BOEK: Leven in je leven

Inhoud

Voortbouwend op de principes van de cognitieve therapie zijn de psychologen Jeffrey Young en Janet Klosko erin geslaagd om een uiterst bruikbare gids te schrijven voor een breed publiek. Het boek leert mensen hun negatieve gedachtepatronen, door de auteurs ‘valkuilen’ genoemd, te herkennen. Helder en aansprekend beschrijven Young en Klosko elf van de meest voorkomende valkuilen, waaronder problematische relaties, een irrationeel gebrek aan zelfvertrouwen, faalangst, eenzaamheid. Problemen waar veel mensen mee kampen. Tegelijkertijd bieden zij uitgebreide diagnostische tests en vragenlijsten om elke valkuil te herkennen, en stapsgewijze suggesties om ze in de toekomst te omzeilen. In Amerika hebben al duizenden mensen geprofiteerd van deze directe methode. Het boek Leven in je leven laat niet alleen zien hoe mensen kunnen ontsnappen aan de vicieuze cirkel van negatieve gedachten, het werkt ook inspirerend voor eenieder die over zijn leven wil nadenken.
Een must have op het gebied van cognitieve gedragstherapie.

‘Young en Klosko hebben baanbrekend werk verricht door technieken te ontwikkelen die je kunnen helpen je leven, werk en relatie te veranderen zoals jij dat wilt. Het boek weerspiegelt de enorme betrokkenheid, de deskundigheid en het klinische inzicht van de auteurs.’
– Uit het voorwoord van Aaron Beck

Recensie

Als mensen steeds met dezelfde persoonlijke problemen te maken krijgen in hun leven, is er sprake van een chronisch patroon. Vanuit de cognitieve therapie bezien gaat het daarbij om ‘schema’s’ die in dit boek valkuilen worden genoemd. Elf van deze valkuilen worden door de auteurs behandeld door middel van inzichten en technieken uit verschillende psychotherapeutische disciplines. Na liefst vier voorwoorden opent het boek met een overzicht van de elf valkuilen (onder andere verlatingsangst, extreme aanpassing en emotionele verwaarlozing). Er zijn drie inleidende hoofdstukken over het ontstaan, de stijlen en de veranderbaarheid van valkuilen. Dan volgen elf hoofdstukken over even zovele valkuilen. Per hoofdstuk wordt beschreven hoe je uit een valkuil kunt komen en wat de obstakels kunnen zijn. Het boek sluit af met een korte beschouwing over hoe lastig het kan zijn voor mensen om te veranderen en hoe je een en ander kunt aanpakken. Een frisse, niet-dogmatische kijk op therapie.

Bart Schols – De morgen – 23.08.2018

“Schematherapie komt voort uit de cognitieve gedragstherapie en is ontwikkeld door de Amerikaanse psycholoog Jeffrey E. Young. Ze legt de link tussen je gedrags- en relationele patronen vandaag, en wat er tussen je tweede en veertiende levensjaar met je gebeurd is: welke belangrijke gebeurtenissen hebben toen plaatsgevonden, hoe hebben je ouders zich toen tegenover jou verhouden, hoe hebben ze voldaan aan je basisbehoeften? Het gaat met andere woorden om diepgewortelde patronen die in je lijf zitten waardoor je altijd in dezelfde valkuilen trapt.”

https://www.demorgen.be/tv-cultuur/bart-schols-verdween-even-uit-de-afspraak-als-je-zit-waar-ik-gezeten-heb-zoek-dan-hulp~ba6c4afbb/?utm_source=demorgen&utm_medium=email&utm_campaign=newsletter&utm_content=ochtend&utm_userid=&ctm_ctid=a57e40ae9feefc6f3d4cf29b9a49158e

“Als ik vroeger over mijn jeugd sprak, ging het meestal over mijn moeder (die zelfmoord pleegde toen Schols dertien jaar was), maar het gaat veel verder dan dat. Ik ben opgegroeid in een gezin waar de grootste onvoorspelbaarheid heerste. Zou er die dag gedronken worden? Zouden er klappen worden uitgedeeld? En aan wie deze keer? (zwijgt even) Waar zou ik dus geleerd hebben dat ik van betekenis ben voor iemand anders? Want dat is net wat ik altijd gedaan heb: betekenis gezocht. In mijn werk, in het sporten, in relaties.”

https://media.standaardboekhandel.be/-/media/mdm/dante/product/5a812d75677e62.49960719.pdf

Leven in je leven 4e druk is een boek van J. Young uitgegeven bij Pearson Benelux B.V.. ISBN 9789026515699

Nonchalance

Nonchalance kan een vorm van egoisme zijn, niet altijd bewust, en ook niet altijd met het volle verstand, maar het kan wel zorgen voor problemen waar een ander en zelfs jijzelf slachtoffer van worden.

Het zorgt er ook voor dat anderen veel meer rekening moeten houden met jou, waardoor de lasten en zorgen slecht verdeeld worden, omdat jij onvoldoende aandacht geeft aan zaken, en die zelfs verwaarloost.

Synoniemen van nonchalance zijn: onverschilligheid, ongedwongenheid, nalatigheid, achteloosheid, onoplettendheid, zorgeloosheid, onachtzaamheid, slordigheid, verzuim, onzorgvuldigheid.

Natuurlijk is een zekere vorm van nonchalance ook gezond. Een lichte dosis is zeker welkom! Het zorgt voor evenwicht en relativering, en zolang je er niets of niemand mee schaadt kan het deugddoend zijn.

Maar voor alles is er een plaats en een tijd, en sommige dingen zijn nu eenmaal te belangrijk om er nonchalant mee om te springen: de mensen die van je houden, de natuur die ons zoveel schoonheid schenkt, het milieu dat ons gezond moet houden, de maatschappij waarin we leven en waarin voor ons gezorgd wordt, die ons kennis bijbrengt en welvaart en welzijn.

“Geef om elkaar”, klinkt wat melig, maar het zorgt er wel voor dat iedereen krijgt waar hij of zij recht op heeft. En wees gerust af en toe nonchalant, maar wel nooit met het begrip geven en nemen, want zolang dat in evenwicht is doen we noch onszelf, noch de andere tekort, en blijft het leven voor elk van ons de moeite waard.

Geluid is een stille doder

De kerk van Nieuwerkerken, bij Aalst. Na een klacht van een buurtbewoner luiden de klokken niet meer voor acht uur ’s ochtends.

Waarom zure buren kanaries in de koolmijn zijn

De Standaard – Sarah Vankersschaever – 20.08.2019

In Nieuwerkerken luiden de kerkklokken niet langer om zes uur ’s ochtends. Geluidsoverlast, vond een buurtbewoner. Gevoelig of overgevoelig? ‘Als geluid een groepsprobleem wordt, is dat een teken dat de samenleving te luid wordt.’

‘Ik ken de man niet, maar hij zou net voorbij de kerk wonen. Hoe dan ook, ’t is belachelijk.’ Sofie Wynant (36), uitbaatster van het dorpscafé ‘Bij Sofie’, heeft weinig begrip voor de nieuwkomer in Nieuwerkerken die de klokken deed zwijgen. De kerk gaf tot drie maanden geleden vanaf zes uur ’s ochtends het uur aan. ‘Zo wist de zoon van mijn nicht wanneer hij moest opstaan’, zegt Denise D’Hondt (83), die in een appartement recht tegenover de kerk woont. ‘Ik heb nergens last van. Schrijf dat maar op. De kerk is mijn klok: zo hoor ik wanneer ik ’s middags mijn kleinkind van school moet halen. Of wanneer er iemand gestorven is.’

Voortaan luidt de klok dus pas vanaf acht uur ’s ochtends en in het weekend vanaf negen uur. Francine Van Styvendael (80) woont al haar hele leven in het centrum en vindt het erg dat ene mensch een hele gemeenschap de wet kan dicteren. ‘Als je geen kerkklok kunt verdragen, wat verdraag je dan wél nog?’

De voorbije jaren werden meermaals klachten ingediend tegen kinderdagverblijven, scholen, zwembaden en speelpleinen. Tjeerd Andringa, universitair hoofddocent Auditory Cognition aan de Rijksuniversiteit Groningen, ziet het zo: ‘Los van waar die klachten precies over gaan, hebben ze als rode draad dat de mensen in kwestie geluidsoverlast ervaren. En die klachten nemen toe. Dat wil iets zeggen – aan ons om uit te zoeken wat.’

‘Mensen die vanuit hun living bomen zien, ervaren hun buurt als stiller dan mensen die bij eenzelfde geluids­niveau op beton of huizen kijken’
Dick Botteldooren
Professor omgevingsgeluid Universiteit Gent

Andringa doet dat met behulp van zijn app MoSART, waarmee mensen een geluidsdagboek kunnen bijhouden. ‘De meeste enquêtes over geluidsoverlast worden na de feiten afgenomen, maar we willen weten wat mensen tíjdens de overlast ervaren.’
Die informatie is belangrijk omdat ze Andringa en zijn team helpt te begrijpen waarom een kerkklok door de ene als storend wordt ervaren en door de andere als neutraal of zelfs geruststellend. ‘Overlast zit vooral tussen je oren’, zegt hij. ‘Zelfs als we denken geen aandacht te schenken aan omgevingsgeluid, luistert een deel van onze hersenen actief. Je kunt alleen maar iets negeren als je er geen aandacht aan besteedt. En je weet pas dat je er geen aandacht aan moet besteden omdat in de hersenstam is beslist dat je er niet naar hoeft te luisteren, bijvoorbeeld omdat het in de categorie ongevaarlijk of onbelangrijk valt.’

Precies daar kan het mislopen. Door een negatieve ervaring of door een medische oorzaak kan onze hersenstam het luiden van een klok markeren als een geluid waar je naar moet luisteren. Dat is het moment waarop een geluid zoals een herhaalde tik op je schouder wordt en je uit je concentratie haalt. Het wordt storend en je koppelt het aan een negatieve emotie.

Vicieuze cirkel

‘Overlast zit vooral tussen de oren. Zelfs als we denken geen aandacht te schenken, luistert een deel van ons brein actief’
Tjeerd Andringa
Universitair hoofddocent Auditory Cognition aan de Rijksuniversiteit Groningen

De tijd om gehoorproblemen louter als een medisch probleem te behandelen is daarmee voorbij’, zegt Nicolas Verhaert, oorchirurg in het UZ Leuven en professor aan de KU Leuven. ‘Tot zo’n vier jaar geleden lag de nadruk op medisch advies, maar we merkten dat patiënten daar niet altijd vrede mee namen. Na hun behandeling zochten ze verder naar een oplossing voor hun gehoorprobleem. Ze deden dat soms weinig kritisch en besteedden daar veel geld aan. We beseften dat we in psychologische begeleiding moesten voorzien. Daarom hebben we sinds een paar jaar onder anderen een klinisch psycholoog in ons team.’

