De raadselen van passie en affectie

“We konden niet onder ogen zien dat we op een einde afstevenden”
Corine Koole interviewt over de raadselen van passie en affectie

Het Laatste Nieuws – Corine Koole – 23 september 2018

Carol, 39, telde dagelijks haar zegeningen – mooie man, fijn gezin, groot huis – maar gelukkig werd ze er niet van. Pas toen ze verliefd werd op een man die ze op een schoolplein had ontmoet, zag ze het onder ogen: haar huwelijk was voorbij.
Vaak dekte ik de tafel en zei mijn man: ‘Waarom heb je de kaasschaaf niet gepakt?’ Hij zei ook regelmatig dingen als: ‘Restjes pasta moet je niet onder aluminiumfolie bewaren, want dan droogt alles uit.’ Dan verweerde ik mezelf en antwoordde: ‘Ik ben geen kind.’ Waarop hij zei: ‘Je gedraagt je als een kind.’

“Deze dialoog of een variant daarop draaiden we samen een paar keer per week af. Beiden hielden we ons voor dat die gesprekken werkelijk gingen over de manier waarop het huishouden gerund diende te worden: hij die zich zorgen maakte over de restjes in de koelkast en ik die er een punt van maakte dat iets minder orde ook wel kon. Als hij thuiskwam van zijn werk, en ik mijn best had gedaan om alles op te ruimen, wees hij beschuldigend naar de Lego-bouwwerken die nog op de grond stonden.“Hij was geen vervelende man. Hij was zorgzaam en kon geweldig koken. Een man die een arm om me heen sloeg, die vond dat nare dingen niet bestonden, als je ze gewoon ontkende. ‘Denk aan wat je allemaal hebt’, zei hij als ik hem vertelde dat ik me soms zo somber voelde. En na weer zo’n dialoog die klonk als een refrein zonder woorden, dronken we gewoon samen een glas wijn en aten er een kaasje bij. We konden niet onder ogen zien dat we op een einde afstevenden, elk vochten we intuïtief voor onze eigen plek. Het was of we niet gelijktijdig in een kamer, een keuken konden zijn zonder dat dit ten koste ging van de bewegingsvrijheid van de ander. Dat was waar het gekibbel echt over ging, maar dat inzicht is er nooit geweest. Ons huwelijk spoelde langzaam weg.

“Toen hij de helft van de week in het buitenland ging werken, voelde ik me vrijer. Ik had verwacht dat het zwaar zou zijn, in mijn eentje met de kinderen en mijn baan, maar in plaats daarvan ging alles me makkelijker af. Ik smeerde wat boterhammen en gaf die de kinderen in hun handen, dat scheelde weer dekken en afruimen, en het speelgoed kon ’s avonds zonder schuldgevoel blijven staan.’Zo raar, hoe ik zonder me ervan bewust te zijn in een diep karrenspoor terechtkwam. Ik zag mijn zegeningen en telde ze: de grote mooie man, de kinderen, het grote huis in de straat waar alle vaders in het weekend met alle kinderen barbecueden, mijn werk. Maar het welbevinden dat doorgaans met zulke zegeningen gepaard gaat, was weg. Ik werd nog somberder, begon steeds meer op mijn tenen te lopen en nadat mijn man een tijd ziek was geweest, leek het of we samen een wedstrijd deden in wie het vermoeidst was. Weer dat vechten om die ruimte dus, weer zonder het te benoemen. We waren kansloos.

