Verleidingen

Hoe je verleidingen kunt weerstaan (zonder wilskracht)

Brainwash – Suzanne Weusten – 15.11.2019

De meeste mensen denken dat je met wilskracht slechte gewoontes kunt doorbreken. Maar het effect van deze mentale spierbal is overschat. Je kunt beter een nieuwe routine leren, volgens psycholoog Suzanne Weusten.

Sinds de Amerikaanse psycholoog Walter Mischel de wereld schokte met zijn beroemde marshmallowexperiment, staan zelfbeheersing, wilskracht en doorzettingsvermogen in de top-3 van cognitieve vaardigheden. Mischel zette kinderen een schaaltje met snoepjes voor. Ze mochten er meteen eentje pakken, maar als ze een kwartiertje zouden wachten, kregen ze er twee. Jaren later, toen hij de inmiddels volwassen geworden kinderen weer opzocht, bleek dat degenen die destijds hun directe behoeftebevrediging konden uitstellen, in veel opzichten succesvoller waren dan hun leeftijdgenootjes die het snoepje meteen hadden gepakt. Ze waren hoger opgeleid, minder vaak gescheiden en hadden een lagere BMI.

Eigen schuld, dikke bult, was de conclusie. Wie ongezond eet, te veel drinkt, of rookt, heeft dat aan zijn eigen lamlendigheid te danken. En nog steeds is dit de heersende opinie. Uit een recent onderzoek blijkt dat de meeste mensen denken dat obesitas veroorzaakt wordt door een gebrek aan wilskracht, terwijl we inmiddels weten dat dit onzin is. Je krijgt geen overgewicht door een zwakke wil, maar door een combinatie van genetische – en omgevingsfactoren.

Het is niet zo vreemd dat er zoveel waarde wordt gehecht aan zelfbeheersing en wilskracht. Het past bij het idee dat succes maakbaar is. Wie gelooft dat mentale spierkracht tot een gezond en gelukkig leven leidt, heeft de illusie dat hij daar zelf grip op heeft, en dat is prettiger dan maar te moeten afwachten. Ook in onze cultuur wordt wilskracht verheerlijkt. Eva kon zich in het paradijs al niet beheersen en at van de verboden vruchten, met alle gevolgen van dien. En uit de mythologie kennen we de geschiedenis van Odysseus, die langs de verleidelijke en gevaarlijke Sirenen moest varen. Maar de slimme Griekse held kende zijn eigen zwaktes en liet zich vastbinden aan de mast, zodat hij hun gezang wel hoorde, maar er niet voor kon bezwijken.

Wilskracht mag dan een handige cognitieve vaardigheid zijn, ze is ook schromelijk overschat, vindt een nieuwe generatie psychologen. Ten eerste is wilskracht moeilijker als je opgroeit in armoede zo bleek na herhaling van het marshmallowexperiment. Niet de wilskracht van de kinderen was een voorspeller van succes in hun latere leven, maar hun sociaaleconomische achtergrond. Waarom zou je je beheersen als je niet weet wat de dag van morgen brengt?

Ten tweede is wilskracht niet voor iedereen hetzelfde. Sommigen vinden het heerlijk om zich uit te sloven in de sportschool en eten echt liever een appel dan een zak chips. Dan lijkt het alsof ze zichzelf beter kunnen beheersen en meer wilskracht hebben dan degenen die een hekel hebben aan sporten en dol zijn op snacks, maar in feite hoeven ze zich niet te beheersen.

Ten derde blijkt wilskracht niet zozeer een mentale krachtbron te zijn, alswel een gewoonte, zo blijkt uit een meta-onderzoek van twee psychologen. Mensen met ogenschijnlijk veel wilskracht hebben vaak goede gewoontes: ze bewegen regelmatig, eten gezond en studeren op tijd. Ze kunnen hun leven goed structureren: bijvoorbeeld elke dag op dezelfde tijd yoga-oefeningen doen, hardlopen of mediteren. Ze hoeven nauwelijks een beroep op hun wilskracht te doen, ze hebben hun routines.

Wie dus wil afvallen, meer wil bewegen of meer wil studeren, moet ervoor zorgen dat het een routine wordt, dan heb je geen wilskracht meer nodig. Volgens de Amerikaanse journalist Charles Duhigg, auteur van The Power of Habit moet je een gewoonte voordat je haar kunt veranderen, eerst analyseren: waardoor wordt ze geactiveerd? En wat is de beloning?

Zo kun je – om een voorbeeld te geven van een nieuwe, gezonde gewoonte – met de fiets naar je werk gaan, in plaats van met de auto. Zorg dat de fiets klaarstaat – dat is de activering – en geef jezelf een beloning als het je vandaag weer gelukt is: dat kan een compliment zijn, maar ook het bewust genieten van het voldane gevoel van de fietstocht. Naarmate je vaker fietst, ga je vanzelf verlangen naar de beloning, en voor je het weet, komt het niet eens meer in je op om in de auto te stappen. Alleen het installeren van de nieuwe routine kost wilskracht. Daarna gaat het vanzelf.

Zo kun je voor allerlei slechte gewoontes nieuwe routines maken. Ben je gewend om ’s middags iets zoets te nemen bij de thee? Vervang het door iets gezonders en beloon jezelf ervoor. Het kost je slechts een klein beetje wilskracht.

Tot slot: wat we wél hebben geleerd van het marshmallowexperiment is dat kinderen al vroeg strategieën hebben om met verleidingen om te gaan. Om niet te bezwijken voor het lekkers, hielden sommige kinderen namelijk hun handen voor de ogen of keken ze langdurig naar het plafond. Zo lang ze het snoepje niet zagen, hielden ze makkelijker vol. Het is een doeltreffende manier om verleidingen te weerstaan: je zorgt gewoon dat je de chocola, koekjes of nootjes niet ziet. Of liever nog: dat je ze niet in huis hebt.

Kinderen rouwen ook

Hoe rouwt een kind en hoe ga je daar best mee om?

Bron: Gezondheid.be

In dit artikel:
Hoe rouwt een kind en hoe ga je daar best mee om?
Het overlijden van een geliefd persoon: hoe breng je zo’n vreselijk nieuws over aan je kind?
Rouwt een kind op een andere manier dan een volwassene?
Hoe verloopt het verwerkingsproces?
Hoe ervaren kinderen en jongeren de dood van een geliefde en hoe help je hen daarbij?

Het woord ‘rouwen’ stamt uit het Germaanse woord ‘hreuwan’ en de definitie ervan wordt omschreven als: ‘een emotionele reactie als gevolg van een verlies, in het bijzonder het verlies van een naaste. Normaal gesproken zal de intensiteit van de reactie in de loop van de tijd afnemen, de rouw kan echter zo heftig zijn, dat de levenslust verloren gaat’. Bij een kind komt het echter vaak voor dat een emotionele reactie in eerste instantie uitblijft en pas veel later naar boven borrelt. In dat geval parkeert het kind zijn gevoelens tot het zich veilig voelt om zijn verdriet te uiten.

Het overlijden van een geliefd persoon: hoe breng je zo’n vreselijk nieuws over aan je kind?

De dood hoort helaas bij het leven. Dat is een realiteit die we niet kunnen wegcijferen. Als je afscheid moet nemen van een dierbare, dan wil je je kind dit verdriet het liefste besparen. Maar tegelijk weet je dat het geen zin heeft om dat uit te stellen. Je kind ziet of voelt immers dat jij zelf ook in rouw bent, dat er iets is gebeurd. De realiteit onder ogen zien, is de eerste fase van een rouwproces en dat geldt ook voor kinderen.

Hoe pak je dat aan?

Geef duidelijke info over wat er gebeurd is en in welke omstandigheden, zelfs al zijn die dramatisch. Onderschat de fantasie van een kind niet, die is vaak erger dan de werkelijkheid. Hou daarbij rekening met de leeftijd van het kind en gebruik enkel begrippen die het kind kan kaderen.

Creëer een klimaat waarbij je kind zich veilig voelt om de feiten onder ogen te zien. Dat is een sfeer van aandacht en liefde. Een attitude waarbij jij of een andere verzorger (en eventueel ook de leerkracht) zelf vragen uitlokt en ze daarna beantwoordt, is daarbij zeer belangrijk. Kinderen gaan niet altijd spontaan vragen stellen maar zitten er wel mee.

Rouwt een kind op een andere manier dan een volwassene?

Net zoals een volwassene rouwt ook een kind op zijn eigen manier. Het rouwproces wordt beïnvloed door zijn leeftijd en zijn karakter, maar vaak ook door zijn omgeving.

Een aantal symptomen of gedragspatronen die vaak voorkomen:

Op vlak van gedrag: driftbuien of woede-uitvallen, huilbuien, stil en lusteloos zijn, afzondering, ongehoorzaamheid, of zelfs schijnbare onverschilligheid.

Schrik niet als je kind in eerste instantie enkel bezorgd lijkt om zijn eigen behoeften en egocentrisch overkomt (bv. Wie zal mij nu opvangen tijdens de vakantie, of wie zal mij nu voeren naar de muziekschool…). Deze vragen rond de eigen comfortzone zijn een normale reactie en hebben niets met gevoelloosheid te maken.

Ook spelletjes met de dood als thema horen bij het verwerkingsproces en zijn een manier om grip te krijgen op de situatie.

Gevoelsmatig: angst, schuldgevoel.

Problemen van allerlei aard: slaapproblemen, bedplassen, stemmingswisselingen, diverse lichamelijke klachten zonder duidelijke oorzaak.

Vaak wordt het rouwproces uitgesteld tot er daarvoor ruimte is. Tot het kind zich veilig voelt om zijn verdriet te uiten, namelijk wanneer thuis alles weer wat op zijn normale plooi is en de rust is teruggekeerd. Een schijnbaar onbelangrijk incident kan dan een trigger zijn om het rouwproces van het kind in gang te zetten.

Hoe verloopt het verwerkingsproces?

Volgens Prof. dr. Manu Keirse (klinisch psycholoog, doctor in de geneeskunde en dé specialist in België en Nederland als het over rouwverwerking en de laatste levensfase gaat) moeten we spreken van ‘rouwarbeid’ in plaats van rouwfases omdat het rouwen niet vanzelf gebeurt. Er moet aan gewerkt worden. Zowel voor een volwassene als voor een kind bestaat de rouwarbeid uit vier taken.

1. Het verlies onder ogen zien

Zoals in de eerste alinea al werd uitgelegd heeft het geen zin om kinderen of jongeren te beschermen voor de realiteit. Om de feiten te kunnen verwerken, moeten ze met de werkelijkheid geconfronteerd worden.

2. De pijn voelen en verwerken

Een groot verlies verwerken, kan alleen als je de pijn voelt en erdoorheen geraakt, ook voor een kind. Gebeurt dat niet, dan ontstaan er later meestal problemen in de vorm van psychosomatische klachten zoals hoofdpijn of slapeloosheid, of ontstaat er probleemgedrag zoals onverklaarbare agressie of slechte schoolresultaten. Het is dus geen goed idee om een kind voor leed of pijn te behoeden.

Veel mensen voelen zich onwennig of zelfs zeer oncomfortabel bij het waarnemen van een uiting van pijn. We zijn niet altijd goed in het omgaan met verdriet en weten niet hoe we daarop moeten reageren.

Hoe help je je kind als het verdriet heeft om de dood van een geliefde persoon?

Ga de emoties niet uit de weg maar praat erover met je kind. Maak duidelijk dat reacties van boosheid of schuldgevoel of angst of concentratiegebrek… normaal zijn en horen bij het verwerkingsproces. Leg uit dat die emoties met golven komen en afgewisseld worden met periodes waarbij het zich beter zal voelen, steeds meer.

3. De draad weer oppikken

Het vraagt tijd om je aan te passen aan je nieuwe leven waar de overledene een leegte nalaat. Het is belangrijk om erover te praten en je gevoelens te uiten. Rouwen is het verlies en het verdriet dat ermee gepaard gaat een plaats geven in je leven zodat je weer verder kunt functioneren. Dat geldt ook voor een kind.

4. Opnieuw leren genieten

Een groot verlies vergeet je nooit. Je hele verdere leven draag je een stukje van dat verdriet met je mee. Maar dat betekent niet dat je je niet beetje bij beetje weer goed in je vel mag voelen. Je mag genieten en het is normaal dat je het verdriet af en toe en steeds vaker vergeet.

Je doet de dode ook geen oneer aan door te investeren in een andere relatie of vriendschap.

