De taal van de wereld

Annelies Verbeke over de dominantie van het Engels

De taal van de wereld

De diversiteit van onze boekenkast staat onder druk, waarschuwt Annelies Verbeke, dit jaar de Vrije Schrijver van de Vrije Universiteit Amsterdam. Zelfs het Nederlands dreigt van onze universiteiten te verdwijnen. Op 21 mei sprak ze daarover de Abraham Kuyper Lezing uit. De Standaard publiceert een fragment uit ‘De taal van de wereld’.


Midden september 2015 reisde ik van Ghent, Flanders, Belgium naar Ghent, New York, USA. Ik verbleef er, samen met negen andere schrijvers en vertalers, afkomstig uit verschillende landen, een maand in Ledig House, een schrijversresidentie. Het werd een werklustige tijd met interessante ontmoetingen en mooie wandelingen door nazomerse natuurpracht.

De interessantste ervaring zat hem voor mij echter in de confrontatie met de Amerikaanse literaire wereld. Die was mij uiteraard niet onbekend, en evenmin was dit mijn eerste bezoek aan de VS. Als ik voor mijn boekenkast sta, zie ik veel Amerikaanse literatuur. Sommige schrijvers, vaak wereldwijd gehypet, vond ik teleurstellend, andere bezorgen me al jaren heerlijke leesuren.

Voor Amerikaanse, en bij uitbreiding Engelstalige literatuur is het verwerven van een wereldwijd lezerspubliek een stuk makkelijker dan voor literatuur uit andere landen. Dat is geen onbekend gegeven, maar we hebben de neiging weinig stil te staan bij de consequenties daarvan.

Tijdens mijn schrijversresidentie werd op een avond een editor-scout van een grote uitgeverij uitgenodigd, die ons een inkijk zou geven in de Amerikaanse uitgeverswereld. Het werd een schok. ‘Als wij iets uit Europa uitgeven, dan moeten wij daar uiteraard nog veel in knippen’, zei ze. Ik lachte als enige om haar ‘cut, cut, cut’ en de hakbeweging die ze daarbij maakte, aangezien ik mij niet kon voorstellen dat dit géén humor was. Maar de vrouw vervolgde onverstoord: ‘Of ik moet er veel bijschrijven. Onlangs hebben we nog een Italiaanse literaire bestseller uitgegeven, van een beroemde regisseur, één miljoen verkochte exemplaren in Italië, maar ja, er ontbraken zeven stukken, die heb ik dan zelf moeten schrijven.’ Er viel een geladen stilte. Iemand opperde: ‘Maar, wat bedoelt u ermee dat die stukken “ontbraken”? Het boek viel blijkbaar toch in de smaak bij de Italianen?’ De vrouw antwoordde dat dat nog niet betekent dat het goed genoeg is voor de Amerikanen. Ze wilde de naam van de schrijvende regisseur in kwestie niet noemen, want vond het gênant. Voor hem.

Anders

Later die avond – nog niet van de schok bekomen – zat ik naast een vrouw die lang als scout voor een andere grote Amerikaanse uitgeverij had gewerkt. Ze vond dat een erg ondankbare baan. ‘Je moet weten dat maar één procent van één procent van wat in Europa verschijnt goed genoeg is voor Amerika’, liet ze zich terloops ontvallen.

Terwijl de scout op rust aansluitend een hap nam van haar dessert en over haar online koopverslaving begon te vertellen, sloot deze Europese aapachtige haar opengevallen muil met haar opponeerbare duim. Dit gaat niet over deze vrouwen. Geen van beide had ook maar enigszins de intentie om onze groep, die op dat moment voor het grootste deel uit Europese auteurs bestond, te vernederen. En dat was net het griezelige: hoe vanzelfsprekend die veronderstelde superioriteit voor hen was.
Amerikaanse uitgevers als ngo voor de rest van de schrijvende wereld. Hun boodschap kon weinig anders begrepen worden dan: ‘Jullie kunnen niet schrijven, maar heel af en toe zullen wij ons inspannen om zo’n minderwaardig werk beter te maken.’

Zelden wist ik me achteraf zo in de ban van een ‘esprit d’escalier’. (Hier bestaat nog geen mooie Nederlandse uitdrukking voor, noch een Engelse.) Ik had meer vragen moeten stellen. Wat me bijvoorbeeld bezighoudt: hoe zit het met de Europese klassiekers. De toverberg, Misdaad en straf: hak, hak, hak, en met de helft van de bladzijden gaan ze al een pak vlotter naar binnen? (Ze bestaan, weet ik, de ‘abbreviated versions’, maar krijgen ze wel altijd die benaming?)

Ik weet wat men hiertegen in kan brengen. Bijvoorbeeld: Amerikanen houden nu eenmaal van een bepaalde manier van vertellen in romans, van netjes gestructureerde, duidelijke films, van ‘well-made plays’. Een boek uit het Midden-Oosten of uit Europa is wellicht ook echt ‘anders’. Waar. Maar wat een arrogantie om de hele wereld zonder omhaal om te buigen naar wat je vertrouwd is, de gedachte aan diversiteit, de mogelijkheid van verschillende, naast elkaar bestaande vormen van kwalitatieve literatuur, niet eens te overwegen.

Een andere kanttekening is deze: wat waren wij Europeanen onder de indruk – de volgende dagen kwamen we er ‘onder ons’ nog enkele keren op terug – nu wij eens degenen waren die met de superioriteitsgevoelens van een ander continent werden geconfronteerd! In welke mate krijgt literatuur uit Afrika of Azië bij ons een kans? De meeste Nederlandstalige uitgevers lijken af te wachten wat de Amerikanen ermee doen.

Het is frappant hoe makkelijk economisch overwicht en intellectuele superioriteit met elkaar worden verward.

Leessysteem

En natuurlijk bestaat er veel goed Amerikaans werk, de avant-garde blijft er bestaan en de maatschappijkritiek zeker. Tijdens mijn verblijf in die schrijversresidentie las ik de toenmalige #1 New York Times Bestseller: Between the world and me van Ta-Nehisi Coates, een lang essay dat ook in het Nederlands is verschenen. Het heeft de vorm van een brief van de auteur aan zijn vijftienjarige zoon, kort na de rellen in Ferguson. Het meest beklijvend vond ik de verstorende kracht die een vraag van Saul Bellow op de jonge Coates heeft: ‘Who is the Tolstoy of the Zulus?’ Coates verdiept zich halsstarrig in Afrikaanse schrijvers op zoek naar een ‘trophy case’, tot hij het bevrijdende antwoord jaren later vindt in een essay van Ralph Wiley: ‘Tolstoj is de Tolstoj van de zoeloes. Tenzij je baat hebt bij het beperken van universele eigendommen van de mensheid tot exclusief tribaal bezit.’ Ook daar moest ik aan denken toen ik begreep dat die hakbeweging van de uitgeefster geen grap was.

Met een hoofd vol anti-imperialistische gedachten keerde ik, in november 2015, huiswaarts, tevens aangespoord tot enige zelfreflectie. Sinds 2005 had ik een lijst bijgehouden van wat ik allemaal las. Ik heb mezelf in dat jaar ook onderworpen aan een leessysteem van eigen makelij, waaraan ik me sindsdien elk jaar hield. In grote lijnen houdt het in dat ik mezelf een minimum van 52 boeken per jaar opleg. Ik lees daarbij grotendeels fictie, nu en dan non-fictie, ik wissel verhalenbundels en romans af (dichtbundels vallen buiten deze lijst). Elk jaar moet ik literatuur uit minstens drie verschillende eeuwen én uit alle continenten hebben aangedaan, Arctica en Antarctica buiten beschouwing gelaten. Heel moeilijk is dat allemaal niet.

Eind 2015 wilde ik weleens zien wat mijn systeem had opgeleverd. Ik gaf mezelf al een schouderklopje omdat ik boeken uit 65 (intussen 75) verschillende landen had gelezen, toen ik turvend vaststelde dat ik desondanks meer (al dan niet vertaalde) boeken uit de Verenigde Staten had gelezen dan uit welk land dan ook. De sturing bleek ook voor mij toch groter dan ik had verwacht.

Geschokt las ik twee jaar lang geen enkel Amerikaans boek. Tot hiertoe duidt niets erop dat de Amerikaanse boekenmarkt onder mijn boycot heeft geleden.

Braindrain

Hoe er vandaag met het Nederlands wordt omgegaan, staat niet los van mijn ervaringen in de Amerikaanse schrijversresidentie. Universitaire instellingen in Vlaanderen en, in grotere mate, in Nederland willen met Britse en Amerikaanse universiteiten concurreren en zoveel mogelijk buitenlandse studenten aantrekken. Dat komt in de eerste plaats als een legitiem en zelfs aan te moedigen verlangen over. Je zou intuïtief denken dat het wat tegengas kan bieden aan de dominante positie van in de eerste plaats de VS, dat er een braindrain mee kan worden omgebogen in Europese richting. Maar als een belangrijke pijler als taal daarbij wel die van de dominante groep blijft, en de eigen taal, literatuur en cultuur steeds minder een plaats krijgen in de academische wereld, net als die van andere kleinere taalgebieden, dan wordt er zeker niet alleen weerwerk geboden, dan wordt die dominantie ook versterkt.