“Op het schoolplein liet een vader blijken dat hij belangstelling voor me had. Ik was niet van plan daarop in te gaan. Mijn moeder had met haar affaire haar huwelijk verwoest, en boven mijn bureau had altijd een denkbeeldig bordje gehangen: Gij zult niet scheiden. Maar het volslagen idiote van verliefdheid en vreemdgaan is: je weet dat je een cliché leeft en dat je nooit naar die andere man had omgekeken als het lekkerder had gelopen met je eigen man, maar dat helpt niet. Ik was me ervan bewust dat het vooral aantrekkingskracht was die mij naar hem dreef, dat ik afleiding vond en een gedeelde verontwaardiging over het feit dat we allebei onbegrepen waren door onze geliefden, en dat dit nieuwe ‘wij’ niets met liefde te maken had, toch gleed ik steeds verder weg in deze affaire.“Toen deze man liet weten verliefd op me te zijn, was het of de wereld zich voor me opende. Niet in de betekenis van wilde hartstocht, maar als verstrooiing, avontuur, nieuwtje. Die woorden wilde ik hem nog eens horen zeggen. Nog een keer die zin, misschien wat zoenen en dan weer wegwezen. Zo zag ik het toen hij mij op een avond via de achterdeur binnenliet. Zijn vrouw was uit met vriendinnen. Hij omhelsde me, en intussen zeiden we tegen elkaar dat we hier niet mee door moesten gaan omdat we onze gezinnen op het spel zetten. Ik stond al bij de deur, toen ik ineens zei: ‘Ach, nu ik hier ben, kan ik net zo goed een biertje drinken’.

“Hij was het tegendeel van mijn man: zijn riem matchte niet met zijn schoenen, zijn warrige haar had geen scheiding en hij droeg een jeans in plaats van een pak. De geur van zijn goedkope aftershave wond me eigenaardig genoeg op. We zoenden. Zo werd ik verliefd. En toen hij ook nog naar me bleek te luisteren en mijn schrijfambities serieus nam, werd ik nog verliefder. Maar, zoals hij het verwoordde: ‘Tijdens die eerste kus werd er iemand geboren en ging er iemand dood’. De hervonden vrijheid was tijdelijk en een mijn onder onze huwelijken. Een halfjaar later ben ik gescheiden. Hij inmiddels ook.“Toch zien we elkaar niet meer. Toen ik aarzelde met hem een nieuw gezin te stichten, vond hij onmiddellijk een andere vrouw die dat wel wilde. En midden in de verwarring, de turbulentie en het verdriet vind ik nu in mijn eentje eindelijk de kalmte. Steeds meer raak ik ervan overtuigd dat niet liefde maar vriendschap de omgangsvorm is waarbij ik mij het prettigst voel. Niet alleen kan ik het als ex-partner weer veel beter met mijn ex-man vinden, maar sowieso uit ik me makkelijker binnen het kader van vriendschap dan binnen de liefde die altijd verbonden is aan maar één persoon en aan onverenigbare verwachtingen. Vriendschap is misschien wel onvoorwaardelijker dan liefde. In mijn geval althans, omdat vriendschap losser is, kan ik me er makkelijker aan verbinden.”

Portret van een dichter

Mirjam Van Hengel – Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert

HUMO – 18.09.2018

Die zeldzame keer dat Remco Campert eens solliciteerde – hij was 22 en het was bij de krant Het Vrije Volk – noteerde hij op het formulier: ‘Tegenwoordige functie: dichter. Loopbaan: beter van niet.’

Na een lange loopbaan als dichter is het met Campert helemaal goed gekomen: geen andere schrijver genereert vandaag zoveel belangstelling als hij. Het lijkt wel, schrijft zijn biografe Mirjam van Hengel, alsof er geen andere schrijver van zijn formaat meer bestaat. Van zijn generatie was hij niet de vuurvogel die boven alles uitsteeg, want dat was ook voor Campert zelf collega Lucebert, maar hij was wel ‘het musje dat zwaluw werd’ – één van de zovele fraaie formuleringen van Van Hengel. Dit is haar verklaring waarom Campert, die weinig expliciete moeite doet om te bevallen, zo populair kon worden: Campert, zegt ze, gééft door zichzelf te zijn. En om uit te leggen wat dat dan weer wil zeggen, heeft ze een kleine zeshonderd bladzijden uitgetrokken.

Van Hengel las veel, deed archiefwerk en nam interviews af, maar de ruggengraat van haar boek vond ze in wekelijkse gesprekken met Campert en zijn vrouw Deborah (haar praatgraagte faciliteert zijn zwijgen – mooi opgemerkt door Van Hengel). Aan die huisbezoeken hield ze behalve informatie een intieme toon over. Ze heeft ook kunnen vaststellen dat Campert nogal wat verdrongen heeft (ze schrijft hem een groot vermogen toe te negeren wat hem niet interesseert), en voorts is er in zijn herinneringen nogal wat verwrongen geraakt. Een toch opmerkelijk voorbeeld: Campert heeft vaak beweerd dat hij zijn vader Jan Campert, vermoord door de Duitsers in 1943, na de scheiding met zijn moeder in 1932 (hij was nog geen 3) maar een keer of vier, vijf heeft gezien. Niet dus: hij bracht nog lange perioden met hem door.

