De stille wildernis

Toevallig keek ik gisteren naar de documentaire “De stille wildernis”, een Belgische documentaire (2016) van Mathijs Vleugels over de verdwijningszaak van Tim, die in 2001 spoorloos verdween in de Hongaarse wildernis.

Tim werd in 1975 in het Zuid-Koreaanse Seoel geboren en als baby geadopteerd door een Belgisch gezin. Ondanks aanpassingsproblemen leek de jongen zich goed te ontwikkelen. Maar als 26-jarige psychologiestudent pakte Tim op een dag zijn rugzak en ging zonder paspoort op reis in de bossen van Hongarije. Hij verdween spoorloos en liet zijn ouders in wanhoop en onzekerheid achter.

Stille wildernis

In 2003 verandert het leven van Aimé en Yvonne voorgoed. Hun geadopteerde zoon Tim is spoorloos verdwenen in de Hongaarse wildernis. Zijn ouders stellen zich al jarenlang eindeloos veel vragen. Wat is er gebeurd? Waar is hij? De knagende onwetendheid creëert een leegte die zich blijft voeden door onzekerheid. Tijdens de finale poging van de politie om de zaak op te lossen, lijkt aan de onverdraagzame stilte in het leven van de ouders stilaan een einde te komen. Kan deze laatste poging van de politie nog licht werpen op deze donkere zaak?

Commentaar:

Regisseur Mathijs Vleugels weet een intiem beeld te schetsen van de vermiste jongen door filmmateriaal van Tims kinderjaren te gebruiken en creëert hierdoor een intiem en nostalgisch gevoel dat het zware onderwerp verlicht. Het verhaal wordt versterkt door zwart-wit animatiebeelden die Tims emotionele wereld voorstellen. Vleugels –die ook docu-reeksen voor Canvas heeft gemaakt -geeft een sterke visuele vertaling van de zware gevoelens die al jarenlang de levens van Aimé en Yvonne beheersen.

https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/de-stille-wildernis/2016/de-stille-wildernis-s2016/


https://www.facebook.com/pg/silentwildernessfilm/community/?ref=page_internal

Ik heb deze ouders, en dan vooral Yvonne, gedurende een jaar (2002?) begeleid als vrijwilliger bij Slachtofferhulp.

Deze documentaire heeft mij natuurlijk aangegrepen, vooral omdat Tim nog altijd niet is teruggevonden en zijn verdwijning het leven van zijn ouders blijft beheersen.

Hopelijk komen er toch nog ooit antwoorden…

Alle lijden

Natuurlijk
kunnen we niet
alle lijden
begrijpen,
dat zou nogal
hoogmoedig zijn.

Dus zwijg
en luister.

Micheline Baetens – 27.01.2020

Doe eens normaal!

Door in de krant het euthanasieproces te volgen dat zo stilaan gans België beroert, en over de verschillende diagnoses las, die gegeven werden en worden als oorzaak van het psychisch lijden van de overledene, maakte ik de volgende bedenking.

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200123_04818232?utm_source=facebook&utm_medium=social&utm_term=dso&utm_content=article&utm_campaign=seeding&fbclid=IwAR09I6CSzhvMheXimM9ccSTjfD520jANtSDSy6KUPnfTYF9Pe8bVtVwy1Ss

Zou ik nu een oude schoolfoto bekijken, zou men op elk kind een etiketje kunnen plakken. En het zou niet ‘bezige bij’ zijn zoals men mij in school noemde, maar ADHH, Autisme, Borderline…

Toen men vroeger zei “doe eens normaal”, wou dat zeggen “overdrijf niet zo”, nu zou men daar direct een persoonlijkheidsstoornis aan koppelen.

Ieder mens wordt geboren met bepaalde karaktertrekken, temperament en talent, en bij ieder van ons primeert het ene boven het andere. Als de psychiater mij bij een eerste bezoek ‘een hevige’ noemde dan ben ik dat ook, maar gelukkig heeft hij nooit het woord ‘borderline’ in de mond genomen, want dat zou afbreuk hebben gedaan aan mijn persoonlijkheid en het positieve dat dat hevige ook inhoudt.

https://www.knack.be/nieuws/gezondheid/paul-verhaeghe-hoogleraar-psychologie-we-kweken-psychiatrische-patienten-bij-de-vleet/article-longread-1536455.html

Om van elk kind, elke mens een zieke te maken, een onevenwichtige, een gestoorde, heb je niet veel woorden nodig, je hoeft er enkel maar een etiketje op plakken!