Geen overbodige luxe, zegt Verhaert. ‘Alleen al de wanhopige zoektocht naar hulp is problematisch omdat mensen hun gehoorproblemen als een catastrofe zien. Ze worden bang dat ze geen goed leven meer zullen hebben. Precies die angst kan gehoorproblemen zoals tinnitus (oorsuizen, red.) versterken. Een psycholoog helpt de vicieuze cirkel te doorbreken.’

Gehoorproblemen zijn dus vaak een complexe combinatie van medische en psychologische oorzaken. Vooral de psychologie staat op dit domein nog in haar kinderschoenen. Zo bestaat er nog geen oplossing voor het proces dat Tjeerd Andringa zonet beschreef: het is nog niet mogelijk om een geluid te ‘ontstoren’ in de hersenstam. ‘Net zoals bij tinnitus moet je de negatieve emoties bij overlast proberen te doorbreken, anders versterken emotie en geluid elkaar’, zegt Andringa. ‘We geloven dat er een therapie voor ontwikkeld kan worden, want het proces heeft veel weg van hoe trauma’s ontstaan en doorwerken. Maar er is nog veel onderzoek nodig. Ook naar hoe je zoiets praktisch organiseert, want veel mensen zullen het als onrechtvaardig ervaren dat zij therapie moeten volgen, terwijl iemand of iets anders geluidsoverlast veroorzaakt.’

Perceptie

Het zit niet allemaal tussen de oren. ‘Algemeen is geluid de voorbije decennia constanter en langduriger geworden’, vertelt Dick Botteldooren, professor omgevingsgeluid aan UGent. ‘Auto’s, treinen en vliegtuigen bijvoorbeeld, zijn elk apart stiller, maar het zijn er wel meer dan vroeger. Mensen verplaatsen zich bovendien vroeger op de dag en later ’s avonds om file te vermijden.’

‘Als een zone verkeersvrij wordt, zullen individuele geluiden zoals stemmen op een café­terras meer opvallen. In decibels zal het dan stiller zijn, maar niet noodzakelijk in de perceptie van de buurtbewoners.’

Daarmee is een groot woord gevallen: perceptie. Botteldooren wees eerder in deze krant op het effect van imago op onze beleving (DS 29 januari). Onderzoek toonde aan dat mensen zich meer storen aan het lawaai van vliegtuigen dan van treinen, zelfs bij eenzelfde geluidsniveau. Het verschil: de perceptie van milieuvriendelijkheid. Diezelfde logica kan een deel van de verklaring zijn van het resultaat van het vijfde Leefom­gevingsonderzoek: de auto kwam daar als grote verliezer uit de bus, zowel op het vlak van geluids- als geurhinder. De wagen heeft dan ook een milieuonvriendelijker imago gekregen de jongste jaren.

Algemene perceptie, context en individuele psychologie: samen bepalen ze wanneer geluid lawaai wordt. Personen die geluidsoverlast melden in een vingerknip wegzetten als ‘zure buren’ of ‘onverdraagzame klagers’, is daarom te gemakkelijk. Samen zijn die mensen kanaries in de koolmijn, vindt Andringa. ‘Als geluid een groepsprobleem wordt, is dat een teken dat de samenleving te luid wordt. Of op z’n minst niet langer stil genoeg. Dat is een pervers effect van onze geluidsnormen: door alles in normen vast te leggen, geef je als overheid het signaal dat tot een bepaald niveau alles kan. Dus de “lage kwaliteit” juich je toe. Maar de “hoge kwaliteit”, de stilte, krijgt niet diezelfde wettelijke slagkracht. Met als gevolg dat die afneemt.’

En dat is zonde volgens Andringa, want hij gelooft dat als elk huis een stille kant zou hebben, we er allemaal wel mee zouden kunnen leven dat het huis ook een ‘herriekant’ heeft.

Al is dat in de praktijk niet zo eenvoudig, blijkt uit het verhaal van B. J.* (67) uit Oudenburg. Zij woont tussen twee horecazaken. In de ene zaak is het rustig, maar in het andere café wordt vaak tot in de vroege uren gezongen, geroepen en gedanst. ‘Het lawaai is allesoverheersend, het heeft zelfs geen zin om de radio aan te zetten’, zegt B. ‘Mensen vragen me waarom ik niet verhuis Maar dit huis is al generaties in de familie en ik woon hier met mijn chronisch zieke zus. We hebben de middelen niet om in het centrum iets nieuws te zoeken.’

Dempend groendak

Ze wil bovendien helemaal niet klagen. Want ze drinkt zelf ook graag een glas op een terras en ze weet dat als je in het centrum woont, je wel wat moet kunnen verdagen. ‘Maar die muziek … We liggen ’s nachts wakker tot het ­café opgeruimd en dicht is. Het vreet aan je dat iemand zo veel macht heeft over hoe je je thuis voelt en of je kunt slapen. Ik voel me vaak radeloos.’

De oplossing voor geluidsoverlast loert niet om de hoek. Omdat er volgens Botteldooren onvoldoende preventief over wordt nagedacht. ‘Akoestiek is nog altijd geen verplicht vak binnen stedenbouw’, zegt Botteldooren. ‘We hebben jaarlijks twee inschrijvingen, wat aantoont dat studenten er niet in geïnteresseerd zijn. Zonde, want zodra je iets moet doen om de ervaring van mensen met geluid te beïnvloeden, wordt het technisch: je moet weten hoe je moet meten, hoe je een wegdek stiller maakt, hoe je een dempend groendak aanlegt. Maar evengoed moet je weten dat geluid ook psychologie is, want mensen die vanuit hun living struiken of bomen zien, ervaren hun buurt als stiller dan mensen die bij eenzelfde geluids­niveau op beton of huizen kijken.’ Voor Botteldooren is het duidelijk: het wordt tijd dat geluid gezien wordt als een integraal deel van stadsontwikkeling.

Volgens Andringa hoeven we niet te wachten tot het beleid wakker wordt. Een deel van de oplossing ligt in menselijk gedrag. ‘Wederzijds begrip en bereidheid om te zoeken naar een oplossing. Het is niet altijd haalbaar, uiteraard. Maar ik denk aan een dame die moeite had met de luide scooters van een pizzarestaurant in haar buurt. Het restaurant is overgeschakeld op elektrische scooters en het probleem was opgelost. Of ik denk aan de buren van een kroeg die ’s nachts luide feesten organiseerde. De kroeg werd verplicht om te sluiten om middernacht en aanvankelijk hebben ze inderdaad minder feesten verkocht. Maar nadien werden mensen dat gewoon en begonnen ze gewoon vroeger. De overgang was een paar maanden moeilijk, maar uiteindelijk werkte de oplossing voor iedereen. Het gaat erom hoe je een samenleving vorm geeft. En dat moet in de eerste plaats op mensenmaat zijn.’

B.J. wenst anoniem te getuigen. Naam en contactgegevens zijn bekend bij de redactie.

Becky Wijnen en haar man in hun tuin in de Borgerhoutse Weerstandlaan (foto onder). Al ‘honderdduizend keer’ overwogen ze om te verhuizen. Iets verderop (foto boven) werden in de jaren 80 geluidsschermen geplaatst tegen het lawaai van de snelweg, maar die volstaan niet meer. 

Lawaai kan ook een stílle doder zijn

De Standaard – Jef Poppelmonde – 21.08.2019

Ook wie het niet (meer) hoort, wordt langzaam maar zeker ziek van luid omgevingslawaai. ‘Het is een zwaar onderschat probleem.’

Voor wie oordoppen draagt, is de Weerstandlaan in Borgerhout een idyllisch plaatje. Een rustige woonwijk, met keurige voortuintjes, een straat waar kinderen nog spelen en waar de groene boomkruinen vol fluitende vogels zitten. Jammer alleen dat die laatste niet boven het gedonder uitkomen van vracht- en andere wagens over de E313, de snelweg die deze woonwijk dag en nacht in de ban houdt.

Patrick Vermeren (60) en Brun Moonen (58) wonen al 35 jaar in deze straat. ‘Wij zijn zo aan het lawaai gewend dat we het bijna niet meer horen’, zeggen ze met verheven stem, bijna roepend, om boven het geraas uit te komen. We staan in hun achtertuin en onze decibelmeter wijst een gemiddeld niveau van 67 decibel aan. En dat op een rustige maandagnamiddag buiten de spits. Door de boomkruinen zie je de geluidsbron over de snelweg schuiven.

Met open ramen slapen durven Patrick en Brun niet, ‘want al om vier uur ’s ochtends beginnen de file en het getoeter’. Maar ze zitten tijdens de zomer wel hele dagen buiten in de tuin. ‘Dat laten we er niet voor. Dat lawaai went, echt waar’, antwoorden ze op onze verbaasde blik. ‘Het is pas als bezoekers er ons op wijzen, of als we in een rustige buurt met vakantie zijn, dat we er nog eens stil bij staan.’

Als een wekker

‘Ieder jaar zijn er op festivals mensen die klaplongen krijgen. Dat zijn vooral lange, smalle mannen, op wier organen de impact van de vibraties het grootst is’
Bart Vinck
Professor UGent, wereldautoriteit in audiologie

Stil, dat is het hier nooit. Bij de laatste metingen, gedurende twee weken in 2012, werd hier in de Tuinwijk een gemiddeld geluidsniveau van 68 decibel vastgesteld – overdag en ’s nachts gecombineerd. Pieken waren er tot wel 80 decibel, een niveau dat vergelijkbaar is met een rinkelende telefoon, een wekker of een deurbel, maar dan zonder dat iemand hem opneemt, afklopt of de deur openmaakt.

Daarmee zijn de bewoners van de Tuinwijk niet alleen. In de Antwerpse agglomeratie zijn, volgens de meest recente metingen van de stad uit 2016, ruim 142.000 inwoners blootgesteld aan gemiddelde geluidsniveaus van meer dan 55 decibel. Ruim 45.000 mensen moeten zelfs meer dan 70 decibel verduren. Dat lawaai is bijna uitsluitend van het wegverkeer afkomstig, en in heel beperkte mate van het spoor. In Gent en Brussel is de situatie niet beter, tonen geluidsrapporten die door de steden zelf werden opgesteld (zie grafiek).

Maar ook buiten de grote agglomeraties, in de Vlaamse lint­bebouwing en langs snel- en gewestwegen, zijn vergelijkbare geluidsniveaus verre van uitzonderlijk. Honderdduizenden Vlamingen zijn aan schadelijk lawaai onderhevig.

Hartinfarct

Want schadelijk is het. Geluid is volgens de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie ‘te’ luid vanaf een gemiddelde van 53 decibel per 24 uur. Daar ligt de ‘gezonde’ grens.

Vanaf dat niveau van blootstelling ervaart het menselijke lichaam dat geluid als een oncomfortabele situatie, waartegen het zich moet verdedigen. Een vluchtreflex zet zich in gang: de bloeddruk stijgt, het lichaam gaat meer adrenaline oppompen, de hartslag neemt toe. Er komen stresshormonen vrij. Wie zich vaak in zo’n luide omgeving bevindt – laat staan wie erin woont en slaapt – ziet het risico op hart- en vaatziekten stijgen. En zo ook de kans op een hartinfarct.