Campert heeft voor zijn literaire werk het eigen leven grondig geplunderd, en de grote lijnen ervan zijn de liefhebber dus bekend. Dat is niet erg, Van Hengel heeft het compositorische en stilistische talent om ook het vertrouwde weer te doen glanzen. In grote trekken gaat ze chronologisch te werk: de verlegen jongensjaren, het dichterschap dat ontluikt ‘als een kuiken uit een ei’, de overrompeling door de jazz, enzovoort. De plaats van handeling, en van zijn poëzie, is dikwijls Amsterdam, al is er in de fifties ook een Parijs’ hoofdstukje en woonde hij in de sixties even in Antwerpen – jaren die hij wel eens romantiseerde, maar niet altijd: hij herinnert zich ook ‘die verrotte Vlaamse mentaliteit’. Minder bekend maar belangrijk is nog het Noord-Franse Iviers, waar Remco en Deborah Campert meer dan dertig jaar lang in een voormalige notariswoning de zomer doorbrachten, ook in de jaren dat er een gat zat in hun relatie.

Campert en de vrouwen is een tijdrovend onderwerp voor de biografe, want hij had vier echtgenoten, alle vier bijzondere vrouwen: Freddy Rutgers, een mooie muze die de verbeelding van nog andere Vijftigers (Kouwenaar, Elburg) op hol zou brengen, Fritzi ten Harmsen van der Beek, de vrouwelijke vuurvogel van de Nederlandse poëzie (nieuw is de informatie dat Campert de avond vóór hun huwelijk een deel van haar gebit eruit klopte), hippiekoningin Lucia van de Berg, de moeder van zijn twee dochters, en ten slotte Deborah Wolf, een Amerikaanse zeldzaamheid in Amsterdam. En Van Hengel voegt er een ‘grote liefde’ aan toe, in de jaren 80, voor een 32 jaar jongere vrouw. Voor wie Campert helemaal als een vrouwengek wil wegzetten, is er van zijn kant ook een relativerende opmerking over seks: ‘Een stuk chocola is ook heel lekker.’
Zijn kinderen en stiefkinderen illustreren met pittige citaten zijn gemankeerde vaderschap, ook door hem vandaag betreurd.

Camperts belangrijkste werken krijgen een elegante presentatie. De nadruk ligt op de portrettering van de schrijver met een lichte en een sombere kant. In hetzelfde tijdsgewricht als zijn roman ‘Het leven is vurrukkulluk’ schreef hij de regel ‘Het leven is verdrietig onvolledig’ – een fraaie herformulering van ‘het menselijk tekort’. Campert had het verlangen te verdwijnen, en dat kon hij in zijn geschriften en in de drank. Hij leefde als een voortvluchtige, is zijn eigen samenvatting: hoe mededeelzaam hij ook leek in zijn columns, hij had altijd een voet op een voor anderen onbetreedbaar terrein staan. Een stukje van dat terrein geeft hij prijs in zijn poëzie, waaruit Van Hengel rijkelijk citeert.

https://www.debezigebij.nl/boeken/een-knipperend-ogenblik/

In het recente Campert-nummer van het tijdschrift Revisor vertelt Mirjam van Hengel hoe ze het voltooide manuscript aan Campert overhandigt. ‘Ik heb natuurlijk maar iets gedaan,’ stamelt ze. Waarop hij opgeruimd zegt: ‘Ik doe toch ook maar wat.’ Laat die twee maar tegen elkaar op liegen, het levert de mooiste dingen op.

Iemand stelt de vraag
2

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z´n kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Remco Campert

Dit is mijn lievelingsgedicht van Remco Campert, en één van mijn katten heb ik naar hem genoemd. Ik hou van zijn poëzie en van zijn directe en relativerende taal.

 

 

Gevoelige gedachten

“Filosofen zagen de emoties vroeger vooral als een soort ‘dierlijke oprispingen in het bloed’ “, zegt Martha Nussbaum. “Het blijkt nog knap lastig om zulke traditionele ideeën over emoties omver te werpen. Ik denk dat emoties in feite een intelligente perceptie van de realiteit belichamen. Emoties zijn een waardevolle bron van kennis. We voelen ons aangedaan, omdat een situatie een specifieke betekenis voor ons heeft. Die betekenis moeten we proberen te achterhalen, want anders missen we een belangrijk aspect van de manier waarop wij mensen de wereld begrijpen. Emotie is één manier waarop wij over de wereld nadenken. Een emotie is een gevoelige gedachte die naast andere vormen, zoals logische gedachten, bestaat.”

Wat is dat toch?

Wat is dat toch?
Mensen zijn zo bang
van hun gevoelens,
dat er zelfs zijn
die erin slagen
van er geen
te hebben.

Micheline Baetens – 23.09.2018

Emoties zijn dus gevoelige gedachten, volgens Nussbaum, en intuïtie lijkt mij dan iets te zijn dat ontstaat wanneer gevoel en verstand samenwerken. Mooi toch als dat lukt!

Aan de spoorbaan

De spoorbaan ligt mijlen verder daarbuiten.
De kamer is vol vrolijk gepraat.
En toch hoor ik die ene trein die er slechts staat
minstens tien keer per dag fluiten.

De hele nacht komt er geen trein voorbij.
De hele nacht is stil van slapen en van kreunen.
En toch zie ik de rode gensters uit zijn schouw
en hoor ik zijn machines steunen.

Mijn hart is vol van vrienden en van jou.
Beter gezelschap vind ik nooit meer in dit leven.
En toch is er geen trein die ik niet nemen zou,
waarheen is mij om het even.

Herman de Coninck

Hier ligt de spoorbaan niet mijlen verder, maar vlak aan de deur, en ik woon er al meer dan mijn halve leven. Maar de drang om die trein te nemen, om het even waarheen, die ken ik niet.
Toch is er een ik gevoel van verbonden, zelfs mijn voornaam heb ik er aan te danken. Het is een haat liefde verhouding, maar sowieso een verhouding. Hier hoor ik thuis.

We zijn verleerd naar ons lichaam te luisteren

We zijn verleerd naar ons lichaam te luisteren

Brainwash – Paul Verhaeghe

Goed in je vel zitten vind ik een prachtige omschrijving voor een gezonde combinatie tussen lichaam en geest – eigenlijk tussen voelen en denken. Dat heb je voor een flink stuk te danken aan de interactie met je ouders, maar de uitbouw van je identiteit en de daarin besloten afstemming op je lichaam gebeurt natuurlijk ook buiten het gezin. Toch zien we dat het lichaam in onze moderne maatschappij steeds vaker te veel onder druk wordt gezet, met grote gevolgen voor je welzijn.

Heel vroeg in de ontwikkeling komen er andere figuren naar wie je als kind opkijkt, en van wie je beelden en woorden overneemt. Dat hoeven zelfs geen figuren van vlees en bloed te zijn: je neemt beelden en woorden over die de ruimere buitenwereld je aanreikt of opdringt. Daar is ook de digitale wereld bijgekomen, die je voortdurend aan een beeldenbombardement blootstelt. Overal zijn er beeldschermen en zelfs als je niet bewust kijkt (misschien vooral als je niet bewust kijkt), neem je de voorgehouden idealen over.

Zo ga je van identificatie binnen het gezin naar identificatie met het cultureel dominante vertoog. Het proces van beïnvloeding blijft hetzelfde, met dezelfde vragen zoals bij de eerste identiteitsontwikkelingen. Sluiten de voorgehouden spiegelingen min of meer aan bij wat ik zelf voel? Gaat het over verwachtingen die aansluiten bij mijn mogelijkheden? In welke mate laten de beelden keuzes toe? Als het antwoord op die vragen negatief is, dan spreken we over vervreemding. Dan nemen we ideeën en beelden over die ons ziek maken. Het gevolg is dat we niet langer afgestemd zijn op wat er binnen in ons en in ons lichaam aan het werk is.

