Vandaag de dag 24.06.2018 (5)

Het wankele evenwicht van het verlangen

Denken is ook een vorm van verlangen.
Verlangen naar inzicht, oplossing, verlossing.
Verlangen is een levensbreed thema.
Verlangen, beheren of willen verschillen op een subtiele manier van elkaar. Het uitkijken naar een verte, een straks, een hoop.
Soms hopeloos, soms wanhopig.
In wezen is elk verlangen een beweging. Etymologisch gaat het terug op ‘lang’ en betekent het langer maken, uitstellen. Zoals in het Engels ‘to long’. Het lijkt te wijzen op een bewuste handeling: het doelgericht verlengen van iets dat tegelijk vaak zo snel mogelijk vervuld wil worden.
We zitten allemaaal op die aloude ‘carrousel’waarop iedereen kijkt naar elkaar, terwijl we op en neer gaan’ en iedereen denkt dat hij anders is. Wie of wat heeft ooit die stuwing aangericht, die carrousel doen draaien, die doolhof in ons aangelegd?
Wie van ons heeft er eigenlijk ooit naar mijn, ons, uw verlangen verlangd? Niets of niemand heeft ooit naar ons bestaan verlangd of uitgekeken, laat staan erop gehoopt.
We zijn van top tot teen, van ziel tot brein, van Romeo tot Julia, ons eigen eenzame verlangen. Het verlangen is chronisch: we hebben het niet, we zijn het. Niets of niemand ontfermt zich daarover. Alleen wij zelf kunnen het beheren en beheersen.
Ons verlangen richt zich meestal op dingen, op materie, op het tastbare maar onderhuids zit steeds het verlangen naar ‘verheffing’.
Onze verlangens uiten of verhullen we op talloos veel manieren. Van het vijgenblad van Eva tot onze miljarden likes op facebook: onze hele leefruimte is onophoudelijk bewoond door objecten die het spectrum van onze verlangens belichamen. Van gezinsfoto’s aan de muur tot de dikke auto voor de deur. Van kruisbeelden tot huisdieren. Gewoon rondkijkend in ons huis kunnen we aan zowat elk ding een verhaal van verlangen verbinden. Het is allemaal te herleiden tot dat ene oerverlangen: geborgenheid.
Een van de meest terugkomende verlangens, ook in de kunsten, is het onbestemde verlangen: melancholie, heimwee, Fernweh,…
Het verlangen als verlangen. Doelloos. Zonder bestemming onderweg.
Er zijn bibliotheken vol over geschreven, de hele kunstgeschiedenis maar ook de populaire cultuur en de hedendaagse media zijn er van doordrongen.
Het ‘Überverlangen’ in ons tijdsgewricht is het verlangen naar geluk. Het is een open wonde. Er draait een hele industrie rond.
Tegelijk is ‘depressie’ in onze tijd, wereldwijd, de belangrijkste doodsoorzaak.
Het verlangen veroorzaakt evenzeer grote verukking als afgrondelijk leed. Evenzeer paniek als verlokking. Het verlangen kan even licht voorbij zweven als loodzwaar zijn.
Het meest constante en complexe verlangen is het verlangen naar de ander. Wij zoeken elkaar voortdurend. Het leidt ons soms naar de hemel en soms naar de hel.
Het uit zich even geestelijk als lichamelijk.
Elke omarming is een moedige of armoedige poging.
Nooit kan je iemand kennen of er mee samenvallen.
In die eeuwige nadering zit ons menselijk onvermogen én onze uiterste samenkomst. Altijd, tussen alles en iedereen gaapt een niemandsland. Wij komen nooit verder dan onszelf, terwijl net wijzelf niets liever zouden willen.
Niet alleen is er de romantische verzuchting naar de wederkerigheid van het verlangen. Wie begeert wil ook begeerd worden. Ben ik meer verlanger dan verlangde?
Het is de weerloosheid die elk verlangen noodzakelijk in zich draagt.
En daar ontstaat een nieuw verlangen: het verlangen naar onszelf, een inwendige doolhof, een innerlijke carrousel, een draaikolk in drijfzand. Een ongewis gebied in niemandsland.
In wankel evenwicht, tegen beter weten in: het Verlangen op zijn scherpst, zoals het ons al miljoenen jaren het liefst ziet bewegen.
Elk verlangen verlangt onvrijwillig ook naar zijn einde.
Ontelbaar veel herinneringen aan onze verlangens hebben we intussen nagelaten. Ze overleven tussen tijd en vergetelheid tot ze ooit onherroepelijk zullen oplossen in de onbewogenheid van de tijd.

Laat dat de ultieme troost zijn voor ons allen.

BERNARD DEWULF
Samenvatting essay ‘Het wankele evenwicht van het verlangen’
Geschreven voor het Kunstenfestival Watou 2018

http://www.kunstenfestivalwatou.be/nl/pagina/221/home.html

Watou! Hoe dikwijls heb ik dat al niet willen zien, maar is mij nog nooit gelukt! Misschien lukt het in augustus als we aan zee zijn.  Ik heb de link doorgestuurd naar de kinderen…

Vandaag de dag 24.06.2018 (4)

Audrey heeft mij gisteren het model en de kleur van haar trouwjurk laten zien. Man ,man, man, wat gaat die mooi zijn! Grote klasse!!!
Voor David hebben ze nog niets gevonden in Gent, dus eerstdaags eens naar Leuven, met of tegen zijn goesting. Hij heeft er wel een beetje een hekel aan, en liefst zou hij trouwen in zijn alledaags plunje. Het zal iets moeten worden dat hem gemakkelijk zit, want anders vrees ik ervoor dat iedereen dat de dag zelf aan zijn gezicht zal zien.
Maar echte mannen houden niet van al die tralala, waar wij vrouwen gek op zijn, al moet het bij mij ook wel in de eerste plaats goed zitten.
Er worden een honderdtal gasten verwacht waaronder een twintigtal kinderen zitten. Het feest gaat door in de twee zalen van Den Tram in Overijse, en er zal voor gezorgd worden dat jong en oud zich niet zullen vervelen. Dus geen stijf feestje maar vooral gezellig en kleurrijk.
https://www.brasseriedentram.be/
Den Tram was het vroege busstation van Overijse dat nu omgevormd is tot brasserie, en als je het centrum van Overijse binnenrijdt het eerste is wat je ziet. Het grote terras zit op elke mooie dag altijd stampvol.
Ik vind het het leukste terras van de Druivenstreek. Je hoort de kikkers kwaken in de vijver, en je zit in het centrum van een dorp, maar toch ook in het groen, en zonder directe last van het verkeer.
Dus op 15 september verhuis ik voor één dag van het treinstation van Hoeilaart, naar het busstation van Overijse, dat nu Den Tram geworden is!

