Gij dorpsmens

Ruw van gezicht,
Zwaar van gewicht,
Maar licht naar hart en ziel,
Meedraaiend met het levenswiel.

Ruggen die buigen,
Harde ogen die getuigen,
Van het zwoegen hunner handen
En de vrucht van de landen.

Kindjes die groeien,
Bloemen die bloeien,
Waarvoor het hart opengaat,
Overtuigen hun bronzen gelaat.

Overtuigen hun hart van ’t schone,
Dat zachtheid in hen wone.
Want ook bij jou, harde boer,
Liggen tranen op de loer.

Stille tranen zult ook gij wenen,
Zoals eveneens je lach het zal menen,
Wanneer het geluk en goede,
Je voor het stoute behoede.

Micheline Baetens

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.