Bij die honderdduizenden Vlamingen en Brusselaars die gemiddeld aan meer dan 53 decibel per dag zijn blootgesteld, zijn er velen zoals Patrick en Brun uit de Weerstandlaan – die zeggen dat zij daar ‘tegen kunnen’. Lawaai went, het leven gaat door. Maar waar beleving van geluid iets subjectiefs is, is de impact ervan op het lichaam dat niet.

Ook wie het al niet meer merkt, zal langzaam maar zeker ziek worden door (te) luid verkeerslawaai. ‘Ons lichaam is een sensor die alles oppikt, ook al zien of horen we dat niet’, zegt Bart Vinck, professor aan de Universiteit van Gent, wereldautoriteit in de audiologie en tot voor kort hoofdarts in het UZ van Gent. Daar behandelde hij vooral patiënten met tinnitus, of oorsuizingen. Maar die kunnen pas optreden bij blootstelling aan meer dan 75 decibel. Ze maken ook slechts een kleine fractie uit van de medische impact van geluid.

Varkenslongen scheuren

‘De meest schadelijke gevolgen worden zelfs veroorzaakt door tonen die we niet horen’, zegt Vinck. Hij doelt op geluiden met een frequentie van minder dan 20 hertz, die ook door verkeer uitgestoten worden. Ze zijn met het menselijke gehoor niet waarneembaar, maar bevatten de zwaarste trillingen. En het zijn die trillingen, die iedereen kent die weleens voor een zware luidspreker staat, die ziek maken. Ze hebben directe impact op het hart, de bloedvaten en zelfs de longen.

‘Ieder jaar zijn er op festivals mensen die klaplongen krijgen. Dat zijn vooral lange, smalle mannen, op wier organen de impact van de vibraties het grootst is. Geluid kan de longen van een varken doormidden scheuren’, illustreert Vinck de kracht van (onhoorbaar) geluid.

Of we het lawaai nu waar­nemen of niet, de verborgen effecten ervan zijn even groot. Gevolg: ’s nachts zijn ze even groot als overdag. ‘En dan komen daar nog de gevolgen bij van verstoorde nachtrust, zoals vermoeidheid, stress, afname van de weerstand tegen ziekte, of – op langere termijn – diabetes.’ Dat is waarom de normen die de WHO maar ook Vlaanderen voor geluid opleggen, ’s nachts strenger zijn dan overdag. Maar nog voldoen ze volgens Vinck niet.

De ‘extra-auditieve’ effecten van geluid zijn een zwaar onderschat probleem, zegt hij. ‘De criteria die we gebruiken om geluid te meten, die waar onze wetgeving op is afgestemd, worden altijd in decibels uitgedrukt. Die maatstaf zegt veel, maar niet alles. Hij houdt geen rekening met de frequentie van geluid, met de hoeveelheid trillingen erin aanwezig. Soms zie je mensen ziek worden van geluid. Als ze klagen, komen er metingen, en die tonen dan dat de decibelnorm niet overschreden is, waarna er niets verandert.’

‘Daar moet dringend iets aan gedaan worden. Het is goed dat er overal oordoppen uitgedeeld worden en dat er wordt ingezet op isolatie van huizen, maar die houden de trillingen niet of onvoldoende tegen. Ze voorkomen gehoorschade, maar ze doen niets af aan alle andere gevaarlijke effecten van geluid. Daartegen helpt het lawaai verminderen bij de bron – meestal dus bij het verkeer.’

Slapen met oordoppen

Becky Wijnen (49) uit de Weerstandlaan is ervan overtuigd dat zij en haar familie ‘rustiger’ zouden zijn, als ze zonder snelweg in hun achtertuin zouden wonen. ‘Elke dag opnieuw sta ik daarbij stil’, vertelt ze. Al ‘honderdduizend keer’ overwoog ze om te verhuizen, zucht ze op de stoep voor haar woning. ‘Wij wonen hier graag. Kinderen kunnen op de straat spelen. Maar dat lawaai is een enorme bron van stress.’ In tegenstelling tot hun buren ‘kunnen wij niet in de achtertuin zitten’.

Maar zo vervelend ze dat geluid overdag vindt, zo weinig trekt Wijnen er zich ’s nachts dan weer van aan. ‘Wij slapen altijd met onze ramen open, ik word er niet wakker van’, zegt ze. ‘Niet veel buren kunnen dat. Wij in het begin ook niet, maar het went.’ Al geldt dat niet voor het hele gezin: ‘Eén van mijn dochters slaapt altijd met oordoppen in.’

Ze maakt zich weleens zorgen, zegt Wijnen. Zeker sinds een van haar buren, verderop in de straat, verhuisde nadat hij door een hartaanval getroffen was. ‘Zijn dokter zei dat hij onmiddellijk moest ophouden met roken en stress moest vermijden. Maar die man had nog nooit gerookt en had ook geen stress. Toen hij vertelde waar hij woonde en over de snelweg in zijn tuin, zei die dokter: “Als u graag ouder wil worden, zou ik snel verhuizen.” En dat deed hij.’

Voor Ceelke Van Nuffelen (links), Nora Larosse (midden) en Mustafa Körükçü (rechts) is ‘normaal’ mét muziek in de oren.

‘Met muziek in mijn oren, zit ik in mijn eigen wereld’

De Standaard – Maxie Eckert – 22.08.2019

De tieners en twintigers zijn opgegroeid met mp3’s en iPods. Kunnen ze niet meer zonder? Mag het nooit meer stil zijn? Drie jongeren vertellen waarom ze zo gehecht zijn aan hun koptelefoon of oortjes.

Annick Gilles, professor audiologie (UZA/UAntwerpen)
‘Het oor kan recupereren, maar de schade bouwt wel op’

Als ze door het bos aan het joggen is, ze even stopt en haar koptelefoon afzet, denkt Nora Larosse wel eens: ‘wow, wat je hier allemaal kan horen.’ De wind, de bomen, de bladeren. ‘En ik mis het allemaal.’

De 22-jarige studente is een van die vele jongeren die je op straat ziet met hun koptelefoon of hun oortjes. In de tram, op de fiets, wachtend aan het kruispunt. Veel tieners en twintigers van vandaag kunnen zich niet meer herinneren hoe het ooit geweest is zonder mp3-spelers en iPods.

Met muziek op gaat het allemaal sneller vooruit, vertelt Nora, zoals bij het sporten. Het is een van de redenen dat ze vaak haar koptelefoon draagt. Ook al mist ze dan soms iets dat ze niet had verwacht, maar dat wel mooi is. Zoals de geluiden in het bos of een grappig gesprek dat andere reizigers op de trein voeren.

‘Soms wil ik met de koptelefoon ook het signaal geven dat ik rust wil. Dat klinkt misschien asociaal. Maar we sluiten ons toch allemaal af van onze omgeving? Iedereen zit toch de hele tijd naar zijn smartphone te kijken?’
Nora Larosse
Studente

Net als Nora heeft Mustafa Körükçü (24), die als schoonmaker in een jongerencentrum in Antwerpen werkt, altijd muziek in de oren als hij onderweg is. ‘Per dag kom ik gemiddeld wel aan 3,5 uur met oortjes. Met de muziek zit ik in mijn eigen wereld, ik kan in gedachten verdwalen en heb geen last van toeterende auto’s, mensen die luid praten of ander stadslawaai. De muziek moet daarvoor natuurlijk wel voldoende luid staan.’
Ook voor Ceelke Van Nuffelen (25) is muziek via de koptelefoon een manier om te ontsnappen. Naar haar job bij het jongeren­persagentschap StampMedia in Antwerpen-Noord neemt ze de fiets – altijd met muziek. ‘De weg naar het werk is routine, maar als ik mijn koptelefoon opzet en naar Beyoncé luister, begin ik te dromen. Hoe het zou zijn om met haar op het podium te staan, bijvoorbeeld. Of ik denk er bij een nummer aan hoe het later op mijn trouwfeest gespeeld zou worden.’ (lacht) ‘Je duikt weg in een andere wereld.’

Zoals een hoed afzetten

Bij haar ouders thuis kan Ceelke de vogels horen fluiten. Daar heeft ze minder behoefte om altijd muziek op te zetten. Ook Mustafa heeft regelmatig zo’n moment dat het voor hem loont om zijn oortjes weg te steken: als hij de waterbus over de Schelde neemt. ‘Het geluid van de motor, het water en de meeuwen, daar kan ik echt van genieten. Het geeft rust. Maar in de stad gaan de oortjes weer in en de muziek weer aan.’

‘Normaal’, dat is voor alle drie mét muziek in de oren. Ja, ze sluiten zich bewust af van de omgeving en van andere mensen als ze onderweg zijn, zeggen ze. ‘Als ik in de trein iets laat vallen, moeten mensen me echt aantikken om me erop te wijzen’, vertelt Nora.
‘Als je geen koptelefoon op hebt, knopen anderen gemakkelijker een gesprek met je aan. Maar soms is het gewoon fijn om in je eigen wereld te zitten en wil ik met de koptelefoon ook het signaal geven dat ik rust wil. Dat klinkt misschien asociaal. Maar we sluiten ons toch allemaal af van onze omgeving? Iedereen zit toch de hele tijd naar zijn smartphone te kijken?’

Je hoofdtelefoon af- en de muziek uitzetten als toch iemand tegen je begint te praten, vinden ze alle drie normaal. Mustafa noemt het een nieuwe vorm van hoffelijkheid. ‘Zoals mannen vroeger hun hoed afzetten voor anderen.’

Beyoncé op 82 decibel

Hun muziek staat eigenlijk altijd luid, zeggen de drie twintigers. ‘Ik probeer er wel op te letten dat ik het volume niet altijd op het maximum zet. Om mijn oren te beschermen’, aldus Nora.

Ook Ceelke probeert daarop te letten. Tijdens ons gesprek meten we hoeveel decibel uit haar koptelefoon komt. Als ze haar iPod op z’n luidst zet, haalt Beyoncé tussen 78 tot 82 decibel, vergelijkbaar met de geluidsintensiteit van een drukke verkeersweg of een voorbijrazende trein. Behoorlijk luid, beseft de jonge vrouw. ‘Maar alleen als ik luid naar muziek luister, pik ik er iets van op. Ook al heb ik al zo vaak naar hetzelfde nummer geluisterd. Ik hoor telkens weer iets nieuws, bijvoorbeeld in de baslijn. Of ik merk een harmonie op. Het is ook gewoon fijn om muziek luid te beluisteren. Je voelt de bassen en de trillingen. Dat doet iets met je.’

Dat luide muziek zo’n aantrekkingskracht heeft op mensen, legde muziekpsycholoog Mark Reybrouck (KU Leuven) eerder deze zomer uit (DS 16 juli). Vanaf 96 decibel – een geluidsniveau dat al schadelijk is voor je gehoor – worden de oren en het evenwichtszintuig zodanig geprikkeld dat luide muziek dezelfde sensatie geeft als in een schommelstoel zitten of gewiegd worden. ‘Dat vinden mensen aangenaam’, aldus de Leuvense onderzoeker.