https://www.facebook.com/MrBean/videos/10156224761836469/UzpfSTU0OTA0OTc3MToxMDE1NjUyOTM2MjcwOTc3Mg/
Gelukkig trouwen ze niet voor de kerk!!!

Vandaag de dag 24.06.2018 (3)

“Je moet niets aannemen, behalve als het overeenkomt met je eigen ervaring en conclusies.” (Boeddha)
Daar begin ik dus nog meer en meer overtuigd van te geraken. Een mens leest dezer dagen dingen waarvan hij, in mijn geval zij, denkt: “Potverdorie dan had ik toch al heel de tijd gelijk!” En als het wetenschappers zijn die het zeggen of schrijven, zal het wel juist zijn zeker.
Waarom hebben wij toch al die tijd naar de verkeerde mensen geluisterd? We hadden toch moeten weten dat die allemaal enkel uit eigenbelang dingen zeggen en doen.
Ongehoorzaamheid zou wel eens de nieuwe moraal kunnen worden, als jonge mensen wat meer gaan lezen, kritisch nadenken, en minder volgzaam alle gangbare regeltjes volgen.
In mijn jeugd had je helden, al dan gefantaseerd, zoals Robin Hood, die opkwam voor de armen, Don Quichot die tegen windmolens, en dus tegen het onmogelijke vocht, Tijl Uilenspiegel die iedereen voor de gek hield, en Pallieter die in zijn bloot gat durfde rond te lopen. Zij lapten alle gangbare moraal aan hun laars, en gaven het nooit op!
Personages uit boeken, dat wel, maar je hoopte ook dat ze echt bestonden, en na het lezen van die boeken, was je strijdvaardiger dan ooit om de wereld te veranderen.

https://www.youtube.com/watch?v=g1Gf3LogQB

De schrijvers van die boeken, zouden die ooit ook als kind de wereld willen veranderd hebben? Ik denk het wel, en misschien hebben ze dat ook wel gedaan, niet met hun eigen heldendaden, maar door deze personages in het leven te roepen, in de hoop dat ze hun lezers zouden inspireren.
https://www.youtube.com/watch?v=PV3bDUaEs60
Deden ze dan ook wel, bij mij toch. Misschien niet zo heldhaftig als ik zou gewild hebben, want een paar motten rond je oren, waren al genoeg om te ervaren dat degene die het voor het zeggen hadden nog altijd machtiger waren, dan de helden uit je boeken.
Maar een klap tegen het hoofd, klopt het daarom niet uit je kop, en hoe meer je las, en hoe meer klappen je kreeg, hoe hardnekkiger de strijdlust bleef hangen.
Het geschreven woord is een machtig wapen, en al bij al niet te onderschatten om het vuur van stille waakvlammetjes aan te wakkeren, tot een brand die niet meer te doven valt.
En het vuur brandt nog altijd!

Vandaag de dag 24.06.2018 (2)

Essay Over troost, de pijnstiller
Maak mij niet wijs dat tijd alle wonden heelt

‘Ik kom zoals zovelen bij ons niets tekort. Toch heb ik zowat dagelijks troost nodig.’ Bernard Dewulf gaat op zoek naar de oorsprong van ons menselijkste verlangen. Zowat mijn oudste heldere herinnering aan het woord troost is de naam van een boek. Het heet Over de troost van pessimisme en is een essaybundel van schrijver ­Herman de Coninck.
Ik studeerde nog, was jong en heerlijk zoekend. De titel kwam op tijd. Ik was rijp voor het inzicht: troost is niet iets rozigs in de grijze dagen, troost schuilt in de grijze dagen zelf. En ‘schuilen’ is een goed woord.
Zo min of meer, in mijn herinnering, heb ik toen begrepen wat ik nu wezenlijk nog altijd geloof en ervaar. Die titel heeft me zelfs jarenlang laten verkondigen: troost als een soort vooruitgangsgeloof is een illusie. Maar de jaren brengen hun eigen nuances aan.

Nu, een heel eind leven later, kom ik een boek tegen met als titel De troost van de filosofie van schrijver-filosoof Alain de Botton. Eigenlijk was ik op zoek naar het omgekeerde, een filosofie van de troost, maar men komt niet altijd tegen wat men zoekt. En al zeker niet een filosofie van de troost.
De titel van het boek suggereert dat de filosofie troost kan bieden. Dat zal wel. Alles kan troost bieden. Zelfs, en soms vooral koffie. We zeggen niet zomaar ‘een bakje troost’ voor een kop koffie, hoe zwart die ook is.
Het boek van Alain de Botton was internationaal een groot succes. Blijkbaar zijn veel mensen op zoek naar troost – en als het enigszins filosofisch kan, is dat uiteraard meegenomen. Koffie is ook maar koffie.