Zo komen we bij de laatste taak en dat is vaak een moeilijke: een rouwende (kind of volwassene) moet de angst overwinnen om zich emotioneel te binden. Vaak zondert een kind zich wat af en wil het bijvoorbeeld geen nieuw vriendje meer uit schrik dat die band opnieuw in afscheid of verdriet zou kunnen eindigen.

Hoe ervaren kinderen en jongeren de dood van een geliefde en hoe help je hen daarbij?

Als algemene regel kan je stellen dat een luisterend oor, begrip en een lief woord vaak de belangrijkste ‘eerste hulp’ zijn. Let op de signalen die je kind geeft en vraag regelmatig hoe het gaat ook als het geen signalen geeft. Soms laat een kind niets merken van zijn emoties, ook al voelt het pijn of verlies. Zijn de reacties daarentegen zeer hevig, veroordeel het gedrag dan zeker niet. Bied het kind een omgeving die aanvoelt als een veilige cocon waarin het zijn verdriet kan uiten op zijn manier.

Tot drie jaar voelen kinderen dat er iets mis is en dat uiten ze door te huilen, zich terug te trekken of net abnormaal uitbundig te doen. Zelfs een baby van 4 à 5 maanden voelt een intens verdriet aan bij een ouder (of verzorger). Het herkent de ouder via de geur, het stem timbre, het lichaamscontact. En die veranderen in geval van diepe rouw, vaak zonder dat de ouder het zelf beseft. De reactie van de baby zal merkbaar zijn in zijn slaap- of eetpatroon.

Tussen de drie en de vijf jaar weten kinderen dat er een verlies is, maar ze begrijpen nog niet dat de dood een blijvend karakter heeft. Dood is voor hen hetzelfde als slapen: even weg zijn en niet bewegen. Wanneer ze gaan beseffen dat de overledene niet meer terugkomt, is woede een veel voorkomende emotie. Dan hebben ze meer dan ooit behoefte aan een vertrouwde omgeving en een vast ritme.

Vanaf een jaar of zes beseffen kinderen het concept dood en weten ze dat ze zelf ook kunnen doodgaan. Dat kan een onveilig gevoel en angst veroorzaken. Stimuleer het kind om afscheid te nemen van de overledene maar dwing het niet. Gaat het over een dicht familielid, zoals een opa of oma, dan wordt er aangeraden om het kind mee te nemen naar de begrafenis, zeker wanneer de plechtigheid daaraan is aangepast. Zorg er ook voor dat de overledene achteraf regelmatig genoemd wordt en laat enkele van zijn/haar spullen staan als herinnering. Bedenk ook een ritueel om de overledene samen te herdenken: op Allerheiligen, bij zijn/haar verjaardag, bij de sterfdatum …

Vanaf de leeftijd van tien jaar ongeveer uit een kind vaak zelf de behoefte om aanwezig te zijn bij de begrafenis of het afscheid. Vaak onderdrukken kinderen op die leeftijd hun eigen verdriet om anderen te sparen. Toch hebben ze hulp nodig om hun gevoelens te uiten en willen ze ook graag betrokken worden bij de zaken die moeten worden geregeld. Door ze bepaalde taken op zich te laten nemen, bijvoorbeeld een kaarsje aansteken of een tekstje voorlezen, voelen ze zich betrokken.

Vanaf dertien jaar praten ze er meestal liever over met hun vrienden. Ten opzichte van hun ouders of een volwassene geven teeners de indruk dat ze het zelf wel aankunnen, maar tegelijk zoeken ze ook bescherming en veiligheid.

Bronnen:
Prof. Dr. Manu Keirse
www.kindengezin.be
www.klasse.be
www.in-de-wolken.nl

De buitenstaander

Er is niets mis met jou, er is iets mis met de wereld

Brainwash – Marian Donner(schrijfster)

In Brainwash Talks van Human buigen journalisten, schrijvers, wetenschappers, theatermakers en filosofen zich over de grote persoonlijke en maatschappelijke vragen van nu. Deze keer schrijver Marian Donner over maakbaarheid en zelfhulpboeken.

Ik ben een roker. Echt, daar wil ik niemand mee lastig vallen. Tegenwoordig mag ik zelfs niet meer roken in een afgesloten hok waar ik alleen nog met soortgenoten zit. In Amerika mag ik in sommige staten niet eens meer roken in mijn eigen auto. Of in mijn eigen huis. Ik mag ook niet meer drinken. Nul glazen per dag is het advies van de Gezondheidsraad. Alcohol is vloeibaar gif, kopte HP/De Tijd onlangs. Ik dacht: echt waar? Voor mij is alcohol vooral vloeibare vrolijkheid.

Ik houd van de roes. Ik neem de woorden van Charles Baudelaire ter harte. ‘Wees altijd dronken’, dichtte hij 200 jaar geleden. ‘Wees altijd dronken, want alleen zo voel je niet de helse last van de tijd, die je schouders breekt en je naar de aarde trekt. Alleen in dronkenschap ben je geen gemartelde slaaf van de tijd.’ Volgens Baudelaire kon die dronkenschap ook op andere manieren. Bijvoorbeeld door het lezen van gedichten. Maar dat doen mensen nu nóg minder dan drinken.

Een gemartelde slaaf van de tijd. Dat vind ik zo mooi gezegd. Als we íets tegenwoordig zijn, is dat het wel. Gemartelde slaven van de tijd. Alsmaar doorrennend en ploeterend als muizen in een rad. Altijd haast en altijd druk. Maar met wat? En waarvoor?

Ik mag geen vet meer eten. Suiker? Weet ik niet precies. Ik moet in ieder geval avocado’s eten, quinoa eten en groene smoothies drinken. Ik moet sporten. Ik moet yoga doen en mindfulness. Ik moet gezond zijn, vandaar. Strak en fit moet ik zijn, en ook mijn geest moet strak en fit zijn. Want ik moet gelukkig zijn en succesvol. Hoe? Daar zijn duizenden artikelen, zelfhulpboeken en cursussen voor. Het advies komt meestal op hetzelfde neer.

Ik moet positief zijn. Ik moet mijn comfortzone verlaten, rechtop lopen, mijn huis en ziel Marie Kondo’en, niet uitstellen wat ik vandaag nog kan doen en ik moet leren dat al mijn falen tot nu toe, eigenlijk een les is om het de volgende keer beter te doen. Ik moet lachen, maar dan wel een echte lach, waarbij ook mijn ogen meedoen. Dan vinden mensen me aardig en gunnen ze me dingen. Bovendien reduceert het mijn stress. Ik moet de beste en vrolijkste versie van mezelf worden. Ik moet me door niets en niemand tegen laten houden. Ik moet gaan, gaan, gaan… Mijn dromen achterna. En vooral: ik moet nooit, maar dan ook nooit opgeven. Ook al val ik erbij neer. Ik moet, ik moet… Je wordt gek gemaakt.

Want waarom moet ik dat allemaal? Oke, om gezond, succesvol en gelukkig te zijn. Maar als ik al die zelfhulpboeken en -artikelen bekijk, gaat er iets anders onder schuil. Waar die adviezen toe dienen, is me nog meer een gemartelde slaaf van de tijd te maken. En om me nog harder mee te laten draaien in dat rad. Dit is hoe het tegenwoordig werkt. Eén op de zeven werknemers heeft een burn-out. Net als één op de zeven studenten. Driekwart van de Nederlandse bevolking heeft last van stress, of van andere vormen van uitputting. Misschien is dat ook geen wonder.

Onlangs werd bekend dat zelfs een deel van de middenklasse moeite heeft om rond te komen. Dat is een teken. Als zó veel mensen zich zorgen maken of ze het redden, dan is er iets mis in de wereld waarin we leven. Dan is de werkdruk kennelijk te hoog. De studiedruk en de levensdruk. Dan is er te weinig zekerheid. Lonen zijn kennelijk te laag, huren te hoog en dagen te lang. En heel veel werk is ook echt helemaal niet leuk.

Veertig procent van de mensen vindt zelf dat ze een bullshit-baan hebben: een baan die op geen enkele manier iets toevoegt. Daar word je echt niet gelukkig van.

Waar voortdurend op wordt gehamerd, is dat het aan die mensen zelf ligt. Wie een burn-out krijgt, heeft zijn grenzen niet goed aangegeven, en zelf de lat te hoog gelegd. Wie zich zorgen maakt of hij de huur wel kan betalen, die moet gewoon leren relaxen. ‘Weet je wat je moet doen?’, klinkt het dan. ‘Yoga.’ Zet je telefoon eens uit, zit wat minder op sociale media, ga eens op een bankje in het park zitten, en luister naar de ruis in de bomen.

Oke, maar dan? Als ik dat dan allemaal heb gedaan, moet ik weer terug een wereld in die precies hetzelfde is gebleven. Een wereld waarin teveel van me wordt gevraagd en waarin ik te hard moet rennen. Waar al die adviezen uiteindelijk toe dienen – al die yoga, waardoor ik mijn problemen op een lelieblad aan me voorbij zie trekken – is om me het spel mee te laten blijven spelen en om me nog harder te laten kunnen rennen.
Als kinderen nu niet stil kunnen zitten in de klas, of niet goed luisteren, dan ligt dat niet aan overvolle klassen, niet aan veel teveel toetsen, of aan te weinig tijd buiten, maar aan hun hersenen. We geven ze Ritalin, een middel dat ik persoonlijk vooral ken van mensen die dat als vervanging van coke gebruiken. Dat geven we kinderen om ze te laten functioneren in het schoolsysteem. Gek genoeg hebben de meeste kinderen die medicatie niet nodig in het weekend of tijdens de vakanties.

Dit is hoe het tegenwoordig werkt. De oorzaak van al onze problemen en zorgen wordt bij onszelf gelegd, bij het individu. Alsof het aan onze hersenen ligt. Een gebrek aan daadkracht, wilskracht en positiviteit, dat we uitgeput zijn. Alsof we geen gemartelde slaven zijn.

Ik hou van roken. Ik hou van drinken. Ik weet dat het mijn leven waarschijnlijk verkort. Belangrijker dan zo lang mogelijk te leven, vind ik de vraag hoe je moet leven. En wat een goed leven is. Ik vind dat iedereen dat voor zichzelf zou mogen uitmaken. Niet als slaaf, maar als meester. Ik hou van schaduw, duisternis en rafelranden. Ik hou van lelijkheid. Ik hou van mensen die falen en honderd keer tegen dezelfde steen lopen. Ik hou van mensen die niet meedraaien in het rad. De buitenstaanders, de vrijbuiters, de mensen die zich niet conformeren aan de heersende norm. Voor mij vertegenwoordigen dat soort mensen vrijheid. Een vrijheid die vroeger veel groter was. In films of literatuur, bijvoorbeeld, zien we de easy riders op hun motoren, of de tramps van Charlie Chaplin. Of de dronkenlappen in de verhalen van Charles Bukowski. Het was fictie, maar dat soort mensen bestaan echt. Alleen noemen we dat soort mensen tegenwoordig losers.

Tegenwoordig is het leven veel te duur geworden om nog maanden op je motor rond te rijden. Je krijgt een boete als je op straat een biertje drinkt. Die vrijheid van vroeger om buiten het systeem te leven bestaat bijna niet meer. De enige manier waarop je tegenwoordig nog vrij lijkt te zijn, is binnen het systeem. Als je zo rijk bent geworden dat je alles kunt kopen wat je hartje begeert. Er zijn mensen die dat lukt. Ze eten vast héél gezond. Ze werken altijd hun to do-lijst af. En ze yoga-en zich suf, maar dat is niet de vrijheid waar ik van droom.

Waar ik van droom, is van ontsnapping. Ik kan de wereld niet veranderen. Ik kan wel een idee meegeven. Dus vanavond, bij deze, een idee, met dank aan Virginia Woolf. Ze verwoordde het bijna honderd jaar geleden. In haar tijd was het voor een vrouw nog verboden om zonder mannelijke begeleiding naar een bibliotheek te gaan. Woolf had met andere woorden een man nodig om de boeken die ze zelf geschreven had, in te mogen kijken. Wat doe je in zo’n geval?

Woolf had zich een weg naar binnen kunnen vechten. À la Lean In van Sheryl Sandberg. Ze had kunnen leren denken en handelen als een man, zoals Sandberg aanraadt. Ze had zich aan kunnen passen aan het systeem. Ze had zelfhulpboeken kunnen schrijven over hoe je dat doet. Hoe je een plekje aan tafel of in de bieb bemachtigd, waar je dan vervolgens de uitzondering mag zijn. Godzijdank deed ze dat niet.