Tinnitus

Ceelke maakt zich wel zorgen dat haar oren blijvend schade zouden kunnen oplopen door luide muziek. ‘Want muziek is belangrijk voor me. Ik zing in een ensemble – we spelen nummers van David Bowie en Marvin Gaye – het zou vreselijk zijn als ik minder goed zou kunnen horen of een tinnitus zou hebben.’

Net als Nora kent Ceelke een aantal mensen dat door luide muziek een tinnitus heeft opgelopen. Ceelke heeft ook al eens zelf oorsuizingen gehad na een concert. ‘Bij optredens is de muziek soms niet goed afgesteld of de optredende bands zijn niet ideaal voor de zalen waar ze optreden. Ik herinner me een concert van Queens of the Stone Age waar de muziek zo luid stond dat je zelfs de details ervan niet meer kon horen. Het was een muur van geluid die op ons afkwam. Ik had wel oordoppen bij, maar ik heb die niet gedragen. Dat doe ik eigenlijk nooit.’

Na dat concert heeft Ceelke haar oren een paar dagen rust gegund om het niet erger te maken.

Nora vertelt dat ze altijd oordoppen bij heeft als ze op een festival is. Ze draagt die ook ‘wanneer het echt te luid wordt’.

De muziek op Werchter haalde deze zomer volgens de decibelmeter op de gsm van Nora tot 98,6 decibel. ‘Dat was aan de main stage. Ik had eigenlijk niet het gevoel dat de muziek echt luid was. Hoewel, ik moest roepen tegen mijn vrienden. Maar het voelde niet te luid. Misschien omdat het concert buiten was?’

Muziek in het verkeer

Los van hun oren: hebben de jongeren geen schrik dat hen iets overkomt als ze hun koptelefoon dragen, bijvoorbeeld doordat ze een auto niet zouden horen?

Mustafa zegt dat hij om die reden nooit op de fiets naar muziek luistert. Ceelke en Nora doen dat wel. Ceelke zet op de fiets de muziek niet op de luidste stand om niet te veel te missen van wat er om haar heen gebeurt, al komt er ook dan nog wel 64 tot 69 decibel uit haar hoofdtelefoon. ‘Ik hoor de auto’s er wel doorheen. Maar toegegeven, af en toe luister ik op de fiets té geconcentreerd naar muziek. Dan let ik minder goed op.’
Nora zegt dat ze wel weet dat het veiliger is om helemaal niet naar muziek te luisteren bij het fietsen. ‘Maar ik denk dat ik eerst iets serieus moet meemaken voor ik het echt besef.’

Annick Gilles, professor audiologie (UZA/UAntwerpen)
‘Het oor kan recupereren, maar de schade bouwt wel op’

Is het schadelijk om de hele dag een koptelefoon te dragen en naar muziek te luisteren?

‘Nee, in principe is dat geen probleem voor je oren. Het wordt wel een risico als je naar luide muziek luistert. Daarmee bedoel ik: in het hoogste kwart van de volumecapaciteit van je smartphone of mp3-speler. Per dag mag je maximaal een halfuur tot een uur naar zo’n luide muziek luisteren. Helaas doet een groot deel van de jongeren dat langer.’

Hoeveel jongeren hebben gehoorschade, uitgelokt door luide muziek?

‘Uit ons onderzoek bij 5.000 Vlaamse jongeren blijkt dat ongeveer 15 tot 20 procent van de jongeren gehoorschade heeft, en de belangrijkste oorzaak is luide muziek op concerten, via de koptelefoon of een combinatie ervan. De meeste klachten gaan over tinnitus of oorsuizen. De jongeren horen dan geluiden zoals geruis, een constante piep, gebonk of gekrekel.’

‘Er bestaat geen middel tegen tinnitus, want de haarcellen in het binnenoor zijn permanent beschadigd. De therapie richt zich er veeleer op dat je ermee leert leven. De psychologische gevolgen zijn niet min: wie tinnitus heeft, kan zich vaak moeilijk concentreren door het oorsuizen, krijgt slaapproblemen en is geïrriteerd door het geluid.’

‘Als je na een concert of feestje gepiep hoort, is dat een alarmsignaal. De haarcellen in het binnenoor kunnen dan wel recupereren en het oorsuizen stopt. Maar er blijft wel een schade achter en die bouwt op naarmate je vaker bent blootgesteld aan lawaai.’

Is de regelgeving rond het volume op concerten en festivals streng genoeg?

‘De wetgeving is een evenwicht tussen de bescherming en de beleving van bezoekers. Op een festivalweide produceren duizenden mensen zelf al veel lawaai en de muziek moet voldoende power hebben om erbovenuit te komen. De wetgeving is er om extremen tegen te gaan. Organisatoren zijn verplicht om gehoorbescherming aan te bieden. Er ligt dus ook een bepaalde verantwoordelijkheid bij de concertgangers om deze dan ook te dragen.’

Sommige mensen dragen niet graag oordoppen.

‘De universele oordoppen zitten niet bij iedereen goed en je hebt een risico op lekkage als ze niet goed zitten. De oordoppen die je op maat kan laten maken, sluiten wel heel goed af. En ze dempen het geluid zonder de muziek te vervormen. Maar oordoppen op maat laten maken, is niet goedkoop. Een paar kost tussen 100 en 150 euro.’

Helpt het om jongeren ervoor te waarschuwen dat luide muziek schadelijk is?

‘Ja. Uit ons onderzoek blijkt dat de jongeren die in aanraking zijn gekomen met campagnes rond gehoorschade, veel vaker de intentie hebben om hun oren te beschermen. Het effectief gebruik van gehoorbescherming stijgt wel maar van 3 à 5 procent naar 15 procent bij degenen die de campagne kennen. Dat zou nog meer mogen zijn.’

Ook in Grimminge, in het stiltegebied Dender-Marke, valt niet te ontkomen aan geluid, van de natuur en landbouw bijvoorbeeld.

Een soort van stilte

De Standaard – Sarah Vankersschaever – 23.08.2018

Het zijn harde tijden voor stiltezoekers. Wie zich stoort aan geluid of lijdt onder lawaai, moet goed zoeken om een rustige plek te vinden. Toch is stilte meer dan de afwezigheid van geluid.

‘Stilte is een toestand dat er weinig of geen geluid wordt gehoord of gemaakt en dat er weinig of niet gesproken wordt.’ Zo eenvoudig als het in Van Dale staat, zo moeilijk is het daarbuiten. Want de offerte voor een geluidsdichte eenpersoonsbunker met een heel stille koffiezet viel toch wat tegen.

Stilte is meer dan de afwezigheid van geluid. Het is in de eerste plaats een toestand die ruimte laat om na te denken, voor reflectie zonder afleiding. Dat is geen luxe maar noodzaak, vindt filosoof Johan Braeckman (UGent). ‘Stilte heeft veel betekenissen. Ze kan laf zijn, zoals wanneer niemand luidkeels protesteert wanneer het nodig is. Ze kan bedreigend zijn, zoals een zwijgzaam horrorpersonage in een roman van Stephen King. Maar op haar best is ze van levensbelang. Ze geeft betekenis aan wat waardevol is, zoals interpunctie een reeks woorden zinvol maakt.’

We hebben momenten van stilte nodig. Alleen beleeft iedereen die anders. Dus zoeken we niet allemaal naar hetzelfde als we zeggen dat we zoeken naar stilte.

Temperatuur

‘Stilte dreigt stilaan een luxeproduct te worden en daar moeten we van af. Stilte is van niemand en van iedereen’
Dirk Sturtewagen
Burgerbeweging ‘Waerbeke’

Vlaanderen telt tien stilte­gebieden. Als nonchalante kruimels liggen ze over het land verspreid, akoestisch waardevolle bubbels te midden van het woelen en ruisen van alledag. Toch haast de website van het Departement Omgeving zich om te zeggen dat het in een stiltegebied niet muisstil is. Het zijn gebieden met een ‘aangenaam geheel van geluiden. In een landelijke omgeving overheersen natuurlijke geluiden, afkomstig van zowel fauna als flora. Ook geluiden afkomstig van bewoners, bezoekers, landbouw en natuur- of bosbeheer maken deel uit van het geluidsklimaat in een landelijk stiltegebied.’ En evengoed: ‘In een stedelijke omgeving zal een mengeling van menselijke en natuurlijke geluiden de aantrekkelijkheid bepalen.’

Stilte is een klimaat, een sfeer. Een toestand dus. Dat we die toestand allemaal anders waarderen, kun je nog het best vergelijken met temperatuur: zoals 21 graden Celsius aangenaam is voor de een en te warm voor de ander, zal een plek voor de een stil genoeg zijn en voor de ander te luid.

Dick Botteldooren (professor omgevingsgeluid aan UGent) en zijn team onderzochten welke betekenis mensen aan rust geven. In acht Antwerpse stadsparken bevroegen ze in totaal 660 bezoekers. ‘Voor de overgrote meerderheid van mensen heeft rust een sociaal kantje’, zegt Botteldooren. ‘Geluiden van andere mensen storen met andere woorden niet. Maar voor 18 procent van de bevraagden vereist een rustige omgeving absolute stilte. De overige 8 procent associeert rust met het horen van natuurlijke geluiden. Die laatste groep was in onze studie kleiner dan wat je in de literatuur vindt.’

Associeer je rust met natuurlijke geluiden, dan zal een haagschaar je sneller storen, omdat het een geluid is dat je niet verwacht

Tot welke groep je behoort en wat je dus als rustig ervaart, heeft bovendien invloed op welke geluiden je hoort en onthoudt. Associeer je rust bijvoorbeeld met natuurlijke geluiden, dan zal een occasionele haagschaar je sneller storen, omdat het een geluid is dat je niet verwacht. En we weten allemaal: hoe meer je verwacht, hoe minder je doorgaans krijgt waarop je hoopt.

Doodstil

In het dorpje Grimminge, pal in het stiltegebied Dender-Marke in de regio rond Aalst, zeurt een haagschaar. Verderop blaft een hond en iemand herstelt een dak en heeft daar duidelijk een hamer voor nodig. Het paar Marc Tresignie (64) en Danny Mertens (65) wandelt er onverstoord overheen. Zelf wonen ze verderop in Galmaarden en al van kinds af aan zijn ze ondergedompeld in een wereld zonder ruis. ‘Vroeger voelde de stilte normaal omdat iedereen een huisje met een tuintje had en dus rust vond’, herinnert Danny Mertens zich. ‘Maar omdat onze samenleving zich veel bewuster is geworden van de waarde van stilte, zijn we die zelf ook als minder evident gaan zien. Onze kleinkinderen wijzen ons er vaak op dat we op een plek wonen die we moeten koesteren.’

‘Het is stil, maar eigenlijk ben ik altijd aan het luisteren’, zegt Marc Tresignie. Om zijn hals hangt een verrekijker: als vogelaar wil hij elke snavel gezien en gehoord hebben. ‘Ooit was ik in een bos in Frankrijk mijn boterhammen aan het opeten toen het écht stil werd. Er waren zelfs geen zingende vogels. Ik ben snel doorgewandeld. Sindsdien weet ik dat absolute stilte bedreigend kan voelen en ben ik blij dat ik af en toe een tractor hoor.’

