‘Mensen zijn vergif’ ‘Sommige mensen’

‘Mensen zijn vergif’ ‘Sommige mensen’

Delphine Lecompte en Dominique Van Malder

Hij heeft een zwak voor de onaffe mens, zonder er romantisch over te willen doen. Zij wéét wat het is. ‘Zonder harnas lukt het niet.’ ‘Soms zitten de pinnekes aan de binnenkant.’ Een pas de deux met televisie- en theatermaker Dominique Van Malder en dichteres Delphine Lecompte.Filip Rogiers en Ann-Sofie Dekeyser, foto’s Fred Debrock
Veertig is ze, maar in het najaar liggen haar Verzamelde gedichten in de boekhandel. Tien jaar en zeven bundels (elk goed voor zo’n 100 gedichten) na haar debuut. ‘Een dag niet schrijven lukt me niet. Ik voel me ellendig bij ontspanning. Ik heb geen hobby’s. Ik speel geen fagot.’

Schrijven is ademen. Delphine Lecompte (40) heeft die gedichten nodig ‘om een beetje zelfwaarde te voelen’. Ze kan zichzelf genezen, zegt ze, met een gedicht. Tijdelijk. Dominique Van Malder (42) heelt met acteren. En muziek. In het gevierde tv-programma Radio Gaga lieten hij en Joris Hessels in hun plooicaravan vogels van allerlei pluimage plaatjes aanvragen voor andere vogels met geknakte vleugels.
Ze komen allemaal langs, in de loop van de avond, nacht, ochtend: de demonen, de saters, de katers. En toch is de hemel boven Hellebosch wellicht nooit zo vaak opgeschrikt door gelach. Humor als pantser. Ze zijn er beiden meester in, ze kennen er ook de grenzen van.

Dik en dun

Bij Lecompte zit het in elk gedicht: in kolder gedrenkte ondraaglijkheid. Bij Van Malder zit het in het theater dat hij al twee decennia maakt (met onder meer Studio Orka en Abattoir Fermé), en dezer dagen met de fictiereeks Albatros die hij, samen met Wannes Destoop, schrijft voor Canvas. Het verhaal van elf dikkerds die op dieetkamp gaan naar de Ardennen.

Van Malder: ‘Het begint met grappen en grollen, met mag-het-iets-meer-zijn, maar we komen alle elf onszelf tegen. Vaak ligt er een specifieke gebeurtenis aan de basis van overgewicht. Bij de een omdat hij te weten is gekomen dat hij geadopteerd is, bij de ander omdat hij misbruikt is. Ik las een heftig boek van Roxane Gay: ze werd op haar veertiende verkracht en besliste nadien om zichzelf lelijk te maken door te verdikken. Ze bouwde een pantser rond wat haar is aangedaan.’

Lecompte: ‘Ik begrijp dat heel goed.’

Van Malder: ‘Het is niet altijd zo dramatisch natuurlijk, zeker niet in mijn geval. Bij mij is voedsel een vorm van troost. Ik ben een zeer gulzige mens, op allerlei vlakken. Ik laat me soms te hard gaan. Vroeger rookte ik 2,5 pakjes Bastos per dag. Ik zoog alles eruit wat erin zat. Blijkbaar moet er iets gestild worden in mij.’

Delphine kon altijd al door een ringetje. Nog steeds jaagt een korrel rijst haar angst aan. ‘Bang om te stikken. Ik eet ook altijd alleen. Stiekem. Samen eten vind ik bijna te intiem.’

Bernard, haar hond, gromt onder tafel. ‘Zohra, mijn neurotische naakthond, heb ik thuis gelaten. Ik wilde Dominique niet nodeloos irriteren. Bernard en Zohra dwingen mij om op te staan, hen uit te laten.’

Biedt verder, benevens haar schrijven, nog grond onder haar voeten: haar 85-jarige minnaar, Omer Minnebo. Ex-militair, ex-kroegbaas, kruisboogschutter. ‘We zijn al veertien jaar een koppel.’

Ze komt niet graag onder de mensen. ‘Ik verwacht te veel. Dat ze mij beter gaan maken. Redding. Ik weet dat ik dat niet kan verlangen, en toch. Het ontgoochelt altijd.’ Zenuwlachje, gêne, immer guilt ridden. Om de ontgoocheling voor te zijn, organiseert ze die soms zelf.

‘Ken je dat? Dat je je woede richt op mensen die het echt niet verdienen, mensen die je graag zien? De eerste jaren dat ik met Omer samen was, heb ik echt geprobeerd om hem weg te duwen. Dat is niet gelukt. Gelukkig.’

Groot, levensreddend, was het moment waarop ze ontdekte dat ze gelezen werd, dat mensen haar gedichten waarderen, begrijpen zelfs.

Lecompte: ‘Soms sturen mensen handgeschreven brieven naar mijn uitgeverij. Ik ben er altijd heel blij mee, maar heb nog nooit teruggeschreven. Want ik zal altijd minder interessant zijn dan mijn gedichten. Op het podium ben ik de betere, meer baldadige versie van mezelf.’

Mensen raken is ook bij Dominique een fond de commerce. Radio Gaga slaagde er beter in dan hij vooraf had kunnen denken.

Van Malder: ‘Blijkbaar hebben mensen nood aan troost, erkenning, flitsen schoonheid. Het doet deugd om te zien hoeveel warmte en liefde er nog is. Maar aan de andere kant, toen we uitzonden vanuit het asielcentrum in Wingene, waren de reacties op het forum van HLN.be zo hard en bot. Of je ziet in de jeugdinstelling van Mol tieners die voor zichzelf geen toekomst zien. Veertien jaar en al einde verhaal? Hoe kun je daar vrolijk van worden?’

‘We kwamen ook op plekken waar men meer bezig was met het dossier van de patiënt dan met de patiënt zelf. Veel van die instellingen worden geleid door een manager. Die komt bij wijze van spreken van Belgacom en doet met mensen wat hij altijd al gedaan heeft met telefonie: de winkel doen draaien, de cijfers halen. Ik heb zoveel fantastische therapeuten, psychologen en andere begeleiders jaren zien vechten tegen dat systeem en eronderdoor zien gaan.’

Lecompte: ‘Ik heb nog in een rusthuis gewerkt. Ik deed het heel graag, maar kreeg onder mijn voeten omdat ik te lang in de kamer bleef waar ik de mensen moest wassen. Die mensen wilden praten, ze moesten een verhaal kwijt. Dat mocht niet. Je moest werken met een chronometer.’

