Alice Nahon: miskend omdat ze vrouw was?

Ik hou van Alice Nahon, omdat zij volgens mij niet echt het o zo lieve meisje was, waarvoor men haar hield. Dat blijkt trouwens uit haar gedichten. Volgens mij was ze, in een tijd die daar nog niet rijp voor was, emancipeerder dan sommige vrouwen nu.

En natuurlijk speelt het feit dat zij in Overijse, mijn geboortedorp, destijds school gelopen heeft, ook een rol.

Alice Nahon wordt geboren in Antwerpen in 1896. Haar vader is boekhandelaar, afkomstig uit Nederland, en haar moeder een onderwijzeres uit Putte bij Mechelen.
Ze schrijft haar eerste gedichten tijdens haar schooltijd in Overijse. In 1913 – ze is dan 17 jaar – begint ze een opleiding aan de verpleegsterschool van het Antwerpse Stuivenbergziekenhuis. Ze wordt verliefd op de hoofdverpleegster Anne Voeten, een vrouw van 24. Of dit louter platonisch is, weten we niet…
Alice wordt ziek en moet haar verpleegopleiding stopzetten. Een diagnose bestempelt haar als tbc-patiënt en ze wordt opgenomen in een sanatorium. Ze zal vele jaren verblijven in verschillende sanatoria en rusthuizen. Later zal blijken dat die diagnose foutief was.
In 1917 debuteert ze als dichteres en in 1920-21 publiceert ze enkele poëziebundels die succesvol worden ontvangen. In tegenstelling tot haar brave imago van het godvruchtige, ietwat seutige dichteresje is Alice Nahon een onafhankelijke, zelfs behoorlijk vrijgevochten vrouw, ook op seksueel vlak, zoals blijkt uit het gedicht Verlangen dat eigenlijk gaat over haar ontmaagding. Ze raakt bekend in artistieke middens en knoopt vriendschaps- én liefdesrelaties aan met avant-gardistische en non-conformistische kunstenaars en schrijvers. In 1923 reist ze naar Zwitserland voor een herstellingskuur. Daar ontdekt een arts dat ze helemaal niet lijdt aan tbc, maar gewoon aan een chronische bronchitis.
In 1927 krijgt ze een job als bibliothecaresse aan de Stedelijke Volksboekerij, de stadsbibliotheek van Mechelen. Maar reeds drie jaar later moet ze haar ontslag geven wegens gezondheidsredenen. In de jaren ’30 woont ze in het Antwerpse en knoopt daar opnieuw vriendschapsbanden aan met Anne Voeten, de vrouw op wie ze als 17-jarig verpleegstertje-in-spe verliefd was geworden. Alice Nahon overlijdt op 21 mei 1933. Ze is met ruim 250.000 verkochte poëziebundels één van de meest succesvolle Vlaamse poëten.

Vanavond eert Wim Helsen haar – Winteruur-gewijs – in ‘Meer vrouw op straat’ op Canvas en canvas.be.
#meervrouwopstraat #mechelen

______________________________________________________________________
BOEK

Magda Michielsens
uit: Ria van den Brandt (1996) Alice Nahon:
1896-1933. Kan ons lied geen hooglied zijn.
Antwerpen, Houtekiet, 1996, p. 139-147

In 1996 hebben een aantal Nederlandse en Vlaamse feministische vrouwen en enkele mannen een boek gepubliceerd over het werk van Alice Nahon, populaire Vlaamse dichteres die in 1896 geboren was en in 1933 stierf.
Mijn bijdrage ging over de plaats van Alice Nahon op de markt der symbolische goederen: Ingebonden.
Het boek is uitvoerig besproken in de Vlaamse en Nederlandse pers. De vertegenwoordigers van de Hoge Cultuur, die denken te weten wat Kwaliteit is hebben zich (nogmaals) als gieren op de arme Nahon gestort om te belichten hoe triviaal en conservatief ze was. De verdedigers van de Populaire Cultuur loofden (nogmaals) haar volksgevoel. Wij, auteurs van het boek, leken enkel een bemiddelende rol te spelen in een woordenstrijd over wat Cultuur is en wat Emancipatie is. Drukte op de markt.