Geneest niet

Troost heeft onvermijdelijk van doen met onze dagelijkse, chronische en zeer actuele zoektocht naar geluk. De Botton heeft daar mede het succes van zijn boek aan te danken. Dat beseft hij zelf best.
In een interview wordt hem gevraagd naar zijn definitie van geluk, in samenhang met troost. Daarop antwoordt hij het volgende.
‘Wie genoeg te eten heeft en een dak boven zijn hoofd, is gelukkig. Ik verwacht erg weinig van het leven, maar ik ben een opgewekt man. Mijn leven bestaat voornamelijk uit zelfmisprijzen, angst voor mijn toekomst en voor de toekomst van de mensheid, eenzaamheid en woede omdat de meeste mensen dom en wreed zijn. Maar pessimisme is zoveel geruststellender dan optimisme.’
Mensen die probleemloos eten en een dak boven het hoofd hebben, kunnen blijkbaar rustig denken: pessimisme is zoveel geruststellender dan optimisme
Ik citeer zijn antwoord in extenso omdat ik wil laten zien hoe hij tot zijn besluit komt. De Botton begint bij het primair troostende, eten en een dak boven het hoofd, en komt dan verbazend snel tot zijn intellectuele inzicht: pessimisme is zoveel geruststellender dan optimisme.

Dat lijkt in eerste instantie tegensprekelijk. Eten en een dak boven het hoofd, het zijn verwezenlijkingen van optimisme. Van hoop en ontferming. Het sluit aan bij de bekende uitspraak van de geëngageerde Duitse schrijver Bertolt Brecht, ‘Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral.’ Vrij vertaald: eerst te vreten hebben en dan filosoferen.
Maar in dat filosoferen kunnen mensen die probleemloos eten en een dak boven het denkende hoofd hebben, blijkbaar rustig denken: pessimisme is zoveel geruststellender dan optimisme.
Ik vind dat problematisch en toch weer niet.
Ik kom zelf zoals zovelen bij ons niets tekort, alvast niet inzake eten en onderkomen. Toch heb ik zowat dagelijks troost nodig en, ja, dan onderschrijf ik nog altijd dat even uitgesproken als vage adagium, de ‘troost van pessimisme’.
Pessimisme is gemakkelijker te omschrijven dan troost. Ik blijf troost vaak een wat schimmig begrip vinden, dat te onpas wordt gebruikt voor allerlei doeleinden, tot in de reclame toe. Ik ervaar het dikwijls als een uitgehold passe-partoutwoord. Toch is het verlangen naar troost onmiskenbaar een van onze meest courante verlangens.
Maar wat is nu eigenlijk troost? Zoals wel vaker bij dat soort lastige vragen grijp ik graag naar het woordenboek – voor mij een dagelijkse bron van troost. En schoonheid.
Troost, zo stelt het woordenboek, is ‘dat wat dient om verdrietige omstandigheden draaglijker te maken’. Ook spreekt het boek van ‘verzachting’ bij nood of pijn.
Troost, kortom, is een soort pijnstiller.

Met dat beeld kan ik wel iets. Zoals ik ook hou van het woord pijnstiller. Alsof pijn iets luids is dat gestild moet/kan worden, terwijl pijn vaak in stilte geleden wordt. Maar inderdaad, binnen het lichaam kan pijn verschrikkelijk veel lawaai maken.
Aangezien pijn in tal van gedaanten komt, moet ook troost vele vormen hebben. Pijn kan even concreet als abstract, even aanwijsbaar als onuitlegbaar, even tijdelijk als levenslang, even zichtbaar als onherkenbaar zijn. Voor al die zo uiteenlopende vormen van pijn zoeken wij dus een vorm van troost. Van tandpijn tot heimwee, van acuut liefdesverdriet tot chronisch mal-de-vivre, van dipjes tot depressies, van een moeilijke ochtend tot slapeloze nachten: voor dat alles zoeken wij een verlichting of een ‘stilling’. In de schier eindeloze, geduldige pasvormen van de troost.
Een nuchtere geest, een boekhouder van onze balansen, zou dan kunnen vaststellen: zolang de verhouding tussen de pijn en zijn stiller in evenwicht is, gaan de zaken goed. Maar zo eenvoudig is het niet.
Troost lost niet zomaar het verdriet op, zoals koffie de suiker. Of zoals ook de tijd lang niet ‘alle wonden heelt’. Troost kan dan wel stillen, verlichten of verzachten, verlossen doet hij niet. Hij maakt, in de woorden van het woordenboek, de pijn draaglijk, maar hij geneest niet.

Mythische loser

Vermoedelijk onderschat ik nu de impact van troost. Meer zelfs, hoe langer ik erover nadenk, hoe alomtegenwoordiger troost me voorkomt in onze tijd. Van de tonnen suiker die we dagelijks wereldwijd innemen over onze verknochtheid aan de smartphone tot binge-kijken of -drinken: wat is het allemaal anders dan een behoefte aan troosting?
En dan zwijg ik over de talloze minder opgemerkte maar welig tierende vormen van troosting. In dat verband is ook het woordenboek duidelijk. Het eerste woord dat ik aantref na troost, is ‘troostaankoop’. Dat betekent ‘aanschaf die men doet om zichzelf te troosten’.
En zo zijn er wel meerdere woorden die beginnen met troost. Ik noem er enkele. Troosteten, troostlied, troostprijs, troostrede, troostseks. Allemaal komen ze op hetzelfde neer: we zoeken voortdurend, dag in dag uit, naar genade in al haar beschikbare vormen. Tot in onze boodschappen toe.
Dat leidt me tot een onverbiddelijke vraag. Mag ik uit onze onmiskenbaar grote behoefte aan troosting – of noem het verstrooiing, ontsnapping of zelfs verdwijning – een even grote mate van te verzachten pijn afleiden?
Ik weet het niet. Het is makkelijker om het symptoom troostaankoop te benoemen dan de vele oorzaken ervan vast te stellen. Zoals ik me ook afvroeg bij het trefwoord ‘troostseks’: is niet de meeste seks een vorm van troost, weliswaar in alle denkbare en zelfs ondenkbare variaties?
Is met andere woorden het verschijnsel troost niet een wel zeer rekbaar begrip?
Om het even, als pars pro toto, bij de troostseks te houden, van het ene uiteinde tot een ander. Enerzijds: is onze oeroude drang naar voortplanting dan niet een soort troostprijs voor onze onafwendbare verdwijning? Anderzijds: hoeveel eenzamen vinden elkaar niet heel even in de schijnbaar saamhorige gloed van hun verlangende lichamen?
De spreidstand van troost in al zijn verschijningsvormen is breed, zeer breed. Dat is hij altijd al geweest en vandaag lijkt hij me breder dan ooit. Maar zoals de meesten onder ons ben ik ook maar een bijziende in het spiegelpaleis van mijn eigen tijd.
Van de tonnen suiker die we dagelijks wereldwijd innemen over onze verknochtheid aan de smartphone tot binge-kijken of -drinken: wat is het allemaal anders dan een behoefte aan troosting?