In plaats daarvan draaide ze het om. Ze zei: Als je het gevoel hebt dat er in deze wereld geen plek voor je is, dan moet je je niet afvragen wat er mis is met jou, maar wat mis is met de wereld. Als je denkt dat het beter kan, dat er meer moet zijn in dit leven, maar dat de wereld jou geen ruimte biedt en jou je vrijheid ontneemt. Oftewel: de volgende keer dat je je te lui, lelijk, ongezond of een loser voelt, of dat iemand je zo noemt, denk dan aan Virginia Woolf. Denk aan Woolf als je, zoals ik, stug door blijft roken, stug door blijft drinken en in geen honderd jaar naar een sportschool zal gaan. Want er is echt niets mis met mij. Er is ook niks mis met de zogenaamde losers. Er is iets mis met de wereld om ons heen.

Vooroordelen over depressie

“Je hebt toch alles om gelukkig te zijn?” Dit zijn de grootste vooroordelen over depressie.
Libelle – Door Charlotte Teugels

Één op de vijf Vlamingen krijgt ooit te maken met een depressie, en toch is er niet altijd evenveel begrip. Deze lezeressen en deskundige reageren er graag op.

Vooroordeel 1: Depressie zit tussen de oren
Psychiater dr. Hannelore Tandt: “Een depressie is een psychiatrische aandoening, waarbij daadwerkelijk dingen gebeuren in je hersenen en lichaam. Er kan bijvoorbeeld een onevenwicht zijn in je neurotransmitters of hormonen, waardoor je te weinig serotonine aanmaakt of te veel stresshormonen. Het kan ook zijn dat je immuunsysteem verstoord is, of dat de informatieverwerking in je hersenen niet goed verloopt. We zien zelfs dat een depressie een soort litteken achterlaat in de hersenen: veranderingen in de zenuwbanen, die ervoor zorgen dat je nadien gevoeliger bent om opnieuw depressief te worden.

Daarnaast is er vaak sprake van een genetische aanleg: als depressie voorkomt in de familie, heb je tot drie keer meer kans om zelf ook depressief te worden. In feite is een depressie dus een heel complexe combinatie van neurobiologische en genetische factoren. Dat afdoen als ‘inbeelding’ is absoluut onjuist.”

Psychiater Hannelore Tandt
“Een depressie is geen inbeelding. We zien zelfs dat het een soort litteken achterlaat in de zenuwbanen, waardoor je nadien gevoeliger bent om weer depressief te worden”

Vooroordeel 2: Iemand met een depressie is gewoon niet zo’n goeie vechter
Lezeres Lien (24): “Mensen met een depressie zwak? Integendeel. Als je een depressie hebt, vecht je net kéihard. Elke dag opnieuw. Ik weet waarover ik spreek, ik vecht al bijna tien jaar. Ik was amper 15 toen het begon. Ik voelde me apatisch, gevoelloos, alsof ik overal buiten stond. Ik begon mezelf te snijden om toch maar iéts te voelen. Ik kreeg medicatie en therapie voorgeschreven, maar ik voelde me steeds slechter. Op een keer sneed ik mezelf zo hard dat ik in het ziekenhuis belandde. Ik werd opgenomen op de psychiatrische afdeling, waar ik nog dieper leek weg te zinken. Op een dag werd het me allemaal te veel, ik kon niet meer. Heel even gaf ik het gevecht op, ik wilde er een einde aan te maken, maar een verpleegster vond me net op tijd. Is dat zwak? Ik vind van niet. Ik was op dat moment gewoon moe gestreden van te lang sterk te willen zijn.

Ik was niet blij dat ze me op tijd hadden gevonden, nee, dat ben ik nog altijd niet. Ik heb sindsdien niets anders gekend dan pijn. Geen enkele arts kan verklaren wat er aan de hand is. Waarom ik zo ongelukkig ben. Ook zelf weet ik het niet. Het is niet dat ik niet wil leven. Dat wil ik wél. Maar niet op deze manier. Niet in deze depressie. Mijn gedachten gaan er regelmatig met mij vandoor. Dan denk ik: wat doe ik hier nog? Ik kijk naar mezelf in de spiegel, en vraag me af: wat is mijn toekomst? Ik volg therapie, en neem nog steeds medicatie, maar het lijkt niet te helpen.

Het enige dat ik doe, is vechten. Vechten, vechten, vechten. Vechten tegen het mes om mezelf te snijden. Vechten tegen mijn eigen gedachten. Vechten om te overleven. Vierentwintig uur per dag woedt die strijd in mijn hoofd: haak ik af, of ga ik door? Zeg me dus alsjeblieft niet dat mensen met een depressie zwak zijn. Geloof me, als ik niet zo sterk was als ik ben, dan was ik hier al lang niet meer…”

Vooroordeel 3: Een avondje met je vrienden zal je deugd doen
Caroline (57): “Voor de meeste mensen is een avondje met vrienden ontspannend. Ik begrijp dus wel waar dit misverstand vandaan komt. Maar voor mensen met een depressie is het verschrikkelijk. Sociale contacten vragen heel veel energie, zeker in een groep, en die energie heb je gewoon niet als je depressief bent. Ik heb het de eerste jaren nog geprobeerd. Ik wilde niet altijd ‘nee’ zeggen als vriendinnen me meevroegen, ik was bang dat ik op den duur niemand zou overhouden. Maar het waren telkens vreselijke avonden. Uiterlijk lachtte ik, praatte ik mee.

‘Ze heeft er deugd van’, dachten de mensen dan. Maar vanbinnen ging ik kapot. Het kostte me zoveel energie om dat masker op te houden, en na zo’n avond was ik meestal zó leeg, dat ik nadien dagenlang m’n bed niet uitkwam. Intussen ga ik nog maar zelden weg in groep. Wat wel deugd kan doen, is afspreken met één vriendin. Dat doe ik af en toe. Ik ken mijn beste vriendin al meer dan dertig jaar, en bij haar kan ik mezelf zijn en tonen wat ik voel. Dat geeft rust. Ergens klopt het dus wel, dat sociale contacten goed doen als je depressief bent. Maar – althans toch in mijn geval – dan enkel als je afspreekt met één vriendin, niet met een hele groep.”

Vooroordeel 4: Je hebt toch alles om gelukkig te zijn?
Nancy: “Ik heb het vaak moeten horen: ‘Je hebt een man, gezonde kinderen, een mooi huis en een goede job. Waarom zou jij depressief zijn?’ Ik snap die redenering niet. Alsof je ervoor kiest om je slecht te voelen?”

Anneleen: “Depressie is een ziekte. Dat je – in de ogen van anderen – alles hebt om gelukkig te zijn, betekent niet dat je de ziekte niet kunt krijgen.”

Sofie: “Sommige mensen durven niet te zeggen hoe slecht ze zich voelen, uit angst om deze reactie te krijgen.”

Sandra: “Ik kreeg dit van mijn eigen moeder te horen. Wat een klap in mijn gezicht.”

Lieve: “Er wordt soms geprofiteerd van de ziekte om niet te hoeven werken. Dat maakt mensen achterdochtig. Heel jammer voor wie er écht in zit, en daardoor minder begrip krijgt.”

Annick: “Nog zo’n dooddoener: ’Je moet de knop omdraaien’. Elke keer zou ik het wel willen uitschreeuwen: ik héb geen knop!”

Sanne: “Soms zou je hopen dat mensen met deze vooroordelen het zelf eens meemaken. Maar eigenlijk wens ik het niemand toe.”

Carine: “’Je bent nog zo jong, je hebt nog een heel leven voor jou, denk aan de goede dingen…’ Goed bedoeld, maar er is maar één iemand die weet hoe jij je voelt, en dat ben je zelf.”

Vooroordeel 5: Iedereen heeft weleens een dip
Psychiater dr. H. Tandt: “We hebben inderdaad allemaal wel eens een mindere dag, maar zo’n dipje is niet te verwarren met een depressie. Van een depressie spreken we pas als aan drie voorwaarden is voldaan:

Je hebt minstens vijf van de negen symptomen van een depressieve stoornis: de hele dag door een depressieve stemming hebben, geen of minder plezier in iets hebben, gewichtstoename of –verlies, slaapklachten, een gejaagd gevoel, vermoeidheid, schuldgevoelens, concentratieverlies en terugkerende gedachten aan zelfmoord.
Het sombere gevoel, het interesseverlies of de verminderde plezierbeleving duurt langer dan veertien dagen.

De sombere stemming heeft een duidelijke impact op het functioneren, bijvoorbeeld thuis of op het werk.”

Vooroordeel 6: Mij overkomt het niet
Myrthe (33): “Drie jaar geleden had ik een postnatale depressie, en het heeft maanden geduurd voor ik dat zelf inzag. Ik voelde wel dat ik slecht in m’n vel zat, maar daar had ik zoveel redenen voor. De zwangerschap was sneller gekomen dan verwacht, mijn relatie liep niet goed, ik had een heel zware bevalling gehad, het prille moederschap viel me zwaar… Bovendien was ik meteen weer voltijds aan de slag gegaan, en had ik weinig hulp van mijn (intussen ex-) partner, waardoor ik de zorg voor ons zoontje haast helemaal alleen droeg. Dat ik wat moe en prikkelbaar was, leek me dus niet meer dan normaal. Zelfs toen vriendinnen voorzichtig polsten of er toch niet meer aan de hand was, had ik niks door.

Een depressie, dat was iets voor anderen, voor mensen met een melancholisch karakter. Toch zeker niet voor mij? Ik, die normaal gezien altijd zo vrolijk en actief van aard ben? Het besef kwam pas toen ik enkele weken later besloot om toch eens met iemand te gaan praten, en op advies van een vriendin een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg binnen stapte. Ik las er een folder over depressie, en toen ik het lijstje met symptomen afging, kon ik niet anders zeggen dan: check, check en check. Ik had ze allemaal. Eindelijk zag ik in wat er met me aan de hand was. Sindsdien praat ik heel open over wat ik toen voelde. Postnatale depressie is nog steeds een beetje taboe, en dat is jammer, want ik heb zelf gemerkt dat het iederéén kan overkomen.

Het heeft helemaal niks te maken met je karakter, wél met wat je meemaakt en hoe je lichaam en brein daarop reageren. Dat wil ik graag meegeven aan andere jonge mama’s, die het, net als ik toen, moeilijk hebben. Want het is pas als je beseft wat er écht aan de hand is, dat je ook gepaste hulp kunt zoeken.”

Vooroordeel 7: Depressie is iets voor vrouwen
In Vlaanderen krijgt ongeveer 20 procent van de vrouwen en 10 procent van de mannen ooit in hun leven te maken met een vorm van depressie. Het komt dus inderdaad vaker voor bij vrouwen, maar dat het mannen niet kan overkomen, is onjuist.
“‘Ah, genezen?’ zeiden de mensen als ze me op straat zagen. Niemand begreep dat buitenkomen bij de therapie hoorde. Dat ik eigenlijk veel liever in bed lag met de gordijnen dicht”

Vooroordeel 8: Als je op een terras kunt zitten, kun je ook gaan werken
Christel (55): “Toen de diagnose depressie viel, en de arts me voor het eerst ziekteverlof voorschreef, zei hij heel nadrukkelijk: ‘Sluit je vooral niet op’. Hij raadde me aan om elke dag naar buiten te gaan, al was het maar voor een korte wandeling. Zo zou ik mensen tegenkomen, een praatje maken, mijn gedachten verzetten…

‘Als je tussen die vier muren blijft, ga je alleen maar meer piekeren’, zei hij. Natuurlijk wilde ik zijn raad opvolgen, maar makkelijk was het niet. Als je depressief bent, heb je heel sterk de neiging om je te verstoppen, wil je het liefst de hele dag met de gordijnen dicht in bed liggen. Toch probeerde ik het. Zo vaak ik kon, ging ik naar buiten. Het trof me hoe snel ik reactie kreeg. Hoe snel mensen hun conclusies trokken.

‘Ah, weer op de been!’ zeiden ze dan. Alsof het feit dat je buitenkomt, meteen ook betekent dat je ‘genezen’ bent. Dat is natuurlijk niet zo. Het betekent enkel dat je aan je genezing werkt, dat je al je moed bij elkaar hebt geschraapt om door die deur te gaan, gewoon omdat je zo graag beter wilt worden. Nog erger werd het toen collega’s me een keer op een terras een kop koffie zagen drinken. Mijn mama had me overtuigd om het te proberen, en voor het eerst in lange tijd voelde ik inderdaad dat iets me deugd deed. Tot ik ’s avonds van mijn man, die in hetzelfde bedrijf werkt, hoorde hoe ze over mij hadden geroddeld.