Van Malder: ‘Met onze toneelprojecten in de psychiatrie gebeurde het al eens dat een therapeut zei: je hebt meer uit die gast gehaald dan ik in vier jaar. Dat is fijn, maar ook schrijnend: Joris en ik zijn geen therapeuten. Wij komen theater maken. Wat het wel aantoont, is hoe levensreddend kunst en theater kunnen zijn.’

Zonder dat het creatherapie hoeft te zijn? Er wordt in het reguliere theater neergekeken op sociaal-artistiek werk.
Van Malder: ‘Wat wij in Guislain maken, ís geen therapie, maar het kan wel therapeutisch werken. Niet alleen voor de patiënten en de begeleiders, ook voor mij. Het heeft veel te maken met troost. Of je dat nu regulier of sociaal-artistiek theater noemt, het gaat in se over hetzelfde: een goed verhaal vertellen met een fijne groep mensen. Kunst is voor elke kunstenaar een vorm van therapie. Ik ken veel acteurs die, mochten ze niet spelen, ook ergens binnen zouden zitten.’

‘In de theaterwereld heeft men het altijd over de noodzaak die er moet zijn. Wel, bij psychiatrische patiënten voel je pas echt de noodzaak om eens iemand anders te mogen zijn dan zichzelf.’

Was de poëzie voor jou redzamer dan de psychiatrie?
Lecompte: ‘Ik kwam verwoest de psychiatrie binnen en ging er nog verwoester buiten. Ik heb er wel genoten van het contact met de anderen. Iedereen zit daar samen: weeskinderen, ex-hoeren, bipolaire vissers…’

Bipolaire vissers?
Lecompte: ‘Ja, uit Knokke. Ik verzin dit niet. Ik heb mij daar toen te veel genesteld. Het was wij, geblutste mensen, tegen de verpleging. We stalen onze dossiers en lachten ons kapot met wat we daarin lazen. Hoe ver ze ernaast zaten. Er was een dierenasiel vlakbij. Ik ging ’s middags wandelen met de honden, ik denk dat ik daar meer aan heb gehad dan aan wat ze mij in de psychiatrie aanreikten – pillen vooral. Al heb ik er wel badminton leren spelen.’

Van Malder: ‘Ik ben ook vatbaar voor… Laat me zeggen dat ik om de twee weken naar een therapeut ga. Ik heb jarenlang, sinds mijn puberteit, erge nachtmerries gehad, paranoïde dromen. Drie à vier keer per week. Ik slaapwandelde niet, ik slaaprende, een keer bijna van het balkon af. Ik heb pas later beseft dat dat gestopt is toen ik toneelschool ging doen. Kan kunst niet genezen, ze kan op z’n minst bezweren, en ik wil daar niet ironisch of minimalistisch over doen. Laat er in het dagelijkse leven alsjeblief vooral wat meer poëzie zijn, in alle betekenissen van het woord. We zijn toch zo braaf met z’n allen, meer begaan met de deadline van onze belastingbrief dan met wat we zijn of voelen. Ik houd van een Herman Brood die zijn treinticket betaalde met een schets. En zijn belastingen met drie schilderdoeken.’

A.u.b. geen romantiek

Wat je krijgt, als je het leven ad fundum leeft: échte kunst. ‘Pijn is echte pijn, plezier is echt plezant’, schreef De Standaard over Chasse Patate van Studio Orka. De gedichten van Delphine Lecompte brengen een mens, volgens haar collega Carmien Michels, ‘op de rand van het ongemakkelijke, het beschamende, het perverse en het absurde’.
Het publiek krijgt er de vrucht van, de kunstenaar het applaus. Maar ermee leven doet de kunstenaar alleen.

Van Malder: ‘Het kan geen pretje geweest zijn om Brood te zijn. Of Charles Bukowski. Die heb ik met heel mijn hoofd en lijf gespeeld (in BUKO van Abattoir Fermé, red.). Ik weet wel waarom ik over zo iemand een voorstelling wil maken. Ik ken de roes zelf ook goed.’

Lecompte: ‘Noem mij gerust de Vlaamse Bukowski. (lacht) Het kan te fel worden, zo hard als alles altijd binnenkomt. Dat tracht je dan al eens uit te schakelen. Alcohol en Xanax dempen de prikkels. Ik mag mezelf daar niet te veel mee verwennen.’

En als het dempen niet lukt?
Lecompte: ‘Dan blijf ik wakker en zwerf ik weer rond op straat. Kom ik ongetwijfeld weer interessante mensen tegen, maar ook minder goede mensen. Zoals vroeger. Ik was zo rusteloos, dag en nacht. Ik heb vele kilometers afgelegd, in verhoogde staat van gevoeligheid. De kunst bestaat erin om te verdoven zonder alles uit te vlakken. Ik verplicht mezelf soms om wat onrust toe te laten. Ik kan genieten van slaapgebrek omdat ik me dan lichtjes paranoïde ga voelen, wat mijn gedichten ten goede komt. Maar dat gevaarlijke leven van vroeger? Nee, ik ben blij dat het achter de rug is. Dat er nu toch een heel klein beetje stabiliteit en veiligheid is. Het is te droevig geweest. De marginaliteit is niet iets om romantisch over te doen.’

Van Malder: ‘Absoluut waar. Ik heb in mijn familie ook zaken gezien die ik als kind niet had moeten zien. Wat alcohol met mensen doet. Ik kom uit een arbeidersgezin, mijn vader stamt uit een gezin van elf kinderen, mijn moeder van vijf. Er zat van alles tussen, van topchirurgen tot wrakken van mensen. Een tak van de familie is echt De helaasheid der dingen. Prettig was dat niet, maar het heeft me wel gevormd. Het verklaart waarom ik een voorliefde heb voor wat ik in mijn theaterwerk blijkbaar moest opzoeken: de onaffe mens, de marge.’

‘We hadden het niet breed thuis. We zijn met ons gezin maar één keer op reis gegaan, naar Benidorm, ik was twee jaar. Mijn ouders werkten in de Philips-fabriek in Dendermonde. Ze verloren hun job toen ze 50 en 45 waren. Mijn moeder heeft nog even in rusthuizen gewerkt, mijn vader deed klusjes. Ik heb hen zo hard zien werken voor geen geld, dat ik dacht: ik wil vooral mijn goesting doen. Mijn broer reageerde heel anders op die afkomst. Hij nam zich voor om véél geld te verdienen. Dat is goed gelukt, hij zit in de wereld van de accountancy.’

