote geluk na te jagen, maar de mindere kanten van het leven te omarmen. Psychiater Dirk De Wachter. In meerdere bestsellers legt hij onze leukigheidsmaatschappij vol ikkigheid op de sofa. We vroegen hem naar zijn beweegredenen.

Waarom bent u psychiater geworden?

‘Dat is een verhaal op zich. Het is, denk ik, de literatuur geweest die mij naar de psychiatrie bracht. De aanleiding is het boek De Avonden van Gerard Reve. Ik had een goede leraar Nederlands op school. Dat is heel belangrijk, een goed docent. Hij sprak over de boeken die toen in zwang waren. Hij had het over Hubert Lampo en andere vergeten schrijvers. En hij noemde De Avonden. Dat is voor later, zei hij, als jullie wat ouder zijn. Diezelfde middag ben ik het boek gaan halen in de bibliotheek. Zo gaat dat dan. Ik las het en werd volkomen van mijn paard gebliksemd. Het boek gaat over de innerlijke dialoog van een mens, het gaat over wat de mens denkt. Ik had nog nooit zoiets gelezen. Ik wist niet dat zoiets bestond. Natuurlijk construeer je achteraf je herinnering, maar ik heb toch wel het idee dat ik toen, op mijn vijftiende, besloot om psychiater te worden. Ik werd gefascineerd door de gedachten van mensen. Door datgene dat je niet ziet als ze over straat lopen, maar wat zich in hun hoofd afspeelt. Zoals Frits van Egters, de hoofdpersoon in De Avonden van alles denkt. Tot dan dacht ik dat ik de enige was, die dat had.’

‘Maar er is natuurlijk meer. Van huis uit was het bijna een plicht om geneeskunde te studeren. Je werd dokter of ingenieur. Dat laatste leek me verschrikkelijk saai, maar ook de dokters die ik kende uit het dorp waar ik opgroeide, waren niet de meest bevlogen figuren. De psychiatrie was de oplossing. Dan kon ik arts worden, zoals de familietraditie voorschreef, en toch ook geen dokter zijn. Ik kon me bezighouden met literatuur, cultuur, engagement. Met de dingen die mij echt fascineerden.’

‘Een andere worteling is dat ik langs moeders kant veel priesters in de familie heb. In vroegere tijden werd het oudste kleinkind – en ik was het oudste kleinkind – geacht om het priesterschap op zich te nemen. Nu was daar in de jaren 70, toen ik opgroeide, geen sprake meer van en is er geen haar op mijn hoofd geweest dat eraan gedacht heeft om die richting uit te gaan. Maar het zal ergens, ook in mijn engagementen vandaag, een rol gespeeld hebben. Tot slot groeide ik op in een klein dorp in de Rupelstreek in België. Daar werden bakstenen gemaakt, maar toen al, toen ik opgroeide, was de industrie teloorgegaan. Het was een omgeving met veel verborgen misère, veel armoede, veel suïcides. Zelfmoorden die niet besproken werden, maar wel gefluisterd. Ik denk dat dat er misschien aan bijgedragen heeft dat ik psychiater ben geworden, maar zeker heeft het bijgedragen aan mijn interesse in het maatschappelijke.’

Hoe komt die interesse terug in uw werk?

‘Ik ben altijd erg geïnteresseerd geweest in wat mensen zeggen en wat mensen denken, vaak onbewust. En vooral ook in de tegenstelling daartussen. Zo ben ik geïnteresseerd geraakt in het ‘een beetje ongelukkig zijn’. Een jaar of tien geleden was er een programma op de Vlaamse televisie, op primetime, waarin een man orakelde over het geluk. Het was de dag van het geluk, meen ik; zo gaat dat in de media, er is een dag voor alles. Deze man vertelde hoe gelukkig hij was en hoe belangrijk het is om gelukkig te zijn. Een week later zat diezelfde man bij mij op consultatie om te vertellen hoe slecht hij zich voelde. Diezelfde man. Hij had zichzelf vastgezet in die sferen van geluk en hij voelde zich daar eigenlijk helemaal niet goed bij. Hij had de beste bedoelingen hoor, hij wilde mensen iets gelukkiger maken, daar is niets mis mee. Zelf zat hij vast in een relationele impasse, terwijl zijn imago hem verplichtte de geluksillusie hoog te houden. Dat heeft mij doen denken dat ongelukkig zijn blijkbaar een beetje een taboeonderwerp was geworden, in deze leukigheidsmaatschappij.’

Uit zich dat in de psychische klachten die mensen hebben?

