Doe eens normaal!

Door in de krant het euthanasieproces te volgen dat zo stilaan gans België beroert, en over de verschillende diagnoses las, die gegeven werden en worden als oorzaak van het psychisch lijden van de overledene, maakte ik de volgende bedenking.

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200123_04818232?utm_source=facebook&utm_medium=social&utm_term=dso&utm_content=article&utm_campaign=seeding&fbclid=IwAR09I6CSzhvMheXimM9ccSTjfD520jANtSDSy6KUPnfTYF9Pe8bVtVwy1Ss

Zou ik nu een oude schoolfoto bekijken, zou men op elk kind een etiketje kunnen plakken. En het zou niet ‘bezige bij’ zijn zoals men mij in school noemde, maar ADHH, Autisme, Borderline…

Toen men vroeger zei “doe eens normaal”, wou dat zeggen “overdrijf niet zo”, nu zou men daar direct een persoonlijkheidsstoornis aan koppelen.

Ieder mens wordt geboren met bepaalde karaktertrekken, temperament en talent, en bij ieder van ons primeert het ene boven het andere. Als de psychiater mij bij een eerste bezoek ‘een hevige’ noemde dan ben ik dat ook, maar gelukkig heeft hij nooit het woord ‘borderline’ in de mond genomen, want dat zou afbreuk hebben gedaan aan mijn persoonlijkheid en het positieve dat dat hevige ook inhoudt.

https://www.knack.be/nieuws/gezondheid/paul-verhaeghe-hoogleraar-psychologie-we-kweken-psychiatrische-patienten-bij-de-vleet/article-longread-1536455.html

Om van elk kind, elke mens een zieke te maken, een onevenwichtige, een gestoorde, heb je niet veel woorden nodig, je hoeft er enkel maar een etiketje op plakken!

Gelukkig heb ik het boek ‘Over normaliteit en andere afwijkingen’ van Paul Verhaeghe gelezen en hoef ik mij dus geen zorgen te maken of ik al dan niet normaal ben.

Overdrijven, ja dat doe ik regelmatig, en teveel nadenken en meeleven ook, maar blijkbaar is daarin de gulden middenweg in vinden, door volwassen te worden, en ouder en wijzer…

Over normaliteit en andere afwijkingen

Hoogleraar psychologie Paul Verhaeghe herlas Michel Foucaults Geschiedenis van de waanzin en trekt conclusies over de huidige psychiatrie én psychotherapie. Hij schreef er een essay over. Knack mag u enkele fragmenten aanbieden.

Geschiedenis van de waanzin blijft een meesterwerk, omdat het een aantal illusies doorprikt. Bijvoorbeeld dat mensen met psychiatrische moeilijkheden vanaf de Verlichting ‘bevrijd’ werden. Nee hoor. Dat psychiatrische stoornissen altijd en overal dezelfde zijn. Klopt ook niet. Dat een psychiater of therapeut een ‘scientist-practitioner’ is die op grond van ‘evidence-based’ onderbouwde methodes hulp biedt. Vergeet het. Last but not least: dat er een steeds meer wetenschappelijk onderbouwde diagnostiek is ontstaan, met als bekroning de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders.
In plaats daarvan leert de lectuur van Foucault dat waanzin vanaf de Verlichting in een moreel keurslijf werd geduwd, met schuldgevoel bij de patiënt tot gevolg; met behandelingen die hetzij bestraffend hetzij belonend wilden zijn (en tegenwoordig vooral belerend). Dat elke maatschappij haar eigen afwijkingen niet alleen definieert maar ook veroorzaakt. Dat de werkzaamheid van hulpverlening in eerste instantie op een morele beïnvloeding berust. Ten slotte kan ik op basis van Foucault stellen dat de DSM-diagnostiek de belangrijkste afwijking van onze tijd niet vermeldt: de ons opgelegde normaliteit.

Waanzin en disciplinering

Eind achttiende, begin negentiende eeuw is cruciaal voor de geschiedenis van de psychiatrie. Pas in die periode wordt waanzin een ziekte, dankzij een medische wetenschap die een verklaring voor de redeloosheid vond in de passies van de mens. Te hevige passies als gevolg van een bepaalde levensstijl veroorzaken een overprikkeling van het zenuwstelsel. Houdt de overprikkeling te lang aan, dan is ziekte – zenuwziekte – het onvermijdelijke gevolg.

Belangrijk in deze redenering is het veronderstelde verband tussen levensstijl, overprikkeling en zenuwziekte. Passies liggen deels langs de kant van het lichaam, maar het is de geest die een keuze heeft gemaakt voor een manier van leven die ingaat tegen zijn natuur; daardoor raakt het lichaam overprikkeld en wordt op zijn beurt de geest aangetast. Iemand wordt zenuwziek omdat hij verkeerde keuzes heeft gemaakt; bijgevolg draagt hij zelf de verantwoordelijkheid voor zijn ziekte.

Dit is zonder twijfel een centrale stelling van Foucault: waanzin blijft onderworpen aan een moreel oordeel, zelfs wanneer ze het statuut van ziekte krijgt. De stap van een moreel oordeel naar het stellen van de schuldvraag is klein. Wanneer waanzin als zenuwziekte een gevolg is van een verkeerde levensstijl, dan is de patiënt schuldig en krijgt de behandeling een morele bedoeling. Het vroeg-negentiende-eeuwse asiel wilde zijn patiënten genezen met wat toen in heel Europa bekend stond als ‘morele behandeling’. Het is geen toeval dat behandelingsinstellingen tijdens de hoogtijdagen van het ‘traitement moral’-model hun faam ontleenden aan hun ‘chef de clinique’. Zijn autoriteit straalde uit over de verzorgers, bewakers en patiënten. De patiënt belichaamde de redeloze-zedeloze kant, de arts verwoordde de stem van de dominante rede in een behandeling die uitdrukkelijk corrigerend wilde zijn.

Tot diep in de negentiende eeuw waren artsen zich terdege bewust van hun rol én van de genezende-corrigerende kracht die daarvan uit ging. Genezing greep plaats op grond van zowel een medische als een morele aanpak, met de ‘chef de clinique’ als autoriteit op het vlak van kennis en waarheid. Rond het begin van de twintigste eeuw verdween dit bewustzijn. Artsen identificeerden zich steeds meer met een natuurwetenschappelijke aanpak waarin geen plaats was voor morele oordelen. De burger kreeg een geruststellende boodschap: hersenziektes, de nieuwe benaming voor waanzin, zouden binnenkort tot het verleden behoren.