‘Werken kan ze niet, maar op een terras zitten lukt wél.’ Ik kan je niet zeggen hoe hard dat aankwam. Ik was zo trots geweest op het feit dat het me was gelukt, dat ik daadwerkelijk op dat terras had gezeten. Het had me meer energie gekost dan ik had, en ik voelde al dat ik het de dagen nadien zou bekopen. Maar tegelijk beschouwde ik het als een kleine overwinning, een stapje in de goede richting. En dan kreeg ik zo’n reactie? Dat deed pijn. Ik begreep het ook niet. Op een terras hoef je eigenlijk niets te doen, je zit er gewoon. Dat is toch iets helemaal anders dan aan het werk gaan, achter de computer gaan zitten, en je acht uur lang concentreren? Dat moesten de collega’s toch ook begrijpen?

Ik ben na die dag een tijdlang niet buiten geweest, gewoon uit angst om bekenden tegen het lijf te lopen en weer op dat onbegrip te botsen. Gelukkig is mijn mama altijd blijven proberen om me mee te trekken. Eerst samen tot aan de bakker, dan een korte wandeling… Ik ben haar daar nog steeds dankbaar voor, want alleen was het me misschien niet gelukt. Na enkele weken merkte ik wel dat de opmerkingen minder werden. Dat mensen zelfs begonnen te vragen hoe het met me ging. Blijkbaar moet je langere tijd thuis zitten, voor anderen geloven dat er écht iets mis is, en je niet zomaar wat wilt ‘profiteren’.”

Bron: Libelle –  Evelien Roels

Curlingouders

Een kinderleven zonder hindernissen is geen leven

Hoe overleeft een kind van curlingouders in de echte wereld?

Ouders die alles voor hun kinderen gladstrijken, kweken afhankelijke, onzekere volwassenen. ‘Het leven zit vol tegenslag.’

De Standaard – Anna Herter – 10.10.2019

Mijn oom ging als kind geregeld naar een paardrij­kamp. Ze droegen daar geen caps maar cowboyhoeden. Wanneer iemand zo onhandig was zijn hoed te laten vallen, gingen de andere kinderen er als een speer achteraan: degene die ’m wist te bemachtigen, zou die avond het toetje van de ongelukkige krijgen. De gemiddelde ouder van tegenwoordig sterft bijna als een kind met zo’n verhaal thuiskomt. Anno 2019 is zo’n praktijk ondenkbaar in de westerse wereld.

Bij curling laten mensen stenen over een ijsbaan glijden door het ijs met een bezem driftig schoon te poetsen. De Deense psycholoog Bent Hougaard zag de overeenkomst met de heersende manier van opvoeden: ouders vegen als curlers alle problemen van hun kinderen weg. Als een kind in de klas niet naast zijn beste vriendje of vriendinnetje zit, regelt de ouder dat wel door een pittig gesprek met de leerkracht. Of ze stappen naar de rechter als hun kind niet mag meedoen aan een schoolgala of eindmusical nadat het zich misdragen heeft, of wanneer ze het niet eens zijn met een schoolrapport.

Ik ben een twintiger, en ook opgegroeid als curlingkind. Toen ik op paardrijkamp ging, droeg ik naast een cap een driedelige bodyprotector. Niet dat de kans groot was dat ik hard op de grond zou belanden: mijn moeder regelde het wel dat mij de tamste pony werd toegewezen. Mijn moeders hulp bestond ook uit het herschrijven van mijn werkstukken, het oplossen van mijn ruzies met vriendinnen en het verwijderen van de ‘witte draadjes’ van mijn mandarijnen.

Geen teleurstellingen, geen tegenslagen, geen verdriet of pijn. Maar wel: moeten presteren. De ijsbaan is gladgestreken dus is er geen excuus meer om te mislukken. Op de basisschool moet je op het hoogste niveau lezen, daarna doe je aso en in je vrije tijd word je geselecteerd voor het hockeyteam. En je bent blij, gelukkig en vrolijk. Want er is geen reden om dat niet te zijn.

Tropische visjes

De realiteit is anders. Burn-out bij jongeren is al lang geen zeldzaamheid meer. Integendeel. Hoe komt het dat de beoogde excellentie uitblijft en in plaats daarvan problemen ontstaan? Eén van de verklaringen is dat het curlingouderschap watjes kweekt. De mentale instabiliteit van de millennials houdt verband met een gebrek aan zelfredzaamheid, meent Jan Derksen, hoogleraar psychologie aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij spreekt over de jongeren als tropische visjes in de Noordzee.

‘Overbeschermende ouders ­creëren een tropische watertemperatuur voor hun kroost. Als de kinderen in de echte samenleving terechtkomen, is het water ijskoud. Daar zijn ze niet op voorbereid en dan worden ze inderdaad ziek.’ Behalve zelfredzaamheid creëert het curlingouderschap ook een gebrek aan weerbaarheid, zelfvertrouwen, veerkracht en emotionele intelligentie, meent Derksen. ‘Dat maakt dat ze op hun 23ste al over een burn-out praten, nadat ze hun eerste functioneringsgesprek hebben gehad en wat negatieve feedback hebben gekregen.’

Andere experts stellen dat er niet zozeer iets schort aan de millennial, maar aan wat van hen wordt verwacht. Zo ziet pedagoge Liesbeth Groenhuijsen kinderen bezwijken onder de druk van verwachtingen en eigen verantwoordelijkheid. In een wereld waarin geluk en succes als maakbaar worden gezien, willen ouders koste wat het kost dat hun kind dit ook is, zegt ze. Als een kind daar niet aan voldoet, heeft het dubbel pech: het schiet én tekort én is een sufferd omdat het zijn of haar eigen schuld is. Er is weinig ruimte voor een misstap. ‘Af en toe ongelukkig zijn of het aanmoedigen van teleurstelling, gaat in tegen de tijdgeest. In deze tendens van succesvol zijn worden behoorlijk wat kinderen vermalen. Het leven barst namelijk van tegenslag, dus ieder kind faalt.’

Excellentie is normaal

Het streven naar perfectie kijken kinderen af van de volwassenen naar wie zij opkijken. Ook ouders hebben steeds meer de neiging om naadloos te passen in het plaatje, op het schoolplein, bij familie of op sociale media, zegt Groenhuijsen. ‘Van kinderfeestjes tot kerstontbijt, de standaard is dat het tot in de puntjes geregeld is.’ In deze optiek zijn ouders niet alleen de aanstichters maar ook de slachtoffers van die prestatiedruk. Pedagoog Stijn Sieckelinck beaamt dat. ‘Excellentie wordt steeds normaler. Het is lastig om je er als ouder niets van aan te trekken.’

Door obstakels weg te vegen en ook zelf de schijn op te houden, verdoezelen ouders de manco’s van het echte leven, dat niet altijd vlekkeloos verloopt. Je kunt niet overal de beste in zijn. En je hebt niet alles in de hand. Ik word naar links geswipet op Tinder en afgewezen bij sollicitaties. Ondanks ontgiftende gembershotjes krijg ik zo nu en dan de griep en ondanks de cursus mediteren heb ik ruzie met mijn lawaaierige bovenbuurvrouw. Soms heb ik geluk, soms heb ik pech. Soms voel ik me dolgelukkig, soms voel ik me down of lusteloos.

Op je bek gaan is oké

Ik probeer mijzelf voor te houden dat zulke tegenslagen eigen zijn aan het leven. Sinds ik inzie dat ik geen mislukking ben maar het leven een hindernisbaan is, lukt het zo nu en dan zelfs hiervan te genieten. Als je het zo bekijkt, is het leven immers een uitdagend speelparadijs. Op mijn bek gaan hoort erbij en is geen reden voor paniek. Dat overkomt al die perfecte influencers op Instagram ook.

Of de Duitse hoogleraar Johannes Haushofer, die summa cum laude promoveerde als neuropsycholoog en econoom. In 2016 publiceerde hij een cv met daarop al zijn mislukkingen. Hij wilde mensen erop attenderen dat wij bij anderen vaak alleen maar de successen zien, en niet de vele mislukkingen die daaraan vooraf zijn gegaan.
Sieckelinck beaamt het idee dat obstakels niet alleen onontkoombaar zijn, maar ook iets om te omarmen. Hij stelt dat ze een voorwaarde zijn om te leren en te groeien. ‘Een mens heeft weerstand nodig in zijn omgeving. Het is eigen aan elk leerproces om iets dat je nog niet weet of kan te lijf te gaan.’ Groenhuijsen sluit zich hierbij aan: ‘Je wordt een vollediger mens als je je eigen schaduwkanten bent tegengekomen. Als je je daar doorheen weet te ploegen, maakt dat je groter, sterker, beter. Het geeft bovendien betekenis en zin aan het leven.’

Maar hoe laat je je kind dan op zijn of haar bek gaan? Volgens Groen­huijsen is dat simpel. Teleurstelling hoef je niet te creëren, want het zit overal. Het begint al op de crèche waar peuters elkaars speelgoed afpakken. ‘We hoeven onze kinderen niet van een klimrek te duwen, maar we moeten ze wel de kans geven om zelf tegenslag tegen te komen.’ Volgens Sieckelinck betekent dit ook iets minder computerspelletjes en meer buiten spelen. ‘Hoewel Fortnite ook vol teleurstellingen zit, bereidt het je niet voor op functioneren buiten je kamer.’

Netwerk van volwassenen

Sieckelinck raadt aan om niet zozeer minder tijd in kinderen te steken, maar wel om de focus te verschuiven. ‘In plaats van te voorkomen dat er heftige dingen gebeuren, moet een kind een goed netwerk van volwassenen hebben dat hem of haar bij tegenslagen kan steunen. Laat ze die enge stap zetten, maar wees er voor hen als dit anders dan verwacht uitpakt.’ De wetenschap dat zij er niet alleen voorstaan, geeft kinderen het zelfvertrouwen dat zij nodig hebben om de obstakels van het leven tegemoet te treden.
Misschien moeten wij onze kinderen zo af en toe van een paard laten vallen en zelfs een dessert afpakken. Niet alleen om ze goed hard en weerbaar te maken, maar om ze een volledig leven te schenken. Een leven waarin het nu eenmaal niet altijd meezit. En ze moeten leren dat dit aan het leven ligt, niet aan henzelf.

 

Charisma

Charisma, de natuurlijke boenwas voor de persoonlijkheid

Niemand weet precies wat het is, maar iedereen herkent het

Stel je voor: je stapt een ruimte binnen en hoofden draaien zich gefascineerd in jouw richting. Je vertelt iets en mensen luisteren. ‘Wat een uitstraling’, hoor je zeggen. Is het leven niet een pak prettiger met wat charisma? 

De Standaard – Sarah Vankersschaever – 26.09.2019

Neen, met parfum alleen zal het niet lukken. Als je de aandacht wilt trekken en vasthouden, heb je straf spul nodig. Charisma, afgeleid van het Griekse woord voor ‘goddelijke gift’. Het enige goede aan die etymologie is dat ze ver achter ons ligt: de schepper heeft er niets meer mee te maken, het patent is vandaag in handen van de bedrijfspsycholoog.

Charismatisch leiderschap is een druk bestudeerd en becommentarieerd fenomeen. Waarom heeft Barack Obama het bijvoorbeeld, maar Hillary Clinton veel minder? Waarom had Boris Johnson het, maar lijkt hij het op dit moment alweer kwijt? En hoe zit het met uw baas: charismatisch of niet? We zoeken het even uit.

Tegenstrijdige boodschap

Elizabeth Warren. De Amerikaanse senator uit Massachusetts liet in mei dit jaar weten dat ze presidentskandidate wil zijn voor de Democraten. Werd ze in 2015 in Amerikaanse media nog omschreven als charismatisch en gepassioneerd – veel meer nog dan Hillary Clinton – dan ligt die tijd in de perceptie even ver achter ons als de Griekse Oudheid. Want Warren is het kwijt. Charisma.

Peter Beinart, professor journalistiek aan City University of New York, fileert the Warren case haarfijn in het literair-cultureel tijdschrift The Atlantic. Beinart legt daarin uit waarom vrouwen benadeeld zijn als het gaat over charismatisch leiderschap. Ze lijden onder the double bind, de ‘dubbele binding’: een dilemma in communicatie, waarbij iemand tegenstrijdige boodschappen ontvangt. Concreet betekent het dat een vrouw niet tegelijk competent en charismatisch kan zijn in de publieke opinie. Ofwel wordt een vrouw als warm, maar incompetent ervaren, ofwel als competent, maar koud.

‘Het probleem is dat veel vrouwen bang zijn om fouten te maken en dus als incompetent bestempeld te worden’, schrijft Peter Beinart op basis van een Harvard Business Review-studie, ‘maar daardoor nemen ze zoveel voorzorgen dat ze minder visionair lijken.’ En dat is dodelijk voor het charisma, omdat de belangrijkste kwaliteit van charismatisch en effectief leiderschap nu net ‘anderen inspireren’ is.

Eigenaardig

Het is u misschien opgevallen dat het tot dusver vooral over (politieke) leiders gaat. Wie weet bent u zelf leidinggevende, wie weet charismatisch, maar bovengetekende is dat niet. Het greintje vers charisma dat zich elke dag aandient, spoelt ’s ochtends gewoon met wat tandpasta de goot in.

‘Charisma in het dagelijks leven krijgt veel minder aandacht’, bevestigt Bart Wille, professor bedrijfspsychologie aan UGent. ‘Al nemen we aan dat er tot op zekere hoogte overlap is met de bevindingen uit het ­politieke of bedrijfsleven.’

Wille kan dat zeggen dat omdat hij en zijn team naar charismatische eigenschappen hebben gezocht. Ze wilden uitzoeken hoe het kwam dat mensen enerzijds moeilijk kunnen benoemen wat charisma is, maar anderzijds opvallend eensgezind zijn over wie het heeft. Dan moeten er toch grootste gemene delers zijn in hun persoonlijkheid?
‘We vonden vier kenmerken’, zegt Bart Wille. ‘Eerst en vooral stralen charismatische personen vertrouwen in zichzelf uit en in het eigen kunnen. Ze zijn daarnaast optimistisch en energiek en beschikken over een sterke retoriek, waardoor ze de rol van inspirator durven op te nemen. Verder zijn ze bereid om grenzen op te zoeken en dus om risico’s te nemen.’ Tot slot verdraagt charisma creativiteit en zelfs excentriciteit. ‘Dat kan ook fysiek,’ zegt Wille, ‘want vaak wordt hun unieke uitstraling gekenmerkt door een fysieke eigenaardigheid.’

In het dagelijks leven is het net iets minder waarschijnlijk dat mensen alle vier deze eigenschappen bezitten. Iemand kan bijvoorbeeld creatief zijn en vol vertrouwen, maar verder niet de meest energieke of optimistische persoon. Maar erg is dat niet, omdat er ook zoiets bestaat als too much of a good thing. Maar hiervoor moeten we ­terug naar het charismatisch leiderschap.

De voorwaarde

Charisma heeft een voorwaarde. Namelijk: gij zult slechts charismatisch zijn met mate. ‘Charisma kan veel positieve effecten hebben,’ zegt Bart Wille, ‘omdat je orde kunt brengen in chaos, mensen kunt verenigen in een project en iets in beweging kunt zetten. Maar je kunt ook de bal misslaan.’

Te veel zelfvertrouwen kan namelijk overslaan in arrogantie. Wie te optimistisch is, kan naïef en inhoudsloos overkomen. Wie de grenzen te ver rekt en te veel risico’s neemt, kan roekeloos worden. En overdrijven in excentriek gedrag wordt op den duur onbetrouwbaar – dan ben je ­louter nog een gek figuur.

‘Dat het zo ver kan komen, komt omdat charismatische leiders een blinde vlek kunnen ontwikkelen’, legt Wille uit. ‘Wie succes na succes boekt, durft overmoedig worden en te weinig kritisch naar zichzelf kijken. Voor zijn of haar omgeving wordt zoiets dan wel snel duidelijk, de persoon in kwestie zal het niet doorhebben. Het fenomeen is zo interessant dat ze er een televisieprogramma over gemaakt hebben: The sky is the limit. Vol ondernemers die ongetwijfeld ooit erg charismatisch waren, maar ondertussen enkel nog excessief zijn. Of kijk naar Boris Johnson in Groot-Brittannië: een man met veel charisma, in onzekere Brexit-tijden een welkome houvast voor onzekere kiezers, maar vandaag vooral een excentriek persoon die het te ver drijft. Dat maakt van charisma een tweesnijdend zwaard.’ En zo zijn we toch weer bij de Grieken beland.

Charismatisch word je zo

So you think you can be charismatic?
Het goede nieuws is dat u het inderdaad kunt ontwikkelen. Het minder goede nieuws is dat charisma niet zo kant-en-klaar is als een vitamine D-kuur: het vraagt zelfkennis, geduld, training en ook wel wat geld, toch als u wilt leren speechen zoals Barack Obama. Bovendien is charisma een stilistische topping: als daaronder onvoldoende expertise en savoir-faire schuilt, raakt het bijzonder snel uitgewerkt en kan het uw imago zelfs schade toebrengen. Tot zover de disclaimer. Go get ‘em, tiger!

Taal

Charisma is het talent en de vaardigheid om in de ogen van anderen invloedrijk, betrouwbaar en inspirerend te zijn. Doorgaans lukt zoiets niet zonder een mond open te doen. De Zwitser John Antonakis, professor verbonden aan de Universiteit van Lausanne, vond dat de volgende verbale tactieken u charismatisch maken (maar overdrijf er niet mee): gebruik metaforen en analogieën, zorg voor contrast, vertel verhalen en anekdotes, maak een driepuntenlijst, stel retorische vragen, spiegel de gevoelens van toehoorders, maak morele overtuigingen en ambitieuze doelen kenbaar en straal het vertrouwen uit dat die haalbaar zijn. Wees ­tijdens het praten bovendien niet te ­zuinig met gezichtsuitdrukkingen of ­gebaren en varieer in stemhoogte en -timbre.
Kortom: leer om wervend, inspirerend en dus charismatisch te praten en te presenteren. Op die manier onthoudt iemand niet alleen beter wat u zegt, maar ervaren mensen u ook als meer integer, autoritair en gepassioneerd.

Snelheid

Niet alleen de manier waarop u praat, maar ook hoe snel u met een antwoord op de proppen komt, heeft een invloed op charisma. Onderzoekers uit Amerika en Nederland ontdekten dat we mensen charismatischer vinden als ze snel zijn met hun repliek – nog los van hun IQ, algemene kennis en persoonlijkheid. ‘Vergelijk het met de ervaring die je hebt op een perron’, vat de journaliste Julie Beck het samen in ‘The Atlantic’. ‘Als je te dicht bij de sporen staat, kan een voorbijrijdende trein je de adem benemen. Niet de grootte of het type trein doet je naar adem happen, maar de snelheid waarmee hij voorbij raast.’ Mensen kunnen verbaal eenzelfde effect hebben. Hap hap hap.

Slaap

Weinig zo dodelijk voor charisma als een te korte nacht of, erger, chronisch slaapgebrek. Vermoeidheid zet namelijk de eigenschappen onder druk die je nodig hebt om charismatisch te zijn: plots is het een pak moeilijker om te inspireren, om creatief, energiek en optimistisch te zijn of je als een doordachte gesprekspartner te profileren.
Al is een lange nacht geen garantie op een Groot Charismatisch Effect. Ook je toehoorder is namelijk minder bereid om je charisma te erkennen als die te weinig geslapen heeft.

Je innerlijke criticus

Als het gonst in je hoofd
Hoe tem je de innerlijke criticus?

De Standaard – 22.09.2019

Niets durven te beginnen omdat je toch de mist in zult gaan. Blijven malen over een fout. Jezelf bestoken met strenge stemmen in je hoofd. Herkenbaar? De innerlijke criticus dwarsboomt ons vaker dan we willen, zelfs op momenten dat we dat niet eens beseffen. Psychotherapeut Wilfried Van Craen en schrijfster Isabelle Rossaert weten hoe ze hem om de tuin kunnen leiden.

Toen ik gisteren ging wandelen met mijn nogal kleine hond, was ik diep in gedachten verzonken. Er woont blijkbaar een olijke deejay in mijn hoofd die maar blijft doorratelen, en tussendoor onnozele liedjes afspeelt (Klein konijntje Pinkie, o-o lief klein konij-ijntje). Zo kwam het dat ik te laat zag hoe drie honden vanop hun erf op ons af stormden. Vanuit de diepte van hun enorme lijven klonk een gegrom, en al snel begon mijn hond terug te grommen: die heeft werkelijk geen idee van zijn formaat.

Weg waren daarna de zachte mijmeringen, klein konijntje Pinkie en de deejay. Toen ik mijn hond optilde, wegwandelde en bad dat de hellehonden de achtervolging zouden stopzetten, zat in mijn hoofd een schoolmeestertje te dreinen. (Waarom let je niet beter op? De hond had dood kunnen zijn. Dat is nu eens altijd hetzelfde.)

Ik ken die stem, al lang. U kent ze ongetwijfeld ook. Het is de innerlijke criticus die ons vertelt dat we losers zijn. Hij blokkeert ons als we aan iets nieuws willen beginnen, duwt ons de dieperik in na een mislukking. Hij vertelt ons dat we hoe dan ook nooit aan de verwachtingen zullen voldoen. (Kunnen ze jou nu werkelijk niks toevertrouwen? Zelfs niet één klein hondje? Geen wonder dat je geen deftige job hebt.)

Hoe ben ik hier geraakt?

‘Pure terreur’, noemt psychotherapeut en seksuoloog Wilfried Van Craen het. Hij kan terugblikken op veertig jaar als therapeut, en een van de thema’s die vaak terugkomen in zijn praktijk en zijn cursussen, is hoe makkelijk wij onszelf de vernieling in piekeren. Dag in, dag uit – ongeveer de helft van de tijd – spoken er gedachten door ons hoofd, zo schrijft hij in zijn pas verschenen boek Weet u, ik heb het ook niet gemakkelijk. Soms zijn dat prettige mijmeringen, maar vaak zijn we ons leven aan het evalueren: random episodic silent thinking about one’s life. En als dat op dat moment niet loopt zoals we hadden gehoopt, dan zal de innerlijke criticus ons vertellen dat het allemaal beter zou zijn – als we maar (een beetje beter ons best deden, slanker waren, slimmer waren, grotere honden hadden).‘Soms ben je je ervan bewust dat die criticus weer aan het werk is’, zegt Van Craen.

‘Maar een aantal jaren geleden stootte ik tijdens mijn research op het default mode network. Dat is een netwerk van hersengebieden dat actief wordt op momenten dat je je geest de vrije loop laat. Onderzoekers vroegen aan mensen die in een hersenscanner gingen om aan niks te denken, en ze stelden vast dat er al snel hersenprocessen ontstonden die zeer analoog waren met piekeren. Toen men dat verder uitzocht, bleek dat mensen vaak piekerden op momenten dat ze dachten dat ze ontspanden.’

We doen het tijdens het wandelen, voor de tv, of in de auto. Mobiliteitsorganisatie Touring vertelt ons in een nieuwe campagne wel dat we ons niet mogen laten afleiden achter het stuur, omdat al dat sms’en, zingen, lachen en het kussen van geliefden onderweg levensgevaarlijk kan zijn. Alleen: je wilt ze natuurlijk de kost niet geven, de mensen die plots met hun auto op het werk aankomen. Geen idee wat er gebeurd is tussen vertrek en aankomst, ze waren de hele rit compleet wég. Weggegleden in de rumoerige vergaderingen in hun hoofd.

Vaak zitten we dan te piekeren over de kloof tussen het leven dat we leiden – het werk, het huis, de geliefden – en alle normen die ons ooit zijn opgelegd. Vroeger kwamen die normen vooral uit het dorp, de cultuur, via de school, de ouders en de kerk. Op je 25ste moet je van straat zijn. Een vrouw cijfert zich weg voor haar kinderen. De zondag is de dag des heren. Van masturbatie word je doof en blind. Vandaag is het vooral het arbeidsethos van de neoliberale samenleving: willen is kunnen, goed is niet goed genoeg. Van Craens ouders leerden hem als vijftienjarige ook dat je hard moet werken om er te geraken. ‘Dat hebben ze met de beste bedoelingen gedaan, maar die normen hebben wel een vervaldatum. Doe eens uw best, zorg dat je niet opvalt, zie dat je de eerste bent. Als je die ideeën nog volhoudt op je veertigste, dan zul je daar wellicht niet heel gelukkig van worden.’Schilderen op cornflakesdozen

De innerlijke criticus beteugelen en de ideeën loslaten over hoe het hoort: het moet zowat de dagelijkse worsteling zijn van elke kunstenaar, schrijver, van elk buitenbeentje – mensen die elke dag weer het gevoel hebben dat ze in hun onderlijfje staan en van nul moeten beginnen. Ook Isabelle Rossaert kent die criticus maar al te goed. Als schrijfster, als coördinator van SchrijversAcademie, en als schrijfdocente. Met The Artist Way, een programma dat werd bedacht door schrijfster Julia Cameron, begeleidt ze mensen die een nieuw pad willen inslaan, en helpt ze hen omgaan met hun twijfels en de reacties van anderen.