Gelukkig heb ik het boek ‘Over normaliteit en andere afwijkingen’ van Paul Verhaeghe gelezen en hoef ik mij dus geen zorgen te maken of ik al dan niet normaal ben.

Overdrijven, ja dat doe ik regelmatig, en teveel nadenken en meeleven ook, maar blijkbaar is daarin de gulden middenweg in vinden, door volwassen te worden, en ouder en wijzer…

Over normaliteit en andere afwijkingen

Hoogleraar psychologie Paul Verhaeghe herlas Michel Foucaults Geschiedenis van de waanzin en trekt conclusies over de huidige psychiatrie én psychotherapie. Hij schreef er een essay over. Knack mag u enkele fragmenten aanbieden.

Geschiedenis van de waanzin blijft een meesterwerk, omdat het een aantal illusies doorprikt. Bijvoorbeeld dat mensen met psychiatrische moeilijkheden vanaf de Verlichting ‘bevrijd’ werden. Nee hoor. Dat psychiatrische stoornissen altijd en overal dezelfde zijn. Klopt ook niet. Dat een psychiater of therapeut een ‘scientist-practitioner’ is die op grond van ‘evidence-based’ onderbouwde methodes hulp biedt. Vergeet het. Last but not least: dat er een steeds meer wetenschappelijk onderbouwde diagnostiek is ontstaan, met als bekroning de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders.
In plaats daarvan leert de lectuur van Foucault dat waanzin vanaf de Verlichting in een moreel keurslijf werd geduwd, met schuldgevoel bij de patiënt tot gevolg; met behandelingen die hetzij bestraffend hetzij belonend wilden zijn (en tegenwoordig vooral belerend). Dat elke maatschappij haar eigen afwijkingen niet alleen definieert maar ook veroorzaakt. Dat de werkzaamheid van hulpverlening in eerste instantie op een morele beïnvloeding berust. Ten slotte kan ik op basis van Foucault stellen dat de DSM-diagnostiek de belangrijkste afwijking van onze tijd niet vermeldt: de ons opgelegde normaliteit.

Waanzin en disciplinering

Eind achttiende, begin negentiende eeuw is cruciaal voor de geschiedenis van de psychiatrie. Pas in die periode wordt waanzin een ziekte, dankzij een medische wetenschap die een verklaring voor de redeloosheid vond in de passies van de mens. Te hevige passies als gevolg van een bepaalde levensstijl veroorzaken een overprikkeling van het zenuwstelsel. Houdt de overprikkeling te lang aan, dan is ziekte – zenuwziekte – het onvermijdelijke gevolg.

Belangrijk in deze redenering is het veronderstelde verband tussen levensstijl, overprikkeling en zenuwziekte. Passies liggen deels langs de kant van het lichaam, maar het is de geest die een keuze heeft gemaakt voor een manier van leven die ingaat tegen zijn natuur; daardoor raakt het lichaam overprikkeld en wordt op zijn beurt de geest aangetast. Iemand wordt zenuwziek omdat hij verkeerde keuzes heeft gemaakt; bijgevolg draagt hij zelf de verantwoordelijkheid voor zijn ziekte.

Dit is zonder twijfel een centrale stelling van Foucault: waanzin blijft onderworpen aan een moreel oordeel, zelfs wanneer ze het statuut van ziekte krijgt. De stap van een moreel oordeel naar het stellen van de schuldvraag is klein. Wanneer waanzin als zenuwziekte een gevolg is van een verkeerde levensstijl, dan is de patiënt schuldig en krijgt de behandeling een morele bedoeling. Het vroeg-negentiende-eeuwse asiel wilde zijn patiënten genezen met wat toen in heel Europa bekend stond als ‘morele behandeling’. Het is geen toeval dat behandelingsinstellingen tijdens de hoogtijdagen van het ‘traitement moral’-model hun faam ontleenden aan hun ‘chef de clinique’. Zijn autoriteit straalde uit over de verzorgers, bewakers en patiënten. De patiënt belichaamde de redeloze-zedeloze kant, de arts verwoordde de stem van de dominante rede in een behandeling die uitdrukkelijk corrigerend wilde zijn.