De priemende blik van Foucault legt het zwakke punt in deze evolutie bloot: In theorie zou de psychiatrie een medische specialisatie zijn zoals alle andere. In de praktijk bleef ze disciplinerend te werk gaan. Op de koop toe gingen artsen ontkennen wat hun voorgangers maar al te goed beseften: dat hun diagnoses een uitspraak inhielden over het zedelijk niveau van hun patiënten en dat de werkzaamheid van hun behandelingen grotendeels het effect was van de morele autoriteit als arts. Dat is de stelling waar het boek van Foucault zo ongeveer mee eindigt. De geschiedenis die hij bestudeerde, loopt grosso modo tot het midden van de negentiende eeuw. Wat kwam er nadien?

Disciplinering 2.0

Emil Kraepelin, de grondlegger van de moderne psychiatrie, en Sigmund Freud, de vader van de psychotherapie, kunnen beschouwd worden als de boegbeelden van twee tegengestelde manieren waarop de twintigste eeuw waanzin zou begrijpen. Op een complexer niveau vervaagt de tegenstelling en treedt er mijns inziens juist een belangrijke overeenkomst naar voren. Zowel Kraepelin als Freud had uitdrukkelijk de ambitie om hun theorie en praktijk zo wetenschappelijk te maken als maar kon. Het resultaat daarvan wordt pas diep in de twintigste eeuw zichtbaar, wanneer beide disciplines er ogenschijnlijk in zijn geslaagd hun ambitie waar te maken. Met de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders komt er eindelijk een wetenschappelijk onderbouwde psychiatrische diagnostiek; met de cognitieve gedragstherapie komt er eindelijk een wetenschappelijke psychotherapie. Ongeweten illustreren ze beiden een stelling die Foucault bij hun voorgangers ontdekte: hoe wetenschappelijker de psychiater of de psychotherapeut wordt, des te meer gaat hij te werk als een morele autoriteit die zijn patiënten dwingt in de richting van sociale aanpassing. Disciplinering 2.0, zeg maar.

De illusie van de DSM

De ontwikkeling van een sluitend diagnostisch systeem moest de basis leggen voor een wetenschappelijke psychiatrie met écht medische behandelingen. Dat is de hoopvolle verwachting vanaf pakweg 1900, met als bekendste figuur Emil Kraepelin. Een halve eeuw later zette de American Psychiatric Association een ‘taskforce’ op om de klus te klaren: een nieuwe, écht wetenschappelijke diagnostiek moest een nieuwe, écht wetenschappelijke psychiatrie mogelijk maken. Het resultaat werd de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Merk op: disorder, stoornis, niet illness, ziekte – het ontbreken van afdoende bewijs voor medische oorzaken noopte tot nederigheid.
Een vergelijking tussen de DSM en Kraepelin ligt voor de hand. De allerbelangrijkste overeenkomst is dat geen van beide diagnoses oplevert in de medische betekenis van het woord. Wetenschappelijk beschouwd bevat de DSM alleen maar puntsgewijs gegroepeerde beschrijvingen van gedragingen en emoties die als afwijkend worden beschouwd, omdat ze te veel of te weinig optreden. De inschatting van dit te veel of te weinig berust op sociale en morele criteria. Zo zijn de diagnostische criteria voor ADHD onder andere: ‘lijkt vaak niet te luisteren’; ‘beweegt vaak onrustig met handen of voeten’. De inschatting – eigenlijk de beoordeling – of dat het geval is, blijft uitermate subjectief. Psychologen werkzaam in het onderwijs vertellen me dat zij doelbewust bepaalde kinderen toewijzen aan bepaalde leerkrachten en niet aan andere, omdat ze weten dat sommige leerkrachten het label veel te snel hanteren. Doelbewust, omdat ze de negatieve gevolgen van dergelijke diagnoses op de ontwikkeling van de kinderen willen vermijden.

De kritiek die de Britse beroepsvereniging voor psychologen formuleerde bij de laatste editie van de DSM wordt ondertussen ruim gedeeld: ‘De criteria zijn niet waardenvrij, maar vertegenwoordigen veeleer heersende normatieve maatschappelijke verwachtingen.’ Met de studie van Foucault in het achterhoofd is dat niet eens zo vreemd en eigenlijk zelfs onvermijdelijk. Bijdragen tot het handhaven van de maatschappelijke orde was een kernfunctie bij het ontstaan van de psychiatrie en psychologie. Mensen brengen zichzelf en anderen in de problemen wanneer ze niet in staat zijn de morele codes van de samenleving te volgen. Op dat ogenblik zal elke samenleving ingrijpen om hen ‘mores’ te leren, in het beste geval ook met de bedoeling die mensen zelf te helpen. De ethische moeilijkheid hierbij ligt in het vaststellen wat een ‘normale’ morele code kan zijn, zeker in het licht van maatschappelijke veranderingen en interculturele verschillen. Overleg en reflectie zijn daarbij zonder twijfel hard nodig.

Op dit punt komt de psychiatrische kat op de koord: wanneer afwijkingen van de norm verklaard worden als het gevolg van hersenziektes, dan is er geen ruimte meer voor een dergelijk overleg. We hebben te maken met zieke mensen, toch, die genézen moeten worden?

Psychotherapie als disciplinering

Foucault herlezen heeft mij helpen begrijpen wat ik al wist: ondanks de verschillen delen psychiatrie en psychotherapie hetzelfde doel en dat is mensen helpen om zich aan te passen aan de heersende sociale normen. Disciplinering dus. Bovendien delen ze dezelfde ontkenning: noch de arts, noch de psychotherapeut wil zich in die beschrijving herkennen.