En zo tobbend over ons verlangen naar troost, er niet uitkomend en er dan maar omheen cirkelend, schoot me een beproefde methode te binnen: keer het probleem om, zoals kruis en munt.
Wat is de tegenkant van troost? Dat lijkt eenvoudig: troosteloos. Of troosteloosheid.
Er is ‘troostrijk’ en er is ‘troosteloos’. Maar er is ook ‘ontroostbaar’, dat is nog iets anders. Een straat kan er in regen troosteloos bij liggen. Een kind kan ontroostbaar zijn omdat zijn knuffel zoek is. Maar de straat is uiteraard niet ontroostbaar en het kind hoeft er niet troosteloos uit te zien.
Anders gezegd, troost vertoont veel schakeringen. Zijn muntzijde geeft hoop en een verlichting, zijn kruiszijde is somber of heeft geen pasklaar antwoord op de vraag van de pijn.

Toch kon ik iets aanvangen met dat woordenpaar ‘troosteloos’ en ‘ontroostbaar’. Een van de meest notoir troosteloze figuren in het collectieve geheugen is Sisyphus. Die rolt zoals bekend eindeloos een rotsblok een berg op en af omdat hij gestraft is door de goden.
Niettemin is die Sisyphus niet ‘ontroostbaar’, hoe troosteloos zijn bestaan ook lijkt. Sisyphus immers haalt zijn kracht, zijn hoop of hoe we het ook willen noemen uit zijn uitzichtloze, hopeloze situatie.
Zo althans, min of meer, heeft schrijver en filosoof Albert Camus in de vorige eeuw, in de tijden van het zogenoemde existentialisme, deze mythische loser een nieuwe betekenis gegeven.

En zo, in een boog om het onderwerp heen, kom ik weer uit bij ‘de troost van pessimisme’. En vervolgens de gedachte dat ‘pessimisme geruststellender is dan optimisme’.
Ik geloof in dat geruststellende van het pessimisme. Van optimisme word ik vaak onrustig en ongelovig, in pessimisme geloof ik.
Troost moet, met andere woorden, geloofwaardig zijn. Wie mij weer eens wijs wil maken dat ‘tijd alle wonden heelt’ of ‘het allemaal wel goed komt’, geloof ik allang niet meer.
Het meest geloofwaardig, in zekere zin, zijn de feiten. Van de feiten gaat voor mij vaak een simpele troost uit. Laat ik in dat licht nog eens Herman de Conink citeren, in zijn essaybundel Intimiteit onder de melkweg. Naar aanleiding van een gedicht noteert hij daarin de volgende zinnen: ‘Troost bestaat alleen in het onder ogen zien van de werkelijkheid, en die komt erop neer dat je geleidelijk aan alles ziet sterven. Maar je kunt proberen erbij te zijn en het te blijven zien. Als je wegkijkt heb je zelfs dat zien niet gehad.’
Met die zinnen kan ik iets. Met het letterlijke kijken en zien en met het al figuurlijker ‘onder ogen zien’ als vormen van troost.

Mind the gap

Terugkijkend op de jaren en de diverse verschijningen van troost ontwaar ik een constante: het kijken, het toezien, het onder ogen zien.
Natuurlijk zijn er, zoals gezegd, eindeloos veel vormen van troosting, maar weinig kan zoveel genade inhouden als de aanwezigheid van de dingen.
De dingen zijn vanzelf geloofwaardig, ze hoeven daar niets voor te doen. Hun tastbaarheid die onaantastbaar lijkt, hun schijnbaar heldere, eeuwige stoffelijkheid, hun standvastigheid in onze dagelijkse ruimten en ja, hun onverschilligheid.
Daar kijk ik graag naar.
Dat kan misschien vreemd lijken als bron van troost. Toch helpt het. Voor mij komen ze in de dingen samen: de troost van pessimisme en de onverschilligheid van de werkelijkheid. Als in een neutraal gebied. Een transitzone. Een niemandsland.

Natuurlijk bestaat daarnaast een heel ander ‘troostgebied’. Dat geenszins neutraal is maar integendeel alles in het werk lijkt te stellen om ons te troosten. Het is een ontzaglijk breed gebied: van religie tot alcohol, van schoonheid tot seks, van liefde tot eten, van vriendschap tot al de eindeloze ‘kleine dingen des levens’. Van nieuw geboren leven tot mogelijk levend gezelschap in het heelal. Enzovoort enzovoort.
Mag ik uit onze onmiskenbaar grote behoefte aan troosting – of noem het verstrooiing, ontsnapping of zelfs verdwijning – een even grote mate van te verzachten pijn afleiden?
Er zijn zo oneindig veel manieren van troosting beschikbaar, voor elk wat wils, dat een logische vraag rijst: hoe kan het dan nog dat – om slechts dat voorbeeld te geven – depressie tiert als nooit voorheen en nu zelfs wereldwijd ‘de hoofdoorzaak van invaliditeit’ is volgens de Wereldgezondheidsorganisatie?
Faalt dat uitgebreide arsenaal aan troostmiddelen dan zo verschrikkelijk?
Ik heb geen antwoord. Maar iets is me wel duidelijk: ergens gaapt er een bres tussen troost en pijn. Die is niet van vandaag en ze zal er morgen ook nog zijn.
Albert Camus formuleerde de kwestie in zijn Mythe van Sisyphus vrij duidelijk. Hij spreekt er op een gegeven ogenblik van ‘dat huwelijk van de geest die verlangt en de wereld die teleurstelt’. Dat is een scherpe tegenstelling, die ik graag badinerend samenvat als ‘Mind the gap’.

De geest die verlangt en de wereld die teleurstelt, het is geen optimistische vaststelling. Het is integendeel een aloude en universele, even nuchtere als onvermijdelijk pessimistische observatie: wij en de wereld zijn verbonden door een kloof.
Schijnbaar valt daar weinig hoop of troost uit te halen, en toch.

‘En toch.’ Die volta, die ogenschijnlijk terloopse bijgedachte na de laatste komma, doet denken aan het bekende citaat, het slot uit The Unnamable van Samuel Beckett, waarin het personage besluit: ‘I can’t go on. I’ll go on.’
Vrij vertaald luidt dat: ‘Ik kan niet verder. Ik ga verder.’ En ook met die twee laconieke zinnen kan ik iets. Ze geven me hoop.
Schijnbaar gaapt tussen die twee zinnen een troosteloze, hopeloze leegte: men kan toch niet tegelijk niet en wel doorgaan? Waar beweegt men zich dan nog?
Maar Beckett lost het eenvoudig op, met twee glasheldere hoofdzinnen die elkaar evenzeer uitsluiten als omarmen. Over de punt heen die ze van elkaar scheidt. En met elkaar verbindt.
Ik lijk me nu te verschuilen achter formaliteit, zelfs achter zinsbouw – alsof de nevenschikking van twee zinnen, hoe beroemd ze ook zijn, troost kan bieden. Toch geloof ik erin, en is het mijn ervaring: dat ik troost kan vinden in vorm, ritueel, herhaling, formulering, bezwering.
Het is niet de instanttroost van een kop koffie, of tutti quanti, al erken ik zonder meer de onschatbare troosting daarvan in de acute ontredderingen die de dagen kunnen veroorzaken.
Het gaat me veeleer om een chronische troost. En die noem ik liever ‘genade’. Ik besef dat dat een enigszins beladen term is, die we al snel verbinden met vooral het christelijk geloof: de genade Gods.
Of het Weesgegroet. Voor ‘Maria, vol van genade’.
Daar trek ik me, met respect, weinig van aan. Ik geloof niet dat iets – een God of een alziend oog – zich over ons ontfermt. We zijn, om het wat pathetisch te zeggen, moederziel alleen. Zowel in het heelal, in onze kamers als in ons lichaam.
En daar is het dus hopen op een profane, menselijke genade – zeg maar troost in een wat duurzamer vorm. Bovenop de korte termijn van Valentijn ook de langere termijn van de ontferming.

Ik ben me ervan bewust dat ik nu nogal wat grote woorden inroep. Om dat schijnbaar simpele woord ‘troost’ te omzwermen.
De geest die verlangt en de wereld die teleurstelt, het is geen optimistische vaststelling. Het is zelfs een aloude, onvermijdelijk pessimistische observatie: wij en de wereld zijn verbonden door een kloof
Dan beroep ik me alweer graag op het woordenboek, de bijbel van mijn taal.
Genade betekent, na de vanzelfsprekende godsdienstige duidingen: ‘barmhartigheid in het algemeen’. Barmhartig betekent dan weer ‘mededogen hebbend’. En mededogen betekent ten slotte opnieuw ‘barmhartigheid’. En zo zijn we rond. Onder de woorden.
Laat ik het dus maar bij die ‘barmhartigheid in het algemeen’ houden. In barmhartig zit ‘arm’ en ‘erbarmen’ en ‘hart’. En etymologisch schuilt er ook ‘ontferming’ in. Dat is al heel wat.
En aangezien ik, nogmaals, niet kan denken dat iets hogers of iets onkenbaars zich over ons ontfermt, is die ontferming onder ons voor mij het enige houvast.
We moeten ons troosten onder ons. En onder ons én de dingen en de wereld. Daar ga ik voorlopig van uit, in al mijn voorlopigheid. Tot nader order zal Niets of Niemand anders het voor ons doen.

En ja – nog eens Camus indachtig, die ons chronisch ziet verlangen en tegelijk de wereld ons bestendig ziet teleurstellen –, dit alles kan toeschijnen als onvermijdelijk, zelfs fataal pessimisme. Tussen iedereen en alles immers gaapt het gat. ‘Mind the gap.’ Daar is geen ontkomen aan. Nooit zullen wij samenvallen.
Precies in die scheiding schuilt de hoop. Troost gloeit dan op in de toenadering, de nadering en het uitzicht op verbinding.
Of om het, tot slot, nog eens met het woordenboek te zeggen, ergens tussen troostaankoop en troostseks: alle troost is een troostprijs.

Deze tekst schreef Bernard Dewulf voor Kunstenfestival Watou, vanaf 30 juni tot 2 september, www.kunstenfestivalwatou.be

De Standaard – 23.06.2018
https://nl.wikipedia.org/wiki/Bernard_Dewulf

De troost van de filosofie van Alain de Botton heb ik gelezen en herlezen. Het boek zelf is een troost!
Ik heb trouwens, denk ik, alle boeken van de Botton gelezen. Ze zijn heel toegankelijk geschreven en voor wie net als ik nooit eerder met filosofie in aanraking kwam, waren ze een openbaring.
Door zijn boeken hebben ik dan ook de andere filosofen leren kennen, de oude en de nieuwe, en wat ik zo heerlijk vind aan filosofen is dat ze praten zonder prediken, ze doen ons vooral nadenken, en vooral ook veel twijfelen, waardoor we blijven nadenken.
Daarom vind ik dit essay, van de dichter Bernard Dewulf ook zo goed. Hij verkondigt niet, hij zoekt. En zoeken doen we allemaal: naar wat troost, naar wat genegenheid, naar wat schoonheid, naar zoals hij zegt, naar een troostprijs om de kloof te dichten tussen wat we willen en tussen wat we uiteindelijk (maar) krijgen.