Dat universiteiten gehonoreerd worden per student, is anderzijds ook een realiteit waaraan de overheid ze heeft blootgesteld. Op die manier creëerde men een competitieve sfeer tussen universiteiten in hetzelfde land, die zoveel mogelijk buitenlandse studenten trachten binnen te halen om de nodige werkmiddelen te kunnen vergaren.

Dat er aan de VU een Nederlands record werd gebroken wat het percentage buitenlandse studenten betreft, heeft natuurlijk ook andere dan economische voordelen. Ik voel mezelf simpelweg meer op mijn gemak op plekken waar mensen van overal op de wereld vertoeven, en zeker is het bestaan van een lingua franca daarbij om vele praktische redenen een zegen.

Dat in Nederlandse universiteiten steeds meer vakken in het Engels worden gedoceerd – momenteel gaat het over 75 procent van de masteropleidingen – en, vooral, dat het Nederlands erbij inschiet als onderwerp en als gebruiks­taal van academische studie, kan echter kolderieke en kwalijke vormen aannemen. En niet alleen omdat sommige professoren en studenten een ontoereikende versie van het Engels hanteren. Het voorbije jaar stonden Nederlandstalige kranten vol met artikels en opiniestukken waaruit bezorgdheid spreekt over het terreinverlies van het Nederlands in de academische wereld. Het kwam zelfs tot een rechtszaak van de stichting Beter Onderwijs Nederland tegen de universiteiten van Maastricht en Twente.

Mijn eigen bewustwording over de mate waarin de verengelsing in de Nederlandse academische wereld speelt, kwam er door het stuk van de Nijmeegse hoogleraar Lotte Jensen over de studente die haar eindwerkstuk over Vondel in het Engels moest schrijven (omdat de researchmaster Engelstalig was en de examencommissie dat eiste) en daartoe eerst Vondels eeuwenoude woorden in het Engels moest vertalen, pogend zijn rijm en metrum daarbij niet helemaal overboord te gooien.

Levensbedreigend

Dat het leven en de geschiedenis van de mensheid onaflatend worden vergezeld door een absurdistisch fonteintje, was me al bekend. Dat dit tot een wilde rivier was gezwollen, universiteiten was binnengedrongen en bezig was de moedertaal en de status van Nederlandstalige auteurs te verzwelgen, is voor mij een vrij recent inzicht. Het is als wakker worden in een hertekende wereld, waarin de kern van mijn bestaan – het schrijven in mijn moedertaal – onder druk komt te staan door beslissingen van degenen van wiens bescherming ik was uitgegaan. Ja, echt, ik dacht tot voor enkele jaren dat de Nederlandse taal en literatuur aan universiteiten als vanzelfsprekend werden beschermd. Dat blijkt niet meer zo en daardoor moet ik mij hier ontpoppen tot de inhoud van een Trojaans paard.

Terwijl ik werkte als twaalfde Vrije Schrijver van de Vrije Universiteit van Amsterdam – een heerlijk initiatief waarvoor ik mijn grote dankbaarheid wil uitdrukken – werd de bacheloropleiding ‘Literatuur en Samenleving: Nederlands’ aan deze instelling afgeschaft. Er hadden zich dit academiejaar immers maar vijf studenten voor deze studierichting ingeschreven. Dat is veel minder dan aan andere Nederlandse universiteiten, maar ook daar zakte het aantal zienderogen. Sinds 2010 is sprake van een vrije val: dit jaar startten in Nederland slechts 183 eerstejaars, zestig procent minder dan in 2010. Jonge mensen zijn gewoon niet meer geïnteresseerd in de Nederlandse taal en Nederlandstalige auteurs, zo hoorde ik verzuchten.

Ik vroeg enkele betrokkenen eerder dit jaar of het voortbestaan van de Nederlandse taal- en letterkunde hen dan niets kon schelen. Ik stuitte op tot dakjes opgetrokken wenkbrauwen, veel doorschuiven van verantwoordelijkheid – ‘vanuit Den Haag komt er geen enkele richtlijn’ – en een bevreemdend fatalisme. ‘We zullen met de afschaffing misschien een precedent scheppen, waarna het Nederlands of de Nederlandse literatuur uiteindelijk mogelijk nergens meer in Nederland op academisch niveau zal worden bestudeerd’, zo bevestigde iemand met een gelaten zucht mijn veel minder gelaten vermoedens. ‘Maar ja.’

Ik kan er niet goed bij dat een grote universiteit in een van de meest welvarende landen van de wereld niet over de middelen beschikt om deze bacheloropleiding in leven te houden. Op mij en mijn schrijvende collega’s komt het over als een levensbedreigend schouderophalen omtrent ons werk en dat van onze voorgangers. Als ik de gevoelens die daardoor worden opgeroepen wil beschrijven, schiet me een passage uit Willem Elsschots Kaas te binnen: ‘Mijn vrouw staat daar zonder iets te doen en kijkt ons tuintje in. Ik ga op haar toe en sluit haar in mijn armen. En als mijn eerste tranen op haar verweerd gezicht vallen, zie ik dat zij mij tegenweent. (…) De kaastoren is ingestort.’ Laten we elkaar dan maar collegiaal wat ‘tegenwenen’. Amen.

Eenvormigheid

Al kan ik wel aanvaarden dat ook talen en hun veronderstelde belang nu eenmaal sinds hun ontstaan aan verandering, groei of krimp, onderhevig zijn, toch kan ik me, als Nederlandstalig auteur in de eerste plaats, niet zomaar neerleggen bij het veronachtzamen van mijn moedertaal en de literatuur die erin is geschreven, door een universitaire instelling. De manier waarop er op het hoogste niveau met die moedertaal, mijn literaire taal, wordt omgegaan, zal het lot van onze taal en literatuur mede bepalen. En dat is ook een kwestie van respect of een gebrek daaraan tegenover ons, Nederlandstalige auteurs uit verleden en heden.

Hier ga ik in op de slinkende status en populariteit van het schoolvak Nederlands in het middelbaar onderwijs, op auteurs die schrijven in de talen van de grootmachten die hen koloniseerden, op het werk van auteurs dat onzichtbaar voor ons blijft omdat het in de ‘verkeerde’ taal of op het ‘verkeerde’ continent is geschreven, op het belang literair vertalers, op de verschraling in het aanbod die daar het gevolg van is. Ik eindig met een samenvatting van de pijnpunten.

De oorzaak van het dalende aantal studenten aan alle Nederlandse en Vlaamse universiteiten die zich voor de richting Nederlandse taal- en letterkunde inschrijven wordt door deskundigen veelal gevonden in de status en invulling van het vak Nederlands op de middelbare school.

Het hoeft niet uitgelegd te worden dat het afschaffen van de bachelor-afstudeerrichting ‘Literatuur en Samenleving: Nederlands’ aan een grote universiteit in de grootste stad van Nederland dit imagoprobleem niet zal oplossen maar versterken. De beslissing staat bovendien haaks op de positieve evolutie die onze Nederlandstalige literaire wereld de laatste decennia heeft ervaren op het gebied van bedrijvigheid en structurele ondersteuning. Nooit waren zo veel Nederlandstalige auteurs zichtbaar buiten de landsgrenzen. Qua vertaalbeleid vormt ons taalgebied zelfs een voorbeeld voor Europa.

Het dalende aantal studenten in de geesteswetenschappen in Nederlandse en Vlaamse universiteiten, verengelsing en internationalisering, de commerciële houding van universiteiten tegenover hun aanbod en studenten, staan niet los van elkaar. Ze passen in een algemeen heersende tendens waarbij kennis en vaardigheden sneuvelen die worden beschouwd als minder meetbaar, minder economisch inzetbaar, minder winstgevend. De sturing die daar het gevolg van is werkt eenvormigheid in de hand.

In de internationale literaire wereld blijken enkele gelijklopende tendensen te spelen. De commerciële sturing vanuit voornamelijk het Amerikaanse taalgebied lijkt groter dan het bewustzijn daarover. De overheersing van de westerse Engelstalige wereld komt de diversiteit van het aanbod evenmin ten goede, zowel wat de zichtbaarheid van literatuur uit andere taalgebieden of andere plekken op de wereld betreft als de appreciatie ervan.

Je kunt openstaan voor een grotere wereld en toch bewaren wat waardevol is in eigen land en in andere niet-dominante taalgebieden. Dat waarde zeker niet alleen van een financiële meetlat valt af te lezen, staat voor mij buiten kijf. Zelf verlang ik naar een verbonden wereld, maar dan een waarin economische en intellectuele waarden niet met elkaar worden verward, zodat een ware diversiteit tot bloei kan komen.

Het is aan ons allen om ons over deze waardeschalen te bezinnen. Zoiets vraagt een inspanning, en inzicht in de eigen verantwoordelijkheid.