Dreigend stil wordt het voorlopig niet in Vlaanderen. We wonen in een van de meest drukke zones van Europa. ‘We kleuren rood op de akoestische kaart’, zegt Dirk Sturtewagen. ‘Geen wonder dus dat de roep om stilte hier luid klinkt.’ Zelf ligt hij aan de basis van de sociaal-culturele burger­beweging ‘Waerbeke’, die ijvert voor stilte, rust en ruimte in Vlaanderen en Brussel.

‘Het is belangrijk dat er voldoende stiltegebieden zijn, anders worden die paar plekken misschien overspoeld door stiltezoekers’, zegt Sturtewagen. ‘Waardoor zo’n gebied natuurlijk zijn doel voorbij zou schieten.’

Maar ook: stilte is niet louter een kwestie van akoestiek. ‘We werken zowel rond buitenruimte als rond innerlijke ruimte’, zegt Dirk Sturtewagen. ‘Iemand die op zoek gaat naar stilte, is op zoek naar een bron van welbevinden. Door in te zetten op een cultuur van verstilling, willen we maken dat mensen die balans van rust en stilte met zich kunnen meenemen, waar ze zich ook bevinden.’

Want stilte mag geen luxe­product van de elite worden. ‘Dat dreigt het stilaan wel te worden, maar daar moeten we van af. Stilte is van niemand en van iedereen.’

Buren

Over het pad langs de Dender wandelt een grote hond met een dertiger aan de leiband. Omdat het dorp klein is en sommige mensen kleinzerig, wil hij zijn naam niet in de krant. Want dat een groep inwoners de rij honderd­jarige knotwilgen verderop wil vellen omdat hun wortels een stuk fietspad hobbelig maken, daar kan zijn verstand niet bij. Grimminge is dan wel stil en rustig, maar daarom niet per se vredig.

‘Sinds ik hier jaren geleden ben komen wonen, ben ik veel rustiger geworden en ervaar ik minder stress’, vertelt hij. ‘Ik ben opgegroeid naast een drukke ringweg en heb nadien vijftien jaar in het centrum van Gent gewoond. Maar ik had ’t gehad. Ik wilde rust en die vind ik hier. Als ik nu een namiddag in de stad doorbreng, moet ik er na een paar uur weg. Te druk, te veel lawaai.’

Natuurlijk ergert hij zich ook wel eens aan zijn buurman die de muziek te luid zet, maar die verdraagt dan weer zijn hond. ‘Soms ligt de rusteloosheid gewoon aan mezelf. Andere stoorzenders heb je niet in de hand. Zoals de vliegtuigen naar Zaventem die hier soms om het halfuur overvliegen. Die trekken er zich niets van aan dat dit een stiltegebied is. Integendeel, hoe minder inwoners, hoe minder kans op klagers.’
Of hij in dit stiltegebied oud wil worden? ‘We denken erover na om te verhuizen’, geeft hij toe. ‘Het raakt hier almaar meer verkaveld. De zoektocht naar stilte zal waarschijnlijk nooit helemaal stoppen.’

U vindt de stiltegebieden op
www.stiltegebieden.be
www.waerbeke.be

reactie

‘Stilte is een bewuste keuze’

Als radiopresentatrice bij Studio Brussel leeft Linde Merckpoel van geluid. Vorig jaar ging ze tijdens De Warmste Week de uitdaging aan om een week lang te zwijgen.
‘Ik apprecieer de stilte hoe langer hoe meer’, zegt Merckpoel. ‘Als kind en als tiener vond ik die momenten raar en zelfs ongemakkelijk, maar gaandeweg groeit het verlangen ernaar. Misschien gaat dat wel samen met volwassen worden. En met de nood om je drukke job en de luide samenleving te compenseren. Als kind ben je je daar niet zo bewust van, dan ben je zelf druk.’

‘Mijn ouders wonen in Zuid-Frankrijk en als ze nog eens in Vlaanderen zijn, zegt mijn moeder vaak hoe luid ze het hier vindt. Ze moet daar echt opnieuw aan wennen. Ik begrijp dat, want omgekeerd moet ik bij hen in Zuid-Frankrijk wennen aan de stilte. Het doet me denken aan de Inuit die verschillende types wit kunnen onderscheiden: ongetwijfeld bestaat zoiets ook voor stilte. Je hebt er gradaties in.’

‘Ik vind stilte en rust een bewuste keuze. Impulsen komen ongevraagd op je af en wil je die tegenhouden, dan moet je zelf een scherm optrekken. Ik ga bijvoorbeeld vaak dj’en en op weg naar huis, ’s nachts, verdraag ik geen muziek meer. Zelfs Klara is dan de prikkel te veel. Dus rij ik in stilte en voel ik hoe zoiets fysiek deugd kan doen. Het is een zintuiglijk genieten van stilte.’

Linde Merckpoel, radiopresentatrice

Stilte

Stil
Stiller
Stilst.

Micheline Baetens, 23.06.2012

Meer politici moeten eens gaan zweten op de trein

Meer politici moeten eens gaan zweten op de trein

De Standaard – Roderik Six – 20.08.2019

In de kwarteeuw dat ik spoor, ben ik welgeteld twee keer een politicus tegengekomen op de trein. De eerste keer deelde ik een coupé met Hendrik Bogaert die, in overeenstemming met zijn politiek gewicht, in tweede klasse zat. Later mocht ik me nog eens verheugen op het gezelschap van Marc Descheemaecker. Dat was in de Thalys naar Amsterdam, ten tijde van de crisis rond het Fyra-debacle. Hij zag er alvast niet gelukkig uit maar welke spoorbaas zou dat, ondanks hun potsierlijk royale lonen, wel zijn? Elk jaar vette bonussen binnenrijven terwijl je bedrijf maar blijft falen in zijn kerntaken, het moet veel migraines opleveren. Goederentreinen vol schaamte die elke avond door je geest denderen, dat krijg je met geen sloten champagne weggespoeld.

Vroeger koos ik radicaal voor het openbaar vervoer – het blijft het beste vervoersmiddel op voorwaarde dat je nergens op tijd moet zijn en je bereid bent om een nachtje hotel te betalen in een naburige stad. Als het niet sneeuwt, of hagelt, of stortregent, als de koperprijs op de internationale markt laag staat, als het niet vriest of niet te warm is, als er überhaupt een trein komt opdagen en die niet volgepakt zit met menselijk vee, dán is het echt prettig reizen met de trein.

En je bestemming moet binnen de stadskern liggen. Want eens in de buitenwijken kom je evenveel bussen tegen als politici op treinen.

Dus overweeg ik tegenwoordig met gepaste ecologische tegenzin alternatieven. Wie de reismogelijkheden afspeurt, komt vaak tot absurde conclusies. Waarom niet naar Amsterdam vliegen? Of een auto huren om naar Parijs te rijden? Dat je die opties ernstig overweegt, ligt volledig aan de onbetrouwbaarheid van het openbaar vervoer, en aan het wraakroepend feit dat luchtvaartmaatschappijen fiscaal bevoordeeld worden. Vliegtuigtickets zijn vrijgesteld van btw en kerosine wordt nog steeds niet belast.

De trein zou een no-brainer moeten zijn, maar zolang je voor de prijs van een pizza naar Barcelona kunt vliegen, krijg je niemand zo gek om internationaal te sporen.

Vakanties nog terzijde. Het zou al fijn zijn mocht het binnenlands openbaar vervoer enigszins vlot en regelmatig verlopen. Om tijdig op je werk te raken. Om eens een pittoresk dorp te bezoeken. Om na een concert in Brussel nog even na te praten op café. Trein, tram en bus zouden altijd de beste optie moeten zijn.

Dus als we ooit regeringen krijgen – in die zin lijkt de politiek met de traagheid van het spoor vergroeid – dan stel ik voor dat de bevoegde ministers meteen een verbod op dienstwagens instellen. Dan zullen pendelende politici aan den lijve ondervinden hoe nijpend en zweterig en stresserend het probleem is.

Roderik Six – Schrijver

Bart Stouten beantwoordt Marcel Proust

Klara-presentator Bart Stouten heeft kanker: ‘Er zijn vrienden die mij gewoon genegeerd hebben’

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Vijfentwintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Vandaag: dichter en Klara-presentator Bart Stouten (63).

De Morgen – Ann Jooris en Fernand Van Damme – 18 augustus 2019

1. Hoe oud voelt u zich?
“25. Ik vind dat een heerlijke leeftijd omdat ik toen al min of meer wist wat ik verwachtte van het leven. Omdat bepaalde auteurs al naar me waren toegekomen. Proust en Beckett. Van wie ik intuïtief wist dat ze me nooit zouden verlaten. Ik voorvoelde ook al dat radio mijn toekomst zou worden, ook al had ik nog geen aanzoek gekregen. Ondanks de lichamelijke ongemakken en ziektes die me overkomen, voel ik mij nog altijd iemand die op de drempel van het leven staat.”

2. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?
“Als ik iets bereikt heb in het leven, is het toch dankzij mijn flexibiliteit. Ik heb altijd opengestaan voor kritiek. Ik heb me altijd aangepast en opengesteld voor nieuwe uitdagingen. Die flexibiliteit helpt mij ook om met de moeilijkste omstandigheden, zelfs met mijn darmkanker nu, redelijk creatief om te gaan.”

BIO * geboren in Sint-Truiden in 1956 * radioproducent/presentator bij Klara * studeert af als vertaler aan het RUCA * eerste publicatie Het engram in 1988 * gaat in 1990 werken bij Radio 1 op de Dienst Hoorspelen. Brengt werken van o.a. Pinter, Beckett, Handke en Stoppard * eerste dichtbundel Elegie van de Transkaroo in 1992 * prozadebuut in 2009 met Het ware Eden * Kersen eten om middernacht wordt bekroond met de Grote Inktslaaf Literatuurprijs 2013 * radioprogramma’s: Stouten op zondag, De tuin van Eden, Bellevue, Klassiek leeft * verliest in 1971 zijn ouders en tweelingzus bij een auto-ongeval * in 2018 wordt darmkanker bij hem geconstateerd.

3. Hoe was de band met uw ouders?
“Mijn mama, mijn biologische moeder, was een wiskundelerares en zij heeft mij de attitude bijgebracht om open te staan voor de verrassingen in het leven. Mijn vader was wat stugger, stoerder, had liefde voor muziek, speelde trombone. Maar had toch ook wel die flexibiliteit in zich. Op mijn vijftiende heb ik mijn biologische ouders verloren in een ongeval op reis en ben ik bij mijn pleegouders terechtgekomen. Mijn leraar Latijn heeft aangeboden mij op te nemen, maar dat was een enorme stap voor mij. Vanuit een socialistisch nest kwam ik in een katholiek gezin terecht. Die flexibele houding die ik van mijn ouders had meegekregen, heeft mij geholpen om zonder al te veel moeilijkheden aan al die turbulentie van het bestaan het hoofd te bieden.