Dankt niet elke kunstenaar de ongelukkige jeugd?
Van Malder: ‘O, maar ik heb best wel een warme jeugd gehad. Er was alleen die geremdheid, de nederigheid van the common people. Ik ging Latijn-Grieks doen, mijn vader zag dat niet zitten: “Allez jongen, dat is voor dokterskinderen.” Theater? “Ben je gek?” Altijd maar “Dat is niets voor u.” “Te hoog gegrepen.” Nu ik zelf vader ben, besef ik dat het vooral draait om je kind steunen in wat het doet. Dat hadden mijn ouders toch een tikkeltje meer mogen doen.’

‘Gek, maar ik heb theater nodig gehad om dichter bij hen te komen. Voor mijn eindwerk aan de toneelschool heb ik mijn ouders geïnterviewd. Dat was helend. En met Studio Orka heb ik een stuk gespeeld waarin ik mij spiegelde aan mijn vader. Hij is nooit komen kijken. Jammer. Hij had er veel in herkend, misschien had het hem zelfs kunnen helpen.’

Werd toneel een manier om met je vader te communiceren?
Van Malder: ‘Zoveel mensen zijn op zoek naar bevestiging van hun vader. Je wacht op dat schouderklopje: dan toch nog, goed gedaan. Je hoopt te kunnen zeggen wat je in het dagelijkse leven niet kon.’

Lecompte: ‘Ik probeer altijd in mijn gedichten te communiceren met mijn vader, maar hij is er bang van. Hij leest ze niet. Vindt ze pijnlijk, hij wil niet dieper gaan. Met mijn moeder heb ik wel het idee dat ik dankzij die poëzie toch een en ander heb kunnen bespreken.’

Nochtans heb je haar in je poëzie genadeloos afgeschilderd.
Lecompte: ‘Ik ben lang boos op haar geweest. Je wil natuurlijk een koesterende moeder en dat is ze niet echt geweest. Ze had het te druk met mannen verslinden. Maar aan de andere kant, ze was een persoonlijkheid: kleurrijk, vurig, intelligent. Ik heb mijn ouders eigenlijk pas leren kennen toen ik negen was. Ik ben opgevoed door mijn grootouders. Ze hadden veel Russen in hun bibliotheek staan. En Reve en Céline. Álles lag daar. Een groot geschenk. Mijn grootvader zat altijd aan het hoofd van de tafel te lezen. En ik schreef een roman. Zeven jaar was ik, ik heb er twee jaar aan gewerkt. Boxer en de diamanten steen. Er kwam een rode muts in voor die sprak. En een eekhoorn, een boxerhond en ik.’

Jezus met tetjes

Als kind was je een ‘outlaw’, zei je eens.
Lecompte: ‘Ik was een buitenbeentje, maar had wel vrienden. Ik had een makkelijk mikpunt kunnen zijn, want ik was een beetje raar. Maar ik durfde een grote mond op te zetten, te schoppen tegen de meesters.’

Van Malder: ‘Ik was altijd nogal expressief. En grappig. Reden waarom ik er ook altijd werd uitgepikt voor toneeltjes. Zoals die keer dat ze een Jezus zochten. Maar ja, ik was toen al dik. Ik hing aan een kruis, de leraar raakte mij aan en zei voor heel de klas: “Kijk! Een Jezus met tetjes.” Dat was mijn eerste publieke optreden. Toen dacht ik: wacht maar, van deze Jezus met tetjes zul je nog horen. Humor en taal waren mijn redding. Maar je zult maar eens een kleine zijn die zich niet kan verdedigen. Vreselijk.’

Lecompte: ‘Omer is een heel mooie mens. Hij zou alles weggeven. Hij praat met iedereen. Hij houdt ook echt van mensen. Ik zeg soms tegen hem: “Pas toch wat op, Omer. Mensen zijn vergif.”’

Van Malder: (schrikt) ‘Sommige mensen zijn vergif.’

Lecompte: ‘Natuurlijk. Het is eigenlijk pas de laatste jaren dat ik leer te genieten van vriendschappen. Vroeger was ik daar nogal trouweloos in, nu koester ik ze meer. Maar toch: ik ben soms bang van mensen. Te weerloos, wellicht?’

Heeft het ermee te maken dat je vertrouwen diep geschonden is?
Lecompte: ‘Erg diep. (lange stilte) Ik ben moeten genezen van de psychiatrie. Er was een nachtverpleger die ik in vertrouwen nam, álles vertelde ik hem, alles wat ik aan geen mens kwijt kon. Hij luisterde. Zoveel aandacht vleit, je wordt eindelijk gehoord. Tot je merkt dat er iets niet klopt: mijn ellende wond hem op. En je voelt je vies, want natuurlijk had ik hem opgezocht. Het seksueel misbruik werd niet erkend. Als ik erover vertelde aan de verantwoordelijken van de instelling, was hun reflex: hoe gaan we dat toedekken. Ze dachten niet aan mij of aan de andere slachtoffers die die zieke man nog gemaakt heeft. Daar ben ik lang bitter over geweest.’

Jullie hebben beiden een zesde zintuig voor de gekwetste mens. Maar leidt het bij Dominique tot mededogen, bij Delphine eerder tot somberte.
Lecompte: ‘Ik neem het mezelf wel kwalijk dat ik alleen met lelijkheid, donkerte en perversies bezig ben. En dat ik altijd zo wroet in het ziekelijke. Dat maakt mij misschien wel tot een buitenbeentje in de poëzie. Er zijn veel dichters vandaag, veel jonge dichters, mooie en ook guitige meisjes. Die trend mag trouwens eens stoppen. Je zal maar een chagrijnige vijftiger zijn die een bundel wil uitbrengen. (lacht) Ik zou soms graag wat frivoler zijn. Het is niet dat ik lijden per definitie interessant vind of dat ik trots ben op dat morbide, neerslachtige in mij en in mijn gedichten. Maar ik ben wel blij en dankbaar dat mijn soort poëzie dan toch ook blijkbaar aanvaard wordt.’

Van Malder: ‘Ook dat zwartgallige kan troostend zijn voor een lezer toch? Het is mij overigens niet vreemd. Ik sta vaak op als misantroop en ga slapen als filantroop.’