Vandaag de dag 24.06.2018

Ik ben mijn bril gaan kiezen, en de operatie heeft een uurtje geduurd, maar zo’n duur project moet je niet op één twee drie afhandelen. Nu op 2 juli nog eventjes naar de oogarts om een schampere 50 euro te kunnen recupereren op en een zo dure aankoop, die mij een betere kijk (!) op de wereld moet geven.
Neen, het is geen roze geworden, het is zelfs een grijze geworden, en David heeft mee helpen kiezen. Het is een Lindberg, en ik heb er ook maar meteen een bescherming tegen zonlicht bij genomen.
Ik heb wel gekozen voor een tijdloos model, en hij moet ook eventjes passen bij mijn outfit voor de trouw.
Eerst dacht ik voor paars te gaan, mijn lievelingskleur, maar toch niet, zou ik vlug op uitgekeken zijn (!). Dan heb ik er een aantal andere gepast, tot ik zelf eens goed rondgekeken heb (!) en die grijze aanwees. Ja hoor, die werd het, mijn eigenzinnigheid heeft het weer gehaald van andermans keuze.
Kiezen is moeilijk, maar voor een bril moet je gelukkig niet in zo’n eng pashokje, en de spiegel waar je inkijkt, toont ook niet waar je te dik of te dun bent, en je gelaat kan je veel gemakkelijker in de juiste plooi trekken, dan de rest van je lijf. Een glimlach en de zaak is opgelost! Dus enkel de ene bril opzetten en de andere weer af.
Ging dat figuurlijk en in het dagelijkse leven ook maar zo gemakkelijk: de sombere, de strenge, de harde,… wisselen voor de zonnige, de tolerante, de zachte…
Wie weet, binnenkort misschien…

Geliefden

Geliefden
voor het leven,
jij tot honderd,
en ik tot honderdenzeven.

Maar blijkbaar
zoals Elsschot
het al formuleerde,
“staan tussen droom en daad
wetten in de weg
en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid,
die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt,
wanneer men slapen gaat.”

Micheline Baetens – 23.06.2018

Vandaag de dag 23.06.2018 (3)

‘Het monogame huwelijk is vooral een ijzersterk businessmodel’

Is de mens van nature bedraad om monogaam door het leven te gaan? Het valt te bezien hoe je monogamie definieert. Er is maar één ding waar de mens van nature voor gemaakt is, en dat is de voortplanting. ‘Het liefdeshuwelijk, met zijn eis tot seksuele trouw, is een recente uitvinding.’

De teelballen van een mensenman zijn groter dan die van een gorilla. Die uitrusting heeft de mensenman nodig om veel en snel zaad aan te maken. En dat heeft hij dan weer nodig om het zaad van andere mannetjes te snel af te zijn. Hoezo, andere mannetjes? Is die mensenvrouw dan niet gemaakt voor monogamie?

‘Nee, dat is ze niet’, legt evolutie- en gedragsbioloog Mark Nelissen uit. ‘De mens is een sociaal monogame diersoort, maar seksueel zijn we wat minder monogaam. Zowel mannen als vrouwen hebben baat bij overspel. Het is niet omdat we zo’n twee miljoen jaar geleden in paren gaan leven zijn, dat we alleen nog seks wilden met onze vaste partner. We zijn maar voor één ding voorgeprogrammeerd en dat is om ons voort te planten. Een man die een vast vrouwtje heeft, maar ook de buurvrouw bevrucht, scoort twee keer. En het is de buurman die het extra stel genen opvoedt, dus het is nog efficiënter ook. Een vrouw blijft op zoek naar goede genen. De officieuze sekspartner kan sterker zijn, of sneller, of slimmer.’

Dik hoofd

Dat de lossere verbanden waarin onze verre voorouders leefden, gaandeweg vervangen zijn door een samenleving waarin het koppel de basiseenheid is (althans, in onze contreien), is de schuld van onze kinderen. Die kregen in de loop van de evolutie almaar grotere hersenen en een dikker hoofd. Waardoor onze kinderen nu standaard prematuur geboren worden. ‘Een zwangerschap van elf of twaalf maanden zou beter zijn voor onze baby’s,’ zegt Nelissen, ‘maar het is technisch onmogelijk geworden voor vrouwen om van zo’n grote baby te bevallen. En omdat baby’s extra kwetsbaar geworden waren, en het langer en langer duurde voor ze op eigen benen konden staan, gingen mannen en vrouwen als koppel voor hen zorgen.’

Is dat geen toeval, had het niet even goed de groep kunnen zijn die de zorg voor de kinderen op zich nam?
‘Hier heeft allicht seksuele selectie een rol gespeeld’, zegt Nelissen. ‘Waarschijnlijk hadden de kinderen van zorgzame, monogame mannen een grotere overlevingskans dan de kinderen die in groepsverband opgroeiden. Louter omdat die mannen meer investeerden omdat ze zekerder konden zijn dat het om hun eigen genenpakket ging. Daardoor zouden de vrouwtjes een voorkeur voor monogame mannen ontwikkeld kunnen hebben, en evolutionair doorgegeven, waardoor we een (sociaal) monogame soort geworden zijn.’

Mannen zijn als muizen

‘Overspel is de ­efficiëntste uitweg uit de dwingende monogamie’
Jan Van Bavel
Socioloog

Het monogame ideaal zoals we dat nu in het Westen kennen, wijkt op twee belangrijke punten af van die sociale monogamie uit de oertijd. We vormen paren met de bedoeling dat levenslang te blijven, en alleen nog met elkaar seks te hebben. ‘Die keuze, voor een doorgedreven vorm van monogamie, hebben we als cultuur gemaakt’, zegt Mark Nelissen. ‘Wij hebben een deel van onze natuur – de hang naar veiligheid, die zich uit in monogaam samenleven – verankerd in het instituut huwelijk. Over het promiscue deel van onze natuur hebben we een sluier van moraal en hypocrisie gelegd.’