Als begrip is vervreemding, samen met indoctrinatie, bekend vanuit een kritiek op totalitaire politieke systemen, van Nazi-Duitsland tot de DDR. We beseffen te weinig hoe een economische ideologie onze identiteit op een sluipende manier overgenomen heeft, ogenschijnlijk onafhankelijk van een ideologie. De meest doortrapte list bij deze onzichtbare vervreemding is de uitnodiging van de reclame- en mediawereld om onze ‘individualiteit’ belangrijk te maken. In de praktijk betekent dit dat we met zijn allen dezelfde, grotendeels overbodige spullen kopen, dezelfde rommel eten, aan dezelfde vormen van ontspanning doen, collectief steeds harder werken, gevolgd door hetzelfde soort vakantie die we vervolgens op hetzelfde soort Facebookpagina etaleren. En allemaal denken we uniek te zijn. Wij zijn, naar een mooie uitdrukking van de Britse psychoanalyticus Adam Philipps, onbewust gehoorzaam:

‘Als we onbewust gehoorzaam zijn, vinden we onszelf niet gehoorzaam, maar realistisch, normaal of rationeel. We leven alsof we weten hoe het leven echt is.’
Als we ons niet goed voelen bij het leven dat we leiden – voor zover we dat gevoel al toelaten – schrijven we dat toe aan een persoonlijk falen. We moeten nog méér ons best doen, nog harder werken, nog bétere keuzes maken. Tegenwoordig moet alles steeds sneller, ook onze manier van denken, consumeren, werken, ontspannen zoals blijkt uit eigentijdse uitdrukkingen: quality time, short ski, fast food, speed dating, powernaps. Slaap dient om onze batterijen op te laden, niet om uit te rusten. Work hard, play hard.

De oorzaak van vervreemding en versnelling ligt in het alomtegenwoordig concurrentieprincipe gebaseerd op het gevoel constant geëvalueerd te worden. Nosedive, een aflevering van de Britse tv-reeks Black Mirror, toont een wereld die absurd lijkt, maar eigenlijk best dichtbij is. Via onze smartphone beoordelen we elkaar met één klik (van een tot vijf sterren). Je cijfer is voor iedereen zichtbaar en bepaalt je leven; van het soort auto dat je kan huren tot de kwaliteit van de medische zorg die je ontvangt. Alles hangt af van het aantal sterren toegekend door anderen. Lacie is een 4.2 maar wil een 4.5 worden, want dat is de toegangsvoorwaarde voor haar droomappartement. Ze huurt een dure coach in, zoekt de ‘juiste’ vriendinnen op en mijdt de marginale, wil het perfecte kapsel, oefent het verwachte taalgebruik. Ze rent van hot naar her. Het resultaat is een totale ondergang – ze eindigt met score nul.

Fictie? Wie Uber-taxi’s gebruikt, kan de chauffeur een digitale beoordeling geven en krijgt er zelf ook een. De resultaten daarvan zijn publiek zichtbaar en hebben effecten: een passagier met een 4,8 rating heeft ‘recht’ op Uber VIP, met betere auto’s en chauffeurs met een hogere rating. Bij een hyperslechte rating raak je niet van de straat.
Met concurrentie is op zich niks verkeerd en competitie kan best leuk zijn. Het wordt een probleem als heel het leven in het teken van competitie komt te staan. Het idee dat concurrentie alleen maar ons professioneel leven betreft en we thuis lekker kunnen relaxen, klopt niet langer. Ik ben een product dat ik zelf aan de man moet brengen, in voortdurende competitie met andere producten in een omgeving die één grote markt geworden is. Omwille van die concurrentie moet ik mezelf aanprijzen en oppimpen, want enkel zichtbaar succes telt mee, met als typische illustratie het aantal ‘likes’ en ‘vrienden’ op je Facebook en Instagram, het aantal volgers op je Twitter en het aantal contacten op LinkedIn, het aantal dates op Tinder.

De verplichting om steeds meer te voldoen aan het verwachte ideaal maakt dat we steeds harder ons best doen. Tot het helemaal mislukt. Burn-out en depressie zijn de algemene noemers voor een instorting die volgt op een vaak langdurige periode van inspanning, naast alle andere medisch-psychologische gevolgen van stress.

Als het de verkeerde richting uitgaat, laat mijn lijf van zich horen. ‘Mijn lichaam heeft niet dezelfde ideeën als ik’ – de uitdrukking komt van de Franse cultuurfilosoof Roland Barthes. Als ik mij identificeer met – beter: als ik mij vervreemd aan – beelden en idealen die ingaan tegen mijn lichaam, dan is mijn buik de eerste lichaamsregio die protest aantekent, lang voordat ik bewust besef wat er aan de hand is. Onze (onder)buik is de plaats waar affecten voelbaar worden, zoals blijkt uit de wijsheid van onze taal. ‘Het ligt zwaar op mijn maag’; ‘ik doe het in mijn broek van angst’; ‘er ligt iets op mijn lever’. Wanneer ik daar geen gehoor aan geef en ondanks de protesten verder ga op de ingeslagen weg, worden de signalen dwingender en verschuift protest naar ongemak en pijn en vervolgens naar ziekte.

Mijn lijf tekent protest aan. Geef ik daar gehoor aan? Bij gebrek aan een goede afstemming op mijn lichaam doe ik dat niet. Het kan nog erger: vanuit het concurrentieprincipe kan ik een stap verdergaan en de pijn als deel van het ‘offer’ beschouwen dat ik moet brengen om een ideale vrouw of man te worden, als een te betalen prijs voor succes. Een dergelijke interpretatie van pijn illustreert hoe vervreemding erin slaagt ons een voordehandliggende betekenis van signalen te doen negeren of zelfs om te keren. Pijn lezen als een aanmoediging om nog harder door te gaan op de ingeslagen weg – veel gekker hoeft het niet te worden.

De grappige vervreemdingseffecten op ons uiterlijk, van gescheurde broeken tot gekke kapsels, zijn klein bier in vergelijking met de dodelijke vervreemdingseffecten op de binnenkant van ons lijf. Onderzoek legt steeds duidelijker het verband tussen langdurige stress en ernstige ziektes. Ondanks onze langere levensduur en betere gezondheid zien we dat mensen op jongere leeftijd ziektes en stoornissen ontwikkelen waarvoor ogenschijnlijk een duidelijke verklaring ontbreekt. We vinden geen oorzaak omdat we nog te vaak exclusief medisch-biologisch redeneren en omdat we alles netjes in hokjes willen opdelen en benoemen, zelfs als we niet begrijpen wat er aan de hand is. Misschien zelfs vooral wanneer we het niet begrijpen; hokjes scheppen een illusie van veiligheid. Naast de stijging van het aantal mensen dat aan onverklaarbare pijn lijdt, zien we een toename van obesitas, diabetes en auto-immuunziektes. Op mentaal vlak zetten depressie en angst de toon, samen met een veralgemeende ADHD-drukte (we stappen, spreken, eten een flink stuk sneller dan een generatie terug) die heel plots kan omslaan in een totaal energieverlies van burn-out of het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS).

Deze ziektes ontstaan nooit plots, ze hebben een jarenlange voorgeschiedenis waarbij ons lichaam al heel wat signalen gaf dat we verkeerde ‘keuzes’ aan het maken zijn, als individu en als gemeenschap. Veel mensen voelen de signalen niet, ook al omdat ze die met de hulp van pillen, lijntjes coke en alcohol het zwijgen opleggen. Maar het lichaam blijft van zich laten horen, het buikgevoel wordt pijn en pijn wordt ziekte, tot we luisteren of helemaal verdwijnen (meestal in een ziekenhuisbed).

Doen alsof moet!

Deze museumdirecteur rekent af met het idee dat kunst ook maar een hobby is

Brainwash – Ann Demeester

Als klein, zesjarig meisje had ik in de eerste maanden van groep drie grote moeite met leren lezen. In het Belgische basisonderwijs leerden we dat destijd door middel van losse woordjes uit een sigarendoosje. Dat leerproces was een enorme bron van frustratie. Het voelde als een combi van hinkstapsprong en hordelopen, waarbij ik tussen elke horde weer tegen de vlakte sloeg. Toen ik het eenmaal onder knie had, ging ik echter in vliegende volle vaart, als een soort razende Roeland door de lokale bibliotheek. Het is een beetje zoals fietsen zonder zijwieltjes: plotseling vind je je evenwicht, zonder dat je weet hoe dat komt. Ik was niet te stoppen noch te stuiten. Het lezen van fictie werd een tweede manier van zijn. Romans, novelles, verhalen, mythes en legendes – het lezen ervan werd een primaire levensbehoefte. Een manier om de geest aan de gang te houden. Brandstof voor het denken.

Ondanks die passie voor lezen heb ik tot aan het einde van mijn studietijd gedacht dat lezen en fictie – de verbeelding, het inleving en de fantasie die daarbij hoort, aan de kant van de schrijver maar ook van de lezer – een vorm van escapisme is, ontkenning van de werkelijkheid.

Fictie was goed en weldadig, maar tegenovergesteld aan kennis, leren, wetenschap. Op de middelbare school had ik 8 uur wiskunde per week, 3 uur natuurkunde, 2 uur scheikunde en 2 uur beschrijvende meetkunde. Dát was kennis. Fictie was een verleidelijke wereld van betekenisvolle verzinselen die naast de tastbare werkelijkheid bestond.
Dat heb ik gedacht tot ik verliefd werd – zwaar platonisch, maar niet minder intens – op een in alle opzichten zeer knappe Italiaanse milieu-ingenieur die stamde uit een familie van exacte wetenschappers. Michele, want zo heette hij, had een stokpaardje. Tijdens bergwandelingen in Noorwegen waar wij studeerden, had hij het altijd weer over het feit dat wiskunde een parallel betekenissysteem was. Een ingenieuze constructie van het menselijk brein dat geen weergave was van de werkelijkheid, maar een constructie, een rationeel spel. Dat was een eye-opener. Wiskunde als een vorm van fictie.

Hoe dat stokpaardje van Michele eigenlijk een hele levensopvatting was, werd pas jaren later duidelijk. Toen Michele al lang uit het oog en het hart was verdwenen (en met een ander was getrouwd). Ik werkte toen al in de museumwereld en was geïnteresseerd in de band tussen beeldende kunst en esoterie, het occulte, ofwel de verborgen aspecten van de werkelijkheid. Via die omweg kwam ik terecht bij het werk van de 19e-eeuwse Duitse filosoof Hans Vaihinger. Hij werd bewonderd door volgelingen van het controversiële medium en occultist Madame Blavastky, maar was zelf geen zweefteef. Integendeel. Hij was theoloog en filosoof. Kantiaan. Ik raakte in de ban van zijn magnus opus, het vuistdikke Die Filosofie des Als Ob, de filosofie van het alsof, uit 1911. Geschreven toen hij geleidelijk aan blind werd.

Wat is de centrale gedachte in dit boek? Vaihinger beweert in essentie dat ficties – het doen alsof – noodzakelIjk zijn voor het leven. Fictie is niet alleen een instrument in de kunst en literatuur, maar het is essentieel voor het functioneren van het menselijke brein en voor het menselijk welbevinden. Vaihinger heeft het over nuttige ficties die gebruikswaarde hebben, of ons denken verder brengen. Wat nuttige ficties precies zijn, laten deze twee voorbeelden zien:

Een begrip als ‘vrijheid’ bestaat niet. Als mensen zijn wij gebonden, aan wetten en regels, maar ook aan onze lichamelijke beperkingen en de condities van het leven op aarde. Maar we hebben een fictie als vrijheid nodig voor het denken over de menselijke wil, het gerechtelijke systeem, moraal en onze rol in de wereld.

Papieren geld is nog zo’n fictie. An sich heeft het geen waarde. Het is geen goud of zilver, maar gewoon papier. We hebben met elkaar afgesproken dat het wel waarde heeft. Zonder die afspraak, die fictie, zou de huidige economie niet kunnen bestaan.
Vaihinger maakt onderscheid tussen ficties en hypotheses. Het begrip hypothese kennen we uit de wetenschap. We nemen iets aan en proberen dan te bewijzen dat het daadwerkelijk zo is. Bijvoorbeeld: de aarde is rond. Of: de zwaartekracht bepaalt hoe onze lichamen zich door de ruimte bewegen. Die aanname proberen we vervolgens te bewijzen. Als we een hypothese niet kunnen bewijzen of als ze ontkracht wordt, heeft ze geen waarde meer. Hypotheses kun je testen, als ze niet kloppen dan zijn ze onhoudbaar en nutteloos. Dat is niet zo met ficties, ficties blijven hun betekenis behouden ook al kunnen we het waarheidsgehalte ervan niet bewijzen. Ze zijn methodes om vooruit te komen in het denken, stappen te zetten, verder te denken dan dat wat je onmiddellijk ziet of aanneemt.