Tot diep in de negentiende eeuw waren artsen zich terdege bewust van hun rol én van de genezende-corrigerende kracht die daarvan uit ging. Genezing greep plaats op grond van zowel een medische als een morele aanpak, met de ‘chef de clinique’ als autoriteit op het vlak van kennis en waarheid. Rond het begin van de twintigste eeuw verdween dit bewustzijn. Artsen identificeerden zich steeds meer met een natuurwetenschappelijke aanpak waarin geen plaats was voor morele oordelen. De burger kreeg een geruststellende boodschap: hersenziektes, de nieuwe benaming voor waanzin, zouden binnenkort tot het verleden behoren.

De priemende blik van Foucault legt het zwakke punt in deze evolutie bloot: In theorie zou de psychiatrie een medische specialisatie zijn zoals alle andere. In de praktijk bleef ze disciplinerend te werk gaan. Op de koop toe gingen artsen ontkennen wat hun voorgangers maar al te goed beseften: dat hun diagnoses een uitspraak inhielden over het zedelijk niveau van hun patiënten en dat de werkzaamheid van hun behandelingen grotendeels het effect was van de morele autoriteit als arts. Dat is de stelling waar het boek van Foucault zo ongeveer mee eindigt. De geschiedenis die hij bestudeerde, loopt grosso modo tot het midden van de negentiende eeuw. Wat kwam er nadien?

Disciplinering 2.0

Emil Kraepelin, de grondlegger van de moderne psychiatrie, en Sigmund Freud, de vader van de psychotherapie, kunnen beschouwd worden als de boegbeelden van twee tegengestelde manieren waarop de twintigste eeuw waanzin zou begrijpen. Op een complexer niveau vervaagt de tegenstelling en treedt er mijns inziens juist een belangrijke overeenkomst naar voren. Zowel Kraepelin als Freud had uitdrukkelijk de ambitie om hun theorie en praktijk zo wetenschappelijk te maken als maar kon. Het resultaat daarvan wordt pas diep in de twintigste eeuw zichtbaar, wanneer beide disciplines er ogenschijnlijk in zijn geslaagd hun ambitie waar te maken. Met de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders komt er eindelijk een wetenschappelijk onderbouwde psychiatrische diagnostiek; met de cognitieve gedragstherapie komt er eindelijk een wetenschappelijke psychotherapie. Ongeweten illustreren ze beiden een stelling die Foucault bij hun voorgangers ontdekte: hoe wetenschappelijker de psychiater of de psychotherapeut wordt, des te meer gaat hij te werk als een morele autoriteit die zijn patiënten dwingt in de richting van sociale aanpassing. Disciplinering 2.0, zeg maar.

De illusie van de DSM

De ontwikkeling van een sluitend diagnostisch systeem moest de basis leggen voor een wetenschappelijke psychiatrie met écht medische behandelingen. Dat is de hoopvolle verwachting vanaf pakweg 1900, met als bekendste figuur Emil Kraepelin. Een halve eeuw later zette de American Psychiatric Association een ‘taskforce’ op om de klus te klaren: een nieuwe, écht wetenschappelijke diagnostiek moest een nieuwe, écht wetenschappelijke psychiatrie mogelijk maken. Het resultaat werd de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Merk op: disorder, stoornis, niet illness, ziekte – het ontbreken van afdoende bewijs voor medische oorzaken noopte tot nederigheid.
Een vergelijking tussen de DSM en Kraepelin ligt voor de hand. De allerbelangrijkste overeenkomst is dat geen van beide diagnoses oplevert in de medische betekenis van het woord. Wetenschappelijk beschouwd bevat de DSM alleen maar puntsgewijs gegroepeerde beschrijvingen van gedragingen en emoties die als afwijkend worden beschouwd, omdat ze te veel of te weinig optreden. De inschatting van dit te veel of te weinig berust op sociale en morele criteria. Zo zijn de diagnostische criteria voor ADHD onder andere: ‘lijkt vaak niet te luisteren’; ‘beweegt vaak onrustig met handen of voeten’. De inschatting – eigenlijk de beoordeling – of dat het geval is, blijft uitermate subjectief. Psychologen werkzaam in het onderwijs vertellen me dat zij doelbewust bepaalde kinderen toewijzen aan bepaalde leerkrachten en niet aan andere, omdat ze weten dat sommige leerkrachten het label veel te snel hanteren. Doelbewust, omdat ze de negatieve gevolgen van dergelijke diagnoses op de ontwikkeling van de kinderen willen vermijden.

De kritiek die de Britse beroepsvereniging voor psychologen formuleerde bij de laatste editie van de DSM wordt ondertussen ruim gedeeld: ‘De criteria zijn niet waardenvrij, maar vertegenwoordigen veeleer heersende normatieve maatschappelijke verwachtingen.’ Met de studie van Foucault in het achterhoofd is dat niet eens zo vreemd en eigenlijk zelfs onvermijdelijk. Bijdragen tot het handhaven van de maatschappelijke orde was een kernfunctie bij het ontstaan van de psychiatrie en psychologie. Mensen brengen zichzelf en anderen in de problemen wanneer ze niet in staat zijn de morele codes van de samenleving te volgen. Op dat ogenblik zal elke samenleving ingrijpen om hen ‘mores’ te leren, in het beste geval ook met de bedoeling die mensen zelf te helpen. De ethische moeilijkheid hierbij ligt in het vaststellen wat een ‘normale’ morele code kan zijn, zeker in het licht van maatschappelijke veranderingen en interculturele verschillen. Overleg en reflectie zijn daarbij zonder twijfel hard nodig.

Op dit punt komt de psychiatrische kat op de koord: wanneer afwijkingen van de norm verklaard worden als het gevolg van hersenziektes, dan is er geen ruimte meer voor een dergelijk overleg. We hebben te maken met zieke mensen, toch, die genézen moeten worden?

Psychotherapie als disciplinering

Foucault herlezen heeft mij helpen begrijpen wat ik al wist: ondanks de verschillen delen psychiatrie en psychotherapie hetzelfde doel en dat is mensen helpen om zich aan te passen aan de heersende sociale normen. Disciplinering dus. Bovendien delen ze dezelfde ontkenning: noch de arts, noch de psychotherapeut wil zich in die beschrijving herkennen.

Psychoanalyse, als eerste vorm van psychotherapie, wordt vaak als een maatschappijkritische en zelfs bevrijdende praktijk voorgesteld. Was Freud niet de man die de maatschappelijke onderdrukking van seksualiteit aan de kaak stelde en het irrationele in de mens ten volle een plaats wilde geven? Een vroege voorloper van de flowerpowerbeweging? Een dergelijke voorstelling gaat volledig voorbij aan wat Freud zelf beoogde met de door hem bedachte methode: de patiënt bewust maken van voorheen onbewuste seksuele verlangens en irrationele angsten, zodat hij ze kan veroordelen. Dezelfde redenering geldt evenzeer, mogelijk nog meer voor de moderne psychotherapie en al helemaal voor de belangrijkste variant ervan. Ik chargeer even: het logische vervolg van Freuds behandeldoel ligt bij de hedendaagse cognitieve gedragstherapie (CGT).

CGT (er is dringend een studie nodig over oorzaken en gevolgen van het gebruik van letterwoorden) is de psychotherapie die het meest kan bogen op een wetenschappelijke onderbouwing. Net zoals de psychoanalyse beschikt zij over een eigen jargon en het vraagt enige moeite om voorbij het hermetische taalgebruik de achterliggende structuur en de bedoeling van de behandeling te ontdekken. Op dat ogenblik wordt duidelijk dat er niets nieuws is onder de zon. Ook bij CGT is het doel het vervangen van onredelijke gedachten door redelijke. De gedachten heten nu ‘cognities’, ‘onredelijk’ wordt vervangen door ‘slecht’ of ‘ongewenst’, debat wordt ‘herstructurering’. De Nederlandse filosofe Eva Meijer beschrijft uit eigen ervaring hoe de patiënt eerst geleerd wordt een onderscheid te maken tussen ‘goede’ en ‘slechte’ gedachten en vervolgens de ongewenste gedachten leert te bestrijden ‘door hun waarheidsgehalte ter discussie te stellen en door te laten zien dat ze niet werken.’ De therapeut functioneert hierbij als morele autoriteit die borg staat voor wat gewenst gedrag, c.q. goede gedachten zijn.

Normaliteit

Begin twintigste eeuw was hysterie wijdverspreid; honderd jaar later is zij verdwenen, tegenwoordig hebben we eetstoornissen. Religieuze schuldwaan is een zeldzaamheid geworden; pathologisch narcisme steekt overal de kop op. Het verband met de maatschappij waarin die problemen optreden ligt voor de hand. Wanneer iemand bijzonder goed beantwoordt aan het ideaal, noemen we hem geslaagd. Wanneer iemand afwijkt van de normen, of daar eventueel zelfs tegenin gaat, dan noemen we hem mislukt of gestoord.

De huidige maatschappelijke disciplinering wordt aangestuurd door een pseudo-medisch diagnostisch systeem dat inschat hoe bepaalde gedragingen of emoties te veel of te weinig optreden bij iemand. Te veel of te weinig in functie van heersende maatschappelijke verwachtingen. In 1981 voorspelde Alasdair McIntyre, een Schotse moraalfilosoof, dat de manager en de therapeut de twee maatschappelijk richtinggevende figuren zouden worden. De verklaring is eenvoudig: beiden manipuleren mensen opdat ze optimaal passen in een economisch productiesysteem waar winstmaximalisatie het enige goed is. De disciplinering van nu betreft inderdaad niet alleen meer het helpen van een gestoord iemand, maar ook en vooral het verder perfectioneren en optimaliseren van wie reeds aan het systeem is aangepast, maar net niet genoeg. Excelleren is het nieuwe normaal.

Normen en waarden die aanvankelijk met dwang werden opgelegd door het heersende vertoog, functioneren na verloop van tijd autonoom, van binnenuit. Ze maken deel uit van een maatschappelijk geconstrueerde identiteit, mensen vinden ze ‘normaal’. Wie afwijkt, is gestoord en wordt gesanctioneerd. Bijna terloops vermeldde Foucault de verplichting om te werken, gebaseerd op een moreel-religieuze overtuiging. Acedia, luiheid, is een verwerpelijke ondeugd.

Bij de vorige generaties was werken een noodzakelijk kwaad, iets wat je gedurende een bepaalde periode van je leven moest doen, liefst niet te lang. De strijd om kortere werkweken, kortere arbeidsdagen en langer betaald verlof is een constante in de vakbondsbewegingen van de afgelopen eeuw. Inherent aan de vroegere arbeidsorganisatie was de verticale verhouding tegenover de betalende en dus controlerende instantie, de ‘baas’, en de horizontale verhouding met collega’s (vaak samen tegen die baas). Het werk gebeurde binnen een afgebakende ruimte (op een kantoor, in een fabriekshal) en tijd (meestal van negen tot vijf). Dat alles behoort ondertussen tot het verleden. Dankzij de digitale revolutie werken we overal (op de trein, in het vliegtuig, thuis) en altijd (ook ’s avonds, ook tijdens het weekend). Een baas hebben we niet meer, wel een manager; collega’s ook niet meer, wel concurrenten. We koesteren de illusie dat we onze eigen baas zijn.

Het laatste decennium hoeft de plicht tot werken niet langer van buitenaf opgelegd te worden, dat doen we zelf wel. De verinnerlijking is perfect geslaagd. Tegenwoordig draait alles rond werk: we zijn wat we doen. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe harder er gewerkt wordt. Bij interviews met topmanagers ontbreekt nooit de vermelding dat ze slechts vijf, maximaal zes uur slaap nodig hebben – slapen is immers tijdverlies. Tegenover de hoogopgeleide ‘professionals’ staat de groep met een baan in een door de overheid gesubsidieerde sector (onderwijs, zorg, politie, rechtbank, ambtenarij). Zij worden geconfronteerd met draconische besparingen, waardoor steeds minder mensen steeds meer prestaties moeten leveren. In die groep blijft het aantal langdurig zieken toenemen, wat de druk op de anderen nog vergroot en nog meer mensen doet uitvallen. Helemaal onderaan vinden we het ‘precariaat’, mensen die een paar onderbetaalde banen moeten combineren om toch maar rond te komen. Op beide groepen wordt ietwat smalend neergekeken – wie wil er nu werken voor de overheid? Of bij de McDonalds?

Dit is de ‘andere soort waanzin’, de alledaagse waanzin van de normaliteit, als uitvergrote weerspiegeling van het maatschappelijke ideaal. We willen zo graag geliefd worden dat we ons op een ziekelijke manier identificeren met het ideaalbeeld. Vind mij succesvol, vind mij mooi, hou van mij! Onze professionele status is daarbij ontzettend belangrijk, we ontlenen er onze identiteit aan. Vandaar dat we ons te pletter werken en er nog trots op zijn ook. De verinnerlijking van de plicht tot arbeid is zo goed geslaagd dat sommige bedrijven programma’s opzetten om hun werknemers te beschermen tegen burn-out. Tegen te hard werken dus. De ironie wil dat er aldus een nieuwe vorm van disciplinering ontstaat, de plicht tot zelfzorg, gericht tegen die andere disciplinering van hard werken. Onder de oppervlakte herken ik in beide gevallen dezelfde boodschap: het is de plicht van het individu om de juiste keuzes te maken; als hij dat niet doet en daardoor ziek wordt, is het zijn eigen schuld.

Een dergelijke ‘juiste keuze’ is dubbelzinnig: we moeten zo hard mogelijk werken én we moeten zo goed mogelijk voor onszelf zorgen. De dubbelzinnigheid blijkt uit de reactie op wie eraan onderdoor gaat. Hier en daar horen we goedbedoelende psychiaters verkondigen dat mensen moeten leren tevreden zijn met minder. Wat deze hulpverleners niet beseffen, is dat ze daarmee opnieuw de oorzaak en dus de schuld bij de patiënt leggen. Ja, je hebt een burn-out, maar moest je nu écht zo hard werken? Ja, je lijdt aan een depressie, maar je voelt je vooral mislukt omdat je altijd en overal succes wilde hebben.

Ter vergelijking: beeld je even in dat de hysterische patiënten ten tijde van Freud te horen zouden hebben gekregen dat hun symptomen het gevolg waren van het feit dat ze hun seksuele verlangens veel te hard onderdrukten? En dat wat minder hard ook wel kon?

Dergelijke opvattingen bevestigen een centrale stelling van Foucault: vanaf haar ontstaan neemt de psychiatrie een morele positie in, met de arts als autoriteit die de patiënt moet terechtwijzen. Vanaf ‘zenuwziekte’ tot ‘burn-out’ weerklinkt dezelfde boodschap: iemand wordt mentaal gestoord omdat hij de verkeerde keuzes heeft gemaakt. Dat de huidige ‘keuzes’ om leven en werk te laten versmelten een vervreemdend effect zijn van dwingende maatschappelijke idealen die kinderen reeds in de kleuterklas voorgehouden worden, beseffen we nog nauwelijks.

Een maatschappij waar steeds meer kinderen en volwassenen uitvallen is een gestoorde maatschappij. De psychiatrie heeft hier niet alleen een signaalfunctie maar ook een opdracht: het voorstellen van en aandringen op veranderingen, bijvoorbeeld op het vlak van kinderzorg en arbeidsorganisatie. Ter vergelijking: de reusachtige vooruitgang van onze volksgezondheid tussen pakweg 1850 en 1950 is grotendeels te danken aan een geneeskunde die structurele veranderingen voorstelde inzake hygiëne, voeding, inentingen, en een overheid die daarnaar luisterde. Had de geneeskunde zich in die periode enkel gebogen over individuele patiënten, dan zou onze gemiddelde levensduur ongeveer dezelfde gebleven zijn.

Het is nu de beurt aan de psychiatrie om hetzelfde te doen.

Paul Verhaeghe

Over normaliteit en andere afwijkingen,
Prometheus, Nieuw Licht,
112 blz,
14,99 euro

Knack – 29.11.2019

TUIN: Aardbeiboom

Ik heb het al bijna overal gezet in de tuin, maar nergens wou het werkelijk groeien, tot ik nu merk dat ik een plaats heb gevonden waar het met zijn goesting lijkt te staan: het Aardbeiboompje (Arbutus unedo).

Gebloeid heeft het nog niet en dus ook geen vruchten gedragen, maar ik heb er goede hoop op dat het dit jaar wel zal lukken.

De aardbeiboom is een kleine loofboom die tot 10 m hoog wordt. Hij kan uitgroeien tot een struik en wordt dan tot 3,5 m hoog, hij groeit namelijk breder dan hoog. Hij is wintergroen en bloeit laat in het jaar waarna de vruchten verschijnen die aan de boom blijven rijpen tot de volgende bloei. Door deze all-year-round kenmerken is de aardbeiboom een echte aanrader om als solitair aan te planten in de tuin.

De donkergroene, glanzende bladeren zijn getand, tot 10 cm lang en tot 3 cm breed. De bloei komt tevoorschijn in oktober – december en bestaat uit witte/lichtroze bloemtrosjes. Daarop volgen de, zoals de naamgeving voorspeld, op aardbei gelijkende vruchten. De vruchten zijn oranjerood, tot 2 cm groot, hebben een ruw oppervlak en blijven aan de boom rijpen tot de volgende bloei.

De Latijnse naam van de aardbeiboom komt van ‘unum edo’, wat staat voor: ik eet er één.

De op aardbeien gelijkende vruchten zijn eetbaar en worden gebruikt voor het maken van gelei en sterke dranken.

Bron: Groen van bij ons

 

Psychisch lijden

Momenteel vindt er in België een euthanasie proces plaats dat euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden in vraag stelt en contesteert.

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200122_04816541

De familie van de overledene beschuldigt de dokters van onterechte en onnodige levensbeëindiging van een vrouw die het leven door psychisch lijden niet meer aan kon.

Moest ik mijn depressies niet meer onder controle krijgen, zou ik denk ik ook euthanasie willen, alleen al om mijn naasten te sparen.

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200122_04816391

Mijn moeder heeft op mijn zestiende haar eerste depressie doorgemaakt, en heeft er haar hele verdere leven mee te kampen gehad. Ze werd een paar maal opgenomen, heeft zelfs elektrische schokken gehad om haar er proberen van af te helpen, en is uiteindelijk altijd geholpen geweest met antidepressiva.

Als kind was dat allemaal geen lachertje. Ik was pas van school af en ging mijn eerste jaar werken. Mijn zus werd op haar veertiende van school gehaald om het huishouden te doen, en mijn vader die haast dag en nacht werkte, was echt geen steun en toeverlaat. Integendeel.

Na de eerste opname kwam mijn moeder terug thuis, en waren het wij die voor haar zorgden, in plaats van zij voor ons. Stilaan werd het beter, maar goed kwam het nooit, en een gezellige thuis hebben we nooit gekend, te voren niet en daarna niet.

Ik kreeg mijn eerste depressie rond mijn veertigste. Mijn zoon was toen twaalf, en mijn man begon te sukkelen met zijn gezondheid wegens de diabetes waarmee hij geboren werd.

Het was dikke miserie, en we hebben nooit op hulp kunnen rekenen. Niet van de familie, niet van elders. Ik denk hier allemaal niet graag aan terug, maar dit proces roept veel herinneringen op. Slechte herinneringen.

Daarom denk ik dat ik ook euthanasie zou vragen als er niets meer zou helpen om mij uit die hel te krijgen.