“Ik heb altijd het grootste ontzag gehad voor mijn pleegouders, voor die mooie daad die ze stelden. Zeker omdat zij in die tijd geen advies kregen, zij moesten dat helemaal zelf invullen.”

“Mijn pleegmama leeft nog, ze is nu 99 jaar. Als ik haar bezoek in het rusthuis van Zoutleeuw en haar help, bezorgt mij dat altijd een heel intens plezier.”

4. Welk kunstwerk heeft u gevormd?
“Ik lag in de kliniek in Duitsland en was net uit een coma ontwaakt. Stel je dat voor: mijn ouders waren verongelukt, mijn tweelingzusje ook en een vriendin van mijn moeder zaliger bracht een boek mee: Du côté de chez Swann van Marcel Proust, in het Frans. Een verpleegster, een nonnetje, hielp mij om die zinnen te begrijpen. En onmiddellijk greep die muziek van Proust mij naar de keel. Het feit dat Proust homoseksueel was en dat ook hij zijn ouders verloren had, was wellicht de reden waarom die vriendin dat boek bezorgd had.”

“Bij Proust heb ik geleerd om heel goed voeling te houden met het verleden. De mogelijkheid die hij aanreikte om via smaakherkenningen, via zintuiglijke indrukken het verleden weer op te roepen was een echte troost voor mij. Het was ook de enige troost die er was. Iets anders was er niet. Proust is voor mij echt een toevluchtsoord geweest. Ook zijn visie dat het leven een conglomeraat is van verschillende ikken, dat je vandaag niet meer bent wie je gisteren was, heeft me enorm geholpen om mijn leven weer op te bouwen.”

5. Wanneer hebt u het laatst gehuild?
“Toen de dokter zei dat ik darmkanker had, heb ik twintig seconden heel erg gehuild, maar daarna kwam er onmiddellijk een rust over mij. Het huilen had vooral te maken met het feit dat ik mijn vriend moest vertellen dat ik kanker had. Maar meteen dacht ik: geen zelfmedelijden. En ik voelde een enorme mentale kracht in me opkomen, de kracht van tientallen jaren zenmeditatie. En geloof me, ik heb me op geen enkel moment gedeprimeerd gevoeld. Ik heb op geen enkel moment gerevolteerd.”

“Sinds mijn coma heb ik vaak de noodzaak ervaren om mezelf leeg te maken, om mezelf te ontdoen van alle zorgen en problemen, die vaak op een artificiële manier je geest binnendringen. Daarom voel ik mij ook zo sterk aangetrokken tot Japan, tot de schoonheid en zuiverheid van de zenkloosters, bijvoorbeeld.”

6. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?
“Wel, zo’n twintig jaar geleden zat ik met een heel groot probleem en toen is er iets heel raars gebeurd. Op een bepaald moment heb ik een heel sterke, mystieke aanwezigheid gevoeld. Ik kan het niet goed in woorden vatten, want zo’n ervaring overstijgt de taal. Ik werd aangeraakt en zag een lichtende beeltenis en hoorde een mooie stem die zei: alles komt goed. Het kan best dat het een hallucinatie van de hersenen was. Ik wil het niet optillen tot iets religieus, maar ik merk wel dat het zintuiglijke belangrijker wordt naarmate ik ouder word.”

7. Hoe kijkt u naar uw lichaam?
“Ik heb een probleem met mijn lichaam, altijd al gehad. Ik heb mezelf altijd lelijk gevonden. Ik heb ook een beetje de neiging tot psoriasis. Als ik een probleem heb, slaat het onmiddellijk op mijn huid. Ik voelde me in het verleden ook veel te mager. Ik had echt een minderwaardigheidscomplex. Er was ook altijd een probleem in de liefde. Ik dacht: ik ga niet kunnen bevredigen, ik ga de verwachtingen van de ander niet kunnen inlossen, want mijn lichaam laat dat niet toe. Misschien verklaart dat ook waarom ik bij wijze van ersatz zoals sommigen zeggen een brein op poten ben.”

“De afgelopen tien jaar heb ik wel leren ervaren dat mensen mijn lichaam soms toch leuk vinden, waardoor het nu ook een plaats heeft gekregen in mijn leven.”

8. Wat is uw passie?
“Mijn grote passie is literatuur en poëzie. Door de thematiek die hij uitwerkt heeft Proust mij ook de liefde voor de taal bijgebracht. Ik was zo gefascineerd door Proust dat ik een essay ben gaan lezen van Samuel Beckett over Proust en dat vond ik dan weer zo geniaal dat ik Beckett ben gaan exploreren. En toen zijn de dominosteentjes overstag beginnen te gaan. Ik ben van de ene auteur in de andere beland. Op een heel organische manier. Literatuur is voor mij nooit een vrijblijvende materie waar je lukraak dingen uit plukt. Ik vind het leuk om te werken met aanknopingspunten, om het ene boek een anker te laten uitgooien naar het andere.”

9. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?
“Ah! Wel, daar heb ik een mooi antwoord op. Gisteren maakte ik een wandeling van mijn huis naar de supermarkt. En ik telde het aantal mensen dat ik tegenkwam: zeventien. Zestien van die mensen sloegen hun blik neer. En één iemand, een moslimjongen, keek even naar mij en dat maakte mij blij. Een kleine gebeurtenis die heel veel vertelt over de onverschilligheid van deze tijd, waar ik echt een groot probleem mee heb. Het feit dat iemand op straat je aankijkt en even glimlacht, of je even aanspreekt, dat vind ik altijd mooi.”

“Ik heb een enorme drang naar contact. Echt diep doordringen in de complexe wereld van de ander vind ik een waar geschenk, maar dat gebeurt natuurlijk maar een aantal keer in je leven.”

10. Beschouwt u het leven als een cadeau?
“Neen, het leven is geen cadeau. Het leven is aartsmoeilijk en daar is geen weg naast. Het is ook dwaas om te denken dat het leven alleen maar een bron van genot is en dat je je geluk moet zien te bereiken. Ik denk dat Dirk De Wachter gelijk heeft wanneer hij zegt dat je niet al te gelukkig moet willen zijn. Je moet ook leren omgaan met het ongeluk dat gedoemd is om op je pad te komen.”

11. Wat is uw zwakte?
“Ik ben heel paranoïde. Ik ben voortdurend alert, op een hypersensitieve manier. Ik heb al heel vaak foute conclusies getrokken uit allerlei bodytalk en situaties omdat ik verschrikkelijk paranoïde ben.”

12. Waar hebt u spijt van?
“Ik voel geen spijt. Integendeel, ik vind dat het leven mij gezegend heeft met de juiste kansen. Over het ongeval met mijn ouders had niemand controle.”

13. Wat is uw grootste angst?
“Dat het fout gaat met de wereld. Dat er te veel Kim Jong-uns aan de macht komen. Dat het met het klimaat helemaal niet goed gaat. Dat mensen van elkaar vervreemden. Dat het kapitalisme nog onmenselijker wordt, dat de belastingparadijzen nog meer gaan floreren. Dat de overbevolking maakt dat we binnenkort met een onleefbare planeet zitten.”

“Ik denk dat we echt moeten uitkijken. Ik vrees dat we een van de laatste generaties zijn. Ik zou niet graag kinderen op de wereld zetten. Ik denk dat we toch echt wel in een heel gevaarlijke tijd zijn beland. Die angst houdt me soms wakker. Maar we hebben technologie. Ik denk dat het in onze macht ligt om dat armageddon te vermijden, maar er zal nog heel veel water naar de zee moeten vloeien.”

14. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?
“Euhm. Ik ben niet iemand die vlug boos wordt. Of liever, ik ben bang voor het moment dat ik boos word. Dus door het lint gaan doe ik niet zo gauw, ik herinner me ook niet wanneer ik de laatste keer door het lint ben gegaan, het moet heel lang geleden zijn.”

15. Wat vindt u erotisch?
“Samen met iemand die je heel graag mag, die interessante onderwerpen meebrengt en samen met jou de juiste wijn weet te kiezen, een avond op restaurant doorbrengen. Samen eten vind ik een zeer erotische ervaring.”

16. Wat is uw goorste fantasie?
“Goor, dat woord resoneert niet in mijn leven. Er is ook heel weinig seksualiteit in mijn leven. Dus goor, ik vind het heel moeilijk om me daar iets bij voor te stellen.”

“Ik ben heel lang niet in het reine geweest met mijn homoseksualiteit. Ik heb heel lang in de kast gezeten. Ik was de weesjongen die terechtkwam in Zoutleeuw. Ik speelde orgel in de kerk en was graag gezien. Het was leuk om geaccepteerd te worden onder de kerktoren en ik wilde dat niet in gevaar brengen. Tot ik daarvan de absurditeit ontdekte. Ik dacht: ik heb een mooie naam, ‘Stouten’, ik moet een beetje rebels zijn, ik moet durven te zijn wie ik ben. Een psychiater heeft mij geholpen om mijn homoseksualiteit te aanvaarden, maar ik praat er eigenlijk niet graag over omdat het in wezen maar één aspect is van wie ik ben. Wat ik doe op de radio, wat ik in mijn boeken en poëzie probeer, dat vind ik wezenlijk, maar of hier nu een homo of hetero zit, is voor mij verder niet zo betekenisvol.”

17. Bent u een goede vriend?
“Dat denk ik wel. Maar als je zegt ‘vriend’, dan denk ik aan een aantal verantwoordelijkheden die daarbij horen. En waar ik denk ik, hoop ik, rekening mee houd, want een goede vriend is niet enkel iemand met wie je een leuke avond kunt bouwen, dat is ook iemand die het voor je opneemt, als je ziek bent bijvoorbeeld. Kijk, ik heb kanker. Een aantal van mijn zeer goede vrienden hebben daar prachtig op gereageerd. Ze zijn komen praten, ze hebben mij uitgenodigd, ze hebben dingen voor mij gedaan. Maar er zijn ook vrienden die mij gewoon genegeerd hebben, die deden alsof ze het niet wisten, daar heb ik het heel moeilijk mee, dat is een bron van groot verdriet. Een vriend ben je ook in kwade dagen. Ik vind het fijn om juist dan een veel intensere rol te kunnen spelen.

“Ik sta open voor de kwetsbaarheid van het leven, maar dat neemt niet weg dat ik alle krachten verzamel die ik nodig heb. Als je ziek bent, is elk woord waardevol. Dat klinkt misschien een beetje Bond Zonder Naam. Onlangs noemde Johan Sanctorum mij op Doorbraak trouwens een Bond Zonder Naam-naïeveling, maar ik vind dat eerder een compliment dan een verwijt. Er is te weinig Bond Zonder Naam in deze tijd. Mensen zijn zo hard en zo wreed en zo ruw.”

