BOEK: Een smerig dier

“Op twee juni viel ik rond het middaguur in slaap achter het stuur van mijn auto en reed zonder te remmen in een muur van betonnen weginfrastructuur op de A35, enkele kilometers ten noorden van de Frans-Zwitserse grensovergang van Bazel. Ik vloog lang genoeg door de lucht om mij ervan bewust te worden dat ik door de lucht vloog en vond in die zweefvlucht een vreemd soort rust, omgeven door een gloed van geel licht, de felle zon die werd gefilterd door de dunne stof van de airbags. Deze rust werd verstoord toen de auto landde, enkele keren tussen beton links en beton rechts slingerde, en uiteindelijk met veel gekrijs rokend en lekkend tot stilstand kwam.

Maar het echte drama voltrok zich een maand later, toen ik vanuit een innig verdriet tegen een jonge perenboom trapte en mezelf op die manier een gebroken middenvoetsbeentje bezorgde. Het gevolg was dat ik gedurende vijf weken maar op één been kon rekenen en geblokkeerd zat in het huis van mijn moeder, die ik in lange tijd niet meer had gezien. Het leven was dus slimmer gebleken, en had me aan de kant gezet.”

Met ongeziene openheid schrijft Paul Baeten over eenzaamheid, depressie en angsten. Een smerig dier is een verhelderende getuigenis en een bondgenoot voor iedereen die soms denkt helemaal alleen in de wereld te zijn.

Eén op vier Belgen krijgt vroeg of laat af te rekenen met psychische problemen. Jammer genoeg gaat dit thema nog vaak gepaard met stigmatisering, schaamte en een gebrek aan kennis. In de nieuwe Te Gek!? Novelle, Een smerig dier, schrijft Paul Baeten met ongeziene openheid over eenzaamheid, depressie en angsten. Dit boek is een verhelderende getuigenis en een bondgenoot voor iedereen die soms denkt helemaal alleen in de wereld te zijn. Lees hier een fragment.

[…]
Dag An,
Ik liep de trappen af naar de kelder en elf treden en evenveel seconden lang wist ik: ik heb een leren ceintuur die ongetwijfeld rond mijn nek past, die hang ik aan een leidingbuis en daarmee is het eindelijk gedaan. Ik besloot dat het hier zou eindigen en die beslissing bracht een gelukzalige rust met zich mee. Ik hield mijn adem in, duwde mijn tong tegen mijn verhemelte om alvast te proeven van de verstikking die me zou verlossen. Zo zou het gaan, daarna zou alles weg zijn. Nooit meer pijn, nooit meer zorgen, nooit meer verdriet.

Die elf seconden waren genoeg om een flits van de duisternis in haar zwartste gedaante te zien en te beseffen dat het nog niet mijn tijd was.

Elk leven is een wereld en ik had nog niet alle landen bezocht. Er moest nog veel gebeuren. Niet nu meteen, maar later wel. Er moest gelachen worden, vluchten gemist en vuur gestookt op kille avonden. Het moest nog ontelbare keren donderdag zijn en er moest nog heel vaak traag gekust worden in de lange warme uren tussen juni en september.

Ooit zou ook dit maar een herinnering zijn. Misschien over een jaar, misschien overmorgen. Maar nu nog niet, nu was er enkel gekmakende pijn die zich niet liet afschrikken door relativering. Ik snakte naar troost van de liefde, maar juist die had ik weggejaagd.

Dus viel ik op bed neer en vluchtte in een diepe slaap.

Het is gewoon even mijn decennium niet, An. Maar straks begint er gelukkig een nieuw, en dat ga ik laten dansen. Alle rommel, alles wat overbodig is, gooi ik daarom weg. Ik zal dus nergens nog over stamelen of liegen. Ik zal je alles vertellen.

Om te beginnen wat ik als kind deed wanneer ik niet kon slapen. Ik stelde me voor dat ik op de achterbank van de auto lag en dat mijn vader reed en mijn moeder naast hem zat. En de zon ging onder en niemand sprak, maar de stilte was er een van rust. Op de radio las iemand de uitslagen van de voetbalcompetitie voor of speelde op zacht volume een liedje, dat alleen maar de omliggende stilte benadrukte. Een stilte waarop je kon bouwen. Een stilte waarin je kon schuilen. Een stilte waarin je kon gaan slapen met het idee dat morgen weer goed zou zijn.

Dertig jaar later lijkt het erop dat ik nog steeds jaag op dat gevoel. Een kort besef van welzijn, in het beste geval pas na de feiten. Dat je ’s avonds of de dag erna denkt: daar had ik het vast. Een paar uren rust in mijn hoofd. Het leven beleven in de eerste persoon, zonder mezelf bezig te zien en te horen. Emoties zonder pathetiek.

In zekere zin dus het leven beleven als een kind. Wat gek is, want als kind wilde ik niets anders dan zo snel mogelijk opgroeien. Niet dat ik nu weer een kind zou willen zijn. Maar het hoeft ook niet meer zo nodig sneller vooruit te gaan dan het vanzelf al gaat.
Een groot, schijnbaar uniek sentiment kan heel snel heel klein en beschamend worden als je het opschrijft.

Ik was niet meteen gewonnen voor je idee om dit per brief te doen zolang ik niet naar de praktijk kan komen. Ik vind het wat onwennig. Schreef al lang geen brieven meer. Ik dacht dat het lag aan de traagheid die er eigen aan is. Ik heb niet langer het geduld om ze te schrijven, jij niet de tijd om ze te lezen. Maar meer nog gaat het om de meedogenloosheid waarmee je kleine ideetjes, frustraties en groteske gevoelens tot hun ware grootte terugbrengt. Als ik een uur bij jou kom praten, dan is alles wat gezegd werd na dat uur ook weer verdampt. Dat is vaak geen slechte zaak. Maar een groot, schijnbaar uniek sentiment kan heel snel heel klein en beschamend worden als je het opschrijft. Woorden kunnen opsmukken, maar ook ridiculiseren en uitkleden. In mijn hoofd of mijn hart kan iets soms amper passen, alsof het eruit gaat barsten, en als het eenmaal neergeschreven staat, is het ook dat maar. Je kunt alles proberen te benoemen – hoop, geluk, verdriet, aantrekking – maar op dat moment kap je de kop en de poten er ook af. We mogen slechts kleine verwachtingen koesteren van zesentwintig letters.

Ik ben moe van al het slapen.

Morgen schrijf ik je over wat er vandaag gebeurde. K.
[…]

Paul Baeten (1981) woont in Borgosesia (Noord-Italië) en Leuven. Zijn debuutroman, Nemen wij dan samen afscheid van de liefde, verscheen in 2008 bij De Bezige Bij. Later volgden Kentucky, mijn land (2009), Onder vrienden (2011) en Straus Park (2013). In 2015 verscheen bij Hollands Diep Wanderland. Samen met Tom Lenaerts schreef hij twee seizoenen van de tv-reeks Over water.

“Depressie is tegen zichzelf gerichte agressie”, dat is de psychoanalytische definitie van depressie. Ik noem het smerige dier “mijn zwarte hond”.

Mijn zwarte hond

Als er ’s morgens
Een zwarte hond aan je bed zit,
Kijk hem dan recht in de ogen,
En praat er tegen.

Over je angsten,
Je twijfels,
Je woede en verdriet.
Negeer hem niet,
Want daar kan dat beest niet tegen,
Dan bespringt hij je
En heeft hij je binnen de kortste keren
Verslonden!

Micheline Baetens – 9 maart 2010

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.