Nog een voorbeeld, en daarmee komt Michele weer in beeld: het principe van de oneindigheid. Niemand kan bewijzen dat de oneindigheid bestaat en toch hebben we een begrip – de fictie – van de oneindigheid nodig om verder te komen in de wiskunde. Wiskundigen hebben deze fictie nodig om bepaalde vraagstukken op te lossen.Een voorbeeld van een heel andere orde: een fictie die niet voorkomt in de wetenschap maar wel in vele geloofssystemen: het leven na de dood, het hiernamaals. Vaihinger zegt: als we met z’n allen geloven of doen alsof er zoiets is als het hiernamaals, dan ontlenen we daar troost aan, dan geeft dat ons leven perspectief. Het is niet van belang of het werkelijk zo is, feit is dat het ons leven in de positieve zin sturing geeft.

Als je Vaihingers’ theorie over ficties aanneemt, dan ga je ook mee in het centrale vraagstuk van zijn boek over het alsof: is het denken in de eerste plaats wel uit op overeenstemming met de werkelijkheid? Of zoals Ger Groot het zegt: ‘Staan, met andere woorden, onze ideeën wel in een één-op-één relatie met de wereld?’

Het antwoord op die vraag is nee. Volgens Vaihinger is de zoektocht naar dé objectieve waarheid nutteloos en zelfs onmogelijk. De hamvraag is niet: is het waar? Maar: wat is het praktische nut van het doen alsof iets waar is? Werkt het? Word je er slimmer of gelukkiger van? Dan is het goed.

Je zou kunnen zeggen: zo’n opvatting is gevaarlijk de dag van vandaag. In een wereld waarin we misleid worden door alternative facts van Trump and truth isn’t truth van Trumps persoonlijke advocaat Rudi Giuliani, kunnen de ideeën van Vaihinger gevaarlijk klinken. Alsof er geen onderscheid is tussen feiten en verzinsels, tussen waarheid en lariekoek. Het grote verschil is dat Vaihinger het heeft over gemeenschappelijke ficties – afspraken die we met elkaar maken – zie het voorbeeld van geld. Trump en Giuliani hebben hun eigen persoonlijke ficties die ze proberen – uit machtwellust – op te leggen aan anderen. Dat is manipulatie, geen fictie.

Persoonlijk vond ik het altijd frustrerend dat er een groot verschil zit tussen de werkelijkheidsbeleving van alfa’s (geesteswetenschappen) en beta’s (exacte wetenschappen): wetenschap is waardevol en echt, kunst is fantasie en een hobby, volgens sommige mensen en ministers. Vaihinger zet dat op losse schroeven. Fictie – het doen alsof – is niet iets leuks voor in de kunst, maar is onmisbaar: het is de crux van ons denken en voelen als mens.

De grote bevrijding die Vaihinger voor mij bracht is dat ficties dus niks te maken hebben met irrationaliteit, wilde fantasie of woeste verbeelding, maar dat ze efficiënte instrumenten of methodes zijn die ons kennis of geluk brengen. Ficties zijn collectieve aannames of theorieën waarvan we eigenlijk weten dat ze niet honderd procent juist of correct zijn. Die ficties zijn echter niet misleidend. Ze kunnen mooi, suggestief, maar ook nuttig zijn. Waarom nuttig? Omdat ze ons helpen om te gaan met wat anders de onbeheersbare complexiteit van de wereld zou zijn. Zonder ficties worden we overmand door de ingewikkeldheid van de dingen.
Fictie is dus onvermijdelijk in de existentiële zin, het is de essentie van alle religieuze systemen, maar ook het basisprincipe van alle vormen van kennisverwerving in de humane wetenschappen en in de harde wetenschappen. Ficties zijn niet alleen toelaatbaar, maar essentieel. Fictie mág niet (als hobby), het móet. Zonder fictie geen denken, zonder fictie geen geluk.