Midlifecrisis

Midlifecrisis (knipooggedicht)

Een mens keert
altijd terug
naar de eerste versie
van zichzelf,
toen hij nog niet
verpest werd
door andermans
normen en waarden,
en opgelegde keuzes.

Tegenwoordig
noemen ze dat
midlifecrisis.

Micheline Baetens – 18.01.2019

Mijn zoon heeft wat nostalgisch gedaan, en twee metal t-shirts gekocht. Back to the roots!

En ik heb er een gedicht over geschreven.

Klimaatspijbelaars

Iemand stelt de vraag 2

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z´n kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Remco Campert

Heden ten dagen spijbelen en protesteren de scholieren tegen de opwarming van de aarde, voor meer natuur en een schoner milieu, minder vervuiling en zuivere lucht.

https://www.humo.be/actua/397771/humo-bij-de-klimaatspijbelaars-de-politici-hebben-alles-gefuckt

Sceptisch, ik? Neen, maar wel realistisch. Zouden ze wel het verschil kennen tussen een boterbloem en een madeliefje? De meesten onder hen, zijn totaal vervreemd van de natuur. En zolang mensen niet oprecht geïnteresseerd zijn in iets, zal hun boodschap hol blijven klinken. Het is immers bij alles en overal de kennis en de liefde die ons drijft, en ons op het rechte pad houdt.

Bovendien als er nu bijvoorbeeld eens eentje zou roepen om al die festivals die elke zomer en wel op elke dag en in elk dorp plaats vinden, af te schaffen, of tenminste te beperken, dan zou ik al meer geneigd zijn om er in te geloven.

Kortom minderen met alles wat het milieu schade kan toebrengen, zou al een mooi bewijs zijn dat het hen menens is. Maar ze hebben zoveel, en ze kunnen zoveel, en ze willen zoveel… En er is zoveel dat ze niet nodig hebben!

De bewijzen dat u ooit een dier was.

De bewijzen dat u ooit een dier was.

DE STANDAARD – 17.01.2019 – Jeroen Deblaere

Het menselijke lichaam, een wonder der natuur. Toch zit ons lijf ook tjokvol reservestukken en oud materiaal dat we eigenlijk niet meer gebruiken. Allemaal restjes uit minder beschaafde tijden.Een oor dat kan draaien

De oorschelp van de mens heeft meestal een kleine verdikking in het bovenstuk van het oor. Dat is nog een erfenis uit de tijd dat we onze oren nog konden draaien in de richting van het geluid. Nu is onze nek veel beweeglijker, waardoor onze oren niet meer hoeven te bewegen. Sommigen mensen hebben nog spiertjes waarmee ze hun oren een beetje kunnen ­bewegen, maar ook dat heeft nu geen nut meer.
Een derde ooglid als extra bescherming

Een klein stukje in het oog duidt erop dat er ­materiaal ­voorzien is voor een derde ooglid. De plica semilunaris is een stukje in de hoek van je oog dat eigenlijk geen functie heeft. Het ooglid zou dan ­– zoals dat bij andere dieren of sommige reptielen bestaat – horizontaal sluiten en dienen als extra ­bescherming. We hebben wel de ­spiertjes, maar niet het ­membraan dat over het oog gaat.

Een reflex om de vacht van de moeder vast te grijpen

Ook een reflex kan overbodig zijn. De grijpreflex – waarbij baby’s ­automatisch met hun handjes en voetjes knijpen als je ze aanraakt – heeft eigenlijk geen nut meer. De bedoeling zou geweest zijn dat de ­baby’s zo ­makkelijker de moeder konden vastgrijpen ­wanneer die ­rondwandelde. In het moderne leven is zoiets niet meer nodig.

Een extra darm voor het oerwouddieet

Nog een voorwerp van discussie: heeft de appendix nog nut? ‘We kunnen perfect zonder’, zegt professor Paul Herijgers (KU Leuven). ‘Die ­appendix was vroeger waarschijnlijk groter, we hadden toen meer darm ­nodig omdat we meer groenten aten. Nu is dat een veel kleiner stukje ­geworden.’

Spieren om van boom tot boom te slingeren

Druk uw duim en uw pink tegen elkaar. De meesten onder ons zullen een verdikking op de arm zien rond de pols.

Die spier heet de musculus palmaris longus en diende vroeger om meer grip te hebben. ‘Die grip was nodig voor het slingeren tussen de bomen. Als die spier daar niet zit, glijdt de huid over de hand, een beetje zoals je huid op je hoofd ­beweegt als je erop wrijft. Dat slingeren doen we nu niet meer, dus hebben we de spier ook niet meer nodig.’ 14 procent van de mensen heeft de spier niet meer. Ook in de kuit hebben we een gelijkaardige spier, maar die kun je niet zien liggen. Ze is zo nutteloos dat ze ­gebruikt wordt als er een pees in de hand vervangen moet ­worden. Een soort ­reservestuk, dus.