Wat zorgt in de loop van de dag voor het kantelpunt?
Van Malder: ‘Een ontmoeting. Of gewoon, mijn job, dat ik spelenderwijs in het leven mag staan.’

Lecompte: ‘Dat heb ik ondanks alles ook. Ik kan erg genieten. Ik loop vaak rond met mijn honden en het is verbijsterend hoe snel mensen bij mij hun hart uitstorten. Als ze nog maar een beetje voelen dat je bereid bent om te luisteren, lopen ze leeg. Ik hoor alles: hun kankers, hun verslavingen, hun kinderen die in de gevangenis zitten. En wat je behalve de wanhoop dan vooral voelt, is die hunker om het eindelijk eens te kunnen vertellen.’

Van Malder: ‘Muziek is het snelste middel om mij getroost te krijgen. In combinatie met alcohol. Onlangs nog, ik was gehaktballetjes aan het draaien, ik was moe en in een melancholieke bui. Ineens passeert ‘De verzoening’ van Frank Boeijen. Heb me lief, heb me lief, heb dit lichaam lief. Bemin mij, bevrijd mij van het duister in mijn hoofd, mijn straat loopt hier dood. Baf, dijkbreuk!’

Lecompte: ‘Het kan zo zalig zijn om je er nu en dan eens in te wentelen.’

Van Malder: ‘Samen zwelgen af en toe, moet kunnen. Elkaar eens goed vastpakken, ook.’

Mag het nog? Je hoort het weleens in de aftermath van #metoo, dat ook in de theaterwereld huishield.
Van Malder: ‘Auwch. Zoals in elke sector: waar macht is, is er misbruik. Als je in de toneelschool van slechte wil bent, kun je erg in de fout gaan. Je werkt met jonge mensen en theater is intensief, fysiek en mentaal. Vreselijk om dat te misbruiken. Maar er is ook een andere kant aan het verhaal: vergelding. Iemand die iemand beschuldigt met wie hij of zij twee jaar een relatie had. Ik wil het niet minimaliseren, maar de nuance was de afgelopen tijd weleens zoek. Op den duur voel je je schuldig bij een mop die je al dertig jaar maakt. Een flauwe mop, daar niet van.’

Lecompte: ‘Ik heb niet zo’n probleem met mensen die eens knijpen in een bil van een secretaresse. Sorry, ik blijf dat onschuldig vinden. Er zúllen wel vreselijke dingen gebeurd zijn en ik wil zeker niet zeggen dat al die slachtoffers overgevoelige vrouwen zijn, maar…’

Van Malder: ‘Eigenlijk is het heel simpel. Als je iets doet waarmee je de ander pijn doet, letterlijk of figuurlijk, heb je een probleem. Zoals zangeres Petra het ooit mooi heeft verwoord: Jij bent zo mooi, zo mooi. Kijken mag, maar aankomen niet.’

Lecompte: ‘Petra zingt zelf toch: Jij daar, ik wil je! Dus zij mag wél de mannen eruit kiezen? Ik heb het er moeilijk mee. Moet ik Woody Allen nu fout vinden? Ik blijf fan. Mag ik Lucebert nog goed vinden, nu we weten dat hij fout was in de oorlog? Nog zoiets.’

Te kakken zetten

Bernard wordt onrustig. ‘Omer!’, roept Delphine berispend. Een verspreking. ‘Oew, dit verraadt veel’, zegt Van Malder. Ze lachen. Pijn is echte pijn, plezier echt plezant. Op die slappe koord dansen we de nacht in.

Lecompte: ‘Bij Omer voel ik me veilig. Het moet niet altijd zo diep gaan bij hem. Hij is trots op mij, maar houdt niet van mijn gedichten. “Zo raar,” zegt hij, “en dat rijmt niet”. (lacht) “En die obsceniteit altijd!”’

Van Malder: ‘Blijkbaar herkent hij toch iets in jou wat hij nodig heeft?’

Lecompte: ‘Ik heb een zekere zachtheid in mij, die hebben we gemeen. En onze humor. Omer kan heel gemakkelijk zichzelf zijn bij mij en ik bij hem. Er is een soort luchtigheid tussen ons waar ik me aan laaf. Het harnast.’

Van Malder: ‘Zoals humor. De donkerste mensen zijn vaak ook de grappigste. Het is een manier om met de heftigheid om te gaan, ook wel om je erachter weg te steken. Met jezelf lachen om het er vooral niet over te moeten hebben. Een harnas, maar er zitten ook pinnekes aan de binnenkant natuurlijk.’

Hannah Gadsby kondigde in haar laatste show aan dat ze stopt met comedy. Ze is lesbisch, volslank en ze heeft daar zelf vaak mee gelachen. Nu heeft ze er genoeg van. ‘Weet je wat zelfspot betekent als het van iemand komt die zich toch al in de marges van de samenleving bevindt? Zelfvernedering.’

Van Malder: ‘Ik heb daar met Griet Op de Beeck een mooi gesprek over gehad. Zij zei: “Je moet echt eens stoppen met jezelf zo te kakken te zetten.” Ik doe het al minder. Want inderdaad, als je zélf gaat lachen met je dikke buik, staat er voor de ander ook geen maat meer op.’

Lecompte: (na een lange stilte) ‘Ik denk dat ik mezelf toch redelijk goed bewaak als ik op een podium sta. Ik heb niet de indruk dat ik mezelf te veel prijsgeef of verneder in een gedicht. Als ik het in een goede vorm kan gieten, kan en mag ik alles gebruiken uit mijn verleden. Ik waak er wel over dat ik niet sentimenteel word, niet wanhopig ga klinken. Gedichten mogen zeker geen – of toch niet alléén – verwerking zijn van wat ik heb meegemaakt. Soms waak ik er te veel over. Ik durf heel moeilijk teder zijn in mijn gedichten. Ik zal mezelf snel corrigeren als ik iets vriendelijks schrijf over Omer.’ (lacht)

Als iets te mooi, te lief wordt, sla je het kapot?
Lecompte: ‘Ik heb nog altijd dat zelf­destructieve, ja. Daan heeft mij gevraagd om een liedjestekst te schrijven. Dat vond ik zo’n eer, wow. Maar dan is er dat stemmetje in mij dat zegt: ik ga mezelf saboteren, ik ga opzettelijk een slechte tekst schrijven.’

En? Is het slecht?
Lecompte: ‘Ja! (lacht) En Omer heeft me nochtans zo goed geholpen. Met het ritme vooral. Een-twee-drie-vier, een-twee-drie-vier.’