De poëzie van Alice Nanon behoort niet tot De Literatuur. Dat heb ik altijd geweten: ik heb het op school geleerd en heb het goed onthouden. Ik was een goede leerlinge. Ik heb in de lessen Nederlands op de humaniora geleerd wat Cultuur is. Ik heb leren zien wat deel uitmaakt van het patrimonium en wat daar buiten valt en hoort te vallen. Ik heb geleerd wat van waarde is.

Dat heb ik op school geleerd – tussen 1956 en 1962. Ik leerde dat poëzie van Van de Woestijne en Elsschot is en hoorde dat een Alice Nahon versjes had gemaakt. Ik leerde dat zij te vrouwelijk, te sentimenteel, te romantisch en te klein was om Cultuur te zijn. Ik leerde haar wereld schuwen. Zij behoorde tot de wereld van overgevoelige moeders en romantische vrouwen. Een te mijden wereld voor wie (m/v) iets wilde weten en iets wilde worden. Erg vaak heb ik haar naam niet gehoord. Enkele duidelijke waarschuwingen werden blijkbaar voldoende geacht. Voor mij was het alsof Nahon alleen van mijn moeder was.

Ik heb het allemaal met gretigheid geleerd, de wiskunde, de Grote Schrijvers, de Romeinse oorlogsverhalen. Ik snapte het toen en snap het nu nog steeds. Een breuk met de dagelijksheid, afstand van bindende gevoelens, weerstand tegen opslokkend medegevoel is nodig om goed te kunnen denken. Sic itur ad astra [1], zei een prof mij op het einde van een examen. Ik had mijn les geleerd, maar bleef mij afvragen waarom men naar de sterren zou willen.

Uit de nalatenschap van mijn moeder heb ik de bundels van Nahon bewaard. Ik heb ze allemaal – in originele uitgave hoewel niet allemaal in de originele staat. Ze zijn vergeeld en stukgelezen. De meeste hebben eenvoudige crème kaftjes; twee echter hebben een harde grijs-gevlekte kaft. Ze zijn heringebonden. Het gevolg is dat ik niet meer kan zien wat de originele titel was van deze ‘Keurgedichten’ die verzameld werden uit de bundeltjes Vondelingskens 9º uitgave en Op zachte Vooizekens, 7º uitgave. Ook het jaar van uitgave is door de boekbinder weggewerkt. Zelfs een genummerd exemplaar van Schaduw, in groot formaat uitgegeven door de Nederlandse Boekhandel in 1928, zit in een verstevigd harnas. Mijn moeder kreeg de bundels cadeau van haar verloofde. Een duidelijk gewaardeerd geschenk. De harde kaften kwamen twintig jaar later. Ze waren een ongewenste ingreep van dezelfde man, mijn ordelijke vader. Zij beschouwde de inbinding als een ontvreemding.

De eerste pagina van de keurgedichten draagt een handgeschreven datum en naam: het was van haar en de datum is deze van haar zestiende verjaardag. Het is er vast later opgeschreven, als één van de vele rituelen om zich de poëzie toe te eigenen, te verbinden met het eigen leven, eigen herinneringen en emoties. 12 mei 1928 staat er in de linker bovenhoek, haar meisjesnaam in de rechter. Het meest verbaast mij dat formuleringen, versregels en uitdrukkingen een leven lang zijn meegedragen, terwijl ze gelezen werden in wat nu een jeugdboek zou heten. Zij was ook maar een meiske toen men haar verloofde. De inleiding van Dr. Tazelaar over het leven van Alice Nahon eindigt met de volgende woorden ‘Onze letterkunde is met dit arme meiske rijk.’ Alice Nahon was toen de dertig voorbij, maar het Vlaamsche dichteresje was zo ziek, zo eenvoudig en ontroerend dat zij steeds het arme kind bleef.

Ik heb steeds geweten dat mijn moeder de bundels van Nahon koesterde en dat zij van haar (poëzie) hield. Toen ik geleerd had dat Nahon geen kunst was, schaamde ik mij wel een beetje voor mijn moeders grote bewondering. Ik schaamde mij er niet voor dat zij enkel lager onderwijs had gedaan; dat was zo in die jaren, in die generatie. Pseudo-cultuur leek mij echter veel gevaarlijker dan geen cultuur. Verkeerde smaken leken te leiden naar verkeerde paden. Geen cultuur echter gold voor de meeste kinderen om mij heen. Dat was veranderbaar, daarvoor bestond de school. Daarvoor leefden we in de jaren vijftig: de mannen bouwden de puinen weer op en alle kinderen konden leren. De moeders moederden. De oorlog was gewonnen.