Een staart voor meer evenwicht

Een klassieker: het staartbeentje. ‘Nu we rechtop lopen, hebben we geen staart meer ­nodig om te balanceren’, zegt Herijgers. Het materiaal om zo’n staart te laten groeien zit er wel nog, we hebben evenveel ­wervels als mét staart, maar de staart zelf groeit niet meer uit.
Kippenvel om groter te lijken

Kippenvel heeft niet meer elk van zijn originele functies. ‘De temperatuurregeling werkt wel nog’, zegt professor ­Herijgers. ‘Als je haren gaan rechtstaan, krijg je het wat warmer omdat die een soort luchtlaag creëren. Het is een beetje als een warme trui.’

De andere ­functie, bij angst, is wel weggevallen. ‘Vroeger hadden we meer haar. Als dat haar rechtop stond, leken we groter en maakten we meer indruk op onze ­tegenstander. Maar dat is nu volledig ­verdwenen.’

Iedereen in winterslaap

Iedereen in winterslaap

Zou het niet zalig zijn de barre wintertijd slapend te overbruggen? Of astronauten in een winterslaap te brengen tot ze pakweg op Mars zijn? Zover is de wetenschap nog niet. Maar de vernuftige trucjes van winterslapers bieden wel al praktische toepassingen voor de mens.

Wie droomt er niet heimelijk van: tijdens de gure wintertijd de dekens over je heen trekken om pas maanden later te ontwaken als het zonnetje weer schijnt? Voor veel dieren is het de jaarlijkse realiteit. Zodra de dagen korter worden, bereiden zij zich voor op een winterslaap. Bovengronds zijn de gevaren van kou, hongerige vijanden en voedseltekort in de winter te groot. Een winterslaap vergroot de overlevingskansen en bovendien leven winterslapers langer. De tijd die ze slapend doorbrengen, krijgen ze er in levensjaren weer bij.

Waar wacht de mens nog op? In theorie moet winterslaap voor de mens mogelijk zijn, denkt de Groningse expert Arjen Strijkstra. ‘Binnen elke diergroep is er wel een winterslapende soort, zelfs binnen de primaten. Het is voor de mens alleen niet zo handig, ons leven is niet op die manier georganiseerd. Dieren leven veel seizoensmatiger en stemmen bijvoorbeeld hun voorplanting daarop af. Wij krijgen het hele jaar door baby’s.’

Vergeetachtig

Toch biedt winterslaap uitkomst voor mensen. Winterslapende dieren hebben vernuftige mechanismen om bijvoorbeeld orgaanschade te voorkomen, die mogelijk toepasbaar zijn op de mens. Ook zou het bijzonder handig zijn astronauten in winterslaap te kunnen brengen, zodat ze tijdens hun reis weinig voedsel nodig hebben en ook weinig afval veroorzaken. De daadwerkelijke toepassingen zijn niet ver weg meer, zeggen wetenschappers.

Daartoe doen ze winterslaaponderzoek bij diverse diersoorten. Er zijn drie verschillende vormen van winterslaap te onderscheiden. Voor astronauten zou de berenmanier uitkomst bieden: een maandenlange ononderbroken slaap. Grondeekhoorns pakken het anders aan: ze verlagen hun stofwisseling en lichaamstemperatuur drastisch gedurende een aantal dagen – soms tot onder het vriespunt – maar warmen dan weer even op om vervolgens opnieuw in zogeheten torpor te gaan. Kleinere dieren als Siberische hamsters kennen een dagelijkse afwisseling van torpor en opwarming.
Die zogeheten eutherme fases waarin dieren hun lichaamstemperatuur en stofwisseling even terugbrengen naar normale niveaus waren tot nog toe een raadsel voor onderzoekers. In termen van energieverbruik zou het efficiënter zijn de hele winter door te winterslapen. Blijkbaar hebben winterslapers die tussentijdse opwarming nodig. Niet om te eten of hun behoefte te doen, maar om hun slaap in te halen, vermoedden onderzoekers: winterslapers brengen 70 tot 80 procent van de warme fases slapend door.

Tijdens winterslaap slapen dieren namelijk niet. ‘Het is op zijn best een vreemd soort wakker zijn’, zegt Strijkstra. ‘Kenmerkend voor slaap is veel slow wave activity in de hersenen, meetbaar met een EEG-scan. Hoe dieper de slaap, hoe hoger de slow wave activity. Je zou denken dat dieren minder slaperig zijn als ze lang in torpor zijn geweest, maar het tegendeel blijkt waar: we zien juist een hoge slow wave activity. Torpor is dus een vorm van slaapdeprivatie. Laat je dieren na een periode van torpor niet slapen, dan zou je verwachten dat die slaapschuld verder toeneemt en de slow wave activity hoger wordt. Dat blijkt opmerkelijk genoeg niet het geval: de slow wave activity verdwijnt, ook zonder slaap.’