Annelies Verbeke

Bron: De Standaard – 24.05.2019

Een ode aan de spontane natuur

Dit is een ode aan de Schoonheid, Geachte Lezers, Beste Vrienden. De Schoonheid van de Natuur. Meer bepaald van de spontane natuur: natuur zonder dat er veel menselijke helpende handen aan te pas kwamen, zonder doorgedreven natuurbeheer. Schoonheid van natuur die kansen krijgt als de mens zijn handen er (grotendeels) van afhoudt. Dit is een ode aan de bloemenrijke berm die prachtige kleuren in een landschap kan brengen, linten van wit en geel en rood die het monotone groen en bruin doorkruisen en doorbreken. Linten die af en toe verrassen met andere tinten, zoals het blauw van ereprijsjes, vergeet-me-nietjes en af en toe een paar korenbloemen. Die laatste zijn zo goed als volledig verdwenen uit ons landschap – je bent een dag blij als je er toevallig een paar vindt.De foto’s zijn allemaal genomen in de Doelpolder, dat prachtige landschap dat stilaan de allures van échte poldernatuur krijgt, waarin de monotonie van de rechtlijnige monocultuur doorbroken wordt door een kleurrijk spektakel van bloemenlinten die mee een gevolg zijn van aandacht van boeren voor natuur en van natuurliefhebbers voor boerennatuur. Verweving van landbouw en natuur – het kan prachtige plaatjes opleveren.De bloemenweeldes huizen daarenboven een indrukwekkende fauna. Soms word je overweldigd door het zachtaardige gezoem van duizenden bijtjes en andere zwevende beestjes. Je ziet tientallen hommels druk in de weer met het bezoeken en betasten van bloemen. Je wordt overweldigd door een vlinderpracht, van de grote koninginnenpage tot de piepkleine dwerghuismoeder (een minuscuul nachtvlindertje dat overdag vliegt en bij nader toezien een mooi kleurenpalet biedt). Je ziet oranje vuurvlindertjes, tientallen blauwtjes, een paar schichtig wegschietende knalrode sint-jacobsvlinders. Je ziet bizarre penseelkevertjes met hun wollige gelige borststuk. Je laat je met graagte overdonderen door wat met een droge term ‘biodiversiteit’ heet.Als je je tijd neemt zie je enkele van de vele drama’s die zich ook in de prachtigste bloemenbermen afspelen – de natuur is geen vredevol gebeuren. Ik vond enkele soorten krabspinnen, witte en grijzige, die midden op een margriet zaten te wachten op een prooi. Ik zag een krabspin die een bijtje had gevangen – het vredige van het bloementafereel was even ver weg. Krabspinnen zijn afgeplatte beestjes met één of twee van hun vier paar poten die een stuk groter zijn dan de andere, als de scharen van een krab. Het zijn sluipmoordenaars die geen web maken, maar soms wel wat draden spinnen om zich stevig op een bloem te verankeren. Hun kleur is afgestemd op hun voornaamste bloemensubstraat, zodat ze niet te erg opvallen, anders zouden ze niet overleven. Als ze gevaar voelen, verstoppen ze zich aan de onderkant van hun huisbloem. De natuur is uiterst inventief in het uitdokteren van overlevingsstrategieën.Min of meer spontane natuur krijgt het kwaad in onze moderne tijd, waarin de mens, en zeker de landbouwende mens, alles wat natuurlijk is zoveel mogelijk ‘onder controle’ wil houden, wat dikwijls gelijkstaat aan verdelgen. Een valse noot in het bloemenprachtverhaal was de boer die met een wagen met aanhangwagen waarop een kleine tank was geplaatst, langs zijn weilanden reed om pesticiden te gaan sproeien op de bloemenranden. Hij sproeide zelfs langs kleinschalige weilandjes met enkele koeien, waarlangs geen monocultuur te bespeuren viel. Sproeien uit gewoonte of uit hardnekkigheid! Een koppel tureluren – zeldzame weidevogels – hing luid roepend de man terecht te wijzen – het had ongetwijfeld jongen in de buurt. Hij had er geen oog of oor voor. De boerennatuur is nog niet aan iedereen besteed. Maar de tijden veranderen. Langzaam.De natuurpracht van bloemenbermen kan ook een lesje zijn voor de vele mensen die nog altijd niet beseffen hoe mooi een tuin kan zijn als je hem wat zijn gangen laat gaan. Als we alle wegbermen en (zoveel mogelijk) tuinen zo natuurvriendelijk mogelijk zouden bejegenen, zouden we veel nieuwe en prachtige natuur kunnen creëren. Vandaar deze ode aan de schoonheid van de bloemenberm. Hopelijk opent hij vele ogen.
Voor de determinatie van krabspinnen dank ik spinnenexpert Koen Van Keer en voor de dwerghuismoeder vlinderexpert Wim Veraghtert. Alle foto’s zijn gemaakt met een eenvoudige gsm. De beestjes zijn penseelkever, dwerghuismoeder en krabspin.

Dirk Draulans – Facebook – 25.05.2019

Het klimaatprobleem

Alles begint bij jezelf! Zo ook het klimaatprobleem oplossen.

Het milieu is voor de meeste mensen van geen tel, en het zijn dus wij die de natuur om zeep helpen, niet de politici, zoals tegenwoordig heel hard geroepen wordt.

Vroegere generaties hebben voor welvaart gezorgd, waar de huidige jonge generatie nu volop van kan genieten. Problemen van klimaat en milieu waren toen nog niet aan de orde, wel twee wereldoorlogen en veel miserie.

Daarna kwam de welvaartstaat en die moet nu bijgestuurd worden en dan vooral door ons, de mensen, en wel wereldwijd, opdat we onszelf niet naar de verdoemenis verhelpen met al onze luxe en overdaad.

Ik ben het dan ook helemaal eens met Jan Rotmans die stelt dat het klimaatprobleem oplossen, in de eerste en belangrijkste plaats, het probleem in onszelf oplossen is.

Het klimaatprobleem oplossen, is het probleem in onszelf oplossen

Jan Rotmans

In Brainwash Talks van Human delen invloedrijke denkers, schrijvers, kunstenaars en wetenschappers verrassende ideeën voor persoonlijke en maatschappelijke problemen. Deze keer hoogleraar Transitiekunde Jan Rotmans, die we de vraag voorleggen welk probleem er over vijftien jaar de wereld uit moet zijn.

“Als we het probleem van klimaatverandering willen oplossen, moeten we het probleem in onszelf oplossen. 34 jaar geleden begon ik onderzoek te doen naar klimaatverandering. Ik ben wiskundige. Toen ik als kleine jongen hardop droomde, wilde ik twee dingen. Ik wilde professor worden. Het liefst in de wiskunde. Iets met rekenen. En ik wilde de wereld een beetje mooier kleuren.

Ik ging wiskunde doen. Prachtig vak. Aan de TU Delft. Maar het was heel theoretisch. Het heette ‘toegepaste wiskunde’, maar ik zag jarenlang alleen maar gamma’s, xi’s en psi’s. Totdat ik ging afstuderen. En ik kon twee dingen doen. Ik kon vliegtuigbewegingen simuleren, of simuleren hoe de ijskappen aan het smelten waren. In 1985. Ik wist er helemaal niets van, maar het leek me wel boeiend.

Ik ging werken bij een keurig instituut, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, waar ik eigenlijk helemaal niet paste. Want ik ben nogal ondeugend, om niet te zeggen recalcitrant. Ik begon daar met een leeg vel. Ik vroeg: ‘Wat is er allemaal aan onderzoek op dit gebied?’ En ik kreeg één boek. Dat was een gezaghebbend boek. Er waren een paar mensen in Nederland onderzoek naar aan het doen, die heb ik toen bezocht. Ik zei: ‘Ik wil eigenlijk één computersimulatiemodel maken waar alles in zit: de oorzaken en de effecten, maar ook het hele biologisch-fysisch mechanisme.’

Al die onderzoekers zeiden dat ik daar niet aan moest beginnen, omdat het te onzeker was. En als mensen mij iets afraden om te doen, dan ga ik er meestal mee door. Dat is een goede tip: als je een vernieuwend idee hebt en mensen zeggen: ‘Niet doen’, dan zou ik ervoor gaan. Maar als mensen zeggen: ‘Ja, ga ermee door’, dan zou ik gaan twijfelen. Dus ik ging ermee door. En na een jaar had ik iets gemaakt, waren er een paar mensen enthousiast. Een groot aantal mensen schudde het hoofd. ‘Mag dat wel, als je al die onzekerheden opstapelt?’

Dit was een tijd waarin we het probleem anders benoemden. Het heette het CO2-probleem. Later werd het het broeikasprobleem en toen pas het klimaatprobleem. Ik ben erop afgestudeerd. En ik werd gevraagd om erop te promoveren. In de tussentijd mocht ik er presentaties over geven, onder andere in de Tweede Kamer. En ik stond daar, en ik zie nog de verbaasde blikken van de Tweede Kamerleden. CO2-probleem?

Ed Nijpels was milieuminister en die had het per ongeluk over het CO-probleem. Ik zei: ‘Minister, het is CO2.’ Hij zei: ‘Ja, dat ene atoom… Wat maakt het uit?’

Die tijd. Ik promoveerde in 1990 en ik kreeg geen cum laude. Ik was wel een beetje verontwaardigd. Maar ik was ook wel onzeker, want het was ook allemaal onzeker. Wat ik gemaakt had, bleek het eerste integrale klimaatmodel ter wereld te zijn. Er zaten guldens in en moleculen. Eén van mijn commissieleden zei: ‘U heeft fascinerend onderzoek gedaan naar een probleem wat misschien over 25 jaar wel niet blijkt te bestaan.’ Toen heb ik daar een fles whisky op gezet. En die heb ik een aantal jaren geleden geïnd. Ik heb inmiddels zeventig flessen whisky staan in mijn kelder. Allemaal gewonnen met weddenschappen. Ik verlies ze ook weleens, maar niet zo heel veel.