Psychoanalyse, als eerste vorm van psychotherapie, wordt vaak als een maatschappijkritische en zelfs bevrijdende praktijk voorgesteld. Was Freud niet de man die de maatschappelijke onderdrukking van seksualiteit aan de kaak stelde en het irrationele in de mens ten volle een plaats wilde geven? Een vroege voorloper van de flowerpowerbeweging? Een dergelijke voorstelling gaat volledig voorbij aan wat Freud zelf beoogde met de door hem bedachte methode: de patiënt bewust maken van voorheen onbewuste seksuele verlangens en irrationele angsten, zodat hij ze kan veroordelen. Dezelfde redenering geldt evenzeer, mogelijk nog meer voor de moderne psychotherapie en al helemaal voor de belangrijkste variant ervan. Ik chargeer even: het logische vervolg van Freuds behandeldoel ligt bij de hedendaagse cognitieve gedragstherapie (CGT).

CGT (er is dringend een studie nodig over oorzaken en gevolgen van het gebruik van letterwoorden) is de psychotherapie die het meest kan bogen op een wetenschappelijke onderbouwing. Net zoals de psychoanalyse beschikt zij over een eigen jargon en het vraagt enige moeite om voorbij het hermetische taalgebruik de achterliggende structuur en de bedoeling van de behandeling te ontdekken. Op dat ogenblik wordt duidelijk dat er niets nieuws is onder de zon. Ook bij CGT is het doel het vervangen van onredelijke gedachten door redelijke. De gedachten heten nu ‘cognities’, ‘onredelijk’ wordt vervangen door ‘slecht’ of ‘ongewenst’, debat wordt ‘herstructurering’. De Nederlandse filosofe Eva Meijer beschrijft uit eigen ervaring hoe de patiënt eerst geleerd wordt een onderscheid te maken tussen ‘goede’ en ‘slechte’ gedachten en vervolgens de ongewenste gedachten leert te bestrijden ‘door hun waarheidsgehalte ter discussie te stellen en door te laten zien dat ze niet werken.’ De therapeut functioneert hierbij als morele autoriteit die borg staat voor wat gewenst gedrag, c.q. goede gedachten zijn.

Normaliteit

Begin twintigste eeuw was hysterie wijdverspreid; honderd jaar later is zij verdwenen, tegenwoordig hebben we eetstoornissen. Religieuze schuldwaan is een zeldzaamheid geworden; pathologisch narcisme steekt overal de kop op. Het verband met de maatschappij waarin die problemen optreden ligt voor de hand. Wanneer iemand bijzonder goed beantwoordt aan het ideaal, noemen we hem geslaagd. Wanneer iemand afwijkt van de normen, of daar eventueel zelfs tegenin gaat, dan noemen we hem mislukt of gestoord.

De huidige maatschappelijke disciplinering wordt aangestuurd door een pseudo-medisch diagnostisch systeem dat inschat hoe bepaalde gedragingen of emoties te veel of te weinig optreden bij iemand. Te veel of te weinig in functie van heersende maatschappelijke verwachtingen. In 1981 voorspelde Alasdair McIntyre, een Schotse moraalfilosoof, dat de manager en de therapeut de twee maatschappelijk richtinggevende figuren zouden worden. De verklaring is eenvoudig: beiden manipuleren mensen opdat ze optimaal passen in een economisch productiesysteem waar winstmaximalisatie het enige goed is. De disciplinering van nu betreft inderdaad niet alleen meer het helpen van een gestoord iemand, maar ook en vooral het verder perfectioneren en optimaliseren van wie reeds aan het systeem is aangepast, maar net niet genoeg. Excelleren is het nieuwe normaal.

Normen en waarden die aanvankelijk met dwang werden opgelegd door het heersende vertoog, functioneren na verloop van tijd autonoom, van binnenuit. Ze maken deel uit van een maatschappelijk geconstrueerde identiteit, mensen vinden ze ‘normaal’. Wie afwijkt, is gestoord en wordt gesanctioneerd. Bijna terloops vermeldde Foucault de verplichting om te werken, gebaseerd op een moreel-religieuze overtuiging. Acedia, luiheid, is een verwerpelijke ondeugd.

Bij de vorige generaties was werken een noodzakelijk kwaad, iets wat je gedurende een bepaalde periode van je leven moest doen, liefst niet te lang. De strijd om kortere werkweken, kortere arbeidsdagen en langer betaald verlof is een constante in de vakbondsbewegingen van de afgelopen eeuw. Inherent aan de vroegere arbeidsorganisatie was de verticale verhouding tegenover de betalende en dus controlerende instantie, de ‘baas’, en de horizontale verhouding met collega’s (vaak samen tegen die baas). Het werk gebeurde binnen een afgebakende ruimte (op een kantoor, in een fabriekshal) en tijd (meestal van negen tot vijf). Dat alles behoort ondertussen tot het verleden. Dankzij de digitale revolutie werken we overal (op de trein, in het vliegtuig, thuis) en altijd (ook ’s avonds, ook tijdens het weekend). Een baas hebben we niet meer, wel een manager; collega’s ook niet meer, wel concurrenten. We koesteren de illusie dat we onze eigen baas zijn.

Het laatste decennium hoeft de plicht tot werken niet langer van buitenaf opgelegd te worden, dat doen we zelf wel. De verinnerlijking is perfect geslaagd. Tegenwoordig draait alles rond werk: we zijn wat we doen. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe harder er gewerkt wordt. Bij interviews met topmanagers ontbreekt nooit de vermelding dat ze slechts vijf, maximaal zes uur slaap nodig hebben – slapen is immers tijdverlies. Tegenover de hoogopgeleide ‘professionals’ staat de groep met een baan in een door de overheid gesubsidieerde sector (onderwijs, zorg, politie, rechtbank, ambtenarij). Zij worden geconfronteerd met draconische besparingen, waardoor steeds minder mensen steeds meer prestaties moeten leveren. In die groep blijft het aantal langdurig zieken toenemen, wat de druk op de anderen nog vergroot en nog meer mensen doet uitvallen. Helemaal onderaan vinden we het ‘precariaat’, mensen die een paar onderbetaalde banen moeten combineren om toch maar rond te komen. Op beide groepen wordt ietwat smalend neergekeken – wie wil er nu werken voor de overheid? Of bij de McDonalds?

Dit is de ‘andere soort waanzin’, de alledaagse waanzin van de normaliteit, als uitvergrote weerspiegeling van het maatschappelijke ideaal. We willen zo graag geliefd worden dat we ons op een ziekelijke manier identificeren met het ideaalbeeld. Vind mij succesvol, vind mij mooi, hou van mij! Onze professionele status is daarbij ontzettend belangrijk, we ontlenen er onze identiteit aan. Vandaar dat we ons te pletter werken en er nog trots op zijn ook. De verinnerlijking van de plicht tot arbeid is zo goed geslaagd dat sommige bedrijven programma’s opzetten om hun werknemers te beschermen tegen burn-out. Tegen te hard werken dus. De ironie wil dat er aldus een nieuwe vorm van disciplinering ontstaat, de plicht tot zelfzorg, gericht tegen die andere disciplinering van hard werken. Onder de oppervlakte herken ik in beide gevallen dezelfde boodschap: het is de plicht van het individu om de juiste keuzes te maken; als hij dat niet doet en daardoor ziek wordt, is het zijn eigen schuld.

Een dergelijke ‘juiste keuze’ is dubbelzinnig: we moeten zo hard mogelijk werken én we moeten zo goed mogelijk voor onszelf zorgen. De dubbelzinnigheid blijkt uit de reactie op wie eraan onderdoor gaat. Hier en daar horen we goedbedoelende psychiaters verkondigen dat mensen moeten leren tevreden zijn met minder. Wat deze hulpverleners niet beseffen, is dat ze daarmee opnieuw de oorzaak en dus de schuld bij de patiënt leggen. Ja, je hebt een burn-out, maar moest je nu écht zo hard werken? Ja, je lijdt aan een depressie, maar je voelt je vooral mislukt omdat je altijd en overal succes wilde hebben.

Ter vergelijking: beeld je even in dat de hysterische patiënten ten tijde van Freud te horen zouden hebben gekregen dat hun symptomen het gevolg waren van het feit dat ze hun seksuele verlangens veel te hard onderdrukten? En dat wat minder hard ook wel kon?

Dergelijke opvattingen bevestigen een centrale stelling van Foucault: vanaf haar ontstaan neemt de psychiatrie een morele positie in, met de arts als autoriteit die de patiënt moet terechtwijzen. Vanaf ‘zenuwziekte’ tot ‘burn-out’ weerklinkt dezelfde boodschap: iemand wordt mentaal gestoord omdat hij de verkeerde keuzes heeft gemaakt. Dat de huidige ‘keuzes’ om leven en werk te laten versmelten een vervreemdend effect zijn van dwingende maatschappelijke idealen die kinderen reeds in de kleuterklas voorgehouden worden, beseffen we nog nauwelijks.

Een maatschappij waar steeds meer kinderen en volwassenen uitvallen is een gestoorde maatschappij. De psychiatrie heeft hier niet alleen een signaalfunctie maar ook een opdracht: het voorstellen van en aandringen op veranderingen, bijvoorbeeld op het vlak van kinderzorg en arbeidsorganisatie. Ter vergelijking: de reusachtige vooruitgang van onze volksgezondheid tussen pakweg 1850 en 1950 is grotendeels te danken aan een geneeskunde die structurele veranderingen voorstelde inzake hygiëne, voeding, inentingen, en een overheid die daarnaar luisterde. Had de geneeskunde zich in die periode enkel gebogen over individuele patiënten, dan zou onze gemiddelde levensduur ongeveer dezelfde gebleven zijn.

Het is nu de beurt aan de psychiatrie om hetzelfde te doen.

Paul Verhaeghe

Over normaliteit en andere afwijkingen,
Prometheus, Nieuw Licht,
112 blz,
14,99 euro

Knack – 29.11.2019

Psychisch lijden

Momenteel vindt er in België een euthanasie proces plaats dat euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden in vraag stelt en contesteert.

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200122_04816541

De familie van de overledene beschuldigt de dokters van onterechte en onnodige levensbeëindiging van een vrouw die het leven door psychisch lijden niet meer aan kon.

Moest ik mijn depressies niet meer onder controle krijgen, zou ik denk ik ook euthanasie willen, alleen al om mijn naasten te sparen.

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200122_04816391

Mijn moeder heeft op mijn zestiende haar eerste depressie doorgemaakt, en heeft er haar hele verdere leven mee te kampen gehad. Ze werd een paar maal opgenomen, heeft zelfs elektrische schokken gehad om haar er proberen van af te helpen, en is uiteindelijk altijd geholpen geweest met antidepressiva.

Als kind was dat allemaal geen lachertje. Ik was pas van school af en ging mijn eerste jaar werken. Mijn zus werd op haar veertiende van school gehaald om het huishouden te doen, en mijn vader die haast dag en nacht werkte, was echt geen steun en toeverlaat. Integendeel.

Na de eerste opname kwam mijn moeder terug thuis, en waren het wij die voor haar zorgden, in plaats van zij voor ons. Stilaan werd het beter, maar goed kwam het nooit, en een gezellige thuis hebben we nooit gekend, te voren niet en daarna niet.

Ik kreeg mijn eerste depressie rond mijn veertigste. Mijn zoon was toen twaalf, en mijn man begon te sukkelen met zijn gezondheid wegens de diabetes waarmee hij geboren werd.

Het was dikke miserie, en we hebben nooit op hulp kunnen rekenen. Niet van de familie, niet van elders. Ik denk hier allemaal niet graag aan terug, maar dit proces roept veel herinneringen op. Slechte herinneringen.

Daarom denk ik dat ik ook euthanasie zou vragen als er niets meer zou helpen om mij uit die hel te krijgen.

En de boer hij ploegde voort?

‘Omvolking’ van het platteland: boerderij wordt villa of feestzaal

Oude hoeves worden op grote schaal omgetoverd tot woningen of zonevreemde bedrijven. Zo wordt ons platteland geruisloos gekoloniseerd. ‘De boer wordt uit de markt geconcurreerd door de villabewoner. Laten we dat gebeuren in een van de vruchtbaarste gebieden van Europa?’

Binnenkort gaat de stal die dateert van de jaren 1700 tegen de vlakte. De eigenaars willen de plek teruggeven aan de open ruimte.

‘Hier willen we over twee jaar aardappelen planten’, wijst Stefaan Lippens. ‘Of maïs.’ We staan op zijn erf in Kaprijke, op een boogscheut van de Nederlandse grens. Een waterzonnetje vecht met een snoeiharde wind. Achter zijn hoeve reiken de velden tot de einder. Hij glimlacht. ‘Prachtig, toch?’

Waar straks aardappelen kiemen, staat nu nog een stal die dateert van de jaren 1700. Hij blijft moeizaam overeind, door het puntdak groeit een druivelaar. De laatste elf koeien kijken ons nieuwsgierig aan. ‘We bouwen af’, zegt zijn vrouw Denise. ‘En ondertussen beginnen we met de afbraak. Voor het einde van de maand worden de eerste delen ­gesloopt.’

Stefaan en Denise Lippens breken hun stal af uit liefde voor het platteland. Ze willen de plek teruggeven aan de open ruimte. Zij is 60, hij 62. Tot hun pensioen willen ze nog gewassen verbouwen. De opbrengst van de akker zal niet opwegen tegen de sloopkosten. Die worden geraamd op 125.000 euro. ‘Er moet asbest verwijderd worden uit het dak, de mestkelders moeten uitgebroken, het puin afgevoerd. Dat kunnen we niet allemaal zelf doen’, zegt Stefaan.

Witte raven

Zijn gedachten gingen tollen toen hij voormalig minister van Omgeving Joke Schauvliege (CD&V) op de radio hoorde vertellen over de proeftuinen ontharding. De Vlaamse overheid organiseerde de voorbije jaren twee subsidierondes om verharding uit te breken. Geselecteerde projecten konden tot 75 procent van de sloopkosten recupereren. Het boerenpaar uit Kaprijke greep er twee keer naast. Dat steekt. ‘Nu moeten wij dat geld zelf ophoesten. Hoewel onze beslissing de gemeenschap ten goede komt.’

Tegen 2050 moet een vijfde van de verharding in gebieden met bestemming landbouw, natuur en bos worden uitgebroken. Planners noemen dat een onrealistische opgave (DS 11 januari). Initiatieven als die van de Stefaan en Denise zijn dus meer dan welkom. Maar zij zijn witte raven. Ze verliezen twee keer: de sloopkosten, en de winst die de stal bij verhuur of verkoop zou genereren. Nog meer kunnen ze opstrijken wanneer ze ineens de hele boerderij op de markt gooien, met 5 hectare grond. ‘Als ik hier morgen een bord uithang, is onze hoeve zo verkocht’, zegt Stefaan. ‘Stedelingen die op de buiten willen wonen, leggen daar veel geld voor neer. Maar we denken er niet aan. Ik ben hier geboren. Aan de ene kant stond het ouderlijke huis van mijn moeder, aan de andere dat van mijn vader. Ik ben met deze grond vergroeid.’

De meeste landbouwers, of hun kinderen, gaan wel overstag. Ze zien het geld graag komen, het is hun pensioen of erfenis. Al doen ze het vaak met zwaar gemoed – ook zij worstelen met het besef dat het landbouwgebied stukje bij beetje wordt ingenomen door ­‘inwijkelingen’.

Haciënda’s en kubussen

Dat dilemma waar elke landbouwersfamilie vroeg of laat voor staat, is de motor achter de sluipende verstedelijking van het platteland. De voorbije twintig jaar stopten in Vlaanderen elk jaar gemiddeld duizend landbouwbedrijven, terwijl er maar een 150-tal nieuwe bij kwamen. Bijna 90 procent van die vrijgekomen hoeves verandert van functie, is te koop of staat leeg. Van de 20.000 boerderijen die sinds 1996 op non-actief gezet werden, kwamen er ongeveer 18.000 in handen van niet-landbouwers, of ze zullen dat binnen afzienbare tijd doen.

Ongeveer 40 procent daarvan wordt gekocht om in te wonen, zegt Anna Verhoeve, onderzoekster bij het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO), die de zonevreemde invulling van het platteland bestudeerde. ‘Particulieren bouwen hoeves om tot plattelandsvilla’s. Vaak komen er hobbypaarden bij. En eventueel een praktijk, een architectenbureau of een verzekeringskantoor.’

In ruim 20 procent van de gevallen wordt de boerderij ingenomen door een nieuw bedrijf. ‘Doorgaans zijn dat grondwerkers, transportbedrijven, hout- of metaalbewerkers. In oude varkensstallen worden springkastelen of caravans ondergebracht. Er zijn de feest- en seminariezalen die overal in landbouwgebied opduiken. Of de yoga- en wellnessboerderijen, die dan parkings inrichten en de gebouwen uitbreiden tot duizend kubieke meter.’

‘Door de deur wijd open te zetten voor dat soort functiewijzigingen, maakte de Vlaamse overheid haar eigen doelstelling onhaalbaar’, zegt Tristan Claus, onderzoeker ruimtelijke planning aan de KU Leuven. Net als Verhoeve maakt hij deel uit van het project ‘Boer ruimt veld’ dat in opdracht van de Vlaamse overheid uitzoekt of de sloop van oude boerderijen ingezet kan worden voor landbouw en open ruimte. Ook de Boerenbond en het studiebureau voor ruimtelijke planning Voorland zitten mee aan tafel. ‘De lijst van wat je mag doen in een oude boerderij is met de jaren ruimer geïnterpreteerd. En er is amper handhaving van de wetgeving. In een hoeve mag je hout opslaan, maar niet bewerken. Maar dan komt er toch een zaagmachine, en niemand zegt daar wat van.’

‘Een opslagplaats van goederen evolueert naar een logistieke hub, waar bestelwagens af en aan rijden’, knikt Verhoeve. ‘Of de architect verhuist, en de hoeve wordt een groot architectenbureau. Zo is 85 procent van de bedrijfsvoering op het platteland eigenlijk niet vergunbaar op die plek. Dat wordt gedoogd. Hetzelfde voor de woningen. Vroeger moest je het karakter van de hoeve bewaren. Een dakraam steken was al te veel. Tegenwoordig kan alles. Vervallen boerderijtjes worden omgebouwd tot fermettes, haciënda’s of moderne woonkubussen.’

Stefaan: ’Ik heb geweigerd om het stukje groen aan de overkant te verkopen. Ik wilde vanuit mijn zetel mijn koeien zien staan’.

Klagende buren

Op die manier is 15 procent van het agrarisch gebied in Vlaanderen ingenomen door zonevreemde activiteiten. Dat is een gemiddelde. In Antwerpen en Vlaams-Brabant, waar de druk op de open ruimte het grootst is, palmen in sommige gemeenten de zonevreemde villa’s met hobbydieren en andere activiteiten tot de helft van het landbouwgebied in.

Is dat dan zo erg? Paarden zijn toch ook dieren? En kunnen we die hoeves niet beter recupereren als woning of yogaboerderij dan ze verloren te laten gaan? ‘Het probleem is dat die inwijkelingen gaan klagen’, zegt Vanessa Saenen van de Boerenbond. ‘Ze komen op het platteland wonen of werken voor de rust. Die wordt verstoord wanneer de boer zijn ding doet. Nieuwkomers maken landbouwers het leven zuur door verzet aan te tekenen tegen omgevingsvergunningen. Zo komt de agrarische activiteit in het gedrang.’

Stefaan en Denise kennen het probleem maar al te goed. ‘Mensen klagen omdat wij onze mest uitrijden net wanneer zij een barbecue gepland hebben. Omdat de koeien burlen. Omdat we ’s avonds laat nog maïs verhakselen. Eigenlijk zijn die nieuwe eigenaars geen plattelandsmensen. Ze willen landelijk wonen, maar hun leven speelt zich grotendeels elders af.’

Het schuurt tussen de oude en nieuwe plattelandsbewoners. Zonevreemde economische activiteiten genereren verkeer op kleine baantjes die er niet op voorzien zijn. Klanten parkeren hun wagens in de berm, waardoor tractors niet meer door kunnen. De ontsluiting voor die nieuwe activiteiten kost handenvol geld aan nutsvoorzieningen en onderhoud van wegen. Politici hebben de mond vol van het ‘valoriseren’ van het platteland. Maar is dit wel de goede manier?

Fundamenteler nog dan de overlast is dat de boer in de verdrukking komt, zegt Marjolijn Claeys van Voorland. ‘Kapitaalkrachtige mensen op zoek naar een woning met uitzicht of paardenweide leggen bedragen neer die boeren onmogelijk kunnen betalen. Die hoeves zitten gevangen in een vastgoedlogica. Zo wordt de boer uit de markt geconcurreerd door de villabewoner.’

‘Startende landbouwers die geen hoeve kunnen overnemen van hun ouders, moeten soms jaren zoeken naar een boerderij’, zegt Verhoeve. ‘Meestal is het goedkoper een nieuwe te bouwen. Dat is een kiem van de verdere betonnering van het platteland. Die dynamiek moeten we stoppen.’

Omdat ze geen zin hadden in klagende buren, beslisten Stefaan en Denise 15 jaar geleden al om het ouderlijke huis van zijn moeder af te breken, in plaats van het te verkopen. Dat was behoorlijk ongezien. We staan aan de rand van het weiland dat in de plaats kwam. Dan wijst Stefaan naar de overkant van de straat. Daar staan zes grote fermettes in een lint, met in het midden een lapje groen. ‘Die grond is ook van ons. Tot voor kort stonden daar onze koeien. We hebben vaak de kans gehad om het te verkopen. Maar dat weigerden we. Ik wilde vanuit mijn zetel mijn koeien zien staan.’

‘Vrienden en kennissen hebben ons al vaak zot verklaard’, zegt Denise. We hadden behoorlijk wat geld kunnen opstrijken. Maar wat zouden we daarmee doen? Op reis gaan? Daar hebben we geen tijd voor.’ Ook de beslissing om de stal af te breken, stuit op ongeloof. Toch denkt Stefaan dat boeren zich achter het idee van een sloop kunnen scharen. ‘Dan moet er wel een financiële compensatie komen voor de sloopkosten, en een strikter verbod op functiewijzigingen en zonevreemd wonen. Als er zo betaalbare grond vrijkomt voor opvolgers, kun je landbouwers mee krijgen in het verhaal.’

Precies om het draagvlak hiervoor te verkennen, stapte de Boerenbond in het project ‘Boer ruimt veld’, zegt Saenen. ‘We willen het debat aanzwengelen. Het spanningsveld tussen individuele en collectieve belangen blijft groot. Je kunt een boer niet verwijten dat hij denkt aan zijn pensioen. Vaak zijn het ook de kinderen die het erf verkopen. Als zij zelf geen landbouwers zijn, hebben ze er minder problemen mee om aan een particulier of onderneming te verkopen.’

De sloopkosten van de stal worden geraamd op 125.000 euro, die Denise en Stefaan volledig zelf moeten ophoesten.

Onomkeerbaar

Het ILVO berekende dat in het volgende decennium meer dan de helft van de actieve landbouwgebouwen hun functie verliest en dus in overweging komt voor (gedeeltelijke) ontharding. Net als bij de afbraak van leegstaande fabriekshallen of slecht gelegen woningen (DS 11 december) blijft de vraag hoe we die sloop financieel kunnen compenseren. ‘De hele maatschappij zal moeten bijdragen’, zegt Claeys. ‘Bijvoorbeeld via een sloopfonds, gevoed met een percentage van de waarde van nieuwbouwprojecten. Voor wat we in kernen bijbouwen, kan op het platteland ruimte vrijkomen.’

Betekent dat dan het einde van de droom van veel Vlamingen om een oude hoeve te renoveren? ‘Het kan nog, maar beperkt’, zegt Claeys. ‘Sommige hoeves hebben een erfgoedwaarde of een goede ligging. Die moet je behouden, als de landbouw er zelf niet in geïnteresseerd is. In de meeste regio’s is dat een klein aandeel. De rest breken we beter af.’

Het probleem is de evidentie waarmee we onze poot op het landbouwgebied hebben gezet, vinden de trekkers van ‘Boer ruimt veld’. Als de ‘omvolking’ van het platteland aan dit tempo doorgaat, komen we in de problemen. ‘Iedereen denkt dat hij in een villa op de buiten mag gaan wonen. Zo wordt geknabbeld aan het landbouwareaal dat we nodig hebben voor onze voedselvoorziening’, zegt Verhoeve. ‘De toekomst is aan klimaatrobuuste landbouwbedrijven of bedrijven die werken voor de korte keten. Er zijn behoorlijk wat mensen die dat willen doen. Maar de grondprijs is te hoog, zeker in de buurt van de grote steden. Daar betalen paardenliefhebbers tot 100.000 euro voor een hectare landbouwgrond, twee tot vier keer meer dan de gangbare prijs.’

‘Wij wonen in een van de meest vruchtbare gebieden van Europa. Gaan we dat allemaal laten schieten? We moeten hier als maatschappij over nadenken. Je komt op een punt dat dingen onomkeerbaar worden.’