18. Hoe definieert u liefde?
“Kijk, er staat een gelijkheidsteken tussen geloven en liefhebben. Liefhebben heeft alles met vertrouwen te maken, met het je verlaten op de goedheid van de ander, de schoonheid van de ander, uiterlijk en ook innerlijk. Liefde hangt samen met een verlangen, uiteraard, want zonder verlangen is er geen liefde, om dat onontgonnen gebied in de ander te exploreren. Om door te dringen tot dat mooie oerwoud van gedachten en gevoelens dat in de ander bestaat.”

“De liefde voor mijn vriend is zo diepgegrond dat daar weinig of niets kan tussenkomen, wat niet wegneemt dat er in mijn hart ook plaats is voor andere mensen. Dat is ook een van de argumenten waarom ik tegen het homohuwelijk ben. Ik vind het zo benauwend dat er geen ruimte zou kunnen zijn voor andere genegenheden. Maar natuurlijk moet je wel met respect voor je partner blijven omgaan.”

19. Welk dier zou u willen zijn?
“O, ik zou wel een koala willen zijn. Ik heb een paar reizen gemaakt naar Australië en heb een aantal keer een koala gestreeld, wat in feite heel kinderlijk is. En ecologisch niet zo verantwoord, want die beesten moet je in feite met rust laten. Maar een koala slaapt het grootste gedeelte van de dag en lijkt me een heel makkelijk leven te hebben. Ik vind het ook een heel mooi dier.”

20. Hoe zou u willen sterven?
“O, ik zou willen sterven terwijl ik luister naar het tweede deel van het tweede pianoconcerto van Dmitri Sjostakovitsj, dat vind ik zo mooi lyrisch uitgewerkt, met zo’n mooie frictie tussen harmonie en disharmonie, of tonaliteit en atonaliteit. Misschien met een paar goeie vrienden rond mijn sterfbed.”

“Wat ik zou willen als laatste avondmaal? Griekse dakos, een specialiteit van Kreta, met een lekkere ouzo daarbij.”

21. Wat is voor u de hel op aarde?
“De hel op aarde is toch echt wel wanneer je de beste intenties hebt en fout begrepen wordt. Het heeft altijd te maken met wat taal vermag, maar ook met wat taal helaas niet vermag.”

“Zoals Alain de Botton vaak argumenteert, hebben we allemaal een te grote schaduwzijde van onverwerkte ervaringen uit het vroege verleden, de babytijd zeg maar, waardoor we heel complex in elkaar zitten en waardoor het heel moeilijk is om een vlotte communicatie met anderen te ontwikkelen. We stuiten altijd op onzichtbare pijnpunten waarvan je geen hoogte kunt krijgen. Mensen zijn zo anders en zo geconditioneerd door hun verleden dat communicatie sowieso altijd heel problematisch is. Dat is ook een van de redenen waarom ik probeer om met de nodige meanders in mijn zinnen, met de nodige nuanceringen tot uitdrukking te brengen wat ik wil vertellen. Je moet erg oppassen, want mensen begrijpen vaak het omgekeerde van wat je zegt.”

22. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens?
“Wel kijk, ik heb daarstraks nog een man aangesproken uit Ethiopië, een heel grote, mooie man. Ik ben geen racist. En als ik me ooit op een racistisch neuron betrap, zal ik het onmiddellijk uitschakelen. Iemand op basis van zijn kleur onaangenaam vinden of verwerpen, neen, dat komt gewoon niet in me op. Integendeel zelfs. Ik ben gefascineerd door het andere. Ibn al-Arabi (1165-1240, de grootste Arabische denker, filosoof, theoloog en soefi-mysticus in Spanje en het hele Midden-Oosten ten tijde van Franciscus, red.) heeft prachtige dingen geschreven over multiculturaliteit. Ik denk dat we daar nog veel van te leren hebben.”

23. Wat betekent geld voor u?
“Geld? Eigenlijk niets. Toen ik jong was, dacht ik dat het met het kapitalisme wel de goede kant zou opgaan, dat er een soort zachte vorm van zou komen die voor iedereen goed was. En die de kloof tussen arm en rijk die toen al zo groot was nauwer zou maken of zelfs helemaal dempen. Maar het is alleen maar erger geworden en dat is de reden waarom ik een beetje vies ben van geld en waarom ik ook heel sober leef.”

“Ik ben verslingerd aan literatuur, maar net zoals Hugo Claus vind ik dat je een goede bibliotheek moet onderhouden en niet willen volstouwen. Er is maar ruimte voor een aantal goede boeken. Net als je vriendenkring kun je je bibliotheek niet eindeloos uitbreiden want dat gaat ten koste van de kwaliteit.”

24. Wat is uw vreselijkste vakantieherinnering?
“Ow. Toen ik in Tokio in een heel hoog gebouw, een hotel, een zware storm meemaakte. Ik was aan het vrijen (lacht) en dat was heel naar want ik had het gevoel dat heel het gebouw heen en weer zwiepte. Dat was een heel akelige ervaring.”

25. Wie zou u hier eens uw gedacht willen zeggen?
“Mevrouw Almaci. Ik vind haar zeer bekwaam. Ze heeft een verbaliteit waar ik bijna jaloers op ben, maar haar uitdrukkingswijze is veel te arrogant. Ze praat veel te snel. Ze roept. Ze onderbreekt de ander. Ze luistert niet. Ze is niet empathisch. Ze heeft vaak heel goede argumenten, maar gaat er slecht mee om. Ze heeft een stijlprobleem. Goed luisteren is een kunst in de politiek en ik vind dat mevrouw Almaci daar echt faalt. En dat is jammer, want ze zou veel beter kunnen scoren. Maar ja, nu heb ik iets politieks gezegd, ik weet niet of ze dat bij de VRT leuk zullen vinden. Heeft Pat (Donnez, in ‘De Vragen van Proust’, De Morgen, 5 mei 2019, red.) dat ook gedaan? Ja? Als Pat het mag, dan mag ik het ook. (lacht)”

“Maar los van mijn gedacht zou ik ook eens mijn bewondering willen uitdrukken. Eén: voor de rector van de Universiteit Antwerpen, Herman Van Goethem, die een échte vriend is die ik mateloos apprecieer om zijn prachtig engagement en opzienbarend boek over de Joden in Antwerpen in 1942. En twee: voor Kathleen Cools, voor wie ik een heel sterke genegenheid en waardering koester. Hoe zij erin slaagt haar mannetje te staan in al die penibele interviews… Djeezus! Love her!”

Een Vlaamse canon

Het lijkt alsof alles wat slecht en lelijk is in België, alleen door Vlamingen werd voortgebracht

De Morgen -Tinneke Beeckman – 19.08.2019

In zijn startnota voor de vorming van een Vlaamse regering vermeldt Bart De Wever het idee van een Vlaamse canon. Nederland stelde er al jaren geleden één op voor het geschiedenisonderwijs. Het regende meteen negatieve reacties. Ironisch genoeg illustreerden die vooral dat zo’n canon best nuttig kan zijn.

Zo noteerde Bernard Dewulf geërgerd dat we geen schoonheid uit het verleden moeten bezingen, maar huilen over de tien procent armoede in Vlaanderen vandaag de dag. Dewulf speelt met de door De Wever geciteerde liedregel “’t Zijn weiden als wiegende zeeën”. De argeloze lezer zou in het zinnetje een argument voor een betonstop kunnen lezen, die helaas niet in de nota staat, maar dat is bijzaak. Zolang de armoede niet helemaal is weggewerkt, wil Dewulf niet meezingen.

Van Kulderzipken tot het broodje martino: een alternatieve Vlaamse canon
Hij heeft gelijk dat elke procent armoede er een te veel is. Maar hij vergeet dat de geschiedenis de gestage inkrimping van de armoede vertelt. De Vlaamse ellende in de negentiende eeuw is vandaag de dag nauwelijks voorstelbaar. Met armoede werd in grote mate komaf gemaakt door politieke en sociale bewegingen; door priester Daens of door de Vlaamse Socialistische Partij rond de Gentse coöperatieve de Vooruit (ook in samenwerking met de Belgische Werkliedenpartij).

Schaduwkanten

Deze verhalen tonen wat mogelijk is als mensen zich verenigen en solidariteit vooropstellen. Geschiedenis gaat ook over de kwetsbaarheid, de inspanning, de moed van vorige generaties. Jonge mensen zouden er de kracht uit kunnen putten om die laatste resten armoede weg te werken.

Een ander voorbeeld: commentator Mohamed Ouaamari vraagt zich terecht af of minder fraaie momenten uit de geschiedenis aan bod mogen komen. Natuurlijk gaat geschiedenis ook over schaduwkanten. Maar Ouaamari wil weten “of jongeren en nieuwkomers evengoed de naam van Léon Degrelle uit het hoofd moeten leren”.

Daarmee lijkt hij er zo op gebrand Vlaanderen in verband te brengen met collaboratie en verraad, dat hij iemand vermeldt die geen Vlaming is. De Franstalige Degrelle richtte de fascistische partij Rex op, en leidde tijdens de Tweede Wereldoorlog een ‘Waals legioen’ onder bevel van de Waffen SS.

Zo diep zit de beschuldigende reflex tegen Vlaanderen, dat het lijkt alsof alles wat slecht en lelijk is in België, alleen door Vlamingen werd voortgebracht. Dus ja, een degelijke kennis van de Vlaamse en Belgische geschiedenis is nodig.

Heel wat commentatoren schieten het idee van een canon meteen af. Misschien is uitgerekend dat wel erg Vlaams: er zo moeizaam in slagen iets constructiefs te formuleren over de regio en de gemeenschap waarvan ze – zelfs tegen wil en dank – deel uitmaken, uit vrees in de foute hoek te belanden. Erg jammer.

Tinneke Beeckman
Filosofe en auteur

Schoonheid is een mensenrecht

“Schoonheid zou een mensenrecht moeten zijn”, zei Maxim Februari gisteren in Zomergasten. Geef mensen meer schoonheid om zich heen en je krijgt betere mensen, en meteen dus ook een mooiere en betere wereld.

Ik geloof daarin! Ik kan onnoemelijk depressief worden van lelijkheid, tot huilens toe. En er is veel lelijkheid om ons heen, en het wordt steeds maar erger. Veel lelijkheid door de mens zelf in het leven geroepen en daardoor veel schoonheid vernield. Omdat we egoïsten zijn en gemakzuchtig en alles nu en meteen willen, en enkel onszelf belangrijk vinden. En wat mooi is maken we daardoor kapot!

https://www.standaard.be/cnt/dmf20190819_04566614

Zelfs kunst is verworden tot handelswaar, hoe hoger de prijs van een schilderij, hoe belangrijker blijkbaar, terwijl het enkel in een kluis kan gestopt worden waar niemand het kan bewonderen.

Ieder mens die iets maakt dat ons een wauw gevoel kan geven is een kunstenaar, die  het mensenrecht op schoonheid toepast, en al wie de oorzaak is van zoveel lelijkheid in de wereld, schendt dat recht, en ik denk dat het tegenwoordig het meest geschonden mensenrecht is.

Neem nu de spoorweg. Ja, daar ben ik er weer mee! Niets straalt zoveel lelijkheid uit dan een spoorweg, met een slecht onderhouden infrastructuur en onafgewerkte projecten die jaren aanslepen en geen enkele bijdrage leveren aan het recht op schoonheid. Bovendien wordt al die lelijkheid bekostigd met onze centen. Dan zouden we zeker toch wel wat kwaliteit mogen krijgen! Maar neen, het toont alleen maar het gebrek aan respect aan voor de reiziger en voor de omgeving.

De zomer is bijna voorbij, en ik ben er niet kwaad om, want het is het seizoen dat het milieu en de natuur het meest afziet en vertrappeld wordt door onze niet aflatende drang om geëntertaind te worden.

Ik krijg dikwijls te horen dat ik niet genoeg buiten en onder de mensen kom, alsof dat noodzakelijk is voor een goed leven. Wel, lees dan bovenstaand artikel en wees blij dat er hier en daar nog mensen zijn die kunnen genieten van het welzijn en de rust zich niet te moeten verplaatsen. Bovendien zo’n prettig gezelschap ben ik niet hoor!

https://nl.wikipedia.org/wiki/Schoonheid

Wat als uiteindelijk de waarheid niet meer telt?

Journalist Tom Kleijn: de feiten schuiven steeds verder naar achteren

Brainwash – Tom Kleijn – 18.08.2019

In Brainwash Talks van Human buigen journalisten, schrijvers, wetenschappers, theatermakers en filosofen zich over de grote persoonlijke en maatschappelijke vragen van nu. Deze keer journalist Tom Kleijn over verslaggeving, fake news en de waarheid.

“In het najaar van 2012 stond ik in een gymzaaltje van een middelbare school in New Hampshire, in Amerika. We stonden te wachten op presidentskandidaat Mitt Romney. Hij stond aan kop in de peilingen, en zou uiteindelijk de genomineerde worden. Dus was er veel volk op afgekomen. Veel te veel. Dus was besloten om die avond twee optredens te doen. Eerst één in de kantine, en daarna in de gymzaal. In de gymzaal stond ik te wachten tot Romney klaar was in de kantine.

Maar er ging iets mis: alles wat in de kantine werd gezegd, was via de luidsprekers ook te horen in de gymzaal. Dus kon iedereen alles horen: de grapjes, de ingestudeerde zinnen, de verbazing: ‘Goh! Ik wist niet dat er zoveel mensen woonden hier!’ Een half uur later kwam kandidaat Romney voor ons in de gymzaal het podium op. Om vervolgens exact hetzelfde verhaal te vertellen, inclusief de ingestudeerde grapjes en de gespeelde verbazing over hoeveel mensen er woonden. De mensen in het publiek keken elkaar aan, maar applaudisseerden, lachten om de grapjes en dachten allemaal: ‘Leugentje om bestwil. Moet kunnen. Hoort erbij.’ Alsof je naar het circus was geweest, en precies hebt gezien wat je had verwacht. Iedereen ging tevreden terug naar huis.

Een half jaar later stond ik achter Newt Gingrich, een andere presidentskandidaat, op een podium. Hij had de voorverkiezing in zijn staat gewonnen en hield een overwinningsspeech, waarin hij allerlei dingen zei die sterk overdreven waren of gewoon feitelijk niet klopten. De mensen juichten hem toe, terwijl ze wisten dat veel van wij hij zei niet waar was. Maar het maakte ze niet uit. Zij hoorden wat ze wilden horen. Toen Gingrich daar later door een journalist over bevraagd werd, zei hij: ‘Ik ben politicus. Het maakt mij niet uit wat de feiten zijn of wat de waarheid is, maar wat de kiezer als waarheid voelt.’ Dat was al een stapje verder dan bij Mitt Romney in het gymzaaltje. Van een leugentje om bestwil, naar ‘wat de mensen als waarheid voelen’. Sinds die tijd ging het steeds meer schuiven.

Nog maar een paar jaar geleden, als er iets gebeurde in het nieuws, dan waren er feiten: wat is er gebeurd, hoeveel slachtoffers, wat is de oorzaak, is er wetenschappelijk bewijs? Er was één waarheid, maar er waren wel verschillende interpretaties van die waarheid: rechts ging er de ene kant mee op, zag andere oplossingen of achterliggende problemen dan links, dat er zijn eigen spin aan gaf. In die periode deden de nieuwszenders hetzelfde: verslag doen van wat er gebeurde in de wereld. Een klein deel van de inhoud die zij leverden werd ingevuld door experts, commentatoren of deskundigen, die duiding, kleur en een mening gaven aan wat er net gebeurd was.

Nu, een paar jaar later, is die verhouding totaal omgedraaid: sommige zenders doen nog maar 15 procent van hun tijd verslag van wat er gebeurt, en maar liefst 85 procent wordt opgevuld met panels van deskundigen, gesprekken over interpretatie en het ‘inkleuren’ van het nieuws. Als neutrale toeschouwer die graag wil weten wat er gebeurd is, en daar graag zijn eigen mening over vormt, word je er gek van. De feiten verdwijnen terwijl je zit te kijken. Maar de kijker loves it: in Amerika zijn de kijkcijfers van het rechtse FOX News en het linkse MSNBC gestegen. CNN probeerde het eerst op de ouderwetse manier: verslag doen, en dan beide partijen in de analyse aan het woord laten. Gevolg: de kijkcijfers zakten in en de koers werd snel gewijzigd.

In januari 2017 stond ik op de Mall, het uitgestrekte veld in Washington DC voor de gebouwen van het Congres. Om tien uur in de ochtend zou daar de nieuwe president, Donald Trump, zijn inauguratiespeech geven. Mijn cameraman en ik waren verbaasd: vier jaar geleden en acht jaar geleden bij de inauguratie van president Obama, moest je al om zes uur op het veld staan om niet helemaal achteraan, op bijna een kilometer aan te moeten sluiten. Nu reden we in de taxi rond half negen door de stad en vroegen we ons af waarom het zo rustig was. Op het veld zelf waren de vakken halfvol. Te verwachten, bij een Republikeinse president in een Democratische stad als Washington, maar toch.

De luchtfoto’s een paar uur later lieten de witte vlekken in de menigte zien, en bewezen wat ik zelf had gezien. Je weet het misschien nog wel: een dag later zei Sean Spicer, de kersverse woordvoerder van het Witte Huis dat dit ‘de grootste menigte was die ooit bij een inauguratie was geweest.’ Om er heel hard ‘punt uit!’ aan toe te voegen. Ik keek naar de persconferentie en dacht: ‘Ben ik nou gek, of wordt de wereld hier nu keihard voorgelogen?’ De president zelf zei zelfs dat het prachtig weer was toen hij naar buiten kwam, terwijl ik toch echt de hele ochtend in de regen naar hem had staan kijken.
Feiten, zoals het aantal mensen dat het openbaar vervoer gebruikte die dag, of die luchtfoto’s van de inauguratie, werden genegeerd of zelfs als fake terzijde geschoven. ‘Er zijn feiten, en alternatieve feiten’, zo was de uitleg uit Het Witte Huis. Journalisten kwamen in het geweer, er werden factcheck-redacties opgericht en keer op keer werd gewezen op feitelijke onjuistheden. Maar het hielp nauwelijks. De correcties hadden geen effect meer. Van dat leugentje om bestwil in die gymzaal, via ‘hoe voelt de waarheid’ naar ‘alternatieve feiten.’ We waren met z’n allen weer een stap opgeschoven.

Vanaf toen ging het snel: het gaat inmiddels niet meer alleen om feiten en waarheden in de journalistiek, maar ook bij overheidsdiensten en de wetenschap. Zo mogen instituten als de NASA en ministeries als die van landbouw en milieu het woord climate change niet meer gebruiken. Omdat de Amerikaanse president de opwarming van de aarde in zijn verkiezingscampagne een hoax had genoemd. Het is misschien niet allemaal nieuw: in het verleden werden feiten ook vaak aangepast aan een politieke situatie. Maar nu is het overal, en gaat het verder: als politicus hoef je tegenwoordig geen politieke prijs te betalen als je liegt.

En we schuiven nog even verder door: in Amerika wordt een groot deel van de pers inmiddels als ‘vijand van het volk’ getypeerd. Worden wetenschappers als ‘gek of hysterisch’ weggezet. Maar dat is niet alleen in Amerika. Ook in ons land zijn er politici van grote partijen die ongecorrigeerd een hele rij feitelijke onwaarheden mogen opnoemen, of kunnen roepen om het ontslag van een weerman bij de publieke omroep omdat die het te veel over de opwarming van de aarde heeft. Zaken waarvan die politici weten dat ze er niet over gaan, dat ze er geen invloed op uitoefenen. Maar ze zeggen het toch, omdat ze weten dat het bij hun achterban goed scoort. Dus van een leugentje om bestwil, naar hoe de waarheid voelt, naar alternatieve feiten, tot ‘de boodschapper is gek, of een vijand.’ En wat als uiteindelijk de waarheid niet meer telt? Wat is dan het risico?

Een ijskunstwerk met op de achtergrond het Capitool (foto: ANP/Olivia Hampton).
Ik spreek Amerikanen die zeggen dat ‘de president krijgt ondanks alles toch maar mooi zijn plannen er doorheen.’ Terwijl dat niet het geval is. Ze hebben alleen gezien dat de president heeft gezégd dat hij zijn plannen er doorheen krijgt. Niemand die het nog checkt, of die de verslagen leest van diegenen die het wel hebben gecheckt. Deze Amerikanen hebben het opgegeven. Ze zijn het gewoon gaan vinden. En de voortekenen voor de komende verkiezingen in Amerika – maar ook in Europa en in ons land – zijn somber: er worden fake filmpjes gemaakt, gebeurtenissen verzonnen en waarheden ontkent. De loopgraven worden nog sterker betrokken, de benadering door de media wordt nog harder, en de onafhankelijke verslaggeving – het feitelijke nieuws – wordt steeds minder.

En dat is waar ik me nou vooral zo’n zorgen over maak. Niet eens zozeer over dat iedereen zijn eigen waarheid heeft, en mensen steeds minder naar elkaar luisteren, naar de wetenschap, of naar journalistiek die met nieuws komt dat voor jou misschien wat minder prettig is. Dat zijn allemaal ernstige dingen, waarvan je niet wilt dat ze gebeuren. Maar ik maak me er vooral zorgen over de mensen die het opgeven. Die denken ‘het zal wel.’ Die moe worden van die journalisten die maar blijven zeuren over feiten en gebeurtenissen. De mensen voor wie het uiteindelijk niet meer uitmaakt wat de waarheid is. Want als dat gebeurt, dan wint uiteindelijk diegene die niet het best is voor het land of voor het volk, maar dan wint degene die het beste heeft weten te bepalen, en heeft weten te verkopen ‘wat de waarheid is’.

Dus: blijf kritisch, naar de media, naar de journalistiek, en vooral naar de macht. Laten wij er hier met zijn allen voor zorgen dat wij het niet opgeven. Want: er staat simpelweg te veel op het spel.

Tom Kleijn
Amerika-correspondent