Ik ben met dat model doorgegaan. En ik ben er ook wel trots op dat dat na al die jaren nog wordt doorontwikkeld. Er hebben honderden mensen aan gewerkt. Ook weer anderen zijn erop gepromoveerd. Het is actief gebruikt bij de klimaatonderhandelingen de afgelopen decennia. Dus: een mooi inzicht: dat je toch je eigen weg volgt als iedereen het je afraadt. Er zijn nu hartstochtelijke aanhangers die mij destijds afraadden om ermee door te gaan. Ik zal ze niet met naam en toenaam noemen. Maar het is een mooi levenspad.

En toen dacht ik: tien jaar onderzoek, wij weten nu genoeg. Dus laat ik eens kijken naar het hoe. Hoe gaan we dit probleem nou oplossen? Ik dook diep in de systemen: het economische, maatschappelijke en ecologische systeem. We hebben systeemtransities nodig. Dat is evident. Toen heb ik een heel transitie-onderzoeksprogramma opgezet, Samen met andere hoogleraren als Johan Schot en John Grin. We hebben, dat is wel ironisch, 10 miljoen euro gekregen uit de aardgasbaten om dat te doen. En we moesten zelf ook dat bedrag binnenbrengen. Dat hebben we gedaan.

Eén week voordat ik zou beginnen met het onderzoek maakte ik een fietstocht in de Franse Pyreneeën, want ik wil ook in mijn vrije tijd die toppen bereiken. Ik was een verwoed amateurracefietser. Ik had eerder al beklimmingen gedaan als de Mont Ventoux, maar ik wilde dolgraag naar de Pyreneeën. De eerste dag beklommen we de Marie Blanque en de Aubisque. De dag erna zouden we mijn droom gaan doen: de Tourmalet. Aan het einde van de eerste dag ging ik onderuit. Ik moest uitwijken voor een auto, kwam op slecht wegdek terecht, sloeg over de kop en viel plat op mijn gezicht. Mijn vrouw fietste voor mij. Die heeft het nooit zien gebeuren. Mijn vriend fietste achter mij, zonder helm. Ik had een helm op. Voor het eerst. Cadeautje van mijn moeder. Een paar weken voor ik vertrok van haar gekregen.

Ik werd wakker in het ziekenhuis van Lourdes. Nou ben ik niet rooms-katholiek opgevoed, maar ik dacht: ‘Hier komt de zegen van boven.’ Helaas, ik was een te gecompliceerd geval, want ik had alles gebroken wat je kunt breken: onder- en bovenkaak. Kaakbot weggeslagen. Groot deel van het gebit. Jukbeenderen. Oogkas. Neus. Alles. Voor de rest van mijn leven ben ik ‘een interessante casus’. Dat vonden die specialisten namelijk. De eerste was echt een vakman. Want ik was onherkenbaar. Aan de hand van foto’s heeft hij mijn gezicht moeten reconstrueren. En dank u wel, het is best goed gelukt. Vanbuiten. Vanbinnen voelt het anders.

Ik was zo kwetsbaar en weerloos. Maar al die specialisten die me hielpen zeiden: ‘Jij komt er sterker uit.’ Nou, zo voelde dat niet, maar ik kon niks zeggen natuurlijk. Drie maanden lang had ik een kaakfixatie. Bij de eerste specialist schreef ik op een briefje: ‘Wilt u wel opschieten, want volgende week begint mijn transitie-onderzoek.’ Toen zei hij: ‘Misschien kunt u wel nooit meer werken. Waarschijnlijk heeft u hersenschade.’ En mijn brein, dat is ongeveer mijn grootste bezit. Gelukkig bleek na uitgebreid onderzoek dat mijn hersens goed functioneerden. Ik kon een paar weken later naar Nederland worden vervoerd. Daar ging mijn revalidatie verder.

Terwijl mijn onderzoeksinstituut werd gestart door Marjan Minnesma en Derk Loorbach, die ik had aangetrokken, lag ik in het ziekenhuis en daarna thuis te revalideren. Ik kon maandenlang niks doen. Aan de ene kant een kwelling, maar aan de andere kant een opluchting. Voor het eerst van mijn leven viel alle druk van me af. Toen ging ik diep in mezelf kijken. Ik stelde mezelf één vraag: ‘Doe je nou werkelijk wat je wilt, of wil je wat je doet?’ Ik dacht: ‘Natuurlijk doe ik wat ik wil. Ik ben succesvol wetenschapper. Ik ben een pionier op het gebied van klimaatverandering, duurzaamheid en transities.’

Toch ging het knagen. Ik dacht: ‘Eigenlijk doe ik niet wat ik wil. Mijn kennis bereikt een paar duizend wetenschappers. De samenleving profiteert daar niet van.’ Toen dacht ik, ik moet activist worden. Ik moet zorgen dat de samenleving iets kan doen met die kennis. Dus ik werd scientivist. Scientist en activist. In Nederland zeggen ze soms: wetenschopper. En dan ben je in Nederland aan de beurt. Want ja, een wetenschapper moet objectief zijn. Hij mag geen partij trekken. Maar objectieve wetenschap bestaat niet. Er is intrinsieke subjectiviteit.

Toen ik dit pad koos, transformeerde ik als mens. Ik werd kwetsbaarder. Je verliest wat aan wetenschappelijke autoriteit, maar je wint wat aan maatschappelijke autoriteit. Er gebeurde heel wat vanbinnen en vanbuiten. Toen besloot ik om Urgenda op te richten, samen met Marjan Minnesma. Urgenda betekent urgente agenda. Agenda: de dingen die gedaan moeten worden. Urgenda betekent: nu, urgent. Want we hadden een schatkamer aan transitiekennis, die niemand gebruikte. Ik heb toen een stuk geschreven met veertig doelstellingen voor de komende veertig jaar. Een stuk dat integraal werd geplaatst in NRC. We kregen duizenden reacties. Eindelijk een inspirerend stuk over de duurzame toekomst.

Het leuke was dat we het in de kroeg hebben bedacht, dus het staat op twee bierviltjes. En tot op de dag van vandaag draagt Marjan Minnesma die twee bierviltjes in haar tas. Daar stonden de uitgangspunten op. Iedereen om ons heen raadde het ons af. Niet weer zo’n milieuclubje! Daar zijn er al zoveel van. En opnieuw, als mensen je afraden om iets te doen moet je het juist doen. We gingen ermee door. En we werden bekend, zelfs wereldberoemd. Marjan heeft dat uitstekend gedaan. Na verloop van tijd liet ik het los. Ik ben iemand die dingen opzet en ze overdraagt aan anderen. Ik kan dingen niet beheren of managen, daar ben ik niet goed in. Maar ik kan wel dingen opzetten en verzinnen. En toen gingen we, je raadt het al, een rechtszaak aanspannen tegen de staat. En wat zei iedereen? Dat moet je niet doen.

We deden dat wel, en we wonnen. En toen dacht ik: ‘Als we dit probleem van klimaatverandering nou willen oplossen, wat moet er dan gebeuren?’ Eigenlijk moeten we dan een probleem in onszelf oplossen. Ik heb dertig jaar geworsteld met systemen, maar eigenlijk zijn wij het systeem dat een oplossing in de weg zit. Ik droom van een economie en een samenleving die wel schoon en duurzaam zijn. Ik zie windmolenparken op zee, zonnepanelen op daken en velden. Ik zie dat we schoon rijden. Ik zie ook dat we zuiver en schoon eten. Ik zie dat we zelf zuiver worden.

Want dat is mijn grootste inzicht. We wijzen naar technologie, naar de economie, maar de markt, naar de overheid. Maar we duwen het allemaal buiten onszelf. We moeten het probleem in onszelf oplossen. Als wíj werkelijk willen, wíj onze leefstijl aanpassen, dan kunnen we dit probleem oplossen. Maar we leggen het te vaak buiten onszelf neer. Dus dat is mijn hele pleidooi: vandaag beginnen met een duurzame leefstijl, een paar keer per week minder vlees eten, minder gaan vliegen en uiteindelijk helemaal niet meer, en elektrisch vervoer nemen. Een elektrische fiets spaart heel veel autokilometers uit. Je kunt heel veel doen, nu al.

Als we het werkelijk nu doen, kunnen we dit probleem over 15 jaar oplossen. En al 34 jaar hoor ik: ‘Het kan niet, het mag niet.’ En heel soms komt er iemand langs die daar niet in gelooft en daar maling aan heeft. En dat was ik.”

Bron: Brainwash

Water in de tuin

De laatste aanwinst in de tuin! Ik heb van een teil in oud zink een vijvertje gemaakt, in de hoop dat de tuin ook nog andere diertjes aantrekt en ik hoop natuurlijk heel erg op kikkers of padden, maar daar is eigenlijk weinig kans voor, of ze zouden met de trein moeten komen!

Ik heb nu in totaal drie waterpartijen in de tuin en libellen die heb ik al wel gezien. Bovendien hebben de vogeltjes zo altijd water en ze wassen er zich ook heel graag in.

De plantjes die ik er in gezet heb zijn pinksterbloemen, vederkruid en waterranonkel en ik heb hiervoor speciale vijvergrond gebruikt en natuurlijk regenwater.

Bezige bij of ADHD?