Dat seksuele exclusiviteit ingaat tegen onze biologische natuur, betekent niet dat doorgedreven monogamie een onhaalbare kaart is. ‘Er zijn veel mensen die goed monogaam kunnen zijn. Het is vooral moeilijk voor mensen voor wie seks belangrijk is.

Er zijn stellen genoeg die het met elkaar uitzingen zonder vreemd te gaan, en een minderheid van de stellen blijft tot op hoge leeftijd erg seksueel actief’, zegt Erick Janssen, hoogleraar seksuologie aan de KU Leuven. De komende jaren hopen Janssen en zijn collega’s te achterhalen wat maakt dat koppels al dan niet samenblijven; daarvoor gaat hij meer dan honderd jong gevormde koppels jarenlang volgen. Zijn team zal ze geregeld ondervragen, en registreren wat hun oxytocineniveau is. Oxytocine is een stof in de hersenen die ervoor zorgt dat mensen zich aan elkaar hechten.

Hoe graag we ook geloven dat liefde, loyaliteit, respect en doorzettingsvermogen het cement van onze relaties zijn, de rol van hersenstoffen zoals oxytocine en vasopressine blijkt niet min. Het grote verschil tussen de seksueel monogame prairiewoelmuis en de seksueel niet-monogame bergwoelmuis is een in de genen bepaald verschil in gevoeligheid voor vasopressine en oxytocine. Paart de prairiewoelmuis, dan zorgen de hersenstoffen ervoor dat de sekspartners een onuitwisbare indruk van de ander opslaan, waardoor ze later opnieuw met dezelfde muis willen paren. Worden de receptoren genetisch geblokkeerd, dan gaat de prairiewoelmuis voor verschillende partners, net zoals de bergwoelmuis.

‘Over het promiscue deel van onze natuur hebben we een sluier van moraal en hypocrisie gelegd’ Mark Nelissen – Evolutie- en gedragsbioloog

Mannen blijken net als muizen. Hoe meer variaties op het gen dat de ontvankelijkheid voor de hechtingsstof regelt, hoe minder kans op een stabiele relatie, en hoe meer kans op vreemdgaan. De ene mens is dus biologisch beter toegerust op monogamie dan de andere. Dat zag Erick Janssen ook terug in het onderzoek dat hij deed naar de redenen voor overspel. ‘Een man die vreemdgaat, is niet per se ongelukkig over zijn relatie of seksleven. De enige voorspellende factoren die we vonden, is hoe makkelijk een man opgewonden raakt én hoe weinig remmingen hij kent. Bij vrouwen die vreemdgaan, zien we vaak wel een verband met de relatiekwaliteit.’

Dat we seksuele trouw zo hoog in het vaandel gaan dragen zijn, heeft weinig van doen met hooggestemde idealen. ‘Historisch is monogamie erg verbonden met de economische functie van het huwelijk’, zegt socioloog Jan Van Bavel van de KU Leuven. ‘Hoe belangrijker eigendom in de samenleving werd, hoe crucialer het werd dat de man wist dat zijn kinderen effectief van hem waren. En dat is alleen gegarandeerd als het vrouwtje seksueel trouw is. Het huwelijk is een zakelijk contract. Niemand keek ervan op dat mensen verliefd werden op iemand anders dan hun man of vrouw.’

De ware Jakob

Sluipenderwijs ontstond het idee dat je huwelijkspartner niet alleen een zakenpartner maar een partner voor alle domeinen van het leven moest zijn. ‘Daar heeft de kerk een subtiele rol in gespeeld’, zegt Van Bavel. ‘In de zestiende eeuw werd aan de huwelijksgelofte de vraag toegevoegd of de partners uit vrije wil gekomen waren. Dat idee, dat je moest kiezen voor je partner, kreeg ruimte in de samenleving omdat overgeërfde rijkdom minder belangrijk werd. Meer en meer mensen haalden een degelijk inkomen uit arbeid, uit kennis, uit vaardigheden. De romantiek heeft daar in de negentiende eeuw op ingepikt. En zo groeide het idee van de ware Jakob. Nu zitten we met de gevolgen. Het romantische ideaal heeft ons met torenhoge verwachtingen opgezadeld. Het huwelijk is nog altijd in de eerste plaats een contract dat zijn nut bewijst op het moment dat het misgaat, om uit te sorteren wat je samen opgebouwd hebt. Daarom blijven hoogopgeleiden vaker bij elkaar dan mensen die het minder goed hebben. Ze hebben te veel te verliezen qua levensstandaard. Het monogame huwelijk is vooral een ijzersterk businessmodel.’

Het besef dat het romantische ideaal wel erg hoog gegrepen is, is ons idee van de langetermijnrelatie volop aan het transformeren. Terwijl scheiden in de jaren vijftig nog een absolute schande was, is seriële monogamie nu een realiteit. ‘Mijn indruk is dat twintigers een realistischer beeld hebben van het huwelijk’, zegt Van Bavel. In welke mate dat betekent dat ook alternatieve relatievormen zoals de open relatie of polyamorie (het hebben van meerdere geliefden, in alle openheid) veld winnen, kan Van Bavel niet zeggen. ‘Statistieken daarover hebben we niet, maar als zo’n model al ingang zou vinden, zal het toch altijd voor een minderheid zijn. Natuurlijk zijn er meerdere mensen met wie je een relatie kan beginnen. Maar hoe combineer je meerdere liefdes met het runnen van een huishouden? Dan lijkt overspel me toch een stuk efficiënter.’

Buiten het huwelijk

‘Misschien kan het ook anders’, denkt Erick Janssen. ‘De Amerikaanse radiopresentator Dan Savage drijft al jaren de spot met de hypocrisie die gemoeid is met de monogamie bij hetero’s. Hij is homo en getrouwd, en noemt zijn relatie monogamish, monogaamachtig. Onder homoseksuelen is meer bespreekbaar. Als het gaat over openheid en eerlijkheid, zouden veel heterokoppels een voorbeeld aan hen kunnen nemen.’