Slaap blijkt dus niet de reden dat dieren tussentijds opwarmen. Maar wat dan wel? Chronobioloog Ate Boerema van de Rijksuniversiteit Groningen zocht het antwoord in de hersenen. Winterslaap blijkt dieren namelijk vergeetachtig te maken. Voorafgaand aan de winterslaap leerden grondeekhoorns op een vaste plek in een doolhof voedsel vinden. ‘Na een winterslaapperiode waren ze dat ruimtelijke geheugen kwijt. Merkwaardig is dat soortgenoten die door een kunstmatige hoge omgevingstemperatuur niet in torpor gingen, zich de voedselplek wel konden herinneren.’

Een nader kijkje in de hersenen van winterslapende dieren leerde dat zich daar allerlei veranderingen voltrokken. Veranderingen die de onderzoekers deden denken aan de ziekte van Alzheimer. ‘In de hersenen zitten zogeheten tau-eiwitten, waar fosfaatgroepen aan binden’, legt Boerema uit. ‘Zo’n fosfaatgroep kan zich echter ook op een verkeerde plek hechten. Dat is ongunstig: er ontstaat dan tau-hyperfosforylatie, wat het neuronale transport in de hersenen verstoort. Uiteindelijk gaat het tau-eiwit opkrullen, waardoor de cel stuk gaat. Dat noem je tangles. Bij mensen is dat een teken van de ziekte van Alzheimer.’

Die verkeerd gevormde tau-eiwitten bleken ook te ontstaan in de hersenen van winterslapende grondeekhoorns, al vlak nadat de dieren hun thermostaat uitdraaiden en afkoelden. Na acht dagen winterslaap zaten de hersenen er vol mee. Maar kort nadat de dieren weer opwarmden, bleek de tau-hyperfosforylatie wonderbaarlijk genoeg weer verdwenen. Blijkbaar hebben de dieren een mechanisme om dat proces om te keren. En niet alleen grondeekhoorns blijken dat te kunnen, ook bij goudhamsters en bij dagelijks in torpor gaande Siberische hamsters treedt tau-hyperfosforylatie op in de koude periode en verdwijnt dit weer bij opwarming. ‘We denken dat dieren tussentijds warmere fases inbouwen om verdere schade aan de hersenen te voorkomen’, legt Boerema uit.

Alzheimermuizen

Dat verklaart echter niet waarom bijvoorbeeld beren tussendoor niet opwarmen. Door in de hersenen te kijken van hamsters die bij verschillende temperaturen winterslaap hielden, ontdekten de onderzoekers een knik in het ontstaan van de verkeerd gevormde tau-eiwitten. ‘Onder de 28 graden Celsius treedt tau-hyperfosforylatie op en moeten dieren tussendoor opwarmen. Boven die temperatuur niet.’ Een beer koelt door zijn dikke isolatielaag amper af, waardoor hij boven de temperatuurgrens van 28 graden blijft.

Het effect van de omgevingstemperatuur is ook terug te zien bij lemuren op Madagaskar. Zitten de halfapen tijdens de winterslaap hoog in de boom, dan fluctueert hun lichaamstemperatuur dagelijks tussen 12 en 35 graden Celsius, net als de omgeving. Deze lemuren slapen als een beer: ze warmen tussendoor niet op. Onderin de boom varieert de temperatuur minder sterk door gebrek aan zonlicht en blijft de temperatuur dicht bij de 20 graden Celsius. Lemuren die onderin winterslapen, hebben een torporpatroon als een grondeekhoorn: ze moeten elke acht of negen dagen opwarmen. ‘Als de omgeving niet boven die kritieke temperatuurgrens uitkomt, dan moeten de dieren zelf een warme periode genereren’, zegt Boerema.

Onderzoekers zijn er zelfs in geslaagd dat systeem toe te passen op muizen, die normaliter niet aan winterslaap doen. Ook daar is het effect temperatuurafhankelijk: koelde de omgeving de muizen af naar 22 graden Celsius, dan kregen ook deze muizen tau-hyperfosforylatie en moesten ze tussendoor opwarmen. Bleef de omgeving rond de 30 graden Celsius dan vond tau-hyperfosforylatie niet plaats. Met deze winterslapende muizen hebben onderzoekers een praktisch en natuurlijk model in handen om tau-hyperfosforylatie te bestuderen. ‘Alzheimer lossen we er niet gelijk mee op, daarvoor moet je zoeken naar de oorzaak. Als je tau-hyperfosforylatie vindt, dan ben je al te laat’, zegt Boerema. ‘Maar we kunnen wel onderzoeken hoe winterslapers dat mechanisme omkeren en welke stoffen er bijvoorbeeld effect op hebben.’

Astma

Niet alleen de hersenen zijn in dat opzicht interessant voor de medische wetenschap. Ook in tal van andere organen treden veranderingen op in het begin van de torpor die tijdens de opwarming weer worden teruggedraaid. Die trucjes willen medici graag toepassen op de mens. ‘Vrijwel alle organen veranderen van structuur tijdens een winterslaap. Daar is altijd wel een ziekte bij te vinden die erop lijkt’, zegt de Groningse hoogleraar farmacologie Rob Henning. Hij keek specifiek naar de longen, die in winterslaap sterk lijken op de longen van een astmapatiënt.

‘Zowel bij astma als bij hamsters in winterslaap neemt het steunweefsel van de longen toe. Voor astmapatiënten is dat bijzonder ongunstig: de longen worden stijver, waardoor ze moeilijker kunnen ademen. Bij hen wordt dat veroorzaakt door een ontsteking, bij winterslapers niet. Waarom en hoe winterslapers dat doen, weten we nog niet. Ik vermoed dat het een mechanisme is om te voorkomen dat de long in elkaar klapt. Tijdens de winterslaap is hun hartslag 3 procent van wat die normaal is en zakt hun ademhaling van veertig keer naar één keer per minuut. Dat is net genoeg om het lichaam van zuurstof te voorzien. Onze longen zouden dan in elkaar klappen’, vertelt Henning. ‘Het is heel merkwaardig dat organen zo’n grote verandering ondergaan én dat het omkeerbaar is. In anderhalf uur zijn de longen weer normaal.’

Bijzonder is ook dat er geen schade aan de organen ontstaat als het lichaam van een winterslaper opwarmt. Terwijl bij menselijke organen en bloed die koel worden bewaard voor transplantatie wél weefselschade ontstaat. Naast een model voor astma, levert winterslaap daardoor ook slimme trucjes om organen en bloed beter te bewaren. De stoffen die winterslapende dieren gebruiken, helpen bijvoorbeeld bloedplaatjes ook koud te bewaren. ‘Dat lost echt een probleem op’, zegt Henning. ‘Bloedplaatjes worden vaak gebruikt, voor kankerpatiënten en bij operaties. Ze konden eerder alleen warm worden bewaard, omdat de bloedplaatjes anders gaan klonteren. Maar dan ontstaan weer problemen met bacteriën. Deze nieuwe methode is zeer welkom, zeker in landen waar grotere afstanden moeten worden overbrugd, of in oorlogsgebieden.’

Narcose

Langzaamaan wordt de winterslaap zo steeds dichter bij de mens gebracht. Maar of mensen op termijn echt in winterslaap gaan, betwijfelt Henning. ‘Het zou wel het mooiste narcosemiddel zijn voor operaties. Je hebt geen problemen met orgaanschade en alle functies gaan op een laag pitje. Maar het is lastig om dat op mensen te testen.’
Een van de lichaamsfuncties die nu onbedoeld volop geactiveerd worden tijdens operaties is het immuunsysteem. ‘Tijdens een openhartoperatie stroomt het bloed door een hart-longmachine, die het immuunsysteem als lichaamsvreemd herkent’, legt arts-onderzoeker Hjalmar Bouma van het Universitair Medisch Centrum Groningen uit. Winterslapers hebben een unieke eigenschap, die artsen graag zouden toepassen tijdens operaties: de witte bloedcellen verdwijnen tijdens winterslaap uit hun bloed, waardoor afweerprocessen nauwelijks plaatsvinden.

Lange tijd was het een raadsel waar die cellen bleven. Massale celdood bij afkoeling en nieuwe celproductie bij opwarming bleek geen optie, want na opwarming was het immuunsysteem al binnen anderhalf uur weer op volle sterkte. Door de witte bloedcellen met een lichtgevende stof te merken, ontdekte Bouma dat de cellen in de lymfeklieren werden opgeslagen. ‘Een vet, genaamd sphingosine-1-fosfaat (S1P), zorgt ervoor dat de witte bloedcellen terug naar het bloed stromen. In winterslaap blijkt die lipide, en daardoor ook de immuuncellen, afwezig door de lage temperatuur.’

Mensen worden tijdens operaties ook gekoeld – tegenwoordig tot ongeveer 33 graden Celsius – maar diepe afkoeling heeft nadelige gevolgen voor organen. Bouma zou daarom graag een element van het winterslaapmechanisme lenen. Door een vergelijkbare stof te gebruiken als de S1P-lipide in winterslapers hoopt hij de aanwezigheid van witte bloedcellen te reguleren en daarmee het immuunsysteem tijdelijk te onderdrukken. ‘In diermodellen geeft dat al veelbelovende effecten.’

Astronaut

Een andere manier om slimme winterslaapmechanismen dichter bij de mens te brengen, is proberen dieren die normaal gezien wakker blijven, toch in winterslaap te brengen. ‘Als muizen hard moeten werken voor hun voedsel ontstaat er een negatieve energiebalans en gaan ze in torpor. In het bloed van deze muizen is de stof 5 AMP verhoogd. Spuit je deze stof in bij andere dieren, dan gaan ook zij in een kunstmatige torpor. We weten dus hoe je een dier in winterslaap krijgt, inclusief immuunsuppressie, gevolgd door een fase waarin het dier zelf weer opwarmt, zonder orgaanschade. Zo bouwen we een brug tussen natuurlijke winterslaap en het ziekenhuis.’

