Portret van een dichter

Mirjam Van Hengel – Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert

HUMO – 18.09.2018

Die zeldzame keer dat Remco Campert eens solliciteerde – hij was 22 en het was bij de krant Het Vrije Volk – noteerde hij op het formulier: ‘Tegenwoordige functie: dichter. Loopbaan: beter van niet.’

Na een lange loopbaan als dichter is het met Campert helemaal goed gekomen: geen andere schrijver genereert vandaag zoveel belangstelling als hij. Het lijkt wel, schrijft zijn biografe Mirjam van Hengel, alsof er geen andere schrijver van zijn formaat meer bestaat. Van zijn generatie was hij niet de vuurvogel die boven alles uitsteeg, want dat was ook voor Campert zelf collega Lucebert, maar hij was wel ‘het musje dat zwaluw werd’ – één van de zovele fraaie formuleringen van Van Hengel. Dit is haar verklaring waarom Campert, die weinig expliciete moeite doet om te bevallen, zo populair kon worden: Campert, zegt ze, gééft door zichzelf te zijn. En om uit te leggen wat dat dan weer wil zeggen, heeft ze een kleine zeshonderd bladzijden uitgetrokken.

Van Hengel las veel, deed archiefwerk en nam interviews af, maar de ruggengraat van haar boek vond ze in wekelijkse gesprekken met Campert en zijn vrouw Deborah (haar praatgraagte faciliteert zijn zwijgen – mooi opgemerkt door Van Hengel). Aan die huisbezoeken hield ze behalve informatie een intieme toon over. Ze heeft ook kunnen vaststellen dat Campert nogal wat verdrongen heeft (ze schrijft hem een groot vermogen toe te negeren wat hem niet interesseert), en voorts is er in zijn herinneringen nogal wat verwrongen geraakt. Een toch opmerkelijk voorbeeld: Campert heeft vaak beweerd dat hij zijn vader Jan Campert, vermoord door de Duitsers in 1943, na de scheiding met zijn moeder in 1932 (hij was nog geen 3) maar een keer of vier, vijf heeft gezien. Niet dus: hij bracht nog lange perioden met hem door.

Campert heeft voor zijn literaire werk het eigen leven grondig geplunderd, en de grote lijnen ervan zijn de liefhebber dus bekend. Dat is niet erg, Van Hengel heeft het compositorische en stilistische talent om ook het vertrouwde weer te doen glanzen. In grote trekken gaat ze chronologisch te werk: de verlegen jongensjaren, het dichterschap dat ontluikt ‘als een kuiken uit een ei’, de overrompeling door de jazz, enzovoort. De plaats van handeling, en van zijn poëzie, is dikwijls Amsterdam, al is er in de fifties ook een Parijs’ hoofdstukje en woonde hij in de sixties even in Antwerpen – jaren die hij wel eens romantiseerde, maar niet altijd: hij herinnert zich ook ‘die verrotte Vlaamse mentaliteit’. Minder bekend maar belangrijk is nog het Noord-Franse Iviers, waar Remco en Deborah Campert meer dan dertig jaar lang in een voormalige notariswoning de zomer doorbrachten, ook in de jaren dat er een gat zat in hun relatie.

Campert en de vrouwen is een tijdrovend onderwerp voor de biografe, want hij had vier echtgenoten, alle vier bijzondere vrouwen: Freddy Rutgers, een mooie muze die de verbeelding van nog andere Vijftigers (Kouwenaar, Elburg) op hol zou brengen, Fritzi ten Harmsen van der Beek, de vrouwelijke vuurvogel van de Nederlandse poëzie (nieuw is de informatie dat Campert de avond vóór hun huwelijk een deel van haar gebit eruit klopte), hippiekoningin Lucia van de Berg, de moeder van zijn twee dochters, en ten slotte Deborah Wolf, een Amerikaanse zeldzaamheid in Amsterdam. En Van Hengel voegt er een ‘grote liefde’ aan toe, in de jaren 80, voor een 32 jaar jongere vrouw. Voor wie Campert helemaal als een vrouwengek wil wegzetten, is er van zijn kant ook een relativerende opmerking over seks: ‘Een stuk chocola is ook heel lekker.’
Zijn kinderen en stiefkinderen illustreren met pittige citaten zijn gemankeerde vaderschap, ook door hem vandaag betreurd.

