De derde wereldoorlog

‘Het was oorlog. Maar we hadden geen kogels’

Terwijl iedereen naar de ziekenhuizen keek, reden de lijkwagens af en aan in de Vlaamse woonzorgcentra. Vier weken vochten ze daar om maskers, tests en aandacht. Een reconstructie.

De Standaard – Door Foto’s 

De overgebleven spullen van de overleden bewoners van woonzorgcentrum Westervier in Brugge worden in afwachting van ophaling opgeborgen in de ondergrondse parkeerruimte.

‘Ik heb alle begrafenisondernemers in de buurt leren kennen.’ Dirk Snauwaert zit op een bankje in de Brugse zon. Het is eind mei. De directeur van woonzorgcentrum Westervier herademt even na helse maanden. Op 1 april stierf zijn eerste bewoner. Op 15 april waren er al 25 overlijdens. Ondertussen staan er 36 kamers leeg. Bijna een derde van zijn 118 mensen sneuvelde aan covid-19. ‘Soms vertrokken hier drie lijkwagens op één dag’, vertelt Snauwaert. ‘We hebben bewoners gehad die ’s morgens nog in de leefzaal zaten te praten. Vervolgens werden ze kortademig. Daarna suf. En ’s avonds waren ze weg. Het ging razendsnel. Verschrikkelijk.’

Snauwaert is aangeslagen. Hij kampt, net als veel collega’s, met schuldgevoelens. Hij vraagt zich af wat er fout liep. Maar hij is ook boos. Snauwaert had het geluk dat hij via de groep waarvan zijn woonzorgcentrum deel uitmaakt – Curando – aan mondmaskers raakte. Voor het overige botste hij vooral op schaarste. Zijn vaste leverancier slaagde er niet langer in om zuurstof te bezorgen. Voor bleekwater moest hij naar een Brico-filiaal. En omdat er geen tests waren, moest hij zijn bewoners met dementie die covid-19-symptomen vertoonden op hun kamer isoleren. ‘Misschien was dát nog het moeilijkst’, zegt hij. ‘Die mensen hebben hun vrijheid nodig. Als je die afneemt, gaan ze heel snel achteruit.’

Snauwaert steekt niet weg dat ze zich in Westervier behoorlijk verlaten voelden. ‘Onze sector wordt al jaren stiefmoederlijk behandeld’, zegt hij. ‘Dat was deze keer niet anders. Het was oorlog. Ik moest mijn mensen naar het front sturen. Maar we hadden geen kogels. Iedereen focuste aanvankelijk op de ziekenhuizen. Men dacht: die woonzorgcentra, dat zijn toch al sterfhuizen, als ze daar iets vroeger gaan, dan is het maar zo.’

Gezocht: crisisplan

Op maandag 23 maart arriveren er eindelijk 4,5 miljoen mondmaskers op de luchthaven van Bierset. Om 6 uur 22. Wouter Beke weet het nog precies. Hij heeft die nacht niet geslapen

Bijna nergens sloeg het coronavirus zo hard toe als in Vlaanderen. Dat had alles te maken met het gigantische drama dat zich in de rusthuizen voltrok. Volgens de laatste cijfers van Sciensano stierven er in deze regio, vermoedelijk, iets meer dan 4.700 mensen aan covid-19. Ruim 2.600 van die slachtoffers – of ongeveer 55 procent – kwamen aan hun eind in een Vlaams rusthuis. Daarnaast raakte een belangrijk deel van de coronapatiënten die in een ziekenhuis overleden, besmet in een woonzorgcentrum. Zo stijgt het aantal ‘woonzorgslachtoffers’ al snel richting 3.000, of naar ongeveer 65 procent van het totaal.

De afgelopen weken sprak De Standaard met meer dan 40 betrokkenen. Ze werden allemaal compleet overrompeld. In de woonzorgcentra ging men de crisis in met een gebrek aan beschermend materiaal. Bij de Vlaamse overheid stelden de ambtenaren al snel vast dat een aantal cruciale diensten onderbemand was. En ook op Vlaams politiek niveau holde men achter de feiten aan. Toen België geen maskers en geen tests in voorraad bleek te hebben, zat men klem.

Achteraf is het makkelijk. Niemand zat in januari al in pandemiemodus. En toch is het verwonderlijk dat niet meteen alle alarmbellen afgingen, toen covid-19 vooral oudere mensen bleek te treffen. De sector van de woonzorgcentra is sterk uitgebouwd in Vlaanderen, er verblijven ongeveer 85.000 ouderen. Omdat er de laatste jaren zo op thuiszorg werd ingezet, is het een steeds kwetsbaardere populatie. Bovendien lag er geen crisisdraaiboek klaar. In 2009, ten tijde van de Mexicaanse griep, schreven de ziekenhuizen een 58 pagina’s tellend pandemieplan. Voor de woonzorgcentra ontbrak zo’n scenario.

Om de veiligheid van de bewoners in Westervier, Brugge, te garanderen is een veiligheids­perimeter voorzien.