Leonardo da Vinci had ADHD

Een neuroloog verklaart de vele onafgewerkte kunstwerken en enorme creativiteit van Leonardo da Vinci.
De meest moderne van de grote kunstenaars had ook een erg ‘moderne’ ziekte. Neuropsychiater Marco Catani (King’s College London) komt met bewijs dat Leonardo da Vinci ADHD had. ‘Hopelijk helpt die ontdekking om het stigma weg te werken.’

“De meester van het onvoltooide”, zo wordt schilder, beeldhouwer en uitvinder Da Vinci ook wel genoemd. Want hoewel briljant, liet de maker van Mona Lisa ongeveer een kwart van zijn schilderijen onaf, tot woede van zijn opdrachtgevers, onder wie paus Leo X. Aan het schilderij Aanbidding der wijzen werkte Da Vinci bijvoorbeeld zeven maanden, waarna hij ermee ophield.

Vijf eeuwen na zijn dood schrijft neuroloog en psychiater Catani nu in vakblad BRAIN dat Da Vinci’s permanente uitstelgedrag en uitzonderlijke creativiteit zeer wellicht te wijten zijn aan ADHD. “Hoewel je onmogelijk een hersenscan kan maken van iemand die 500 jaar geleden leefde, weet ik zeker dat ADHD de meest overtuigende en plausibele verklaring is voor Leonardo’s problemen met werk afmaken”, zegt Catani.

Slechte reputatie

Hij hanteert drie soorten bewijsmateriaal: Da Vinci’s eigen schrijfsels, materiaal van biografen en getuigenissen van tijdgenoten. Uit biografische gegevens blijkt bijvoorbeeld dat de Italiaanse meester als kind al steeds bezig was, van de ene naar de andere activiteit sprong en erg weinig sliep. Tegen het einde van zijn leven had hij zo’n slechte reputatie in Italië omdat hij zo weinig afwerkte, dat hij naar Frankrijk verkaste.

“Hij klaagde ook zelf over zijn onrust”, zegt Catani. “Aan het einde van zijn leven zei hij dat hij had gefaald omdat hij zoveel niet afgemaakt had. Dat lage zelfvertrouwen doet me aan mijn ADHD-patiënten denken”, zegt Catani. Er zijn ook neurologische aanwijzingen. “Uit zijn manuscripten leren we dat hij zeer wellicht linkshandig en dyslectisch was en dat taal dominant was in zijn rechterhersenhelft, allemaal kenmerken die typisch zijn voor ADHD.”

Beroerte

Dat van die hersenhelft concludeert Catani uit het feit dat de kunstenaar zijn rechterhand niet meer goed kon gebruiken na een beroerte. “Dat wijst op een beroerte in de linkerhersenhelft en normaal gezien raakt dan je taalvermogen aangetast, maar dat was bij hem niet zo. Dat wijst op dominante taligheid rechts”, stelt de expert.

Catani benadrukt dat ook de combinatie van die eeuwige rusteloosheid en de gulzige nieuwsgierigheid voor zeer veel onderwerpen typerend is. “Zo’n dwalende geest leidt ook tot grote creativiteit. Hij was erg goed in feestjes organiseren omdat je dat niet kunt uitstellen. Ik zie in hem het bewijs dat het een grote misvatting is dat ADHD iets te maken zou hebben met mindere intelligentie. Eigenlijk leek hij erg op de mens nu: altijd op zoek naar nieuwe inspiratie, niet in staat ergens lang de aandacht bij te houden. Maar ook dat kan dus schitterend en baanbrekend werk opleveren.”

Bron: DE MORGEN – 24.05.2019

Ik herken mezelf in dit artikel. Op school noemde men mij een bezige bij. Werd ik nu geboren zou men mij misschien een ADHD etiket opplakken.

Ik ben ook linkshandig en vaak rusteloos. Wat creativiteit betreft heb ik mezelf opgelegd om elke tien jaar van “hobby” te veranderen. Of taal nu in mijn linker of rechter hersenhelft zit dat weet ik niet, maar taal is wel dominant  aanwezig in mijn leven. En wat die onafgewerkte werken betreft, in het leven is nooit iets helemaal af…

Boek: Reiziger. De waanzin voorbij.

‘Wie denkt ooit weer te kunnen drinken, zal niet herstellen.’ De zakenman & de therapeute over hun alcoholverslaving.

HUMO – 13.05.2019

Op 22 mei 2013 dronk Philip Muls (53), vicepresident bij een softwaremultinational, nog snel een fles schuimwijn voor hij zich voor de vierde keer liet opnemen in een afkickcentrum. Met de hulp van therapeute en ervaringsdeskundige Myriam Bruyninckx (49), zelf al 16 jaar van de fles af, lukte het hem om alcohol te laten. Exact zes jaar na die laatste slok verschijnt Muls’ boek ‘Reiziger. De waanzin voorbij’, waarin hij het mentale gevecht beschrijft om een leven zonder drank uit te bouwen.

Plaats van afspraak is The Cobbler, een fraaie cocktailbar in het historische hart van Gent. Op vraag van Muls zelf – ons lijkt het gerinkel van wijnglazen op de achtergrond vooral zelfkwelling voor ex-alcoholici.

MYRIAM BRUYNINCKX «Ik ben ondertussen zestien jaar nuchter, ik heb al een volledig ander leven uitgebouwd. Ik zou hier ook ’s avonds kunnen komen. Net zoals vegetariërs het niet erg vinden dat iedereen rondom hen vlees eet, stoort het mij ook niet om andere mensen te zien drinken. Maar dronken mensen storen mij wel (lacht). Voor mij geldt ook niet dat ik niet mág drinken: ik wíl gewoon niet meer drinken. Dat ene woordje maakt een wereld van verschil: het is een bewuste keuze.»

PHILIP MULS «Het is nu halftien ’s ochtends: zeven jaar geleden zou ik al een glas witte wijn besteld hebben. Drie jaar geleden zou ik het nog moeilijk gehad hebben in deze setting. Omdat ik de drank próéfde zodra ik in de buurt van een bar kwam, heb ik alles wat met alcohol te maken had een hele tijd vermeden. Want als ik vroeger dronk, kon ik geen maat houden. En dat leverde steeds meer problemen op. Verschillende dokters hebben mij destijds gezegd: ‘Je lever kan zich nog herstellen als je nú stopt, maar het zal niet lang meer duren voor de schade onomkeerbaar is.’»

HUMO Hoe reageer je op zulk nieuws?

MULS «Het maakte tegenstrijdige gevoelens los: enerzijds maakte ik me zorgen om mijn gezondheid en mijn familie, anderzijds kon ik gewoon niet stoppen. Ik wilde het aanvankelijk ook niet: het móést.»

BRUYNINCKX «Bij mij was het niet op leven en dood: ik was een sociale drinker die enkel ’s avonds op café dronk. Maar op den duur had ik wel heel mijn leven daarop ingericht, al mijn vrije tijd kroop erin. Zodra ik begon te drinken, kon ik ook niet meer stoppen. Ik had ongelofelijke katers waardoor ik dikwijls niet kon gaan werken, met alle gevolgen van dien. En ik had last van black-outs, waardoor ik niet meer wist wat ik precies gezegd of gedaan had.

Op een bepaald moment wordt de alcohol sterker dan jezelf en kun je zelf niet meer kiezen wat je doet. Het is alsof je in een parallelle wereld zit. Wanneer je weer nuchter bent, voel je je schuldig en beschaamd, en wil je ermee stoppen, maar die andere wereld trekt ook aan je: die belooft dat je alles even kunt loslaten en dat je je goed zult voelen. De spagaat tussen die werelden wordt almaar heftiger. Daar kun je jaren in vastzitten: ‘Ik moet stoppen, maar ik wil het niet.’ Het is een ongelofelijk gevecht.»

MULS «Een gevecht dat je niet denkt te kunnen winnen. Je wordt er wanhopig van: je wilt stoppen omdat je ziet tot wat voor ellende het leidt in je gezin en op je werk, maar de verslaving neemt het van je over. Ik ben al van kleins af aan een neurotische piekeraar geweest. Toen ik op mijn 17de op zomerkamp voor het eerst een glas witte wijn dronk, dacht ik: ‘Dit kan niet waar zijn, er bestaat een wondermiddel dat die zorgen wegneemt!’ Spijtig genoeg was dat voor mij zo’n miraculeuze oplossing dat ik tot op mijn 47ste heb moeten zoeken naar een andere manier om datzelfde effect te bereiken.»

HUMO Je beschrijft in je boek hoe je als kind al met doodsangst worstelde.

MULS (knikt) «Mijn moeder was 42 toen ze mij kreeg. Het was een ongeplande zwangerschap, en vóór mij hadden mijn ouders een zoontje verloren dat ook Philip heette. Ik ben dus vernoemd naar mijn overleden broer. Het is pas uit mijn gesprekken met Myriam dat ik geleerd heb dat ik het verdriet van mijn ouders als kind geïncorporeerd heb. Ik heb als klein manneke altijd te horen gekregen dat het een klein mirakel was dat ik ondanks de leeftijd van mijn moeder kerngezond was. Daarom schrijf ik ook: ‘Mijn geluk was al opgebruikt zodra ik ter wereld kwam.’ Dat gevoel heb ik altijd gehad.»

BRUYNINCKX «Psychologisch gezien wordt dat je referentiekader: ‘Het is een wonder dat ik hier ben, dus het kan elk moment afgelopen zijn.’»