‘Ik ga ervan uit dat we in ons hoofd verschillende kamers hebben, en dat de innerlijke criticus er daar eentje van inpalmt’, zegt ze. ‘Dat is prima, zolang die niet in alle andere kamers komt en schreeuwt: je bakt er niks van, wat gaan de mensen ervan denken? De kunst is om die criticus op het juiste moment toe te laten. Hij helpt ons te oordelen over wat we doen. Maar als hij te vroeg komt, op een moment dat we nog aan het zoeken zijn, blokkeert hij ons. De basis van The Artist Way is net dat we omringd zijn door eindeloos veel mogelijkheden, en dat we die pas kunnen gebruiken als we onbevangen zijn. Als je iets wilt creëren en je bent niet bestand tegen de gedachte dat het in het begin misschien nog op niks trekt, dan stop je gewoon.’

Om de innerlijke criticus lang genoeg het zwijgen op te leggen, hanteert The Artist Way twee technieken. Met de eerste, de ochtendpagina’s, geef je jezelf de afspraak dat je elke ochtend drie pagina’s schrijft. Het maakt niet uit waarover: het is toch niet voor publicatie. ‘Bullshitschrijven, zo noem ik het. Je zet je innerlijke criticus dan in de hoek. Je zegt: jij bent nu nog niet aan de beurt. Ik vind het een fantastische training voor iedereen die creatief in het leven wil staan.’

Een tweede techniek is the artist date: elke week verken je iets wat je interesseert, iets wat je prikkelt om te spelen, te experimenteren en helemaal op te gaan in de flow. ‘Het is typisch zo’n activiteit waarbij je gaat neuriën’, zegt Rossaert. Zelf tekent ze sinds kort met pastelkrijtjes, op stukken karton die ze uit cornflakesdozen knipt. Het helpt haar om te experimenteren – wie neemt er nu een cornflakesdoos ernstig? ‘Je traint jezelf om je oordeel nog even uit te stellen. Iets gelijkaardigs doe ik als ik aan een roman werk. Ik schrijf eerst met de hand, zodat ik alles later nog moet overtypen. Dat geeft me de ruimte om te zeggen: het is nog niet definitief.’

Wat Isabelle Rossaert vooral probeert, is de innerlijke criticus ook wat op te voeden, zodat hij de juiste taal spreekt. ‘Niet: het trekt op niks. Wel: dit zijn de punten waarop het nog beter kan.’ Het is een vorm van mildheid voor jezelf, die ook Wilfried Van Craen bepleit: ‘Zeg tegen jezelf wat je tegen een goede vriend zou zeggen.’

Welkom, maar ik heb nu geen tijd

Het probleem is niet zozeer dat de criticus er is, wel dat we geloven wat hij ons vertelt. Het was voor Wilfried Van Craen een eyeopener toen hij ontdekte dat wij ons vaak zo ellendig voelen door de constructies die we maken in ons hoofd, en dat je ook anders naar de werkelijkheid kunt kijken. Dat was 25 jaar geleden, op het moment dat hij aan de slag ging met de cognitieve psychologie: ‘Ik zag dat cliënten vaak samenvielen met hun innerlijke criticus. Maar als je alles gelooft wat die vertelt, dan zit je echt in de miserie.’

Later maakte hij kennis met mindfulness, dat leert hoe je een mildere houding kunt aannemen: je verzet je niet meer, je zegt de innerlijke criticus niet dat hij ongelijk heeft, maar neemt meer afstand. In Weet je, ik heb het ook niet gemakkelijk reikt Van Craen ideeën uit de twee strekkingen aan voor wie soms stuk dreigt te lopen op zijn eigen gepieker. ‘De westerse benadering is zinvol, maar als ze niet werkt, biedt mindfulness een interessant alternatief. Je erkent dan dat die innerlijke criticus er is. Je zegt: welkom, zet u, maar ik heb nu niet veel tijd voor u. En je schenkt er verder geen aandacht aan.’

Zijn tip: leer de criticus kennen, ontdek wanneer hij het actiefst is. ‘Dat zijn vaak periodes waarin je kwetsbaar bent, maar er zijn ook situaties die hem uitlokken. Tijdens het autorijden, bijvoorbeeld. Tijdens die lege momenten moet je je gedachten een taak geven, door aandachtig te zijn voor wat er op dat moment is. Dat hoeft niet eens aangenaam te zijn: het gebrom van een vliegtuig, krekels in het veld, je ademhaling, het werk dat je doet.’

Wat ook kan helpen, zegt Wilfried Van Craen, is de niet-ik-strategie. ‘Stel dat ik stress heb omdat het hier niet opgeruimd is. Als ik weet dat die stress komt door de innerlijke criticus die zegt dat iedereen mij een slordigaard zal vinden, dan weet ik: dat is de stem van ma. Dan kan ik zeggen: ik ben Wilfried, ik ben niet mijn moeder, niet mijn vader, of mijn leraar. Het helpt om afstand te nemen. ’

Tot slot, als de innerlijke criticus bijzonder taai is, werkt Van Craen op afspraak. Het is te zeggen: hij geeft hem een moment waarop hij eens echt mag tekeergaan. ‘Zeg: beste criticus, ik merk dat je niet aflaat. Ik ben nu bezig, maar ik zal elk avond tussen zeven en tien over zeven naar je luisteren. Dat lijkt vreemd, maar pas dat eens toe. In de praktijk stel je al snel vast dat het een eentonig verhaaltje wordt. En dan zeg je: is dat alles wat je te vertellen hebt?’

Meer informatie
‘Weet je, ik heb het ook niet gemakkelijk’ is zopas verschenen bij Standaard Uitgeverij.
Onder de noemer ‘Rust in je hoofd’ geeft Wilfried Van Craen dit najaar ook trainingen voor wie te veel piekert: wilfriedvancraen.be/rustinjehoofd
Isabelle Rossaert start met een nieuwe reeks van The Artist Way vanaf 9 november. Meer info: deschrijfkaravaan.be

Door Kaat Schaubroeck
Illustraties Debora Lauwers

Lijden doet scheiden

‘Ik was de vrouw die er niet bij was toen hij overleed’: je doodzieke partner verlaten blijft taboe

Zaterdag, op de Werelddag Dementie, zet de Alzheimer Liga niet alleen de zieke, maar ook de partner centraal. Maar wat als die er geen zin meer in heeft? Lijden doet, zo geven onderzoekers aan, vaker scheiden. Ondanks het grote taboe. ‘Ik was de vrouw die er niet bij was toen hij overleed.’

De Morgn –  Eline Delrue – 20 september 2019

“Mijn wereld werd almaar kleiner”, zegt Marie (64). “Op den duur zat ik in een gevangenis.” Begin dit jaar hakte ze de knoop door. Na dertien jaar verbrak ze de relatie met haar zieke man, een nierlijder met dementie. “Het enige wat hij nog wilde, was dat ik de hele dag naast hem in de zetel kwam zitten, om zijn handje vast te houden. Ging ik de deur uit, dan zinde hem dat niet. En ik moest en zou op dat uur thuis zijn. Voor mij werkte dat niet meer. Ik moet verdorie nog 65 jaar worden. Ik was bang: als dit niet stopt, dan ga ik mee de dieperik in.”

Breken met je zieke partner, het blijft taboe. “Zoiets doe je toch niet”, sist de buitenwereld al snel. “En wat dan met ‘in goede en kwade dagen’?” Verlaat je je wederhelft in kwakkelende gezondheid, dan krijg je er behalve dat eigen schuldgevoel gegarandeerd nog wat verwijten bovenop. Nederlands onderzoek, uitgevoerd door het Helen Dowling Instituut en Plus Magazine, plakt er een cijfer op: 76 procent van de bevolking heeft weinig tot geen begrip voor wie zijn zieke partner “in de steek laat”.

Waarom blijven jullie samen? Het is een vraag die relatie- en gezinstherapeut Hadi Waelkens, verbonden aan de oncologische dienst van het UZ Leuven, wel vaker stelt, op zoek naar de positieve dingen die partners verbinden. “Het blijft toch altijd schrikken als je de geliefde van een kankerpatiënt hoort zeggen: ‘Ik blijf alleen maar omdat het moet, want wat gaan de mensen anders zeggen?’ Dat taboe zit er heel hard in.

Sommigen voelen zich schuldig alleen al over de gedachte ‘dat het toch zwaar is, samenleven met een zieke’. Je ziet dan hoe ze zichzelf tot de orde roepen: ‘Ik mag zo niet denken, het is mijn plicht.’”

Vijftig jaar geleden werd je er nog voor verketterd, meent relatiedeskundige Rika Ponnet. “Je zieke partner verlaten, dat deed je gewoon niet. Je had malchance, het verkeerde lot, en diende dat uit te zitten. Vandaag kijken we daar toch anders naar: het individuele krijgt al meer de nadruk – ‘Je loopt hier toch maar één keer rond.’ Wel blijft het een van onze diepste angsten weerspiegelen: als ik morgen ernstig ziek word, zal de ander er dan zijn om voor mij te zorgen? Dat maakt dat de buitenwereld het nog altijd moreel afkeurt.”

Het overkwam Lideweij Bosman, een Nederlandse dertiger die er het boek Naupaka over schreef. Daarin vertelt ze hoe ze na hun jarenlange gevecht tegen lymfeklierkanker haar vriend Sander verliet, vijf maanden voor zijn dood. Lideweij: “Van de ene dag op de andere wist iedereen wie ik was: de vrouw die haar doodzieke vriend in de steek had gelaten. De vrouw die er niet was toen hij overleed. Noch bij zijn crematie. Ik wist dat er reacties zouden komen, maar dat die zo heftig zouden zijn? Mijn tijdlijn op Twitter stond vol oordelen, verwijten en verwensingen. Ik had velen duidelijk geraakt in een oerangst: de angst om alleen achter te blijven.”

Lijden doet scheiden, zo blijkt uit studies. Volgens het Amerikaanse onderzoek In Sickness and in Health, uitgevoerd door de Iowa State University, stijgt de kans op een echtbreuk met 6 procent als de partner ernstige gezondheidsproblemen krijgt, zoals kanker, een beroerte of een hart- of longaandoening. Vlaamse cijfers zijn er niet, maar ook bij ons ligt het aantal relatiebreuken bij ziekte een pak hoger dan het gemiddelde van een op de drie, weten experts. Hoe zwaar de beproeving wordt, hangt voor een groot stuk van de aard van de ziekte af, stellen Amerikaanse psychologen nog.

“Bij ziektes met een groot risico op overlijden ligt de kans op een relatiebreuk lager”, klinkt het. De belangrijkste verklaring hiervoor is even simpel als cru: sterft je partner, dan hoef je ook niet meer te scheiden. “Bovendien”, zo luidt het nog, “kan een terminaal zieke meestal op meer begrip en geduld rekenen dan partners met een chronische, niet-levensbedreigende kwaal.”

Opmerkelijk: een man die met zijn gezondheid sukkelt, loopt minder risico om alleen te vallen. Meestal zijn het de mannen die de benen nemen als hun vrouw ziek wordt. “Niet zo verwonderlijk”, vindt relatietherapeute Ponnet. “Bij veel koppels is de vrouw nog altijd de zorgpilaar. Valt zij uit, dan komen al haar taken bij de man te liggen. Dan heb je mannen die dat ontvluchten. Velen knappen ook af op de zorgrelatie die ontstaat. En op het idee dat ze geen gezonde vrouw meer hebben. Eerlijk gezegd, ik schrik er soms nog van hoeveel mannen niet willen daten met een vrouw die borstkanker heeft overwonnen. Voor velen is dat te spiegelend: het confronteert hen met het ouder worden, met slijtage en de eindigheid van het leven.”

Wel niet te onderschatten, zo stellen experts: gemiddeld genomen heeft de geliefde het wellicht nog veel zwaarder dan de zieke zelf. Want terwijl de zorgen zich opstapelen, staat je eigen leven on hold. Je sociale wereld krimpt, je raakt afgezonderd en geïsoleerd.

“Op den duur ben je voor een stuk getrouwd met de ziekte”, omschrijft psychologe Hadi Waelkens. “Veel patiënten laten te veel vallen, of moeten te veel laten vallen, door hun ziekte. Dat kan hun leven en dat van hun geliefde enorm vernauwen. Ook de omgeving verengt het koppel dan vaak tot die ene aandoening. ‘Hoe gaat het met je vrouw of man?’, informeren ze dan. Maar hoe het met jou, als partner, gaat: dat vraagt niemand.

De buitenwereld ziet je niet meer als individu, maar eerder als het verlengstuk van iemand die ziek is. Ook dat maakt het voor naasten zo moeilijk om voor hun eigen noden op te komen.”

Klopt, beaamt Ponnet: “Sommige partners geven aan dat ze zich bijna jaloers voelen op de zieke, omdat die met alle aandacht gaat lopen. Alsof jij de gelukzak bent die het niet aan de hand heeft, terwijl het toch nog altijd een wij-verhaal is.”

Gekraakt

Hoe het met haar gaat? Het is een vraag die ook Marie, gescheiden van haar man met dementie, lange tijd niet kreeg. “Niet dat het mij toen fel geraakt heeft. Precies omdat ik mezelf zo hard wegcijferde. Feit is: niemand ziet nog degene die achter de zieke staat.

Degene die zoveel zorgt, steunt en opoffert. Tot je zelf kraakt. Pas na de breuk zeiden mijn vriendinnen ‘dat ik geen leven meer had’. Je omgeving ziet dus wel dat je geïsoleerd raakt, maar niemand doet er iets aan. Uiteindelijk moet je dat zelf doen.”

Een breuk komt niet uit de lucht vallen, bemerken psychologen. “Geliefden geven hun zieke wederhelft doorgaans veel kansen en veel krediet”, zegt Waelkens. “Maar zo’n ziekteproces daagt relaties op veel verschillende manieren uit. Mensen die nog maar pas de diagnose hebben gehoord, zitten vaak in overlevingsmodus. Zij gaan volop door een crisis en hebben die eerste maanden slechts weinig oog voor hun relatie. Pas als de ziekte wat meer een plek heeft gekregen, komt die aandacht terug. Maar precies daarin zit het gevaar: dat ze hun relatie te lang aan de kant zetten. Op die manier raken koppels vaak een stukje kwijt dat moeilijk te herstellen valt.”

Ermee breken of zelf barsten? In haar nieuwe boek Hókúle’a gaat Bosman nog dieper in op die keuze en hoe ze te maken. Dat moment zes jaar geleden, net voor ze haar relatie verbrak, zit nog vers in haar hoofd. “Ik weet nog precies waar ik was: ik zat op het tapijt in de slaapkamer, tussen de witte planken van een kapotgetrapte Ikea-kast.

Sander had zijn doodvonnis gekregen. Na vijf jaar strijden zou hij sterven. Als een wilde tijger had ik me uitgeleefd op de slaapkamerkast. Ik schreeuwde dat ik net zo goed ook dood kon gaan, en liet me vallen op het tapijt. Ik besefte dat alle pogingen om onze relatie te herstellen mislukt waren. Ik kon hem niet dwingen om te stoppen met drinken, of met verdovende medicatie in te nemen waardoor hij als persoon veranderde. Ik kon hem niks opleggen, maar ik kon wel zelf actie ondernemen. Ik moest de relatie verbreken, anders zou ze mij opbreken.”

Is de zieke zichzelf niet meer, dan wordt het helemaal belastend, erkennen experts. Zoals bij (jong)dementie, na een beroerte of een opgelopen hersenletsel. Jolien (44), mama van drie, zette er drie jaar geleden een punt achter. Haar eerste grote liefde was, na een verkeersongeval, totaal onherkenbaar geworden. “Toen hij uit coma kwam, bleken zijn hersenen ernstig beschadigd, vooral in het gebied dat te maken heeft met empathie en impulscontrole. Dit was niet meer de man met wie ik getrouwd was, niet meer de papa die onze kleine kinderen gewoon waren. Het hersenletsel had hem heel egocentrisch gemaakt, alles draaide rond hem. Elk beetje empathie was zoek. Als hij dronk, want daar was hij mee begonnen, werd hij bovendien agressief, zowel verbaal als fysiek. Vier jaar lang heb ik de hel beleefd. Hij wist verduiveld goed hoe me te kwetsen en te manipuleren. Maar ik bleef, in de hoop dat dit maar een tussenfase was. Tot het duidelijk werd dat er geen beterschap zou komen. Mijn man was weg en ik zou hem nooit meer terugkrijgen.”

Enter de ziekte, exit de sfeer. Dat zet relaties behoorlijk onder druk, ook in bed, zien seksuologen. Vaak is het de zieke bij wie het libido onder nul zakt: door de medicatie, de pijn, of uit schaamte voor dat veranderde lijf. Soms laat de partner het zelf afweten: omdat dat nieuwe naakt niet went. Of omdat het wassen en zorgen de appetijt bederft.
Hadi Waelkens: “Sommige koppels raken daarover, anderen blijven erop steken. Zeker voor koppels bij wie seks altijd een belangrijke verbindende factor was, is dat een lastige. Hier is, behalve voor de gezonde partner, ook een taak voor de zieke weggelegd. Ook die moet moeite doen en zich de vraag stellen: hoe kunnen we de intimiteit blijven vormgeven? Hoe kunnen we laten zien dat we van elkaar houden? Vanzelfsprekendheid is dodelijk voor een relatie.”

Ook bij Marie en haar ex-man schoot alle intimiteit erbij in. “Het seksuele contact is langzaamaan uitgedoofd. Maar ook de affectie viel weg, en dat mis je toch. Van een echte relatie was geen sprake meer. We leefden samen als broer en zus. Op den duur zelfs als moeder en kind, want ik droeg alle zorg. Waren we, heel sporadisch, nog eens intiem, dan was dat niks betekenisvols.”

Voor Jolien werd elke vrijpartij een lijdensweg. “Door zijn hersenletsel was mijn man ontremd, sociaal en seksueel. De manier waarop hij me agressief kon benaderen, maakte voor mij dat seks geen optie was. Ik wilde niet gewelddadig aangepakt worden: niet fysiek, niet verbaal. Gaan klaarliggen en hem zijn ding laten doen – om het zo te zeggen – dat was niet hoe onze relatie voorheen in elkaar zat, en hoe ik intimiteit wilde beleven. Ik heb veel bange momenten gekend.”

Dag in dag uit zorgen, geïsoleerd in een ‘glazen stolp’, zonder liefde en lust tussen de lakens: het duwt sommige partners op weg naar de nooduitgang. Zij eisen meer vrijheid op. Of ze gaan, al dan niet met toestemming, een nieuwe relatie aan.

“Dat betekent nog niet noodzakelijk een breuk met de zieke”, bemerkt Jurn Verschraegen, directeur van het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen. “Vaak helpt die tweede relatie zelfs om de zorg te blijven dragen. Het kan de partner een energieboost geven, lichamelijk en sociaal. Soms komen partners in de woon-zorgcentra ongegeneerd met hun nieuw lief op bezoek. Aan hun man of vrouw met dementie vertellen ze dan vaak dat het gewoon een goeie vriend(in) is en niks meer, om hun echtgenoot zeker niet te kwetsen.”

“Zeker bij koppels die geen seks meer kunnen of willen hebben, komt dat voor”, weet Ponnet. “Dan komen er dikwijls nieuwe afspraken, over een open relatie. Vanuit het idee: ‘Ik wil je daar niet in beperken, ik ben al blij dat je bij mij blijft.’”

Een extra man erbij? De gelegenheid was er voor Marie, maar ze ging er niet op in. “Toch kan ik perfect begrijpen dat sommigen het wel doen. Dat je de genegenheid elders gaat zoeken. Buitenstaanders wijzen dan graag met de vinger, maar je kunt dat de partner van een zieke niet kwalijk nemen. Vaak is hun man of vrouw slechts nog een schim van wie ze ooit waren. Ook ik had het gevoel: ik ben een weduwe, maar mijn man leeft nog.”

Meer chronisch zieken betekent meer relaties die op de klippen lopen, en dus minder mantelzorgers. En dat belangt de hele samenleving aan, benadrukt Ponnet. “We staan daar voor een enorme uitdaging. Vergeleken met vroeger nemen vrouwen, de traditionele mantelzorgers, veel minder die taak op zich. Ze werken buitenshuis, en willen meer dan enkel ‘zorgen voor’. De komende generaties zullen nog harder inzetten op die zelfontplooiing. In een klimaat van besparingen in de zorg en een tekort aan zorgverleners, zie je zo hoe we daarop zullen vastlopen. Niemand legt dat graag op tafel.”

Al zullen niet alle koppels, geplaagd door kwalen, schipbreuk lijden. “De liefde kan veel verdragen”, sust Hadi Waelkens nog: “Ziet een koppel de ziekte als iets wat hen samen overkomt, dan maakt dat al een groot verschil. Vergelijk het met een zwangerschap. ‘Wij zijn zwanger’, hoor je sommigen dan zeggen. Hier is het net zo: ‘Wij zijn ziek.’ Bij die koppels zie je veel meer binding dan bij wie het apart beleeft: ‘Jij bent ziek en daardoor stort ons leven in elkaar.’ In dat geval lijkt de zieke zo’n beetje de schuldige, en wordt het lastiger om dragen.”

Maar wordt het te lastig? Breek dan voor je zelf crasht, meent Jolien: “Was ik eronderdoor gegaan, dan hadden onze kinderen niemand meer. Ook zij hadden recht op een zo normaal mogelijk leven. De scheiding kwam er pas nadat ik al het mogelijke had geprobeerd, en meer. Dat maakt dat ik recht in de spiegel kan kijken, zonder schuldgevoel. Ik heb niet het gevoel dat ik mijn man in de steek gelaten heb. Ook al heeft hij me nog lange tijd verwijten gemaakt, en nu soms nog. Alsof ik hem bij het vuilnis heb gezet.”

Ook Marie nam haar besluit, ondanks de verwijtende blikken: “Die kwamen vooral van mannen. (lachje) ‘Het is toch maar normaal dat je als vrouw voor alles zorgt’, zeiden ze. Gelukkig stond ik daar op het moment van de breuk al boven. Ik was er al klaar mee. Je moet ook wel de kracht hebben om te zeggen: ‘Ik wil er wel nog iets van maken.’”

* Marie en Jolien zijn fictieve namen

Idealen

Filosoof Kwame Appiah: idealen kunnen het goede in de weg zitten

Brainwash – 21.09.2019

Filosoof Kwame Anthony Appiah is niet makkelijk te plaatsen. ‘In São Paulo word ik voor een Braziliaan aangezien, in Kaapstad voor een ‘kleurling’, in Rome voor een Ethiopiër, en een Londense taxichauffeur weigerde ooit te geloven dat ik geen Hindi sprak’, schrijft hij in zijn boek Leugens die ons binden. Zodra hij begint te praten wordt het nog verwarrender, met zijn chique Britse accent.

Hoe zit dat? Zijn vader komt uit Ghana, zijn moeder uit Engeland en hij woont in New York. Maar zo stelt hij in zijn boek: die feiten zeggen nog steeds weinig over wie hij is. Want onze identiteiten zijn veel vloeibaarder dan we denken, en we hebben er een heleboel. Veel meer nog dan kleur, cultuur, klasse en gender alleen. Onzin dus om het publieke debat te laten verstarren in een stammenstrijd.

Wat hebben idealen met identiteit te maken?

‘Identiteiten schrijven idealen voor. Als ik mijn katholieke identiteit zou naleven, zou ik trouw zijn aan mijn echtgenoot, regelmatig biechten, proberen de grote zonden te vermijden en de kerk ondersteunen. Veel identiteiten houden ons het ideaal van een perfect mens voor.’

Hebben we idealen nodig?

‘Zonder idealen kunnen we niet, we hebben iets nodig om naar te streven. Idealen bieden ons modellen om naar te leven. Ik denk dat er te cynisch naar idealisten wordt gekeken, als mensen die zweven. Je kunt niet onmiddellijk of misschien zelfs nooit een ideaal bereiken, maar dat betekent niet dat het ideaal geen belangrijk onderdeel kan zijn voor het vormgeven van wat je doet.’

Wat is het nadeel van idealen?

‘Ze kunnen ook afleidend zijn. Als ik het idee heb van het ideale schilderij, vernietig ik alle schilderijen die ik maak tot ik een ideaal schilderij maak. Dan maakt het ideaal van het maken van een geweldig schilderij dat ik helemaal niets meer maak. Idealen kunnen nuttig zijn, maar ze kunnen ons ook in de weg zitten omdat het beste de vijand van het goede kan zijn. Moet je in de VS nu een democratische presidentskandidaat kiezen die het dichtst bij je idealen staat of kies je voor iemand die de oppositie kan verslaan? Als je je te veel concentreert op je idealen, eindig je misschien wel bij een Republikeinse kandidaat.’

Zou je jezelf een idealist noemen?

‘Ik noem mezelf liever een ‘meliorist’, iemand die zoekt naar manieren om de wereld te verbeteren. Je hebt niet altijd een ideaalbeeld nodig om te zien wat beter zou zijn. Ik weet eerlijk gezegd niet of het een betere wereld is als geslacht er helemaal niet meer toedoet, maar ik weet zeker dat de vormen van ongelijkheid op basis van geslacht op dit moment fout en slecht zijn. Als ik gevallen van genderonderdrukking zie, weet ik heel zeker: het zou beter zijn als dat niet zou gebeuren en hoe kunnen het voorkomen? Dus je hoeft geen duidelijk idee te hebben van wat de beste zou zijn om iets te willen verbeteren.’

Wanneer gaan idealen over in een ideologie?

‘Een ideologie is een pakket van opvattingen over hoe het zou moeten zijn. Mensen die deel uitmaken van een ideologie zien vaak niet dat de wereld niet precies zo is als de ideologie veronderstelt. Een liberale marktideologie ontkent bijvoorbeeld de vele manieren waarop markten imperfect zijn of misbruikt kunnen worden. En dus overdrijven ze de successen van de markt en zien ze overal een bevestiging dat zoveel mogelijk dingen in het sociale leven door markten moeten worden beslist. Alsof er maar één soort sociale oplossing is die voor elk geval werkt.’

Hoe komt dat?

‘Het is heel moeilijk om van ideologie te veranderen, omdat het veel makkelijker is om je aan je eigen ideaalbeeld vast te houden en tegenbewijzen als uitzondering te zien. Misschien kan ik een racist of een seksist overtuigen dat die ene vrouw uit het Caribisch gebied aardig is, maar als je een racist of een seksist bent, zet je haar in de doos met ‘speciale gevallen’ en blijf je negatief staan ​​tegenover alle andere zwarte vrouwen.’

Wat kunnen we doen om dat te voorkomen?

‘Het helpt om je bewust te zijn van deze neigingen in ons leven. Vraag jezelf af: is er een alternatief voor de manier waarop ik denk? Het zou kunnen dat die speciale gevallen die je ziet geen uitzonderingen zijn, maar juist laten zien dat je de verkeerde regel gebruikt om de wereld te begrijpen. Misschien is er wel een beter beeld?’

Heeft u dat ooit zelf ervaren?

‘Ja, ik was een zeer vrome christen en ben nu atheïst. Al heel jong had ik al wel vragen over het Christendom. Maar ik beschouwde die als moeilijke intellectuele problemen waar iemand wel de oplossing voor zou hebben. Tot ik bedacht dat ik ook mijn essentiële beeld kon veranderen, misschien was er wel helemaal geen god. Nog een voorbeeld: als tiener geloofde ik enorm in publiek eigendom. Ik was nog net geen communist, maar wel een echte socialist. Ik vind nog steeds dat dingen in publiek bezit moeten zijn, maar ik heb ook respect ontwikkeld voor goede dingen die markten kunnen doen. Ik ben nu een persoon met een gemengde visie op de markt en bedenkt per geval wat ik goed vind.’

“Idealen kunnen nuttig zijn, maar ze kunnen ons ook in de weg zitten omdat het beste de vijand van het goede kan zijn.”

Hoe kun je compromissen sluiten én je idealen volgen?

‘Idealen sturen je in de compromissen die je sluit. Als ik het voor het zeggen had, zouden we de hoeveelheid koolstof in de wereld vrij snel kunnen verminderen, omdat ik bereid ben grote offers te brengen om dat te bereiken. Maar de offers die andere mensen moeten brengen, zijn nog veel groter dan die van mij, omdat zij hun baan of hun industrie moeten opgeven. Dus ik moet bereid zijn mee te gaan met enkele compromissen. Al heeft natuurlijk niemand iets aan een compromis dat ons allemaal dood achterlaat…’

We zouden beter naar anderen moeten luisteren?

‘Ja, ik weet niet precies wat de situatie in Nederland is, maar in de Verenigde Staten is dit heel moeilijk. Onze politiek is extreem gepolariseerd. Als er een idee wordt voorgesteld door iemand van een andere partij, is dat een bewijs dat het fout is, zonder daadwerkelijk naar het argument te kijken. Het is zo belangrijk om voorbij je eigen stam te denken.’

 

Handleiding voor het stoppen met antidepressiva

Handleiding voor het stoppen met antidepressiva

Handleiding voor het stoppen met antidepressiva
Onttrekkingsverschijnselen
Hoe gebeurt het geleidelijk afbouwen?
1. Stoppen of verminderen van de dosis van het antidepressivum
2. Omschakelen tussen antidepressiva

Het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI) heeft een Handleiding voor het afbouwen van antidepressiva gepubliceerd. Het abrupt stoppen, onderbreken of plots omschakelen van een antidepressivum kan leiden tot onttrekkingsverschijnselen. Daarom moet het stopzetten of overschakelen op een ander antidepressivum geleidelijk gebeuren.

Indien je antidepressiva neemt en wil/moet stoppen of overschakelen op een ander geneesmiddel, bespreek dit dan altijd met jouw arts. Stop zeker niet op eigen houtje.

Onttrekkingsverschijnselen

Griepachtige verschijnselen: hoofdpijn, lethargie, zweten, rillingen, moeheid, eetlustvermindering, spierpijn
Slaapstoornissen: slecht inslapen; nachtmerries
Gastro-intestinale symptomen: misselijkheid, braken, diarree en anorexie
Evenwichtsproblemen: duizeligheid en coördinatiestoornissen
Sensorische symptomen: sensaties van elektrische schokken, paresthesieën en pallinopsie (dit is het lang visueel aanhouden van nabeelden van een object of een persoon nadat deze niet meer aanwezig is in het gezichtsveld)
Psychische klachten: angst, somberheid en prikkelbaarheid/irritatie of het optreden van (hypo-)manie (ontremming)
Extrapiramidale verschijnselen: bewegingsstoornissen en tremoren
Overige verschijnselen: cognitieve stoornissen en hartritmestoornissen.1,3,9
Deze symptomen treden vooral op met selectieve serotonine-heropnameremmers (SSRI’s) en serotonine-en-noradrenaline-heropnameremmers (SNRI’s), maar het kan ook met tricyclische antidepressiva (TCA’s) en andere voorkomen.

Onttrekkingsverschijnselen ontstaan meestal binnen een paar dagen na het stoppen of het verlagen van de dosis van een antidepressivum, en verdwijnen meestal volledig binnen de 1 à 3 dagen als het oorspronkelijke antidepressivum (of de vorige dosis) wordt hervat. Duren deze klachten toch nog langer dan 1 week, dan dient men eerder te denken aan een recidief van de depressie of angststoornis. Het onderscheid tussen een herval en onttrekkingsverschijnselen kan soms moeilijk zijn.

Risicofactoren voor het optreden van onttrekkingsverschijnselen zijn:
als de patiënt behandeld werd met hogere dosissen SSRI’s of SNRI’s om een therapeutisch effect te verkrijgen;
als deze al werden ervaren bij het onderbreken van de behandeling (bv. door therapie-ontrouw);
bij eerder mislukte stoppogingen.

Hoe gebeurt het geleidelijk afbouwen?

Het afbouwen van een antidepressivum kan nodig zijn, bijvoorbeeld op het einde van de behandeling van een depressieve periode. Afbouwen kan ook nodig zijn om het ene middel te vervangen door een ander als er ongewenste effecten zijn of onvoldoende effect is bij het gebruik van het eerste.
Een geleidelijke afbouw, gedurende minstens 2 à 4 weken, kan het optreden van ontrekkingsverschijnselen verminderen.
De afbouwmethode hangt af van of men het antidepressivum wil stoppen, de dosis verminderen of wil omschakelen.

1. Stoppen of verminderen van de dosis van het antidepressivum

Is volledig stoppen van het antidepressivum het doel, dan zijn de aanwezigheid van risicofactoren, het optreden en de ernst van onttrekkingsverschijnselen tijdens het afbouwproces de bepalende factoren.

Algemeen is het af te raden om als afbouwschema antidepressiva, in het bijzonder SSRI’s en SNRI’s, om de andere dag in te nemen (1 dag wel, 1 dag niet), omdat dit door hun korte halfwaardetijd overeenkomt met telkens abrupt stoppen, wat onttrekkingsverschijnselen kan veroorzaken. Fluoxetine met een lange halfwaardetijd vormt hierop een uitzondering.

Als er vooraf geen risicofactoren aanwezig zijn, zijn er meestal enkel lichte onttrekkingsverschijnselen te verwachten.

Men kan over een periode van 2 à 4 weken afbouwen door de dosis geleidelijk te verminderen. Dat gebeurt in eerste instantie door gedurende twee weken over te schakelen op de minimum aanbevolen dosis, en na twee weken die dosis te halveren. Deze halve dosis kan vervolgens na 4 weken gestopt worden.

Indien er toch te veel onttrekkingsverschijnselen zijn, kan de dosis teruggebracht worden naar de vorige dosis waarbij er geen klachten waren. Meestal verdwijnen deze dan binnen de 1 à 3 dagen, waarna men het antidepressivum trager afbouwt. Een uitzondering vormt fluoxetine dat een lange halfwaardetijd heeft, waardoor men van 20 mg naar 0 mg kan gaan zonder af te bouwen. Zit men boven de aanbevolen dagelijkse richtdosis, is het voor fluoxetine waarschijnlijk evenmin nodig om 2 tot 4 weken af te bouwen tot die dosis.

Als er vooraf wel risicofactoren aanwezig zijn, kan men sterkere onttrekkingsverschijnselen verwachten. Men bouwt dan altijd trager af. Ook hier dient men eerst over 2 tot 4 weken af te bouwen naar de dagelijks aanbevolen richtdosis van het antidepressivum. Nadien bouwt men per week geleidelijk verder af. Bij onttrekkingsverschijnselen kan men nog trager afbouwen.

Begeleiding door een arts en het ernstig nemen van de onttrekkingsverschijnselen zijn niet alleen belangrijk voor het slagen van de afbouw, maar ze verminderen ook de kans op herval. Bovendien draagt extra begeleiding met cognitieve of op mindfulness gebaseerde gedragstherapie hiertoe bij.

2. Omschakelen tussen antidepressiva

Er bestaan 4 methodes voor het omschakelen tussen antidepressiva:
De conservative switch bestaat uit het traag afbouwen (over 2 à 4 weken) van het te stoppen antidepressivum; hierna wacht men 5 keer de halfwaardetijd van dat middel (de wash-out periode genoemd) vooraleer men het nieuwe antidepressivum opstart. Dit kan minder efficiënt zijn, omdat het lang duurt en het nieuwe middel pas laat gestart kan worden.
Bij de moderate switch doet men het afbouwen sneller in ongeveer 2 dagen, waarna de wash-out periode en het opstarten van het nieuwe antidepressivum volgt.
Men kan het nieuwe middel ook reeds geleidelijk opstarten tijdens de geleidelijke afbouw van het eerste middel en zonder een wash-out periode (cross-taper switch)
Men kan abrupt omschakelen zonder af te bouwen of een wash-out periode te voorzien, mits er geen potentiële interacties zijn (direct switch).
De “cross-taper” en de “direct switch” worden beter opgevolgd door een psychiater, maar de “conservative” en “moderate switch” kunnen ook door de huisarts.

Drie zaken mag men niet vergeten:
Hoe sneller de omschakeling, hoe meer risico op onttrekkingsverschijnselen.
Elke omschakeling kan onttrekkingsverschijnselen geven.
Niet elk antidepressivum mag op hetzelfde moment gestart of afgebouwd worden, met andere woorden: cross-tapering is soms niet aangewezen.
Welke methode gevolgd wordt, is onder meer afhankelijk van het soort antidepressivum dat men neemt en welk antidepressivum men in de toekomst moet nemen. Het is altijd mogelijk dat het omschakelschema moet aangepast worden naar een tragere methode, afhankelijk van de patiënt, ziekte en/of ander medicatiegebruik op dat moment.

Elke omschakeling moet strikt opgevolgd worden door de huisarts en/of psychiater, en, indien mogelijk, samen met cognitieve of op mindfulness gebaseerde gedragstherapie.

Bron: www.gezondheid.be