De onmogelijkheid van katten

De onmogelijkheid van katten



Tweewekelijks huivert schrijfster Evelien De Vlieger over de huis-tuin-en-keukendieren in haar directe omgeving.

De Standaard – 27.10.2019

De mens kreeg in Genesis de taak om al het gedierte aan zijn macht te onderwerpen. Dat lijkt aardig gelukt, met één pijnlijke uitzondering die de hele mensheid te kijk zet: katten. Onze buurt stikt ervan, in de tuin paraderen de ruigste exemplaren, een rosse met afgehakte staart, een spierwitte die je spookachtig aanstaart, een uitdijende kater als een zwart gat waaraan niets eetbaars kan ontsnappen. Weinig aaibaars komt voorbij.

Dat aaien heb ik niet in de genen steken. Vroeger dacht ik dat elke kat erop uit was mijn vel open te klauwen, ik, hulpeloos vogeljong. In Jonathan Franzens Vrijheid smulde ik van de passages waarin het hoofdpersonage tekeergaat over katten, ‘de sociopaten van de dierenwereld’. We noemen ze huisdieren, maar het blijven solitaire jagers met een zware ecologische voetafdruk (vooral door het vlees in kattenvoer). En je mag niet stilstaan bij wat ze allemaal aan schurftigs huisvesten in hun vacht.

Toch lopen er ook in ons huis twee katten: een speelse tijger en een elegante zwart-witte. Die laatste is een kat-kat die buiten alle gezag staat. Behalve als haar etensbak te lang leeg blijft, of als ze jeuk heeft op een plek waar ze zelf niet bij kan, dan komt ze kopjes geven. Dat ze dan feromonen over je been uitwrijft om te bevestigen dat jij voorlopig in je eigen huis mag blijven wonen, wil je niet weten. Ach, denk je. Kom dan, poesjelief.

Van zodra je katten in huis neemt, gebeurt er iets onmogelijks. Je onderwerpt je vrijwillig aan een roofdier dat vogels uit de lucht maait. Het kan niet, en toch is het zo: je bent in de ban van, je houdt van, je bent gek op een volstrekt onverschillig geheel van 250 botten, dertig tanden en oren die een draai van 180 graden kunnen maken. En het compleet gestoorde is: je sluit je daarmee aan in een lange rij voorgangers – restanten van de oudste huiskat dateren van 9.500 jaar geleden. Na een trouwe dienst als muizenvangers, moeten ze nu veeleer onze eenzaamheid opheffen. Franzen vergelijkt de kattenidolatrie met hoe ongelukkige landjes hun militairen adoreren. We klampen ons met z’n allen vast aan een killer en vangen er likes mee op Instagram.

En toch. Mijn huis is niet mijn huis, mijn kinderen zijn niet mijn kinderen. Maar de aanwezigheid van de katten maakt dat mijn huis toch meer als mijn huis, en mijn kinderen meer als mijn kinderen aanvoelen. Het is vast niet hun bedoeling, maar katten verbinden. Ze naaien je, maar ze naaien je ook aan de grond. Als we met z’n allen buiten zitten, komen ze hun pluizige buiken showen. Ze laten elk haartje afzonderlijk knipogen naar ons, hun aanbidders. Omdat ze altijd lijken te glimlachen – pure fysionomie – blijven wij naar hen kijken; waar elders wordt er zo met bemoedigende lachjes gestrooid? ‘Wat een schoonheden zijn het tegenover die affreuze buurtkatten’, zeggen we. We voelen het gelukshormoon stromen als we aan elkaars voeten liggen, zij aan de onze maar vooral wij aan de hunne. We blijven praten, maar in feite gaan we naast hen in het gras liggen, murw van vertedering. Intussen gaan zij binnen de gordijnen onder plassen, maar dat zien we niet, we rollen op onze rug en strekken ons uit naar de zon.

Evelien De Vlieger

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.