De wetenschap is dus al zo ver dat niet-natuurlijke winterslapers in winterslaap kunnen worden gebracht. ‘Dat kunnen we toepassen op de mens. Maar denk niet dat we mensen in oktober opnemen in het ziekenhuis om volledige winterslaap te induceren, en pas in april weer ontslaan. We zullen bepaalde elementen uit de winterslaap gebruiken, zoals het remmen van de stofwisseling of het onderdrukken van het immuunsysteem tijdens operaties of bij traumaslachtoffers, en het kan dienen als natuurlijk modelsysteem voor onderzoek naar diverse ziektes’, zegt Bouma. ‘Het zal nog even duren voor we de eerste astronaut in winterslaap de ruimte in kunnen schieten. Naar verwachting krijgt ook hij alzheimerachtige verschijnselen. Een astronaut die ergens in de ruimte wakker wordt en niet weet waar hij is en wat hij moet doen, daar heb je niets aan. En zelfs als we dat uitgevogeld hebben, dan zijn er nog tal van ethische kwesties. Dat blijft voorlopig nog sciencefiction. Maar de eerste toepassingen van winterslaap zijn niet ver weg meer.’

BRON – Eos – Maartje Kouwen

Vreemdelingen

Vreemdelingen? Wie is tegenwoordig niet vervreemd van zichzelf? De meesten onder ons weten niet eens wat ze voelen, laat staan dat ze weten hoe er mee om te gaan.

Telkens ik een wat openhartig schrijfsel op mijn blog zet, en zeker als het over seksualiteit gaat, komen er reacties, vooral van mensen (mannen) die ik ken, die uitmunten in banaliteit en vulgariteit, en waarvan de reactie gever bovendien denkt dat ze grappig zijn.

Vervreemd van zichzelf en vervreemd van de andere en hoe daarmee om te gaan? Het verbaast mij dus niet dat er zoveel slechte relaties zijn en zo weinig intimiteit in die relaties. En het is altijd de fout van de andere, en zeker wanneer het van mannen komt, de fout van de vrouw.

Ga misschien eens naar de ander toe met het idee dat je de dingen anders moet aanpakken. Voorzeker kom je dan al wat dichter bij de problemen en dus ook dichter bij elkaar. Het leven en de liefde is immers een spel van geven en nemen, maar dan wellicht in veel relaties liefst gelijker verdeeld.

Verdwijnen

“Duurzaamheid krijg je door de bescheidenheid te omarmen. Door het gewone toe te laten. Het kleine en middelmatige te appreciëren. Dat is in deze rollercoastertijden een moeilijk te verteren advies.” Dirk De Wachter – psychiater

“Harmonie tussen het denken, het zeggen en het doen, dat is het opperste geluk” Ghandi

Wijze woorden, en o zo waar! Ik heb vandaag naar de film Leave no Trace gekeken.

Prachtige en inspirerende film! Sommige mensen kunnen het teveel aan prikkels in deze wereld niet (meer) aan en verdwijnen in de natuur zonder een spoor na te laten…En dat moet kunnen!

Soms zou ik dat ook willen, en eigenlijk is dat ook best mogelijk zonder daarom in de natuur te hoeven verdwijnen, maar door gewoon thuis de wereld met zijn overdaad aan prikkels en regeltjes buiten te sluiten. Geen telefoon, geen internet, geen kranten, geen tv, geen gezelschap, enkel de katten en de kippen, en de stilte van de tuin rondom het huis. Zelfs de gordijnen gaan dan naar beneden, het licht wordt gedempt en niets of niemand is nog belangrijk genoeg om de rust te verstoren.

En als ik ooit in de natuur zou verdwijnen zou dat in Torgny zijn, in de provincie Luxemburg, maar ik vrees dat verdwijnen in de natuur om het even waar, al lang niet meer mogelijk is.

Het geluk van de vrouw

“Het geluk van de man is: ik wil. Het geluk van de vrouw is: hij wil.” – Friedrich Nietzsche

Het was een vrouwenhater hé, onze Frederik en al zeker geen vrouwenkenner. Maar toch, wat vrouwen willen, is nog lang niet voor iedereen duidelijk.

We mogen dan al wel financieel en administratief onafhankelijk zijn, maar o.a. nog lang niet seksueel bevrijd van vooroordelen en beperkingen. Het gezegde luidt dat brave meisjes in de hemel komen en stoute overal, maar mannen komen nog altijd met veel meer weg dan vrouwen, en vooral dat moet veranderen en bijgesteld worden.

Ook wij willen kunnen experimenteren en vrijuit zeggen waar we van genieten, ook wij willen de vrijheid om iets niet te willen, en ook wij willen de vrijheid dat iedereen dat vanzelfsprekend vindt, net zoals dat voor mannen vanzelfsprekend gevonden wordt. Kortom, ook wij willen de hemel op aarde! Zelfs op ons zeventigste!

En vooral, wij willen geen dienende rol, gewoon omdat we toevallig als meisje geboren werden. Het geluk van de vrouw is: ik wil!

Vandaag zette ik het volgende op mijn Facebookpagina:

“De enige gevoelens die mannen niet kunnen verstoppen, zijn hun seksuele gevoelens. Die springen direct in het oog. Vrouwen daarentegen zijn daar veel subtieler in, en daar heb je het raden naar. Vandaar ook de overmacht van vrouwen.”

Geen wegcijferende rol dus en ook geen beperkende rol, maar blij en gelukkig zijn dat je een vrouw bent, en daar voluit van genieten. En vooral veel willen!

Terug naar de natuur?

Terug naar de natuur? Nee, laten we de natuur hierheen halen
Brainwash – Ruben Jacobs – 11.01.2019

Een teruggetrokken leven leiden in een groene omgeving, compleet met eigen moestuin, composttoilet en kippenhok: het klinkt als een idyllische droom. Schrijver en ex-milieuactivist Paul Kingsnorth deed het met zijn familie, en vertrok naar een dunbevolkte en bosrijke omgeving in West-Ierland. VPRO Tegenlicht maakte recent een mooi portret van de man.

Dat klinkt natuurlijk allemaal schattig en romantisch, maar zodra Kingsnorth begint te praten, blijkt het tegendeel. De schrijver is geen naïeve positivo of idealist (meer). Nee, hij heeft zelfs zijn missie om de ‘wereld te redden’ aan de wilgen gehangen. Kingsnorth gelooft niet meer ‘in het verhaal dat wij als over onszelf vertellen’ en is ervan overtuigd dat onze moderne beschaving ten einde loopt.

Zijn conclusie: we kunnen het maar beter onder ogen zien en over ‘het randje van de afgrond kijken’. Wellicht is er nog leven na het einde van de wereld.

Dat dit geen gezellige televisie is, mag duidelijk zijn. Toch is het fascinerend en prikkelend om naar te kijken. Juist doordat Kingsnorth zo radicaal, gepassioneerd en compromisloos is in zijn ondergangsdenken, zet hij de boel op scherp en dwingt hij de kijker om zijn gehele moderne bewustzijn en levensstijl ter discussie te stellen. Tevens brengt hij tragiek terug in het spel.

En ik moet zeggen: dat doet hij best overtuigend. Tot op zekere hoogte sympathiseer ik dan ook met een aantal aspecten die Kingsnorth aankaart. Dat er ten diepste iets mis is met onze beschaving (obsessie met eindeloze groei en materiële vooruitgang), en dat het leven niet om ons draait (antropocentrisme), maar wij onderdeel zijn van het ‘web van leven’ en daar maar niet naar handelen. Dat ‘duurzaamheid’ in veel gevallen een ‘fopspeen is voor de middenklasse’ (want rijden in een elektrische auto gaat meer over lifestyle dan over fundamentele koersverandering). Ook ben ik het met hem eens dat we moeten stoppen met praten over ‘de natuur’ of ‘het milieu’ alsof het iets is wat los van ons staat, buiten onszelf.

Maar juist hier, met zijn betoog over ‘de natuur’, neemt Kingsnorth wat mij betreft de verkeerde afslag. Dat zit ‘m met name in de manier waarop hij uiteindelijk terugvalt op een traditionele (én achterhaalde) notie van ‘de natuur’. Voor Kingsnorth is ‘de natuur’ hetgeen wat niet-menselijk is en een waarde op zichzelf heeft. Hij wil ‘dichter bij de natuur leven’, ‘reconnecten’, en daarvoor is de ‘wilde en ongerepte natuur’ de beste plek.

Daarmee bevindt hij zich in een lange traditie die zijn wortels vindt in de West-Europese Romantiek van de 18e eeuw. Als reactie op de oprukkende industrialisatie gingen maatschappijkritische kunstenaars en filosofen de natuur zien als een ruimte van toevlucht, spirituele redding en intrinsieke waarde. Deze beweging is sindsdien meerdere keren herhaald. Denk aan de Amerikaanse ‘back-to-the-land’ beweging in het begin van de 20e eeuw, of de hippies van de zestiger jaren. Het ‘into the wild’ principe (de film al gezien?) blijft ook in onze tijd op velen aantrekkingskracht uitoefenen.

Het is verleidelijk om hierin mee te gaan. Het idee dat er in een zee van vervuiling nog een puur en schoon eiland – een Hof van Eden – ligt, geeft ons het gevoel dat we nog ergens heen kunnen vluchten. Maar nu komt de complicatie: we leven volgens geologen inmiddels in het Antropoceen, een nieuw geologisch tijdperk dat zich juist kenmerkt door de vergaande verwevenheid tussen mens en natuur. Een tijdperk waarin op stranden van Hawaï stenen aanspoelen die bestaan uit elementen van plastic, waar sommigen dieren (zoals de spreeuw en de nachtvlinder) zich op wonderbaarlijke wijze in stedelijke gebieden aanpassen, waar de aardbevingen in Groningen het resultaat zijn van menselijk activiteiten onder de grond, en waar orkanen, extreme droogtes en zeespiegelstijging veelal geen klassieke natuurfenomenen zijn maar in toenemende mate ‘mens-natuurfenomenen’. Met andere woorden: wie weet eigenlijk nog waar ‘de natuur’ begint en eindigt?

Mensen hebben dus de landschappen die ze bewonen sinds de prehistorie veranderd en klimaatverandering betekent dat zelfs de meest afgelegen plaatsen nu de vingerafdrukken van de mensheid dragen. Volgens milieujournalist Emma Marris wordt het dan ook tijd om vooruit te kijken en de aarde te gaan zien als een ‘onstuimige tuin’: een mengeling van wilde natuur en menselijk management.

Makkelijk is dat niet. Als moderne wezens worden we van jongs af aan getraind om ‘natuur’ of ‘wildernis’ te scheiden van de ‘beschaving’. De natuur is dan een plaats waar we naartoe gaan, iets waar we niet in bestaan maar dat exotisch, afgelegen, ergens daar verderop is. Het resultaat is dat we uiteindelijk de natuur dichtbij huis gaan zien als ‘gemaakt’ of zelfs ‘nep’. Dit terwijl we juist op de plaatsen waar we leven – onze achtertuin, onze daken, parken en boerderijen – onze relatie met de natuur zullen moeten vormgeven.

Oké goed, maar hoe dan? Om te beginnen is het van belang dat we ons bewustzijn van wat natuurlijk en niet natuurlijk is moeten oprekken, en inzien dat er geen buitenpositie mogelijk is. We zijn altijd in de biosfeer, ook al bestaat onze directe leefomgeving veelal uit beton, plastic en fijnstof.Daarnaast moeten we van het idee af dat ‘stad’ en ‘natuur’ onverenigbaar zijn, en dat we ‘naar de wildernis’ moeten gaan – als vermeende oase van schoonheid en puurheid – om onszelf te reinigen van het vervuilde urbane leven. Over een aantal jaren woont 75% van de wereldbevolking in steden. Urbane leefgebieden zijn en zullen dus alleen maar meer de leefomgeving van de 21e eeuwse mens worden, daar is geen ontkomen aan. De uitdaging is om een stedelijke leefwereld (het grijze) te creëren waar de biosfeer (het groene) overal dwars doorheen kruist, overheen buigt en onderdoor kruipt. Noem het een ‘stedelijke natuur’.

Dit idee is niet nieuw. In 1898 publiceerde de Britse journalist Ebenezer Howard Garden Cities of To-Morrow. Eind 19e eeuw vond er net als in deze tijd een enorme trek naar steden plaats. Veel arbeiders verlieten hun dorpen om dichterbij de fabrieken te gaan wonen en dit leidde al snel tot grote vervuiling en overbevolking. Het ‘industrieel-proletariaat’ leefde veelal in krotten en de hygiënische leefomstandigheden waren erbarmelijk, waardoor ziektes vrij spel hadden.

Bezorgd over de zorgwekkende leefomstandigheden van veel inwoners van zijn stad (met name de arbeiders) ontwikkelde Howard een revolutionair model voor een schonere en groenere stad, ook wel de ‘tuinstad’ genoemd (‘Garden City’). Zijn idee was als volgt: als we een eind willen maken aan de onbevredigende keuze tussen het leven in een cultureel geïsoleerde omgeving of een drukke, groenarme en vieze stad, dan moet maar het beste van beide werelden worden gecombineerd. Voor Howard betekende dit aan de ene kant economische kansen, amusement en hogere lonen én aan de andere kant meer groen, frisse lucht en lage huren. ‘Human society and the beauty of nature are meant to be enjoyed together’, aldus Howard.

Diverse elementen van Howards model van de tuinstad zijn in de 19e en 20e eeuw realiteit geworden. Veel Europese steden kregen stadsbossen, parken en sociale huur. Ook zijn er op diverse plekken zogeheten ‘tuindorpen’ gebouwd. Toch zijn, er aan het begin van de 21e eeuw, nog grote stappen te maken. Met klimaatopwarming is dit geen luxe meer, maar noodzaak. Het is dan ook hoopgevend om te zien dat er overal in steden initiatieven uit de grond worden gestampt voor het aanleggen van groene daken, mini-bossen en tuinbouwtorens.

‘Terug naar de natuur’ – het is een mythe. Waarom? Heel simpel: omdat we nooit uit de natuur zijn weg geweest. Het enige wat we hebben gedaan is dat we de natuur waarin we leven hebben verstopt onder een laag betonnen beschaving. Daarmee is het grotendeels uit ons dagelijkse gezichtsveld verdwenen. Als we onze relatie met de natuurlijke orde willen herstellen moeten we niet opnieuw in de romantische val trappen van ‘wildernis’ vs. ‘beschaving’, maar moeten we deze juist zien te verenigen.

Opruimtijd!

We gaan er vandaag eens flink tegenaan, en deze muziek gaat ons daarbij helpen.

Het is opruimtijd en alle overvloed en wat niet meer gebruikt wordt, vliegt eruit, zodat nog enkel de essentie en waar we mee bezig zijn, overblijft!

Deep down in Louisiana close to New Orleans
Way back up in the woods among the evergreens
There stood a log cabin made of earth and wood
Where lived a country boy named Johnny B. Goode
Who never ever learned to read or write so well
But he could play a guitar just like a-ringin’ a bell
Go go
Go Johnny go go
Go Johnny go go
Go Johnny go go
Go Johnny go go
Johnny B. Goode
He used to carry his guitar in a gunny sack
Go sit beneath the tree by the railroad track
Oh, the engineers would see him sitting in the shade
Strumming with the rhythm that the drivers made
People passing by they would stop and say
“Oh my what that little country boy could play”
Go go
Go Johnny go go
Go Johnny go go
Go Johnny go go
Go Johnny go go
Johnny B. Goode
His mother told him “someday you will be a man
And you will be the leader of a big old band
Many people coming from miles around
To hear you play your music when the sun go down
Maybe someday your name will be in lights
Saying “Johnny B. Goode tonight”
Go go
Go Johnny go
Go go go Johnny go
Go go go Johnny go
Go go go Johnny go
Go
Johnny B. Goode

Komen en gaan

Eén van de nare zaken aan ouder worden is dat je om de vijf voet naar een begrafenis zou moeten gaan. Maar we gaan dat dus zolang we leven niet doen, omdat we ons nog een eeuwigheid zullen moeten bezig houden met de dood, dus mijn innige deelneming, maar verder gaan we vooral het leven vieren. En de dag dat ik naar mijn eigen begrafenis “ga” moeten jullie ook niet komen.

Wat ik dus wel doe is regelmatig op de uitvaartwebsites gaan kijken wie overleden is, en af en toe kom ik daar dan een bekende tegen, zoals een schoolkameraad of een vroegere buur. Vaak zijn die dan veel te jong overleden. En dat doet me dan altijd wel iets, alsof samen met je kennissen ook een deel van je eigen verleden verdwijnt.

Veel blijven er niet over, maar af en toe duikt er wel iemand uit dat verleden ook weer op. Mensen komen en gaan immers, toch in mijn ervaringen, en dat is goed zo. Niet dat ik mij niet hecht aan iemand, maar ik ben ook niet meteen iemand die zich daar dan aan vastklampt. In tijden dat liefde heel tijdelijk is, is dat ook zo met vriendschap, en elke nieuwe ontmoeting beschouw ik als een opportuniteit om een heel nieuwe wereld te ontdekken: de wereld van de andere. Mensen verlaten je soms een tijdje, nemen afstand, maar opeens gebeurt er dan weer iets, waardoor je elkaar terug tegenkomt of weer gaat opzoeken.

Komen en gaan, het zit overal in, kijk maar naar de natuur. Het is dus letterlijk en figuurlijk de natuurlijkste zaak ter wereld. Niet direct voorgoed, dat ze daar nog maar een hele tijd mee wachten, maar al de rest accepteer en aanvaard ik.

Komen en gaan

We komen en we gaan en onderweg begroeten we de meisjes
We praten, eten, slapen, nemen afscheid met een traan. We komen en we gaan

We komen en we gaan en onderweg begroeten we de mannen
We kreten, liegen, bidden, nemen afscheid met een slok. We komen en we gaan

We komen en we gaan en onderweg begroeten we de kinderen
We spelen, lachen, dansen, nemen afscheid met een lange neus. We komen en we gaan

We komen en we gaan en onderweg begroeten we de bomen
We schuilen, zitten, zagen, nemen afscheid zonder spijt. We komen en we gaan

We komen en we gaan en onderweg begroeten we de flessen
We nippen, drinken, zuipen, nemen afscheid met de hik. We komen en we gaan

We komen en we gaan en onderweg begroeten we de dieren
We aaien, eten, schieten, nemen afscheid zonder blik of blos. We komen en we gaan

We komen en we gaan en onderweg begroeten we de wolken
We knielen, bidden, hopen, nemen afscheid met een lied. We komen en we gaan

We komen en we gaan en onderweg begroeten we de ziektes
We kermen, janken, sterven zonder vragen, zonder weten. We komen en we gaan

Herman Van Veen