MULS «Terwijl je het ook positief zou kunnen bekijken: ‘Ik ben een geluksvogel!’ Maar dat kon ik helaas niet. Omdat mijn moeder mij heel beschermend heeft opgevoed, was ik ook bang om haar te verliezen. Het heeft me opgezadeld met verlatingsangst: als 7-jarige was ik bijvoorbeeld bang dat mijn moeder niet zou terugkeren als ze om boodschappen ging.

Nu, mijn boek is een combinatie van fictie en non-fictie. Ik heb het bewust vanuit een alter ego (Peter, red.) geschreven omdat ik het anders te confronterend vond voor mijn familie – hun namen heb ik ook veranderd. Maar het klopt wel dat ik me net als mijn alter ego zorgen om mijn familieleden heb gemaakt, waardoor ik nog méér begon te drinken. En ik reis ook in het echte leven veel voor mijn job, maar sommige stukken uit de reisverhalen zijn uitvergroot om een bepaald punt te maken. Alles is gebaseerd op waargebeurde feiten.»

BRUYNINCKX «En voor alle duidelijkheid: ik ben níét de psychiater uit Philips boek. Ik heb er niet aan meegewerkt.»

MULS «Myriam is wel een inspiratiebron. Wat de psychiater in het boek aan Peter vertelt, is gebaseerd op de vele gesprekken die ik met Myriam gevoerd heb. Zes jaar lang heb ik met haar gepraat over drinken, maar nog meer over níét drinken: ‘Hoe kan ik tot rust komen zonder drank?’

Voor mijn werk vlieg ik heel veel naar Azië – ik ben vicepresident voor de Aziatische markt bij het bedrijf waarvoor ik werk, en ik woon momenteel in Singapore. Toen ik een viertal jaar geleden tijdens de vele nachtvluchten de slaap niet kon vatten en veel passagiers rondom mij zag drinken, ben ik mijn ervaringen op papier beginnen te zetten, in het Engels. Het bleek me te ontspannen. Omdat de gebruikelijke lectuur over alcoholverslaving zich vooral toespitst op het drinken zelf en op het initiële afkicken, maar niet gaat over hoe je daarna verder moet, heb ik ervoor gekozen wel te focussen op het mentale proces dat je achteraf doorloopt. Ervan uitgaand dat alcoholverslaafden er iets aan zouden kunnen hebben, heb ik die Engelse verhalen op enkele Amerikaanse websites gepost. De kritieken waren zo goed dat ik mijn verhalen vorig jaar in eigen beheer in boekvorm heb uitgebracht onder de titel ‘Mind on Fire: A Case of Successful Addiction Recovery’. Ik haalde onverwachts de top 3 van de International Book Awards, waarna mij voorgesteld werd een Nederlandse vertaling op de markt te brengen.»

Het Delirium nabij

HUMO Heeft een verslaving altijd een psychologische oorsprong, Myriam?

BRUYNINCKX «Meestal wel. Net zoals ik het als een sociaal glijmiddel gebruikte, geeft het iedereen die begint te drinken iets wat ze elders niet vinden. Alcohol wordt dan gezien als het ontbrekende stukje van de puzzel: denk aan het effect van Philips eerste glas wijn op zomerkamp. En vervolgens wordt dat effect zoveel mogelijk nagejaagd. Dat is een voorwaarde om alcoholist te zijn: de drank moet iets ongelofelijks met je doen wat je op geen enkele andere manier kunt bekomen. Dat gevoel belooft drank elke keer opnieuw, en elke keer trap je er weer in. Zo raak je verslaafd. Je grenzen beginnen steeds meer op te schuiven, met alle gevolgen van dien.

Ik begon bijvoorbeeld uit te kijken naar vijf uur in de namiddag, wanneer ik kon beginnen te drinken. Ik noemde dat dan ‘aperitieven’, want dat is sociaal aanvaard. Vijf uur wordt langzamerhand halfvijf, tot je je drankgedrag verantwoordt met de gedachte: het zal wel érgens vijf uur zijn.»

MULS (lachje) «It’s five o’clock somewhere.»

BRUYNINCKX «Je wordt ook steeds allergischer voor alcohol. Je lichaam begint meer en meer te protesteren en je wordt sneller dronken omdat je lever het allemaal niet meer verwerkt krijgt.

Ik ben op 22 november 2003 voor het eerst naar de AA gegaan, nadat ik al vijf dagen niet meer gedronken had. Maar dat Philip nog snel een fles schuimwijn achteroversloeg voor hij zich liet opnemen, is typisch: een alcoholicus wil afscheid nemen van zijn verslaving.

Via de alcohol kon Philip zijn gepieker onderdrukken, maar drinken brengt ook veel stress met zich mee: je moet blijven functioneren op je werk, en je omgeving begint terecht te klagen omdat je dikwijls niet écht aanwezig bent. Hoe meer druk je ervaart, hoe meer nood je hebt aan loslaten, en hoe meer je je toevlucht zoekt in de drank. Je komt terecht in een neerwaartse spiraal.»

MULS «Tot m’n 43ste was ik een high-functioning alcoholicus. Maar daarna kantelde het. Mijn persoonlijke dieptepunt beleefde ik toen ik om drie uur ’s nachts badend in het zweet wakker werd. Ik had amper vijf uur eerder nog gedronken, maar werd bibberend wakker, omdat mijn lichaam alcohol nodig had. Ik besefte toen dat ik geen controle meer had over mijn verslaving, maar ik was ook bang dat ik een beroerte zou krijgen als ik niet zou opstaan om iets te drinken. Toen ik de wijn uit de koelkast nam, voelde ik evenveel geluk als zelfhaat. Dat deed me beslissen een vierde en laatste keer af te kicken. Ik had me nog nooit zo radeloos, machteloos en hulpeloos gevoeld.

Je dieptepunt moet zo diep mogelijk zijn, wil je voorgoed van de drank kunnen afblijven. Ik ben drie keer hervallen na telkens een opname van een zestal weken. Dat ik ondanks de therapie toch drie keer hervallen ben, gaf me een rotgevoel, maar dat gevoel had ik wél nodig om te kunnen stoppen. Ik zie nog altijd de groene linoleumvloer van dat kamertje tijdens m’n vierde opname voor me, wachtend tot de misselijkheid overging. De eerste drie dagen waren de afkickverschijnselen enorm erg, maar daarna is de fysieke afhankelijkheid grotendeels over. De mentale afhankelijkheid duurt langer. Je zelfrespect is ook weg: ‘Wat zit ik op m’n 47ste te doen in een klein kamertje tussen een hoop andere losers?’ – want zo voel je je.

Zodra je het punt bereikt waarop je zegt: ‘Ik geef de strijd op, ik aanvaard dat nooit meer ga kunnen drinken’, kun je herstellen. Wie daarentegen wél denkt ooit weer te kunnen drinken, zal niet herstellen.»

BRUYNINCKX «Vaak denken probleemdrinkers dat ze genezen zijn als ze een tijd stoppen met drinken: ‘Ik ga af en toe een glaasje drinken, maar zal niet overdrijven.’ In het begin lukt dat. Maar de alcohol trekt op zo’n manier aan je dat het interval tussen de periodes waarin je drinkt, steeds kleiner wordt. Binnen de vier maanden plak je eraan vast als nooit tevoren.»

HUMO Vindt u Tournée Minérale een goed initiatief? Leert het mensen ook na februari minder in de drank te vliegen?

BRUYNINCKX «Veel mensen die in februari niet drinken, hebben geen alcoholprobleem. Sommige deelnemers zijn wel drinkers en zien in Tournée Minérale een bevestiging: ‘Zie je wel, ik kan een maand stoppen met drinken, ik heb geen drankprobleem.’ Maar ze tellen wel af tot de maand om is, waarna ze beginnen te drinken als nooit tevoren.

Pas op, ik ben een grote voorstander van het initiatief, maar het is niet omdat je een maand kunt stoppen met drinken dat er geen probleem is. We ervaren het pas als een probleem als we niet anders meer kunnen: ‘Nu moet ik veranderen.’»

HUMO Philip, voor jouw eerste afkickpoging trok je naar Curaçao.

MULS «Ik dacht: als ik dan toch moet stoppen met drinken, dan liever in een luxeresort op een eiland. Ze hadden mij gezegd om niet dronken te arriveren, maar er niet bij gezegd dat het gevaarlijk is om van de ene dag op de andere te stoppen met drinken zonder dat je benzodiazepines (slaapmedicatie, red.) neemt. Toen ik nuchter op het vliegtuig zat, dacht ik dat ik zou sterven. Het heeft geen haar gescheeld of ik was in een delirium tremens terechtgekomen. Gelukkig zag de psychiater direct wat er aan de hand was toen ik arriveerde: ze heeft me meteen een dosis valium toegediend om mijn hartslag te reguleren. Maar op de terugvlucht zijn we met alle patiënten weer beginnen te drinken.»

BRUYNINCKX (tot Humo) «Erg, hè.»

MULS «Iemand zei: ‘Sorry mannen, maar ik heb drank nodig.’ Meer hadden we niet nodig.»

HUMO Is het drankgenot op zo’n moment groter dan het schuldgevoel?

MULS (denkt na) «’t Is een mix van beide, denk ik.»

BRUYNINCKX «De eerste slok biedt opluchting, omdat je het gevecht met jezelf stopt. Maar terwijl je het tweede glas inschenkt, begint een ander gevoel naar boven te komen: ‘Waar ben ik mee bezig? Ik ben weer aan ’t falen!’ Dan is het toch al om zeep, dus kun je verder blijven drinken.