De Standaard – 18.01.2020

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2020/01/20/akker-en-weidevogels-in-limburg-bedreigd-nog-maar-een-broedpa/

Verzorg je wijnstokken

David stuurde mij een paar foto’s door van de serres op Solheide in Overijse, die momenteel gerenoveerd worden, onder ander zijn serre waar hij druiven in kweekt.

Hij heeft ook nog een toepasselijke uitspraak van de Franse schrijver en vrijdenker Voltaire meegestuurd:

“Verzorg je wijnstokken en verpletter de schande.”

Dit kan eigenlijk gelden voor alles wat we doen…

In augustus/september gaan hier weer heerlijke druiven in hangen, net zoals verleden jaar!

Bloedonderzoek

Volgende maand word ik 71. Beter was geweest 17, want dan moet een mens zich veel minder zorgen maken over zijn of haar gezondheid.

Gisteren is de dokter een drietal buisjes bloed komen aftappen en vandaag belde hij mij de uitslag van het onderzoek.

“Alles is prima, het kan niet beter: de lever, de nieren, de suiker, de cholesterol – zelfs teveel goede cholesterol.”

Ja, dat ben ik dan weer, altijd moeten overdrijven, altijd te hevig, ook in mijn best te doen. Nu mijn hoofd nog in orde krijgen en ik kan er weer voor een paar jaar tegenaan gaan.Gisteren kreeg ik ook een slaappil voorgeschreven, want goed slapen blijft de laatste tijd een probleem. Vroeger was dat het eerste teken van een dreigende depressie, maar dit keer is het anders. Ik lig niet te piekeren in bed, maar ben gewoon klaar wakker, en het lijkt of mijn brein ook ’s nachts wil creatief blijven.

Volgende week vrijdag heb ik een afspraak met dokter Denayer, de psychiater waar ik zo’n dertig jaar geleden bij terecht kon voor mijn eerste depressie. Eens horen wat hij hierover kan vertellen, want ik wil vooral niet verslaafd geraken aan medicatie.

Ondertussen bestrijd ik ook de sleet en stijfheid op en van mijn spieren en botten, met een knappe kinesist, die mij terug leert lopen – of minder ambitieus gezegd – terug leert stappen, want soepel bewegen is ook een probleem geworden.

Afin, we doen wat we kunnen, en dat zo lang we kunnen. Zeventien komt niet terug, maar een leeftijdsgetal is dan wel te zien aan de buitenkomt, maar van binnen is er nog helemaal niets veranderd. Integendeel, zelfs verbeterd en regelmatig gerenoveerd!

 

Uitslag bloedonderzoek:
“prima, het kan niet beter, alles is perfect, zelfs teveel goeie cholesterol”.
“Bedankt, dokter !”
Nu dat hoofd nog!!!

Australië brandt! Red de dieren en doneer!!!

Australische ambassade in België geeft tips voor giften

Het inferno in Australië kostte tot nu toe niet enkel het leven aan 24 mensen, ook voor de natuur is de vlammenzee een ramp. WWF België startte een inzamelactie, premier Sophie Wilmès biedt hulp aan. De Australische ambassadeur: ‘We hebben zelf een grote capaciteit om bosbranden aan te pakken, maar ieder aanbod is welkom.’

Inzamelacties om de brandweer in Australië te helpen schieten als paddenstoelen uit de grond. De Australische comédienne Celeste Barber verzamelde al een duizelingwekkende 27 miljoen euro. Ook in eigen land groeit de bereidheid om te helpen. Zowel bij WWF als bij de ambassade van Australië in België stromen vragen binnen van mensen die willen doneren.

Het WWF besloot daarop een inzamelactie te starten: ‘We krijgen veel informatie van de collega’s in Australië, en de bosbranden daar zijn een ecologische ramp van formaat aan het worden. We kunnen niet werkeloos toekijken’, zegt woordvoerder Koen Stuyck. ‘Onze donateurs en steungevers vroegen hoe ze kunnen helpen, en daarom hebben we besloten een inzamelactie te organiseren.’

Het geld zelf gaat naar de Australische tak van WWF, waar het voornamelijk gebruikt zal worden voor herstelprogramma’s. ‘Je zou kunnen zeggen dat Australië een rijk land is en dus geen financiële steun nodig heeft, maar daar is een regering aan de macht die weinig doet voor de natuur’, zegt Stuyck. Het geld moet dienen om onder andere een lopend programma van herbebossing van 2 miljard bomen te financieren, maar kan ook gaan naar dierenopvang. ‘Het woud in Australië is een belangrijke buffer in de klimaatverandering’, zegt Stuyck. ‘Australië zal in de toekomst nog meer problemen krijgen met droogte, als de ecosystemen niet hersteld worden.’ De inzamelactie gebeurt via de website van WWF België.

Geen 12-12

Nochtans vraagt Australië voorlopig geen internationale hulp. Meteen een van de reden waarom er nog geen gecoördineerde actie wordt opgezet via Consortium voor Noodsituaties 12-12. ‘De hulpverleningscapaciteiten van Australië zijn voorlopig bekwaam om de ramp op te vangen’, meldt het consortium. De Australische regering zelf maakt de komende jaren bijvoorbeeld 1,2 miljard euro vrij voor de heropbouw.
Toch liet ook premier Sophie Wilmès (MR) weten dat België klaar staat om Australië bij te staan. Er zouden de nodige contacten gelegd worden. ‘België wil in deze tragische tijden solidair zijn met de Australische bevolking’, schrijft ze.

Ook de voorzitter van de Europese Raad, Charles Michel, gaf intussen aan dat de EU en de lidstaten bereid zijn om meer te doen.

Justin Brown, de Australische ambassadeur bij de EU, de Navo, België en Luxemburg, zegt dinsdag in een reactie aan Belga dat nu bestudeerd moet worden welke middelen Australië nodig zou hebben. ‘We hebben zelf een grote capaciteit om bosbranden aan te pakken, maar ieder aanbod is welkom.’

Omdat de ambassade veel vragen kreeg van burgers die een gift willen doen, geeft Brown nog tips. Zes organisaties kiest de ambassade eruit: het Australische Rode Kruis (‘Australian Red Cross’), het Leger des Heils (‘The Salvation Army’), brandweerdiensten NSW Rural Fire Service (waarvoor ook Celeste Barber geld inzamelt, red)., Country Fire Association of Victoria en South Australia Country Fire Service, en WIRES, een organisatie die zich inzet voor dieren in het wild.

De Standaard – 07.01.2020

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200108_04797805

 

Mijn donatie is gegaan naar WIRES, een Australische organisatie die zich inzet voor dieren in het wild.

https://www.wires.org.au/donate/emergency-fund

Emergency Notice

Catastrophic fires, the worst drought in history and record high temperatures are taking a tragic toll on native wildlife.
In WIRES history we have never seen a concurrent series of emergencies events like those that began in November. Hundreds of fires over weeks have burnt over 4.9 million hectares of land in NSW alone. Many animals were already struggling with a lack of water and food due to the drought. With the fires destroying unprecedented amounts of habitat, food shortages have increased and lack of suitable habitat will be a significant long-term challenge for surviving wildlife.
It is impossible to know how many animals have perished and it will be many months before the impact on wild populations can be better understood but ecologists at Sydney University have estimated over 800 million animals have been affected in Australia since September.
Summer is a frantically busy time for wildlife rescue and there are still over 100 fires burning in NSW. In December alone there were over 20,000 calls to WIRES 1300 line, a 14% increase on last year, and volunteers attended over 3,300 rescues.
To help rescue sick, injured and orphaned wildlife please support WIRES Emergency Fund.

 

Een dag niet bestaan

Ik heb vandaag goesting om eens een dag over te slaan. Bij wijze van experiment, een dag niet bestaan, om eens te ervaren wat het is om dood te zijn. Zou moeten kunnen, zodat we weten wat ons binnen enkele jaren te wachten staat.

Een dag niet wakker worden, na een nacht stoute dromen, en niet tegen onze zin opstaan. Niet naar de wc moeten hollen, omdat we te lang gewacht hebben om het warme bed uit te springen.

Een dag niet ontbijten, niet gaan douchen, geen kleren aantrekken, niet de katten honderd keer per dag binnen of buiten laten, geen e-mails en spam lezen, geen chatberichtjes open doen, facebook niet checken, niet kijken of er iets zinnigs op tv is.

’s Middags niet lunchen en je afvragen wat er nu weer op die boterham moet en  ondertussen eens kijken in de frigo en diepvries welke warme maaltijd we vanavond kunnen klaar maken.

Je niet ergeren aan het nieuws in de krant, het journaal niet volgen, en geen vervelende huishoudelijke klusjes moeten opknappen.

De kippen op droog zaad zetten, de tuin niet inlopen om de brievenbus leeg te maken. Je niet afvragen of dit nog goed gaat komen volgende zomer met alle planten die er nu zo troosteloos uitzien.

Vlug terug binnen lopen, want het is nat en vochtig, triestig en droef, echt begrafenisweer. Gelukkig nog niet de mijne! Niet in die knusse zetel kunnen ploffen met een haakwerkje, een warme koffie met een koekje en een slapende poes aan je voeten.

’s Avonds dan niet warm koken, lekkere gewone dagelijkse kost: patatten, groenten en vlees. Maar eerst een aperitiefje en dan je verheugen op je favoriete soap.

De afwas niet uitstellen tot het saai wordt op tv en ondertussen bedenken dat zo een dag zonder bestaan eigenlijk toch wel heel vlug voorbij gaat.

Gelukkig heb ik hem nog net kunnen beschrijven, voor hij helemaal verdwenen is, en wie schrijft die blijft! Toch nog een poosje hopelijk…

Vaarwel 2019!

We zijn weer vertrokken voor een jaar en hopelijk kunnen we het ook weer uitdoen! De kerstversiering is al afgebroken en de lieve kaartjes opgeborgen.

De cadeautjes zijn uitgedeeld en gelukkig in goede aarde gevallen. Nu terug weer gewoon doen en hopen dat de tijd niet te vlug voorbij vliegt, want zo een jaar is niks meer, als je al wat ouder bent. Maar we houden het been stijf, ze krijgen er ons nog niet onder!

De cadeautjes van Audrey en David
En ik heb ook mezelf verwend!Voorspoedig en gezond 2020!

Babysitting!

Vandaag een eerste keer wat gebabysit op Reinaert, terwijl de papa wat klusjes opknapte in de tuin en de mama wat rust gegund werd na een vroege shift.

Een heerlijke ervaring. We hebben samen gelachen en elkaar brabbelverhaaltjes verteld en we begrepen elkaar volkomen. Dat belooft voor de toekomst!

Sociaal contact

Ik heb de laatste tijd slaapproblemen, en volgens de dokter komt dat omdat ik onder meer te weinig sociaal contact heb. Als ze het niet meer weten, de dokters, moeten ze het toch ergens op steken.

Wel, dokter schrijf maar voor! Het mag in pillen, druppels, pleisters, ja zelfs in zetpillen zijn, ik zal mij trouw aan de dosis houden.

Sociaal contact, het wondermiddel van deze tijd. Mijn ervaring is dat het vooral eenrichtingsverkeer is. Ik heb jaren vrijwilligerswerk gedaan, in het verenigingsleven gezeten, creatieve namiddagen thuis georganiseerd voor telkens een groepje mensen, maar sinds ik daar mee gestopt ben, zijn ook alle contacten stil gevallen.

Iedereen was hier altijd welkom aan huis, want zelf heb ik geen vervoer en kon dus ook haast nergens op bezoek gaan. Ja, zij hadden wel vervoer, maar het kwam in niemands hoofd op om mijn eens voor te stellen daar gebruik van te maken en ook eens een stapje in de wereld te zetten.

Het was hier altijd gezellig thuis, zo gezellig zelfs dat men het vanzelfsprekend vond dat ik altijd bereid was om gratis en voor niks mijn tijd en kennis ter beschikking te stellen aan wie dat vroeg. Tot het moment dat ik eindelijk doorhad dat de balans geven en nemen altijd naar dezelfde kant doorsloeg. Kort gezegd, ik had er mijn goesting van en besloot om het anders aan te pakken.

Eén heel goede vriendin heb ik eraan overgehouden en als dat dus inderdaad te weinig sociaal contact is, zal ik dan nu met het voorschrift van de dokter naar de apotheker trekken…