Waarom zegt die stem in jou: het mag niet goed zijn.
Lecompte: ‘Het heeft iets bevrijdends. Het idee dat je altijd alles kunt weggooien en volledig opnieuw beginnen. Een tijd geleden is mijn huis uitgebrand. Dat was een tabula rasa van moeten. Ik kan het iedereen aanbevelen.’

‘Ik ben al wel de dichter die ik wil zijn, maar nog niet de persoon die ik wil zijn’, zei je eens. Wie wil je dan zijn?
Lecompte: ‘Ik had moeder willen worden. Ik heb daar jaren over gerouwd, ik kon niet naar babyborrels gaan. Tegelijk schrikt het mij af. Ik zou een moeder zijn die zich op haar kind stort, het tegen álles wil beschermen, niet gezond.’

Van Malder: ‘Ik ben acht jaar vader en het verandert je wereld compleet. Je kunt minder tegen de hardheid, je wil liefst een warm dekentje breien, welja. Ik wil Jack behoeden voor het lelijke, maar tegelijk wil ik ook dat hij de mannelijke Pipi Langkous mag zijn. Hij weet in welke wereld we leven, hoor, hij woont in Brussel. Dat de wereld hard is, dat mag worden benoemd. Maar tegelijk wil ik hem zo lang mogelijk in Sinterklaas laten geloven.’

Heb jij lang in Sinterklaas geloofd?
Lecompte: ‘Niet lang genoeg. Een ouder nichtje verklapte het mij toen ik vijf was. Ik heb toen rel geschopt in De Panne. Het was Sinterklaasfeest en het viel mij op dat die vermomde volwassene héél lief was voor de kindjes van dokters en commerçanten. De kindjes van de vierde wereld kregen onder hun voeten. Ik vond dat zo onrechtvaardig en ik heb toen luid geroepen: Sinterklaas bestaat niet!’

Van Malder: ‘Dat meen je niet? De Sinterklaasverklikster van De Panne, jij?’

Lecompte: ‘Toch wel. En je wíl er zo graag in geloven, nochtans.’

Van Malder: ‘Ik zet nog mijn schoen. Het is de eerste leugen waarmee je als kind geconfronteerd wordt. Je weet dat het niet waar is, maar laten we ons alstublieft nog wat amuseren met te doen alsof. Tiens, dat is een beetje de definitie van de liefde.’

Lecompte: ‘Ik hou van Jezus. Mag ik dat zeggen zonder mij te hoeven schamen? Ik hou echt van Jezus. Zoals ik troost vind in religieuze poëzie, John Donne bijvoorbeeld. Ik hou ook erg van de katholieke liturgie, van Caravaggio en de Annunciaties. Ik heb altijd nogal gemakkelijk contact gehad met God.’ (ze schaterlacht, zoals wel vaker als ze iets bloedernstig meent)

Van Malder: ‘Geef je mij zijn nummer eens? Ik hou ook wel van het ritueel. Ik ben een zware abdijfan. Vroeger zag ik erg graag Jezus-films. Zijn speeches, dat was ook theater. Mijn vader was diepgelovig, maar dat was uit pure angst. Onze living was een halve kapel: 30 Jozefbeelden, 30 Maria’s. Dat Afrit 9 daar nooit gepasseerd is.’

Jouw devotie heeft niets met angst te maken?
Lecompte: ‘Nee, wel met het verlangen naar betekenis. Zelfkastijding ook. En wat komt er na de dood? Daar zit ik mee in. Ik heb toch al veel op mijn kerfstok.’

Van Malder: ‘Wat stel jij je voor bij het hiernamaals?’

Lecompte: ‘Nachtmerries. Ik ben bang in het vagevuur te moeten verblijven.’

Van Malder: ‘Je zult er niet alleen zitten.’

Wat wil je opbiechten?
Lecompte: ‘Waar zal ik beginnen? Wat durf ik kwijt? Wat is nog min of meer aanvaardbaar? (ernstig) Diefstal? Dat vind ik niet zo erg. Ik heb nooit van armen gestolen. Ook niet van mijn beste vrienden. Of toch. Als ik een conservenblik erwten en wortelen kan meepikken, zal ik het niet laten. Ik leg thuis een voorraad aan. Ik kan voor de kast staan en naar die blikken staren: wow, wat een luxe! Toen ik 23 was, heb ik deeltijds in de Carrefour gewerkt. Op het einde van de maand had ik niets meer. Ik ben als de dood voor armoede.’

Dominique, wat knaagt aan jouw geweten?
Van Malder: ‘Ik heb de moeder van mijn zoon verlaten. Plots. Niemand had zoiets van mij verwacht, ikzelf zeker niet. Ik ben iemand die zich ten dienste stelt van anderen, en toen koos ik voor het eerst voor mezelf. Ik was, bij wijze van spreken, 30 jaar vegetariër en bestelde ineens een biefstuk. Ik was zwaar verliefd op een ander. Dat is jaren blijven knagen. Dat schuldgevoel. Het heeft er danig ingehakt dat ik de liefde vandaag moeilijker vind dan voorheen. Relaties en ik, het is wat. Ik geloof heel hard in de liefde, maar de droom van het samen ouder worden, heb ik stillekes aan naar de vuilnisbak verwezen, vrees ik.’

‘Een wederkerend refrein in mijn relaties: ge zijt verliefd op uw werk. Ik hoor dat al 20 jaar. En ik ben het beu dat te horen, ook al hebben ze een punt. Ik zou niet de mens zijn die ik was als ik mij niet zo totaal investeerde in dat werk dat ik geen werk wil noemen.’

In je werk ben je erg empathisch. Ooit te horen gekregen dat je met God en klein pierke begaan was, maar niet met je directe naasten?
Van Malder: ‘Herkenbaar, ja.’

De stiltes worden langer, de lach wranger. Tot er alleen nog maar muziek weerklinkt in Hellebosch. ‘And you can have it all, my empire of dust. I will let you down, I will make you hurt.’

Van Malder: ‘Johnny Cash. Groot kunstenaar en dat kwam ook niet uit het niets. Je zult als klein jongetje maar een vader hebben gehad die bij de dood van je broer zegt: “Het is de verkeerde die gestorven is”.’

Lecompte: ‘Ik was 14 en al mijn leeftijdsgenoten waren zot op ‘Smells Like Teen Spirit’. Ik wilde alleen maar Manic Street Preachers horen. All we want from you are the kicks you’ve given us.’

