We zijn verleerd naar ons lichaam te luisteren

We zijn verleerd naar ons lichaam te luisteren

Brainwash – Paul Verhaeghe

Goed in je vel zitten vind ik een prachtige omschrijving voor een gezonde combinatie tussen lichaam en geest – eigenlijk tussen voelen en denken. Dat heb je voor een flink stuk te danken aan de interactie met je ouders, maar de uitbouw van je identiteit en de daarin besloten afstemming op je lichaam gebeurt natuurlijk ook buiten het gezin. Toch zien we dat het lichaam in onze moderne maatschappij steeds vaker te veel onder druk wordt gezet, met grote gevolgen voor je welzijn.

Heel vroeg in de ontwikkeling komen er andere figuren naar wie je als kind opkijkt, en van wie je beelden en woorden overneemt. Dat hoeven zelfs geen figuren van vlees en bloed te zijn: je neemt beelden en woorden over die de ruimere buitenwereld je aanreikt of opdringt. Daar is ook de digitale wereld bijgekomen, die je voortdurend aan een beeldenbombardement blootstelt. Overal zijn er beeldschermen en zelfs als je niet bewust kijkt (misschien vooral als je niet bewust kijkt), neem je de voorgehouden idealen over.

Zo ga je van identificatie binnen het gezin naar identificatie met het cultureel dominante vertoog. Het proces van beïnvloeding blijft hetzelfde, met dezelfde vragen zoals bij de eerste identiteitsontwikkelingen. Sluiten de voorgehouden spiegelingen min of meer aan bij wat ik zelf voel? Gaat het over verwachtingen die aansluiten bij mijn mogelijkheden? In welke mate laten de beelden keuzes toe? Als het antwoord op die vragen negatief is, dan spreken we over vervreemding. Dan nemen we ideeën en beelden over die ons ziek maken. Het gevolg is dat we niet langer afgestemd zijn op wat er binnen in ons en in ons lichaam aan het werk is.

Als begrip is vervreemding, samen met indoctrinatie, bekend vanuit een kritiek op totalitaire politieke systemen, van Nazi-Duitsland tot de DDR. We beseffen te weinig hoe een economische ideologie onze identiteit op een sluipende manier overgenomen heeft, ogenschijnlijk onafhankelijk van een ideologie. De meest doortrapte list bij deze onzichtbare vervreemding is de uitnodiging van de reclame- en mediawereld om onze ‘individualiteit’ belangrijk te maken. In de praktijk betekent dit dat we met zijn allen dezelfde, grotendeels overbodige spullen kopen, dezelfde rommel eten, aan dezelfde vormen van ontspanning doen, collectief steeds harder werken, gevolgd door hetzelfde soort vakantie die we vervolgens op hetzelfde soort Facebookpagina etaleren. En allemaal denken we uniek te zijn. Wij zijn, naar een mooie uitdrukking van de Britse psychoanalyticus Adam Philipps, onbewust gehoorzaam:

‘Als we onbewust gehoorzaam zijn, vinden we onszelf niet gehoorzaam, maar realistisch, normaal of rationeel. We leven alsof we weten hoe het leven echt is.’
Als we ons niet goed voelen bij het leven dat we leiden – voor zover we dat gevoel al toelaten – schrijven we dat toe aan een persoonlijk falen. We moeten nog méér ons best doen, nog harder werken, nog bétere keuzes maken. Tegenwoordig moet alles steeds sneller, ook onze manier van denken, consumeren, werken, ontspannen zoals blijkt uit eigentijdse uitdrukkingen: quality time, short ski, fast food, speed dating, powernaps. Slaap dient om onze batterijen op te laden, niet om uit te rusten. Work hard, play hard.

De oorzaak van vervreemding en versnelling ligt in het alomtegenwoordig concurrentieprincipe gebaseerd op het gevoel constant geëvalueerd te worden. Nosedive, een aflevering van de Britse tv-reeks Black Mirror, toont een wereld die absurd lijkt, maar eigenlijk best dichtbij is. Via onze smartphone beoordelen we elkaar met één klik (van een tot vijf sterren). Je cijfer is voor iedereen zichtbaar en bepaalt je leven; van het soort auto dat je kan huren tot de kwaliteit van de medische zorg die je ontvangt. Alles hangt af van het aantal sterren toegekend door anderen. Lacie is een 4.2 maar wil een 4.5 worden, want dat is de toegangsvoorwaarde voor haar droomappartement. Ze huurt een dure coach in, zoekt de ‘juiste’ vriendinnen op en mijdt de marginale, wil het perfecte kapsel, oefent het verwachte taalgebruik. Ze rent van hot naar her. Het resultaat is een totale ondergang – ze eindigt met score nul.

Fictie? Wie Uber-taxi’s gebruikt, kan de chauffeur een digitale beoordeling geven en krijgt er zelf ook een. De resultaten daarvan zijn publiek zichtbaar en hebben effecten: een passagier met een 4,8 rating heeft ‘recht’ op Uber VIP, met betere auto’s en chauffeurs met een hogere rating. Bij een hyperslechte rating raak je niet van de straat.
Met concurrentie is op zich niks verkeerd en competitie kan best leuk zijn. Het wordt een probleem als heel het leven in het teken van competitie komt te staan. Het idee dat concurrentie alleen maar ons professioneel leven betreft en we thuis lekker kunnen relaxen, klopt niet langer. Ik ben een product dat ik zelf aan de man moet brengen, in voortdurende competitie met andere producten in een omgeving die één grote markt geworden is. Omwille van die concurrentie moet ik mezelf aanprijzen en oppimpen, want enkel zichtbaar succes telt mee, met als typische illustratie het aantal ‘likes’ en ‘vrienden’ op je Facebook en Instagram, het aantal volgers op je Twitter en het aantal contacten op LinkedIn, het aantal dates op Tinder.

De verplichting om steeds meer te voldoen aan het verwachte ideaal maakt dat we steeds harder ons best doen. Tot het helemaal mislukt. Burn-out en depressie zijn de algemene noemers voor een instorting die volgt op een vaak langdurige periode van inspanning, naast alle andere medisch-psychologische gevolgen van stress.

Als het de verkeerde richting uitgaat, laat mijn lijf van zich horen. ‘Mijn lichaam heeft niet dezelfde ideeën als ik’ – de uitdrukking komt van de Franse cultuurfilosoof Roland Barthes. Als ik mij identificeer met – beter: als ik mij vervreemd aan – beelden en idealen die ingaan tegen mijn lichaam, dan is mijn buik de eerste lichaamsregio die protest aantekent, lang voordat ik bewust besef wat er aan de hand is. Onze (onder)buik is de plaats waar affecten voelbaar worden, zoals blijkt uit de wijsheid van onze taal. ‘Het ligt zwaar op mijn maag’; ‘ik doe het in mijn broek van angst’; ‘er ligt iets op mijn lever’. Wanneer ik daar geen gehoor aan geef en ondanks de protesten verder ga op de ingeslagen weg, worden de signalen dwingender en verschuift protest naar ongemak en pijn en vervolgens naar ziekte.

Mijn lijf tekent protest aan. Geef ik daar gehoor aan? Bij gebrek aan een goede afstemming op mijn lichaam doe ik dat niet. Het kan nog erger: vanuit het concurrentieprincipe kan ik een stap verdergaan en de pijn als deel van het ‘offer’ beschouwen dat ik moet brengen om een ideale vrouw of man te worden, als een te betalen prijs voor succes. Een dergelijke interpretatie van pijn illustreert hoe vervreemding erin slaagt ons een voordehandliggende betekenis van signalen te doen negeren of zelfs om te keren. Pijn lezen als een aanmoediging om nog harder door te gaan op de ingeslagen weg – veel gekker hoeft het niet te worden.

De grappige vervreemdingseffecten op ons uiterlijk, van gescheurde broeken tot gekke kapsels, zijn klein bier in vergelijking met de dodelijke vervreemdingseffecten op de binnenkant van ons lijf. Onderzoek legt steeds duidelijker het verband tussen langdurige stress en ernstige ziektes. Ondanks onze langere levensduur en betere gezondheid zien we dat mensen op jongere leeftijd ziektes en stoornissen ontwikkelen waarvoor ogenschijnlijk een duidelijke verklaring ontbreekt. We vinden geen oorzaak omdat we nog te vaak exclusief medisch-biologisch redeneren en omdat we alles netjes in hokjes willen opdelen en benoemen, zelfs als we niet begrijpen wat er aan de hand is. Misschien zelfs vooral wanneer we het niet begrijpen; hokjes scheppen een illusie van veiligheid. Naast de stijging van het aantal mensen dat aan onverklaarbare pijn lijdt, zien we een toename van obesitas, diabetes en auto-immuunziektes. Op mentaal vlak zetten depressie en angst de toon, samen met een veralgemeende ADHD-drukte (we stappen, spreken, eten een flink stuk sneller dan een generatie terug) die heel plots kan omslaan in een totaal energieverlies van burn-out of het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS).

Deze ziektes ontstaan nooit plots, ze hebben een jarenlange voorgeschiedenis waarbij ons lichaam al heel wat signalen gaf dat we verkeerde ‘keuzes’ aan het maken zijn, als individu en als gemeenschap. Veel mensen voelen de signalen niet, ook al omdat ze die met de hulp van pillen, lijntjes coke en alcohol het zwijgen opleggen. Maar het lichaam blijft van zich laten horen, het buikgevoel wordt pijn en pijn wordt ziekte, tot we luisteren of helemaal verdwijnen (meestal in een ziekenhuisbed).

Doen alsof moet!

Deze museumdirecteur rekent af met het idee dat kunst ook maar een hobby is

Brainwash – Ann Demeester

Als klein, zesjarig meisje had ik in de eerste maanden van groep drie grote moeite met leren lezen. In het Belgische basisonderwijs leerden we dat destijd door middel van losse woordjes uit een sigarendoosje. Dat leerproces was een enorme bron van frustratie. Het voelde als een combi van hinkstapsprong en hordelopen, waarbij ik tussen elke horde weer tegen de vlakte sloeg. Toen ik het eenmaal onder knie had, ging ik echter in vliegende volle vaart, als een soort razende Roeland door de lokale bibliotheek. Het is een beetje zoals fietsen zonder zijwieltjes: plotseling vind je je evenwicht, zonder dat je weet hoe dat komt. Ik was niet te stoppen noch te stuiten. Het lezen van fictie werd een tweede manier van zijn. Romans, novelles, verhalen, mythes en legendes – het lezen ervan werd een primaire levensbehoefte. Een manier om de geest aan de gang te houden. Brandstof voor het denken.

Ondanks die passie voor lezen heb ik tot aan het einde van mijn studietijd gedacht dat lezen en fictie – de verbeelding, het inleving en de fantasie die daarbij hoort, aan de kant van de schrijver maar ook van de lezer – een vorm van escapisme is, ontkenning van de werkelijkheid.

Fictie was goed en weldadig, maar tegenovergesteld aan kennis, leren, wetenschap. Op de middelbare school had ik 8 uur wiskunde per week, 3 uur natuurkunde, 2 uur scheikunde en 2 uur beschrijvende meetkunde. Dát was kennis. Fictie was een verleidelijke wereld van betekenisvolle verzinselen die naast de tastbare werkelijkheid bestond.
Dat heb ik gedacht tot ik verliefd werd – zwaar platonisch, maar niet minder intens – op een in alle opzichten zeer knappe Italiaanse milieu-ingenieur die stamde uit een familie van exacte wetenschappers. Michele, want zo heette hij, had een stokpaardje. Tijdens bergwandelingen in Noorwegen waar wij studeerden, had hij het altijd weer over het feit dat wiskunde een parallel betekenissysteem was. Een ingenieuze constructie van het menselijk brein dat geen weergave was van de werkelijkheid, maar een constructie, een rationeel spel. Dat was een eye-opener. Wiskunde als een vorm van fictie.

Hoe dat stokpaardje van Michele eigenlijk een hele levensopvatting was, werd pas jaren later duidelijk. Toen Michele al lang uit het oog en het hart was verdwenen (en met een ander was getrouwd). Ik werkte toen al in de museumwereld en was geïnteresseerd in de band tussen beeldende kunst en esoterie, het occulte, ofwel de verborgen aspecten van de werkelijkheid. Via die omweg kwam ik terecht bij het werk van de 19e-eeuwse Duitse filosoof Hans Vaihinger. Hij werd bewonderd door volgelingen van het controversiële medium en occultist Madame Blavastky, maar was zelf geen zweefteef. Integendeel. Hij was theoloog en filosoof. Kantiaan. Ik raakte in de ban van zijn magnus opus, het vuistdikke Die Filosofie des Als Ob, de filosofie van het alsof, uit 1911. Geschreven toen hij geleidelijk aan blind werd.

Wat is de centrale gedachte in dit boek? Vaihinger beweert in essentie dat ficties – het doen alsof – noodzakelIjk zijn voor het leven. Fictie is niet alleen een instrument in de kunst en literatuur, maar het is essentieel voor het functioneren van het menselijke brein en voor het menselijk welbevinden. Vaihinger heeft het over nuttige ficties die gebruikswaarde hebben, of ons denken verder brengen. Wat nuttige ficties precies zijn, laten deze twee voorbeelden zien:

Een begrip als ‘vrijheid’ bestaat niet. Als mensen zijn wij gebonden, aan wetten en regels, maar ook aan onze lichamelijke beperkingen en de condities van het leven op aarde. Maar we hebben een fictie als vrijheid nodig voor het denken over de menselijke wil, het gerechtelijke systeem, moraal en onze rol in de wereld.

Papieren geld is nog zo’n fictie. An sich heeft het geen waarde. Het is geen goud of zilver, maar gewoon papier. We hebben met elkaar afgesproken dat het wel waarde heeft. Zonder die afspraak, die fictie, zou de huidige economie niet kunnen bestaan.
Vaihinger maakt onderscheid tussen ficties en hypotheses. Het begrip hypothese kennen we uit de wetenschap. We nemen iets aan en proberen dan te bewijzen dat het daadwerkelijk zo is. Bijvoorbeeld: de aarde is rond. Of: de zwaartekracht bepaalt hoe onze lichamen zich door de ruimte bewegen. Die aanname proberen we vervolgens te bewijzen. Als we een hypothese niet kunnen bewijzen of als ze ontkracht wordt, heeft ze geen waarde meer. Hypotheses kun je testen, als ze niet kloppen dan zijn ze onhoudbaar en nutteloos. Dat is niet zo met ficties, ficties blijven hun betekenis behouden ook al kunnen we het waarheidsgehalte ervan niet bewijzen. Ze zijn methodes om vooruit te komen in het denken, stappen te zetten, verder te denken dan dat wat je onmiddellijk ziet of aanneemt.

Nog een voorbeeld, en daarmee komt Michele weer in beeld: het principe van de oneindigheid. Niemand kan bewijzen dat de oneindigheid bestaat en toch hebben we een begrip – de fictie – van de oneindigheid nodig om verder te komen in de wiskunde. Wiskundigen hebben deze fictie nodig om bepaalde vraagstukken op te lossen.Een voorbeeld van een heel andere orde: een fictie die niet voorkomt in de wetenschap maar wel in vele geloofssystemen: het leven na de dood, het hiernamaals. Vaihinger zegt: als we met z’n allen geloven of doen alsof er zoiets is als het hiernamaals, dan ontlenen we daar troost aan, dan geeft dat ons leven perspectief. Het is niet van belang of het werkelijk zo is, feit is dat het ons leven in de positieve zin sturing geeft.

Als je Vaihingers’ theorie over ficties aanneemt, dan ga je ook mee in het centrale vraagstuk van zijn boek over het alsof: is het denken in de eerste plaats wel uit op overeenstemming met de werkelijkheid? Of zoals Ger Groot het zegt: ‘Staan, met andere woorden, onze ideeën wel in een één-op-één relatie met de wereld?’

Het antwoord op die vraag is nee. Volgens Vaihinger is de zoektocht naar dé objectieve waarheid nutteloos en zelfs onmogelijk. De hamvraag is niet: is het waar? Maar: wat is het praktische nut van het doen alsof iets waar is? Werkt het? Word je er slimmer of gelukkiger van? Dan is het goed.

Je zou kunnen zeggen: zo’n opvatting is gevaarlijk de dag van vandaag. In een wereld waarin we misleid worden door alternative facts van Trump and truth isn’t truth van Trumps persoonlijke advocaat Rudi Giuliani, kunnen de ideeën van Vaihinger gevaarlijk klinken. Alsof er geen onderscheid is tussen feiten en verzinsels, tussen waarheid en lariekoek. Het grote verschil is dat Vaihinger het heeft over gemeenschappelijke ficties – afspraken die we met elkaar maken – zie het voorbeeld van geld. Trump en Giuliani hebben hun eigen persoonlijke ficties die ze proberen – uit machtwellust – op te leggen aan anderen. Dat is manipulatie, geen fictie.

Persoonlijk vond ik het altijd frustrerend dat er een groot verschil zit tussen de werkelijkheidsbeleving van alfa’s (geesteswetenschappen) en beta’s (exacte wetenschappen): wetenschap is waardevol en echt, kunst is fantasie en een hobby, volgens sommige mensen en ministers. Vaihinger zet dat op losse schroeven. Fictie – het doen alsof – is niet iets leuks voor in de kunst, maar is onmisbaar: het is de crux van ons denken en voelen als mens.

De grote bevrijding die Vaihinger voor mij bracht is dat ficties dus niks te maken hebben met irrationaliteit, wilde fantasie of woeste verbeelding, maar dat ze efficiënte instrumenten of methodes zijn die ons kennis of geluk brengen. Ficties zijn collectieve aannames of theorieën waarvan we eigenlijk weten dat ze niet honderd procent juist of correct zijn. Die ficties zijn echter niet misleidend. Ze kunnen mooi, suggestief, maar ook nuttig zijn. Waarom nuttig? Omdat ze ons helpen om te gaan met wat anders de onbeheersbare complexiteit van de wereld zou zijn. Zonder ficties worden we overmand door de ingewikkeldheid van de dingen.
Fictie is dus onvermijdelijk in de existentiële zin, het is de essentie van alle religieuze systemen, maar ook het basisprincipe van alle vormen van kennisverwerving in de humane wetenschappen en in de harde wetenschappen. Ficties zijn niet alleen toelaatbaar, maar essentieel. Fictie mág niet (als hobby), het móet. Zonder fictie geen denken, zonder fictie geen geluk.

Tegenslag is nodig

“Volgens cultureel antropoloog Anton Blok kun je intelligent zijn, rijk zijn, tot een bevoorrechte klasse behoren, talent hebben, over eruditie beschikken en een hoge opleiding hebben gehad, dat is nog niet genoeg om voor echt vernieuwende ideeën in wetenschap of kunst te zorgen. Wat er aan ontbreekt zijn de zegeningen van de tegenslag. Zelfs de zonderlinge enkeling komt tot niets bijzonders wanneer hij niet met een of meer geduchte tegenslagen te maken heeft.”

Volledig mee eens. Als het te gemakkelijk gaat, als er geen tegenslag en mislukking is, ga je niet verder zoeken, en kom je dus ook niets nieuws en anders tegen.

https://www.canvas.be/video/genre/educatief-spiritueel/peter-de-graef-word-je-sterker-van-tegenslag

“Geheel zichzelf zijn mag men slechts, zolang men alleen is; wie dus niet van de eenzaamheid houdt, houdt ook niet van de vrijheid, want slechts wanneer men alleen is, is men vrij.” Jean-Paul Sartre, Le diable et le bon Dieu, 1951.

Ook weer waar! De grootste vrijheid heb je als je alleen leeft, en wie kiest voor een relatie dient daar rekening mee te houden, en dit te aanvaarden. Jammer misschien, maar men kan nu eenmaal niet alles hebben in het leven.

Wie vrij wil zijn, moet ook alleen kunnen zijn. Een gedicht dat daar enigszins bij past:

Soms

Soms, als een soort vleugelslag,
kan je me nog wel eens verschijnen.

Als een rimpeltje over ’t water,
een vlindertje door het lover.

Prachtig, maar zo klein,
dat je wel weer snel verdwenen moet zijn.

Jij in jouw hoekje,
en ik in ’t mijn.

Jacob Groot

Goede mannen

Arnon Grunberg: “Falen als vader is het ergste wat je als man kan overkomen”
Schrijver Arnon Grunberg (47) onderzoekt de tragiek van het vaderschap in nieuwe roman ‘Goede mannen’
De Morgen – 21-09-2018 – Stef Selfslagh

Zopas verscheen de nieuwe, wondermooie roman van Arnon Grunberg: Goede mannen. Tijdens een tête-à-tête in Brussel vroegen we ons samen af wat je als man zoal moet doen om goed te zijn. En er is geruststellend nieuws. “Je mag er best monsterlijke fantasieën op na houden.”
Wie is Arnon Grunberg?

Nederlands schrijver en columnist / geboren op 22 februari 1971 in Amsterdam / debuteerde op 23-jarige leeftijd met Blauwe maandagen / schreef o.m. ook Figuranten, Fantoompijn, De asielzoeker en Tirza / werkt als columnist voor o.m. de Volkskrant, NRC Handelsblad en Humo/ tweevoudig winnaar van zowel de AKO Literatuurprijs als de Gouden Uil / woont al 23 jaar in New York / heeft een petekind, Mayu
Ik heb met Arnon Grunberg afgesproken in Passa Porta: half boekenwinkel, half schrijversresidentie en daarom gemakshalve literatuurhuis genoemd. In een ideale wereld is élke boekenwinkel een literatuurhuis, bedenk ik op weg naar de interviewruimte op de tweede verdieping. Alleen literatuurhuizen – ik stel me fluwelen boekhandeltjes in neoclassisistische stijl voor, met klanten die gedempte ­conversaties voeren over de wenselijkheid van humor in de holocaustliteratuur – kunnen het nog halen van het ­zielloze, maar o zo gerieflijke bol.com.

Ooit zei Arnon Grunberg tegen een interviewer van De Groene Amsterdammer: “Jij hebt als journalist veel macht. Jou een onveilig gevoel geven, is in mijn ogen niets meer dan een preventieve actie om op gelijke voet te beginnen.” Maar vandaag heeft Grunberg geen zin in pre-emptive ­strikes. Hij schenkt me een warme glimlach, informeert of ik suiker bij mijn koffie wil en heeft niets dan begrip voor het feit dat ik niet één, maar twee bandopnemers in stelling breng: “Ook in mij schuilt er een controlefreak.”

Het journalistieke voorwendsel voor onze ontmoeting is het boek dat voor ons ligt: Goede mannen, het prachtige relaas over het ontsporende leven van Geniek Janowski, een in Nederland geboren Pool, alsook ‘brandweerman, liefdevolle echtgenoot, vader van twee zonen en fatsoenlijk burger’. Geniek, die zelfs door zijn gezinsleden ‘de Pool’ wordt genoemd, wordt in Goede mannen ‘getuchtigd door het noodlot’: zijn 12-jarige zoon pleegt zelfmoord en in de nasleep van die gebeurtenis wordt hij genadeloos ­geconfronteerd met zijn eigen emotionele impotentie.

Terwijl de levensbeschouwelijke principes waaraan de Pool zich altijd vastklampte, afbrokkelen als overjarige Beemsterkaas, raakt hij steeds verder verwijderd van zijn vrouw, zijn nog levende zoon en zijn collega’s. Nemen in hun plaats de honneurs waar: een vrouw die gelooft in het rectaal inbrengen van troost, een vereenzaamde pony in wie de Pool even een substituut ziet voor zijn overleden jongen, een abt die hem het kloosterlijke kippenhok ter beschikking stelt om nader tot God te komen en een Oekraïense schone die het grauwe Minsk verlaat om hem bij te staan in zijn strijd tegen de wanhoop.

Denk nu vooral niet dat de 43ste Grunberg één lillende brok literaire slapstick is: Goede mannen is een vertederend, keeldichtschroeiend boek. Hoe de goede bedoelingen van de Pool keer op keer afketsen op de stolp die ooit over zijn hart werd geplaatst: het doet bij herhaling naar adem happen.

En – vooruit dan – naar de zakdoek grijpen.

“Er zijn ongetwijfeld mensen die enkel de humor in Goede mannen capteren”, zegt Arnon Grunberg. “Maar het moment waarop de Pool zich door de vrouw van een collega met een naaldhak laat penetreren, is niet enkel grappig. Die onderwerping komt voort uit zijn radeloosheid, zijn tomeloze pijn. Lezers die dat niet aanvoelen, hebben het boek wat mij betreft niet helemaal begrepen. Of dat aan hen dan wel aan mij ligt, is weer een andere zaak.” (glimlacht)

Ondanks ontroerende pogingen lukt het de Pool niet om een goede vader, een goede echtgenoot en een goede collega te zijn. Vindt u hem desondanks een goed man?

“Ik zou hem op basis van zijn intenties wel goed durven te noemen, ja. Zijn probleem is alleen dat hij emotioneel ­helemaal vastzit. Hij denkt dat goed zijn niet veel anders is dan verlangen naar het goede. En dat je minder goede verlangens gewoon het zwijgen kan opleggen. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Om te vermijden dat je als mens ­ontspoort, moet je ál je begeerten durven erkennen. Ook de donkere. Beseffen dat je obscure verlangens hebt, wil nog niet zeggen dat je ze ook wilt vervullen.”

In onze gedachten mogen we ons gedragen als een Weinstein-varken, zolang we dat in de echte wereld maar niet doen?
“Natuurlijk. In onze fantasieën – die overigens niet per se ­seksueel van aard hoeven te zijn – zijn we volledig vrij. Het verbaast me altijd dat mensen daar anders over denken. Een tijd geleden beweerde ik in mijn column voor de Volkskrant dat je in een fantasie ook vrouwen mag verkrachten en seks mag hebben met kinderen. Mensen werden wóédend toen ze dat lazen. Ik was zogezegd immoreel en zedenloos. Maar een maatschappij die je opdraagt om je fantasieën te ­onderdrukken, is een heel gevaarlijke maatschappij. Wanneer we niet mogen toegeven dat we allemaal een duistere kant hebben, zullen we die duistere kant veel moeilijker onder controle kunnen houden.”
De reacties op uw column geven aan hoe veeleisend we op moreel gebied voor elkaar geworden zijn. Zelfs in onze fantasieën moeten we ons gedragen.

“Precies. En de volgende stap is: het strafbaar maken van bepaalde gedachten. Het oprichten van een levensbeschouwelijk ministerie dat vastlegt wat we wel en niet mogen denken. We leven in een veel te moraliserende tijd. Voortdurend staan we klaar om alles en iedereen af te keuren. Maar in plaats van anderen altijd maar met onze meningen op te zadelen, zouden we beter eens naar hen luisteren. Het zal onze opinies gegarandeerd diffuser maken.”

De Pool is geen intellectueel. Zijn er volgens u meer goede mannen te vinden in niet-intellectuele kringen dan in intellectuele milieus?
“Goedheid heeft niks te maken met intellectuele ­capaciteiten. Maar ik denk wél dat rancuneuze loodgieters minder gevaarlijk zijn dan rancuneuze intellectuelen. Rancuneuze intellectuelen zijn beter in het manipuleren van mensen. Ze zijn vaak de wegbereiders van naargeestige politieke stromingen.”

De Pool is er trots op dat hij een brandweerman is. Scoren brandweermannen omwille van hun beroep hoger op de goede-mannenschaal dan – ik zeg maar wat – journalisten of schrijvers?
“Brandweermannen hebben ontegensprekelijk een zinvol beroep. Maar wat een schrijver of journalist doet, is ook nuttig. (denkt even na) Ach, zet de brandweermannen maar wat hoger op de goede-mannenschaal. Het zijn per slot van rekening redders. Al zou ik zelfs hen aanraden om hun heldhaftigheid te relativeren. Absolute goedheid bestaat niet.”

Dat bewijzen de brandweer­mannen in uw boek dan ook: tijdens hun gesprekken onder de douche ­lijken ze elkaar te willen overtreffen in xenofobie.
“Ze hebben een afkeer van vreemdelingen omdat ze bang zijn dat ze op een dag door hen vervangen gaan worden. Het idee dat ze inwisselbaar zijn, maakt hen nijdig. Dat geldt voor wel meer boze, blanke mannen.”

Is dát de oorzaak van de zogenaamde mannelijkheidscrisis: de schrik om als overbodig gekwalificeerd te worden?
(knikt) “Sommige mannen denken dat ze nog altijd krijgers moeten zijn. Maar dat klopt natuurlijk niet. Met fysieke kracht kan je nog wel een succesvol bokser of soldaat ­worden, maar in de meeste andere sectoren behoort het kweken van spierballen niet langer tot de jobvereisten. En zelfs in de bedrijfstakken waarin mannelijke power nog wél van pas komt, loert de concurrentie om de hoek: buitenlandse arbeidskrachten zijn goedkoper, robots zijn sneller. Het goede nieuws voor mannen is dat ze vandaag op heel veel verschillende manieren een man kunnen zijn. We ­hoeven niet langer allemaal eendimensionale alfawezens te zijn. Dat is in vergelijking met de jaren 50 toch een hele vooruitgang.”

De Pool laat nauwelijks in zijn ziel kijken. “Wij zijn de ouders van een jongen die pech had”, zegt hij na de zelfmoord van zijn zoon tegen de mevrouw van slacht­offerhulp. “Maar we hebben nog een andere jongen en we gaan ervan uit dat die jongen geen pech zal hebben. Toch fijn dat u bent gekomen.” Ook u liet ooit ­optekenen: “Ik kan moeilijk dingen delen’. Omdat u er het nut niet van inziet?
“Zoiets, ja. Als er een probleem is, zal ik het eerst zélf ­proberen op te lossen voor ik er met anderen over praat. Maar ik heb natuurlijk wel een uitlaatklep die de Pool níét heeft: het schrijven. Als mij ooit zou overkomen wat de Pool meemaakt, kan ik er altijd nog over schrijven. En iets ­kunnen creëren, kan in donkere dagen van onschatbare waarde zijn. Al ­scheppend kan je je gevoelens en gedachten ordenen.”

Op de laatste pagina’s van Goede mannen zoekt de Pool opnieuw verlossing bij God. Maar het wordt niet helemaal duidelijk of hij een religieuze reddingsboei vindt of niet.
“De Pool heeft een heel ambigue relatie met God. Wanneer op het einde van het boek de grond onder zijn voeten wegzakt, ziet hij maar één uitweg: de wereld van de mensen verlaten, teruggaan naar het klooster, naar de liefde die niet van deze wereld is. Maar tegelijkertijd ­constateert hij dat ook de mensen hem roepen: hij blijft hunkeren naar de liefde van zijn nieuwe vrouw, zijn ex en zijn jongste zoon.

“Die innerlijke tweestrijd vond ik belangrijk. Want volgens mij heb je toch altijd anderen nodig om geluk te kunnen ervaren. Er zijn ook kluizenaars die beweren dat ze gelukkig zijn, maar ik vrees toch dat ze hun eenzaamheid wat verheerlijken. In de film Sans toi ni loi van Agnès Varda zegt Mona, het solitaire hoofdpersonage: ‘Ik ben de mensen voorbij, ik heb ze niet meer nodig’. De ultieme vrijheid is voor haar: met niemand nog een band hebben. Als idee vind ik dat prachtig. Maar in de praktijk vriest Mona wel helemaal alleen dood.”

In Goede mannen heet de eenzaat van dienst Borys: de stille, vriendenloze en zich regelmatig in zijn eigen broek ­ontlastende oudste zoon van de Pool. Als hulpmiddeltje bij het leven krijgt hij van zijn vader een pony cadeau. Dat lijkt aanvankelijk een schot in de roos: Borys fluistert het dier allerlei verhalen in het oor en lijkt daar zielentroost uit te putten. Maar zelfs de immer luisterbereide pony kan niet verhinderen dat de jongen zich op een dag moegeleefd voor een trein gooit. Nadat de Pool zijn zoon ontredderd ‘van de rails heeft gekrabd’, wordt hij brutaal aangestaard door de onvermijdelijke schuldvraag: is hij voor Borys wel een goeie vader geweest?

“Falen als vader lijkt me het gruwelijkste wat je als man kan overkomen”, zegt Arnon Grunberg. “Falen als minnaar is ook pijnlijk, maar een mislukte vader zijn, is het ergste. Van een vrouw kan je scheiden, van een kind niet. Een getroebleerde vader-kindrelatie is voor beide partijen vaak een levenslange open wonde.”

U had met uw vader geen al te innige band. “Wie hij was, heb ik nooit echt geweten”, schreef u in Vrij Nederland. Vindt u dat uw vader gefaald heeft?
“Nee. Ik heb gewoon niet zo gek veel herinneringen aan hem. Hij was al 59 toen ik geboren werd. Ik heb niet zo lang met hem samengeleefd. En hij was ook heel afwezig. Mijn zus – die acht jaar ouder is dan ik – heeft hem nog als een geëngageerd vader gekend. Maar toen ík geboren werd, hield hij zich meestal afzijdig.”

Zoals de Pool zich afvraagt of hij wel een goeie vader is, vroeg u zich vroeger af of u wel een goeie zoon was. Aangezien uw ouders tijdens de Tweede Wereldoorlog zoveel naars hadden meegemaakt (vader Grunberg leefde ondergedoken, moeder Grunberg belandde in de hel van Auschwitz), had u het gevoel dat ú hen ­gelukkig moest maken, vertelt u in Moeder en Grunberg, de documentaire over uw moeder.
“Ik had al vroeg het gevoel dat de trauma’s van mijn ouders mij met een zekere verantwoordelijkheid opzadelden, ja. Mijn ouders verwachtten van mij dat ik uitblonk, vooral op intellectueel gebied. Goede cijfers behalen, stond op nummer één in mijn takenpakket. Meteen daarna kwam goed tennissen, maar daar was ik heel slecht in. (lacht) Op mijn 17de won mijn vrijheidsdrang het van mijn neiging om mijn ouders te pleasen: ik hield de school voor bekeken en werd schrijver. Weliswaar pas na mislukte pogingen om eerst acteur en daarna uitgever te worden.”

Bent u nooit met terugwerkende kracht boos geweest op uw ouders? Op uw moeder die haar huisgenoten ­weleens toebeet: “Zelfs in Auschwitz had ik het beter dan bij jullie”?
“Als puber ben ik héél erg boos geweest, vooral op mijn moeder. Maar met de jaren is de boosheid steeds kleiner en het begrip steeds groter geworden. Hoelang kan je boos blijven op je ouders? They fuck you up, dat is onvermijdelijk, maar tegelijkertijd geven ze je ook liefde. En de perfecte opvoeding bestaat niet. Alles goed en wel beschouwd hebben mijn ouders het nog niet zo slecht gedaan. En al die ­moeilijke momenten van vroeger, ach… Ik ben schrijver geworden. Alles is bruikbaar.” (glimlacht)

U hebt een petekind, Mayu, maar geen eigen kind. Heeft de complexiteit van de ouder-kindrelatie – die u zelf hebt ervaren – daar iets mee te maken?
“Deels wel, ja. Maar ik ben ook bang dat het vaderschap op gespannen voet zou staan met mijn schrijverschap. Ik ben wel een vader voor Mayu, maar er wordt niet van me ­verwacht dat ik me met zijn dagelijkse opvoeding bemoei. Als je zelf een kind maakt, ontstaat er een heel ander ­verwachtingspatroon.”

Uw twijfels omtrent het vaderschap zijn naar ­verluidt ook geworteld in uw hekel aan huiselijkheid. Wie heeft in uw hoofd het misverstand doen ­postvatten dat een kind opvoeden veronderstelt dat u uw huis niet meer uitkomt?
“Mijn vroegere vriendinnen. (lacht) Ik heb een paar ­verloofden gehad die nogal op huiselijkheid gesteld waren. Die het heel erg leuk vonden om met een dekentje op de bank naar de televisie te kijken. Wat moet dat niet worden met kinderen in de buurt, vroeg ik me af.”

U woont in New York. Mogelijkheden zat om aan huiselijkheid te ontsnappen, toch?
“Ik weet het. Je moet kinderen natuurlijk wel een basis­zekerheid geven, maar dat betekent nog niet dat er elke avond om zes uur vlees en aardappelen geserveerd moeten worden. (verglijdt even in gedachten) Op een dag maak ik kinderen. Denk ik.”
Toen uw moeder in 2015 overleed, schreef u op uw website: “Nu moet ik mijn eigen moeder worden”. Is u dat gelukt?

“Wat mijn moeder ooit voor mij betekende, ben ik voor mezelf gaan betekenen. Ik heb haar geïnternaliseerd: ik kan naar mezelf kijken door háár ogen. En ik hoor haar nog steeds tegen mij praten.”

In een interview kort na haar dood zei u dat haar afwezigheid u wellicht zou helpen om betere keuzes te maken in het leven. Heeft haar overlijden u bevrijd?
“Dat valt toch een beetje tegen. (lacht) Misschien heb ik mijn moeder wel té goed geïnternaliseerd. Nu goed, ik hoef mijn vriendin in ieder geval niet langer aan haar voor te stellen. Dat is ook een soort van bevrijding.”

U hebt naar eigen zeggen weinig tijd uitgetrokken om te rouwen. Was u bang dat u uw naasten al rouwend ging storen? In Goede mannen zegt de Pool dat mensen enkel in de war mogen zijn “als het niet te lang duurt en ze na afloop sorry zeggen”.

“Mensen zijn snel verveeld. Ze verwachten dat je niet te lang wacht om weer tot de orde van de dag over te gaan. En dus leek het me beter om zoveel mogelijk alleen te rouwen. We hebben steeds minder geduld voor dingen die een tijdje duren. Je ziet het ook in zorgcentra: vrienden en familie­leden van patiënten haken na verloop van tijd af. Ze denken: nu moeten we verbetering zien. En als die verbetering ­vervolgens uitblijft, verdwijnen ze.”

Eind augustus draaide Arnon Grunberg twee weken mee in het Gentse woonzorgcentrum Zuiderlicht: een uitwijkhaven voor mensen met jongdementie, een verstandelijke beperking of een vorm van psychische kwetsbaarheid. Om te weten te komen hoe de Zuiderlicht-bewoners leven, betrok hij er een kamer en huppelde hij op dagelijkse basis achter fysiotherapeuten, verpleegkundigen en geriaters aan. Na afloop van zijn participerend verblijf liet hij in De Standaard optekenen: “Ik heb mijn idee van wat een menswaardig leven is heel erg bijgesteld. Er zijn meer vormen van menswaardig leven dan we denken.”

Ik vraag of ook de verstilde, bijna bevroren levens van zwaar dementerende patiënten volgens hem nog menswaardig zijn.
“Moeilijke vraag. We wéten namelijk niet precies hoe dementerende mensen hun leven nog beleven. Maar het is in ieder geval niet omdat je kwijlt, of incontinent bent, dat je geen mooi leven meer zou kunnen hebben. We noemen een ziekte – of de gevolgen ervan – zo gauw ‘mensonterend’. Maar aftakeling is onvermijdelijk. En dat moeten we in de mate van het mogelijke proberen te aanvaarden. Wanneer je ziek wordt, mag je niet denken: Ik heb godverdomme het récht om gezond te zijn. Want dan zal je fysieke achteruitgang gepaard gaan met een mentale inzinking. En voor je het weet, word je verbitterd. Het komt erop aan om flexibel te blijven. Als je blackjack speelt, zeg je ook niet: ‘Ik heb récht op een koning en een aas’. Je aanvaardt de kaarten die je krijgt en maakt er het beste van. Zo moet je ook leven. Als een blackjackspeler.”

Toch hoor je vaak dat we te veel bezig zijn met lang te leven in plaats van met goed te leven.
“Ik denk dat we vooral te veel bezig zijn met succesvol te leven. Mensen die kwijlen, zijn niet succesvol. En dus verdringen we ze naar de periferie. Zo hoeven we ze niet meer te zien. Maar eigenlijk zouden we nog liever hebben dat ze er gewoon niet meer zíjn. Dat gevoel krijg ik toch vaak als ik mensen hoor ­pleiten voor euthanasie bij een voltooid leven. Ze zeggen: ‘Beslis maar op tijd om dood te gaan. Bespaar jullie de ellende’. Maar eigenlijk bedoelen ze: ‘Bespaar óns de ellende’. In Nederland zijn er beleidsverantwoordelijken die euthanasie bijna als een verkapte vorm van bezuiniging beschouwen. En dat heeft iets onmenselijks.

“Dat iemand niet langer wilsbekwaam is, is nog geen reden om te zeggen: ‘weg ermee’. Ik heb in Zuiderlicht mensen gezien die van heel wat lichamelijke en intellectuele vermogens beroofd waren, maar toch nog schoonheid ­konden ervaren. Ik denk dat er ook in wanhopige situaties nog een vorm van vreugde mogelijk is. En dat we de ­menselijke wil om te leven niet mogen onderschatten.”

Trekt u ook het concept zelfbeschikking in twijfel? Is het verkeerd om te denken dat ons leven van ons is en dat we bijgevolg voor euthanasie dan wel zelfmoord mogen kiezen?
“Ik ben voor vrijheid en zelfbeschikking. En ik vind zelfmoord geen schande. Maar we mogen er ook niet te licht over denken. Er gaat – terecht – heel wat maatschappelijke empathie naar de zelfmoordenaar. Maar we onderschatten welke vernietiging hij met zijn daad aanricht: er zijn altijd mensen die er verschrikkelijk onder lijden. Je leven is niet helemáál van jou: je deelt het met andere mensen.”

Die excursie naar Zuiderlicht was niet uw eerste ­literaire studiereis. Alleen al voor Goede mannen putte u inspiratie uit verblijven in een brandweerkazerne, een slachthuis, een klooster en een gezelschap dat liefdesreizen naar Oekraïne organiseert. Zijn die uitstapjes naar onbekende werelden manieren om aan de eenzaamheid van het ­schrijversambt te ontsnappen?
“Ook. Sommige schrijvers blijven liever thuis. Maar ik ben heel nieuwsgierig naar andere mensen. Ik hou ervan om helemaal op te gaan in hun levens. Ik word er een beter schrijver én een prettiger mens van. In het begin van zo’n verblijf denk ik altijd: waar ben ik in godsnaam aan begonnen? Ik had ook een paar dagen in de Zwitserse bergen kunnen gaan wandelen. Maar er komt haast altijd een moment waarop ik denk: wat een voorrecht dat ik hier mag zijn.”

Stel dat ik zou willen ervaren hoe Arnon Grunberg leeft: zou u mij dan toelaten om twee weken ‘embedded’ in úw leven rond te fladderen?
“Als ik je kan vertrouwen, waarom niet? Je zou me wel vaak aan mijn schrijftafel zien zitten, natuurlijk. Maar na gedane arbeid kan je mee naar de sportschool. En naar de Franse les. Dan zou het al iets spannender worden.” (lacht)

U woont ondertussen bijna langer in New York dan u in Nederland gewoond hebt. Waarom is en blijft New York uw stad?
“Omdat het de plek bij uitstek is waar je je steeds opnieuw kan uitvinden. En waar je bijgevolg eeuwig jong kan blijven. Geef toe: dat is niet niks.”

Wie met vragen zit over zelfdoding, belt naar 1813 of raadpleegt preventiezelfdoding.be

Lijsterbessentijd

Vandaag begint de herfst.

http://www.stemderbomen.nl/pages/artikelen/art_lijsterbes.htm

Lijsterbessen

De dichtkunst beoefenen is
met de grootst mogelijke zorgvuldigheid
constateren dat bijvoorbeeld
in de vroege morgen
de lijsterbessen duizenden tranen dragen
als een tekening uit de kindertijd
zo rood en zo veel.

Rutger Kopland

Samen met de lente vind ik de herfst het mooiste en kleurrijkste seizoen. Er gebeurt nog van alles, de natuur is nog bezig met afscheid nemen en zich voor te bereiden op de winter.
Geen herfstblues voor mij, maar een rustig uitbollen van een turbulente zomer, waarin weer van alles gebeurd is, en waarin de temperaturen letterlijk en figuurlijk soms iets te fel waren.Maar ik ben hersteld nu, ik voel mij net een zonnepaneel dat alle warmte van de zon opgeslagen heeft, en nu volop energie te veel heeft, ondanks een pijnlijk lichaam en een hardnekkige hoest.
Het zit allemaal in het kopje, nietwaar, daar klopt ons hart, in ons hoofd, en als daarin de rust is weergekeerd, geneest dat arme, afgezien hart van zelf. En genezen is het! Ik kan weer geven en omarmen, en dat voelt zalig!Laat de bladeren nu maar vallen, en de wind maar waaien. De donkere avonden alleen schrikken mij niet meer af. Er staat niet alleen de winter voor de deur, maar eveneens een hele rits uitdagingen, toevallen en verrassingen, dat weet ik zeker, want het is al altijd zo geweest.Het leven blijft een uitdaging, en ik ontvang ze opnieuw met open armen!

Maar de lijsters, waar zijn die gebleven, want die zie ik nooit meer in de tuin?!

Noch geluk, noch verdriet is ooit algemeen

Men moet altijd enigszins verdrietig

Men moet altijd enigszins verdrietig zijn,
anders is men verloren,
maar men moet wel een beetje verloren zijn –
van het reddeloze soort –
anders zou men alleen maar gelukkig zijn,
toch moet men ook gelukkig zijn,
zo maar gelukkig kunnen zijn,
in alle staten van geluk,
anders zou men maar verdrietig zijn,
enigszins verdrietig altijd.

Toon Tellegen


Wie dit gedicht van Toon Tellegen begrijpt, begrijpt dat hele gelukkig en dat hele ongelukkig zijn, en alles wat daar tussen ligt. Noch geluk, noch verdriet is ooit algemeen.

“People think it’s a terrible tragedy when somebody has Alzheimer’s. But in my mother’s case, it’s different. My mother has been unhappy all her life. For the first time in her life, she’s happy.”  Amy Tan