‘Menselijk leed is van alle tijden. Ik denk niet dat we nu slechter af zijn dan andere tijden, maar er is wel een verandering van symptomen. Ik beschrijf dat in mijn boek Borderline times. De symptomen van borderline hebben de overhand gekregen, terwijl dat enige decennia geleden de neurotische symptomen waren. Eenvoudig gezegd denk ik dat de neurose het inslikken van problemen is en daar dan innerlijk zwaar onder lijden. Terwijl de borderline het naar buiten toe brengen is van de problemen: impulsiviteit, suïcide, zelfverminking. De symptomen zijn zeer zichtbaar geworden, storend zichtbaar geworden, voor de maatschappij, terwijl het vroeger meer verborgen bleef. Het lijkt erop dat we niet meer kunnen spreken met elkaar over wat er allemaal niet goed gaat en dat we het tonen in symptomen. Het is natuurlijk ingewikkelder dan dat, het is niet zo dat je kunt zeggen dat als een patiënt iets meer met zijn broer of zus had gesproken, dat hij of zij dan niet ziek was geworden. Dat is te simpel. Maar maatschappelijk gezien denk ik dat als we wat meer over de mindere kant van het leven zouden praten, dat ik als psychiater dan wat minder werk zou hebben. Want het lijkt wel alsof mensen alleen tegen betaling over hun problemen praten.’

Of pillen komen halen?

‘Ja, dan ga ik nog een stap verder. Dat hoor ik ook van collega’s, dat het grootste verlangen van een patiënt niet is om te praten, niet om vragen te beantwoorden, niet om al teveel na te denken. Ze willen een pil, zodat ze zich weer goed voelen. Farmacolisering, noem ik dat: het ‘verpillen’ van menselijke moeilijkheden. Dat is wel een maatschappelijke trend. Zeker hier in België, waar de geneeskunde minder gereguleerd is dan in Nederland. Als de ene dokter je geen pil geeft, dan ga je wel naar een ander. Maar in het hele westen worden veel psychofarmaca voorgeschreven. Heel veel antidepressiva, heel veel slaap- en kalmeringsmiddelen. En dat zijn nog maar de middelen die worden voorgeschreven.’

Terug naar het geluk. Is het een recente ontwikkeling dat we er zo gefascineerd mee zijn?

‘Ik denk niet dat er een precieze omslag aan te wijzen is. Dit speelt al een tijd. Het heeft te maken met de secularisering van de wereld. Er is geen God meer waaraan we ons ongeluk noodlottig kunnen verbinden. We zijn allemaal verantwoordelijk geworden voor ons eigen, ikkige leven. We worden geacht ons eigen succes te maken. En als dat succes niet komt, dan voelen we ons mislukt. En die mislukking durven we niet te bespreken. De nieuwe media hebben dat de laatste jaren in de hand gewerkt. Facebook, Instagram, waar het succes breed wordt uitgemeten, waar selfies op staan van feestende mensen, mensen die op vakantie zijn, die zich fantastisch voelen, dat heeft dat zeker uitvergroot.’

En zo is geluk een doel op zich geworden.

‘Jazeker, dat is mijn stelling. Dat is geen goede zaak. Begrijp me niet verkeerd, ik gun iedereen een gelukkig leven, maar ik denk dat geluk een bijwerking mag zijn van een goed leven. Van een zinvol leven, een leven met anderen, een leven dat zorgzaam is, een leven dat gedeeld is. Zorg voor uzelf, zorg voor uw gezondheid en zorg voor uw omgeving, voor uw medemens. Geluk komt er dan vanzelf bij, op een veel fundamentelere manier dan het partytime geluk. Het is een gevoel van vervulling, van: zo is het goed, zo mag mijn leven zijn. Als geluk een doel wordt, een obsessioneel doel, dan dreigt het mis te lopen. En natuurlijk is het leven af en toe lastig, maar het is minder erg. Je kunt dat wel aan, want je weet dat je goed omringd bent.’

Het idee dat het leven vooral leuk moet zijn, is dé ziekte van deze tijd
Een beetje meer betrokkenheid, dus?

‘Ja, betrokkenheid op uzelf en op de ander, maar ook in de vorm van engagement. Het gevoel dat wat je doet, dat dat zinvol is en dat dat gezien wordt in de wereld. Reve schrijft dat ook aan het einde van De Avonden, als Frits van Egters op zijn leven reflecteert: ‘Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’ Ik denk dat dat een diep menselijke behoefte is, om betekenis te hebben. Niet dat iedereen beroemd moet worden, of heel veel vrienden op Facebook hebben. Het is je verbonden voelen met je directe omgeving, met familie, met vrienden. Het is zorgzaam zijn en zorgzaam bejegend te worden. Als dat er een beetje kan zijn, dan voelen we ons gelukkig, op die fundamentele manier.’

‘Onze westerse wereld zet heel erg in op ikkigheid. Op autonomie, op het idee dat we ons eigen leven kunnen maken. Dat we het zelf kunnen doen, dat we ons eigen succes kunnen behalen. Het is naar de achtergrond verdwenen dat de mens ook heel verbonden en samenhorig is. In het evenwicht tussen ik en de ander, dreigt de ander verdrukt te worden. Terwijl we zoveel nood hebben aan de ander om te kunnen zijn. Juist op de dagen waarop we ons niet goed voelen, is de ander nodig. Dan is het erg belangrijk − en mooi ook − dat er iemand is die luistert en troost. Paradoxaal genoeg wordt dat ongelukkige dan juist iets moois, door die liefde en medemenselijkheid. In de ongelukkigheid komen de grootste verbindingen tot stand.’