Van Malder: (met zijn Radio Gaga-stem) ‘En aan wie wil je dit plaatje opdragen, Delphine?’

Lecompte: ‘Aan mijn mama, natuurlijk.’

Motten vliegen zich te pletter in de lantaarn, de laatste lichtbron, op de sterren na. De nacht breekt aan. De nacht breekt, tout court.
Maar het wordt altijd weer licht.

Bron: De Standaard

Apen apen onze seks op apegapen na

Ik weet dat je in de zoo rondhangt
Terwijl ik op de trein mijn angst verbijt
Tegenover mij zit een onheilspellende man
Vijf minuten geleden zei hij ongevraagd:
‘Ik ben een onheilspellende man!’
Hij leest een Spaanse krant en eet een croissant.

Naast mij zit een psychiater
Een minuut geleden beweerde hij:
‘Ik ben gisteren aan de dood ontsnapt!’ ‘
Welke dood?’ vroeg ik
‘Er is er maar 1’, antwoordde hij snibbig
Daarna negeerde hij me ostentatief
Hij at noch las.

Je bent nu aan de apen beland
Meld je me via de mobiele telefoon
Ze masturberen hun spiegelbeelden
Zoals verdachten die geïdentificeerd moeten worden
Jij ziet hen

En zij doen waar ze goed in zijn.

Ik ben nergens goed in
In reizen nog het minst
Eindelijk aangekomen in de ondergesneeuwde drugsmetropool
Verlang ik niets meer
Alleszins geen roes
Lasagne is goed.

De journalist eet vlug
Alsof zijn onberekenbare neef hem op de hielen zit
Ik eet traag.

Delphine Lecompte

 

 

 

Psychiater Dirk De Wachter over het Imposter Syndrome

‘Soms denk ik: laat me met rust, alsjeblieft. Ik weet het ook allemaal niet’

De Standaard – 17.08.2018

Voelt psychiater Dirk De Wachter zich weleens een oplichter? Dat hij zijn succes niet verdient? ‘Onlangs zei ik in Nederland dat het belangrijk is voor een maatschappij dat ouders goed voor hun kinderen zorgen. Dat werd overal verspreid als een ongelooflijk intellectueel inzicht. Moet je daar dan zo lang voor gestudeerd hebben, vroeg mijn vrouw zich af.’

De grote meerderheid van ons – tot 70 procent zelfs – wordt af en toe overvallen door het gevoel een oplichter te zijn. Het succes dat we hebben, verdienen we eigenlijk niet. Blijken van succes zijn louter geluk. Meer nog: vroeg of laat gaan we door de mand vallen en zal iedereen ons zien zoals we eigenlijk zijn: bedriegers. De Standaard spreekt met tien Vlaamse toppers over het imposter syndrome (oplichterssyndroom), de twijfel en de kritiek. Vandaag: psychiater Dirk De Wachter.

‘Ik vind zelf dat ik regelmatig over het paard getild word. Er worden mij gedachten toegedicht die ik niet heb, en goeroe-achtige eigenschappen toebedeeld die ik niet wil opnemen. Ik heb ook geen antwoord op alle maatschappelijke vragen. Bij mij speelt imposter syndrome dus ook een rol, maar ik vind eigenlijk dat veel succesvolle mensen het best wat meer impostergevoelens zouden mogen hebben. Dat is vaak een blijk van gezonde zelfkritiek. Er bestaat wel een gevaar dat we zouden vervallen van een pretentieuze positie in een slachtofferrol: “Ik kan niks, ik ben niets.” Dat is al even hooghartig, een soort omgekeerd narcisme. Er moet altijd nuance zijn.’

Ervaart u uw succes in de academische wereld anders dan in de media?
‘Dat zijn totaal andere werelden. Aan de universiteit en in het ziekenhuis ben ik maar een kleine garnaal, in de media word ik opgevoerd als een opiniemaker. Ik moet daar bescheiden over spreken, want dat is veel gebakken lucht. Ik stel hier en daar een vraag, en af en toe zijn die vragen relevant. Maar ze hebben grote impact, dat moet ik ook niet ontkennen.’
‘Het zou vals bescheiden zijn om te zeggen dat wat ik doe totaal onbelangrijk en volkomen belachelijk is, maar veel van wat ik zeg is ook maar heel gewoon. Onlangs zei ik in Nederland dat het belangrijk is voor een maatschappij dat ouders goed voor hun kinderen zorgen. Dat werd overal verspreid als een ongelooflijk intellectueel inzicht. Moet je daar dan zo lang voor gestudeerd hebben, vroeg mijn vrouw zich af. Maar goed, blijkbaar moest iemand dat eens zeggen. Mijn gedachtegoed raakt blijkbaar een gevoelige snaar.’
‘Tegelijk verwachten mensen van mij ook de oplossing. “Je zegt dat er iets mis is met de wereld, nu moet je ook zeggen wat we daaraan kunnen doen.” Ik moet altijd herhalen dat ik een psychiater ben, en een psychiater brengt geen oplossingen aan. Ik maak een kader waarin mensen zelf over oplossingen kunnen nadenken. Het doel is om in dialoog nieuwe inzichten te creëren, zowel met mijn patiënten als in de maatschappij.’

Als iedereen zijn kwetsbaarheden en twijfels zou toegeven, zouden we allemaal een stuk beter in ons vel zitten.
‘Dat is ook wat ik overal verkondig. Niet in een emocultuur – in tranen, op tv, voor een miljoen kijkers. Maar ik pleit ervoor om het aan mensen die je vertrouwt toe te geven als je het even niet meer weet, als het lastig gaat, als je het moeilijk hebt. Om de schijn van gelukzaligheid niet hoog te blijven houden, tegen beter weten in. Om geen feestfoto’s te delen op Facebook terwijl je in je bed ligt te huilen. Dan kun je uiteindelijk alleen nog maar eerlijk zijn tegen je psychiater, tegen betaling dan nog. Over kwetsbaarheid spreken werkt verbindend.’

Toch is dat in grote mate taboe.
‘Wat mensen tegen mij vertellen, in de duisternis van mijn praktijk, dat wil ik aan de wereld vertellen. Als mensen mij zeggen dat ze zo eenzaam zijn, dat ze niemand hebben, dan wil ik aan de wereld duidelijk maken dat dat veel voorkomt. Iedereen is beschaamd daarover te spreken. Ik wil, als advocaat van die mensen, spreken over wat ik in mijn praktijk hoor, en zeggen dat dat van belang is.’
‘Ik word zelf ook overrompeld. Soms denk ik: laat me met rust, alsjeblieft. Ik weet het ook allemaal niet. Wat vragen ze mij toch allemaal? Ik heb het soms ook moeilijk met kritiek, omdat ik er snel van uitga dat kritiek terecht is. Ik vertrek als psychiater dan ook steeds van het standpunt van de ander. Als ik een giftige mail krijg, dan schrik ik een beetje. Maar ik vraag me ook af waar die reactie vandaan komt, wat die mens heeft meegemaakt.’

U zegt dat de invloed van geluk niet te onderschatten is.
‘De maakbaarheid van succes is een illusie. Ik pleit voor gewonigheid. Je mag fier zijn op de dingen die je gerealiseerd hebt met hard werken, talent, creativiteit en studie. Wees maar fier, want je succes is zeker te danken aan dingen die je zelf gedaan hebt. Maar weet ook dat er veel geluk en toeval bij komt kijken. It was half my fault, and half the atmosphere. Dat is zo bij mislukking, maar ook bij succes.’
‘Als je veel gerealiseerd hebt, zorg er dan voor dat je met beide voetjes op de grond blijft. Soms ontmoet ik in mijn praktijk heel succesvolle mensen die heel kwetsbaar zijn. Succes heeft vaak een heel hoge prijs. Ik zie mensen die heel eenzaam zijn en bijvoorbeeld hun gezinsleven compleet ontmanteld hebben. Die staan dan zogezegd succesvol in de schijnwerpers, maar ze zijn helemaal verlaten. Dat is een karikatuur, maar ze bestaat wel.’

Is kwetsbaarheid tonen moeilijker voor vrouwen of voor mannen?
‘Imposter syndrome werd ontwikkeld als theorie over vrouwen, die zich vaker zouden wegcijferen, terwijl mannen zich zomaar overal staan te profileren. Dat is later ontkracht en de theorie werd sterk verbreed. Het is ook heel subjectief en dus moeilijk te onderzoeken.’
‘Je zou kunnen zeggen dat vrouwen vanuit een cultuurhistorische achtergrond, en misschien ook wel biologisch, makkelijker toegang hebben tot kwetsbaarheid. Maar we zien ook dat vrouwen in topfuncties net afgerekend worden als ze die kwetsbaarheid tonen. Een vrouw die huilt op een vergadering: dat is fin de carrière. Een man die huilt op een vergadering wordt meteen opgehemeld. We hebben hem nodig! Oh zo kwetsbaar!’
‘Tegelijk zie ik hoe sommige mannen, vanuit de klassieke machogedachte, niet in staat lijken te zijn om enige kwetsbaarheid te tonen. Het is heel dubbel.’

U zei dat succesvolle mensen best wat meer imposter syndrome mogen hebben.
‘Ik pleit voor meer imposter syndrome. Uiteraard bedoel ik niet dat mensen zich slecht moeten voelen en moeten denken dat ze niets kunnen. Maar ik pleit voor twijfel. Je moet jezelf af en toe een spiegel voorhouden en zeggen: komaan jong, je bent toch ook maar een klein ventje. Doe maar gewoon.’

 

Eén regel

Wie verliefd is verkeert in een psychotische toestand en kan geen onderscheid meer maken tussen waan en werkelijkheid. Je gaat helemaal op in jouw realiteit. Voor jou is wat je denkt en voelt levensecht, terwijl je omgeving dat helemaal anders ervaart.
Die omgeving vindt ook dat je vreemd begint te doen. Je gedrag verandert, je motivatie verandert, je hebt last van stemmingswisselingen, en bij wijlen ben je hyperactief, om even daarna de neiging te vertonen stil in een hoekje te willen wegkruipen.
Zo beschreven lijkt verliefdheid wel een ziekte, of op zijn minst een stoornis die je verhindert normaal te functioneren.
Natuurlijk is verliefdheid geen psychotische toestand! Maar het lijkt er wel heel sterk op, en daarom ook dat wie het nooit heeft meegemaakt niet kan begrijpen dat je op dergelijke wijze gaat reageren als je het goed te pakken hebt, en tot over je oren verliefd bent.
Ze zeggen dat het over gaat, meestal na een korte tijd. De hardnekkigste verliefdheid stopt na twee jaar, naar het schijnt…
Als verliefdheid een ziekte is, dan is liefde de genezende kracht, en voor liefde geldt maar één regel, en dit is meteen ook de enige regel waarin ik geloof:


Je zoenen zijn zoeter

Je zoenen zijn zoeter dan
zoeter dan honing en ik vind je
mooier en liever, liever
en aardiger nog dan de koning.
We gaan samen liggen
een eind hier vandaan
we maken van takken
van takken en blaadjes
een vloer en een dak,
dat was onze woning,
of ik was het tuintje
en jij was de tent
daar gingen wij wonen
en blijven en horen
o rep je mijn liefje
ik heb je zo graag
nu of nooit samen slapen
want we zijn er
alleen maar vandaag.

Judith Herzberg

 

 

 

 

Zelfzorg

Je groeit op
met de gedachte
dat je pas iemand bent
als je iets doet
voor anderen.

Later
kom je erachter
dat dit enkel
de perfecte manipulatie is
om je te laten doen
wat die anderen
van je verlangen.

Nu weet je
dat om het even wat
pas goed is
als je het in de eerste plaats
voor jezelf doet.

Micheline Baetens – 17.08.2018

Vrolijke verzen

Vrolijke verzen

Humo’s huisdichter Johan Sebastiaan Stuer ligt nu ook in de betere boekhandel met ‘100 vet vrolijke verzen’: ‘Suïcidaler ben ik er niet van geworden. Rijker vooralsnog ook niet’

Door zijn uitgeverij wordt Johan Sebastiaan Stuer omschreven als ‘een chronisch depressieve levensgenieter’. Maar fijnproever Otto-Jan Ham is een fan: ‘Het moet van Herman Van Rompuys haiku’s geleden zijn dat ik nog zo hard heb moeten lachen om poëzie.’

HUMO Proficiat met uw bundel! Hoe voelt dat?
Johan Sebastiaan Stuer «Om heel eerlijk te zijn voel ik me exact hetzelfde als altijd: existentieel wanhopig, lusteloos, drankzuchtig en een beetje moe. Maar het is natuurlijk wel prettig dat er nu een boekje in de winkels ligt met mijn naam op de cover. Suïcidaler ben ik er niet van geworden. Rijker vooralsnog ook niet.»

HUMO Hoe bent u op het idee gekomen om vet vrolijke verzen te schrijven?
Stuer «Ach, ik doe dat al meer dan twintig jaar, vraag me niet waarom. Uit verveling, denk ik. De jongste jaren gooide ik die versjes op Twitter en op Instagram. Ik vond het allang prima als ik er één of twee likes voor kreeg. Toen de doorluchtige heren Jonas Geirnaert en Guy Mortier me vroegen om huisdichter van Humo te worden, viel ik compleet uit de lucht.»

HUMO Was Humo’s huisdichter worden geen droom die uitkwam?
Stuer «Toch wel. Ik ben al zolang als ik me kan herinneren abonnee. Willen jullie veel groetjes doen aan Dwarskijker? En aan Cornelius Bracke, als die nog leeft?»

HUMO Corneel verkeert nog steeds in het land der levenden, maar heeft sinds zijn 90ste verjaardag wel wat last van zijn prostaat. Hoe begint u aan een vers? Zit u veel op rijmwoordenboek.net?
Stuer «Die website is mij volslagen onbekend. Alle rijmpjes komen rechtstreeks uit de schatkamers van mijn eigen geest. Meestal vertrek ik vanuit één zinnetje, de zogenaamde punchline. Maar het kan ook gewoon een woord zijn. Of een letter. Of een leesteken. Of een witregel. Het komt zoals het komt.»

HUMO En wat als het niet komt? Is het moeilijk om inspiratie te blijven vinden?
Stuer «Nee, hoor. Poëzie ligt op straat, zeg ik altijd. Mijn bundel is het resultaat van selecteren, selecteren en nog eens selecteren. Alleen het allerbeste is goed genoeg voor mijn lezers, wie die debielen verder ook mogen zijn. Maar het boek had net zo goed ‘Vijfhonderd vet vrolijke verzen’ kunnen heten. Alliteratorisch ware dat ook beter geweest. Maar er wordt al genoeg papier verspild, dat hoef ik jullie niet te vertellen.»

HUMO Komt er een vervolg?
Stuer «Wie zal het zeggen? Misschien wil ik eerst mijn cartoonistische vaardigheden perfectioneren. Ik kan totaal niet tekenen, maar ik heb toch al één zelfgemaakte cartoon gepubliceerd. In Humo, jawel. Die cartoon ging over een chassidische hond. Dus dat was lachen.»

HUMO Om even terug te komen op de lezers, voor wie schrijft u uw verzen?
Stuer «Geen idee. Ik heb niet echt een doelgroep voor ogen, als je dat bedoelt. Geld is geld, dus iedereen mag mijn boek kopen. Wat kan het mij schelen welke kleur of geloofsovertuiging iemand heeft? Het zijn toch allemaal rotzakken.»

HUMO Van welke dichter bent u zelf fan?
Stuer «Ik lees eigenlijk nooit poëzie. Dichters zijn zeer vervelende mensen. Telkens als er weer eens een Grote Dichter twintig, vijftig of honderd jaar dood is, wou ik dat hij nog twintig, vijftig of honderd jaar lánger dood was geweest. Dichters kunnen niet dood genoeg zijn, echt waar.»

HUMO Vindt u zichzelf dan ook vervelend? Of ziet u zichzelf niet als poëet?
Stuer «Ik zie mezelf in de eerste plaats als freelance onnozelaar. Zo staat het op mijn visitekaartje.»

HUMO En ziet u uw eigen werk als poëzie?
Stuer «Natuurlijk zie ik mijn werk als échte poëzie. Alleen al om de puristen en de Radio 1-luisteraars op de zenuwen te werken.»

HUMO Wat zijn uw toekomstplannen als freelance onnozelaar?
Stuer «Toekomstplannen heb ik in het geheel niet, want ik geloof niet in de toekomst. Ik leef van dag tot dag. Wat moet ik anders?»

HUMO Ondanks uw ‘onnozeliteiten’ zit er ook wel maatschappijkritiek in uw verzen. Is dat het doel: op een luchtige manier toch zaken aankaarten?
Stuer «Ooit wil ik in een meerstrofig gedicht de voedingsindustrie met de grond gelijkmaken. Ik erger me kapot aan de voedingsindustrie. Maar voor de rest heb ik weinig tot geen maatschappijkritische drijfveren. Als het maar rijmt, weet je wel.»

HUMO Vanwaar die onmin met de voedingsindustrie?
Stuer «Ik ben veganist. Dat betekent dat ik tegen dode dieren ben. Iedereen die het niet met mij eens is, heeft overschot van ongelijk. Ik ben daar heel onuitstaanbaar in.»

HUMO Is de titel van de bundel ironisch? Bijlange niet alle verzen zijn écht vrolijk.
Stuer «Het was eigenlijk mijn bedoeling om de bundel een relativerende ondertitel mee te geven: ‘Gemaakt in een bedrijf waar ook verdriet wordt verwerkt’. Maar voor de cover was hij te lang en we zijn domweg vergeten hem op de titelpagina te zetten.»

HUMO En vanwaar de keuze voor een fictieve 19de-eeuwer als afbeelding bij de verzen?
Stuer «Dat was een idee van mijn ontdekker en vaste voorwoordschrijver Jonas Geirnaert. Hij heeft die afbeelding op het internet gevonden. De ernst op die 19de-eeuwer zijn smoel contrasteert mooi met de soms ietwat banale onderwerpen die ik in mijn verzen behandel. Op het eerste gezicht verwacht je van die man geen poëzie over Beyoncé. Of over rodekool.»

HUMO Wat zijn uw favoriete verzen uit het boek?
Stuer «Moeilijk te zeggen. Het gedicht ‘Samenleving’ vat mijn wereldbeeld vrij goed samen:

Eeuwig branden in de hel
Is stukken minder wreed
Dan meedoen aan ’t gezelschapsspel
Dat Samenleving heet

Of anders misschien ‘Tinder’, een liefdesgedicht:

Ze houdt van ‘Thuis’ en jazzballet
Ik ga wel met mezelf naar bed

Je merkt: voor elk wat wils.»

Johan Sebastiaan Stuer, ‘100 vet vrolijke verzen’, Borgerhoff & Lamberigts

Bron: HUMO

Misschien moet ik mijn knipooggedichten toch ook maar eens laten uitgeven…