Alcoholverslaving is een ziekte waarvan je nooit meer afraakt. Vandaar dat ik me na zestien alcoholloze jaren nog altijd als ‘alcoholiste’ omschrijf.»

MULS (plots) «Die mevrouw achter je heeft net een glas schuimwijn besteld!»

BRUYNINCKX «Ik let daar al niet meer op.»

MULS «Zulke dingen merk ik nog steeds op.

Door te schrijven en te mediteren ben ik in de loop van die zes jaar tot inzichten gekomen, en weet ik mezelf ondertussen te kalmeren en zelfs goed te voelen zonder drank. Daarover gaat het boek: hoe raak je op dat punt?

Ik ben van nature nogal rationeel en zakelijk, niet supersociaal. Geef mij een glas wijn en ik praat met iedereen, maar die eerste drie nuchtere jaren kon ik bijna geen gesprekken meer voeren zonder angst. Ik heb dat opnieuw moeten leren. Vorige week was ik in Korea voor een meeting van mijn bedrijf, en ik vond het interessant om te zien hoe iedereen tegen zessen naar de hotelbar snelde. Van de 150 aanwezigen waren we slechts met een vijftal dat niet dronk. Je ziet iedereen elkaars beste vriend worden. Ik kon niet naar mijn hotelkamer, want er wordt van mij verwacht dat ik ook ’s avonds sta te verbroederen: er moet genetwerkt worden. Dat vergt veel van mij. Dat mis ik nog altijd: een evenwaardige bron van ontspanning.»

HUMO Zijn die 145 anderen alcoholici?

BRUYNINCKX «Een alcoholist is iemand die zichzelf en zijn omgeving door de drank last berokkent en niet in staat is om daarmee op te houden. Zodra er systematisch ruzies ontstaan over je drankgebruik en je dingen begint te doen of te zeggen die je eigenlijk niet bedoelt, is er een probleem.

In België zou één op de tien alcoholicus zijn, maar dat is maar het topje van de ijsberg, want dat zijn geregistreerde alcoholisten. Het ware cijfer ligt rond de 30 procent. Ik ben nooit fysiek afhankelijk geweest, maar ik ben absoluut wel verslaafd geweest. Ook als je psychologisch afhankelijk bent, is het moeilijk om te stoppen en dat vol te houden. Maar als mensen stoppen met drinken, moeten ze zich vaak verantwoorden tegenover hun omgeving: ‘Waarom ben je gestopt?’ Terwijl iedereen je feliciteert als je stopt met roken. Het is een soort collectieve verslaving.»

MULS «Ik zoek allang geen excuses meer wanneer me gevraagd wordt waarom ik niet drink. Ik zeg eerlijk dat ik vroeger een drankprobleem had, en krijg dan meestal gemengde reacties. ‘Oei’ komt meestal van mensen die zich geconfronteerd voelen met het feit dat zij wel drinken. Soms klinkt er ook respect in door: ‘Amai, die is ermee gestopt.’ Of je ziet ze denken: dan moet het wel heel erg geweest zijn. In het begin destabiliseerde mij dat enorm. Ik wilde die confrontatie niet aangaan.»

BRUYNINCKX «Mensen die pushen om te drinken, zijn veelal zelf hevige drinkers. Het is leuker om allemaal samen losser te worden, want dan word je niet raar bekeken door de nuchtere van het gezelschap. Zodra ze dronken zijn, komen ze dan wel zeggen: ‘Ik zou ook beter wat minderen.’»

Brave huismoeders

HUMO Je hebt er nooit aan gedacht van job te veranderen om minder in de verleiding te komen, Philip?

MULS «Ik heb mijn drinkgedrag nooit geassocieerd met mijn job – met een andere job had ik wel een andere manier gevonden om te kunnen drinken. Ten tijde van mijn opnames had ik gelukkig een begripvolle baas. Ik heb een paar keer vanuit het afkickcentrum naar mijn werk gebeld, omdat ik daar wel heel ongerust over was. Maar ik werd gesteund om iets aan mijn probleem te doen.»

BRUYNINCKX «Ik ben eens van job veranderd om te kunnen blijven drinken. Omdat ik door mijn zware katers dikwijls niet kon gaan werken, ben ik op een gegeven moment vertegenwoordigster geworden, zodat ik mijn eigen werkritme kon bepalen. Ik ging ook in de buurt van het café wonen, zodat ik ’s avonds niet te ver naar huis moest wandelen. Typisch: de alcohol komt steeds centraler te staan. Uiteindelijk ga je leven in functie van je verslaving.»

HUMO Is Philip het prototype van de alcoholverslaafde uit je praktijk?

BRUYNINCKX «Nee, maar wel één van de typische soorten. Vaak denken we bij alcoholisten aan mensen die alles en iedereen verloren hebben en in de marginaliteit verzeild geraakt zijn. Dan zit je ver: voor de omgeving is het onhoudbaar geworden om nog met de verslaafde te leven en voor de drinker is de drank het enige geworden dat er nog is. Ik zie in mijn praktijk veel hoogopgeleiden met bloeiende carrières van wie heel veel mensen denken: dat is toch geen alcoholist? Hij draagt een pak! Maar alcoholisme treft alle bevolkingslagen. Er zijn ook brave huismoeders die zich verliezen in de drank en hun kinderen dronken aan de schoolpoort opwachten.

Ik herinner me nog goed wat Philip zei toen hij voor de allereerste keer bij mij langskwam: ‘Kun jij me helpen? Want nu moet het echt gebeuren.’»

MULS «Dat was na zes weken afkicken. ‘Help mij, want ik ga hervallen. Het is mij al drie keer overkomen en ik wil het niet nog eens meemaken.’ Het feit dat Myriam ervaringsdeskundige was, gaf haar veel geloofwaardigheid. Ik heb ook bij jonge psychologen gezeten, gastjes van 28 die zelf nooit een drankprobleem gehad hebben en recht van de schoolbanken komen. Bij hen voelde ik me niet goed: ‘Wat weten jullie daar nu over?’ Myriam had haar verslaving overleefd én had daarna weer zin in het leven gekregen. In het begin hebben we heel intensief gewerkt, twee keer per week. Onlangs hebben we voor het eerst in vier maanden nog eens een telefonische sessie gehouden. Ik bekijk dat als een groot onderhoud (lacht). Het heeft me deugd gedaan, maar ik heb het niet meer wekelijks nodig.»

HUMO Als je vier keer hervalt, is dat dan een schreeuw om hulp naar je omgeving?

MULS «Ik werd elke keer door mijn omgeving geholpen om me vrijwillig te laten opnemen. Iemand gedwongen laten opnemen is een garantie op falen, want de motivatie moet vanuit jezelf komen. In Karus (pyschiatrisch centrum, red.) in Sint-Denijs-Westrem werd ik omringd met tough love: met zorg, maar niet met medelijden. Er vliegen heel veel mensen buiten die het programma niet volgen of alsnog iets binnensmokkelen. Je moet je best doen, en dat heeft me erg geholpen. Je familie kan je nooit op dezelfde manier helpen.

In het afkickcentrum leer je je dag te structuren zonder te drinken, en krijg je lelijke reportages te zien over opgezwollen levers en hartfalen. Je wordt voor een stuk gebrainwasht tot je volledig doordrongen bent van het idee: ‘Ik ga nóóit meer drinken.’ Na vijf à zes weken mag je weer thuis slapen en weer gaan werken onder begeleiding.»

BRUYNINCKX «De mensen rondom je kunnen je niet echt helpen om te stoppen. Dikwijls worden ze kwaad, want ze verliezen op een gegeven moment begrijpelijkerwijs de hoop: ‘Je hebt de afgelopen jaren al zo vaak gezegd dat je er iets aan zult doen! Ik heb het gehad met al je opnames!’ Als geliefden te lief en zorgend zijn, maakt een verslaafde daar misbruik van. Zijn ze te streng, dan zal een verslaafde stiekem beginnen te drinken, wat de omgeving nog kwader maakt: ‘Nu begin je als volwassene nog te liegen ook!’ Maar de verslaafde blijft ontkennen, omdat er zoveel schuld en schaamte mee gepaard gaat.

De omgeving houdt de verslaving dikwijls in stand. Dat wordt codependency genoemd. Ze proberen op te lossen wat er fout gaat, waardoor de verslaafde niet echt last heeft van zijn verslaving. Dat is een moeilijk evenwicht.

Ik begrijp perfect in wat voor gevecht mijn cliënten zitten, omdat ik zelf verslaafd ben geweest aan alcohol. Maar ben ik te begripvol, dan voel ik dat ze mij beginnen te manipuleren. En ben ik te rechtlijnig, dan komen ze niet meer.»

MULS «Ik heb altijd geprobeerd om mijn drankgebruik zo sociaal aanvaardbaar mogelijk te houden. Je manipuleert je omgeving door te doen alsof drinken normaal is. Als we op vakantie met de kinderen de bergen introkken, werd ik om elf uur ’s morgens al zenuwachtig als ik niet direct een bergrestaurant wist te spotten. Het eerste wat ik toen ’s middags bestelde, was een karaf witte wijn.»

Dagen worden weken

HUMO Heb je ook, zoals Peter uit je boek, met zelfmoordgedachten gekampt?

MULS (knikt)

BRUYNINCKX «Je ziet alles rondom je naar de knoppen gaan, maar tegelijk zit je vast: je weet dat er iets moet gebeuren, maar je kunt het niet, en eigenlijk wíl je dat ook niet. Het idee nooit meer te drinken jaagt je ongelofelijk veel angst aan. Op een gegeven moment merk je dat je wereld heel klein geworden is: drinken, uitkijken naar het drinken, en alle ruzies errond. Je wordt steeds onverschilliger en eenzamer. Dan denken veel mensen: dit is geen leven.

Je komt op een kruispunt: ofwel doe je voort en drink je je dood, ofwel moet er íéts gebeuren. Pas dan gaat iemand vanuit zichzelf hulp zoeken. Dat is een volledig andere motivatie dan stoppen vanuit de angst dat iedereen je zal laten vallen.

Ondertussen zijn de richtlijnen voor verantwoord alcoholgebruik veranderd: tien glazen per week, zowel voor mannen als voor vrouwen. Maximaal twee per dag en nooit meer dan drie per gelegenheid, want dan ben je al aan het bingedrinken. Veel mensen vinden dat weinig, maar zodra je meer begint te drinken, kun je lichamelijke klachten krijgen, grenzen overschrijden en de controle verliezen. Om je een idee te geven: in een standaardglas zit 10 gram alcohol, uit een fles wijn kun je normaal 7,5 standaardglazen krijgen. Zodra je aan de speciale bieren begint, zit je al aan twee standaardglazen per glas. Maar de reactie van drinkend Vlaanderen is dan: ‘Zeg, we mogen níéts meer!’»

MULS «Het valt mij op dat België een speciale drinkcultuur heeft. Alles wordt hier makkelijk aanvaard en is soms zelfs verplicht. In Azië word je scheef bekeken als je elke dag drinkt. Tegelijk wordt België in China en Japan vereenzelvigd met chocolade en bier. Als je rondloopt in Japan, zie je reclame voor Duvel, Leffe en Hoegaarden. We zijn zeer succesvol in het exporteren van onze problematiek (lacht).»

BRUYNINCKX «En de jeugd begint al te drinken vóór het uitgaan: ‘indrinken’ noemen ze dat. Met mijn voorstelling ‘Nu ben ik ben het zat!’ tour ik door Vlaanderen, waarbij ik vooral scholen aandoe. Wel: het is erg. 80 procent van de 15-jarigen heeft al gedronken. Ze beginnen met bier en eindigen vaak met sterkedrank. 60 procent is al eens ziek geweest door alcohol, en black-outs zijn ook geen uitzondering. Terwijl hun hersenen nog niet volledig ontwikkeld zijn! Bovendien zal iemand die er op jonge leeftijd mee begint, later steeds moeilijker neen kunnen zeggen.»

HUMO Zijn jullie er voorstander van om de minimumleeftijd voor alcoholgebruik op te trekken naar 18 jaar?

BRUYNINCKX «21 jaar zou nog beter zijn.»

MULS «Maar dan duw je alcohol in de illegaliteit, wat voor velen de aantrekkingskracht zal vergroten. In de VS kopen twintigers alcohol voor tieners.»

BRUYNINCKX «Ja, maar zo krijg je toch al een andere boodschap mee. Nu wordt drinken als iets gezelligs gezien. Vanaf de babyborrel zijn we al met bubbels bezig. Nu we verder staan op het gebied van hersenonderzoek, zien we pas goed wat de gevolgen van alcoholmisbruik op onze hersenen zijn.»

HUMO Wat zijn de voordelen van een leven zonder alcohol?

MULS «Doordat ik mezelf niet meer hoef te verstoppen, ben ik authentieker. Ik kan nu toegeven dat ik angsten en twijfels heb, en heb daarvoor een uitlaatklep gevonden: schrijven. Sinds ik gestopt ben met drinken heb ik twee promoties gemaakt op mijn werk, vandaar dat ik nu in Singapore woon. Ik blijk te kunnen functioneren zonder alcohol, wat ik tien jaar geleden niet voor mogelijk hield. Met mijn boek wil ik mijn verhaal doorgeven aan verslaafden die nog aan het afkickproces moeten beginnen: er is wel degelijk hoop.

Ook volgens mijn omgeving ben ik veranderd. Niet enkel fysiek – ik ben frisser en magerder – maar ook qua mentaliteit. Ik leef meer in het nu.

De beste tip die ik kan geven, is: je leert jezelf om niet te drinken door niet te drinken. Dat klinkt simpel, maar meer houdt het uiteindelijk niet in. Alle therapie, opnames en lectuur helpen wel, maar het enige wat écht helpt, is jezelf tonen dat je het níét doet.»

BRUYNINCKX «Hoe vaker je niet drinkt in een situatie waarin je vroeger wél gedronken zou hebben, hoe sterker je wordt. En hoe makkelijker het is om er ook de volgende keer niet aan toe te geven. Dat leer je ook bij de AA: alleen vandaag telt, dat is het enige waarmee je bezig moet zijn. Dagen worden weken en weken worden maanden, en zo leg je uiteindelijk een heel proces af.»

MULS «Daarom is het voor mij zo belangrijk dat het boek op 22 mei uitkomt: het doet me deugd om die mijlpaal van zes nuchtere jaren te vieren. Als ik met m’n boek anderen kan inspireren om een nieuw, nuchter leven te starten, zou dat fantastisch zijn.»

HUMO Dat er nog vele jaren mogen bijkomen!

En zo tuinieren ze in Overijse

Dit zijn foto’s van de tuinactiviteiten van mijn zoon, die na een jaar al een volleerde tuinier blijkt te zijn. De eerste foto is van de Nicola aardappelen die hij hier in de moestuin gezet heeft, maar de rest heeft hij mij doorgestuurd vanuit Overijse.

Hieronder een selectie van de prachtige resultaten volleerd tuinieren!


 

Fantastisch hé, ronduit fantastisch! Zoals ik al zij: volleerd!!!
En dan is er koffie!


Niet in de stemming

Vijf jaar geleden, waren het op 25 mei 2014 verkiezingen. Dit jaar zijn er op 26 mei verkiezingen. Veel is er op die vijf jaar niet veranderd of verbeterd. Niets nieuws onder zon, enkel nog allemaal wat ingewikkelder en chaotischer.

Vijf jaar geleden postte ik dit op Facebook naar aanleiding van de GEN-werken die hier al jaren bezig zijn:

NIET IN DE STEMMING

Na de gebeurtenissen en toestanden van de afgelopen dagen, weken, maanden en jaren, in en rond mijn omgeving, ben ik niet in de stemming om op 25 mei 2014 te gaan stemmen, en dat omdat ik niet langer medeplichtig wil zijn aan de wandaden van anderen, waar ik dan ook nog eens slachtoffer van kan worden. Geen enkele partij of politieker kan mij namelijk de garantie bieden dat er geen misbruik gemaakt gaat worden van mijn stem…

Op 20 juni 2014 zouden de spoorwegwerken in de stations Hoeilaart en Groenendaal (voorlopig!) gedaan zijn. Het 3de en 4de spoor liggen er nog wel niet en o.a. de aanplanting van groen op de taluds en geluidsmuren moet ook nog gebeuren. Het groen zou voor oktober 2014 zijn en de sporen pas in 2017. Dus het zal nog een tijdje duren voor er om het half uur een trein stopt in Groenendaal en Hoeilaart, als die dan al stopt, want de NMBS is bezig met treinen af te schaffen. En de treinen die dan nog zullen rijden, zullen dat pas op vier sporen kunnen doen in 2025.

Dan denkt een logisch denkend mens toch, waarom die werken en kosten toch, met alle gevolgen voor de omgeving?!  Aan mij, die men wijsgemaakt heeft dat het voor het milieu was, zegt men nu ‘dat is politiek’. Ja, en met de jaren ben ik meer inzicht gaan krijgen en ik geloof inderdaad dat het politiek is, maar niet voor de mensen, niet voor de kiezers dus.

En daarom ga ik zondag niet stemmen. Ik heb weinig medestanders in dit verhaal en integendeel veel tegenstanders, maar dat geeft niet. Het leven heeft mij immers geleerd dat enkel door goed voor zichzelf te zorgen men de problemen kan aanpakken en in het gunstigste geval ook kan oplossen. Ik kies zondag 25 mei 2014 dus voor mezelf!

Volgende zondag zijn het dus verkiezingen, en wat het openbaar vervoer betreft en meer bepaald wat de NMBS betreft, gebeuren er nog elke dag “rampen”, en is er noch voor de reiziger, noch voor wie in de omgeving van de spoorweg woont veel beterschap in zicht. Er valt nog altijd regelmatig een brief met een foldertje in de bus, dat ons bedankt voor ons geduld…

2025 is ondertussen 2027 geworden, de files op de weg worden elke dag langer en intenser, en het milieu wordt nog steeds niet gespaart. Het enige wat niet gelogen is en waar men woord gehouden heeft, is dat het allemaal politiek is en wel van de hardnekkigste soort.

Ik heb gelukkig wel een jaar geleden een muur gekregen om mij af te schermen en mijn tuin de beschermen tegen al het onkruid van hun achtergelaten werven.


Ze kunnen wel als ze willen, maar dan moet je er wel zelf voor zorgen dat je lang genoeg zaagt en aandringt, en vooral de juiste man op de juiste plaats vindt.