Puntje 22, varia

In januari maakt Dirk Dewolf zich nog geen grote zorgen. Dewolf is een ervaren vijftiger, gestaald op christendemocratische kabinetten. Sinds 2014 leidt hij het Agentschap Zorg en Gezondheid, dat verantwoordelijk is voor de woonzorgcentra. Op 20 januari haalt corona een eerste keer de vergadering van zijn directieteam. Het virus duikt in het verslag op als puntje 22, bij de varia: ‘De voorzitter (Dewolf dus, red.) vraagt aan de afdeling Preventie om de evolutie van deze problematiek nauwlettend op te volgen.’ Een paar dagen later brieft hij Wouter Beke, zijn voogdijminister. Zijn boodschap: er is geen reden tot ongerustheid.

Dat gevoel blijft nog een hele tijd hangen. Op 27 februari, twee weken voor de woonzorgcentra in lockdown gaan, stuurt Dewolfs Agentschap voor het eerst een nieuwsbrief over het virus uit. Die is niet alarmistisch. De richtlijnen voor woonzorgcentra zijn slechts zeven zinnen lang. Er wordt nergens gevraagd om uitbraakplannen op te maken. ‘Momenteel doen de meeste besmettingen zich voor in het buitenland’, schrijft het Agentschap. ‘Bewoners van woonzorgcentra lopen op dit moment bijgevolg een bijzonder klein risico op besmetting.’ En: ‘Het volstaat om met extra aandacht de adviezen toe te passen die ook andere virale infecties (bv. griep) helpen voorkomen.’ Vandaag tellen de richtlijnen meer dan veertig pagina’s.

De sfeer verandert pas echt aan het eind van de krokusvakantie. De berichten uit Italië zijn steeds onrustwekkender. Vanaf zondag 1 maart ziet Dewolf ook iets anders gebeuren, vanop de eerste lijn. Dat de terugkerende skiërs het virus ook in de Vlaamse samenleving injecteren. Zijn team Infectieziekten is bevoegd voor de contacttracing van wie positief test in Vlaanderen. Naarmate de week vordert, schiet het aantal besmettingen de hoogte in. Ze werken elke dag keihard, tot ’s avonds 10 uur. Maar ze staan voor een hopeloze opdracht. Op donderdag 5 maart moeten ze al achter 70 nieuwe gevallen aan. Terwijl er slechts een 15-tal mensen zit te bellen.

‘Waarom werden mondmaskers afgeraden in woonzorgcentra die een voorraad hadden? Zo vielen er meer doden’

Dominique RoodhoofdtCeo van Zorg-Saam

‘Mijn mensen zijn radeloos en overwerkt’, schrijft Dewolf die avond in zijn corona-notities. Hij beseft stilaan dat de containment-strategie onhoudbaar is en dat er een grotere crisis zit aan te komen. Al is het hem dan nog niet duidelijk dat die in zijn eigen achtertuin zal toeslaan. De berichten die uit Italië doorsijpelen, gaan vooral over de ziekenhuizen. Die kunnen de toevloed aan patiënten niet meer aan. Over de Italiaanse rusthuizen is er dan nauwelijks nieuws. Het vertroebelt de blik van de beleidsmakers. De woonzorgcentra lopen een achterstand op die niet meer goed te maken is.

Belgische crisismachine

Ondertussen gaat het federale niveau in krijgsmodus. Op maandag 2 maart schiet Pedro Facon in actie. De directeur-generaal van de FOD Volksgezondheid maakt zich grote zorgen. Hij belt onder meer naar Margot Cloet, gedelegeerd bestuurder van Zorgnet-Icuro: ‘Kijk naar Italië, Margot, het komt niet goed.’ Cloet heeft in haar koepel alle Vlaamse ziekenhuizen zitten. Facon wil die voorbereiden op een grote crisis. De dag nadien wordt er al een eerste keer vergaderd, samen met de experten Erika Vlieghe en Marc Van Ranst.

Kamer van een aan covid-19 overleden bewoner in woonzorgcentrum Atrium in Kraainem.

Cloet is onder de indruk van Facons aanpak. Er wordt dagelijks samengezeten, telkens op hetzelfde uur, met een strakke agenda. Het mondt op vrijdag 13 maart uit in de beslissing om alle Belgische ziekenhuizen om te bouwen tot coronaziekenhuizen. In een mum van tijd wordt het aantal intensive care-bedden opgetrokken. Van bij het begin is er ook flankerende steun. De eerste ‘prioriteitenlijstjes’ worden opgesteld. Daarin staan de ziekenhuizen steevast bovenaan.

‘Op 27 maart kwamen de ambulanciers binnen, keken de kamer in en zeiden: “Da’s covid”. Waarna ze weer weg waren’

Kathy Huybrechts

Directrice woonzorgcentrum Atrium

Maar Cloet begint zich ook zorgen te maken. Ze vraagt zich af hoe de woonzorgcentra, die sinds 2014 een bevoegdheid van de Vlaamse regering zijn, worden voorbereid. Ze kent de sector goed. Cloet heeft in haar koepel ook meer dan 300 rusthuizen. Ze was tot twee jaar geleden de kabinetschef van Jo Vandeurzen, de voorganger van Beke op het departement Welzijn. Cloet weet dat de woonzorgcentra kwetsbare organisaties zijn, met veel risicobewoners en met een managementcapaciteit die veel kleiner is dan die van de ziekenhuizen.

Haar punt is niet dat er niet vergaderd wordt in Vlaanderen. Op woensdag 4 maart roept ook Beke de troepen samen op zijn kabinet. Maar die Vlaamse vergaderingen missen focus en urgentie. Die woensdag aanhoort Cloet een vrijblijvende inleiding tot het coronavirus. Er worden, behalve de afgelasting van de Dag van de Zorg, geen knopen doorgehakt.

Slapeloze nacht

Wouter Beke onthoudt iets anders van die bijeenkomst. Hij hoort dat de koepels, ook die van Cloet, hun huiswerk niet hebben gemaakt. Ze blijken met een tekort aan mondmaskers te kampen. Dirk Dewolf noemt dat ‘het begin van mijn eerste nachtmerrie’. Het probleem blijkt immers niet eenvoudig op te lossen. Een paar dagen later laat de federale regering weten dat Vlaanderen geen beroep kan doen op de federale noodstock. Die is volledig vernietigd, tussen 2015 en 2018, een fatale beslissing van federaal minister Maggie De Block. Daardoor zit ook Vlaanderen in slechte papieren. Beke wijst naar de werkgevers en de koepels, die te weinig aan een eigen stock hebben gewerkt, en naar de federale overheid, die in tijden van pandemieën bevoegd is voor crisisbeheer. Even goed stelt zich de vraag of een deelstaat die ruim 800 rusthuizen bestiert niet over een eigen voorraad had moeten beschikken.

‘Mensen zeggen: zoveel doden! Het maakt je onzeker. Ben ik verantwoorde­lijk voor de dood van al die mensen?’

Leen Smits

Arts woonzorgcentrum Akapella

Daarover nadenken, daar is begin maart geen tijd voor. Vlaanderen begint aan een calvarietocht. Eerst besluit het zich aan te sluiten bij een mondmaskerbestelling van de federale regering. Dat loopt mis. Op zaterdag 14 maart wordt het Beke duidelijk dat de firma Mossa zijn belofte niet kan waarmaken. Vervolgens beslist Vlaanderen solo te gaan. Het gaat scheep met de firma Life. Ook dat wordt een thriller. Eerst is gemeld dat een vliegtuig met 4,5 miljoen maskers op vrijdag 20 maart zal arriveren. Vervolgens wordt het zaterdag. Beke wordt ongerust: vanuit de woonzorgcentra vangt hij signalen op dat ze ‘nog twee of drie dagen’ toekomen. Uiteindelijk landt het vliegtuig op maandag 23 maart. Om 6 uur 22. Beke en Dewolf weten het nog heel precies, ze sliepen die nacht niet. Hun zucht van verlichting was tot in Bierset te horen.

Zwaaien naar bewoners in Westervier, Brugge, die positief testten.

Dat wil niet zeggen dat die schaarste geen grote gevolgen heeft. Ze sijpelt volop door in de eerste richtlijnen die naar de woonzorgcentra worden gestuurd. Een algemene verplichting om mondmaskers te dragen binnen de muren van het rusthuis is wekenlang geen optie. Op 6 maart hamert het Agentschap, in een eerste mondmaskeradvies, al meteen op ‘rationeel’ gebruik: ‘Vermijd verspilling’. Later worden de richtlijnen geregeld aangescherpt. Op 11 maart, net voor de sluiting van de woonzorgcentra, schrijft het Agentschap: ‘Er moet verboden worden dat medewerkers die niet betrokken zijn bij de verzorging van bewoners routinematig mondmaskers dragen.’

‘Dat heeft verstrekkende gevolgen gehad’, zegt Dominique Roodhooft. Ze is de ceo van Zorg-Saam, een groep van 15 woonzorgcentra in Oost-Vlaanderen. Twee van die centra kregen al heel vroeg met een uitbraak te kampen. ‘Telkens was een medewerker besmet teruggekeerd van een skivakantie. Het enige wat toen had kunnen helpen, waren mondmaskers. Wij begrijpen dat ze de sector geen verplichting wilden opleggen. Er waren er niet genoeg. Maar waarom ook het gebruik ervan afraden in woonzorgcentra die wel maskers in voorraad hadden? Dat hebben we nooit begrepen. Zo raakten meer bewoners besmet. Zo vielen er meer doden.’

Waarom, Margot?

Het is duidelijk dat de woonzorgcentra niet in perfecte omstandigheden op hun lockdown afstevenen. De schaarste aan mondmaskers leidt tot waanzinnige toestanden. Iedereen probeert een lading op de kop te tikken, maar dat lukt de ene al beter dan de andere. Inge Vervotte, die vijf woonzorgcentra heeft in haar Emmaüs-groep, kan haar aankoopdienst activeren. Andere directies, vaak van kleinere instellingen, zitten met de handen in het haar. Bij de Belgische Federatie van Zorgkundigen lopen berichten binnen over personeel dat onbeschermd naar het front wordt gestuurd.

Het is exemplarisch voor de chaotische manier waarop de lockdown van de woonzorgcentra wordt doorgeduwd. Op woensdag 11 maart zegt Beke ’s ochtends op de radio nog dat er geen sluiting komt. Dat staat ook in de mail die het Agentschap Zorg en Gezondheid rond 8 uur naar alle directies stuurt. Even later laat Margot Cloet weten dat haar instellingen wél op slot gaan. Beke belt Cloet boos op: ‘Waarom zeg je dat, Margot?’ Hij werpt op dat hij niet tegen een sluiting is, maar dat hij ze eerst concreter wil plannen, om onrust te vermijden. Wat is Cloet bijvoorbeeld van plan met de mantelzorgers? Er komt geen antwoord. Maar Beke ziet zich een paar uur later wel gedwongen om Cloet te volgen. Het zet het beeld van een minister die moet achtervolgen.

Het leidt niet tot rust. De praktische richtlijnen waarin de ruim 800 woonzorgcentra wordt uitgelegd hoe ze vanaf 12 maart ’s ochtends dicht moeten, gaan pas om 11 maart na  10 uur ’s avonds de deur uit. In Kraainem, in woonzorgcentrum Atrium, hebben de 44 bewoners een paar uur voordien al afscheid genomen van hun familie. Directrice Kathy Huybrechts herinnert zich nog goed hoe innige omhelzingen die namiddag niet te vermijden waren.

‘De dag nadien viel onze hoofdverpleegster uit’, vertelt Huybrechts. ‘Op vrijdag bleek de kine ziek. Op zaterdag sneuvelde iemand van de onderhoudsploeg. En op zondag was er een zorgkundige met symptomen. Uiteindelijk bleken 14 van mijn 32 personeelsleden besmet. Ik heb toen een matras in mijn bureau gelegd om hier te blijven slapen. Anders kregen we het niet rond.’

Geconfisqueerde schorten

De woonzorgcentra hebben geen enkel overschot op personeelsvlak. Als er iets misloopt, zitten ze op hun tandvlees. Het is niet dat er de afgelopen jaren niet geïnvesteerd werd. Alleen gingen de extra middelen vooral naar nieuwe gebouwen. Zo werden de lange wachtlijsten weggewerkt. Voor menselijke omkadering bleef er minder geld over, terwijl de zorgprofielen steeds zwaarder werden. Bijkomend probleem: in woonzorgcentra werken veel minder verpleegkundigen dan in ziekenhuizen. Het merendeel van de personeelsleden is zorgkundige. Ze werken keihard, tegen een karig loon, maar zijn minder vertrouwd met handhygiëne of het gebruik van mondmaskers.

‘Bij ons in Kraainem vielen zes van de acht verpleegkundigen uit’, vertelt Kathy Huybrechts. ‘Op 20 maart overleed onze eerste bewoner. Er zijn 14 van onze 44 mensen gestorven. We voelden ons aan ons lot overgelaten. De huisartsen zagen we plots niet meer. Toen er drie mensen in één dag stierven, trok ik aan de alarmbel bij het Agentschap. Ze hebben toen iemand gestuurd. Die man is hier rondgewandeld en zei: “Jullie doen alles zoals het hoort”. Hij kon niet helpen. Bij zijn vertrek las ik in zijn ogen: je gaat er nog moeten afgeven. Het probleem was dat wij een van de eerste centra met een uitbraak waren. Het crisismanagement stond nog niet op punt. Er zat niets anders op dan te improviseren. En ja, we hebben dingen gedaan die niet toegelaten waren. We zijn wegwerpschorten beginnen te wassen. Anders hadden we er geen.’

Kraainem is niet het enige woonzorgcentrum waar het al snel fout gaat. Vanaf 20 maart komen er ook andere onheilsberichten. In Sint-Gillis-Waas is er een stevige uitbraak. In Sint-Truiden is het nog vroeger prijs. Tegelijk gaat het in de media alleen maar over de ziekenhuizen. Elke dag wordt meegegeven hoeveel mensen er op intensive care liggen. Tijdens haar beleidstoespraak in de Kamer, op dinsdag 17 maart, noemt premier Sophie Wilmès de ziekenhuizen de ‘eerste prioriteit’. Over de woonzorgcentra heeft ze het niet. Over de woonzorgcentra heeft ook Vlaams minister-president Jan Jambon, totaal afwezig in deze crisis, het niet. Over de woonzorgcentra heeft niemand het.

‘Op een dag kregen we orders van de wasserij’, vertelt Dominique Roodhooft van Zorg-Saam. ‘We moesten alle wasbare schorten inleveren. Ze werden geconfisqueerd, omdat de ziekenhuizen er heel veel nodig hadden.’ Het is niet de enige keer dat Roodhooft zich zal storen aan die hegemonie. Ze leest voor uit een mail van een naburig ziekenhuis. Daarin wordt benadrukt dat bewoners met een hoge frailty-score niet meer welkom zijn. ‘Letterlijk: bij gebrek aan zuurstof verwijzen we naar alternatieven, zoals morfine. Dat betekent dus dat je die mensen platspuit. Dat heeft er bij ons stevig ingehakt.’

‘Dit is fout’

Adviesraden stellen in die dagen richtlijnen op waarmee ze de indruk versterken dat de woonzorgcentra er alleen voor staan. Het ethisch comité van het UZ Leuven zegt op 18 maart dat er, in geval van hoge nood, eventueel op leeftijd getrieerd kan worden bij de intensive care-afdelingen. Een paar dagen later komt de Belgische Vereniging voor Geriatrie en Gerontologie met een advies. Ze wijst erop dat het niet zinvol is om elke oudere nog naar een ziekenhuis over te brengen. Soms is het beter mensen waardig te laten sterven in een woonzorgcentrum.

Het is een erg genuanceerde tekst, maar Beke vloekt als hij hem op 24 maart leest. ‘Dit is fout’, denkt de minister. Hij verstuurt een persbericht. Hij wil de indruk wegnemen dat woonzorgcentra geen mensen meer mogen doorsturen. Op het terrein komen de richtlijnen van zijn eigen Agentschap echter dubbelzinnig over. Daarin staat dat een opname in het ziekenhuis ‘aangewezen’ kan zijn. Maar de passus wordt, naarmate de crisis vordert, almaar langer en strenger. In die laatste week van maart wordt toegevoegd dat een overdracht ‘niet mogelijk’ is als er niet voorafgaand overlegd is met de behandelende arts van het ziekenhuis.

De ziekenhuizen zijn nooit gestopt met patiënten uit woonzorgcentra op te nemen. Dat bewijzen de cijfers van Sciensano. Maar heel wat mensen, zoals Margot Cloet, zijn ervan overtuigd dat adviezen zoals die van de geriaters op sommige plekken een rol hebben gespeeld. Ook het Agentschap lijkt op 31 maart iets te willen rechtzetten. ‘Het gebruik van een flowchart mag niet misbruikt worden door ziekenhuizen om geen bewoners van woonzorgcentra meer op te nemen’, klinkt het plots. Misschien heeft dat te maken met een incident in Kraainem?

‘We hebben twee keer een probleem gehad’, vertelt Kathy Huybrechts, de directrice van woonzorgcentrum Atrium. ‘Op 27 en 28 maart. De ambulanciers kwamen binnen, keken de kamer in en zeiden: “Da’s covid”. Waarna ze weer weg waren. Een andere keer werd een bewoner pas meegenomen na een pijnlijke discussie. Wie het niet heeft meegemaakt, kan niet bevatten wat er in de woonzorgcentra is gebeurd. Hoe wij moesten ploeteren! Hoelang we op tests moesten wachten!’

Eigenaardig momentje

Zeg dat eind maart niet tegen federaal minister Philippe De Backer. De liberaal is een week voordien op het coronatapijt verschenen. Hij moet de testcapaciteit optrekken. Dat is niet alleen belangrijk om de lockdown van het land te lossen. Het is ook cruciaal voor de woonzorgcentra die met een uitbraak kampen. Zij moeten hun bewoners die met covid-19 besmet zijn, kunnen isoleren van de gezonde bewoners. Om te kunnen ‘cohorteren’ moeten ze natuurlijk wel eerst weten wie tot welke groep behoort. Helaas sukkelt ons land ook met een acuut tekort aan reagentia en wissers. Daarom heeft de Risk Management Group, het orgaan dat de volksgezondheid moet beschermen in crisistijd, op 12 maart beslist dat enkel mensen met ernstige symptomen nog getest kunnen worden.

In de laatste dagen van maart maakt De Backer zich echter sterk dat hij breder kan beginnen te testen in de woonzorgcentra. Daarvoor heeft hij de volle steun van Wouter Beke. Het is een van de weinige onderwerpen waarover de twee excellenties het in deze crisis eens zijn. Maar de Risk Management Group staat op de rem. Dat is te wijten aan de houding van Sciensano, voorheen het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, maar ook aan die van de huisartsen. Die vrezen dat de capaciteit nog altijd niet voldoende groot is.

Het verhit de gemoederen. Uiteindelijk beslissen de politici op 1 april, tijdens een Interministeriële Conferentie, om het oordeel van het crisisorgaan gewoon te negeren. Dat gebeurt niet op tactvolle wijze. De Backer vraagt de inloggegevens van de Zoom-meeting van de RMG die aan de gang is. Hij verschijnt in beeld en zegt: ‘Jullie kunnen stoppen met discussiëren over die tests in de woonzorgcentra, we hebben dat al beslist, we gaan dat doen.’ ‘Een eigenaardig momentje’, geeft een lid van de RMG toe.

Door die hele discussie gaan er opnieuw enkele cruciale dagen verloren. Dat ergert ook Dirk Dewolf, de topman van het Agentschap. Hij ziet de crisis elke dag groter worden. Dewolf heeft al weken geen rust meer genomen. Een paar dagen voordien, op zondag 29 maart, is hij voor het eerst nog eens gaan wandelen met zijn vrouw. Even ontspannen. Tot Wouter Beke belt: ‘Het gaat de slechte kant uit in Sint-Truiden, Dirk, de begrafenisondernemers kunnen niet meer volgen.’ De twee heren zien de beelden van Bergamo op hun netvlies passeren. Ze zijn een paar dagen later dus héél erg opgelucht dat er eindelijk getest kan worden in een aantal van hun instellingen.

Voor vroeg getroffen centra, zoals woonzorgcentrum Akapella in Kapelle-op-den-Bos, komt de beslissing niets te vroeg. Daar zijn de eerste besmette bewoners opgedoken rond 20 maart. Op 28 maart overleed er een eerste bejaarde. Maar testen en vervolgens cohorteren, dát zat er niet in. ‘Op 9 april waren er al 12 mensen gestorven’, vertelt directeur Yves Peleman. ‘Maar de tests arriveerden pas op 10 april, om kwart voor 11 ’s avonds. Vervolgens duurde het nog dagen voor ze weer werden opgehaald. Zo ging het met alles. We schreeuwden om hulp, maar moesten wachten, wachten, wachten.’

Bom

In het weekend van 4 en 5 april barst de bom pas echt, toch bij het grote publiek. In Humbeek loopt het helemaal mis in woonzorgcentrum Den Bogaet. Daar zwaait Bernard Deryckere de plak, hij heeft een vijftal rusthuizen in zijn portefeuille. Het rusthuis heeft al een hele tijd een ‘reputatie’. Toch zijn enkele huisartsen uit de buurt die er gaan bijspringen in shock. Ze treffen er uitwerpselen aan op de gang. Bewoners krijgen te weinig drank, uit vieze, plastieken bekertjes. Mismanagement en personeelsuitval hebben van Den Bogaet een slagveld gemaakt.

Dat haalt ook de nationale tv-journaals. Het katapulteert de woonzorgcentra naar het middelpunt van de aandacht. Ook Margot Cloet, de gedelegeerd bestuurder van Zorgnet-Icuro, is aangedaan, ook is al Den Bogaet geen lid van haar koepel. Ze woont in de buurt, haar huisarts is er gaan helpen. Cloet contacteert Beke: ‘Het loopt compleet mis, Wouter.’ Ze heeft het gehad. Twee dagen later gooit ze, als gast in Het journaal van 19 uur op de VRT, ook een mediatiek bommetje. Haar boodschap, kort samengevat: ‘Het is genoeg geweest.’ Ze vindt dat er eenheid van commando nodig is in Vlaanderen, naar Belgisch voorbeeld.

Wouter Beke vloekt, alweer. Hij heeft Cloet vooraf gebrieft over het tienpuntenplan waaraan hij aan het sleutelen is. Hij vindt de vergelijking met de federale aanpak onrechtvaardig. Als Vlaanderen geen mondmaskers heeft en niet kan testen, dan vooral omdat België het zo heeft laten afweten. Hij ergert zich, algemener, aan al het communicatiegeweld om zich heen, van Cloet maar ook van Philippe De Backer. Hij zegt dat hij niet moet opkomen voor een sector, zoals Cloet, maar oplossingen moet zien te vinden. Véél moeilijker.

Beke is niet de enige die een wrang gevoel overhoudt aan de klokkenluidersrol van de topvrouw van Zorgnet-Icuro. Er zijn nog wel wat mensen die erop wijzen dat Cloet, als ex-kabinetschef van Vandeurzen, mee verantwoordelijk is voor een beleid dat de afgelopen maanden stevige gebreken bleek te vertonen. Dan wordt er gewezen op het tekort aan personeel. Op de normen voor leidinggevenden die niet streng genoeg werden gemaakt. Op de controlerende en raadgevende artsen die een beter statuut hadden moeten krijgen. Op de schaalvergroting en de privatisering. ‘Waar was Cloet toen?’

Het belet niet dat minister Beke een probleem heeft. In de kranten begint het kritische stukken te regenen. De sector schreeuwt om hulp. Maar Beke krijgt de crisis niet onder controle. Zijn ploeg mist ervaring. Zijn kabinetschef is pas sinds nieuwjaar aan de slag. Het is tijd voor een hulplijn, beseft de minister. Hij weet dat er twaalf verdiepingen lager iemand kantoor houdt die net verkozen is tot ‘Overheidsmanager van het Jaar’. Hij neemt zijn telefoon. Het is dinsdag 7 april. Hij vraagt Karine Moykens om even in de lift te stappen.

Moykens’ move

Moykens is de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Gezondheid en Gezin. Tot nu toe heeft ze de coronacrisis vanop afstand gevolgd. Ze heeft Dirk Dewolf bijvoorbeeld geholpen toen zijn Agentschap in personeelsnood terechtkwam. Maar nu vraagt Beke haar om midden in het gewoel te gaan staan, als voorzitster van een nog op te richten taskforce. Moykens formuleert slechts één voorwaarde: ze wil dat die taskforce zich niet alleen met de woonzorgcentra maar met álle voorzieningen in de zorg bezighoudt. Beke vindt dat geen probleem: ‘Ik leg mijn lot in jouw handen, Karine.’

Zoals veel andere hoofdrolspelers in dit verhaal heeft Moykens een verleden op christendemocratische kabinetten. Als ex-kabinetschef van Vandeurzen kent ze de zorgsector als haar broekzak. Ze activeert haar hele netwerk. En ze beslist om dagelijks te vergaderen, telkens op hetzelfde uur, behalve op zondag. Ze resumeert aan het eind van elke vergadering wat beslist is. Er komt structuur, rust, vooruitgang.

Al botst ook Moykens op de twee structurele problemen waarvan deze woonzorgcrisis doordrongen is: schaarste en institutionele wirwar. Neem nu die mondmaskers. Op 15 april blijkt uit een analyse van de testresultaten in de woonzorgcentra dat ook heel wat personeelsleden zónder covid-19-symptomen besmet zijn. De taskforce vindt dat belangrijke info. Ze wil alle personeel, ook de onderhoudsmensen, aanraden om een mondmasker te dragen. Het lijkt de logica zelve. Eind maart berichtte De Standaard al over een studie van professor Gabriel Leung. Daarin stond dat patiënten het virus al dagen voor ze symptomen hebben kunnen verspreiden.

Alleen staat in de richtlijnen van het Agentschap Zorg en Gezondheid op 10 april nog steeds dat zorgverleners zonder luchtwegklachten en zonder koorts alleen persoonlijke beschermingsmiddelen mogen dragen tijdens risicovolle contacten. Dat krijgt Moykens bijzonder moeilijk aangepast. Alweer gaat de Risk Management Group niet zomaar overstag. Alweer vreest een aantal mensen daar dat er tekorten zullen ontstaan. En zo duurt het uiteindelijk nog tot… 28 april voor het Agentschap kan melden dat iedereen zijn gezicht moet beschermen.

Nooit meer!

Moykens brengt vanaf 8 april rust in Brussel, maar op het terrein is daar aanvankelijk niets van te merken. Integendeel, de tweede week van april is de meest dodelijke week van de crisis. Elke dag vallen er honderden slachtoffers. De Vlaamse regering heeft beslist dat er op plekken waar het echt uit de hand loopt, zoals Humbeek, crisismanagers worden ingeschakeld. Een van hen is Patrick Laisnez. Hij werkt bij Probis, een consultancybedrijf dat door het Agentschap Zorg en Gezondheid is ingehuurd. Met zijn team stapt hij uiteindelijk op twaalf plekken af.

‘Ik zie één rode draad’, zegt Laisnez. ‘Er was véél te weinig aandacht voor hygiëne. We hebben de gekste dingen gezien: mensen die twee paar handschoenen over mekaar aan trokken of overschoenen droegen. Maar daarmee gingen ze dan wel van de ene naar de andere kamer. Zo strooiden ze het virus rond. We zagen lange gangen zonder één handpomp met alcoholgel.’ Laisnez verwijt het niemand. Hij is onder de indruk van het zorgpersoneel. ‘Maar in opleidingen moet daar veel meer aandacht naartoe.’

Laisnez draait al lang mee, maar verbergt niet dat de afgelopen maanden er stevig inhakten. Hij kwam in rusthuizen waar 45 procent van de bewoners het niet haalde. Waar oudjes lagen die zowel hun linker- als hun rechterbuurman waren verloren. ‘Ik had het zelf ontzettend moeilijk als ik nóg een zak met persoonlijke spullen naar de kelder van zo’n woonzorgcentrum moest dragen’, vertelt hij. ‘Voor het personeel was het natuurlijk nog veel emotioneler. Zij kenden die mensen persoonlijk. Ik verzeker u: dat gaat nog veel posttraumatische stress geven.’

Het is ook iets dat Johan Matthijs opmerkt, nog zo’n ervaren krijger. Matthijs werkt als coördinerend en raadgevend arts (CRA) in woonzorgcentrum Ter Venne in Sint-Martens-Latem. Daar was er, kort na Pasen, een uitbraak op de afdeling voor personen met dementie. Er zat niets anders op dan de mensen van elkaar te scheiden.

‘Verschrikkelijk’, herinnert Matthijs zich. ‘Ik zal de angst in hun ogen nooit vergeten toen ik in zo’n astronautenpak de kamer binnenwandelde. En dan die pijnlijke manier van afscheid nemen. Ik moest tegen een vrouw die haar man net had zien sterven na een paar minuten zeggen dat het afscheid erop zat. Dat schreven de regels voor. Ik heb mensen met dementie moeten testen, met zo’n neusswap. Ze begonnen me te krabben en te slaan, omdat ze niet begrepen waarmee ik bezig was. Die nacht heb ik niet geslapen. Dat wil ik nooit meer moeten doen.’

Stille autorit

Ook voor Beke volgt er nog een slapeloze nacht. Op 15 april beslist de Nationale Veiligheidsraad, in aanwezigheid van Jan Jambon, plotsklaps dat de woonzorgcentra één bezoeker mogen ontvangen. Zijn telefoon ontploft. De hele sector staat op stelten. Cloet gaat nog eens vol op het orgel, deze keer in De afspraak. En Beke blaast de operatie, waarvan hij niet op de hoogte was, meteen af. Hij stelt de bezoekregeling uit. Waarna er een telefoontje binnenloopt op zijn kabinet. Een vrouw is razend op de minister. Ze laat weten dat ze haar gehandicapt kind absoluut wil bezoeken. Als dat niet mag, pleegt ze zelfmoord. Het onheil kan worden afgewend, maar het is die avond heel stil in de dienstwagen van de minister.

Voor Beke zit er geen goede kant aan deze crisis. Hij speelde met slechte kaarten, kaarten die vaak door anderen waren uitgedeeld. Maar hij slaagde er ook niet in om de zaken in handen te nemen. Bovendien is er geen eenvoudige zondebok te vinden. Een aantal commerciële spelers kreeg zware klappen, zeker. In Halle overleed ongeveer een derde van de bewoners van een rusthuis van de Senior Living Group. Burgemeester Marc Snoeck ergerde zich geweldig aan de lethargie van de grote Franse groep. In Geel was de dodentol dan weer bijzonder hoog bij een instelling van Armonea, ook een groot Frans bedrijf.

De cijferaars in de administratie kunnen voorlopig geen groot patroon vinden. De commerciëlen, die ondertussen ongeveer een kwart van de sector controleren, werken vaak met minder personeel dan de openbare of de vzw-rusthuizen. Ze zijn oververtegenwoordigd op de lijst van voorzieningen die onder verhoogd toezicht van de Zorginspectie staan. Maar het valt niet te bewijzen dat het coronavirus bij hen harder heeft toegeslagen.

Wat valt dan wel op? Dat rusthuizen die intens samenwerkten met een ziekenhuis, wellicht beter gewapend zijn tegen onheil. En dat sterk management een troef is. Het zijn minder spectaculaire conclusies. Sowieso wordt het voor Beke niet evident om de sector een kwalitatieve stap voorwaarts te laten zetten met het half miljardje extra dat hij tijdens deze legislatuur kan besteden.

Rechtkrabbelen

Op haar terras in Leest probeert Leen Smits weer overeind te krabbelen. Ze heeft, als controlerend en raadgevend arts in woonzorgcentrum Akapella, waanzinnige weken achter de rug. Een aantal huisartsen van bewoners liet weten liever niet meer te komen. Daarop nam Smits de zorg in Kapelle-op-den-Bos volledig over. Er stierven uiteindelijk 23 van de 119 bewoners. Ze vertelt over de stress, de verscheurende beslissingen, de oververmoeidheid, de twijfels, het verdriet. Hoe ze begon te vermageren. Hoe ze op de duur aan niets anders meer kon denken. Hoe ze haar hoofd leeg probeerde te maken, even de radio aanzette en dan weer slechts één ding hoorde. Corona. Corona. Corona.

En dan dat knagende schuldgevoel. ‘Mensen stappen je praktijk binnen en zeggen: Akapella, zoveel doden! Dan weet je niet meer wat te zeggen. Het maakt je onzeker. Ben ik daar dan mee verantwoordelijk voor? Ben ik verantwoordelijk voor de dood van al die mensen? Tegelijk weet ik: zoveel slachtoffers waren al erg kwetsbaar, ze wilden niet meer naar het ziekenhuis. We hebben alles gedaan om zo goed mogelijk gevolg te geven aan hun wensen.’

Ze zucht. ‘Cijfers vertellen niets over de kwaliteit van het leven. Ze vertellen niets over de bewoner met gevorderde dementie die covid overleefd heeft, en van wie de dochter bijna niet hardop durft te zeggen: jammer. Maar we hebben die bewoner wél gered.’


Toen ik na een maand coronacrisis op Facebook schreef dat men van rusthuizen sterfhuizen had gemaakt, was menigeen verontwaardigd, maar ik wist toen al dat mijn gevoel juist zat.
Het is ook vanaf dan dat ik aan elke maatregel ben beginnen twijfelen en besloten heb om mijn eigen keuzes te maken. Mijn argwaan is nooit meer weggegaan.

De derde wereldoorlog

De derde wereldoorlog
is voorbij,
en onze vijanden
worden terug
onze familie
en vrienden.

Het verzet is opgerukt,
en de geallieerden
die vrede en welzijn
brengen,
strooien hoop en inzicht
om zich heen.

Werp dus
jullie maskers weg
en adem weer
volop vrij,
want de derde wereldoorlog
is voorgoed voorbij!

Micheline Baetens – 28.05.2020
(Met dank aan corona voor de inspiratie)

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *