BOEK: De kunst van het ongelukkig zijn

Essay

Het individu als houvast in godloze tijden

Minder ‘ikkigheid’? We hebben net méér ik nodig

In zijn nieuwe boek neemt Dirk De Wachter de rol van pastoor op zich. Hij lacht er een beetje mee, maar vindt het nodig in deze tijden van eenzaamheid en burn-out. Nick Cave geeft op zijn website raad aan fans die de weg kwijt zijn. Is dat nu echt wat wij, bevrijde individuen, nodig hebben? Iemand die ons zegt hoe het leven te leiden?

De Standaard – Eva Berghmans, illustraties Jeroen Murré – 20.10.2019

Troost. Kracht. Rust. Houvast in bange tijden. Mildheid. Warmte. Inzicht. Het zijn wezenlijke dingen die de lezers van deze krant bij Dirk De Wachter vinden, blijkt uit een oproep op onze site. Hier en daar komt een minder algemeen antwoord, legt iemand uit wat hem of haar het meest trof. Een vrouw had veel aan zijn aansporing om met vrienden niet alleen successen, maar ook twijfels en tegenslag te delen – de verbondenheid groeide. Een man zag bevestigd dat het oké is als je liever thuiszit met een glas wijn en een goede vriend dan dat je blauwe duimpjes probeert te scoren met foto’s van feesten – na zijn scheiding was hij daaraan gaan twijfelen. Een lezeres zag in dat perfectionisme niet de weg is naar geluk, en dat mild zijn, voor jezelf en anderen, helend werkt.

Als in de afgelopen jaren iemand in Vlaanderen de wijsheid is gaan belichamen, dan wel De Wachter. Dat heeft niet alleen te maken met wat hij zegt, maar ook met hoe hij het zegt – met die diepe, geruststellende stem en begrippen als ‘gewonigheid’ of ‘borderline times’. Het is allicht zelfs in de hand gewerkt door zijn uiterlijk, geeft een lezeres aan. Een donker type, met uitgesproken wenkbrauwen en wat langere haren: dat suggereert een combinatie van diepzinnigheid en rock-’n-roll, van inzicht dat gegroeid en gelouterd is in een wilder leven dan de bangeriken onder ons tussen de muren van huis en kantoor leiden. En hij is psychiater, hij doolt door de krochten van andermans ziel, daar waar het er echt op aankomt.

De Wachters nieuwste recept voor de ziel heet De kunst van het ongelukkig zijn, een heruitgave van een essay dat dit voorjaar in beperkte oplage verscheen op vraag van de Confituur-boekhandels. Het boek schoot meteen de top tien in. Zijn diagnose van onze tijd bevat weinig nieuws, benadrukt hij. Het dwangmatige najagen van geluk heeft ons niet gelukkiger gemaakt, stelt hij vast. Integendeel: burn-out en eenzaamheid zijn de epidemieën van deze tijd. We moeten weer een paar dingen leren die we uit het oog verloren zijn, toen het ik de vrije baan kreeg. Eén: pijn is deel van het leven. Het pure hedonistische streven is vruchteloos, te hoge verwachtingen leiden tot teleurstelling. Twee: iedereen lijdt, iedereen heeft het lastig, laten we elkaar de hand reiken. Het boek eindigt met een brief waarin De Wachter oproept om onze ‘ethische plicht’ te doen, want het ware geluk (een zinvol bestaan) ligt in het zorgen voor de ander – en voor het klimaat.

God noch gebod

‘Omarm het lijden als deel van het leven en doe je plicht’: klinkt bekend, niet?

‘Vlaanderen heeft de goeroes die het verdient’, vat mijn huisgenoot (tevens beste vriend en vader van mijn kinderen) het weleens samen aan de keukentafel. Dirk De Wachter is op maat van de Vlaamse volksaard gesneden. Een dokter, psychiater, een figuur met autoriteit, die een boodschap brengt die we al kennen. De Wachter geeft het zelf in zijn boek aan: hij is meer dan eens vergeleken met een pastoor, en hij vindt dat geen belediging.

Het is een veelgehoorde verklaring voor het succes van de nieuwe goeroes: met het geloof is ons houvast weggevallen. We weten niet meer waarom we op deze wereld zijn, en hoe ons op deze wereld te gedragen. De vrijheid die de secularisering bracht, is te groot. De mens verliest zichzelf in het najagen van oppervlakkig genot en materiële rijkdom, hij kent god noch gebod.

En het zal wel, dat er een gat in ons leven geslagen is toen het geloof wegviel. Maar zijn we eenzaam geworden omdat die gemeenschap en haar voorschriften wegvielen? Want laten we wel wezen: het moet ook binnen die gemeenschap best eenzaam geweest zijn voor velen, met die preken over de nietigheid en zondigheid van de mens, hoe we niet meer zijn dan stof en as, en in het beste geval zoveel goeds kunnen doen dat we na onze dood een lekker, zij het lichtjes saai leven hebben. En je zult binnen al die rigiditeit maar het buitenbeentje geweest zijn – homo of heks, of te gretig en geil voor al die geboden, te hebzuchtig of te ambitieus, of te lui.

Nick Cave heeft sinds de dood van zijn zoon een opmerkelijke transformatie ondergaan.

Je zult mij niet snel de teloorgang van het geloof horen betreuren. Ik heb vaak mijn beide handen gekust dat ik pas in de jaren 70 geboren ben, toen de bevrijding van het ik al even aan de gang was. En dan nog voelde mijn geboortedorp, met de mantra ‘doe maar gewoon, dat is al zot genoeg’, als te klein voor alles wat ik wou: de wereld zien, kunst zien, carrière maken met mijn pen. (Misschien wist ik het best van al wat ik niet wou: het leven van al die vrouwen in het dorp leiden.) Ik was een boze tiener, omdat men mij het idee gaf dat ik onredelijk was en mijn eigen ondergang tegemoet liep met al mijn verlangens en gebrek aan bescheidenheid.

Het klinkt me akelig in de oren, die analyse over de hedendaagse mens die zijn eigen graf graaft omdat hij te veel wil, omdat hij zijn plek in de kosmos niet meer kent. Het gaat me te ver om het individualisme als grote schuldige van de existentiële crisis van onze tijd aangeduid te zien. Er is te veel ‘ikkigheid’ in onze wereld, zegt Dirk De Wachter. Ik ben bang dat hij het kind met het badwater dreigt weg te gooien.

Toegegeven, we kunnen er niet zo goed mee uit de voeten, met dat ‘ik’ dat we zonder nieuwe voorschriften cadeau kregen. Maar wat doe je als je een kind krijgt? Moddert het gros van de ouders niet maar wat aan, ongemakkelijk laverend tussen alle gevoelens en verantwoordelijkheden? Wat als de groeipijnen van de samenleving niet door de bevrijding van dat individu komen, maar doordat het niet de juiste zorgen toegediend kreeg? ­Misschien hebben de ouders het ‘ik’ te veel verwend en hebben ze zich laten opjutten door de consumptiecultuur, omdat ze niet beter wisten.

Een schild cadeau

Neem een van de symptomen van dat zieke ik: de burn-out. Een burn-out krijg je niet van heel hard te werken. Van hard werken word je hooguit moe. Er zijn mensen genoeg die 80 uur per week werken en niet eens in de risicozone voor burn-out zitten. Omdat ze doen wat ze graag doen, op een manier die hun past. Dirk De Wachter zal vast weleens moe zijn, maar hij zal niet fundamenteel in de knoop raken met zijn job, hoogstens met zijn agenda of een geliefde die zich verwaarloosd voelt.

Waarvan krijg je dan wel een burn-out? Mensen raken opgebrand als ze het punt van hun eigen job niet (meer) zien. Als een job zinloos voelt, omdat die volstrekt oninteressant is, of als een job door de omstandigheden waarin je die moet doen (een onredelijke baas, bakken administratie, belachelijk hoge werkdruk) zinloos lijkt te zijn – dat is vaak wat misgaat met mensen die uit idealisme aan hun baan begonnen zijn. Mensen krijgen een burn-out als ze de controle over hun job zodanig verliezen dat ze fundamenteel aan zichzelf twijfelen. In de kern draait burn-out om zelfverlies. Je weet niet meer wie je bent, of waarom je doet wat je doet, of je wel goed genoeg bent.

De enige vraag die er in loopbaancoaching toe doet, is of de job die je doet bij je past. Coaching op de werkvloer is een vorm van ontvoogding. Het ik laat zich niet meer doldraaien, het kiest zijn plek op de werkvloer en neemt die plek naar best vermogen in.

Loopbaancoaching laat je toe enkele vragen te stellen die je al lang aan jezelf had moeten stellen, maar waar je bang voor was. Want wie stelt nu zichzelf en zijn eigen keuzes in vraag? Dat past niet meteen in het zelfbeeld dat we ons hebben aangemeten, of laten aanmeten. Het oude ideaal van de mens als radar in een groot geheel is razendsnel vervangen door het ideaalbeeld van de selfmade man: succesvol, ambitieus, gezond, sterk, onafhankelijk, hard, en altijd meteen wetend wat hij wil. Met dat ideaalbeeld kwam ook het idee dat je beter geen onzekerheid toont, want het is met de andere mensen zoals met wilde beesten: als ze angst ruiken, slaan ze toe. We kregen meteen een schild cadeau bij dat baby-ikje.
In het meest optimistische scenario is loopbaancoaching maar een begin van de volwassenwording van onze omgang met ons lastige zelf. Je ziet weleens hoe loopbaancoaching (of een midlifecrisis) mensen de moed geeft om ook het leven rondom die werkvloer in vraag te stellen. Is dit het leven dat ik wil? Dat bij me past? Dat me blij maakt omdat het ruimte laat voor wat ik belangrijk vind?

Aanfluiting

Dat zijn griezelige, maar noodzakelijke vragen, waar Dirk De Wachter in zijn nieuwe boek hoogstens oppervlakkig aan raakt. Misschien komt dat doordat zijn leven goed aansluit bij wat hij wil. Dat zijn leven zinvol genoeg aanvoelt om blij te zijn met de ‘gewonigheid’ die hij promoot. Maar het is niet omdat hij graag in zijn tuin zit, dat een ander er niet meer baat bij heeft om op wereldreis te vertrekken. Soms is het gras wel groener aan de overkant. Soms is anders wel beter. Dat je die gedachte zou moeten onderdrukken, is een aanfluiting van het individu. De analyse die De Wachter van ons collectieve onbehagen maakt, houdt steek. Alleen: het houvast dat hij biedt, in heuse aanbevelingen over hoe het goede leven te leiden, is naast de kwestie. Je kunt een ander niet voorschrijven hoe hij of zij zijn leven moet leiden.

In de inleiding van De kunst van het ­ongelukkig zijn schrijft De Wachter hoe er onlangs iets begon te knagen, toen zijn vader aftakelde, eenzaam was, stierf. Hij zag hoe zijn broer daar beter mee omging, zorgzamer was. Zelf voelde hij zich tekortschieten. Hij ging nadenken over de betekenis van zorg en verbinding, en deelt nu die inzichten. Die zijn waardevol en zullen velen helpen, maar niet iedereen. Het is niet omdat andere mensen helpen een goed gevoel kan opleveren, dat iedereen daar het geluk of de zin zal vinden. Dat kan, zeker, maar niet zonder zichzelf eerst goed aan te kijken in de spiegel, zonder weg te kijken van de tekortkomingen, onzekerheden, angsten en verlangens die we zo goed hebben leren toedekken. U kent het cliché: je kunt een ander maar echt ten volle graag zien als je jezelf graag ziet.

Dus nee, ik geloof het niet, dat we minder ‘ikkigheid’ nodig hebben, en vooral meer verbondenheid (dat ook, dat ook). Er is meer ik nodig. Meer, maar beter.

Vraag het aan cave

Vorige week ging een brief van de Australische muzikant Nick Cave de wereld rond – toch een voordeel van die smartphones die vaak weggezet worden als katalysator van de egocultuur. Cave heeft een opmerkelijke transformatie ondergaan, sinds zijn vijftienjarige zoon in 2015 van een klif viel. Dat is merkbaar in zijn muziek, die kaler en spiritueler geworden is, terwijl hij vroeger een scherm van bombast en groteske verhalen optrok rond dezelfde thema’s – dood, liefde, seks, geweld, driften, pijn, de donkerte en de morsigheid van het bestaan.

Nog opmerkelijker is hoe hij zijn handen uitstak naar zijn publiek. In Conversations with Nick Cave doet hij intieme zalen aan, waar hij in gesprek gaat met zijn publiek en songs op piano speelt. Op de website The red hand files beantwoordt hij vragen van fans. Het is makkelijk om daar cynisch over te doen – over hoe de harde rocker een softie geworden is, en hoe zijn muziek toch niet meer dezelfde is. Je kunt het ook anders zien: hij laat de rauwheid van de emotie en de verwarring blootliggen, omzwachtelt ze niet meer met ruwte. Hij toont zich kwetsbaar, nadat de dood van zijn zoon hem met zijn volle gezicht in zijn kwetsbaarheid heeft gedrukt.

Wat hij terugkrijgt, is een al even grote kwetsbaarheid. Zijn fans houden zich nergens voor in. Soms stellen ze vragen over muziek en de kunst van het schrijven, maar geregeld duiken wezensvragen op over eenzaamheid, vergeving, drugs, gender, de link tussen erotiek en geloof. Iemand wil weten of Cave ergens spijt van heeft. Iemand wil weten waarom hij PJ Harvey dumpte (dat deed ik niet, schrijft Cave, zij dumpte mij, en hij legt heel mooi uit hoe dat zijn werk een andere wending gaf). Hij schrijft open en kwetsbaar, zonder pathos of drama, maar ook zonder schild, over het ‘ongedefinieerde verlangen’ dat hij al zijn hele leven meesleept, en over hoe hij zichzelf pas ten volle tegenkwam door de dood van zijn zoon.

De jongste brief die Nick Cave de wereld in stuurde, was gericht aan een zestienjarige fan. Ze schreef dat ze het haatte om zichzelf in de spiegel te zien. Je zou denken dat Cave al genoeg ellende heeft om zich bezig te houden met het spiegelbeeld van een pubermeisje. Hij doet het anders. Hij bedankt haar voor de moedige vraag. Hij komt niet aanzetten met een dooddoener over hoe ons uiterlijk er niet zoveel toe doet. Hij vertelt hoe hij als tiener naar zichzelf in de spiegel keek, en hoe hij nu vaak voor hotelspiegels staat. Hij zegt niet dat het aan haar is om haar onzekerheid te overwinnen. Dat er geen reden is om zich te verstoppen, niet zichzelf, niet haar onzekerheid. Hij laat het ongemak niet bij haar liggen, maar legt het bij de harde wereld waarin we leven.
Cave schrijft, net als De Wachter, over de nood aan kwetsbaarheid en verbinding: ‘Als we jong zijn, kan kwetsbaarheid ons voorkomen als schaamte of zwakte, terwijl we proberen onszelf te wapenen tegen een brutale, ongenadige en oordelende wereld. Maar zij die geen besef hebben van hun eigen breekbaarheid, zij die zichzelf als uiterst zelfbewust, geharnast en onkwetsbaar presenteren, geven de essentie op van wat ons menselijk en mooi maakt. Kwetsbaarheid is net wat ons toestaat om ons met elkaar te verbinden, om in anderen hetzelfde ongemak te herkennen, met zichzelf en hun plek in de wereld.’

De brief eindigt met een advies over hoe te leven – dat hij zo open houdt dat het nauwelijks een advies is: ‘Alsjeblief, zorg voor jezelf. Zoek mooie dingen, inspiratie, connecties en vrienden die goed voor je zijn. (…) Zoek dingen in de wereld die je raken en doe grote inspanningen om ze beter te maken. Tot elke prijs, probeer een gevoel voor humor te cultiveren. Zie de dingen door dat moedige hart van je. Wees mild voor jezelf. Wees lief voor jezelf. Wees lief.’

Ethische plicht

Nick Cave, hofmuzikant van de onderwereld, heeft zijn volgers ontroerd met een van de grootste clichés uit de zelfhulpliteratuur. Zover hebben we het dus laten komen, dat we toelating, aansporing nodig hebben om onszelf te zijn. Zo hard tasten we rond in het duister, overal tegen aanlopend, en dat de schuld gevend, terwijl we eigenlijk tegen onszelf en onze zelfhaat aanlopen.

En ja, een oproep als die van Dirk De Wachter, om onze ‘ethische plicht’ te doen en de ander de hand te reiken, zal ons geen kwaad doen. Maar het is niet genoeg. Ga zitten (of liggen, of wandelen, of wat dan ook, als het maar op jezelf is) en vraag je af wat je wilt met je leven. Misschien wil je vooral helpen en bij anderen zijn, misschien ook niet. Eerst het zelf, dan de ander. Niet minder zelf, maar meer. Of nee, niet meer zelf, maar beter, completer – verlangens, ambities, noden en tekortkomingen incluis.

Dat is akelig, en het kan deugd doen om je te laven aan de mildheid en wijsheid van figuren als De Wachter en Cave. Maar als dat baby-ik uitgroeit tot een evenwichtige volwassene, dan heeft het geen richtlijnen meer nodig over hoe het leven te leiden. Zelfs niet van aantrekkelijke nieuwe hogepriesters met een diepe stem.

‘De kunst van het ongelukkig zijn’ van Dirk De Wachter is verschenen bij Lannoo Campus.

Nota van IK: Toevallig of niet dat die twee, Cave en De Wachter, ook fysiek op elkaar lijken?! Misschien is dat wel zo met verwante zielen…(MB)

Light of my life

Light of my life: schuilen in afwachting van het einde der tijden

Brainwash – Gawie Keyser

Negen jaar lang leefden zes mensen in de provincie Drenthe afgezonderd van de buitenwereld in afwachting op het einde der tijden. Dit verhaal, even schokkend als ongeloofwaardig, tart elke verbeelding. En toch is ‘Ruinerwold’ normaler dan we zouden willen toegeven.

We weten nog niet of de zes van Ruinerwold, het dorp in de buurt van de woonboerderij waar een man en vijf meerderjarige kinderen jarenlang in een kelder woonden, werkelijk geloofden dat ze op de eindtijd aan het wachten waren. En om die reden niet naar buiten gingen of mochten. Dat laatste: werden ze misschien gevangengehouden? Door een man die inmiddels is gearresteerd, een man met de omineus klinkende naam Josef B.?

Heel veel vragen zijn er over Ruinerwold, plus suggesties dat het hele verhaal een grote PR-stunt van een milieubeweging is. Maar in alle gevallen luidt de symboliek: het is vijf voor twaalf en het einde nadert.

De plaatselijke media meldden al tijdens het breaking news: het gezin was zich aan het voorbereiden op het einde der tijden. Ik vroeg me af: wat doe je dan zoal terwijl je je aan het voorbereiden bent? Lezen? Ik bedoel, de geit kun je hooguit een paar keer per dag melken. Dan lees je misschien The Road (2006) van Cormac McCarthy waarin een man en zijn zoon door een post-apocalyptisch landschap heen trekken. Of Richard Mathesons I Am Legend (1954) waarin de laatste man op aarde vecht tegen vampiers en ontdekt dat hij in deze wereld een vreemde eend in de bijt is.

Zo kunnen we nog lang doorgaan. Zelf zou ik zes jaar makkelijk halen, mits er een goede bibliotheek tot mijn beschikking is. Of videotheek. Of internetverbinding naar de streamingdiensten. Al lezende en kijkende zou je veel tips kunnen krijgen over hoe te handelen als het eenmaal mis gaat daarbuiten.

Juist in de laatste jaren zijn er steeds meer apocalyptische en post-apocalyptische verhalen te zien op het witte doek. Zo is een bepaalde vorm van het einde der tijden het onderwerp van bijna alle superheldenfilms. Een teken aan de wand: de wereld die op spectaculaire wijze naar de knoppen gaan is het nieuwe normaal geworden. Wie het dagelijks nieuws over klimaatsverandering, Brexit en Trump (en Turkije en Syrië) volgt, kijkt allang niet meer op van verhaaltjes over het op grote schaal uitwissen van de menselijke soort.

Zo bezien zijn we allemaal inwoners van Ruinerwold: in onze eigen schuilkelders, opgetrokken uit onze collectieve angst voor én achteloosheid over de genoemde huidige en komende onheilen, wachten we lijdzaam af hoe het verder moet. En net als de zes van Ruinerwold durven we nauwelijks nog de straat op (met uitzondering van aanhangers van radicale milieubewegingen).

Hoe massaler de verhalen over onze eigen vernietiging, hoe fijner we ze vinden. En hoe veiliger: niets biedt meer geborgenheid dan een bioscoopzaal. Maar interessanter dan alle blockbusters over de eindtijd zijn de kleinere verhalen, zoals het nieuwe Light of My Life van Casey Affleck waarin de regisseur ook de hoofdrol vertolkt, die van een man die met zijn dochter van een jaar of twaalf rondzwerft in een Amerika getroffen door een virus dat de vrouwelijke bevolking (behalve sommige vrouwen die immuun zijn) heeft uitgewist.

‘Dad’ en ‘Rag’, de namen van vader en dochter, trekken vooral van huis naar huis. Hoe afgelegener, hoe beter. Vooral huizen of boerderijen. De reden: de samenleving is levensgevaarlijk geworden, niet alleen vanwege alle gewelddadige mannen op zoek naar eten, maar ook omdat dezelfde mannen wild worden als ze ook maar een vermoeden hebben dat er ergens een vrouw rondloopt.

De beschavingsnormen zijn verdwenen. Het enige wat Dad en Rag kunnen is zich verschansen in een verlaten woonboerderij. En wachten dat dingen beter worden.
Het mooie aan Light of My Life is dat er geen uitzicht op een toekomst is. Dat is precies wat ‘het einde der tijden’ betekent. Je leeft alleen nu, in die kleine ruimte die je kunt controleren, waar je veilig kunt zijn. Je gaat niet naar buiten.

Wat ze precies dachten, die zes van Ruinerwold, ik ben er benieuwd naar. Misschien is wat ze deden (als zou blijken dat ze dat vrijwillig deden) zo gek nog niet. Ik lees in de NRC:

Het gezin zou zelfvoorzienend hebben geleefd, door middel van een groentetuin en een paar dieren. Veel mensen in Ruinerwold leven zo, zegt een buurtbewoner die met zijn twee zoontjes op weg is naar de grasdrogerij verderop, en niet met zijn naam in de krant wil. Boerderijen hebben een moestuin, zegt hij, en zonnepanelen. Daarom viel het gezin niet zo op.

Nou dan, ze vielen niet op. Misschien zijn er zelfs meer Ruinerwolden. Plaatsen waar mensen liever binnen blijven gezien hoe het eraan toegaat in de wereld. Ook toen ik Light of My Life zag, dacht ik: heel erg wat met Dad en Rag gebeurt. Heel erg, maar niet heel erg vreemd.

Die herkenbaarheid. Dát is de ergste nachtmerrie van al deze films en verhalen en van Ruinerwold.

Schoonschrift: Einzelgänger

Einzelgänger waarom kijk je triest ik ben er
Er is niemand die dit ziet
En verder niemand die dit ooit zou horen
Einzelgänger je toont jezelf graag groots en sterker
Dan je eigenlijk bent en denkt er graag je onverslaanbaarheid bij
Kom kijk win aanbid en overleef
Maak tastbaar als het kan
En laat vooral de wind maar huilen

Einzelgänger
we zijn alvast met twee
Ik ken je nu al lang
En ik weet wanneer je bang bent
Nee voor mij heb je geen geheimen meer
En ik weet dat jij alleen wilt zijn
Gewoonweg voor de eenvoud
Gewoonweg omdat het dat is wat je kent
Maar alleen is soms verdomme zo alleen
En de vrijheid dan zeg je elke keer
Maar de vrijheid die jou parten speelt
Is vrijheid die niet echt is
En leeg
Als vrijheid jou zo dierbaar is dan laat je haar vandaag niet zomaar gaan
nee
Geef je over aan wat mooi is
Aanvaard de weg van eindigheid
Geen wapens zijn geen wapenschild
Geen trots geen angst geen ijdelheid
Als liefde jou zo dierbaar is
Dan laat je haar vandaag niet zomaar gaan
Dus kom kijk win aanbid en overleefd
Maak tastbaar als het kan
En laat vooral de wind maar huilen

Einzelgänger
Dus Einzelgänger waarom kijk je triest
Er is niemand die dit ziet
Alleen je eigen spiegel beeld

 

 

Onze roman

Dat ik rond mijn zeventigste nog mooie gedichten heb kunnen schrijven over de liefde en liefdesverdriet, heb ik te danken aan een heel kortstondige liefdesrelatie. Alleen daarvoor was het al de moeite waard!

De liefste

De liefste,
en het liefste,
maar vooral,
die allerliefste
liefste.

Micheline Baetens – 18.03.2018

Een kusje

Laat ons
er een
kusje op geven.

Op onze onbegrepen
gedachten,
Onze misbruikte
gevoelens,
Ons gemanipuleerd
vertrouwen,
Onze zere
tenen,
en onze gebroken
harten.

En als we
dan genezen zijn,
laat ons dan
ervoor zorgen
dat het
nooit meer gebeurt.

Micheline Baetens – 12.09.2018

Mijn liefste

Mijn liefste
leeft in een land
heel ver van hier,
waar hoge muren
staan,
en diepe sloten
vloeien,
waar dwang
en onvrijheid heerst.

Waar demonen
regeren
over dromen
en verlangens,
en waar liefde
verdwenen is.

Was er nu maar
de wind
die de wolken stuwt,
en de storm
die de lucht
zuivert,
om jou te bevrijden.

Micheline Baetens – 07.09.2018

Laat dit nooit overgaan

Jammer genoeg gaat het altijd over, of toch bijna altijd, en als het niet overgaat heb je werkelijk het groot lot gewonnen!

Zolang ik leef

Telkens jij niet belt
zal ik opnemen,
en elke brief
die jij niet schrijft
zal ik lezen.

Ieder woord
dat jij niet zegt
zal ik verstaan,
en elk gebaar
dat jij niet maakt
zal ik voelen.

En dat
zolang ik leef.

Micheline Baetens – 02.09.2018

Mag het wat ouder zijn?

Anne Davis: “Als je zeventig bent, moet je tegenwoordig op de motor naar India, in een pak maatje 36”

Libelle – 02.10.2019

Vroeger, toen ik 20 was en ongelukkig, dacht ik: ‘Als ik oud ben, mag ik lekker in een schortje op de bank, pralines eten.’ Ik zag dat schortje voor me: blauw met groen was het, met een vaag bloemetje, en de pralines waren echte Hollandse kersenbonbons. ‘Oud’ was voor mij toen een jaar of veertig, maar dat heb ik later bijgesteld naar zestig, of misschien wel zeventig. Mijn lichtend voorbeeld was een oma van me, die zo’n schortje had, en die ik wel niet zo vaak kersenbonbons zag eten, maar wel soep met vetogen, of een advocaatje met slagroom. Misschien was die oma niet eens heel oud, maar ze had het duidelijk wel gehad met jong zijn, en modieus, en een beetje bij blijven. Haar wereld bestond uit soep met vetogen, en de kleinkinderen op bezoek, en veel breien. Heerlijk leek me dat, zo rustig, zonder stress.

Ik kon daar naar uitkijken. Maar wat blijkt nu? In deze tijd kán dat helemaal niet, op de bank met een schortje. Want zeventig is intussen het nieuwe vijftig geworden, of misschien wel veertig, en een mens is zo oud als hij zich voelt, en niemand voelt zich blijkbaar zeventig en klaar voor de bank en de kersenbonbons. Als je zeventig bent, moet je tegenwoordig plannen maken voor een reis naar India, op de motor, liefst in een motorpak maatje 36. En ja, natuurlijk is dat spannender dan op de bank zitten, maar soms word ik er zo verschrikkelijk moe van. Waarom is oud worden zo’n taboe tegenwoordig?

Verplicht jong te blijven

Het is een feit: we leven langer, we blijven langer gezond en we kunnen dus veel langer dingen doen die we leuk vinden. Dat is alleen maar fijn. Maar wat ik moeilijk vind, is dat jong blijven, en vooral er jong blijven uitzien, zo’n plicht is geworden. We zien foto’s van Hollywoodactrices met hun dochters en je weet niet eens wie van de twee de oudste is. Wat me trouwens behoorlijk traumatisch lijkt voor de dochters, maar dat terzijde. We lezen verhalen op Facebook over een ballerina van dik in de zeventig, die nog moeiteloos pirouettes draait terwijl haar leeftijdgenoten in een vorige generatie blij zouden zijn geweest als ze hun eigen sokken behoorlijk hadden kunnen aandoen. En op televisie hoor je een koppel van negentig ongegeneerd vertellen dat ze nog elke ochtend spannende seks hebben. Ik wil me daar eigenlijk niets bij voorstellen. Maar al weet je natuurlijk niet wat de toekomst gaat brengen, ik heb toch zo’n vermoeden dat ik, als ik 90 ben en mijn man wil spannende seks, zal zeggen: ‘Och schat, maar dat is duur hoor, een callgirl’…

En dan heb je Helen Mirren, een actrice die er inderdaad alleen maar mooier op lijkt te worden nu ze ouder wordt, en die op haar 63ste in een knalrode bikini poseerde en er beter uitzag dan menig twintigjarige. Zelf zei ze bescheiden dat de foto uit een flatterende hoek was genomen, en dat ze gewoon haar buik ingetrokken had. Dat zal best, Helen, maar het feit dat je op je 63ste in bikini op de foto wil, zegt toch veel over je zelfbeeld – en over je denkbeeldige buik.

Zestiger met sixpack

Het probleem is dat het toch onwillekeurig een druk uitoefent op gewone mensen. Je ziet reclames voor antirimpelcrèmes, gepresenteerd door uiteraard rimpelloze dames, en je denkt ‘Ja, dat is dus mosterd na de maaltijd voor mij.’ Je ziet Helen in een bikini en je weet: ‘Als ik die aandoe, is er echt niet één hoek flatteus genoeg om er net als Helen uit te zien.’ Je ziet zestigplussers met een sixpack en je weet zéker dat een keer in de week een uurtje Pilates niet genoeg is om dat resultaat te bereiken. En je voelt dat je tekortschiet.

Uiteraard is het niet allemaal echt, dat weet ik ook wel. Rimpelloos op je zestigste, daar komt méér bij kijken dan een goede crème. Minstens een dosis botox en een paar goede fillers, en wie weet wel een discrete facelift. En een sixpack op de foto zou best wel eens het resultaat kunnen zijn van de nodige retouches. Maar toch.

Wat mij hindert, is dat gewoon oud worden bijna niet meer mág. Dat iemand als Brigitte Bardot, die een gezicht heeft alsof ze flink geleefd heeft, en rimpels omdat ze lekker lang in de zon heeft gezeten, verwijten over zich heen krijgt ‘omdat ze zich heeft laten gaan’. Terwijl Brigitte na vier echtgenoten en een flinke filmcarrière waarschijnlijk gedacht heeft: ‘Zo, nu ga ik me gewoon bezighouden met zeehonden en zielige dieren, en die kan het helemaal niet schelen of ik rimpels heb of niet.’ Ik vind Brigitte eigenlijk wel mooi, net zoals Jeanne Moreau mooi was toen ze oud werd, en Simone Signoret. En Judi Dench, die niet alleen prachtig is met rimpels en een wat groezelig gebit, maar die meteen ook een van de meest memorabele vrouwelijke rollen in de Bond-films heeft.

Geen beige mevrouw

Natuurlijk doe ik er net zo goed aan mee. Jaren geleden, toen mijn zoon nog klein was, zei hij tegen me: ‘Mama, je moet me beloven dat je nooit zo’n oude beige mevrouw gaat worden.’ Ik wist wat hij bedoelde: er zijn oude dames met wit haar die zich voornamelijk in pasteltinten hullen: een beige regenjas, een lichte pantalon, ongetwijfeld met elastiek in de taille, en een sjaaltje om de hals in lila of zacht turkoois. Ik beloofde mijn zoon dat ik niet zo worden zou, maar niet omdat er iets mis mee is, met een beige mevrouw zijn. Het is gewoon zo dat beige me niet staat, en als ik pastel draag, zie ik eruit alsof ik met kleren en al te vaak door de kookwas ben gehaald. Dus verf ik mijn haar en smeer ik mosterd-na-de-maaltijd-antirimpelcrèmes, en zorg ik dat ik een beetje aardig voor de dag kom in niet-beige tinten. En soms, als ik mensen zie met zo’n schitterend glad botox-voorhoofd, denk ik wel eens: ‘Zou ik?’ Maar ik durf niet. Dus verberg ik mijn rimpels onder een pony. Ik probeer vaker te wandelen dan de bus te nemen en meer gezond te eten dan niet, en mijn verslaving aan pindakoekjes binnen de perken te houden. Omdat ik nét zo ijdel ben als iedereen. Ik ga naar Pilates en zelfs naar de fitness, omdat er daar iemand is die me helpt om mijn rechterarm – de kant waar ik ooit mijn schouder brak – wat soepeler te houden. Ik doe dat voor mijn gezondheid, en ook wel een beetje omdat ik dan toch ongestraft meer chocolade kan eten dan zonder.

Bij mij in die fitness komen twee witharige dames, allebei in keurig zwart, die op twee roeitoestellen naast elkaar gaan zitten en dan uitgebreid lachen en kletsen. Roeien doen ze niet veel, maar wat geeft dat? Ze hebben enorme lol samen en ze zitten niemand in de weg. Natuurlijk is een fitnessabonnement een dure hobby, als je alleen maar op een roeitoestel gaat zitten kletsen. Maar taartjes eten is ook een dure hobby tegenwoordig. En ze lachen veel, en iedereen weet hoe gezond dat is, lachen, en hoe jong je erbij blijft.

Als ik erover nadenk, wil ik ook nog lang niet met een schortje op de bank. Ik hou niet eens zo erg van kersenbonbons. Maar wat ik wél wil, is me geen schuldgevoelens laten aanpraten. Wie weet, komt er een dag dat ik mijn grijs uit laat groeien en me door het leven wil bewegen in een joggingbroek. Dan is dat MIJN beslissing, en dan hoop ik me niks van anderen aan te trekken. Best een fijn vooruitzicht.

Anne Davis

BOEK: Kinderen zijn geen puppy’s

Wat hebben kinderen echt van ons nodig om uit te groeien tot zelfbewuste en zelfstandige volwassenen?

Dit is de centrale vraag die Jürgen Peeters stelt in zijn boek ‘Kinderen zijn geen puppy’s, De kracht van zelfsturing in opvoeding’. Hiermee probeert hij te ontdekken wat kinderen nu eigenlijk werkelijk nodig hebben, niet enkel om te kunnen (over)leven in onze maatschappij, maar ook om deze mee vorm te geven. Want hoe we onze kinderen opvoeden heeft vooral op lange termijn belangrijke effecten.

Geen puppy training

Waarom focussen we onze opvoeding dan zo vaak op korte termijn gedragscontrole? Wat proberen we nu eigenlijk te bereiken wanneer we onze kinderen ‘puppytraining’ geven: hen voortdurend straffen en belonen? Peeters gaat in zijn boek op zoek naar antwoorden deze vragen, maar vooral naar manieren waarop het anders kan.

Het boek is gebaseerd op Peeters zijn eigen ervaringen als vader, leraar en psychotherapeut en ontmoetingen met talloze ouders, opvoeders en uiteraard kinderen. De belangrijkste reden voor het schrijven van dit boek, was dat de auteur zijn ideeën over opvoeding graag tot het bredere publiek wilde brengen. Hij wilde niet enkel inspireren, maar ook doen nadenken en aanzetten tot verandering.

Eigen opvoedingsmethodes

En dit is gelukt. De belangrijkste boodschap die Kinderen zijn geen puppy’s overbrengt is dat “als we straks een nieuwere wereld willen zien, er geen betere plek is om te starten dan de opvoeding van onze kinderen.” Het boek doet dan ook nadenken over de eigen opvoedingsmethodes, maar niet op een verwijtende manier. Peeters wijst dus niet met de vinger en zegt “ik weet alles beter.” Er bestaat dan ook niet één grote waarheid over opvoeden volgens hem.

Daarnaast trekt hij ook meteen in twijfel of je een kind wel perfect kan opvoeden, daar is opvoeden veel te moeilijk voor schrijft de auteur. Hiermee verlicht hij de druk die op de schouders van de ouders rust om het ‘perfect te willen doen’.

Hij maakt zo ook meer ruimte voor de ouder in het opvoedingsproces en diens innerlijke kompas.

Het boek combineert vlot geschreven theoretische hoofdstukken met praktijkvoorbeelden. Deze voorbeelden zijn niet enkel herkenbaar, maar geven het boek ook een realistische en oprechte toon. Ze vormen dus één van de sterktes en dienen als het ware als ‘handvaten’ waar mensen zich aan kunnen vastgrijpen, in combinatie met de theorie.

Een aanrader voor iedere vader en moeder die zich afvraagt hoe opvoeden nu eigenlijk moet.

Bron: acco

Avec le temps…

Als ik ’s avonds
de katten binnen roep
en de doorgedraaide wereld
aan de gesloten deur
achterlaat,
lopen mijn gedachten
de nacht in
op zoek naar
de gemoedsrust
die mij overdag
ontstolen werd
door dadendrang
en prestatiedruk,
harteloze domheid
leugens en bedrog
en de uiterlijke schijn
van het eigenbelang.

Door het kamerraam
zie ik de lichten
van het spoor
en als de katten
dicht tegen mij aan spinnen,
sterft langzaam
die wereld
een zachte dood.

Micheline Baetens – 28.09.2019

Drammen over het klimaat

Drammen over het klimaat: irritant misschien, maar keihard nodig

Ruben Jacobs
Cultuursocioloog

Brainwash – 28.09.2019

Soms denk ik wel eens: zouden mensen mij irritant vinden? Altijd dat fanatieke gepraat en geschrijf over het klimaat en milieu. ‘Heb je hem weer met zijn klimaatgedram’, hoor ik mijn vrienden, familie, kennissen en online netwerk al in mijn hoofd zeggen. Vaak probeer ik me dan ook in te houden. Dat lukt maar zelden. Meestal overheerst de drang om mensen wakker te schudden, te motiveren om in beweging te komen. Het gesprek aan te gaan.

Ik doe dit alles eerlijk gezegd niet omdat ik nu zo ontzettend veel geef om smeltende gletsjers, wegkwijnende koraalriffen, bedreigde of uitstervende diersoorten (begrijp mij niet verkeerd: ik hou van de natuur). Nee, mijn primaire motivator is puur eigen belang. Dat wil zeggen: mijn eigen toekomst, die van mijn zoon, zijn moeder, familie, maatjes, lieve buren en collega’s, enzovoort. Kortom: alle mensen waar ik om geef, ook diegene die ik niet ken maar waar ik mij wel solidair mee voel. Noem het antropocentrisch, maar mijn grootste zwakte is nog steeds de (mede)mens.

‘I would never go to jail to protect animals or plants or wilderness. For me, it’s about the people’, zei de beroemde Amerikaanse milieuactivist Tim DeChristopher ooit als antwoord op de vraag wat hem motiveerde om 22.000 hectare inheems land te redden uit de klauwen van de olie-industrie. Tijdens een ‘openbare’ veiling wist hij de boel flink te verstieren door alles op te kopen zonder een cent op zak. Hij ging er twee jaar de cel voor in. Noem het moedig, noem het gek. Maar zijn statement is mij altijd bijgebleven. Niet alleen omdat ik het sentiment erken, maar vooral omdat het zo indruist tegen het clichébeeld van de misantropische milieuactivist die de barricade opgaat voor moeder natuur, en weinig oog heeft voor zijn soortgenoot. Want dat is een valse tegenstelling; wie strijd voor behoud van een gezond milieu en klimaat, strijd tegelijkertijd ook voor de mens.

Ben ik té radicaal geworden? Of leven we in radicale tijden? Ik dram in ieder geval niet omdat ik wil dat mensen worden zoals ik. Ik dram omdat ik met ze wil samenwerken, wil weten wat ze drijft en waarvoor ze bereid zijn te vechten. Ik dram ook voor mijn vaderland. Dit kikkerlandje dat zo ongelooflijk kwetsbaar is door de toenemende zeespiegelstijging, dat het hoogste aantal kinderen heeft met astma door uitlaatgassen, waar we onderaan alle lijstjes van het behoud van biodiversiteit bungelen, en waarvan de huidige regering nog steeds BV Nederland boven BV Leven plaatst. Ik dram voor de toekomst van mijn land (en daarmee ook van de wereld).

En, ik kan je vertellen: wie begint met drammen ontmoet snel veel mede-drammers. Afgelopen jaren heb ik allerlei inspirerende mensen ontmoet die allemaal op hun eigen manier drammers zijn. Ik heb boeren ontmoet die zich zorgen maken over hun gewassen en zich daarover stevig uitspreken, kunstenaars die hun mede-kunstenaars oproepen om hun artistieke talent in te zetten, goedgeluimde burgers die dorpsgenoten overhalen om ook klimaatneutraal te worden, vaders en moeders die bereid zijn een nachtje de cel in te gaan om daarmee aandacht te vragen voor de dreigende klimaatcatastrofe en bezorgde grootouders die slecht ter been zijn, maar vanachter hun computer geweldig werk doen. En ga zo door. Dat zijn de mensen die mij inspireren, en waar wij als Nederlanders trots op zouden moeten zijn.

‘De wereld heeft nog nooit een bedreiging voor de mensenrechten van deze omvang gezien’, verkondigde VN-commissaris Michelle Bachelet afgelopen week toen ze over de klimaatcrisis sprak. Het benadrukt nog maar eens wat er op het spel staat.

Wat we nu nodig hebben is geen hoop, maar moed. Moed om lawaai te maken, moeilijke gesprekken aan te gaan, prioriteiten te stellen, en ja, inderdaad: te drammen. Want, om in Dylan Thomas’ catharsische woorden te spreken:

‘Do not go gentle into that good night.
Rage, rage against the dying of the light.’

Ruben Jacobs