‘Natuurlijk zijn er andere samenlevingsvormen die net zo goed functioneren als de westerse monogame vorm’, zegt Steven Van Wolputte, antropoloog aan de KU Leuven. Van Wolputte doet al jaren veldwerk in Noordwest-Namibië. Het huwelijk is er een overeenkomst tussen twee families. Materiële goederen, zoals vee, worden overgeërfd langs de moederlijke lijn, sociale status en politieke macht aan vaderlijke kant. Wie de biologische vader is, maakt niet uit – je vader is de man met wie je moeder getrouwd is. Liefde en seks beleven mannen en vrouwen buiten dat huwelijk, niet in losse contacten, wel in langdurige, liefdevolle relaties waarin spelen – plagen, flirten, elkaar aan het lachen maken – essentieel is.

‘De vrouwen die ik daar de voorbije decennia gesproken heb, waren zeer gelukkig. Het monogame huwelijk, dat de kerk daar ook heeft proberen in te voeren, zien zij als een inperking van hun seksuele vrijheid. Het is niet de samenlevingsvorm die maakt dat mensen al dan niet gelukkig zijn. Je kunt in een monogaam huwelijk even gelukkig of ongelukkig zijn als in een polygaam verband. Dat wij monogamie als de natuurlijke vorm van de mensensoort bestempelen, is alleen maar omdat we het zo gewoon zijn. Cultuur is wat je als natuur gaat aannemen, omdat het zo vanzelfsprekend is dat je geen andere optie ziet.’

De Standaard – 23.06.2018
Van onze correspondente monogamie Eva Berghmans
Illustratie Jeroen MurréIk heb hier niets meer aan toe te voegen, enkel dat ik al zo een sterk vermoeden dat, dat dit allemaal juist is, en dat wij gemanipuleerd werden en worden om onze natuurlijke behoeften te verloochenen. Kijk rondom u, en de bewijzen vliegen je om de oren. Hopelijk zijn onze kinderen en kleinkinderen “helderziender”  en minder manipuleerbaar dan wij, en kunnen zij liefdevol en in vrede samenleven zonder daardoor gedwongen te worden. Ik wens het hen van harte!

 

Vandaag de dag 23.06.2018 (2)

Inderdaad, met hart en ziel hou ik van jou!

En toch wat is die ziel? Het hart kunnen we zien en voelen kloppen, zelfs tot in onze keel. Maar de ziel, waar ligt hij. In de ogen die naar je kijken, in de taal die we spreken, in de gebaren die we maken,…?
In het hoofd, in onze verbeelding, onze gedachten? In ons karakter, in onze wil tot goed of slecht doen?
Of ligt hij in onze ervaringen, het leven dat we doorgemaakt hebben?
Dus in alles wat van een persoon de mens maakt die we zijn, en eigenlijk is die ziel heel wat voornamer dat dat hart dat alleen maar klopt om ons in leven te houden, en het ritme aanpast naar wat onze ziel nodig heeft.

Dus met hart en ziel hou ik van jou, maar dan vooral met ziel!

De ziel

De ziel is in diepste wezen zielig. Op ieders lip slaagt zij
er maar niet in substantie te verwerven.
Begrensd door ene begrip dat loos is, zonder materie
is zij niet meer dan het woord dat haar benoemt
zielsveel, met hart en ziel, zieltogend: niets dan taal.

Daarom raakt dit gedicht aan niets en
slaat bij iedere regel de plank steeds verder mis.
Toch wil ik haar niet missen: meer dan
de som der delen waaruit zij bestaat
verspreid in de oplichtende banen van het brein.

Op de monitor van de intensive care
zien wij haar ten slotte wegvluchten in een punt.
Wat achterblijft: het zielloos lichaam
en de zekerheid dat iets verdwenen is
dat niet bestaan kon maar er toch was.

J.Bernlef – dichter

Vandaag de dag 23.06.2018

Soms heb ik het vermoeden dat de meeste liefdesrelaties rampzalig zijn!
Kunnen we niet beter vrienden blijven, of tenminste in de eerste plaats vrienden zijn?! Want als dat niet zo is, als mensen in een relatie geen intieme vrienden zijn, gaat al de rest ook mis.
Je hoort vaak zeggen, als de seks goed is, zal al de rest ook wel in orde zijn, maar ik denk eerder, als de geesten klikken, zal de seks ook wel goed komen.
Houden van is niet moeilijk. Iemand geeft je aandacht, verwent je, zet je op een verhoogje, en je bent geneigd die persoon op zijn minst leuk te vinden, en je kan er zelfs tot over je oren verliefd  op worden.
Maar een zielsverwant, iemand die je begrijpt en jij hem of haar, een persoon die van dezelfde dingen houdt of niet houdt dan jij, die voelt wat jij voelt, die lacht om wat jij lacht, die weent om wat jij weent,… dat is pas een zeer goede basis voor een langdurige liefdesrelaties, waarbij dus ook de seks en passie overeind blijven.
Iemand ook die je de vrijheid geeft, om het oneens met elkaar te zijn, zonder je  verstoten te voelen, iemand die je steunt om nieuwe horizonten op te zoeken, je dingen alleen laat uitproberen, je de kans geeft om te falen, boos ook op je is wanneer je jezelf naar beneden haalt, en trots op je omdat je zo zelfstandig en onafhankelijk bent. En dat allemaal natuurlijk wederzijds.
Vriendschap in de liefde, je ziet het niet vaak, denk ik. Geliefden die met elkaar praten, en geboeid naar elkaar luisteren. Kijk maar eens rond jou in een restaurant of café…
Is dat het leven met zijn problemen, dat zijn tol eist? Of de gewenning, de verveling, de drukte, de kinderen, het werk, de afleiding, de leeftijd,… En is daar dan niets aan te doen?
Is wel jammer, en als ik ooit nog een relatie heb, ga ik er wel alles, maar dan ook alles aan doen, om dat te voorkomen.