Je innerlijke criticus

Te dom, te lelijk of te oud? Zo sluit je vrede met je innerlijke criticus

Brainwash – John-Paul Flintoff – 04.07.2019

Ik heb altijd iemand bij me. Hij gaat overal met me mee. Mijn innerlijke criticus. Hij fluistert me aldoor vreselijke dingen in. Soms zegt ‘ie: ‘Dat heb je helemaal verknald.’ Of: ‘Niemand vindt je aardig.’ Of: ‘Wie zit daar nu op te wachten?’ Allemaal vreselijke dingen. Het is verleidelijk om te denken dat ik van hem af kan komen. Maar dat kan ik niet. Jij ook niet. We hebben allemaal zo’n innerlijke criticus. Je doet net of ‘ie niet bestaat, maar je kunt die eindeloze stroom negatieve gedachten niet intomen.

Zo noemen cognitieve therapeuten het. Negatieve gedachten die je overvallen als inbrekers, die een grote puinhoop achterlaten. We hebben allemaal onze persoonlijke vorm van negatieve gedachten. Een vriendin van me wijt alles aan zichzelf, zelfs het weer. Een andere vriendin verzeilt heel snel in doemdenken. Als haar dochter te laat thuiskomt, dan moet ze wel dood zijn. Er zijn veel verschillende vormen van negatief denken. Het is er altijd en altijd al geweest. Hoe je het ook ziet – als een uiting van sociale krachten of als ‘de duivel’, of je moeder – dat stemmetje is er altijd. En ik raad je aan om het juist dichtbij jezelf te houden. Om je er juist meer van bewust te zijn. Je moet het niet negeren. ‘Weg met dat vreselijke ding.’ Of: ‘Alles gaat prima.’ Dat werkt niet, want niet alles gaat altijd prima.

Hou dat stemmetje dichtbij je en onderzoek wat het zegt. Hopelijk leer je zo je innerlijke criticus goed kennen. Dan kun je hem goed leren opmerken als ‘ie weer om de hoek komt kijken. Je herkent hem, zoals iedereen instinctmatig weet dat roze en oranje vloeken. Of dat als een luguber muziekje begint te spelen in een horrorfilm, er iets ergs staat te gebeuren. Zo herken je je innerlijke criticus, net zoals we die klanken in de muziek herkennen. Je herkent hem ook aan je lichaamstaal. Soms ben ik opgetogen. Bijvoorbeeld als ik me voorneem om een boek te gaan schrijven. Maar dan krimp ik ineen en denk ik: ‘Daar zit niemand op te wachten.’ Als je jezelf klein maakt, kun je jezelf daarop betrappen. Waarom buig je je hoofd en schouders naar beneden? Je kunt je rug ook recht houden. Zo betrap je jezelf en ondervraag je je innerlijke criticus.
Misschien kun je er op een andere manier tegenaan kijken.

Ik zal een geheim verklappen. Iedereen denkt dat wat zijn innerlijke criticus zegt, echt waar is. Maar dat idee kun je ontgroeien. Iemand zei tegen me: ‘Ik heb korte benen.’ Maar met wie vergelijk je dat? Mannen, vrouwen, kinderen? Wat is er feitelijk van waar? Soms hangt het van het publiek af met wat voor zelfkritiek we komen. Als ik omringd ben door jonge mensen, zegt mijn stemmetje: ‘Je bent te oud.’ Als ik omringd word door vrouwen, ben ik bang dat ik niet aantrekkelijk voor hen ben. Daar begin ik dan over te malen. Bedenk dat het stemmetje ook maar een mening is, geen feit. Oud? Kijk eens naar Mick Jagger. Hij gaat nog als een speer.

Er is een gedachtexperiment dat je kunt doen om je innerlijke criticus te ondervragen. Dat doe je, door zoals ik in mijn Brainwash Talk een aantal mensen op een rij te zetten. Stel, je innerlijke criticus gaat over je uiterlijk tekeer. Het stemmetje zegt dat je onaantrekkelijk bent. Door de mensen van links naar rechts te vragen om de meest aardige tot de meest hatelijke dingen te zeggen die ze over jouw uiterlijk kunnen bedenken, kun je inzien dat kritiek niet zwart-wit is. Er zijn allerlei mogelijkheden, je kunt niet alleen maar oerlelijk of superknap zijn.

Daarom zet ik die mensen op een rij en vraag ze om op mijn uiterlijk te reageren. De eerste zegt het alleraardigste over mijn uiterlijk wat ze kan bedenken. ‘Ik zou je dolgraag als schoonzoon willen. Je bent zo’n aantrekkelijke man. Zo knap en gespierd’, zegt ze. De volgende maakt het me al wat moeilijker. ‘Je hebt mooie ogen.’ Van de vleiende dingen die ik te horen krijg, ga ik naar het midden, voor iets neutraals over m’n uiterlijk. Wat kan dat zijn? ‘Je kan ermee door.’ Dan ga ik naar de negatieve kant. Als ‘je kan ermee door’ het neutrale midden is, wat is dan net iets erger? ‘Je ene oor is lelijk, het andere gaat wel’, zegt hij. Daar ben ik niet zo blij mee. Dan kom ik bij de laatste. Wat is het alleronaardigste – ik vraag er zelf naar – dat je over me kan zeggen? ‘Je bent de lelijkste man aller tijden, blijf maar beter binnen.’

Het toont aan dat er een spectrum van meningen is. En niet alleen over uiterlijk, maar ook over de vraag of je wel genoeg verdient, niet te oud bent. Anders dan klakkeloos af te gaan op je innerlijke criticus, kun je zelf besluiten bij welke mening je je aansluit. Meestal kom je dan ergens halverwege uit. Ik zou nooit de allerergste of de allermooiste dingen geloven. Onze levens bevinden zich ergens in het midden. Soms iets meer aan de positieve kant, soms iets meer aan de negatieve kant. Dit lijkt een makkelijke oefening, maar het is juist gigantisch moeilijk als we verteerd worden door negatieve gevoelens. En die negatieve gevoelens ook gaan geloven. Dan moet je dus even pauzeren en beseffen dat het je innerlijke criticus is. Je herkent zijn of haar stemmetje.

Maak dan dus even een pas op de plaats en wees niet te hard voor jezelf. Je hoeft die gevoelens niet te ontkennen. Sta jezelf toe om te zeggen: ‘Ik voel me shit.’ Dan kom je tot rust en kun je het stemmetje in breder perspectief plaatsen. Er zijn niet maar een paar meningen, maar een oneindig aantal mogelijke standpunten over bijvoorbeeld ons uiterlijk. Het is goed om dat spectrum uit te tekenen en dan zelf te bedenken wat voor jou geldt. Hou je innerlijke criticus dus dichtbij je. Accepteer de ruis. Gun jezelf wat tijd en sta jezelf toe om een andere mening te vormen. Dan heb je daarna een veel leukere dag.

John-Paul Flintoff – Schrijver

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.