Ondertussen wist ik hoe mijn moeder met Nahons verzen omging. Intensief. Tijdrovend, maar aan tijd had zij geen gebrek. In schriftjes, agenda’s en op kleine papiertjes vond ik later de gekopiëerde regels. Soms kan ik de auteur moeilijk achterhalen. Soms is het beslist Nahon, overgeschreven om redenen die nog moeilijk na te voelen zijn. Misschien enkel om het te doen, het schrijven, het smaken, van buiten leren. Een enkele keer is het Hélène Swarth, soms denk ik dat het een eigen probeersel moet zijn geweest. Vaag, bescheiden, bedroefd. Niet de inhoud van de verzen, maar de oude woorden en het oude verlangen ontroeren mij.

Wat mijn leraars er ook van vonden, mijn moeder was niet de enige die zeer aan Nahon gehecht was. Ik vind een achttiende druk – 40º tot 44º duizendtal uit 1942 van Op zachte Vooizekens. De cijfers zijn bekend. Een oplage van 70.000 voor Vondelingskens, 60.000 voor ‘Op zachte Vooizekens’, 40.000 voor Schaduw en ook voor Maart-April zegt Erik Verstraete (1983: 8)[2]. En nog steeds kent iedereen ”t is goed in eigen hert te kijken’.

Uit de staat waarin de bundels zich bevinden lees ik af wat eenvoudige poëzie heeft betekend voor eenvoudige vrouwen. De versleten bundels vormen een klein pakketje C/cultuur dat echt van haar was. Het is het enige. De dichtbundels wijzen mij de weg in gevoelens die ik gedeeltelijk wel aanwezig wist. Een folder, een gedroogde bloem, een bidprentje en een enkele doodsbrief geven de plaatsen aan waar Nahons gedichten wellicht geholpen hebben.

De pagina van Armoe (VG, 118) heeft vieze plekken gekregen, omdat er al zovele jaren gedroogde meiklokjes op vastzitten.

‘k Heb zo’n honger naar een lied
In dit huis van eenzaam wezen,
Waar ‘k nog in geen blik mocht lezen,
Dat een mens me geren ziet.

Voor Nahon sloeg het gedicht op haar beleving in het sanatorium. De eerste strofe ligt gemakkelijk in de mond en kon herhaald worden telkens de vervreemding haar naar de keel grijpt. Ik verbind de zinnen ook met wat we nu weten over hoe vrouwen zich voelden als huisvrouwen. Het is niet haar particuliere eenzaamheid, noch van Nahon, noch van mijn moeder. Het is de institutionalisering van vrouwelijkheid. Het is ‘dit huis van eenzaam wezen’. ‘Mother’s little helpers’ moesten nog uitgevonden worden, maar de vervreemding was er al.

Vervreemding is vaak anders voor mannen dan voor vrouwen. Er is de vervreemding door routines in de wereld van arbeid en discipline. Men weet niet waarom en waartoe, maar de machine draait door. Er is ook de vervreemding door de afhankelijkheid van mensen om zich heen, door de kilte van de nabijheid. Mensenogen (VG, 169) is in het interbellum geschreven, maar ook na de oorlog ondersteunde het gedicht vrouwen die zich onwennig voelden bij het algemeen onvermogen om te rouwen, te bewegen, te handelen.

Ik hou van ogen, door weemoed gewijd;
Ik hou van ogen, die hebben geschreid,
Die hunkrend uitzien van groot gemis
Of starlings staren van droefenis.

Nahon beschrijft romantisch liefdesverdriet, maar ook de domheid om alleen een liefdesideaal te hebben om zich aan vast te houden.

Ik heb de liefde liefgehad;
daarom wellicht heeft zij mij niet bemind.
(VG, 191)

Dacht mijn moeder hieraan, toen ik haar in de jaren zestig probeerde uit te leggen dat het huwelijk gevaarlijk was voor vrouwen en monogamie een vorm van ontrouw aan zichzelf ? Zij wist zelf al jarenlang wat er gevaarlijk was voor vrouwen.