Camperts belangrijkste werken krijgen een elegante presentatie. De nadruk ligt op de portrettering van de schrijver met een lichte en een sombere kant. In hetzelfde tijdsgewricht als zijn roman ‘Het leven is vurrukkulluk’ schreef hij de regel ‘Het leven is verdrietig onvolledig’ – een fraaie herformulering van ‘het menselijk tekort’. Campert had het verlangen te verdwijnen, en dat kon hij in zijn geschriften en in de drank. Hij leefde als een voortvluchtige, is zijn eigen samenvatting: hoe mededeelzaam hij ook leek in zijn columns, hij had altijd een voet op een voor anderen onbetreedbaar terrein staan. Een stukje van dat terrein geeft hij prijs in zijn poëzie, waaruit Van Hengel rijkelijk citeert.

https://www.debezigebij.nl/boeken/een-knipperend-ogenblik/

In het recente Campert-nummer van het tijdschrift Revisor vertelt Mirjam van Hengel hoe ze het voltooide manuscript aan Campert overhandigt. ‘Ik heb natuurlijk maar iets gedaan,’ stamelt ze. Waarop hij opgeruimd zegt: ‘Ik doe toch ook maar wat.’ Laat die twee maar tegen elkaar op liegen, het levert de mooiste dingen op.

Iemand stelt de vraag
2

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z´n kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Remco Campert

Dit is mijn lievelingsgedicht van Remco Campert, en één van mijn katten heb ik naar hem genoemd. Ik hou van zijn poëzie en van zijn directe en relativerende taal.

 

 

Gevoelige gedachten

“Filosofen zagen de emoties vroeger vooral als een soort ‘dierlijke oprispingen in het bloed’ “, zegt Martha Nussbaum. “Het blijkt nog knap lastig om zulke traditionele ideeën over emoties omver te werpen. Ik denk dat emoties in feite een intelligente perceptie van de realiteit belichamen. Emoties zijn een waardevolle bron van kennis. We voelen ons aangedaan, omdat een situatie een specifieke betekenis voor ons heeft. Die betekenis moeten we proberen te achterhalen, want anders missen we een belangrijk aspect van de manier waarop wij mensen de wereld begrijpen. Emotie is één manier waarop wij over de wereld nadenken. Een emotie is een gevoelige gedachte die naast andere vormen, zoals logische gedachten, bestaat.”

Wat is dat toch?

Wat is dat toch?
Mensen zijn zo bang
van hun gevoelens,
dat er zelfs zijn
die erin slagen
van er geen
te hebben.

Micheline Baetens – 23.09.2018

Emoties zijn dus gevoelige gedachten, volgens Nussbaum, en intuïtie lijkt mij dan iets te zijn dat ontstaat wanneer gevoel en verstand samenwerken. Mooi toch als dat lukt!

Aan de spoorbaan

De spoorbaan ligt mijlen verder daarbuiten.
De kamer is vol vrolijk gepraat.
En toch hoor ik die ene trein die er slechts staat
minstens tien keer per dag fluiten.

De hele nacht komt er geen trein voorbij.
De hele nacht is stil van slapen en van kreunen.
En toch zie ik de rode gensters uit zijn schouw
en hoor ik zijn machines steunen.

Mijn hart is vol van vrienden en van jou.
Beter gezelschap vind ik nooit meer in dit leven.
En toch is er geen trein die ik niet nemen zou,
waarheen is mij om het even.

Herman de Coninck

Hier ligt de spoorbaan niet mijlen verder, maar vlak aan de deur, en ik woon er al meer dan mijn halve leven. Maar de drang om die trein te nemen, om het even waarheen, die ken ik niet.
Toch is er een ik gevoel van verbonden, zelfs mijn voornaam heb ik er aan te danken. Het is een haat liefde verhouding, maar sowieso een verhouding. Hier hoor ik thuis.

Goede mannen

Arnon Grunberg: “Falen als vader is het ergste wat je als man kan overkomen”
Schrijver Arnon Grunberg (47) onderzoekt de tragiek van het vaderschap in nieuwe roman ‘Goede mannen’
De Morgen – 21-09-2018 – Stef Selfslagh

Zopas verscheen de nieuwe, wondermooie roman van Arnon Grunberg: Goede mannen. Tijdens een tête-à-tête in Brussel vroegen we ons samen af wat je als man zoal moet doen om goed te zijn. En er is geruststellend nieuws. “Je mag er best monsterlijke fantasieën op na houden.”
Wie is Arnon Grunberg?

Nederlands schrijver en columnist / geboren op 22 februari 1971 in Amsterdam / debuteerde op 23-jarige leeftijd met Blauwe maandagen / schreef o.m. ook Figuranten, Fantoompijn, De asielzoeker en Tirza / werkt als columnist voor o.m. de Volkskrant, NRC Handelsblad en Humo/ tweevoudig winnaar van zowel de AKO Literatuurprijs als de Gouden Uil / woont al 23 jaar in New York / heeft een petekind, Mayu
Ik heb met Arnon Grunberg afgesproken in Passa Porta: half boekenwinkel, half schrijversresidentie en daarom gemakshalve literatuurhuis genoemd. In een ideale wereld is élke boekenwinkel een literatuurhuis, bedenk ik op weg naar de interviewruimte op de tweede verdieping. Alleen literatuurhuizen – ik stel me fluwelen boekhandeltjes in neoclassisistische stijl voor, met klanten die gedempte ­conversaties voeren over de wenselijkheid van humor in de holocaustliteratuur – kunnen het nog halen van het ­zielloze, maar o zo gerieflijke bol.com.

Ooit zei Arnon Grunberg tegen een interviewer van De Groene Amsterdammer: “Jij hebt als journalist veel macht. Jou een onveilig gevoel geven, is in mijn ogen niets meer dan een preventieve actie om op gelijke voet te beginnen.” Maar vandaag heeft Grunberg geen zin in pre-emptive ­strikes. Hij schenkt me een warme glimlach, informeert of ik suiker bij mijn koffie wil en heeft niets dan begrip voor het feit dat ik niet één, maar twee bandopnemers in stelling breng: “Ook in mij schuilt er een controlefreak.”

Het journalistieke voorwendsel voor onze ontmoeting is het boek dat voor ons ligt: Goede mannen, het prachtige relaas over het ontsporende leven van Geniek Janowski, een in Nederland geboren Pool, alsook ‘brandweerman, liefdevolle echtgenoot, vader van twee zonen en fatsoenlijk burger’. Geniek, die zelfs door zijn gezinsleden ‘de Pool’ wordt genoemd, wordt in Goede mannen ‘getuchtigd door het noodlot’: zijn 12-jarige zoon pleegt zelfmoord en in de nasleep van die gebeurtenis wordt hij genadeloos ­geconfronteerd met zijn eigen emotionele impotentie.

Terwijl de levensbeschouwelijke principes waaraan de Pool zich altijd vastklampte, afbrokkelen als overjarige Beemsterkaas, raakt hij steeds verder verwijderd van zijn vrouw, zijn nog levende zoon en zijn collega’s. Nemen in hun plaats de honneurs waar: een vrouw die gelooft in het rectaal inbrengen van troost, een vereenzaamde pony in wie de Pool even een substituut ziet voor zijn overleden jongen, een abt die hem het kloosterlijke kippenhok ter beschikking stelt om nader tot God te komen en een Oekraïense schone die het grauwe Minsk verlaat om hem bij te staan in zijn strijd tegen de wanhoop.

Denk nu vooral niet dat de 43ste Grunberg één lillende brok literaire slapstick is: Goede mannen is een vertederend, keeldichtschroeiend boek. Hoe de goede bedoelingen van de Pool keer op keer afketsen op de stolp die ooit over zijn hart werd geplaatst: het doet bij herhaling naar adem happen.

En – vooruit dan – naar de zakdoek grijpen.

“Er zijn ongetwijfeld mensen die enkel de humor in Goede mannen capteren”, zegt Arnon Grunberg. “Maar het moment waarop de Pool zich door de vrouw van een collega met een naaldhak laat penetreren, is niet enkel grappig. Die onderwerping komt voort uit zijn radeloosheid, zijn tomeloze pijn. Lezers die dat niet aanvoelen, hebben het boek wat mij betreft niet helemaal begrepen. Of dat aan hen dan wel aan mij ligt, is weer een andere zaak.” (glimlacht)

Ondanks ontroerende pogingen lukt het de Pool niet om een goede vader, een goede echtgenoot en een goede collega te zijn. Vindt u hem desondanks een goed man?

“Ik zou hem op basis van zijn intenties wel goed durven te noemen, ja. Zijn probleem is alleen dat hij emotioneel ­helemaal vastzit. Hij denkt dat goed zijn niet veel anders is dan verlangen naar het goede. En dat je minder goede verlangens gewoon het zwijgen kan opleggen. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Om te vermijden dat je als mens ­ontspoort, moet je ál je begeerten durven erkennen. Ook de donkere. Beseffen dat je obscure verlangens hebt, wil nog niet zeggen dat je ze ook wilt vervullen.”

In onze gedachten mogen we ons gedragen als een Weinstein-varken, zolang we dat in de echte wereld maar niet doen?
“Natuurlijk. In onze fantasieën – die overigens niet per se ­seksueel van aard hoeven te zijn – zijn we volledig vrij. Het verbaast me altijd dat mensen daar anders over denken. Een tijd geleden beweerde ik in mijn column voor de Volkskrant dat je in een fantasie ook vrouwen mag verkrachten en seks mag hebben met kinderen. Mensen werden wóédend toen ze dat lazen. Ik was zogezegd immoreel en zedenloos. Maar een maatschappij die je opdraagt om je fantasieën te ­onderdrukken, is een heel gevaarlijke maatschappij. Wanneer we niet mogen toegeven dat we allemaal een duistere kant hebben, zullen we die duistere kant veel moeilijker onder controle kunnen houden.”
De reacties op uw column geven aan hoe veeleisend we op moreel gebied voor elkaar geworden zijn. Zelfs in onze fantasieën moeten we ons gedragen.

“Precies. En de volgende stap is: het strafbaar maken van bepaalde gedachten. Het oprichten van een levensbeschouwelijk ministerie dat vastlegt wat we wel en niet mogen denken. We leven in een veel te moraliserende tijd. Voortdurend staan we klaar om alles en iedereen af te keuren. Maar in plaats van anderen altijd maar met onze meningen op te zadelen, zouden we beter eens naar hen luisteren. Het zal onze opinies gegarandeerd diffuser maken.”

De Pool is geen intellectueel. Zijn er volgens u meer goede mannen te vinden in niet-intellectuele kringen dan in intellectuele milieus?
“Goedheid heeft niks te maken met intellectuele ­capaciteiten. Maar ik denk wél dat rancuneuze loodgieters minder gevaarlijk zijn dan rancuneuze intellectuelen. Rancuneuze intellectuelen zijn beter in het manipuleren van mensen. Ze zijn vaak de wegbereiders van naargeestige politieke stromingen.”

De Pool is er trots op dat hij een brandweerman is. Scoren brandweermannen omwille van hun beroep hoger op de goede-mannenschaal dan – ik zeg maar wat – journalisten of schrijvers?
“Brandweermannen hebben ontegensprekelijk een zinvol beroep. Maar wat een schrijver of journalist doet, is ook nuttig. (denkt even na) Ach, zet de brandweermannen maar wat hoger op de goede-mannenschaal. Het zijn per slot van rekening redders. Al zou ik zelfs hen aanraden om hun heldhaftigheid te relativeren. Absolute goedheid bestaat niet.”

Dat bewijzen de brandweer­mannen in uw boek dan ook: tijdens hun gesprekken onder de douche ­lijken ze elkaar te willen overtreffen in xenofobie.
“Ze hebben een afkeer van vreemdelingen omdat ze bang zijn dat ze op een dag door hen vervangen gaan worden. Het idee dat ze inwisselbaar zijn, maakt hen nijdig. Dat geldt voor wel meer boze, blanke mannen.”

Is dát de oorzaak van de zogenaamde mannelijkheidscrisis: de schrik om als overbodig gekwalificeerd te worden?
(knikt) “Sommige mannen denken dat ze nog altijd krijgers moeten zijn. Maar dat klopt natuurlijk niet. Met fysieke kracht kan je nog wel een succesvol bokser of soldaat ­worden, maar in de meeste andere sectoren behoort het kweken van spierballen niet langer tot de jobvereisten. En zelfs in de bedrijfstakken waarin mannelijke power nog wél van pas komt, loert de concurrentie om de hoek: buitenlandse arbeidskrachten zijn goedkoper, robots zijn sneller. Het goede nieuws voor mannen is dat ze vandaag op heel veel verschillende manieren een man kunnen zijn. We ­hoeven niet langer allemaal eendimensionale alfawezens te zijn. Dat is in vergelijking met de jaren 50 toch een hele vooruitgang.”

De Pool laat nauwelijks in zijn ziel kijken. “Wij zijn de ouders van een jongen die pech had”, zegt hij na de zelfmoord van zijn zoon tegen de mevrouw van slacht­offerhulp. “Maar we hebben nog een andere jongen en we gaan ervan uit dat die jongen geen pech zal hebben. Toch fijn dat u bent gekomen.” Ook u liet ooit ­optekenen: “Ik kan moeilijk dingen delen’. Omdat u er het nut niet van inziet?
“Zoiets, ja. Als er een probleem is, zal ik het eerst zélf ­proberen op te lossen voor ik er met anderen over praat. Maar ik heb natuurlijk wel een uitlaatklep die de Pool níét heeft: het schrijven. Als mij ooit zou overkomen wat de Pool meemaakt, kan ik er altijd nog over schrijven. En iets ­kunnen creëren, kan in donkere dagen van onschatbare waarde zijn. Al ­scheppend kan je je gevoelens en gedachten ordenen.”

Op de laatste pagina’s van Goede mannen zoekt de Pool opnieuw verlossing bij God. Maar het wordt niet helemaal duidelijk of hij een religieuze reddingsboei vindt of niet.
“De Pool heeft een heel ambigue relatie met God. Wanneer op het einde van het boek de grond onder zijn voeten wegzakt, ziet hij maar één uitweg: de wereld van de mensen verlaten, teruggaan naar het klooster, naar de liefde die niet van deze wereld is. Maar tegelijkertijd ­constateert hij dat ook de mensen hem roepen: hij blijft hunkeren naar de liefde van zijn nieuwe vrouw, zijn ex en zijn jongste zoon.

“Die innerlijke tweestrijd vond ik belangrijk. Want volgens mij heb je toch altijd anderen nodig om geluk te kunnen ervaren. Er zijn ook kluizenaars die beweren dat ze gelukkig zijn, maar ik vrees toch dat ze hun eenzaamheid wat verheerlijken. In de film Sans toi ni loi van Agnès Varda zegt Mona, het solitaire hoofdpersonage: ‘Ik ben de mensen voorbij, ik heb ze niet meer nodig’. De ultieme vrijheid is voor haar: met niemand nog een band hebben. Als idee vind ik dat prachtig. Maar in de praktijk vriest Mona wel helemaal alleen dood.”

In Goede mannen heet de eenzaat van dienst Borys: de stille, vriendenloze en zich regelmatig in zijn eigen broek ­ontlastende oudste zoon van de Pool. Als hulpmiddeltje bij het leven krijgt hij van zijn vader een pony cadeau. Dat lijkt aanvankelijk een schot in de roos: Borys fluistert het dier allerlei verhalen in het oor en lijkt daar zielentroost uit te putten. Maar zelfs de immer luisterbereide pony kan niet verhinderen dat de jongen zich op een dag moegeleefd voor een trein gooit. Nadat de Pool zijn zoon ontredderd ‘van de rails heeft gekrabd’, wordt hij brutaal aangestaard door de onvermijdelijke schuldvraag: is hij voor Borys wel een goeie vader geweest?

“Falen als vader lijkt me het gruwelijkste wat je als man kan overkomen”, zegt Arnon Grunberg. “Falen als minnaar is ook pijnlijk, maar een mislukte vader zijn, is het ergste. Van een vrouw kan je scheiden, van een kind niet. Een getroebleerde vader-kindrelatie is voor beide partijen vaak een levenslange open wonde.”

U had met uw vader geen al te innige band. “Wie hij was, heb ik nooit echt geweten”, schreef u in Vrij Nederland. Vindt u dat uw vader gefaald heeft?
“Nee. Ik heb gewoon niet zo gek veel herinneringen aan hem. Hij was al 59 toen ik geboren werd. Ik heb niet zo lang met hem samengeleefd. En hij was ook heel afwezig. Mijn zus – die acht jaar ouder is dan ik – heeft hem nog als een geëngageerd vader gekend. Maar toen ík geboren werd, hield hij zich meestal afzijdig.”

Zoals de Pool zich afvraagt of hij wel een goeie vader is, vroeg u zich vroeger af of u wel een goeie zoon was. Aangezien uw ouders tijdens de Tweede Wereldoorlog zoveel naars hadden meegemaakt (vader Grunberg leefde ondergedoken, moeder Grunberg belandde in de hel van Auschwitz), had u het gevoel dat ú hen ­gelukkig moest maken, vertelt u in Moeder en Grunberg, de documentaire over uw moeder.
“Ik had al vroeg het gevoel dat de trauma’s van mijn ouders mij met een zekere verantwoordelijkheid opzadelden, ja. Mijn ouders verwachtten van mij dat ik uitblonk, vooral op intellectueel gebied. Goede cijfers behalen, stond op nummer één in mijn takenpakket. Meteen daarna kwam goed tennissen, maar daar was ik heel slecht in. (lacht) Op mijn 17de won mijn vrijheidsdrang het van mijn neiging om mijn ouders te pleasen: ik hield de school voor bekeken en werd schrijver. Weliswaar pas na mislukte pogingen om eerst acteur en daarna uitgever te worden.”

Bent u nooit met terugwerkende kracht boos geweest op uw ouders? Op uw moeder die haar huisgenoten ­weleens toebeet: “Zelfs in Auschwitz had ik het beter dan bij jullie”?
“Als puber ben ik héél erg boos geweest, vooral op mijn moeder. Maar met de jaren is de boosheid steeds kleiner en het begrip steeds groter geworden. Hoelang kan je boos blijven op je ouders? They fuck you up, dat is onvermijdelijk, maar tegelijkertijd geven ze je ook liefde. En de perfecte opvoeding bestaat niet. Alles goed en wel beschouwd hebben mijn ouders het nog niet zo slecht gedaan. En al die ­moeilijke momenten van vroeger, ach… Ik ben schrijver geworden. Alles is bruikbaar.” (glimlacht)

U hebt een petekind, Mayu, maar geen eigen kind. Heeft de complexiteit van de ouder-kindrelatie – die u zelf hebt ervaren – daar iets mee te maken?
“Deels wel, ja. Maar ik ben ook bang dat het vaderschap op gespannen voet zou staan met mijn schrijverschap. Ik ben wel een vader voor Mayu, maar er wordt niet van me ­verwacht dat ik me met zijn dagelijkse opvoeding bemoei. Als je zelf een kind maakt, ontstaat er een heel ander ­verwachtingspatroon.”

Uw twijfels omtrent het vaderschap zijn naar ­verluidt ook geworteld in uw hekel aan huiselijkheid. Wie heeft in uw hoofd het misverstand doen ­postvatten dat een kind opvoeden veronderstelt dat u uw huis niet meer uitkomt?
“Mijn vroegere vriendinnen. (lacht) Ik heb een paar ­verloofden gehad die nogal op huiselijkheid gesteld waren. Die het heel erg leuk vonden om met een dekentje op de bank naar de televisie te kijken. Wat moet dat niet worden met kinderen in de buurt, vroeg ik me af.”

U woont in New York. Mogelijkheden zat om aan huiselijkheid te ontsnappen, toch?
“Ik weet het. Je moet kinderen natuurlijk wel een basis­zekerheid geven, maar dat betekent nog niet dat er elke avond om zes uur vlees en aardappelen geserveerd moeten worden. (verglijdt even in gedachten) Op een dag maak ik kinderen. Denk ik.”
Toen uw moeder in 2015 overleed, schreef u op uw website: “Nu moet ik mijn eigen moeder worden”. Is u dat gelukt?

“Wat mijn moeder ooit voor mij betekende, ben ik voor mezelf gaan betekenen. Ik heb haar geïnternaliseerd: ik kan naar mezelf kijken door háár ogen. En ik hoor haar nog steeds tegen mij praten.”

In een interview kort na haar dood zei u dat haar afwezigheid u wellicht zou helpen om betere keuzes te maken in het leven. Heeft haar overlijden u bevrijd?
“Dat valt toch een beetje tegen. (lacht) Misschien heb ik mijn moeder wel té goed geïnternaliseerd. Nu goed, ik hoef mijn vriendin in ieder geval niet langer aan haar voor te stellen. Dat is ook een soort van bevrijding.”

U hebt naar eigen zeggen weinig tijd uitgetrokken om te rouwen. Was u bang dat u uw naasten al rouwend ging storen? In Goede mannen zegt de Pool dat mensen enkel in de war mogen zijn “als het niet te lang duurt en ze na afloop sorry zeggen”.

“Mensen zijn snel verveeld. Ze verwachten dat je niet te lang wacht om weer tot de orde van de dag over te gaan. En dus leek het me beter om zoveel mogelijk alleen te rouwen. We hebben steeds minder geduld voor dingen die een tijdje duren. Je ziet het ook in zorgcentra: vrienden en familie­leden van patiënten haken na verloop van tijd af. Ze denken: nu moeten we verbetering zien. En als die verbetering ­vervolgens uitblijft, verdwijnen ze.”

Eind augustus draaide Arnon Grunberg twee weken mee in het Gentse woonzorgcentrum Zuiderlicht: een uitwijkhaven voor mensen met jongdementie, een verstandelijke beperking of een vorm van psychische kwetsbaarheid. Om te weten te komen hoe de Zuiderlicht-bewoners leven, betrok hij er een kamer en huppelde hij op dagelijkse basis achter fysiotherapeuten, verpleegkundigen en geriaters aan. Na afloop van zijn participerend verblijf liet hij in De Standaard optekenen: “Ik heb mijn idee van wat een menswaardig leven is heel erg bijgesteld. Er zijn meer vormen van menswaardig leven dan we denken.”

Ik vraag of ook de verstilde, bijna bevroren levens van zwaar dementerende patiënten volgens hem nog menswaardig zijn.
“Moeilijke vraag. We wéten namelijk niet precies hoe dementerende mensen hun leven nog beleven. Maar het is in ieder geval niet omdat je kwijlt, of incontinent bent, dat je geen mooi leven meer zou kunnen hebben. We noemen een ziekte – of de gevolgen ervan – zo gauw ‘mensonterend’. Maar aftakeling is onvermijdelijk. En dat moeten we in de mate van het mogelijke proberen te aanvaarden. Wanneer je ziek wordt, mag je niet denken: Ik heb godverdomme het récht om gezond te zijn. Want dan zal je fysieke achteruitgang gepaard gaan met een mentale inzinking. En voor je het weet, word je verbitterd. Het komt erop aan om flexibel te blijven. Als je blackjack speelt, zeg je ook niet: ‘Ik heb récht op een koning en een aas’. Je aanvaardt de kaarten die je krijgt en maakt er het beste van. Zo moet je ook leven. Als een blackjackspeler.”

Toch hoor je vaak dat we te veel bezig zijn met lang te leven in plaats van met goed te leven.
“Ik denk dat we vooral te veel bezig zijn met succesvol te leven. Mensen die kwijlen, zijn niet succesvol. En dus verdringen we ze naar de periferie. Zo hoeven we ze niet meer te zien. Maar eigenlijk zouden we nog liever hebben dat ze er gewoon niet meer zíjn. Dat gevoel krijg ik toch vaak als ik mensen hoor ­pleiten voor euthanasie bij een voltooid leven. Ze zeggen: ‘Beslis maar op tijd om dood te gaan. Bespaar jullie de ellende’. Maar eigenlijk bedoelen ze: ‘Bespaar óns de ellende’. In Nederland zijn er beleidsverantwoordelijken die euthanasie bijna als een verkapte vorm van bezuiniging beschouwen. En dat heeft iets onmenselijks.

“Dat iemand niet langer wilsbekwaam is, is nog geen reden om te zeggen: ‘weg ermee’. Ik heb in Zuiderlicht mensen gezien die van heel wat lichamelijke en intellectuele vermogens beroofd waren, maar toch nog schoonheid ­konden ervaren. Ik denk dat er ook in wanhopige situaties nog een vorm van vreugde mogelijk is. En dat we de ­menselijke wil om te leven niet mogen onderschatten.”

Trekt u ook het concept zelfbeschikking in twijfel? Is het verkeerd om te denken dat ons leven van ons is en dat we bijgevolg voor euthanasie dan wel zelfmoord mogen kiezen?
“Ik ben voor vrijheid en zelfbeschikking. En ik vind zelfmoord geen schande. Maar we mogen er ook niet te licht over denken. Er gaat – terecht – heel wat maatschappelijke empathie naar de zelfmoordenaar. Maar we onderschatten welke vernietiging hij met zijn daad aanricht: er zijn altijd mensen die er verschrikkelijk onder lijden. Je leven is niet helemáál van jou: je deelt het met andere mensen.”

Die excursie naar Zuiderlicht was niet uw eerste ­literaire studiereis. Alleen al voor Goede mannen putte u inspiratie uit verblijven in een brandweerkazerne, een slachthuis, een klooster en een gezelschap dat liefdesreizen naar Oekraïne organiseert. Zijn die uitstapjes naar onbekende werelden manieren om aan de eenzaamheid van het ­schrijversambt te ontsnappen?
“Ook. Sommige schrijvers blijven liever thuis. Maar ik ben heel nieuwsgierig naar andere mensen. Ik hou ervan om helemaal op te gaan in hun levens. Ik word er een beter schrijver én een prettiger mens van. In het begin van zo’n verblijf denk ik altijd: waar ben ik in godsnaam aan begonnen? Ik had ook een paar dagen in de Zwitserse bergen kunnen gaan wandelen. Maar er komt haast altijd een moment waarop ik denk: wat een voorrecht dat ik hier mag zijn.”

Stel dat ik zou willen ervaren hoe Arnon Grunberg leeft: zou u mij dan toelaten om twee weken ‘embedded’ in úw leven rond te fladderen?
“Als ik je kan vertrouwen, waarom niet? Je zou me wel vaak aan mijn schrijftafel zien zitten, natuurlijk. Maar na gedane arbeid kan je mee naar de sportschool. En naar de Franse les. Dan zou het al iets spannender worden.” (lacht)

U woont ondertussen bijna langer in New York dan u in Nederland gewoond hebt. Waarom is en blijft New York uw stad?
“Omdat het de plek bij uitstek is waar je je steeds opnieuw kan uitvinden. En waar je bijgevolg eeuwig jong kan blijven. Geef toe: dat is niet niks.”

Wie met vragen zit over zelfdoding, belt naar 1813 of raadpleegt preventiezelfdoding.be

Noch geluk, noch verdriet is ooit algemeen

Men moet altijd enigszins verdrietig

Men moet altijd enigszins verdrietig zijn,
anders is men verloren,
maar men moet wel een beetje verloren zijn –
van het reddeloze soort –
anders zou men alleen maar gelukkig zijn,
toch moet men ook gelukkig zijn,
zo maar gelukkig kunnen zijn,
in alle staten van geluk,
anders zou men maar verdrietig zijn,
enigszins verdrietig altijd.

Toon Tellegen


Wie dit gedicht van Toon Tellegen begrijpt, begrijpt dat hele gelukkig en dat hele ongelukkig zijn, en alles wat daar tussen ligt. Noch geluk, noch verdriet is ooit algemeen.

“People think it’s a terrible tragedy when somebody has Alzheimer’s. But in my mother’s case, it’s different. My mother has been unhappy all her life. For the first time in her life, she’s happy.”  Amy Tan

Chickens en Kids

AVEVE = ENGERLANDS DIERENVOER

Bron: Nederlandstaal nr 7september 2018 – Vlamse Volksbeweging

Chicken Garden Mix, Chicken Grow mash, Medium Adult, Fit &Fury, Balance Mix, enz. Dit zijn de Engelstalige benamingen die AVEVE sinds kort hanteert voor haar dierenvoedsel (pluimvee, honden, paarden 🙂 in haar AVEVE winkels in Vlaanderen.
Deze winkels behoren tot de Groep AVEVE, een Belgische bedrijvengroep die actief is in de land- en tuinbouw. Het is een onderdeel van de Belgische Boerenbond. De oorsprong lag in het oprichten van een Verbruikerscommissie door de Boerenbond in 1891 en die later moest omgezet worden in een NV: de Aan- en Verkoopsvennootschap of AVEVE. De naam werd in 1984 gewijzigd in AVEVE, een grote speler in dit economisch segment. Het is schrijnend dat een van oorsprong hoofdzakelijk Vlaamse organisatie nu de verengelsingspolitiek voert en dus om wat centjes onze Nederlandse taal niet meer respecteert en Vlaanderen helpt verengelsen. We gaan hiertegen stevig maar voorkomend protesteren:

Schrijven: De Verkoopsdirecteur AVEVE NV Philipssite 5, bus 3 3001 LeuvenBellen: 016 24 26 26 Faxen : 016 24 28 82 Stralen: aveve@aveve.be Webstek: www.aveve.be

Mijn kippen zijn dus geen kiekens meer, maar chickens. Net zoals onze kinderen geen kindjes meer zijn, maar kids.Hoe belachelijk is dat, zowel het ene als het andere?!

Bovendien, oorspronkelijk en om helemaal juist te zijn, betekent kids kleine geitjes, en inderdaad soms zijn onze kinderen dat wel, maar laten we ze dan ook zo noemen, want zeg nu zelf, u wilt jezelf en je kinderen toch niet ridiculiseren? Laten we een kind dus een kind noemen, en een geit een geit.

Laat ons toch stoppen met rare bokkensprongen uit te halen met onze moedertaal, die toch beeldend en rijk genoeg is, om kleurrijk te kunnen communiceren! Kennen jullie trouwens het sprookje nog van de wolf en de zeven geitjes?

Vallen voor de liefde

Prachtig nummer! En die stem! En die tekst! Perfect verwoord! En “fall in love” klinkt een stuk serieuzer, want wij worden alleen maar “verliefd”.
Nu nog voet bij stuk houden, want het is zo mooi, vallen voor de liefde.
Want dan wordt het dit:

If our love ceases to be
That is the end of my world for me

En wie dit niet begrijpt heeft veel, heel veel gemist in het leven!

Opnieuw alleen, natuurlijk…

In a little while from now
If I’m not feeling any less sour
I promise myself to treat myself
And visit a nearby tower
And climbing to the top
Will throw myself off
In an effort to
Make it clear to whoever
Wants to know what it’s like When you’re shattered

Left standing in the lurch at a church
Were people saying, My God, that’s tough
She stood him up
No point in us remaining
We may as well go home
As I did on my own
Alone again, naturally
To think that only yesterday

I was cheerful, bright and gay
Looking forward to who wouldn’t do
The role I was about to play
But as if to knock me down
Reality came around
And without so much as a mere touch
Cut me into little pieces
Leaving me to doubt
Talk about, God in His mercy

Oh, if he really does exist
Why did he desert me
In my hour of need
I truly am indeed
Alone again, naturally
It seems to me that
There are more hearts broken in the world
That can’t be mended

Left unattended
What do we do
What do we do
Alone again, naturally
Looking back over the years
And whatever else that appears
I remember I cried when my father died
Never wishing to hide the tears

And at sixty-five years old
My mother, God rest her soul
Couldn’t understand why the only man
She had ever loved had been taken
Leaving her to start
With a heart so badly broken
Despite encouragement from me

No words were ever
And when she passed away
I cried and cried all day
Alone again, naturally
Alone again, naturally

Wie alleen kan zijn, heeft veel geleerd in het leven.

 

Mijn lievelingsgedicht

In een relatie kies je voor eerlijkheid, want het is de hoogste vorm van intimiteit, en zonder intimiteit geen relatie.
Daarom zou elk koppel dit gedicht in vet gedrukte letters boven zijn bed moeten hangen, en elke avond voor het slapen gaan nog eens herlezen.


Het is mijn lievelingsgedicht.

Liedje.

Lieg alsjeblieft niet tegen me
niet over iets groots niet over iets anders.
Liever hoor ik het vernietigendste dan dat je liegt
want dat is nog vernietigender

Lieg niet over liefde
iets dat je voelt of iets dat je zou willen voelen.
Liever word ik bedroefd dan dat je liegt
want dat is nog bedroevender

Lieg niet tegen me over gevaar
want ik voel toch je angst
en wat ik gewaar word dat is waar
of ik ken je niet en dat is nog gevaarlijker

Lieg niet tegen me over ziekte
liever kijk ik die diepte in dan dat ik mij verlies
in één van jouw lieve verzinsels
want daarmee verlies ik mij dieper

Lieg niet tegen me over sterven
want zolang we er nog zijn
vind ik dat toegangsloze niet mededelen wat je denkt
erger en zo veel doder

Judith Herzberg


If you search for tenderness
It isn’t hard to find.
You can have the love you need to live.
But if you look for truthfulness
You might just as well be blind.
It always seems to be so hard to give.

Honesty is such a lonely word.
Everyone is so untrue.
Honesty is hardly ever heard.
And mostly what I need from you.

I can always find someone
To say they sympathize.
If I wear my heart out on my sleeve.
But I don’t want some pretty face
To tell me pretty lies.
All I want is someone to believe.

Honesty is such a lonely word.
Everyone is so untrue.
Honesty is hardly ever heard.
And mostly what I need from you.

I can find a lover.
I can find a friend.
I can have security until the bitter end.
Anyone can comfort me
With promises again.
I know, I know.

When I’m deep inside of me
Don’t be too concerned.
I won’t ask for nothin’ while I’m gone.
But when I want sincerity
Tell me where else can I turn.
Because you’re the one that I depend upon.

Honesty is such a lonely word.
Everyone is so untrue.
Honesty is hardly ever heard.
And mostly what I need from you.

Eerlijkheid is ons hoogste goed, en wie het koestert, zal zich nooit bedrogen voelen.