BOEK: Tuinieren voor de geest

Waarom tuinieren goed is voor de ziel

Met je blote handen in de tuin wroeten, doet verrassend goed. We worden er gezonder en blijer van. Het helpt ons ook nog eens op verrassende manieren enkele stapjes dichter naar een betere en mooiere wereld.

 Celine Poppe

 

Ik woon in een straat die Tuinwijk heet. Dat vind ik best een prettig klinkend adres. Het is een sociale woonwijk uit de jaren 60, rijhuizen met een voor- en achtertuin en voetpaadjes tussen de tuinen in, wellicht zo ontworpen vanuit het idee dat groen heilzaam is voor de leefkwaliteit. Maar de jongste jaren verdwijnen almaar meer voortuintjes onder grind of grijze beton­tegels. Omdat de eigenaars oudere mensen zijn die de zorg voor hun tuin niet meer aankunnen, of gewoon opzien tegen het onderhoud, of hun voortuin als parkeerplaats willen gebruiken. Dat is hun volste recht, maar de straat wordt er niet kleur­rijker op en doet haar naam steeds minder eer aan.

Bovendien hadden de architecten van tuinwijken zoals die waar ik woon gelijk: groen, tuinen en tuinieren zijn goed voor ons, niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Daarover schreef de Britse psychiater en psychotherapeut Sue Stuart-Smith een bevlogen boek, Tuinieren voor de geest. Haar theorie komt, heel kort door de bocht, hierop neer: een tuin is een beschermde plek waar je je eigen gedachten kunt horen, en doordat je kunt opgaan in het werken met je handen, ontstaat de innerlijke ruimte om je emoties te ordenen. Dat verbetert je stemming en vermindert je stress.

Stuart-Smith raakte geïnteresseerd in therapeutisch tuinieren door haar opa, een zwaar getraumatiseerde veteraan uit de Eerste Wereldoorlog die zijn mentale evenwicht terugvond dankzij een opleiding tot hovenier. Zelfs aan het westelijk front waren er moes- en bloementuintjes. Soldaten hadden nood aan een stukje beschaving en gebruikten hun bajonet als tuingereedschap. Zaaien is bij uitstek een gebaar van hoop voor de toekomst, en hoop was broodnodig op een plek waar je leven elk moment voorbij kon zijn.

Zaaien is bij uitstek een gebaar van hoop voor de toekomst

Tuintherapie bewijst zijn nut bij mensen die lijden aan een depressie, of die te kampen hebben met een verslaving of posttraumatische stress, en het helpt ook gedetineerden een gevoel van eigenwaarde terug te vinden. Zorgen voor iets geeft positieve vibes, en het is ook handig dat een ­relatie opbouwen met een plant minder lastig is dan met een mens: ze zijn weinig van zeggen en spreken ook niet tegen. Als een plant dankzij jouw zorgen prachtig in bloei staat of een mooie oogst oplevert, is dat iets om trots op te zijn, het geeft een boost aan je zelfvertrouwen. Dat helpt om opnieuw de stap te kunnen zetten naar andere mensen. Stuart-Smith geeft daar tal­loze voorbeelden van.

Geestelijke energie

Liefde voor tuinen is oeroud en universeel. Ze voldoen aan onze behoefte aan veiligheid, geborgenheid en vrijheid. Dat is evolutionair bepaald: onze hersenen zijn ­geëvolueerd in de natuur, want we hebben 350.000 generaties lang in de nabijheid van de natuur geleefd. We wonen pas sinds pakweg zes generaties in steden en daar zijn onze hersenen eigenlijk slecht voor toegerust. Het lawaai, de drukte, steen, glas en beton vormen een zware belasting voor ons brein. In steden lijdt twintig procent meer mensen aan angsten en veertig procent meer aan depressies dan op het platteland. Nochtans hebben we niet heel veel tijd in de natuur nodig om nieuwe geestelijke energie op te doen en ons concentratievermogen op te krikken: na enkele minuten al dalen onze hartslag en bloeddruk, na twintig à dertig minuten daalt het stress­hormoon cortisol. Groene steden zijn ­betere steden, dat idee wint veld.

Voedselwoestijn

In sommige steden groeit dat idee van onderuit. In het oude Engelse industriestadje Todmorden, dat door de implosie van de textielindustrie geplaagd werd door werkloosheid, leegstand en verloedering, begonnen vrijwilligers op allerlei plekken kruiden, groenten en fruit te zaaien – vrij te plukken door iedereen. Een radicaal experiment dat verstrekkende gevolgen had: door samen te tuinieren groeide de verbondenheid in het stadje van 15.000 inwoners, er was minder eenzaamheid, asociaal gedrag en vandalisme, er ontstond een bloeiende markt en er kwamen meer cafés en restaurantjes.

Als een plant dankzij jouw zorgen prachtig in bloei staat of een mooie oogst oplevert, is dat iets om trots op te zijn, het geeft een boost aan je zelfvertrouwen

Incredible Edible, zoals het project heet, vindt internationaal navolging. Tuinieren kan dus een maatschappelijke beweging zijn. Kunstenaar en tuinactivist Ron Finley beschouwt zichzelf als een ‘gangsta gardener’. Hij woont in South Central Los Angeles, een zwarte achterstandswijk en een van de grootste voedselwoestijnen van de Verenigde Staten. Fastfood en drank zijn er overal te krijgen, vers voedsel is er amper te vinden. Er zijn straatbendes en schietpartijen, maar obesitas maakt de meeste slachtoffers volgens Finley. Hij raakte de toestand zo beu dat hij op een braakliggende strook land naast zijn huis groenten begon te verbouwen en de oogst deelde. Toen hij van de gemeente het bevel kreeg de grond te ontruimen, startte hij een petitie. Met succes. De LA Times schreef erover, de gemeente ging overstag. Finley leidt nu een project dat mensen helpt om op braakliggende gronden aan stadslandbouw te doen. Want je eigen verse groenten ver­bouwen is een recht.

Uurwerk

Wat tuintherapieën en stadslandbouwprojecten gemeen hebben, is dat ze duurzaam werken. Het is een manier om beschadigde mensen weer aansluiting te laten vinden bij de wereld, maar ook om ons verloren contact met de natuur te herstellen. Duurzaam tuinieren is een kwestie van respect, een samenspel van geven en nemen, je geeft zorg en aandacht en krijgt een geschenk terug van de natuur. Als dat respect er niet is en we enkel uit zijn op exploitatie, loopt het vroeg of laat mis.

Il faut cultiver notre jardin’, luidt de slotzin van Voltaires Candide. Voltaire, zelf een gepassioneerd tuinier, schreef dit boek na de aardbeving die Lissabon van de kaart veegde in 1755. De beving schudde een heel wereldbeeld door elkaar: het achttiende-eeuwse idee van het universum als een soepel lopend uurwerk. Candide was een satire op het blinde optimisme dat daaruit voortvloeide. Machines zitten in het hart van ons westerse denken. Vandaag beschouwen we onze hersenen ook vaak als een soort computer. De benarde toestand van onze planeet heeft met die verwarring tussen machines en de natuur te maken: we respecteren de natuur niet meer als levend systeem. Misschien is de tuin een veel betere metafoor voor het leven, stelt Stuart-Smith. Want de cellen waaruit de neurale netwerken in ons brein ontstaan, dendrieten, zijn boomachtige structuren, en bovendien beschikken we over een legertje andere cellen, de microglia, die snoeien en wieden om die netwerken gezond te houden. Het zijn de tuiniers van ons brein.

Tuinieren brengt ons in contact met de aarde, met het ontstaan van leven en hoe dat floreert, maar ook met de broosheid en vluchtigheid ervan. Wat als we elk dorp en elke stad als één grote tuinwijk zouden zien?

Tuinieren kan de wereld niet redden, maar het helpt ons op verrassende manieren een paar stapjes dichter naar een betere en mooiere omgeving, en we worden er gezonder en gelukkiger van. Het advies van Voltaire is dus zo gek nog niet: cultivons ­notre jardin.

BOEK: ‘Tuinieren voor de geest’ is verschenen bij De Bezige Bij.

Monet

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.