Ik droom mijn liefde blijer,
(…)
Ik droom mijn liefde sterker,
(…)
Ik droom mijn liefde wijder,
(…)
(VG, 209)

Wie niet? Bij dit gedicht is in mijn bundel het doodsprentje van Nahon bewaard. Voor haar bleef het bij dromen. Voor haar ging alles teloor omdat gezegd was dat zij aan een dodelijke ziekte leed. Zo schreef ze, tot het een verkeerde diagnose bleek te zijn. Een betere diagnose bracht haar echter geen betere gezondheid. Ik zie niet in dat haar tbc-doodsangst andere gevoelens induceert dan wat existentiëel toch al zo is. Ook AIDS-kunstenaars vandaag leven niet in een andere wereld dan de (voorlopig) niet zieken. Ze zien de wereld duidelijker, afgelijnder, scherper en versneld. Artsen en biografen hebben Nahon onrecht aangedaan door haar toestand aan tuberculose toe te schrijven.
De doodsbrief van mijn vader zit bij het volgende vers. Ik zal hem er nooit weghalen.

Toe mijn ogen, weest nu stil,
vertelt niet wat ik zwijgen wil
want lachen door mijn triestigheid
is wonderschone logen.
Och, doet maar juist als waart ge blij
en lacht maar, lacht maar allebei
de schone lach van kinderogen.
Toe, mijn harte, zing nu weer,
ge deedt het al zo lang niet meer,
en zingen is de vlucht naar God
voor wereldmoede mensen;
zing hoger dan dat oud verdriet,
zing warmer dan dat lauwe lied
van ijdele hoop
en ijdele wensen
(…) (VG, 210)

Verdriet en bevrijding gaan hand in hand. Het raakt mij. Vanwege de persoonlijke band, uiteraard. Evenzeer vanwege de gedachte aan al die vrouwen, één à twee generaties ouder dan ik, die troost hebben geput uit de gedachte ‘God moet mij geren zien’ en lang moesten wachten voor zij als weduwe aan zichzelf konden beginnen denken.

Ik hoorde de Nahon-verhalen pas in de jaren vijftig. Uit de diepste lagen van mijn herinnering zou ik een Antwerpse stadswandeling kunnen samenstellen vol lieux de mémoires die met Nahon te maken hebben. Maar ook toen ik als jong kind door Antwerpen liep was Nahon al enkel heimwee. Haar echte populariteit was voorbij.

Op de humaniora (godzijdank: vrijzinnig, gemengd, progressief, latijn-wiskunde, druk en streng) bond niets mij nog aan Nahon. Tenzij dat ene beeld in mij dat zij gelaten had: op eigen benen wandelend in Antwerpen. Ook thuis hoorde ik nog weinig over haar poëzie. Ik herinner mij enkel nog dingen over haar flinkheid en haar zelfstandigheid. Mijn moeder was mij kwijt: ik ‘studeerde’. Van de vele betekenissen die Nahon voor haar had werd het feit dat Nahon niet gestrikt was in een huwelijk en dat zij dichteres was het belangrijkste. Een schrijfster, een intellectuele. Verfijnd, slim, moedig, autonoom. Dat was het enige wat aan mij nog een legitieme boodschap was. Het enige wat zij mij nog luidop durfde zeggen. Er werd haar uiteraard niet verboden om iets anders te zeggen, maar wat zeg je nog over wat je zelf doet en voelt als ‘emancipatie’ en ‘leren’ de nieuwe waarden zijn. Je selecteert en het verhaal van Alice Nahon had genoeg wat wél bij een nieuwe wereld voor meisjes paste: kunnen schrijven en niet afhankelijk zijn, geen kostwinner om aan te gehoorzamen, niemand die je inbindt, verwoorden en begrepen worden, een beroep hebben, ook al vraagt het moed en brengt het eenzaamheid. De foto’s, gemaakt door de professionele ambulante fotograaf op de grote Antwerpse stadsaders, lenen zich perfect tot identificatie. Zo gaat het goed: alleen op stap. Natuurlijk en zwierig, spontaan geposeerd. De flinkheid van alledag.

Zelf heb ik het werk van Nahon lange tijd niet gelezen. Uiteraard niet. Ik werd te rationalistisch om iets met poëzie te hebben. Ik ben te geëmancipeerd om met verkleinwoorden te spelen en bloempjes rond te strooien. Ik heb niets met godsdienst, niets met katholieke scholen of priesters, ik heb helemaal niets met de Vlaamse beweging. Ik ben echt van een andere tijd en ideologisch is de kloof onoverbrugbaar. Maar toch. Ik heb iets met vrouwen en ik heb iets met populaire cultuur. Uiteindelijk moest ik haar wel lezen, om vrouwen uit het interbellum en de eerste jaren na de oorlog beter te begrijpen. Het is mijn vak en mijn passie.

Terwijl ik mij nu in Nahon verdiep, interview ik vrouwen die van Nahon hebben gehouden. Zij noemen mij de namen van Vlaamse schrijfsters die ik niet ken en nooit eerder heb gehoord. Niet gecanoniseerd, gemarginaliseerd. Als ik de namen opzoek en het werk bekijk, prijs ik de heren die mij hebben gevormd dat dit mij bespaard is gebleven. Ambivalentie aan alle kanten. Ik ervaar verstikking met terugwerkende kracht bij de gedachte dat ik ze vroeger wel gelezen zou hebben. Vrouwen hebben geen (opgeschreven en maatschappelijk gewaardeerde) geschiedenis, zodat voorbeelden ons onthouden zijn. De speurtochten naar teksten van vrouwen, die sinds de jaren zeventig begonnen zijn, leveren nochtans veel materiaal op.[3] Een zuivere beoordeling van deze teksten is onbegonnen werk: het is historisch niet gebeurd, en daardoor is het `cultureel kapitaal’ [4] geworden dat buiten elke maatschappelijke context staat. Er heeft nooit een koers voor bestaan.

Françoise Collin [5] heeft de afwezigheid van een vrouwelijke intellectuele geschiedenis geanalyseerd als zijnde ‘een erfenis zonder testament’. Wat vrouwen van vrouwen hebben geleerd is nooit opgeschreven, nooit tot theorie gemaakt. Vrouwen hebben zelf niet voor een theoretische en symbolische transmissie gezorgd en mannen hebben het helemaal niet ofwel vertekenend gedaan. Pas bij het begin van de tweede feministische golf zijn vrouwen bewust begonnen aan het neerschrijven van inzichten als een gemeenschappelijk cultureel en symbolisch erfgoed.

De kwestie is echter nog ingewikkelder dan Collin verwoordt. Er is de afwezigheid: het weggedacht zijn, het niet gewaardeerd zijn, geen deel uitmaken van de canon en het patrimonium. Wat vrouwen wel deden heeft nauwelijks een neerslag gevonden in teksten. Dat is echter slechts één aspect. Wat vrouwen – ondanks alles – wél schreven kan vervolgens niet met gangbare criteria beoordeeld worden. Het is tot het Andere gemaakt, en dus extra gehaat en/of extra geliefd.

’t is goed in ’t eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan;
Of ik geen ogen heb doen schreien,
Geen weemoed op een wezen lei;
Of ik aan liefdeloze mensen
Een woordeke van liefde zei.
(…) (VG,173)

Wat kan er tegen zijn? Wie kan hier argumenten tegen hebben? Symbool van kitsch of een korrel zuivere waarheid? Waarom zou poëzie geen checklist voor goedheid mogen zijn? Het is vandaag de basisfilosofie van de populaire televisiedame OprahWinfrey. Zij haalt er gigantische kijkcijfers mee, mondiale roem en een keizerlijk fortuin. Oprah gebruikt het systematisch voor de empowerment van vrouwen. Ik vermoed dat Alice Nahom ook zo werkte. De vrouwen die ik erover sprak ervoeren het zo. Bidden is niet enkel knielen: met Nahon bogen zij onderwerping om tot `in stilte weten van elkander’. Ook vandaag blijkt het nog door te leven. In een huisblad van een zorgcentrum voor ouderen – de Orangerie in Nijmegen – werd in juni 1995 `Avondliedeke’ ingestuurd door een bewoonster. Het werd afgedrukt met haar begeleidende woorden: `Als kind bad ik vroeger voor het slapengaan het avondgebed. In die vorm doe ik dat al jaren niet meer.

In plaats daarvan zeg ik heel vaak het mooie gedicht “avondliedeke” op, geschreven door Alice Nahon, eenVlaamse dichteres die in 1933 op 37 jarige leeftijd is overleden:
Troost, steun en empowerment – waarom niet gewoon power? De zelfreflectie wordt gebruikt als middel om zichzelf te versterken, te ondersteunen, te trainen. Het roept respect op, het is mooi. Het heeft echter niets vanzelfsprekends, het straalt geen `né(e) dans le jeu” uit. En daarom kan ons lied geen hooglied zijn.

Kan ons lied geen hooglied wezen,
Laat ons na de oogst van ’t graan,
Lijk de povere vrouwen lezen
De aren, die verloren gaan.
(VG, 156)

Er het beste van maken. Zich schikken. Het is te constructief om er tegen te zijn. En toch: I hate it. Het heeft vrouwen vastgehouden. Net zoals in de lofzang van Tazelaar over Nahon mij elk woord revolteert, houd ik niet van de `vrouwelijke’ eigenschappen die dit soort waardering steeds opnieuw blijken uit te lokken. Mijn leermeesters en (enkele) leraressen hebben mij beschermd tegen vrouwenwijsheden.

Hoe dieper ik mij buig over wat vrouwen in Nahon hebben gevonden hoe beter ik de dubbelzinnigheid van moderne intellectuele vrouwen begrijp. Vrijzinnig, geëmancipeerd, goed opgeleid – en daar zeer tevreden en dankbaar over – weet ik via Nahon nog beter wat Rina Van der Haegen [7] bedoelde met `mondige hysterie’ en `moederlijke maatschappelijke productiviteit’. Van der Haegen zag de hysterische positie (niet de hysterie dus) als kenmerkend voor vrouwen. Het is een positie waarin willen en niet willen, verwerping en aanhaling, insluiting en uitsluiting in extreme vormen voortdurend en inherent samen voorkomen. In die positie hebben vele vrouwen `gekozen’ voor zwijgen, sporadisch onderbroken door gillen.

Ook de traditioneel moederlijke eigenschappen en activiteiten kunnen omgebogen worden, zodat ze niet meer tegen, maar vóór vrouwen zouden werken. Ze zijn onmisbaar en dierbaar. Alleen, ze hollen vrouwen uit. Het moet toch mogelijk zijn om ze in te zetten voor andere doelen dan enkel de opvoeding van eigen kinderen, binnen de opgeslotenheid van huis en haard. Moederen kan ook een denk-houding zijn. Dezelfde zorg en beschermende aandacht waarmee moeders (hun) kinderen omringen zou ook aanwezig kunnen zijn buiten de huiselijke kring, bij mannen en vrouwen in de buitenwereld. `Moederlijke maatschappelijke productiviteit’ vorm geven, in de strijd om een vrouwelijk bestaan.

Als dat zou kunnen, vervallen vele argumenten die over en weer voor en tegen Nahon worden gebruikt. Als dat zou kunnen hoeft zorgen geen dienen te zijn en hoeft niet elke wandeling naar de sterren te leiden. Als dat zou kunnen zou liefde minder verstikkend zijn, zowel voor de gever als voor de ontvanger.

Het arme Vlaamsche meisje, het lieve kind, de lijdende ziel kon als schrijfster blijkbaar heel goed omgaan met de mondigheid van haar hysterie en met de maatschappelijke productiviteit van haar moederlijkheid. Mijn moeder heeft wat zijzelf daarbij voelde gefilterd en vertekend om het aan mij door te geven als een beeld van stille kracht, waarbij de strijd tegen de verbittering en het verzet tegen de disciplinering belangrijker waren dan het liefdesverdriet.

Bij het gedicht `Mist’, in mijn bundel Op zachte hooizekens uit 1942 probeer ik de droge gele vlinder tussen pagina zes en zeven niet te kwetsen door mijn speurwerk.

‘k Ben bang dat ik eens zelve word
Gelijk deez overtrokken dag;
Een kind dat nimmer tegenmort
Maar nooit meer zingen mag.
(VG, 144)

———————-
1. Zo bereikt men de sterren; Vergilius, Aeneas 9, 641.
2. Erik Verstraete, Alice Nahon. Verzamelde gedichten, Antwerpen 1983, 8.
3. Dale Spender, Women of Ideas, London 1982, 2-42.
4. Pierre Bourdieu, La Distinction. Critique sociale du jugement, Paris 1979.
5. Francoise Collin, `Un héritage sans testament’, Les Cahiers du Grif, 1986, 81-82.
6. Pierre Bourdieu, Le sens pratique Paris 1980.
7. Rina Van der Haegen, In het Spoor van Seksuele Differentie, Nijmegen 1988.

http://www.moh.be/NahonIngebonden.htm?fbclid=IwAR15aVgRdDtsPE_nONl6K0l5LHLuVgtaDg9wppsrjSQLiVHMTK6cCgTy3gY

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *