Verjaardagen

In februari leven we een beetje in het verleden. De geschiedenis heeft ook haar rechten, ook al is het maar de eigen geschiedenis. Of is dat oud worden? In elk geval volgende week is er weer een jaartje bij, zowel bij leven als bij dood…

Op 11 februari vier ik mijn zeventigste verjaardag, maar omdat mijn verjaardag teveel gelinkt is aan de overlijdensdag van mijn man, op 13 februari, verzetten we dat vieren altijd een klein beetje. Dit jaar gaan we wat vroeger vieren en wel op 6 februari.

Dit jaar heb ik voor een specialleke gezorgd en gaan we eten in een sterrenrestaurant op de Brusselsesteenweg in Overijse.

Ik begin dus op 11 februari aan mijn zeventigste hoofdstuk, acht jaar na het overlijden van mijn man.

Op 11 februari 2011, precies om middernacht, werd hij met de MUG weggevoerd, met een acute longontsteking, en de volgende middag werd mij aan de deur door de plaatselijke bloemist een boeket afgeven, dat hij dus van op zijn ziekbed besteld had voor mijn verjaardag.

Op zondag 13 februari ’s avonds is hij overleden. Zijn laatste woorden, toen ik hem in de namiddag na ons bezoek nog eens opbelde waren “dat hij mij nu ging laten, want dat hij een beetje moe was”.


Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo`n pijn,
maar het afgesneden zijn.

Vasalis

Alcoholverslaving en onze genen

De sleutel tot de aanpak van alcoholverslaving zit in onze genen

De Morgen – 04-02-2019 – Sara Vandekerckhove

Het is nog toekomstmuziek, maar volgens professor Geert Dom (Universiteit Antwerpen) wordt ‘genotyping’ dé nieuwe manier om verslavingen te behandelen. “Je genen bepalen mee welke medicatie succesvol is.”

Hoe kunnen we patiënten met een verslaving beter helpen? Dat is een van de cruciale vragen die professor Geert Dom (psychiater, Universiteit Antwerpen) zich al ettelijke jaren stelt. Nu krijgen mensen met een alcoholverslaving steevast een mix van therapie, ondersteuning en medicatie voorgeschoteld. De resultaten daarvan zijn ‘zwak tot matig’. “Let wel, daarmee scoren deze behandelingen niet beter of slechter dan die in de algemene geneeskunde”, benadrukt Dom.

Maar het betekent wel dat het nog beter kan. ‘Genotyping’ kan daarbij helpen, meent de prof. Bij het grote publiek leeft namelijk het idee dat verslaving vooral een ‘mentale kwestie’ is, die ‘mits voldoende motivatie en wilskracht’ gecounterd kan worden.

“In werkelijkheid wordt het voor 50 tot 60 procent genetisch aangestuurd”, zegt Dom. “Dat betekent dus dat de neurobiologie een belangrijke rol speelt. En dat impliceert dus dat je de medicatie ook beter op de patiënten zou kunnen afstemmen.”

Het doel is om patiënten een veel persoonlijkere, geïndividualiseerde behandeling aan te bieden. Op basis dus van de genen die ze hebben. “Zo weten we bijvoorbeeld dat een op de vier patiënten met alcoholproblemen een specifiek genotype heeft”, zegt Dom. “En dat net die groep veel beter reageert op een bepaald medicijn dan andere patiënten.”

Een geneesmiddel waarbij het effect heel erg kan variëren is naltrexon, een middel dat werkt tegen ontwenningsverschijnselen en wordt gebruikt bij verslaving aan opiaten en alcohol. “Geef je dat aan honderd mensen met een alcoholverslaving, dan heeft dat een ‘matig significant’ effect”, legt Dom uit. “Dan zie je bijvoorbeeld hoe 10 procent van de patiënten er beter mee is, in vergelijking met de groep die het placebo slikt. Geef je dat aan de groep patiënten met dat specifiek genotype, dan is het aantal dat er baat bij heeft ongeveer drie keer zo groot. Een groot verschil.”

Tabaksverslaving

Bovendien hoeft zo’n ‘genotyping’ helemaal niet extreem veel geld te kosten of tot een omslachtige procedure te leiden. “Dit kan gewoon via een eenvoudige speekselafname”, zegt Dom. “Doordat je maar op een beperkt aantal genen in kaart wil brengen, is de kostprijs niet zo hoog. Voor ongeveer vijftig euro lukt dat.”

Toch zijn er ook nog heel veel vraagtekens. Wetenschappers hebben een resem genen in kaart kunnen brengen die een rol spelen bij verslaving. “Maar we weten zeker nog niet alles”, benadrukt Dom. “Dat moet verder onderzoek in de toekomst uitwijzen.”

Op dit moment is ‘genotyping’ nog verre van een standaardinstrument in de Vlaamse psychiatrie. “Integendeel zelfs”, zegt Dom. “Op de werkvloer wordt daar nog niet veel mee gedaan. We zijn er nochtans al enkele jaren mee bezig, maar in de praktijk staan we eigenlijk nog nergens. In Amsterdam en Nijmegen gebruiken ze het wel al, maar ook dat zijn nog maar bescheiden projecten.”

Wel gaat de expert ervan uit dat dit de toekomst is. “Net zoals je steeds meer geïndividualiseerde behandelingen hebt voor mensen met kanker, zul je ook steeds meer kunnen vertalen naar therapieën voor verslavingen.” En dan zou dat niet enkel ingezet kunnen worden bij alcoholverslavingen, maar even goed bij tabaksverslavingen.

Waardering

Wie gezien wordt bestaat

Als er iets is wat ons mensen aan de gang houdt, dan is het wel waardering, schrijft Marjoleine de Vos. Een eenvoudig ‘dankjewel’ kan veel betekenen – als het maar oprecht is.

Ooit vertelde een vriendin me over de tijd dat ze haar doodzieke moeder verpleegde. De moeder woonde in een andere stad, mijn vriendin bleef daar vaak een paar dagen en was maar weinig thuis. Dat vond haar man niet zo leuk. Ze waren nog maar jong en hun huwelijk was pas begonnen.

De verzorging van moeder viel niet mee, ze was niet echt een opgewekte patiënt en commandeerde haar dochter nogal – was de keuken wel echt schoon? Had ze al boodschappen gedaan? Ze lag heel ongemakkelijk – die lakens zouden best eens gewassen kunnen worden. Nooit eens: ‘Dankjewel, dat je dit allemaal doet.’

Mijn vriendin vertelde het jaren en jaren later. Ik was zelf nog jong en vervuld van mooie verwachtingen omtrent mijzelf en het leven, en zei dus ijverig dat ze het natuurlijk ook niet had gedaan om dankbaarheid te ontvangen. ‘Nou,’ zei ze, ‘het zou wel makkelijker zijn geweest als iemand het gewaardeerd had.’

Ze vroeg zich achteraf af of ze het wel had moeten doen.

Beloning

Als er iets is wat ons mensen aan de gang houdt, dan is het wel waardering. Doen wat je van jezelf moet doen, is mooi, maar als niemand dat ziet, of als niemand er iets aardigs van vindt, dan valt het niet altijd mee om door te gaan. Waardering versterkt de overtuiging dat je werk zinvol is. En al neuriën we nog zo vaak de mantra dat je zelf, autonoom en authentiek als je bent, de belichaming van die overtuiging bent, en al ís dat tot op zekere hoogte ook zo, toch is het makkelijker in de zin en betekenis van wat je doet te geloven als af en toe iemand er blijk van geeft dat ze jou en je werk ziet. Wie gezien wordt, bestaat.

De laatste tijd hebben we politici heel vaak horen toeteren dat ze werk in de zorg enórm belangrijk vinden, dat ze véél waardering hebben voor alle dappere mannen en vrouwen die dat doen enzovoort, net als voor de politie, allerlei soorten hulpverlening, onderwijs – gewéldig. Bravo! Gaat u zo door!

Dat soort waardering helpt dan weer niet. Daar moet boter bij de vis, niet alleen praten maar ook tónen dat ‘wij met z’n allen’ zulk werk belangrijk vinden. Dat betekent: er meer voor betalen. Een goed salaris is een vorm van waardering.

Heel eenvoudig zit dat dan ook weer niet. Er komt veel kijken in de verhouding waardering-geld. ‘Wij zouden het énig vinden als u bij de feestelijke opening van ons nieuwe gebouw een paar gedichten wilde voordragen, uw werk sluit hélemaal aan bij onze doelstelling. Er is helaas geen budget voor, maar u krijgt een mooie bos bloemen en onze dank natuurlijk!’ Dat klinkt vals.

Maar geldelijke beloning voor wie zich inzet voor een goed doel, klinkt óók vals.

Filosoof Michael Sandel, de schrijver van onder meer Niet alles is te koop, schreef eens over mensen die bloed gaven voor bloedbanken. Vrijwillig. En hoe, toen men besloot voor bloeddonatie een vergoedinkje te gaan betalen, het aantal donoren áfnam. Blijkbaar deden mensen het omdat het ze een prettig gevoel gaf om iets goeds te doen. Toen het een betaalde transactie werd, werd dat aspect, het belangrijkste, ervan afgenomen.

Ook wie als het ware ‘voor mijn plezier’ zijn of haar werk doet, zou dat waarschijnlijk niet doen als er niet voor betaald zou worden. Nog los van het feit dat het energiebedrijf ook niet voor de lol energie levert of de supermarkt uit enthousiasme gratis yoghurt verstrekt, zou je als het allemaal gratis moest, het gevoel krijgen dat je werk niet erg op prijs gesteld werd.

Wellicht een onterecht gevoel, waardering zit niet per se in de beloning. Het prettige gevoel als iets goed gelukt is, als mensen blij zijn en goed reageren op wat je gedaan hebt, heeft weinig te maken met de vergoeding. Maar ik wil toch ook nog dat het iets wáárd is, dat werk van mij, dat men er iets voor overheeft.

De omgekeerde suggestie, dat het alleen maar om het geld gaat, klinkt dan weer bijna alsof je iets minderwaardigs doet. Het is een excuus dat mensen gebruiken als ze zelf vinden dat hun werk niet veel aanzien verdient: ‘Ik doe dat gewoon voor het geld.’ Aangezien we allemaal moeten leven, is dat geen onredelijke motivatie, maar toch is het een beetje sneu, want we geloven nu eenmaal, terecht of onterecht, in het belang van plezier hebben in het werk dat je doet. Sterker nog: er moet regelrechte ‘passie’ bij komen kijken en díé levert dan weer veel waardering op. Van werk dat veel geld oplevert, moet iemand helemaal hartstochtelijk houden, anders verkoopt die zijn ziel, vinden we.

Waardering en eer zijn sterke drijfveren voor ons handelen. Die waardering kan, zie het verschijnsel van de bloeddonoren, inderdaad goed van onszelf komen. Al wordt die eigen waardering ongetwijfeld sterk beïnvloed door de wetenschap dat ook de maatschappij waarde hecht aan wat je doet, zelfs al weet ‘de maatschappij’ niet eens dat je het doet.

Eer

Onlangs publiceerde NRC Handelsblad een stuk over mensen die hun behoorlijk betaalde banen opzegden, omdat ze iets wilden doen waar hun hart bij lag. Maar ook wie zulk werk doet, heeft waardering nodig: de timmerman die zijn eigen kast weer moet afbreken, omdat de opdrachtgever die toch ergens anders wil hebben, het stuk dat ik voor niets geschreven heb, omdat het themanummer al vol zit, het ontwerp voor een gebouw dat niet uitgevoerd wordt, rapporten die in een la verdwijnen – daar is betaling geen oplossing voor. Het blijft onbevredigend en meer dan dat, het is vernederend als iemand je zinloos werk laat doen en dan koeltjes tegen je zegt: ‘Je wordt er toch voor betaald.’

Het gaat niet alleen om gebrek aan waardering, het is alsof er ook iets van het zelfgevoel wordt aangetast. Als werk, inspanning, bedoeling zo weinig op prijs gesteld wordt, misschien niet eens gezien wordt, is de stap naar de vraag of degene die de inspanning verrichte er zelf eigenlijk wel toe doet, maar heel klein. Eergevoel en zelfrespect zijn geen begrippen waar we vaak over praten, maar dat wil niet zeggen dat ze niet leven. Wie zich aangetast voelt in zijn eer, wordt boos en ongelukkig.

De honger naar waardering blijkt ook uit het hartstochtelijke verlangen naar likes en volgers, het bijkleuren van het eigen leven in de hoop dat onzichtbare toeschouwers zullen juichen ‘like! like!’ Duidelijk is dat het op die manier nooit genoeg kan zijn, het zijn immers lege vormen van waardering. Ze vervullen niet, want ze belonen niet iets echts, en dus moet men heel snel op zoek naar een nog bijzonderder foto van een kat, een baby of zelfs een ei om weer een nieuw beloningsprikkeltje te krijgen.

Voldoening

Voor voldoening is meer nodig. Vrijwilligerswerk kan buitengemeen bevredigend zijn, als je voelt en merkt dat wat je doet betekenis heeft – omdat daarmee mensen geholpen zijn, het museum of de bibliotheek open kan blijven, iets georganiseerd wordt waarvan je ziet dat de mensen ervan genieten. Dan merk je dat het zelfgevoel ook nog door iets anders gedragen wordt, namelijk door de eigen moraal, het geloof in ‘het goede doen’ (iets wat nu vaak wordt uitgedrukt met het wel erg ambitieus klinkende ‘ik wil het verschil maken’). Bijdragen aan dat wat men goed of juist vindt, aan de vermindering van leed of de toename van betekenis – want niets is zo vreselijk als betekenisloosheid – geeft voldoening. Als die betekenis wordt weggenomen door gebrek aan waardering, of zelfs door regelrechte afkeuring, kan dat vernietigend zijn. Denk aan die huisarts die meende het goede te doen toen hij zijn patiënt een royale dosis morfine gaf en die vervolgens werd geschorst en vervolgd wegens moord – het tastte zijn zelfgevoel zó diep aan dat hij zelfmoord pleegde.

Er moeten vanzelfsprekend ook dingen gedaan worden waarvoor we weinig waardering krijgen. Dat is geen reden om ze niet te doen. Blijkbaar begint het te wringen als een ander misbruik maakt van de moraal die iemand zichzelf oplegt. Het feit dat mijn vriendin zelf vond dat ze voor haar moeder moest zorgen, wilde nog niet zeggen dat moeder dat ook zonder enige erkentelijkheid kon aannemen. Zelfs wie de dankbaarheid oprecht afwijst – ‘welnee, dat spreekt toch vanzelf’ – is er nog blij mee. We hoeven niet helemaal belangeloos te leven, het is niet verkeerd om óók gemotiveerd te worden door andermans waardering. En soms gewoon door het geld.
Toch zou je jezelf hoger aanslaan als het alleen maar was om je eigen moraal hoog te houden. Als je vooral waardering gaf, in plaats van die zo graag te willen krijgen. Maar dat is misschien meer iets om naar te streven dan om alles aan af te meten.

© NRC Handelsblad
De Standaard – 03.02.2019

Er moeten mensen zijn die zonnen aansteken

Er moeten mensen zijn die zonnen aansteken

Voordat de wereld verregend
Mensen die zomervliegers oplaten
Als ’t ijzig wintert
En die confetti strooien tussen de sneeuwvlokken
Die mensen moeten er zijn

Er moeten mensen zijn die aan de uitgang van ’t kerkhof ijsjes verkopen
En op de puinhopen mondharmonica spelen
Er moeten mensen zijn die op een stoel gaan staan
Om sterren op te hangen in de mist
Die lente maken van gevallen bladeren
En van gevallen schaduw licht

Er moeten mensen zijn die ons verwarmen
En die in een wolkeloze hemel
Toch in de wolken zijn
Zo hoog
Ze springen touwtje langs de regenboog
Als iemand heeft gezegd:
Kom maar in m’n armen

Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan

Er moeten mensen zijn die op het grijze asfalt
In grote witte letters ‘liefde’ verven
Mensen die namen kerven in een boom vol rijpe vruchten
Omdat er zoveel anderen zijn die voor de vlinders vluchten
En stenen gooien naar ’t lenteblauw
Omdat ze bang zijn voor de bloemen
En bang zijn voor ik hou van jou

Ja, er moeten mensen zijn met tranen als zilveren kralen
Die stralen in het donker
En de morgen groeten
Als het daglicht binnenkomt op kousenvoeten

Weet je, er moeten mensen zijn die bellen blazen
En weten van geen tijd
Die zich kinderlijk verbazen
Over iets wat barst van mooiigheid

Ze roepen van de daken dat er liefde is en wonder
Als al die anderen schreeuwen: alles heeft geen zin
Dan blijven zij roepen: nee, de wereld gaat niet onder
En zij zien in ieder einde weer een nieuw begin

Zij zijn een beetje clown
Eerst het hart en dan het verstand
En ze schrijven met hun paraplu ‘i love you’ in het zand
Omdat ze zo gigantisch in het leven opgaan
En vallen en vallen en vallen en opstaan

Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen blijven dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan
De muziek gaat door
De muziek
Gaat
Door

Toon Hermans

Dat kleine huisje in de Leegheid aan de IJse

Zou mijn grootmoeder zich ook afgevraagd hebben of het leven wel zin had? Ik denk het niet, want die had het veel te druk met een hoop kinderen krijgen en mijn grootvader uit café te houden, want in die tijd waren er nogal wat cafés in de Leegheid.

Ze had wel haar eigen huisje, dus heel hard gewerkt en hard gespaard waarschijnlijk. Op het einde van haar leven is ze wel onteigend geworden voor een bredere straat. Ze heeft er 100.000 Bfr. voor gekregen, en moest naar het rusthuis waar ze doodongelukkig was, tot ze in Neerijse in een ziekenhuis belandde, waar ze mocht blijven en wel heel tevreden was. Ze had diabetes op het einde van haar leven, en het is ook haar dood geworden.

Maar filosoferen over de zin van het leven zal ze wel niet gedaan hebben. Het was trouwens ook een zwijgzame vrouw en ze was al content als ze ergens rustig kon zitten zonder iets te hoeven doen. Met haar duimen draaien, deed ze dan letterlijk!

In de zon bijvoorbeeld, met een grote zakdoek op haar hoofd, tegen een zonneslag. Zo herinner ik mij haar heel goed. En op een gewone stoel, niet in een zetel, want daar kon ze dan niet meer uit.

Men had trouwens vroeger geen “salon” zoals dat nu heet, enkel een rieten fauteuil waar mijn grootvader in zat. En één plaats, die keuken, eetkamer en zelfs badkamer tegelijk was. Gewassen worden op een stoel, als klein kind, met water uit een zinken emmer, met Sunlightzeep en kort bij de Leuvense stoof, ik zie het nog voor mij, en dank zij de foto’s die mijn nonkel daarvan genomen heeft, zal ik het nooit vergeten.

Mijn moeder zei altijd dat ze thuis niks tekort gehad heeft, ondanks het gebrek aan luxe, en dat ze nooit honger geleden heeft, zelfs niet in de oorlog. Mijn grootmoeder kon dus toveren met het loon van mijn grootvader, die spoorwegarbeider was. Het was zelfs écht kermis als het kermis was, met zelfgemaakte taarten, en genoeg voor heel die grote familie, in dat kleine huisje in de Leegheid aan de IJse, waar iedereen welkom was. Wat ben ik blij dat ik dat heb mogen meemaken en mij nu nog heel goed herinner, samen met de prachtige natuur en mijn heerlijke schooltijd!

Wat die goeie ouwe pater Versteylen de jonge groentjes nog kan leren

Wat die goeie ouwe pater Versteylen de jonge groentjes nog kan leren

Visionairbelgie – Johan Sanctorum – 1 februari 2019 Voor 20 euro naar Lissabon: de democratisering van het vliegreizen –noem het maar de Ryanisering– heeft ervoor gezorgd dat werkelijk iedereen het vliegtuig instapt om zijn bijdrage te leveren aan de CO2-uitstoot. Zo’n kerosineverbrander stoot tien keer meer uit per persoon dan pakweg een TGV voor hetzelfde traject: de luchtvaart staat bovenaan in het lijstje van de CO2-uitstoters, en het vliegreizen gaat nog steeds crescendo. Luchtvaartmaatschappijen betalen daarenboven geen belasting op kerosine, zijn niet BTW-plichtig, noch onderhevig aan enige reglementering rond brandstof-efficiëntie. Het lijkt erop dat de maatschappij deze sector extra in de watten wil leggen, nog veel meer dan de auto-industrie.

Hedonisme

Dat heeft alles te maken met het kosmopolitische imago van het vliegtuig: de wereld is een dorp, moderne mensen vliegen, en iedereen wil tot die gedemocratiseerde jetset behoren. Niet in in het minst de ecologische elite die de dieselrijders zowat als onverantwoordelijke debielen wegzet.

Zo blijkt klimaatpassionaria Anuna De Wever een indrukwekkend palmares van recente vliegtuigreizen te kunnen voorleggen, critici van de klimaatbeweging hebben dat uitgevlooid. Terecht. Ook jongeren mogen beseffen dat schone ideeën en stoere slogans zonder concrete daden hypocriet blijven. In de rechtse rioolpers werd anderzijds ook haar genderneutraliteit (‘ik ben geen meisje en geen jongen’) erbij gesleurd om heel de beweging als een modieus-progressistische ’zure regen’ (sic) af te schilderen. Iets minder kosjer en vooral naast de kwestie: de seksuele geaardheid van Anuna zal me worst wezen, bij mijn weten scheidt genderneutraliteit geen extra broeikasgas af.

Maar dus die reisjes naar Lissabon en zo. De democratisering van de luchtvaart heeft te maken met prijsbrekers en goedkope vliegtuigtickets, maar ook met de reisdwang die het massatoerisme ons oplegt, de neurose van elders-is-het-beter, aangewakkerd uiteraard door Facebook waar al onze exotische vakanties ook breed kunnen worden geëtaleerd. Wie niet twee keer per jaar aan Zuiderse stranden of in een ski-oord gesignaleerd wordt, of een trendy city-trip meepikt, is een beklagenswaardige sukkel. Dit hedonisme, facet van een materialistische belevingscultuur zonder diepgang, is allicht een nooit opgedroogde restant van de ’68-beweging die wel de wereld wou verbeteren maar zich geruisloos liet opzuigen in het consumentisme onder motto’s als ‘sous les pavés la plage’ (onder de plaveien het strand). Plezier voor iedereen aan spotprijs, alles binnen handbereik, geen schaduwkant of keerzijde.

Ecofascisme

Die keerzijde is er natuurlijk wel. Naast de commerciële kost bestaat er wel degelijk zoiets als milieukost, kosten die collectief door de samenleving gedragen worden, zoals bijvoorbeeld ook het onderhoud van het wegennet (voor autorijden), of de ziekteverzekering als iemand zijn lever kapot zuipt of door onbeschermde losse sekscontacten HIV oploopt. There is no such thing as a free meal, iemand moet ervoor opdraaien.

Maar terug naar de lage vliegtuigtickets. De algemene teneur is dat we fameus zullen moeten inleveren om het milieu proper te houden en de klimaatdoelstellingen te halen. En dus komt die vliegtuigtaks eraan, in de hoop dat de lage middenklasse zal passen voor de net te dure vliegvakantie. Nog los van de vraag wat men dan met de inkomsten uit die taks gaat doen, lijkt milieubewustzijn nog steeds vooral om het inleveren van geluk te gaan: gedaan met twee keer per jaar het vliegtuig te nemen aan spotprijs, slechts een paar keer per week vlees eten, minder lang onder de douche, geen vuurtjes meer stoken…. het lijkt wel één grote treurnis die ons te wachten staat als we werk maken van een CO2-neutrale planeet.

De milieubeweging gaat mee in dat schuld-en-boetediscours: de vervuilende Vlaming zal bestraft worden en moet genot inleveren. Dat ecofascisme, zoals ik het in mijn boek ‘De Langste Mars’ noemde, wortelt in de teleurstelling van de linkerzijde omwille van het rechtsdraaiende gepeupel, en de cultuurmarxistische recepten die daar tegenover staan om het volk met harde hand herop te voeden. Samen met de politiek-correcte regels rond taal en attitude wil het groene betuttelingsdenken ons ook rituelen opleggen die offers vergen, pijn doen, geld kosten.

Helaba

Luc Versteylen (° 1927)

Edoch, de Griekse wijsgeer Epicurus (‘Schenk me een glas melk in, we gaan feesten!’) betoogde al dat geluk weinig te maken heeft met luxe, misschien integendeel zelfs, en dat het de kunst is om uit kleine dingen levensvreugde te puren. Ook al vinden we ooit wel CO2-neutrale vliegtuigen uit: moet iedereen nu echt Barcelona plat lopen, zodat zelfs de bewoners acties tegen de overlast gaan voeren?

Dat is natuurlijk een vreemde gedachte in een tijd dat iedereen met het laatste type smartphone moet rondlopen, maar kijk: net nu ontstaat er een tegenbeweging van mensen die de eindeloze dwang om steeds geconnecteerd te zijn, kotsbeu worden en de smartphone bannen. Probleem voor Google, Apple en konsoorten: het fameuze consuminderen, de nachtmerrie van elke marketeer. Minder bellen betekent echter meer tijd om te converseren met mensen van vlees en bloed rondom je, en misschien ook eens je kind een extra knuffel te geven of weer een boek te lezen. Anders gezegd: wat luxe overboord gooien is geen offer maar een weg naar méér levensintensiteit. Minder zwelgen, meer proeven.

Dat klinkt misschien wollig maar de Anuna’s van deze wereld hebben die Epicureïsche klik nog niet gemaakt: dat minder meer is, en dat de bron van het geluk in onze ziel zit en niet in de gadgets waarmee we ons omringen. En dat het ideale vakantie-oord misschien maar tien meter ver ligt, namelijk in onze tuin. Dat was enigszins het discours van Pater Versteylen, de stichter van Agalev (later Groen), die door de toenmalige nieuwe partij-elite (Mieke Vogels, Jos Geysels) werd opzij gezet als een naïeve dromer. Vanaf dan is het al scheef gelopen met de Vlaamse Groenen en nam hun politiek-correct bobo-gehalte schrikbarend toe. Als protest daartegen richtte Versteylen in de jaren ’90 Helaba op, een nieuwe beweging gebaseerd op de waarden ‘saamhorigheid, soberheid en stilte’, iets wat de Calvo’s van vandaag helemaal niks zegt.

Versteylen durfde de geluksvraag nog te stellen, alle groenen na hem waren alleen nog bezig met regeltjes. Nog niet zolang geleden hoonden we die welzijnsvraag weg als geitenwollen sokken-gedoe, maar ik heb het gevoel dat de jongens en meisjes die elke donderdag gaan betogen, dringend toe zijn aan een paar lessen levensfilosofie waarin men zichzelf geen trips naar Ibiza ontzegt, maar daar gewoon geen meerwaarde in ziet.
Ik zou nu kunnen zeggen: beter dat er niet gespijbeld wordt en dat de leerkrachten Epicurus boven halen. Maar ook die filosoof is al lang afgevoerd wegens euh… niet bevorderlijk voor het welzijn van de leerling. Dat brengt ons dan weer naar de neergang van het Vlaamse onderwijs, maar dat is weer een ander verhaal. Of toch niet?